Uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Podt en Bromet over bij de Europese Commissie pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risicomiddelen bevorderen (Kamerstuk 21501-32-1744)
Gewasbeschermingsbeleid
Brief regering
Nummer: 2026D06412, datum: 2026-02-10, bijgewerkt: 2026-02-11 17:00, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Onderdeel van kamerstukdossier 27858 -742 Gewasbeschermingsbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z02850:
- Indiener: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2026-02-12 14:20: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-02 12:00: Fiche: Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2026-03-04 11:15: Procedurevergadering Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Procedurevergadering), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
27 858 Gewasbeschermingsbeleid
Nr. 742 Brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 februari 2026
Op 6 februari 2026 is het BNC-fiche1 over het Omnibus pakket voor Food and Feed safety (hierna: het voorstel) naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 22112, nr. 4261). In aanvulling op dit fiche wil ik deze Kamerbrief gebruiken om toe te lichten hoe ik uitvoering wil geven aan de aangenomen motie van leden Podt (D66) en Bromet (Groenlinks-PvdA) over het voorstel (Kamerstuk 21501-32, nr. 1744). Hiermee geef ik gehoor aan het verzoek van de D66-fractie in hun schriftelijke vragen voor de Landbouw- en Visserijraad van januari jl. (Kamerstuk 21501-32, nr. 1753). Daarnaast wil ik, mede namens de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in deze brief reageren op twee brieven aan ons over dit voorstel. Dit is de brandbrief van Natuur en Milieu, Parkinson Alliantie Nederland, Parkinson Vereniging en enkele wetenschappers (hierna: brandbrief) en de brief van Pesticide Action Network (PAN) Nederland.
Uitvoering motie Podt en Bromet over het voorstel
Op 18 december is een motie van leden Podt (D66) en Bromet (Groenlinks-PvdA) aangenomen over het voorstel. In deze motie wordt de regering verzocht om:
“… met een kopgroep van andere EU-lidstaten in Brussel te pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risico middelen bevorderen maar met klem te pleiten tegen voorstellen die de status quo op de toelating van chemische en risicovolle middelen verzwakken”
Deze motie sluit aan bij het Nederlandse standpunt in het BNC-fiche en wordt door het uitdragen van dit fiche uitgevoerd. Op het gebied van laag-risico middelen worden in het voorstel goede voorstellen gedaan om de toelating te bevorderen (met name voor biocontrol en basisstoffen), wel zitten daar voor Nederland nog enkele belangrijke voorwaarden aan zoals dat deze bevordering van laag-risico-middelen niet ten koste mag gaan van het veiligheidsniveau voor mens, dier en milieu. Een belangrijk punt hiervoor is bijvoorbeeld een betere definitie van biocontrol.
De Europese Commissie doet daarnaast een voorstel om het toelatings- en herbeoordelingssysteem te veranderen van een periodieke herbeoordeling naar risico-gestuurde herboordeling. Over dit deel van de voorstellen zijn zorgen ontstaan, wat ik ook heb gelezen in de ingebrachte vragen van de fracties van D66 en Groenlinks/PvdA voor het schriftelijk overleg over de LVR van januari 2026. Ik wil vooropstellen dat voor mij het handhaven van het hoge beschermingsniveau voor mens, dier en milieu een harde eis is en met die instelling heb ik het voorstel beoordeeld. Dit hoge beschermingsniveau wordt ook vereist vanuit het voorzorgsbeginsel uit artikel 1 van de verordening (EG) 1107/2009 over het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Het hoeft niet bij voorbaat zo te zijn dat een risicogestuurd systeem veiliger of minder veilig is dan een periodiek systeem, dat ligt aan de voorwaarden die worden gesteld aan het systeem. Het kabinet oordeelt in het BNC-fiche dat deze voorwaarden nu nog onvoldoende aanwezig zijn in het voorstel om het veiligheidsniveau te kunnen garanderen. Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat het huidige toelatings- en herbeoordelingssysteem voor de werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen niet goed werkt en flink is vastgelopen. De in Europa beschikbare beoordelingscapaciteit wordt niet optimaal ingezet. Voorbeelden hiervan zijn de lange wachttijden voor toelatingen en het feit dat sommige werkzame stoffen procedureel verlengd worden, omdat de herbeoordeling veel langer duurt dan verwacht. Het veranderen van het systeem is daarom niet bij voorbaat een slecht idee, wel is het belangrijk dat dit niet ten koste gaat van het hoge veiligheidsniveau voor mens, dier en milieu. Nederland pleit daarom in het BNC-fiche voor aanvullende voorwaarden, zo moet er een proactief signaleringssysteem komen voor nieuwe wetenschappelijke inzichten en het in kaart brengen van de zorgen en risico’s van werkzame stoffen. Een dergelijk systeem is inmiddels ingericht in Frankrijk2 en zou een goede basis kunnen vormen om op het werkprogramma van zo’n risico gebaseerd herbeoordelingssysteem te sturen. Aanvullend is het belangrijk dat een dergelijk systeem duidelijk, eerlijk en transparant is ingericht, zo moet er een duidelijke planning komen waar de Commissie zich aan moet committeren en moet de bewijslast in de herbeoordelingen bij de producenten blijven liggen. Uiteindelijk mag de drempel voor wanneer iets risico-gestuurd herbeoordeeld wordt, niet te hoog liggen, zodat potentiële risico’s tijdig geïdentificeerd en aangepakt kunnen worden. Conform het BNC-fiche, zal het kabinet het voorstel steunen dat stoffen waarvoor zorgen bestaan, zoals candidates for substitution, worden uitgesloten van goedkeuring voor onbepaalde tijd. Bovendien zal het kabinet zich inzetten dat stoffen waarvoor zorgen bestaan vanuit de KRW, zoals de prioritaire stoffen, ook worden uitgesloten van goedkeuring voor onbepaalde tijd.
De bovenstaande inzet sluit aan bij het advies dat ik heb ontvangen over het voorstel van het Ctgb.3 Met deze inzet en zoals dit beschreven is in het BNC-fiche zal ik pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risico middelen bevorderen en pleit ik tegen voorstellen die de status quo op de toelating van chemische en risicovolle middelen verzwakken. Hierbij zal ik mij in Brussel actief inzetten om te komen tot een kopgroep om deze punten kracht bij te zetten.
Reactie op de brandbrief en de brief van PAN Nederland
Uw Kamer heeft mij gevraagd te reageren op de brandbrief en de brief van PAN Nederland over het Omnibus pakket voor Food and Feed safety. De brandbrief is op 30 november 2025 aan mij toegezonden, gevolgd door de brief van PAN Nederland op 4 december 2025. Nu het BNC-fiche over het voorstel naar uw Kamer is verstuurd, kan ik inhoudelijk op beide brieven reageren. Hierbij wil ik uw Kamer er graag op wijzen dat beide brieven zich baseren op een (eerder) gelekte versie van het voorstel. Het voorstel dat uiteindelijk uitkwam op 16 december 2025 bevat wezenlijke verschillen. In mijn reactie op deze brief ga ik daarom uit van het officieel uitgebrachte voorstel van 16 december 2025.
Allereerst wil ik, net als in de bovenstaande toelichting op de motie, benadrukken dat het voor mij voorop staat, dat het hoge veiligheidsniveau bij nieuwe Europese voorstellen behouden dient te blijven. Tegelijkertijd ben ik, samen met het kabinet, ook voorstander van het verminderen van onnodige regeldruk waar dit kan. Ik wil mij daarom niet bij voorbaat keren tegen het gehele voorstel, waar de brief van PAN Nederland mij toe oproept. Het voorstel omvat een breed aantal verschillende onderwerpen, van gewasbeschermingsmiddelen tot dierenwelzijn. Er worden in het voorstel verschillende wijzigingen aangedragen die een positieve bijdrage kunnen hebben in het verlagen van de regeldruk, zonder dat dit ten koste gaat van het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu.
Zoals in het BNC-fiche beschreven wordt, zal Nederland in beginsel positief staan tegenover het voorstel, zolang het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu behouden blijft. Het kabinet steunt het pakket waar vereenvoudiging en efficiëntie bijdragen aan innovatie, uitvoerbaarheid en een gelijk speelveld binnen de EU. Het kabinet is voorstander van een verlaging van onnodige regeldruk en wil inzetten dat dit concreet onderdeel zal zijn in het Omnibus pakket. Het kabinet is wel kritisch en heeft voorwaarden waar voorstellen risico’s kunnen opleveren voor veiligheid, milieu, uitvoerbaarheid of internationale verplichtingen. Het kabinet wil voorkomen dat de voorstellen Europese en nationale doelen ondermijnen.
Concreet wil ik ook ingaan op de vier zorgpunten die aangedragen worden in de brandbrief. Het eerste zorgpunt, over de verandering van de herbeoordelingssystematiek, heb ik in het eerste deel van mijn brief uitgebreid toegelicht dat ik zal pleiten voor extra randvoorwaarden om het veiligheidsniveau voor mens, dier en milieu te kunnen waarborgen. Ten aanzien van het tweede zorgpunt, over de laatste stand van de wetenschap, wil ik graag benoemen dat dit onderdeel in het officiële voorstel significant anders is uitgewerkt dan de toelichtende tekst van het uitgelekte voorstel deed vermoeden. In het officiële voorstel wordt de nationale toetsing en laatste stand van de wetenschap niet buiten spel gezet. Desondanks heeft het kabinet wel opgenomen in het BNC-fiche dat het altijd mogelijk moet zijn om middelen en werkzame stoffen tussentijds wetenschappelijk te toetsen en bovendien dat Nederland wil inzetten op een proactief signaleringssysteem die dergelijke wetenschappelijke signalen opvangt en dat dit wordt meegenomen in het door de Commissie voorgestelde werkprogramma. Het derde zorgpunt, over het verruimen van de respijtperioden voor gewasbeschermingsmiddelen, gaat over een maatregel in het voorstel om tegemoet te komen aan zorgen van enkele andere lidstaten in de EU. Uiteindelijk is het aan de lidstaat om wel of niet respijtperiodes in te stellen, net als de lengtes van deze termijnen binnen de maximale termijnen. In Nederland besluit het Ctgb hierover, waarbij ook de risico’s mee worden gewogen. In die zin verwacht ik dus niet dat deze maatregel een negatieve impact zal hebben voor het hoge beschermingsniveau voor mens, dier en milieu in Nederland. Voor het vierde zorgpunt, over het tijdelijk goedkeuren van werkzame stoffen in geval van een fytosanitaire dreiging, wil ik graag reageren dat deze mogelijkheid nu al bestaat binnen de EU wetgeving en dat dit dus geen nieuwe maatregel is. In het voorstel worden enkele wijzigingen gedaan voor deze maatregel, bijvoorbeeld ter verduidelijking en om de administratieve lasten te verminderen voor lidstaten. Ik verwacht daarom niet dat dit voorstel voor deze maatregel een negatieve impact zal hebben voor het hoge beschermingsniveau voor mens, dier en milieu in Nederland.
Met de Nederlandse positie in het BNC-fiche wordt een genuanceerde positie ingenomen tegenover het voorstel, wat het zeer brede karakter van het voorstel ook vraagt. Hiermee hoop ik tegemoet te komen aan de zorgen die de schrijvers van beide brieven hebben over het voorstel en tegelijkertijd ook de kansen te benutten die het voorstel kan bieden.
De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma