Nederlandse wapeninzet 2-3 juni 2015 Hawija, Irak
Brief regering
Nummer: 2026D07233, datum: 2026-02-13, bijgewerkt: 2026-02-13 12:58, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.P. Brekelmans, minister van Defensie (VVD)
- Addendum Commissie van onderzoek Wapeninzet Hawija
- Beslisnota bij Kamerbrief Nederlandse wapeninzet 2-3 juni 2015 Hawija, Irak
- Rapport Commissie van onderzoek teruggevonden F-16 videobeelden
Onderdeel van zaak 2026Z03260:
- Indiener: R.P. Brekelmans, minister van Defensie
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Defensie
Preview document (🔗 origineel)
| > Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag | |
|---|---|
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Bezuidenhoutseweg 67 2594 AC Den Haag |
|
| Datum | 13 februari 2026 |
| Betreft | Nederlandse wapeninzet 2-3 juni 2015 Hawija, Irak |
Ministerie van Defensie
Plein 4
MPC 58 B
Postbus 20701
2500 ES Den Haag
www.defensie.nl
Onze referentie
MINDEF20260006769
Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.
Geachte voorzitter,
Met deze brief informeer ik uw Kamer over drie recent afgeronde aanvullende onderzoeken inzake de Nederlandse wapeninzet tegen een ISIS bommenfabriek in Hawija op 2-3 juni 2015. Ook informeer ik u over mijn bezoek aan Hawija en over de stand van zaken van nieuwe projecten ten behoeve van de getroffen gemeenschap.
De luchtaanval in Hawija was onderdeel van de global coalition to defeat ISIS. Deze coalition of the willing opereert sinds oktober 2014 met de naam Operation Inherent Resolve (OIR) onder operationele leiding van de VS. Nederland droeg gedurende twee inzetperiodes bij aan de luchtcampagne, van oktober 2014 tot en met juni 2016 en gedurende heel 2018. In totaal voerden de Nederlandse F16’s in deze twee periodes circa 3000 missies uit, en zette daarbij meer dan 2100 keer wapens in. ISIS werd door OIR succesvol militair verslagen. Bij de luchtaanval in Hawija vielen onbedoeld ten minste 70 burgerslachtoffers.
In november 2019 werd de Kamer in detail geïnformeerd over wat zich in Hawija had voorgedaan. In 2020 werd de Commissie van onderzoek wapeninzet Hawija ingesteld (hierna Commissie-Sorgdrager). Deze commissie werd verzocht te onderzoeken 1) hoe het kon dat er bij de wapeninzet in Hawija burgerslachtoffers zijn gevallen en 2) welke lessen voor de toekomst te trekken zijn. Op 27 januari 20251 ontving uw Kamer het rapport van de Commissie en op 14 maart volgde een uitgebreide kabinetsreactie.2 Nadat eind maart 2025 videobeelden werden getraceerd die werden gemaakt in de ochtend na de aanval en niet eerder waren gedeeld met de Commissie, zijn er aanvullende onderzoeken ingesteld (zie hieronder).
Op 15 mei 2025 voerde ik met uw Kamer debat over het rapport-Sorgdrager. In het debat kondigde ik onder meer aanvullende projecten ter ondersteuning voor de getroffen gemeenschap aan, en sprak ik mijn voornemen uit om zelf een bezoek te brengen aan Hawija.
Bezoek Hawija en nieuwe projecten
Op 15 januari jl. bezocht ik Hawija, waar ik persoonlijk de excuses heb overgebracht die ik vorig jaar namens het kabinet maakte voor de onbedoelde gevolgen van de Nederlandse luchtaanval in 2015. Hoewel het kabinet van oordeel is dat de aanval op een ISIS bommenfabriek rechtmatig was, is het vreselijk dat daarbij onbedoeld burgerslachtoffers zijn gevallen en veel schade is ontstaan.
Mijn aanwezigheid in Hawija en het persoonlijk overbrengen van excuses was van betekenis voor de gemeenschap in Hawija. Dit was ook voelbaar tijdens een bijeenkomst met circa 100 Iraakse burgers die op uitnodiging van de burgemeester van Hawija aan mij vertelden wat hen in 2015 is overkomen. De verhalen van deze slachtoffers en nabestaanden waren indringend en aangrijpend. Er is nog altijd sprake van veel leed en ook onbegrip over hoe Nederland met de gevolgen is omgegaan. Ook de Commissie-Sorgdrager wees hierop. Mede hierom kondigde ik in de kabinetsreactie op het rapport-Sorgdrager aan om aanvullende projecten te financieren die op een waardevolle en duurzame manier ten goede komen aan de getroffen gemeenschap.
In Hawija sprak ik ook met de gouverneur van de provincie Kirkuk en met de burgemeester van Hawija. Beiden zeiden het bezoek te zien als een belangrijke bijdrage aan een nieuwe positieve relatie tussen Hawija en Nederland. Met beide bestuurders bracht ik een bezoek aan de locatie van de luchtaanval en aan de projecten voor reconstructie en wederopbouw die in opdracht van Nederland in 2023 zijn afgerond. De eerder door Nederland gefinancierde projecten hebben zichtbare resultaten opgeleverd, overeenkomstig met wat in 2023 in de met uw Kamer gedeelde eindrapportages is geschetst.3
Het bezoek sterkt mij in het streven om voort te gaan met nieuwe projecten. Conform moties die door uw Kamer hierover zijn aangenomen, vonden de afgelopen maanden uitgebreide consultaties plaats met het lokale bestuur, community leaders en (lokale) ngo’s om behoeften en wensen voor nieuwe projecten te inventariseren. In dat kader bracht de Nederlandse ambassadeur in september jl. een bezoek aan Hawija. Nu deze fase is afgerond, kunnen er concrete projectvoorstellen worden uitgevraagd en kan besluitvorming plaatsvinden. Uw Kamer wordt voor de zomer over de voortgang van dit proces geïnformeerd.
Aanvullende onderzoeken
Op 27 maart 2025 bracht ik uw Kamer ervan op de hoogte dat er videobeelden waren getraceerd, gemaakt door een Nederlandse F-16 in de ochtend na de aanval. Deze beelden waren niet eerder gedeeld met de Commissie-Sorgdrager. Naar aanleiding hiervan is een aantal aanvullende onderzoeken gestart.4 Op 9 december jl. informeerde ik de Kamer over de tussentijdse voortgang van de aanvullende onderzoeken.5 De huidige stand van zaken is als volgt:
Onderzoek naar de gang van zaken omtrent de getraceerde videobeelden. De Commissie van onderzoek teruggevonden F-16 videobeelden Hawija (Irak) (hierna Commissie-Brouwer) heeft dit onderzoek afgerond en bood mij op 11 februari jl. haar rapport aan (bijgevoegd).
Onderzoek naar de stand van de missie-gerelateerde archivering bij Defensie. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (IO&E) voert dit onderzoek uit. De verwachting is dat IO&E in het eerste kwartaal van 2026 de resultaten van haar onderzoek naar richtlijnen voor archivering zal opleveren, waarna verderop in het jaar de andere resultaten volgen.
Onderzoek naar het handelen van de toenmalige detachementscommandant. Naar aanleiding van aangescherpte conclusies van de Commissie-Sorgdrager over de getraceerde videobeelden (d.d. 2 april 20256) informeerde ik uw Kamer op 11 april 2025 over mijn besluit dit onderzoek in te stellen.7 Dit onderzoek is op 30 december jl. afgerond.
Aanvullend onderzoek door de Commissie-Sorgdrager. Op 23 mei 2025 informeerde de Commissie-Sorgdrager mij over haar besluit het onderzoek te heropenen en een addendum op te stellen.8 De Commissie heeft het aanvullende onderzoek afgerond en bood mij op 26 januari jl. het addendum op haar rapport aan (bijgevoegd).
Ik wil alle onderzoekscommissies danken voor de inspanningen en de gedetailleerde (aanvullende) rapporten. De Commissie-Brouwer heeft zeer precies in kaart gebracht wat er met de videobeelden van de overvlucht is gebeurd vanaf het moment dat ze gemaakt werden. Voor Defensie was dit onder andere van belang om te kunnen reconstrueren welke informatie de toenmalige detachementscommandant tot zijn beschikking had toen hij zijn After Action Report (AAR) opstelde. De vraag of hij het AAR naar waarheid invulde kan middels het persoonsgerichte onderzoek naar het handelen van de detachementscommandant nu beter in perspectief worden geplaatst. Hieronder ga ik in op de afgeronde onderzoeken en reageer ik op de conclusies en indien van toepassing op de aanbevelingen.
Onderzoek teruggevonden F-16 videobeelden (Commissie-Brouwer)
De Commissie van onderzoek teruggevonden F-16 videobeelden Hawija (Irak), onder leiding van dhr. Harm Brouwer, heeft een feitenreconstructie opgesteld die duidelijk maakt wat er met de teruggevonden beelden is gebeurd, en heeft op basis daarvan een oordeel geveld en conclusies getrokken.
Maken, bewaren, gebruiken en traceren van teruggevonden videobeelden
De Commissie-Brouwer beschrijft in detail wanneer de overvluchtbeelden zijn gemaakt, hoe en waarom deze destijds zijn opgeslagen en gebruikt, in welke archieven de beelden zijn opgeslagen en hoe de beelden uiteindelijk zijn getraceerd. De Commissie geeft in haar rapport (menselijke en organisatorische) verklaringen voor het feit dat de originele overvluchtbeelden niet op tijd bij de Commissie-Sorgdrager terecht zijn gekomen. De Commissie-Brouwer wijst in dit kader op misverstanden, tekortkomingen, functiewisselingen, spraakverwarring, het verstrijken van de tijd, werkwijzen en organisatorische aspecten die zijn samengevallen met de behandeling van de uitvragen van de Commissie-Sorgdrager door het ministerie.
Door alle feiten op een rij te zetten heeft de Commissie-Brouwer ook het interne feitenrelaas van Defensie geverifieerd dat ik ten behoeve van dit onderzoek had laten opstellen. Ik gaf destijds aan het wenselijk te vinden dat een onafhankelijke partij uiteindelijk de feiten vaststelt.9 Zo is het van belang dat de Commissie heeft vastgesteld dat er tussen 3 en 8 juni 2015 geen videobeelden van de overvlucht beschikbaar waren voor het ministerie in Den Haag, anders dan hoogstwaarschijnlijk een zeer kort fragment (7 seconden) afkomstig uit een videocompilatie, dat destijds die niet als zodanig werd herkend. Na een fact-finding missie naar het Amerikaanse hoofdkwartier CAOC op 7 en 8 juni kwamen meerdere fragmenten van de overvlucht voor het ministerie beschikbaar, onder meer via genoemde videocompilatie die door het detachement was gemaakt ten behoeve van de Amerikaanse BDA (Battle Damage Assessment). De Commissie heeft vastgesteld dat de originele overvluchtbeelden tot februari 2024 niet in Den Haag beschikbaar waren.
Betekenis teruggevonden F-16 videobeelden
Inzake de betekenis van de videobeelden maakt de Commissie-Brouwer een onderscheid tussen de operationele betekenis, de onderzoeksinhoudelijke betekenis voor de Commissie-Sorgdrager en de politieke betekenis die de videobeelden van de overvlucht hebben gekregen.
De Commissie concludeert dat het beeldmateriaal van de overvlucht toentertijd maar beperkt van operationele meerwaarde was, vanwege de Amerikaanse dronebeelden die na de luchtaanval werden gemaakt ten behoeve van het Amerikaanse BDA. Daardoor hadden het detachement in Jordanië en het ministerie van Defensie in Den Haag (al snel) beter beeldmateriaal voorhanden om hun beoordeling van de luchtaanval uit te voeren. Het onbemensde vliegtuig kon namelijk gedetailleerd, hoge resolutie beeldmateriaal maken en bevond zich bovendien dichterbij het doelgebied dan de Nederlandse F-16’s die overvlogen. Het beeld van de Amerikaanse BDA was daarmee technisch superieur aan het beeld van de Nederlandse F-16.
De Commissie stelt ook dat de overvluchtbeelden een eigenstandige onderzoeksinhoudelijke betekenis hadden voor de Commissie-Sorgdrager. Immers, hoewel de operationele betekenis ervan beperkt was ten opzichte van de Amerikaanse dronebeelden, waren de Nederlandse overvluchtbeelden wél enkele dagen eerder beschikbaar voor het detachement. Op basis van zowel de beelden van de aanvalsvlucht als die van de overvlucht werd destijds een eerste, voorlopige inschatting gemaakt van de effecten. Het was volgens de Commissie-Brouwer betekenisvol geweest voor de Commissie-Sorgdrager om kennis te nemen van de overvluchtbeelden.
Omdat de Commissie-Sorgdrager van Defensie te horen kreeg dat de overvluchtbeelden waren overschreven, terwijl dit feitelijk niet het geval was, hebben de beelden volgens de Commissie-Brouwer ook een politieke betekenis gekregen: het riep vragen op over het vertrouwen dat in Defensie kan worden gesteld aangaande het traceren en beschikbaar maken van informatie.
Conclusies en aanbevelingen
Over wat er met de overvluchtbeelden is gebeurd nadat ze gemaakt zijn, concludeert de Commissie-Brouwer het volgende. De originele overvluchtbeelden waren de hele duur van het onderzoek van de Commissie-Sorgdrager aanwezig in het archief van de missie in Leeuwarden alsmede in Volkel. De beelden waren daarmee beschikbaar en conform de daarvoor toentertijd geldende logica opgeslagen. Dat delen uit deze beelden zijn opgenomen in een compilatie die aan velen binnen en buiten het ministerie van Defensie is getoond en beschikbaar is gesteld, is niet als zodanig herkend en ook niet gemeld aan de Commissie-Sorgdrager waaraan deze compilatie ook is verschaft.
Over de vraag waarom de overvluchtbeelden niet eerder zijn teruggevonden, concludeert de Commissie dat er geen bevindingen zijn die erop wijzen dat de overvluchtbeelden met opzet zijn achtergehouden. De beelden zijn door een betreurenswaardige samenloop van gebeurtenissen niet bij de Commissie-Sorgdrager terecht gekomen gedurende de looptijd van haar onderzoek. Het alsnog terugvinden van deze beelden na publicatie van het rapport-Sorgdrager, nadat eerder door Defensie was gemeld dat de beelden waren overschreven, werd vooral een vertrouwenskwestie in plaats van een situatie met een operationele relevantie. Er zijn organisatorische factoren aan te wijzen die op voorgaande van invloed zijn geweest.
De conclusies van de Commissie-Brouwer schetsen een zeer precies beeld van de gang van zaken rondom de overvluchtbeelden, en houden Defensie daarmee een duidelijke spiegel voor. De conclusie van de Commissie-Sorgdrager op dit punt, namelijk dat de gang van zaken een belemmerend effect heeft gehad op waarheidsvinding en parlementaire controle is wederom pijnlijk. Echter, er zijn op basis van het onderzoek van de Commissie-Brouwer geen aanwijzingen van kwade opzet. De conclusies maken vooral eens te meer duidelijk dat Defensie veel moet investeren in de informatiehuishouding en archivering. Daar is de organisatie zich zeer bewust van.
Aanbeveling: de Commissie beveelt aan om de ondersteuning die onafhankelijke onderzoekscommissies vanuit Defensie ontvangen verder te professionaliseren.
Sinds 1 juli 2024 beschikt Defensie, in navolging van de Defensienota 2024, over een projectdirectie voor de ondersteuning van externe onderzoekscommissies. Het afgelopen jaar is gebleken dat commissies en ook Defensie baat hebben bij een gestructureerde en gecoördineerde begeleiding van externe onderzoeken. Recent is het besluit genomen om deze projectdirectie steviger te verankeren in de defensieorganisatie. Dit draagt bij aan een verbeterde begeleiding van externe commissies. Zoals de Commissie voorstelt zullen toekomstige onafhankelijke onderzoekscommissies proactief informatie worden aangeboden, op basis van gesprekken vooraf met de commissie in kwestie. Hoe dit precies vormt krijgt zal worden betrokken bij de verdere professionalisering van de ondersteuning.
Aanbeveling: de Commissie beveelt aan om de archivering van onder andere missie-informatie te verbeteren door deze organisatorisch en qua werkwijze te professionaliseren.
Zoals de Commissie voorstelt wordt de inzet die Defensie pleegt op het gebied van informatiehuishouding en archivering met kracht doorgezet. Daarnaast voert de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (IO&E) op dit moment op mijn verzoek onderzoek uit naar de huidige praktijk van missie-gerelateerde archivering bij Defensie. Dit onderzoek richt zich op het verkrijgen van overzicht in de missie-archieven, de duurzame toegankelijkheid ervan en het in kaart brengen van de richtlijnen voor archivering. Ik heb IO&E verzocht de aangescherpte aanbevelingen van de Commissie bij haar onderzoek te betrekken. Het onderzoek wordt gefaseerd uitgevoerd. De verwachting is dat IO&E in het eerste kwartaal van 2026 de resultaten van haar onderzoek naar richtlijnen voor archivering zal opleveren, waarna verderop in het jaar de andere resultaten volgen.
Addendum Commissie van Onderzoek Wapeninzet Hawija
(Commissie-Sorgdrager)
De Commissie-Sorgdrager besloot haar onderzoek te heropenen en een addendum op haar rapport op te stellen. Het addendum bevat diverse hernieuwde bevindingen, conclusies en aanbevelingen ten aanzien van de teruggevonden F-16 beelden, de informatieplicht aan de Kamer, de inlichtingenpositie van Defensie en archivering.
Teruggevonden F-16 beelden
Het addendum van de Commissie-Sorgdrager bevat ook een analyse van de F-16 videobeelden, zowel van de aanval zelf als van de overvlucht door een Nederlandse F-16 in de ochtend na de aanval.10 De Commissie geeft aan dat een aantal van de ontvangen originele beelden van de aanvalsvlucht en Nederlandse overvlucht haar extra informatie verschafte over de gevolgen van de wapeninzet. De Commissie constateert daarnaast dat fragmenten van de overvluchtbeelden zijn verwerkt in een compilatie die een dag na de inzet werd gemaakt voor het hoofdkwartier van de coalitie in Qatar (CAOC). De Commissie verwijst in dit verband ook naar het interne feitenrelaas van Defensie naar de vondst van de videobeelden, dat werd opgesteld ten behoeve van de Commissie-Brouwer. De Commissie geeft ook aan dat de compilatie op 9 juni 2015 werd getoond aan de minister van Defensie en de ambtelijke/militaire top. Ze concludeert dat het voor de aanwezigen “duidelijk moet zijn geweest dat het uiterst onwaarschijnlijk was dat er géén burgerslachtoffers waren gedood bij de aanval in Hawija.” Ook concludeert zij dat de minister minder afwachtend had moeten zijn en de Kamer vertrouwelijk had moeten informeren. Dit is in lijn met de conclusie in het oorspronkelijke rapport op dit punt.
Het staat voor mij vast dat de Commissie gedurende de gehele onderzoeksperiode eerder en beter bediend had moeten worden in reactie op haar verzoek om alle (originele) videobeelden waar zij naar vroeg te ontvangen. Op 3 april 2025 bood ik de Commissie mijn verontschuldigingen aan voor het feit dat bepaalde videobeelden niet eerder waren getraceerd en met de Commissie gedeeld.11 In de kabinetsreactie op het rapport erkent het kabinet dat uw Kamer zo snel mogelijk geïnformeerd had moeten worden toen de gevolgen van deze inzet duidelijk werden.
Aanbeveling: de Commissie beveelt aan om het parlement in het vervolg meteen over (vermoedens van) burgerslachtoffers te informeren.
In de kabinetsreactie op het rapport worden de afspraken met de Tweede Kamer uit 2020 aangehaald, die onder meer bepalen dat de Kamer binnen een week wordt geïnformeerd als Defensie intern onderzoek opent naar vermoedens van burgerslachtoffers. Dit is reeds in de praktijk gebracht bij het onderzoek naar een vermoeden van burgerslachtoffers bij Nederlands optreden in 2016 in Mosul, Irak.12
Informatieplicht, inlichtingenpositie en archivering
De Commissie-Sorgdrager stelt in het addendum dat het opereren van het ministerie van Defensie ertoe heeft geleid dat daardoor een goede democratische controle door de Tweede Kamer op ontoelaatbare wijze is belemmerend.
Het is duidelijk dat de gebrekkige informatievoorziening en transparantie richting uw Kamer niet zo hadden mogen gebeuren. In de kabinetsreactie op het rapport bood het kabinet daar in lijn met voorgangers opnieuw excuses voor aan, niet alleen voor het onjuist en onvolledig informeren van uw Kamer, maar ook voor het feit dat het zo lang duurde voordat alle informatie beschikbaar was. Ook in het debat met uw Kamer over het rapport heb ik mijn verontschuldiging hiervoor gemaakt. Namens het kabinet onderstreepte ik dat het van essentieel belang is dat uw Kamer op een juiste en volledige wijze geïnformeerd wordt. De aangescherpte conclusies in het addendum onderstrepen opnieuw het belang daarvan. In de kabinetsreactie op het rapport gaf het kabinet aan dat er in de afgelopen jaren al de nodige maatregelen zijn genomen om de informatiepositie van uw Kamer te versterken, en kondigde zij een groot aantal aanvullende acties aan richting de toekomst. Deze acties worden sindsdien in de praktijk gebracht. Zo toetst Defensie middels een vaste frequentie (voor, tijdens en na een missie) of er meer informatie kan worden vrijgegeven over Nederlandse wapeninzet, zodat transparantie beter is geborgd. Ook is de procedure voor het behandelen van meldingen van vermoedens van burgerslachtoffers verder aangescherpt en openbaar en is er een meldpunt ingesteld.13
Aanbeveling: de Commissie beveelt aan om te laten beoordelen of de MIVD anno 2026 wel voldoet aan de hogere classificatie wat betreft de inlichtingenpositie, om tot een versterkte inlichtingenpositie te komen.
Ten aanzien van de Nederlandse inlichtingenpositie bij de inzet in Irak ziet de Commissie-Sorgdrager haar conclusie uit het rapport bevestigd dat deze structureel tekortschoot. In de kabinetsreactie beschrijft het kabinet op welke wijze zij de inlichtingenpositie van Nederland wenst te versterken en welke acties daarvoor worden uitgevoerd. De aangescherpte aanbeveling uit het addendum wordt bij deze actielijnen betrokken.
Aanbeveling: de Commissie beveelt aan om bij de voorbereiding van een missie, militairen actief te informeren over de wijze van archivering en om interne regelgeving specifiek op papier te zetten over wat tot missie-informatie behoort die gearchiveerd moet worden. Ook beveelt de Commissie aan om het project Open Overheid bij Defensie in 2026 goed te evalueren of de missiearchivering nu wel op orde is.
De Commissie wijst in het addendum opnieuw op de noodzaak tot (rijksbrede) verbeteringen op het gebied van archivering en regelgeving omtrent derubricering van informatie. In de kabinetsreactie op het rapport van de Commissie is een groot aantal acties ter verbetering benoemd. Zo zal Defensie handreikingen opstellen en actualiseren voor medewerkers over rubriceren, derubriceren, passief en actief openbaar maken en overbrengen (eventueel met beperkingen) van documenten. Defensie investeert fors in het verbeteren van de informatiehuishouding. Hiermee is gestart in de Defensienota 2022, en deze lijn is door het kabinet voortgezet in de Defensienota 2024. Het programma Defensie Open op Orde (DOO) vormt hier de kern van. Uit de jaarlijkse volwassenheidsmeting die alle departementen uitvoeren, blijkt dat de informatiehuishouding binnen Defensie al aanzienlijk is verbeterd. Los van de maatregelen die het kabinet al treft, heb ik IO&E verzocht om de aangescherpte aanbevelingen van de Commissie te betrekken bij het onderzoek naar mogelijkheden tot verdere verbetering van missie-gerelateerde archivering bij Defensie.
Onderzoek handelen detachementscommandant
De Commissie-Sorgdrager concludeert in haar rapport van januari 2025 (en opnieuw in het addendum) dat de detachementscommandant het After Action Report (AAR) naar waarheid had moeten invullen, door een vermoeden van burgerslachtoffers ook in het AAR te melden. Daarmee geeft de Commissie een oordeel over het handelen van een militair. Hierop besloot ik in april 2025 een persoonsgericht onderzoek in te laten stellen naar dit handelen.
Het persoonsgerichte onderzoek is op 30 december 2025 afgerond. De onderzoeksopdracht was om te beoordelen of de betrokken detachementscommandant het AAR in de gegeven omstandigheden zorgvuldig, volledig en naar waarheid heeft opgemaakt met in achtneming van de daarvoor geldende regelgeving, aanwijzingen en vigerende uitvoeringspraktijk. Een commissie bestaande uit drie onafhankelijke externen deed ruim een half jaar uitgebreid onderzoek. Omdat dit een persoonsgericht onderzoek is, doet Defensie in de regel geen uitspraken over de uitkomsten daarvan. Gelet op het oordeel van de Commissie-Sorgdrager in het rapport en het addendum, de persoonlijke gevolgen daarvan voor de toenmalige detachementscommandant en de verantwoordelijkheid van Defensie als werkgever hecht ik er echter aan de uitkomsten van dit onderzoek met uw Kamer te delen. Dit doe ik met instemming van de toenmalige detachementscommandant.
De onderzoekscommissie heeft alle AAR-formulieren van oktober 2014 t/m eind 2016 (de eerste inzetperiode van Nederland binnen de luchtcampagne van OIR) onderzocht en stelt vast dat alle formulieren op dezelfde consistente wijze zijn ingevuld. De commissie constateert dat steeds het uitgangspunt werd gehanteerd dat slechts melding wordt gemaakt van hetgeen feitelijk kon worden vastgesteld, door eigen waarneming of door waarneming van een coalitiepartner. De onderzoekscommissie constateert dat op slechts één van de ruim 500 AAR-formulieren het vermoeden van burgerslachtoffers is opgenomen.
Naar het oordeel van de onderzoekscommissie vormde de overvluchtbeelden geen aanleiding voor de toenmalige detachementscommandant om het AAR-formulier anders in te vullen dan hij heeft gedaan. De commissie heeft geconstateerd dat op die beelden wel te zien was dat de gevolgen van de secundaire explosie groot waren, maar er waren geen feitelijkheden of activiteiten zichtbaar die konden duiden op een vermoeden van burgerslachtoffers. De commissie constateert dat het normale leven zijn loop had hervat.
De onderzoekscommissie concludeert dat de detachementscommandant het AAR-formulier in de gegeven omstandigheden zorgvuldig, volledig en naar waarheid heeft opgemaakt met inachtneming van de daarvoor geldende regelgeving, aanwijzingen en vigerende uitvoeringspraktijk. De commissie concludeert dat de detachementscommandant steeds integer heeft gehandeld en in het gehele proces rondom het melden van de secundaire explosie openheid heeft betracht. Binnen enkele uren na de wapeninzet in Hawija, in de vroege ochtend van 3 juni 2015, heeft hij direct telefonisch contact opgenomen met het ministerie om door te geven dat zich een bijzondere situatie had voorgedaan waarbij mogelijk burgerslachtoffers waren gevallen. Vervolgens is hij voortvarend aan de slag gegaan met het verzamelen van zoveel mogelijk verifieerbare en feitelijke informatie, hetgeen bij de commissie is bevestigd door diverse ter zake deskundige gehoorden.
Ik constateer dat de toenmalige detachementscommandant op geen enkele manier verwijtbaar heeft gehandeld. Ik omarm de conclusies van de onderzoekscommissie en acht het van belang dat zijn integer optreden wordt erkend. Gezien de aard van het onderzoek doet de onderzoekscommissie geen aanbevelingen.
Slot
Onze militairen hebben zich op basis van het politiek mandaat ingezet in Irak om een bijdrage te leveren aan de veiligheid van Nederland, bondgenoten en Irak. Het inzetten van geweldsmiddelen kan nodig zijn om een militair doel te bereiken in een oorlog. Daarbij zetten Nederlandse militairen zich altijd in om op basis van het humanitair oorlogsrecht de burgerbevolking zoveel als mogelijk te ontzien en burgerslachtoffers te voorkomen. Als militair handelen burgerslachtoffers tot gevolg heeft, ondanks het nemen van alle praktisch uitvoerbare voorzorgsmaatregelen, dan heeft dat ook een blijvende impact op alle betrokkenen binnen Defensie. Richting hen wil het kabinet haar waardering uitspreken voor de inzet die zij tonen, toen en nu.
De uitkomst van de overige aanvullende onderzoeken naar de luchtaanval van 2-3 juni 2015 en mijn eigen bezoek aan Hawija hebben mij er nog meer van doordrongen dat Defensie alle lessen moet leren uit deze tragische gebeurtenis. Zoals ik in de kabinetsreactie op het rapport-Sorgdrager aangaf, moet het kabinet open zijn over het karakter van deelname aan internationale missies. Vooraf, tijdens en na een missie moet Defensie transparant en eerlijk zijn over (het vermoeden van) burgerslachtoffers en daar gedegen onderzoek naar doen. In een missie moeten goed voorbereide experts op de juiste plekken zitten, en de inlichtingenpositie moet worden versterkt. Ten slotte moet er (rijksbreed) geïnvesteerd worden in de informatiehuishouding (incl. een database over wapeninzet) en archivering. Ik zie uit naar het rapport van IO&E over de missie-archivering bij Defensie, dat meteen met de Kamer gedeeld zal worden.
Daarnaast is het van het grootste belang dat voortgang wordt geboekt met de totstandkoming van nieuwe projecten die op een waardevolle en duurzame manier ten goede komen aan de getroffen gemeenschap in Hawija.
Hoogachtend,
DE MINISTER VAN DEFENSIE
Ruben Brekelmans
Kamerstuk 27925, nr. 983.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 985.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 937.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 986.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 1014.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 987.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 989.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 1010.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 989.↩︎
De Commissie-Sorgdrager verwijst in het addendum met de term Nederlandse ‘1e BDA’ (Battle Damage Assessment) naar de aanvalsbeelden en met de term Nederlandse ‘2e BDA’ naar de beelden van de overvlucht.↩︎
Kamerstuk 27925, nr. 987.↩︎
Kamerstuk 29521, nr. 458.↩︎
https://www.defensie.nl/onderwerpen/burgerslachtoffers↩︎