[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026 (Kamerstuk 21501-32-1747)

Landbouw- en Visserijraad

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D02547, datum: 2026-01-21, bijgewerkt: 2026-01-22 16:58, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 21501 32-1753 Landbouw- en Visserijraad.

Onderdeel van zaak 2026Z01055:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


21 501-32 Landbouw- en Visserijraad

Nr. 1753 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 21 januari 2026

De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister en staatssecretaris van over de brief van 14 januari 2026 over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1747).

De vragen en opmerkingen zijn op 19 januari 2026 aan de minister en staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 21 januari 2026 zijn de vragen beantwoord.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Podt

De griffier van de commissie,

Jansma

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 26 januari 2026 en Verslag Landbouw- en Visserijraad 11-12 december 2025 en rectificatie beantwoording vragen met betrekking tot het CITES-verdrag.

De leden van de D66-fractie vragen ten aanzien van de wijziging van de verordening biologische landbouw hoe de minister de voorgestelde wijzigingen beoordeelt in het licht van de recent gepresenteerde Europese Unie (EU)-strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector. Kan de minister toelichten of zij biologische landbouw ziet als een kansrijk instap- en verdienmodel voor jonge en nieuwe boeren en op welke wijze dit wordt weerspiegeld in de voorgestelde vereenvoudigingen? In hoeverre dragen deze vereenvoudigingen naar de mening van de minister daadwerkelijk bij aan het verlagen van drempels voor jonge boeren en zij-instromers die willen starten of omschakelen? Deze leden vragen de minister tevens of zij het risico ziet dat vereenvoudiging vooral bestaande bedrijven helpt, terwijl structurele knelpunten voor jonge boeren, zoals toegang tot grond, kapitaal en afzet, blijven bestaan. Hoe waarborgt de minister dat aanpassingen van biologische productieregels niet leiden tot extra onzekerheid voor jonge boeren die recent hebben geïnvesteerd in omschakeling? Voorts vragen deze leden hoe de minister ervoor wil zorgen dat de herziening van de biologische verordening goed aansluit op de verplichting voor lidstaten om vanaf 2028 een geïntegreerde nationale strategie voor generatievernieuwing op te stellen binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Ten slotte vragen deze leden hoe de minister in dit licht kijkt naar de recente bevindingen in het Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)-rapport ‘Iedere boer telt’ (RVO, februari 2025, ‘Iedere boer telt’ (https://www.rvo.nl/sites/default/files/2025-12/Rapport%20Iedere%20boer%20telt%20-dec2025.pdf)) ten aanzien van Europese regelingen en regels.

Antwoord
Het voorstel tot wijziging van de verordening voor biologische landbouw betreft onder andere voorstellen tot vereenvoudiging van administratieve processen en daarmee een verlaging van de administratieve lasten. Door een verlaging van de kosten ontstaat er meer ruimte voor innovaties om daarmee een bijdrage te leveren aan de doorontwikkeling van de landbouw, onder andere door een omschakeling naar biologische landbouw. Het doel van de vereenvoudiging is generiek en gericht op alle boeren, waaronder ook biologische boeren, jonge landbouwers en zij-instromers. Een mogelijk risico dat de vereenvoudiging alleen ten goede komt aan bestaande bedrijven ziet de minister om deze reden niet.

Bij de opstelling van het nieuwe beleidsplan voor het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) vanaf 2028 zullen de aspecten rond de biologische landbouw en de strategie van de generatievernieuwing in de keuze van de verschillende interventies worden bepaald. Hierop kan de minister momenteel niet vooruitlopen. Een aantal belemmeringen die in het rapport ‘Iedere boer telt’ naar voren komen, zoals bijvoorbeeld de complexiteit van de Gecombineerde opgave, zijn herkenbaar en zullen eveneens bij de opstelling van het nieuwe plan worden betrokken.

De leden van de D66-fractie vragen met betrekking tot de Ontbossingsverordening (EUDR) hoe de minister het besluit beoordeelt om de toepassing van deze verordening opnieuw met een jaar uit te stellen in het licht van de urgentie van mondiale ontbossing en klimaatverandering. Welke gevolgen heeft dit uitstel volgens de minister voor de geloofwaardigheid van de EU als mondiale koploper op het gebied van duurzaam handels- en klimaatbeleid? Op welke wijze borgt het kabinet tot slot dat de verdere vereenvoudiging en mogelijke aanpassingen van de EUDR niet leiden tot een afzwakking van de doelstellingen van de verordening?

Antwoord
Uitstel was onvermijdelijk nadat de Europese Commissie (hierna: Commissie) aangaf dat de IT-systemen niet tijdig op orde waren. Het kabinet heeft zich onthouden van stemming over de voorstellen voor uitstel en versoepeling van de Ontbossingsverordening, omdat de voorgestelde maatregelen voor administratieve lastenverlichting onvoldoende waren uitgewerkt (Kamerstuk 22 112, nr. 4199). Nederland heeft in de EU gepleit voor een jaar ‘gratie-periode’. Dat zou een jaar proefdraaien inhouden, waarbij de EUDR van toepassing is maar geen boetes worden opgelegd. Op basis daarvan zou dan de regelgeving afgesteld kunnen worden naar betere werkbaarheid. Het kabinet zal zich dit jaar inzetten voor nauwe samenwerking met de Commissie en de lidstaten om toe te werken naar een zorgvuldige implementatie van maatregelen voor lastenverlichting. Hierbij is het van belang dat maatregelen in conformiteit zijn met WTO-regelgeving en dat het gelijke speelveld gewaarborgd blijft.

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het bereikte akkoord over de vangstmogelijkheden voor 2026. Deze leden vragen de minister hoe zij de uitkomsten van de Landbouw- en Visserijraad van december jongstleden beoordeelt in het licht van de wetenschappelijke adviezen van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES). Kan de minister nader toelichten op welke wijze bij de vaststelling van de quota voor pelagische bestanden, zoals makreel en blauwe wijting, de langetermijnduurzaamheid is gewaarborgd, gezien de geconstateerde zorgelijke dalingen in deze bestanden? Voorts vragen deze leden naar de impact van de forse verlaging van het quotum voor Noordzeekabeljauw met 44 procent. Op welke wijze zal de aangescherpte regeling voor tijdelijke gebiedssluitingen (real time closures) worden gehandhaafd om de bescherming van ondermaatse vis te garanderen?

Antwoord
Nederland zette zich tijdens de onderhandelingen in de Raad in voor een gebalanceerd akkoord, waarin naast de milieudoelstellingen ook oog is voor de sociaaleconomische doelstellingen van het Gemeenschappelijke Visserijbeleid (GVB). Veel soorten zijn vastgesteld volgens het wetenschappelijk advies waarbij de lange termijn duurzaamheid in bestandsbeheermodellen is meegenomen.

De staatssecretaris erkent dat de verlaging van het kabeljauwquotum met 44% een aanzienlijke impact heeft, maar benadrukt dat dit – gegeven het nulvangstadvies voor het zuidelijke subbestand – nog een relatief gunstige uitkomst is, omdat op de twee andere subbestanden nog duurzaam kan worden gevist. Om ondermaatse kabeljauw beter te beschermen, worden de tijdelijke gebiedssluitingen in 2026 aangescherpt: de gesloten gebieden worden vergroot, het toegestane percentage kabeljauw in de vangsten wordt in het eerste kwartaal verder verlaagd en dit wordt gedurende het jaar herijkt op basis van wetenschappelijke gegevens. Daarnaast scherpen zowel het Verenigd Koninkrijk (VK) als Noorwegen in overleg met de Europese Unie (EU) hun Real Time Closures (RTC)-regels in 2026 aan, waardoor handhaving en bescherming beter op elkaar worden afgestemd en het herstel van het bestand wordt bevorderd. Om een uniforme implementatie door de lidstaten te garanderen, wordt onder coördinatie van het Europees Bureau voor Visserijcontrole (EFCA) gekeken hoe bestaande toezichtactiviteiten aangepast dienen te worden aan de nieuwe wet- en regelgeving.

De leden van de D66-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het 'Vereenvoudigingspakket' (Omnibus-verordening) op het gebied van voedsel- en diervoederveiligheid. Deze leden steunen de ambitie om onnodige administratieve lasten te verminderen, mits dit niet ten koste gaat van de bescherming van mens, dier en milieu. De leden van de D66-fractie maken zich ten aanzien van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen echter grote zorgen over het voorstel om de goedkeuring van actieve stoffen voor onbepaalde tijd te verlenen en de verplichte periodieke herbeoordelingen (om de 10-15 jaar) af te schaffen. Hoe rijmt de minister dit voorstel met het voorzorgsbeginsel en de noodzaak om stoffen continu te toetsen aan de meest recente wetenschappelijke inzichten, bijvoorbeeld met betrekking tot de risico’s op neurodegeneratieve ziekten zoals Parkinson? Kan de minister garanderen dat het schrappen van deze herbeoordelingsplicht niet leidt tot het langdurig op de markt blijven van risicovolle stoffen die onder het huidige regime zouden worden verboden?

De leden van de D66-fractie verwelkomen tegelijkertijd de voorgestelde versnelling van de markttoegang voor biologische en groene middelen (biocontrol). Kan de minister toelichten welke concrete termijnen worden nagestreefd voor deze versnelde procedures en op welke wijze dit 'fast-track' systeem zich verhoudt tot de reguliere toelating? Hoe gaat het kabinet bevorderen dat boeren hiermee daadwerkelijk sneller de beschikking krijgen over een duurzaam alternatief voor chemische middelen en op welke wijze wordt geborgd dat 'groene' middelen ook aan strenge veiligheidseisen blijven voldoen?

Antwoord
De leden van de D66-fractie verzoeken de minister in deze vragen om onderdelen van het Omnibuspakket ‘Food and Feed Safety’ (hierna: het Omnibuspakket) te beoordelen. Op dit moment wordt gewerkt aan het BNC-fiche met een kabinetsappreciatie van het Commissievoorstel. Dit BNC-fiche zal op korte termijn naar de Kamer worden gestuurd. In de beoordeling van het Omnibuspakket zal de motie Podt en Bromet over dit onderwerp (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) worden meegenomen, waarin de regering wordt verzocht om met een kopgroep van andere EU-lidstaten in Brussel te pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risico middelen bevorderen, maar met klem te pleiten tegen voorstellen die de status quo op de toelating van chemische en risicovolle middelen verzwakken.

Voor wat betreft de technische vraag over de versnelde procedures voor biocontrol, stelt de Commissie in haar voorstel geen concrete termijnen voor versnelde procedures voor, in plaats daarvan stelt de Commissie voor dat lidstaten prioriteit moeten geven aan de beoordeling van werkzame stoffen van biocontrol, ten opzichte van beoordelingen van andere werkzame stoffen. De wettelijk gestelde termijnen voor beoordeling worden niet veranderd. Verder wordt het met het voorstel ook mogelijk om voorlopige toelatingen voor werkzame stoffen van biocontrol toe te staan. Dat kan een substantiële tijdswinst voor het beschikbaar komen van biocontrol voor gebruikers opleveren.

De leden van de D66-fractie verzoeken de minister om voorafgaand aan de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari aanstaande, waar de Food and feed Omnibus mogelijk aan de orde komt, en de Coreper II-vergadering van 4 februari aanstaande, de Kamer nader te informeren over het Nederlandse standpunt. Deze leden vragen de minister inzicht te geven in de positie die in beginsel door Nederland zal worden uitgedragen en verzoeken daarbij expliciet aan te geven op welke wijze uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Podt en Bromet (Kamerstuk 21501-32, nr. 1744) binnen dit standpunt.

Antwoord
De Kamer zal middels een BNC-fiche op korte termijn geïnformeerd worden over de Nederlandse positie ten aanzien van het Omnibuspakket. In de beoordeling van het Omnibuspakket zal de motie Podt en Bromet over dit onderwerp (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) worden meegenomen, waarin de regering wordt verzocht om met een kopgroep van andere EU-lidstaten in Brussel te pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risico middelen bevorderen, maar met klem te pleiten tegen voorstellen die de status quo op de toelating van chemische en risicovolle middelen verzwakken.

De leden van de D66-fractie hebben ten slotte kennisgenomen van de brief van Eurocommissaris Roswall van 22 december 2025 betreffende het Nederlandse verzoek om een nieuwe derogatie onder de Nitraatrichtlijn (Bijlage 2025D54012 bij Kamerstuk 33037, nr. 637). Deze leden erkennen dat het besluit van de Europese Commissie (EC) om geen ruimte te zien voor een nieuwe uitzonderingspositie een ingrijpende boodschap is voor de Nederlandse boeren die hiermee worden geconfronteerd. Deze leden vragen de minister te reflecteren op de fundamentele argumenten die Eurocommissaris Roswall aanvoert, in het bijzonder de constatering dat de waterkwaliteit in grote delen van Nederland nog altijd niet voldoet aan de Europese normen en dat de nitraatconcentraties in het grondwater op veel meetpunten zelfs een stijgende trend laten zien. Hoe beoordeelt de minister de conclusie van de EC dat de huidige nationale maatregelen onvoldoende effect sorteren om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn tijdig te behalen?

Antwoord
De minister erkent de constatering van de Commissie dat de waterkwaliteit niet overal in Nederland voldoet aan de normen. Tegelijkertijd dragen derogatiebedrijven, door het verplichte areaal grasland, juist positief bij aan de waterkwaliteit. Dit heeft de Commissie echter niet anders doen besluiten. De geïmplementeerde maatregelen hebben tot nu toe geleid tot verbetering van de waterkwaliteit. Het is aan een volgend kabinet om te wegen of en welke maatregelen ter (verdere) verbetering van de waterkwaliteit in de toekomst nodig worden geacht, zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 635).

Voorts vragen deze leden op welke wijze de minister van plan is invulling te geven aan de noodzakelijke verbetering van de waterkwaliteit nu de EC expliciet wijst op de juridische verplichtingen van Nederland en de beperkte ruimte voor politieke onderhandeling zolang de ecologische randvoorwaarden niet worden gehaald. Kan de minister daarbij specifiek ingaan op de waarschuwing van de EC dat het niet vaststellen van een adequaat Achtste Actieprogramma Nitraat de geloofwaardigheid van het Nederlandse beleid in Brussel verder onder druk zet?

Antwoord
De Commissie gaat in haar brief niet in op de geloofwaardigheid van het Nederlandse beleid in Brussel door het niet vaststellen van een adequaat 8e actieprogramma. Het is aan een volgend kabinet om te wegen of en welke maatregelen ter (verdere) verbetering van de waterkwaliteit in de toekomst nodig worden geacht, zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 635).

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken ter voorbereiding op de Landbouw- en Visserijraad. Deze leden wensen in dit kader enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting van het kabinet.

De leden van de VVD-fractie constateren dat tijdens de Raad van december 2025 een politiek akkoord is bereikt over de vangstquota voor 2026 en hechten eraan enkele aandachtspunten onder de aandacht van het kabinet te brengen. Deze leden erkennen het belang van wetenschappelijk onderbouwd visserijbeheer, maar vragen tevens aandacht voor de economische gevolgen van aanzienlijke quotaverlagingen voor vissersgemeenschappen. Hoe weegt het kabinet de balans tussen ecologische duurzaamheid en het behoud van een economisch levensvatbare visserijsector? Op welke wijze zet het kabinet zich in om Nederlandse vissers binnen deze afspraken een gelijk speelveld en toekomstperspectief te bieden?

Antwoord
De wetenschappelijke vangstadviezen vormen de basis voor de inzet van de staatssecretaris tijdens de onderhandelingen over de vangstmogelijkheden, om de duurzaamheid van de visserij ook in de toekomst zeker te stellen. Hierbij worden ook de sociaaleconomische gevolgen meegewogen om zo een balans te vinden tussen de drie pijlers van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Het GVB stelt dat visserijen, naast langdurig duurzaam, ook beheerd dienen te worden op een manier die strookt met sociaaleconomische doelstellingen. De staatssecretaris acht het dan ook van belang om oog te houden voor de sociaaleconomische gevolgen van de vangstmogelijkheden en probeert waar mogelijk te kijken naar maatwerkoplossingen om zowel ecologische duurzaamheid te waarborgen alsmede een gelijk speelveld te creëren voor de visserijsector.

De leden van de VVD-fractie nemen met betrekking tot het aantreden van Cyprus als EU-voorzitter kennis van de nadruk op strategische autonomie en voedselzekerheid. Deze leden onderschrijven het belang van een concurrerende en toekomstbestendige Europese landbouwsector. Zij zien kansen in de aangekondigde inzet op vereenvoudiging van het GLB en versterking van crisisinstrumenten. Tegelijkertijd vragen deze leden het kabinet hoe wordt voorkomen dat nieuwe beleidsdoelstellingen leiden tot extra administratieve lasten voor boeren. Hoe zal Nederland zich positioneren in de discussies over het GLB 2028–2034 om ruimte te houden voor ondernemerschap, innovatie en een sterke marktoriëntatie?

Antwoord
Tijdens de gesprekken over het GLB na 2027 blijft de minister aandacht vragen voor innovatie binnen het GLB, de marktoriëntatie van het GLB en het gelijke speelveld ten aanzien van de interne markt en grensoverschrijdende uitdagingen. Dit is in overeenstemming met de richting die is aangegeven in het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4147). Daarbij blijft de minister het belang van innovatie en kennis benadrukken, die mede noodzakelijk zijn voor de versterking van de economische weerbaarheid van boeren. De minister pleit er tijdens de onderhandelingen voor om voldoende autonomie en flexibiliteit te geven aan lidstaten in de keuze van oplossingsrichtingen, bijvoorbeeld voor innovatie en doelsturing, zodat beter kan worden aangesloten bij nationale en regionale omstandigheden. Tegelijkertijd hecht de minister belang aan vereenvoudiging, uitvoerbaarheid en het verminderen van administratieve lasten voor boeren en uitvoeringsinstanties. Mede daarom vindt de minister continuïteit en stabiliteit voor het nieuwe GLB belangrijk.

De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van de voorstellen van de EC inzake biologische landbouw. Deze leden constateren dat de nadruk ligt op vereenvoudiging en verduidelijking van regelgeving, hetgeen zij in beginsel positief achten. Wel vragen deze leden aandacht voor het risico van marktverstoring en onnodig protectionisme, met name waar het gaat om aanvullende eisen aan biologische producten uit derde landen. Hoe beoordeelt het kabinet deze voorstellen in het licht van het belang van open markten en eerlijke concurrentie? Deelt het kabinet de observatie dat het eerder vastgestelde doel van 25 procent biologische landbouw in 2030 in deze voorstellen nauwelijks terugkomt?

Antwoord
Het kabinet is momenteel bezig een kabinetspositie te formuleren middels een BNC-fiche en zal dit medio februari aan de Kamer sturen. We kunnen niet hierop vooruitlopen. Het voorstel van de Commissie betreft de aanpassing van Verordening (EU) nr. 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en niet het actieplan van de Commissie met de ambitie om het Europese biologische areaal te vergroten.

De leden van de VVD-fractie erkennen ten aanzien van de evaluatie van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken de eerste positieve effecten voor de positie van boeren en kleinere leveranciers in de keten. Deze leden benadrukken echter dat verschillen in nationale uitvoering en handhaving kunnen leiden tot ongelijkheid binnen de interne markt. Is het kabinet bereid zich in te zetten voor meer harmonisatie en betere samenwerking tussen handhavingsautoriteiten, zonder daarbij het subsidiariteitsbeginsel uit het oog te verliezen?

Antwoord
Het kabinet wil nationale koppen voorkomen, onder meer vanwege de negatieve impact op de interne markt. Recent zijn de onderhandelingen over de Verordening grensoverschrijdend toezicht Oneerlijke Handelspraktijken afgerond waardoor samenwerking tussen handhavingsautoriteiten in verschillende lidstaten makkelijker wordt. Deze handhaving is in beginsel alleen van toepassing op oneerlijke handelspraktijken die op de geharmoniseerde lijst staan van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken (Richtlijn (EU) 2019/633) en gelden in alle EU-lidstaten. Het akkoord moet nog worden bekrachtigd door het Europees Parlement (EP) en de Raad.

De leden van de VVD-fractie hebben tot slot kennisgenomen van recente Europese voorstellen gericht op versnelde vergunningverlening voor energie-infrastructuur en de mogelijke gevolgen daarvan voor natuur- en milieubescherming, alsmede van de ontwikkelingen rond de Nitraatrichtlijn en derogaties. Deze leden onderstrepen het belang van voortgang in de energietransitie en rechtszekerheid voor ondernemers, maar achten het essentieel dat tijdelijke uitzonderingen juridisch houdbaar zijn. Hoe beoordeelt het kabinet de risico’s van deze voorstellen, mede in het licht van eerdere ervaringen zoals het Programma Aanpak Stikstof (PAS)? Op welke wijze zet het kabinet zich in om tot werkbare, proportionele en uitvoerbare Europese regels te komen die zowel economische ontwikkeling als milieubescherming dienen?

Antwoord
In het algemeen hecht het kabinet groot belang aan zorgvuldige besluitvorming, inclusief transparantie, participatie en het gebruik van onderbouwde impact assessments. Nederland volgt de verdere uitwerking en behandeling van de voorstellen in de Raad en het EP met aandacht voor de gevolgen voor economische ontwikkeling, milieubescherming en de uitvoerbaarheid voor lidstaten. Daarbij zal Nederland zich constructief, maar kritisch opstellen, en blijven pleiten voor oplossingen die zowel bijdragen aan de energietransitie als aan het herstel van natuur en ecosystemen. 

Het kabinet ziet geen juridische risico's voor initiatiefnemers dat vergunningen worden vernietigd naar aanleiding van dit Europese voorstel, zoals bij de PAS. Zodra dit pakket door het EP en de Raad is goedgekeurd én geïmplementeerd, zal dit het nieuwe toetsingskader vormen voor rechters.

Specifiek met betrekking tot stikstof heeft het kabinet middels het non-paper “Versnellen van de energietransitie met tijdelijke, beperkte stikstofdepositie” ingezet op het toestaan van kleine, tijdelijke stikstofemissies in de aanlegfase van hernieuwbare energieprojecten. De Kamer is hierover geïnformeerd middels de geannoteerde agenda van de Energieraad van 4-5 september 2025 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1145). In het EU Grids Package stelt de Commissie dat de uitrol van elektriciteitsnetten niet mag worden beperkt door stikstofemissies tijdens de aanlegfase. Door het voorstel zou de impact van stikstofdeposities als gevolg van de aanleg van netten niet meegenomen hoeven te worden in de voortoets of passende beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, is een natuurvergunning (‘omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit') alleen nog nodig als er als gevolg van het project ook nog andere drukfactoren zijn die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben. Daarnaast zal moeten blijven worden getoetst aan de soortbeschermingsbepalingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn, waarvoor de ‘omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit' relevant is. Andere effecten blijven daardoor onverkort relevant. Dit betreft een permanente uitzondering van deze gevolgen. De Kamer wordt op korte termijn via de reguliere BNC-procedure geïnformeerd over het kabinetsstandpunt met betrekking tot het EU Grids Package.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA–fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en de onderliggende stukken. Deze leden hebben vragen en opmerkingen. Zij zullen hun vragen en opmerkingen hieronder uiteenzetten.

Geannoteerde agenda

Europese Bio-economie strategie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragen over de inzet van de minister met betrekking tot de Europese Bio-economie strategie. De minister stelt te blijven pleiten dat de primaire functie van landbouwbedrijven als voedselproducenten voorop moet blijven staan en dat andere ambities hier geen afbreuk aan mogen doen. Kan de minister uiteenzetten wat zij bedoelt met ‘andere ambities’ en hoe zij haar zorgen onderbouwt dat aandacht voor de bio-economie boeren schaadt? Waarom heeft de minister vooraf al een voorkeur voor het boerenbedrijf boven het innovatieve bio-gebaseerde bedrijf? Deze leden zijn benieuwd hoe de minister het alsmaar grotere aandeel biogebaseerde producten als onderdeel van een toekomstbestendig, duurzaam landbouwperspectief beschouwt, aangezien zij de functie als voedselproducent belangrijk acht. Ten slotte zijn deze leden benieuwd wat de invloed van de geopolitieke onzekerheid is in het debat over duurzame biogrondstoffen. Hoe kijkt de minister naar het belang van een gediversifieerde voedselvoorziening in het licht van groeiende geopolitieke onzekerheid?

Antwoord
Zoals in het regeerakkoord is opgenomen, wil het kabinet voedselzekerheid als elementaire maatschappelijke voorziening borgen voor héél Nederland. Het kabinet heeft er dan ook oog voor dat de productie van biogrondstoffen voor materialen en energie niet ten koste mag gaan van voedselproductie. De bioeconomie hoeft de boeren niet te schaden. Integendeel, het creëren en beschermen van een afzetmarkt voor biogebaseerde producten en het stimuleren van marktvraag voor hoogwaardige toepassingen heeft juist een positieve uitwerking op zowel het boerenbedrijf als het innovatieve bio-gebaseerde bedrijf. Zoals eveneens aangekondigd in het regeerakkoord, wordt de rol van de landbouw voor zowel de productie van voedsel als voor andere toepassingen thans uitgewerkt in de nationale biogrondstoffenstrategie. Tot slot geldt dat de huidige geopolitieke ontwikkelingen ervoor zorgen dat zelfvoorzienendheid steeds belangrijker wordt. De productie van duurzame biogrondstoffen en gediversifieerde voedselvoorziening spelen hierbij ook een belangrijke rol.

Verordening tot wijziging van de verordening inzake biologische landbouw
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmerkingen over de aanpassing van de verordening. Deze leden zijn zich ervan bewust dat de kabinetspositie nog wordt voorbereid. Primair zijn deze leden benieuwd wat de rol gaat zijn van Nederland in de onderhandelingen van de overeenkomsten over handel in biologische producten. Kan de Kamer worden geïnformeerd over de aanpak en het doel van de Nederlandse inzet, indien Nederland een actieve rol speelt?

Antwoord
Het kabinet is momenteel bezig een kabinetspositie te formuleren middels een BNC-fiche en verwacht dit medio februari aan de Kamer sturen. We kunnen niet hierop vooruitlopen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over versimpeling van een aantal biologische productieregels waarmee de EC administratieve en financiële lasten wil verminderen. Deze leden vinden dat versimpeling van biologische productieregels nooit mag leiden tot een kwalitatieve verzwakking van biologische producten. Hoe wordt gewaarborgd dat dergelijke aanpassingen niet leiden tot een hogere mate van ‘greenwashing’, waarbij producten op voorbarige of onterechte gronden kunnen worden aangemerkt als biologisch? Vooral voor het bieden van een solide en gebruiksvriendelijke basis lijkt het deze leden niet bevorderend om regels te versoepelen, helemaal niet indien regels op een later moment weer kunnen worden aangescherpt.

Antwoord
De Commissie heeft een voorstel gedaan om Verordening (EU) nr. 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten te versimpelen zonder daarbij te willen tornen aan de principes die ten grondslag liggen aan deze wetgeving. Momenteel apprecieert het kabinet deze voorstellen, ook op dit onderdeel. Het kabinet verwacht de Kamer medio februari over de kabinetspositie te kunnen informeren.

De leden van de GroenLinks-PvdA maken zich daarnaast zeer veel zorgen over het toelaten van werkzame stoffen voor onbepaalde tijd op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen. Hoe vaak kan op dergelijke stoffen een risicobeoordeling worden gemaakt? Hoe lang duurt een mogelijke herbeoordeling door de EC? Deze leden vrezen toelating van schadelijke stoffen tot de markt, met een tijdrovend en kostenintensief traject om toelating op de markt terug te draaien. Hoe verhoudt deze toelating zich tot het voorzorgsbeginsel?

Antwoord
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de vragen van de D66-fractie, wordt dit moment gewerkt aan het BNC-fiche met een kabinetsappreciatie van het Commissievoorstel voor het Omnibuspakket ‘Food and Feed Safety’. Dit BNC-fiche zal op korte termijn naar de Kamer worden gestuurd. Wij kunnen hier in deze beantwoording niet op vooruitlopen.

In principe is er onder het voorstel van de Commissie geen limiet op hoe vaak er een risicobeoordeling van een werkzame stof mag worden gemaakt. Hoe vaak dit zal plaatsvinden zal afhankelijk zijn van de risicosturing die de Commissie wil inbouwen in het voorstel via het werkprogramma óf doordat dit wordt aangedragen via lidstaten (zie ook artikel 18 van het voorstel). Het is moeilijk in te schatten hoelang zo’n herbeoordeling zal duren. Dit is afhankelijk van de complexiteit van het dossier en de beschikbare capaciteit. Dit is ook nu al het geval. Het wordt in het voorstel mogelijk gemaakt om een gerichte herbeoordeling te doen. Dit kan eventueel tijdswinst opleveren in de herbeoordeling (artikel 18a van het voorstel). De Commissie geeft in het voorstel aan dat dit voorstel tot doel heeft de hoge veiligheidsstandaard voor mens, dier en milieu te handhaven. Overigens blijft artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 ongewijzigd en blijft daarmee het voorzorgsbeginsel van kracht.

Kunnen bovenstaande vragen ook worden beantwoord voor de toelating van de werkzame stoffen die niet voldoen aan de toelatingscriteria? Zijn er nog verdere vereisten of voorschriften waar de gebruikers van dergelijke werkzame stoffen zich aan moeten houden? Ook hier vragen deze leden hoe het voorzorgsbeginsel, zowel voor mens en milieu, wordt gewaarborgd en hoe deze wordt afgezet tegen de plantgezondheid.

Antwoord
De minister doet bij het beantwoorden van deze vraag de aanname dat de leden van de Groenlinks-PvdA-fractie in deze vraag doelen op het voorstel van de Commissie om artikel 4, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan te passen. Dit is een artikel dat lidstaten de ruimte geeft om een werkzame stof tijdelijk goed te keuren om een ernstig fytosanitair gevaar te bestrijden, wat niet op een andere manier mogelijk is. Hierbij mag deze werkzame stof dan afwijken van de criteria uit artikel 4, lid 1, van de genoemde verordening.

De grootste wijziging die het voorstel van de Commissie doet is dat de verplichting voor lidstaten om een uitfaseerplan op te stellen komt te vervallen. In Verordening (EG) nr. 1107/2009 en het Commissievoorstel zijn aan de tijdelijke goedkeuring allerlei vereisten en voorschriften verbonden. Zo is het vereist dat er bij het gebruik van de werkzame stof risico mitigerende maatregelen worden genomen om de blootstelling aan mensen en milieu te minimaliseren. Ook mogen mutagene stoffen uit de categorieën 1A en 1B, carcinogene stoffen uit de categorie 1A, persistente, bioaccumulatieve en toxische stoffen (PBT), erg persistente en erg bioaccumulatieve stoffen (vPvB) en persistente organische vervuilende stoffen (POP) niet met deze tijdelijke goedkeuring gebruikt worden. Het is uiteindelijk aan lidstaten zelf om de afweging te maken of zij gebruikmaken van artikel 4, lid 7, en om in te vullen hoe de balans wordt gemaakt tussen fytosanitaire dreigingen. Dit laatste zal casus-afhankelijk zijn.

Verslag over de evaluatie van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben een vraag over het beoogde onderzoek met betrekking tot een minimale productieprijs. In hoeverre worden de resultaten van het onderzoek bezien in het licht van versterking van de Europese samenwerkingen? Deze leden vinden het erg belangrijk om bij breed gedragen evaluaties ter bevordering van samenwerking niet enkel de (nationale) belangen te laten prevaleren, ook niet als dit een (minimale) lastenverzwaring voor de boeren betekent.

Antwoord
In het verzoek om een impactanalyse naar de effectiviteit van de maatregel zullen zowel de voordelen als de nadelen meegewogen worden. Het gaat daarbij niet alleen om mogelijke positieve of negatieve effecten op individuele boeren, maar ook om de effecten op de interne markt. De Richtlijn Oneerlijke Handelpraktijken (Richtlijn (EU) 2019/633) geeft lidstaten de mogelijkheid om de lijst met oneerlijke handelspraktijken aan te vullen met nationale koppen. Het kabinet is hier geen voorstander van, omdat deze de goede werking van de interne markt kunnen beperken.

Ministeriële lunch over de ‘Nieuwe Taskforce voor EU-invoercontroles’
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kijken met interesse naar de voornemens voor een taskforce. Wel zijn deze leden benieuwd hoe de Nederlandse inzet zich verhoudt tot mogelijk verhoging van de uitvoeringslasten. Het instellen van een taskforce komt immers zelden zonder verzwaring van de uitvoeringslasten. Heeft de minister een beeld wat zij acceptabele maatregelen acht en in hoeverre dit een verzwaring van de uitvoeringslast mag betekenen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn daarnaast benieuwd naar de inzet van Nederland bij de invulling van de taskforce. Hiermee doelen deze leden voornamelijk op mogelijke flexibiliteit van de taskforce om ook producten en vereisten, die op een later moment dan na instelling van de taskforce, schadelijk of kwetsbaar worden geacht te controleren. Deze leden merken op dat een dergelijke flexibiliteit bij een taskforce vraagt om structurele aanpak en financiering, vandaar dat zij benieuwd zijn naar de inzet van Nederland op dit vlak.

Antwoord
Tot op heden is alleen bekend dat de Commissie tijdens een lunch haar plannen voor de oprichting van een Taskforce Importcontroles zal willen voorleggen. Het is nog onduidelijk wat de precieze doelen van deze Taskforce zijn en wat mogelijke uitvoeringsconsequenties voor Nederland zijn. Ook is nog onduidelijk met wat voor mandaat de Taskforce zal optreden en hoe verdere besluitvorming over de inrichting en vergaderstructuur van de Taskforce zal verlopen.

Ontbossingsverordening
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten zorgen over het uitstel van de inwerkingtreding van de Ontbossingsverordening. Deze leden vrezen dat uitstel in dit geval niet leidt tot afstel. Deze leden zijn benieuwd wat de precieze inzet is geweest van Nederland in de afgelopen twee jaren waarin tot dit uitstel is gekomen. Daarnaast zijn deze leden benieuwd wat de inzet van Nederland gaat zijn in het aankomende jaar om te verzekeren dat de verordening ditmaal daadwerkelijk in werking zal treden op 30 december 2026.

Antwoord
Sinds de publicatie van de Ontbossingsverordening in juni 2023 heeft de Nederlandse overheid zich voorbereid op implementatie. Dit is gedaan door onder meer het organiseren van bijeenkomsten en het geven van voorlichting aan belanghebbenden, het aanpassen van de relevante Nederlandse wetgeving, en het maken van afspraken tussen de betrokken ministeries, de NVWA en de Douane over uitvoering. De NVWA en de Douane hebben zich voorbereid op de uitvoering van de handhaving. Bij de NVWA is een team inspecteurs aangenomen en opgeleid. In EU-verband heeft Nederland gepleit voor een jaar ‘gratie-periode’, een jaar proefdraaien waarbij de EUDR geldt maar er nog geen boetes worden opgelegd. Ook heeft Nederland een actieve rol gespeeld in het nastreven van uniforme interpretatie en handhaving van de Ontbossingsverordening. Daar blijft het kabinet zich ook voor inzetten gedurende dit jaar. Verder blijft het kabinet via flankerend beleid in samenwerking met productielanden onverminderd inzetten op het tegengaan van ontbossing.

De leden van de GroenLinks-PvdA zijn daarnaast zeer benieuwd naar een stand van zaken voor implementatie van de verordening. In hoeverre was de Nederlandse overheid en het bedrijfsleven gereed voor een mogelijke implementatie op 19 december 2025 en in hoeverre wordt deze voorbereiding aangepast naar de definitieve inwerkingtreding op 30 december 2026?

Antwoord
De Nederlandse overheid en het Nederlandse bedrijfsleven waren voorbereid op implementatie per de aanvankelijke toepassingsdatum van 30 december 2025. Om die reden, en vanwege zorgen over fragmentatie en uitvoerbaarheid bij het wijzigingsvoorstel, verzochten bedrijven de Nederlandse overheid om tegen het wijzigingsvoorstel te stemmen. Daarnaast zijn er in voorbereiding op de toepassing per 2025 afspraken tussen de betrokken ministeries, de NVWA en de Douane zijn gemaakt over de handhaving. De Nederlandse wetgeving is aangepast op de Ontbossingsverordening. Bij de NVWA is een team inspecteurs aangenomen en opgeleid. Gedurende 2026 gaat de NVWA de voorbereiding van de handhaving voortzetten, zoals het voorlichten van bedrijven. De Nederlandse wetgeving wordt aangepast naar de nieuwe toepassingsdatum. Daarnaast wordt er rekening gehouden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit de review van de Ontbossingsverordening door de Commissie in het kader van de versimpeling die in april 2026 wordt verwacht.

Diversen – Visserij
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dragen een diversenpunt aan over de visserij. Op 13 januari 2026 berichtte Follow The Money dat de EC een waarschuwing heeft afgegeven aan Nederland over de bijvangst van bruinvissen (Follow the Money, 13 januari 2026, ‘EU waarschuwt Nederland: krijg je visserij onder controle, anders eindigen we bij de rechter’ (https://www.ftm.nl/nieuwsbrieven/eu-waarschuwt-nederland-krijg-je-visserij-onder-controle-anders-eindigen-we-bij-de-rechter?utm_source=linkedin&utm_medium=social&utm_campaign=NoordzeeBruinvis&share=6RJ6MBShc3gwAFoC0Pne04sFNrVrRwlEtlslZ7Pq9d3rxSOJ%2B4XD4MQZgT36vls%3D)) In de antwoorden op vragen van onder andere deze leden werd eerder beterschap beloofd met betrekking tot het tegengaan van visfraude (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023-2024, nr. 970). Hoe reageert de minister op de waarschuwing van de EC (European Commission, 21 november 2025, November infringements package: key decisions’ (https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/inf_25_2481))? Heeft de minister al formeel gereageerd op de berichten van de EC? Zo ja, kan zij de reactie in volledigheid delen met de Kamer? Welke maatregelen gaat zij nemen om tegemoet te komen aan de zorgen over gebrekkig toezicht op visfraude? Het is een lopende zorg dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) beschikt over te weinig inspecteurs. Hoeveel inspecteurs denkt de minister nodig te hebben om volwaardig toezicht te houden op de bijvangst van bruinvissen? Deze leden benadrukken het belang van betere monitoring van bijvangst, en wijzen ook op de mogelijk verstrekkende gevolgen die het kan hebben voor vissers en de zeenatuur als dit niet verbetert. Zij verwachten daarom tijdig en volledig op de hoogte te worden gesteld over de ontwikkelingen wat dit betreft.

Antwoord
Het artikel in Follow The Money waaraan gerefereerd wordt, betreft het met redenen omkleed advies (MROA) ten aanzien van de infractieprocedure bijvangst van bruinvissen. Deze infractieprocedure is gestart op 10 februari 2022, waarna op 27 februari 2024 nog een verzoek om informatie van de Commissie is ontvangen. Beide brieven zijn door Nederland beantwoord binnen de gegeven termijn van twee maanden.

Naast het MROA ten aanzien van de infractieprocedure bijvangst van bruinvissen heeft Nederland op 21 november 2025 ook een aanvullende ingebrekestelling ten aanzien van de controle op de weging, registratie en traceerbaarheid van visserijproducten ontvangen van de Commissie. De Commissie is van oordeel dat Nederland enkele, maar niet alle vastgestelde tekortkomingen heeft verholpen. De staatssecretaris heeft binnen de gestelde termijn van twee maanden een brief aan de Commissie gestuurd met daarin de Nederlandse reactie. De inhoud van de aanvullende ingebrekestelling en de Nederlandse reactie zijn vertrouwelijk. Hier kan de staatssecretaris niet verder op ingaan. Ten aanzien van de capaciteit van de NVWA voor controle en handhaving op visserij is de Tweede Kamer onder andere op 1 oktober 2024 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1672) geïnformeerd over de aanvullende inzet. Daarnaast heeft de staatssecretaris sinds 2025 aanvullend budget beschikbaar gesteld voor aanvullende capaciteit bij de NVWA om de herziene controleverordening (Verordening (EG) nr. 1224/2009) te implementeren. Momenteel acht de staatssecretaris dit voldoende.


Verslag Landbouw- en Visserijraad van 11-12 december 2025

Vangstmogelijkheden 2026
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen en opmerkingen over de vangstmogelijkheden voor 2026.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ten eerste bezorgd over het uitblijven van een akkoord over de vangst van makreel. In december 2025 volgde het nieuws dat Noorwegen, de Faeröer-eilanden, IJsland en het Verenigd Koninkrijk zelfstandig afspraken hebben gemaakt. Hierdoor achten deze leden de makreelbestanden onvoldoende beschermd. Welke gevolgen hebben deze uiteenlopende afspraken op de gezondheid van de makreelpopulatie en de diersoorten die daarvan afhankelijk zijn voor hun eten? Hoe beoordeelt de minister dat supermarktketens vooralsnog meer ernst zien in de ongezonde makreelbestanden dan de lidstaten die ze vangen? Nederland moet zich volgens deze leden ten volste inzetten om zo snel mogelijk tot gebalanceerde vangstafspraken te komen die zorgen voor feitelijk herstel van de makreel. Zij zijn daarom benieuwd wanneer het definitieve akkoord wordt bereikt op de Total Allowable Catch (TAC) voor makreel. Wat is momenteel de positie en rol van Nederland in deze onderhandeling en met welke inzet gaat de minister deze onderhandelingen in?

Antwoord
De vier genoemde Kuststaten hebben onderling hogere vangsten afgesproken dan het primaire advies van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES). De Raad heeft een voorlopige TAC vastgesteld op basis van het primaire advies. De staatssecretaris betreurt het dat de andere Kuststaten een akkoord hebben gesloten zonder de EU. De staatssecretaris hoopt dat via vervolgoverleg alsnog kan worden ingezet op herstel van het gelijke speelveld.

De staatssecretaris merkt op dat ook het primaire advies nog een vangst van ruim 174.000 ton makreel als duurzaam beschouwt. Hierin is de natuurlijke predatie meegewogen. De supermarkten hebben een eigenstandige bevoegdheid ter zake van wat zij aanbieden, maar zoals gezegd kan nog ruim 174.000 ton duurzaam worden aangeboden. Het moment waarop de definitieve TAC bepaald kan worden, is afhankelijk van deze onderhandelingen. De voorlopige TAC is tijdens de Raad van december jl. vooralsnog bepaald voor 6 maanden. De inzet is dat binnen deze termijn de definitieve TAC vastgesteld wordt.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich daarnaast zorgen over de onderhandelingen over de verdeelsleutels voor blauwe wijting, makreel en Atlanto-Scandische haring. Het betrekken van de bredere buitenlandse betrekkingen kan immers haaks staan op zowel de milieudoelstellingen als op de sociaaleconomische doelstellingen. Kan de staatssecretaris toelichten wat hij precies bedoelt met het betrekken van de bredere buitenlandse betrekkingen? Wat zijn daarvoor specifiek de gevolgen voor zowel de milieu- als de sociaaleconomische doelstellingen? Hoe maakt de staatssecretaris de afweging tussen deze drie componenten van de onderhandelingen, welke volgens hem tot een gebalanceerd akkoord moeten komen?

Antwoord
Met de aanduiding dat het visserijaspect bij de bredere buitenlandse betrekkingen meegenomen zou dienen te worden, is bedoeld dat visserij niet meer louter op zich bezien wordt, maar ook benoemd en meegewogen kan worden wanneer andere onderwerpen in onderhandeling zijn en als zodanig in een integraal beeld van meerdere belangen meegenomen kan worden.

Voor wat betreft het afwegen van milieu- en sociaaleconomische doelstellingen binnen de visserijonderhandelingen wordt getracht beide zo goed mogelijk in beeld te hebben om, bijvoorbeeld waar het wetenschappelijk advies hier de ruimte voor geeft, ook de sociaaleconomische effecten mee te wegen. Ook bij het nemen van aanvullende technische maatregelen wordt hierbij zowel naar het effect voor het bestand als het sociaaleconomische effect gekeken. Zo wordt getracht tot een gebalanceerd akkoord te komen.

Onderhandelingen met derde landen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de verhoogde vangstmogelijkheid voor de zeebaars. Deze leden vragen de staatssecretaris in hoeverre gedurende het jaar wordt gemonitord wat de effecten zijn op de populatie en wat de mogelijkheden zijn om deze vangstpercentages bij te sturen, mochten wetenschappelijke adviezen hier gedurende het jaar al op aandringen. Dit geldt overigens voor alle vispopulaties waarbij momenteel een verhoogde vangsthoeveelheid is afgesproken.

Antwoord
ICES brengt jaarlijks adviezen uit voor alle visbestanden waarvoor vangstmogelijkheden gelden, waarbij wordt aangegeven tot aan welke maximale vangsthoeveelheid duurzaam kan worden gevist (gebaseerd op het Maximum Sustainable Yield (MSY)-principe). Deze adviezen gelden vervolgens als basis voor de jaarlijkse onderhandelingen over de visbestanden. Ook voor zeebaars is eind 2025 een advies uitgebracht over de maximale duurzame vangsthoeveelheid. Het is positief dat het weer beter gaat met het zeebaarsbestand en enkele andere bestanden. Tijdens de onderhandelingen over de verdeling van de vangsten voor de zeebaars in 2026 is de EU samen met het VK een vangsthoeveelheid overeengekomen die ruim binnen dit duurzame advies van ICES valt. ICES brengt deze adviezen per visbestand eenmaal per jaar uit. Er is geen reden om aan te nemen dat tussentijdse wetenschappelijke adviezen zullen uitwijzen dat de vangstmogelijkheden te hoog zijn.

Deze leden zijn daarnaast benieuwd naar de inzet van akoestische surveys voor andere vispopulaties, naast dat van de Noordzee horsmakreel.

Antwoord
De staatssecretaris is op dit moment niet voornemens om akoestische surveys in te zetten voor andere vispopulaties, naast dat van de Noordzee horsmakreel.

Uitkomsten trilaterale onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (VK) en Noorwegen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de toepassing van de voorzorgsoverwegingen bij de vaststelling van het vangstadvies. Het bewust niet toepassen van het voorzorgsbeginsel blijft de mogelijkheid bieden tot geitenpaadjes voor hogere visvangst, ten koste van de vissenpopulaties. Wordt er momenteel overwogen om het voorzorgsbeginsel toe te passen bij het vaststellen van de vangstpercentages? Zo nee, is er een mogelijkheid dat Nederland zich hier op het Europese toneel voor in gaat spannen?

Antwoord

De staatssecretaris benadrukt dat de wetenschappelijke vangstadviezen van ICES het uitgangspunt vormen voor de Nederlandse inzet bij het vaststellen van de vangstmogelijkheden. Zoals eerder met de Kamer is gedeeld, wordt het voorzorgsbeginsel reeds structureel toegepast door de systematiek die ICES gebruikt om adviezen op te stellen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1728). Bij de besluitvorming in de Raad worden daarnaast de sociaaleconomische gevolgen meegewogen, zoals het GVB voorschrijft. Het streven is daarbij steeds om tot een duurzame balans te komen tussen ecologische, economische en sociale pijlers. De staatssecretaris is daarom niet voornemens om standaard additionele voorzorgsreducties buiten de ICES-systematiek om toe te passen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich specifiek zorgen over het vangstadvies voor kabeljauw. Hoe verhoudt het links laten liggen van het 0-vangstadvies zich tot het implementeren van maatregelen voor de bescherming van kabeljauw op de lange termijn? Wat is de Nederlandse inzet in deze langetermijnbescherming, nu de economische en maatschappelijke effecten ervoor hebben gezorgd dat het wetenschappelijke vangstadvies niet is opgevolgd? Hoe verhoudt volgens de staatssecretaris de maatschappelijke en economische effecten zich tot het behoud van de makreel op lange termijn?

Antwoord
Er is voor 2026 een nulvangstadvies afgegeven voor het zuidelijke subbestand van de Noordzeekabeljauw. De andere twee Noordzee subbestanden konden echter nog wel binnen duurzame grenzen bevist worden, waardoor een volledig nuladvies voor heel de Noordzee niet wenselijk werd geacht. De staatssecretaris hecht eraan dat de kabeljauwvisserij hierdoor niet volledig stilvalt en de sociaaleconomische gevolgen beheersbaar blijven. Ook zijn maatregelen vastgesteld om het herstel van het zuidelijke subbestand te bevorderen, onder andere door aangescherpte regels voor gebiedssluitingen en de bescherming van ondermaatse vis. Het behoud van de makreel op lange termijn wordt nagestreefd door het volgen van de wetenschappelijke adviezen die gebaseerd zijn op bestandskenmerken.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de aanpassing van het TAC voor de Noordzeeharing. Hoe kan een aanpassing in het beheermodel leiden tot een lagere TAC-demper?

Antwoord
Onderdeel van de overeenkomst over een langetermijn beheermodel is dat hierdoor TAC-dempers toegepast kunnen worden. Door het overeengekomen beheermodel kan de duurzaamheid van de visserij in de toekomst beter worden gewaarborgd. Door het kunnen toepassen van deze TAC-demper worden grote fluctuaties in de TAC's beperkt. Dit biedt bedrijven meer zekerheid. De staatssecretaris is positief over deze ontwikkeling met betrekking tot het beheer van de Noordzeeharing.

Diversenpunten
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd hoe de staatssecretaris kijkt naar de invulling van definities binnen het voorstel inzake de sectorale verordening voor steun aan visserij, aquacultuur en het Oceaanpact voor de periode 2028-2034 van de EC. Over welke definities bestaat precies onenigheid en wat is de inzet van Nederland in de invulling van deze definities?

Antwoord
Op dit moment zijn de onderhandelingen over de gehele verordening nog in volle gang. Alle definities zijn hierbij ook onderwerp van gesprek. De staatssecretaris zet hierbij in op duidelijke definities die uitvoerbaar zijn.

GLB na 2027
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn benieuwd hoe het pleidooi van de staatssecretaris over doelsturing is ontvangen.

Antwoord
De minister heeft ​sinds de publicatie in juli 2025 van de voorstellen voor het GLB na 2027 bij meerdere gelegenheden gepleit voor doelsturing. In het algemeen is er steun in de Raad om boeren meer ondernemersvrijheid te geven om doelen te halen op een manier die past bij hun bedrijfsvoering. Wel is er zorg over wat dit betekent voor de administratieve lasten en hoe dit concreet vorm te geven.

Fiche Strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmerkingen bij het Fiche: Strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector. Voornamelijk maken deze leden zich zorgen over het onzekere nationale landbouwbeleid, met mogelijke financiële dan wel mentale nadelen tot gevolg. In hoeverre wordt toekomstperspectief op nationaal niveau meegenomen in het investeren in generatievernieuwing op (inter)nationaal niveau?

Antwoord
De minister beschouwt generatievernieuwing als een prioriteit voor een toekomstbestendige landbouw. Daarom investeren we via het GLB gericht in vestigingssteun, samenwerking voor generatievernieuwing en gunstige financiering voor duurzame omschakeling. Met structurele kennis-, advies- en begeleidingsinstrumenten bieden we jonge boeren concreet perspectief om bedrijven over te nemen en toekomstgericht voort te zetten.

De gezondheid van jonge boeren krijgt nadrukkelijk aandacht binnen het huidige beleid. Naast regelgeving die inzet op voorspelbaarheid en continuïteit in financiering en subsidieregelingen, wordt actief geïnvesteerd in mentale gezondheid en begeleiding. Via programma’s als Taboer wordt gewerkt aan het doorbreken van taboes rond mentale problematiek, met specifieke aandacht voor jongeren en toekomstige bedrijfsopvolgers. Daarnaast kunnen jonge boeren gebruikmaken van Sociaal Economische Begeleiding (SEB) voor meerjarige, onafhankelijke ondersteuning bij bedrijfstransities en persoonlijke ontwikkelvragen. Ook het Kenniscentrum Bedrijfsovername Jonge Boeren besteedt expliciet aandacht aan de sociaal-emotionele aspecten van ondernemerschap en opvolging. Hiermee wordt de gezondheid en veerkracht van jonge boeren structureel versterkt.

Al deze kennis en ervaring zullen worden meegenomen bij het opstellen van onze nationale strategie voor generatievernieuwing in de landbouw.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben de geannoteerde agenda met interesse gelezen en hebben met name over de Europese Bio-economie strategie en het onderwerp Verordening tot wijziging van de verordening inzake biologische landbouw nog een aantal vragen.

De leden van de BBB-fractie hebben het rapport ‘Europese Bio-economie strategie’ van onderzoeksbureau Thuenen uit 2013 gelezen, dat in opdracht van de EU werd gedaan (Thünen, 22 november 2013, ‘Evaluation of the EU legislation on organic farming’ (https://orgprints.org/id/eprint/28713/1/Final_StudyReport_(BlackWhite).pdf)). Daarin wordt benadrukt dat er grote verschillen zijn in de manier waarop de regels voor biologische productie worden uitgelegd in verschillende landen. Bovendien zijn er uitzonderingen op de regels mogelijk voor landen, waardoor ‘biologisch’ in het ene land iets totaal anders kan betekenen dan in het ander land. Deze leden willen de minister dan ook op het hart drukken om te vragen om opheldering rondom die verschillen, zodat de oneerlijke concurrentie door soepelere regels voor biologische productie in andere EU-lidstaten niet langer een risico vormt voor de Nederlandse boeren.

Antwoord
Het aangehaalde onderzoek uit 2013 stamt van vóór de inwerkingtreding van de huidige Verordening (EU) nr. 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en geeft geen actueel beeld meer van de huidige situatie in de EU. De verschillende interpretatie of implementatie door EU-lidstaten is een van de redenen geweest om de wetgeving destijds te herzien. Er ligt nu een voorstel voor versimpeling van de genoemde verordening. Er wordt daarbij scherp gekeken naar het voorkomen van oneerlijke concurrentie en het versterken van het gelijke speelveld.

De leden van de BBB-fractie zijn blij om te lezen dat de minister in het bovenstaande kader aangeeft dat ‘andere ambities’ geen afbreuk mogen doen aan de primaire functie van landbouwbedrijven als voedselproducenten, zeker in de huidige tijd van geopolitieke onzekerheid. De biologische productie van voedsel kost meer ruimte en land dan de gangbare productie. Op dit moment produceert de Nederlandse landbouwsector voor veel voedingsstoffen maar net genoeg voor de Nederlandse bevolking, hoewel Nederland als vruchtbare delta met een hoogontwikkelde landbouwsector een grote verantwoordelijkheid zou moeten dragen in de wereldwijde voedselvoorziening. De overgang naar 25 procent biologisch areaal landbouw zou dus ofwel de productie van voedsel doen dalen, danwel de claim op grond voor de totale landbouw vergroten. Er is in Nederland geen extra grond beschikbaar voor de productie van voedsel, tenzij daarvoor bijvoorbeeld natuurgebieden zouden worden opgegeven. Deze leden vragen de minister daarom om onderzoek te doen naar de gevolgen van nog meer biologisch areaal voor de voedselvoorziening in Nederland.

Antwoord
Met het Nederlandse actieplan voor de groei van biologische productie en consumptie streeft het kabinet naar een percentage van 15% biologisch landbouwareaal in 2030. Van 25% is momenteel geen sprake. Derhalve ziet de minister geen aanleiding om onderzoek te doen naar de gevolgen van nog meer biologisch areaal voor de voedselvoorziening in Nederland.

Kan de minister bovendien aangeven in hoeverre het uitbreiden van biologische productie in overeenstemming is met het programma van Cyprus waarin autonomie centraal staat en voor de landbouw een specifieke focus op voedselzekerheid? Zou de minister daarbij ook willen betrekken dat voedselproducent HAK bijvoorbeeld heeft aangegeven dat afgelopen jaar de volledige biologische oogst van tuinbonen is mislukt (Nieuwe Oogst, 20 december 2025, ‘HAK laat droom 100 procent biologisch varen: 'Financieel niet langer haalbaar'’ (https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2025/12/20/hak-laat-droom-100-procent-biologisch-varen-financieel-niet-langer-haalbaar))? Ziet de minister een risico voor de voedselzekerheid als het biologisch areaal nog groter wordt? Is er risico op het mislukken van nog meer oogsten als de inzet op een groter biologisch areaal in Nederland wordt doorgezet?

Antwoord
Het Cypriotisch voorzitterschap zal zich inzetten voor het versterken van het concurrentievermogen, de duurzaamheid en de aantrekkelijkheid op lange termijn van de EU-landbouwsector, en zal de uitdagingen aanpakken die voortvloeien uit klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, kwetsbaarheid van bossen en geopolitieke instabiliteit. Het voorzitterschap zal daarom de politieke discussies faciliteren over het voorgestelde GLB-pakket 2028-2034, de Gemeenschappelijke Marktverordening (GMO), crisispreventie en -bestrijding, vereenvoudiging van het GLB en handelsbeleid.

Uit het programma van het Cypriotisch voorzitterschap blijkt niet of gekeken wordt naar de positie van biologische landbouw om voedselzekerheid te garanderen. In antwoord op uw vragen wil ik wel benoemen dat de productie per hectare van biologische landbouw over het algemeen lager is dan de gemiddeld productie op agrarische bedrijven. Dit betekent dat naarmate het areaal biologische landbouw groter wordt, er in totaal ook een groter landbouwareaal nodig zal zijn om dezelfde productie te realiseren. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat over het mislukken van de biologische tuinbonenoogst en HAK gesproken zal worden in Brussel. Het is goed om te melden dat de biologische oogsten in de akker- en tuinbouw elders in Nederland het afgelopen jaar erg goed waren.

Hoe kijkt de minister daarnaast aan tegen de vereenvoudigingsvoorstellen van EC voor de biologische landbouw? Hoe kijkt de minister in het bijzonder naar de voorgestelde regels voor het gebruik van het EU-logo voor biologische producten uit derde landen, waarbij deze producten aan strengere eisen moeten voldoen dan de EU-producten? Wat zijn de gevolgen van een dergelijke maatregel met een protectionistisch karakter voor de Europese en internationale biologische markt?

Antwoord
Het kabinet is momenteel bezig een kabinetspositie te formuleren middels een BNC-fiche en verwacht dit medio februari aan de Kamer te sturen. We kunnen niet hierop vooruitlopen.

De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over het gepresenteerde pakket Europese netwerken. Deze leden zien daarin een mogelijk risico voor de landbouw, als daardoor een grotere stikstofreductie-opgave bij de landbouw komt te liggen. Welke risico’s ziet de minister voor een hogere stikstofreductie-opgave voor de landbouw bij het European grids package van de EC waarbij er uitzonderingen komen op de passende beoordeling onder de Habitatrichtlijn? Is duidelijk hoeveel groter de opgave zou kunnen worden?

Antwoord
De minister voorziet geen hogere stikstofreductie-opgave voor de landbouw als gevolg van het EU Grids Package van de Commissie. In het EU Grids Package stelt de Commissie dat de uitrol van elektriciteitsnetten niet mag worden beperkt door stikstofemissies tijdens de aanlegfase, aangezien juist deze projecten op de korte termijn in de bouwfase een beperkte stikstofuitstoot hebben en voor grote stikstofreductie zorgen op de lange termijn. Het kabinet voorziet dus juist dat de stikstofopgave voor Nederland op termijn kleiner wordt met dit voorstel. De verdere uitbreiding en verzwaring van het Nederlandse stroomnet kan daarbij ook bijdragen aan de elektrificatie van de Nederlandse industrie en mobiliteit waardoor er in de toekomst minder stikstofdeposities zijn. Voor de industrie is dit in het kader van het Onderzoek Samenhang Stikstof en Energie (OSES) onderzocht (Kamerstuk 29 023, nr. 597).

Volgens het Commissievoorstel uit het EU Grids Package zou de impact van stikstofdeposities als gevolg van de aanleg van netten niet meegenomen hoeven te worden in de voortoets of passende beoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, is een natuurvergunning (‘omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit') alleen nog nodig als er als gevolg van het project ook nog andere drukfactoren zijn die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben. Daarnaast zal moeten blijven worden getoetst aan de soortbeschermingsbepalingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn, waarvoor de ‘omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit' relevant is. Andere effecten blijven daardoor onverkort relevant. De voorstellen van de Commissie worden nader bestudeerd en de Kamer wordt op korte termijn via de reguliere BNC-procedure geïnformeerd over het kabinetsstandpunt. 

Parallel werkt het kabinet aan de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten, waarbij helder wordt gemaakt welke activiteiten en projecten geen natuurvergunning nodig hebben, omdat deze als beheermaatregel kunnen worden aangemerkt. Het gaat daarbij om verduurzamingsactiviteiten met kleine en tijdelijke stikstofemissies die op termijn tot stikstofreductie leiden.

De leden van de BBB-fractie zijn tevreden over de onderhandelingen over de vangstmogelijkheden voor 2026. Ondanks de moeizame gesprekken met derde landen en de overschrijdingen door met name die landen van de makreelquota, zijn deze leden positief over het resultaat dat door de staatssecretaris is bereikt. Daarbij is zorgvuldig gekeken naar de vangstadviezen van ICES, met oog voor zowel de ecologische uitgangspunten als de sociale en maatschappelijke impact.

De leden van de BBB-fractie blijven, ondanks de inzet die de staatssecretaris hier al op pleegt, aandringen op het tot stand brengen van langjarige quota-afspraken om de sector meer stabiliteit en voorspelbaarheid te bieden. Deze leden zijn met name tevreden over de uitkomsten voor belangrijke bestanden, waaronder tong, zeebaars, Noordzeeharing en horsmakreel. In het bijzonder bij tong, waar in eerdere jaren sprake was van aanzienlijke terugval, blijkt dat het bestand zich herstelt. Dit bevestigt het belang van langjarige quota om schokken in de sector beter te kunnen opvangen.

De leden van de BBB-fractie beschouwen de inzet van akoestische surveys, waaronder ICES, als een positieve ontwikkeling. Deze methoden maken nauwkeurigere metingen mogelijk en dragen bij aan betrouwbaardere wetenschappelijke inzichten in de bestandsschattingen.

De leden van de BBB-fractie zijn zeer verheugd over de bredere herziening van het Real Time Closed Areas (RTC’s). Deze leden hebben hier al geruime tijd voor gepleit en zijn verheugd dat de EC dit onderwerp nu in behandeling neemt.

De leden van de BBB-fractie ondersteunen de inzet van de staatssecretaris om duidelijkheid te verkrijgen over de financiering van wettelijke taken, de datacollectie en de controle. Daarnaast zijn zij van mening dat bepaalde definities met betrekking tot de kleinschalige visserij opnieuw dienen te worden bezien, aangezien deze in de praktijk onnodig beperkend uitwerken. Kan de staatssecretaris toezeggen daarop inzet te plegen?

Antwoord
De onderhandelingen over de verordening (voorstel voor tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, het Europees oceaanpact en het maritiem en aquacultuurbeleid van de Unie in het kader van het Fonds voor nationaal en regionaal partnerschap, zoals vastgesteld in Verordening (EU) [NRP-fonds] voor de periode 2028-2034) zijn nog gaande. Dit betreft onder meer definities. De staatssecretaris deelt de mening van de leden van de BBB-fractie dat definities niet onnodig beperkend moeten uitwerken. Zoals in het BNC-fiche “MFK - Voorwaarden voor steun voor het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, Ocean Pact, het maritieme en aquacultuur beleid” is aangegeven, heeft het kabinet vragen bij de voorkeursbehandeling die de kleinschalige kustvisserij in het voorstel lijkt te krijgen, zeker aangezien in de voorstellen verder niets over andere specifieke visserijen of steunpercentages is opgenomen. Niet alleen de kleinschalige kustvisserij staat voor grote uitdagingen, zoals de energietransitie. De staatssecretaris zal zich daarom inzetten voor gelijke en duidelijke steunpercentages voor de gehele vloot, zonder dat hierbij een vlootsegment of type visserij een voorkeursbehandeling krijgt.

De leden van de BBB-fractie benadrukken dat er voldoende financiële middelen beschikbaar moeten blijven voor de uitvoering van wettelijke taken, voor de ondersteuning van de energietransitie en voor vlootmodernisering. Daarbij achten deze leden het van belang dat voldoende middelen in het GLB geoormerkt blijven voor de visserijsector, ook al betreft dit een exclusieve bevoegdheid van de EC. Als vissers zelf controlemiddelen moeten aanschaffen, dient dit wat betreft de leden van de BBB-fractie voor 100 procent te worden vergoed. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren?

Antwoord
De staatssecretaris onderschrijft het belang van het subsidiabel kunnen houden van de uitvoering van wettelijke taken, de ondersteuning van de energietransitie en de modernisering van de vloot. Deze thema’s zijn essentieel voor een toekomstbestendige visserijsector. Ook is het kabinet van mening dat de middelen die uiteindelijk beschikbaar komen in het Meerjarig Financieel Kader (MFK) in verhouding moeten staan tot de beoogde doelen en eisen die aan de lidstaten worden gesteld. Zoals in het BNC-fiche “MFK - Oprichting Europees Fonds Nationale en Regionale Partnerschap plannen” is aangegeven, is het kabinet van mening dat wettelijke taken die volgen uit het GVB, zoals controle, handhaving en datacollectie, opgenomen moeten blijven worden als subsidiabele activiteit. De nieuwe cofinancieringssystematiek zal mogelijk een hogere bijdrage vragen van de visserij- en aquacultuurondernemingen danwel van het Rijk of medeoverheden. De staatssecretaris kan momenteel niet vooruitlopen op de uitkomsten van de discussie, maar zal hiervoor aandacht blijven houden in de onderhandelingen.

De leden van de BBB-fractie verzoeken bovendien om duidelijkheid over de vraag of het vissen met korven op wollandkrab binnen visserijvrije zones is toegestaan en, als dit het geval is, welke maaswijdte daarbij geldt, aangezien hierover onduidelijkheid bestaat in de binnenvisserij en het seizoen op zeer korte termijn gaat beginnen.

Antwoord
De aangekondigde visserijvrije zones bij vismigratievoorzieningen zijn nog niet van kracht. Dat betekent dat op korte termijn hiervoor geen nieuwe regels zullen gaan gelden. De betreffende zones moeten nog in de regelgeving worden uitgewerkt. Daarin wordt het maatwerk voor de visserij opgenomen, zoals is afgestemd met de sector. Dit maatwerk is beschreven in de brief van de staatssecretaris aan de Kamer van mei 2025 (Kamerstuk 29 664, nr. 213).

Met de nog te wijzigen regelgeving is voorzien dat nabij alle vismigratievoorzieningen een in afmeting beperkte zone komt waar visserij met alle vistuigen verboden wordt, met uitzondering van de maanden december en januari. Bij de belangrijkste intrekpunten voor trekvis in de Haringvlietsluizen en de Afsluitdijk komen additionele grotere zones. In deze additionele zones worden alleen hokfuiken en staand want verboden. In deze aanvullende zones is visserij met korven op wolhandkrab dus gedurende het hele jaar toegestaan. In de visserijvrije zone geldt daarbij geen aanvullende vereiste voor de maaswijdte. Wel geldt dat tijdens de gesloten periode voor de aalvisserij (van 1 september tot en met 28 februari) voor de korven een vergunning moet worden aangevraagd waarin is geregeld dat in deze maanden de korven over een ontsnappingsmogelijkheid voor aal beschikken.

De leden van de BBB-fractie willen ook van de staatssecretaris weten of het klopt dat het visgebied de Cocks is gesloten vanwege de aanwezigheid van zeegras. Zo ja, dan vragen deze leden of het mogelijk is om dit hoog dynamische gebied weer open te stellen als er geen zeegras aanwezig is.

Antwoord
De staatssecretaris gaat ervan uit dat met het visgebied de Cocks gedoeld wordt op het Eierlandse Gat. Vooralsnog is het niet de intentie van de staatssecretaris om het Eierlandse Gat weer open te stellen voor de garnalenvisserij. Het Eierlandse Gat is immers gesloten naar aanleiding van het Viswad convenant dat in 2014 is ondertekend door betrokken partijen en in 2022 heeft geleid tot sluiting van het Eierlandse Gat. In ruil voor deze sluiting zijn toen 19 garnalenvissers uitgekocht door het Waddenfonds.

De leden van de BBB-fractie vragen de staatssecretaris in gesprek te gaan met supermarkten die makreel uit de schappen hebben gehaald, nu er een nieuw quota-akkoord voor makreel is gesloten. Deze leden vragen daarbij te bezien of makreel weer in de schappen kan worden opgenomen, aangezien het gesloten quota-akkoord zelfs onder het wetenschappelijk vangstadvies ligt.

Antwoord
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van het schriftelijk overleg van de Raad van 27 en 28 oktober 2025 (Kamerstuk 21501-32, nr. 1730) en in de beantwoording van het schriftelijk overleg van de Raad van 11 en 12 december 2025 (Kamerstuk 21501-32, nr. 1736) is het aan supermarkten om op basis van de beschikbare informatie een afweging te maken over verkoop van makreel. De staatssecretaris is bereid, zoals ook reeds toegezegd in de eerdergenoemde beantwoording in oktober en december, zich te laten informeren door het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) om te horen hoe CBL tot dit besluit is gekomen.

De leden van de BBB-fractie vragen de staatssecretaris, gelet op de recente ICES-herbeoordeling waaruit blijkt dat de makreelstand aanzienlijk groter is dan eerder werd aangenomen en mogelijk niet overbevist is en gezien de geuite kritiek op de onzekerheid en methodologie van eerdere stockbeoordelingen, op welke wijze hij ervoor gaat zorgen dat het Nederlandse en Europese visserijbeleid voortaan is gebaseerd op wetenschappelijk robuustere en frequenter geactualiseerde bestandsevaluaties voor de vaststelling van vangstquota. Daarnaast vragen zij de staatssecretaris hoe de consistentie tussen internationale afspraken over TAC’s en de ICES-adviezen wordt verbeterd en op welke manier daarbij de positie van Nederlandse vissers wordt versterkt in internationale onderhandelingen over gedeelde visbestanden, zoals makreel.

Antwoord
ICES voert met regelmaat benchmarks uit om te analyseren of de gebruikte modellen nog passend zijn. Dit kan leiden tot aanpassingen in deze modellen/parameters en dit zal vanaf dan worden meegenomen in nieuwe vangstadviezen. Dit is vorig jaar ook gedaan met makreel. In deze adviezen wordt ook de data zoals beschikbaar vanuit Nederland (zowel data over visserijdruk als expertise vanuit Wageningen Marine Research (WMR)) meegenomen. Ik zie geen reden om deze systematiek te wijzigen. De onderhandelingen worden op dit moment uitgevoerd op basis van de ICES-adviezen.

De leden van de BBB-fractie achten het zeer onwenselijk dat de NVWA bij de juridisering die wordt toegepast bij de aanwijzing van loshavens niet naar de feitelijk toestand heeft gekeken waar nu wordt gelost. Deze leden pleiten ervoor dat alle havens waar in de afgelopen vijf jaar aantoonbaar vis is gelost, worden aangemerkt als toegestane loshavens. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren? Kan de staatssecretaris bovendien aangeven waarom de NVWA er niet voor heeft gekozen om alle havens waar de afgelopen vijf jaar vis is gelost aan te merken als toegestane loshavens?

Antwoord
Sinds november 2024 zijn de criteria en het proces voor de aanwijzing van een aanlandhaven vastgelegd in de Beleidsregel aanwijzing havens en plaatsen voor visserij (hierna: beleidsregel) (Regeling - Beleidsregel aanwijzing havens en plaatsen voor visserij – BWBR0050352). Hiermee wordt op voorhand voor ondernemers duidelijk aan welke criteria moet worden voldaan en wordt willekeur voorkomen bij de aanwijzing aanlandhavens. De criteria in de beleidsregel zijn op basis van Europese en nationale wet- en regelgeving vormgegeven. Het betreft hierbij onder andere de aanwezigheid van de benodigde faciliteiten, zoals bijvoorbeeld weegapparatuur, de mogelijkheden voor adequaat toezicht en handhaving en de omvang van de groep vissers die baat heeft bij het gebruik. Een nieuwe haven en/of plaats aanwijzen of het wijzigen van al aangewezen havens en/of plaatsen moet een algemeen en breed gedragen belang dienen. Dit kan immers leiden tot meer kosten voor onder andere toezicht en handhaving die worden betaald uit gemeenschapsgeld. De voorgenomen criteria voor aanwijzing van een haven of plaats zijn bij de opstelling van de beleidsregel afgestemd met de sector.

Op basis van de beleidsregel is het niet vanzelfsprekend dat havens die in het verleden zijn gebruikt voor de aanlanding van vis officieel aangewezen worden als aanlandhaven. Door veranderende omstandigheden kan de NVWA bijvoorbeeld een negatief advies uitbrengen over de uitvoerbaarheid. De NVWA moet immers kunnen garanderen dat er tijdig en voldoende toezicht plaats kan vinden op de aanlandingen. Hierbij wordt gewogen waar de beschikbare capaciteit het meest effectief en ten behoeve van het publiek belang ingezet kan worden. Het advies van de NVWA wordt uiteindelijk samen met de andere criteria gewogen op basis waarvan de staatssecretaris een besluit neemt.

De leden van de BBB-fractie achten het wenselijk om te onderzoeken of naast het Marine Stewardship Council (MSC)-keurmerk mogelijk ook andere duurzaamheidslabels in de garnalenvisserij kunnen worden geïntroduceerd, waaronder eventueel labels die in Vlaanderen worden gehanteerd. Kan de staatssecretaris toezeggen dat rekening wordt gehouden met de wensen van de Nederlandse garnalenvissers als het gaat om de introductie van duurzaamheidslabels voor garnalen op de Nederlandse markt?

Antwoord
Het MSC-keurmerk is een privaat initiatief en wordt niet door de overheid opgelegd. De sector heeft er zelf voor gekozen om hieraan mee te doen. De staatssecretaris heeft geen signalen ontvangen dat er naast het MSC-keurmerk behoefte is aan andere keurmerken voor de garnalensector. Indien de sector dit wenst, staat het haar vrij deel te nemen aan andere keurmerken.

De leden van de BBB-fractie verzoeken de staatssecretaris om een werkbezoek te brengen aan zijn Vlaamse collega, met als doel ervaringen uit te wisselen, ideeën op te doen en gezamenlijke knelpunten binnen de visserijsector te bespreken, zoals de incidenten op het kanaal met de flyshootvisserij op inktvis.

Antwoord
De staatssecretaris heeft regelmatig contact met zijn Vlaamse collega om van gedachten te wisselen over diverse visserijaangelegenheden. Hierbij wordt over verschillende onderwerpen gesproken, zoals innovatie en onderzoekssamenwerking. Ook worden in deze gesprekken actuele knelpunten besproken. Deze contacten blijft de staatssecretaris opzoeken.

De leden van de BBB-fractie willen laten toetsen of de Rode Lijst nog actueel is, onder andere voor soorten zoals de fint. Deze leden stellen voor hierover navraag te doen bij Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON) en de Wageningen University & Research (WUR)/ Wageningen Marine Research (WMR). Kan de staatssecretaris hierover een toezegging doen?

Antwoord
In opdracht van ons ministerie is eind 2025 aan Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON) de opdracht verleend om de Rode Lijst voor vissen in 2026 te herzien. RAVON is al gestart met de werkzaamheden. Dit wordt in samenwerking gedaan met WMR.

De leden van de BBB-fractie pleiten daarnaast voor het verstrekken van langjarige vergunningen aan ensisvissers om hun rechtszekerheid en continuïteit in de bedrijfsvoering te versterken. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren?

Antwoord
Momenteel hebben de nu geldende natuurvergunningen voor de ensisvisserij een looptijd van zes jaar. Of er ruimte is om deze looptijd voor de volgende vergunningen te verruimen zal te zijner tijd beschouwd worden op basis van de inzichten over de effecten van deze visserij op de beschermde natuurwaarden en de op dat moment best beschikbare wetenschappelijke kennis. Een langere looptijd betekent overigens wel dat er tussentijds gemonitord en geactualiseerd zal worden. Dat is ook aan de orde bij de langlopende vergunningen die recent voor de garnalenvisserij zijn afgegeven.


De leden van de BBB-fractie vragen tot slot wanneer vanuit het ministerie duidelijkheid komt over de passieve visserij binnen windmolenparken.

Antwoord
Wat betreft passieve visserij binnen windparken op de Noordzee is in het Programma Noordzee 2022-2027 vastgesteld dat passieve visserij één van de toegestane vormen van medegebruik is. Via inschrijving op een uitvraag in de Staatscourant kunnen vissers experimenteren met passieve visserij binnen windparken. Op dit moment staat er geen uitvraag open, maar de staatssecretaris is voornemens om op korte termijn weer een uitvraag te publiceren. Om duidelijkheid te krijgen wat betreft de potentie van deze vorm van visserij binnen windparken, heeft WMR de afgelopen jaren onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gepubliceerd op het Noordzeeloket. Hieruit blijkt dat passieve visserij binnen het windpark zelfstandig nog geen businesscase oplevert, maar mogelijk wel de businesscase van vissers kan aanvullen. Daarnaast wordt er aanbevolen om te kijken naar het verruimen van onder andere de zones waarbinnen passieve visserij mag plaatsvinden. Daarom zal de staatssecretaris de komende tijd onderzoeken of het beleid voor passieve visserij als medegebruiksvorm kan worden aangepast, opdat dit de business case voor passieve vissers ondersteunt.

De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgen van de recent door de Verenigde Staten opgelegde importheffingen. Deze leden vernemen daarom graag van de staatssecretaris hoe groot de waarde is van visserijproducten-handel tussen Nederland en de Verenigde Staten. Kan de staatssecretaris bovendien reflecteren op de verwachte gevolgen van de importheffingen voor de Nederlandse visserijsector?

Antwoord
Het kabinet is ongelukkig met de aankondiging van de president van de Verenigde Staten om importheffingen in te voeren als reactie op Europese militaire aanwezigheid op Groenland. Commissievoorzitter Von der Leyen heeft hierover meteen een verklaring uitgegeven waarvoor brede steun is uitgesproken door EU-lidstaten, waaronder Nederland. Zoals in de brief van de minister van Buitenlandse Zaken van 18 januari jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3317) is aangegeven, ligt de prioriteit van het kabinet bij het voorkomen dat de door president Trump aangekondigde importheffingen op 1 februari a.s. daadwerkelijk ingaan. Nederland zal zich via de EU, de NAVO en bilaterale contacten inzetten om te de-escaleren. Nederland exporteert voor grofweg €350 mln. per jaar aan visserijproducten naar de VS. Hiervan is ca. €300 mln. aan verwerkte zalmproducten waarvan de grondstof uit Noorwegen komt. Vooralsnog gaat het om een bericht van de president van de Verenigde Staten op sociale media en niet om een uitgewerkte beleidsmaatregel. Het kabinet kan daarom nog geen uitspraak doen over de impact van mogelijke heffingen op specifieke sectoren. Het kabinet houdt de situatie uiteraard nauwlettend in de gaten.


Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onder meer de geannoteerde agenda. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie hebben een vraag naar aanleiding van de evaluatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken die tijdens de Raad zal worden gepresenteerd. Nederland heeft gekozen voor een minimale implementatie van de richtlijn. Verschillende andere lidstaten hebben ervoor gekozen andere handelspraktijken toe te voegen aan de door Brussel vastgestelde (minimale) lijst met verboden oneerlijke handelspraktijken of hebben strengere handhavingsnormen ingevoerd. Hoe waardeert de minister de verschillen tussen lidstaten? Ziet zij toegevoegde waarde in het nationaal vaststellen van aanvullende oneerlijke handelspraktijken of strengere normen ter versterking van de positie van primaire producenten in de voedselketen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Uit de Nederlandse evaluatie van de Wet Oneerlijke Handelspraktijken (Kamerstuk 35 642, nr. 7) is naar voren gekomen dat het doelbereik van de wet op dit moment niet verhoogd zou worden door meer mogelijke oneerlijke handelspraktijken aan de grijze of zwarte lijst toe te voegen. Verschillen tussen lidstaten hebben daarnaast een negatief effect op een goede werking van de interne markt. De minister is er daarom geen voorstander van om de lijst Oneerlijk Handelspraktijken (Richtlijn (EU) 2019/633) aan te vullen of om op nationaal niveau strengere normen te stellen.

De leden van de SGP-fractie horen graag wat de stand van zaken is met betrekking tot de door de EC aangekondigde studie naar de impact van intellectueel eigendom en octrooien in de plantenveredeling (zie schriftelijke overleg Landbouw- en Visserijraad van 18 juni 2025, Kamerstuk 21 501-32, nr. 1711). Het kabinet zou aandringen op snellere oplevering van deze studie, gelet op de toenemende spanning tussen het octrooirecht en het kwekersrecht in de plantenveredeling. Zal de studie inderdaad sneller worden opgeleverd? Zorgt de staatssecretaris voor nauwe betrokkenheid van Nederland bij de uitvoering van deze studie?

Antwoord
De studie waarop gedoeld wordt, is in december 2025 door de Commissie gepubliceerd (Supporting innovation in the EU bioeconomy through intellectual property protection: Challenges and opportunities for agricultural biotechnology). Het onderzoek is door Technopolis uitgevoerd in opdracht van de Commissie. Technopolis heeft ook Nederlandse stakeholders geconsulteerd en hun bijdragen in het rapport opgenomen. In lijn met de toezegging van de minister van 12 november 2025 aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 27 428, H), ontvangt de Tweede Kamer een appreciatie van dit rapport in relatie tot het NGT-voorstel zodra de compromistekst uit het triloog wordt gepubliceerd.

De leden van de SGP-fractie hebben verder een vraag over de brief inzake de voortgang van het Achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn (Kamerstuk 33 037, nr. 635). Deze leden constateren dat de minister kiest voor het vooralsnog doorzetten van het Zevende Actieprogramma. Zij willen er daarbij op wijzen dat wat betreft de aanwijzing van met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) inmiddels geactualiseerde data beschikbaar zijn, waardoor enkele NV-gebieden niet meer voldoen aan de criteria waarmee ze aangewezen zijn, zoals de landbouwbijdrage van minimaal 19 procent. Gaat de minister ervoor zorgen dat binnen de systematiek van het Zevende Actieprogramma en de NV-gebieden dit jaar wel die NV-gebieden van de lijst worden afgevoerd die op basis van de geactualiseerde gegevens niet (meer) blijken te voldoen aan de criteria op basis waarvan ze zijn aangewezen?


Antwoord
Op 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 635) is de Kamer geïnformeerd dat het 8e actieprogramma door het kabinet niet is vastgesteld. De minister erkent dat inmiddels geactualiseerde data beschikbaar zijn en dat toepassing van die data ook voor veranderingen kan zorgen in de aanwijzing van NV-gebieden. Zoals bekend bij uw Kamer was dit ook onderdeel van het concept-8e Actieprogramma. Echter, in de motie Grinwis c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 634) heeft de Kamer opgeroepen geen onomkeerbare stappen te nemen en de geïmplementeerde maatregelen uit het 7e Actieprogramma ongewijzigd voort te zetten. Het kabinet respecteert deze motie. Dat betekent ook dat de huidige aanwijzing van NV-gebieden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet gehandhaafd blijft.


Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw- en Visserijraad en hebben hier nog enkele vragen over.

Diertransportverordening
De leden van de PvdD-fractie constateren dat op de afgelopen Landbouw- en Visserijraad is gesproken over de diertransportverordening. Kan de minister aangeven wat haar verwachting is voor het tijdpad en inhoud van het definitieve voorstel? Kan zij aangeven hoe het verwachte voorstel zich verhoudt tot de oproep die de Kamer al jarenlang doet om over te gaan tot het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten (Kamerstukken 21501-32, nr. 1716; Kamerstuk 28286, nr. 1346; Kamerstuk 21501-32, nr. 1526; Kamerstuk 36200-XIV, nr. 63)? Kan de minister toezeggen dat zij ervoor gaat zorgen dat er deze zomer geen dieren meer op snikhete dagen op transport worden gezet naar het slachthuis door het verlagen van de maximumtemperatuur?

Antwoord
Het is de verwachting dat de onderhandelingen over de herziening van de transportverordening zeker nog tot eind 2026 zullen duren en mogelijk nog langer. Voor wat betreft de inhoud is het krachtenveld erg uitdagend. Een grote meerderheid van de lidstaten vraagt om een versoepeling van de voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Nederland zal dus zeer strategisch te werk moeten gaan, waarbij het hoogst onzeker is dat de Nederlandse inzet integraal wordt overgenomen.

Het oorspronkelijke voorstel van de Commissie sloot aan bij de oproep van de Tweede Kamer inzake het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransport. Deze maximumtemperatuur is echter een punt van discussie binnen de Raadswerkgroep, waarbij hetzelfde krachtenveld geldt zoals hierboven is geschetst. Deze discussie is nog niet afgerond en de minister kan niet vooruitlopen op de uitkomst ervan.

Voor wat betreft het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransport heeft de minister eerder al aangegeven de zorgen van de sector serieus te nemen en dat zij het voorkomen van eventuele negatieve neveneffecten een voorwaarde vindt voor het uiteindelijk in werking treden van de lagere maximumtemperatuur. De sector en de NVWA hebben gezamenlijk onderzocht of ’s nachts slachten een mogelijke (deel)oplossing voor de negatieve neveneffecten kan zijn. Dit onderzoek wordt op dit moment nog geëvalueerd. Tot slot is het onderwerp transport tijdens hitte door de Kamer controversieel verklaard. Verdere stappen ten aanzien van dit dossier laten we daarom over aan het volgende kabinet.

Biologische landbouw
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC voorstellen heeft gepresenteerd op het gebied van biologische landbouw. Kan de minister toezeggen dat Nederland niet akkoord zal gaan met vereenvoudiging van de regelgeving dat ten koste gaat van dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie vragen de minister hoe zij ervoor gaat zorgen dat Nederland het doel van ten minste 15 procent biologisch landbouwareaal in Nederland in 2030 gaan behalen?

Antwoord
De Commissie heeft een voorstel gedaan om de Verordening (EU) nr. 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten te versimpelen zonder daarbij te tornen aan de principes die ten grondslag liggen aan deze wetgeving, waaronder dierenwelzijn. Momenteel beoordeelt het kabinet dit voorstel en het kabinet verwacht de Kamer medio februari middels een BNC-fiche over de kabinetspositie te informeren. Om de ambitie van 15% biologisch landbouwareaal in Nederland in 2030 te halen wordt het actieplan ‘groei van biologische productie en consumptie’ uitgevoerd. In 2026 wordt het actieplan tussentijds geëvalueerd en bekeken of bijstelling van de aanpak nodig is.

Vereenvoudigen van milieu- en natuurwetgeving
De leden van de PvdD-fractie vragen de minister of zij heeft kennisgenomen van de HandsOffNature coalitie, waarin zij zorgen uiten over het afbreken van de natuurbeschermings- en milieumaatregelen, wat leidt tot meer milieu- en gezondheidsschade, zoals meer uitstoot, een slechtere waterkwaliteit en achteruitgang van biodiversiteit (European Environmental Bureau, 10 december 2025, ‘Green protection gutted: EU Commission jeopardises nature and health safeguards’ (https://eeb.org/en/green-protection-gutted-eu-commission-jeopardises-nature-and-health-safeguards/)). Wat is de reactie van de minister op deze brief?

Antwoord
De minister heeft kennisgenomen van de publicatie van de HandsOffNature coalitie en de daarin geuite zorgen over de recente voorstellen van de Commissie, waaronder de Milieuomnibus en het EU Grids Package. De Kamer wordt middels het reguliere BNC-proces geïnformeerd over de kabinetsappreciatie van deze voorstellen.

Bontfokkerijen
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de EC naar verwachting dit voorjaar zal aangeven hoe zij de toekomst van de bontindustrie in de EU voor zich ziet. Is de minister bereid om op korte termijn aan de EC mede te delen dat Nederland groot voorstander is van een handels- en productieverbod voor bont in de EU? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Zoals de minister heeft aangegeven in haar reactie van 16 december jl. op de brief van de Dierencoalitie en Bont van Dieren en het rapport «A full-cost account of the EU fur industry» van de Fur Free Alliance, zal de minister zich in EU-verband blijven uitspreken voor een Europees verbod op bontproductie en een verbod op het vermarkten van bontproducten (Kamerstuk 22 112, nr. 4224).

Oceaanverdrag
De leden van de PvdD-fractie vragen de staatssecretaris of hij ook verheugd is dat het Oceaanverdrag eindelijk van kracht is. Kan de staatssecretaris aangeven of Nederland het verdrag inmiddels heeft geratificeerd? Zo nee, waarom is dit nog niet gebeurd en wanneer gaat Nederland dat wel doen?

Antwoord
De inwerkingtreding van de Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (Biological Diversity of areas Beyond National Jurisdiction; hierna: BBNJ-overeenkomst) is een belangrijke stap voor natuurbescherming en multilaterale samenwerking. Van de 83 landen die de BBNJ-overeenkomst al hebben aanvaard, hoeven sommige landen pas na de aanvaarding uitvoeringswetgeving op te stellen. In Nederland moet deze uitvoeringswetgeving gereed zijn vóór de aanvaarding om meteen klaar te zijn voor de effectieve uitvoering. De BBNJ-overeenkomst zal na parlementaire goedkeuring aanvaard worden voor Nederland. Goedkeuring kan plaatsvinden nadat de uitvoeringswetgeving gereed is en het wetgevingsproces is doorlopen. Momenteel wordt hard gewerkt om de uitvoeringswetgeving snel maar ook goed op te stellen, zoals toegelicht in de brief Voortgang goedkeuringstraject BBNJ-overeenkomst van 16 juli 2025 (Kamerstuk 30 196, nr. 851) en in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Teunissen op 6 november 2025 (2025Z18311). Niet alleen biedt goede uitvoeringswetgeving burgers en bedrijven de meeste rechtszekerheid, het zorgt er ook voor dat de BBNJ-overeenkomst daadwerkelijk bijdraagt aan de bescherming van de oceaan en zeeleven. Vanwege de termijnen die voor de verschillende fasen in de wetgevingsprocedures staan, is de verwachting dat de goedkeuringsstukken met betrekking tot de BBNJ-overeenkomst en de uitvoeringswetgeving op zijn vroegst eind 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden kunnen worden.

Landbouwgif
De leden van de PvdD-fractie vragen de minister uiteen te zetten hoe de Omnibus Simplification Package (agendapunt A.03) de komende Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (ScoPAFF)-vergaderingen procesmatig zal worden behandeld, inclusief in welke vergaderingen dit onderwerp naar verwachting opnieuw zal terugkeren. Wanneer wordt een eerste inhoudelijke bespreking voorzien en op welk moment verwacht de EC toe te werken naar een formeel beslismoment (B-punt)?

Antwoord
De Commissie zal naar verwachting een procedurele stand van zaken geven omtrent het Omnibuspakket ‘Food and Feed Safety’, waarbij de Europese vervolgstappen zullen worden toegelicht. De inhoudelijke discussie gaat buiten de SCoPAFF-vergadering om en de Kamer wordt hier separaat over geïnformeerd middels een BNC-fiche.

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de minister de Kamer moet informeren voorafgaand aan een aankomende ScoPAFF-vergadering over de voorgenomen Nederlandse standpunten inzake de in stemming gebrachte beslispunten (B-punten). Deelt de minister de opvatting dat A-punten in ScoPAFF, waaronder de bespreking van European Food and Safety Authority (EFSA)-conclusies en Artikel-21-procedures in de praktijk onderdeel vormen van het besluitvormingsproces en richtinggevend zijn voor latere besluitvorming over (her)goedkeuring, verlenging of intrekking van werkzame stoffen?

Antwoord
De SCoPAFF-vergadering is een ambtelijk comité waar procedurele en technisch-wetenschappelijk inhoudelijke onderwerpen omtrent gewasbeschermingsmiddelen worden geagendeerd. Een stof staat veelal gedurende een langere tijd op de agenda waarbij iedere stap in het beoordelingsproces wordt besproken, zo ook de conclusies van de European Food and Safety Authority (EFSA) en de stand van zaken rondom artikel 21-procedures. De Commissie publiceert na elke vergadering een verslag hiervan op haar website.

Op het moment dat alle stappen van een stofbeoordeling zijn doorlopen is het aan de Commissie om een voorstel aan de lidstaten te doen over het al dan niet (opnieuw) goedkeuren van een stof en onder welke voorwaarden dat eventueel kan gebeuren. Op basis van dat voorstel kan de minister pas, na door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) hierover te zijn geadviseerd, een definitief standpunt innemen. Hier informeert de minister vervolgens de Kamer over.

Zo ja, waarom wordt de Kamer hierover niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd? Zo nee, kan de minister uitleggen waarom EFSA-conclusies dan wel in ScoPAFF worden besproken?

Antwoord
EFSA stelt haar conclusies op basis van enerzijds de beoordeling van de rapporterende lidstaat en anderzijds aparte technische bijeenkomsten die met alle lidstaten zijn gehouden, op. Dit is een eigenstandig oordeel van EFSA zonder dat EFSA een advies geeft over het al dan niet goedkeuren van een stof. Het is aan de Commissie om op basis van het EFSA-rapport te kijken of en op welke voorwaarden een stof kan worden goedgekeurd en een voorstel hiertoe aan de lidstaten voor te leggen.

Kan de minister tevens uiteenzetten welke inhoudelijke positie Nederland inneemt in de artikel-21-discussie over acetamiprid (agendapunt A.11)?


Antwoord
Er is nieuwe wetenschappelijk informatie beschikbaar dat de stof acetamiprid mogelijk niet meer aan de goedkeuringscriteria voldoet. De Commissie heeft in overleg met de lidstaten besloten dat de stof op die punten tussentijds opnieuw wordt bekeken door de hiertoe aangewezen en bevoegde instanties. De minister vindt dit een belangrijk mechanisme en steun dit van harte. De tussentijdse herbeoordeling vindt momenteel nog plaats en acetamiprid zal naar verwachting alleen procedureel worden besproken. Zodra de herbeoordeling is afgerond zal de Commissie een voorstel aan de lidstaten voorleggen en ter stemming brengen. Nadat de minister het Ctgb vervolgens om een advies heeft gevraagd, zal de minister haar standpunt hierover innemen en de Kamer daarover informeren.

De leden van de PvdD-fractie vragen of de minister bereid is om de Kamer ook standaard te informeren over Nederlandse bijdragen aan ScoPAFF na afloop van de vergadering, waaronder schriftelijke appreciaties of mondelinge interventies die op uitnodiging van de EC zijn geleverd. Zo ja, op welke termijn ontvangt de Kamer deze terugkoppeling? Zo nee, kan de minister toelichten op welke grond zij dit afwijst?

Antwoord

Tijdens en tussen de SCoPAFF-vergadering door wordt door de Commissie regelmatig om input van lidstaten gevraagd op lopende onderwerpen. Dergelijke bijdragen zijn onderdeel van de technisch-wetenschappelijke discussies die binnen dit comité plaatsvinden. Deze discussies zijn zo openbaar mogelijk, doordat de Commissie na iedere SCoPAFF-vergadering een verslag op haar website publiceert. Daarnaast informeert de minister de Kamer over haar standpunten op punten waarover gestemd wordt, voorafgaand aan het SCoPAFF.

De leden van de PvdD-fractie vragen of de minister bereid is in deze terugkoppeling per stof die als A-punt wordt besproken en waarvoor EFSA ‘critical areas of concern’ of niet-finaliseerbare risico’s identificeert, aan de Kamer te melden of Nederland bij een toekomstig B-punt steun, onthouding of tegenstem overweegt? Zo nee, kan de minister toelichten op welke grond zij dit afwijst?

Antwoord
Als de Commissie nog geen voorstel aan lidstaten heeft gedaan over het al dan niet (opnieuw) goedkeuren van een stof, kan de minister nog geen definitief standpunt innemen. Of de minister de goedkeuring van een stof kan steunen, hangt bijvoorbeeld ook af van de voorwaarden die de Commissie hierbij stelt. De minister vindt het daarnaast belangrijk dat de technisch-wetenschappelijke discussies over gewasbeschermingsmiddelen en werkzame stoffen vrijelijk kunnen plaatsvinden.


De leden van de PvdD-fractie lezen in de Updated peer review of the pesticide risk assessment of the active substance Spinosad dat “several key risk assessments could not be finalised due to missing information, and therefore EFSA cannot conclude whether spinosad can be expected to meet the approval criteria of Article 4 of Regulation (EC) No 1107/2009” (EFSA, 20 januari 2025, Updated peer review of the pesticide risk assessment of the active substance spinosad’)). Hoe weegt de minister deze zorgwekkende hiaten in het herbeoordelingsdossier mee in haar inzet inzake dit beslispunt?

Antwoord
Uit EFSA’s bevindingen blijkt dat er geen kritieke zorgpunten voortkomen uit de herbeoordeling van spinosad en dat is vastgesteld dat veilig gebruik in Europa mogelijk is. EFSA constateert in haar conclusie enkele zogenoemde ‘open punten’. Dit is overigens gangbaar in elke risicobeoordeling en betekent dat bepaalde onderdelen van de risicobeoordeling extra aandacht nodig hebben. Voor vijf open punten heeft de Commissie aanvullende informatie gevraagd die binnen een door de Commissie vastgestelde termijn moet worden geleverd. Lidstaten zijn daarnaast verplicht open punten op lidstaatniveau mee te nemen bij de nationale toelatingsbeoordeling van middelen en eventuele risico’s af te dekken door extra wetenschappelijke data te eisen of aanvullende restricties in te stellen. Het Ctgb zal hier in Nederland uitvoering aan geven. Het Ctgb heeft de minister geadviseerd dat Nederland op wetenschappelijke gronden positief kan oordelen over het voorstel van de Commissie om de goedkeuring van spinosad te verlengen.


De leden van de PvdD-fractie lezen in de ‘Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment’ van de nieuwe werkzame stof bixlozone dat EFSA meerdere kernrisicobeoordelingen niet heeft kunnen afronden en daardoor niet kan concluderen of bij alle toepassingen aan de goedkeuringscriteria Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt voldaan. Deze leden vragen welke inhoudelijke duiding Nederland zelf geeft aan de door EFSA geconstateerde datalacunes, gegeven dat Nederland rapporteur-lidstaat (RMS) is voor bixlozone. Kan de minister tevens aangeven op welke wijze deze weging doorwerkt in het Nederlandse stemgedrag bij het betreffende ScoPAFF-beslispunt?

Antwoord
Bixlozone is een nieuwe werkzame stof waarbij uit zowel de initiële risicobeoordeling door Ctgb als uit EFSA’s bevindingen tijdens de peer-review-procedure is gebleken dat er geen kritieke zorgpunten voortkomen uit de beoordeling van deze stof en dat veilig gebruik in Europa mogelijk is. Er zijn wel acht zogenoemde open punten geconstateerd. Lidstaten zijn verplicht deze open punten op lidstaatniveau mee te nemen bij de beoordeling van toelating van middelen op de markt en deze af te dekken door extra wetenschappelijke data te eisen of aanvullende restricties in te stellen. Het Ctgb zal hier in Nederland uitvoering aan geven. Het Ctgb heeft de minister geadviseerd dat Nederland op wetenschappelijke gronden positief kan oordelen over het voorstel van de Commissie om deze nieuwe stof goed te keuren.