[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda van de vergaderingen van de Eurogroep en Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026 (Kamerstuk 21501-07-2163)

Raad voor Economische en Financiële Zaken

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D07417, datum: 2026-02-16, bijgewerkt: 2026-02-20 12:43, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 21501 07-2164 Raad voor Economische en Financiële Zaken.

Onderdeel van zaak 2026Z03322:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

II reactie minister

Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, VVD, PVV, CDA, JA21 en Groep Markuszower inzake de geannoteerde agenda voor de vergaderingen van de informele Eurogroep en de Ecofinraad d.d. 16 en 17 februari 2026. Bij de beantwoording is de volgorde van het schriftelijk overleg aangehouden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het de stukken die zijn geagendeerd voor dit schriftelijke overleg. Zij hebben een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de D66-fractie merken op dat het verslag van de Ecofinraad en Eurogroep van januari 2026 laat zien hoe nauw economie, geopolitiek en Europese samenwerking inmiddels met elkaar verweven zijn. Voor de leden van de D66-fractie staat één vraag centraal: bouwen we aan een Europa dat weerbaar en toekomstgericht is, of laten we ons telkens verrassen door crises van buitenaf? Hoe zorgen we voor een nog gerichtere samenwerking om investeringen op gang te brengen en Europa op de toekomst voor te bereiden?

Het weerbaarder maken van Europa hangt nauw samen met het versterken van de innovatiekracht en verhogen van productiviteit. Het verdiepen van de interne markt speelt hier een belangrijke rol bij, in het bijzonder het verdiepen van de spaar- en investeringsunierol. Dit zorgt voor het verbeteren van de opschaling van jonge, innovatieve bedrijven die vervolgens mondiaal kunnen concurreren. Voortbouwend op het momentum van het recent ondertekende EU-Mercosur akkoord en de afronding van de onderhandelingen over een handelsakkoord met India, steunt Nederland daarnaast een ambitieus EU handelsbeleid. Dat draagt bij aan een weerbaarder Europa. Ook zijn investeringen in Europees innovatie- en digitaal technologisch leiderschap van belang, zowel vanuit economisch als vanuit geopolitiek perspectief.

De steun aan Oekraïne blijft voor de leden van de D66-fractie belangrijk. Hoe realistisch is het dat de resterende financiering tijdig door andere internationale partners wordt geleverd? Welke concrete toezeggingen zijn er inmiddels vanuit de G7 en andere IMF-leden? En wat gebeurt er als die toezeggingen uitblijven?

De Europese Commissie dekt met de Ukraine Support Loan van EUR 90 mld. bij de huidige aannames twee derde van de macro-financiële en militaire noden van Oekraïne voor de komende twee jaar. Hiermee dekt de EU een nog groter deel van de noden van Oekraïne dan in voorgaande jaren. Voor de invulling van de overige één derde blijft aanzienlijke inzet van de rest van de internationale gemeenschap nodig. In internationale gremia als het Ukraine Donor Platform, de Ukraine Defence Contact Group en de NAVO vinden hier ook gesprekken over plaats. Ook blijft Nederland bij partnerlanden benadrukken dat het noodzakelijk is dat zij een eerlijke bijdrage blijven leveren. Recent heeft Japan USD 6 mld. aan extra steun toegezegd voor 2026, Noorwegen heeft voor 2026 ruim EUR 7,5 mld. beschikbaar gemaakt en Duitsland en Polen hebben zo’n EUR 600 mln. gecommitteerd voor militaire steun. Het resterende tekort dient volgens de Commissie gedekt te worden door andere internationale donoren. Oekraïne heeft de militaire steun nodig om zich op het slagveld te verdedigen. De begrotingssteun is essentieel om maatschappelijk en economisch overeind te blijven en de strijd tegen Russische agressie voort te kunnen zetten.

Mocht blijken dat Oekraïne een ongedekt financieringstekort heeft, dan is het aannemelijk dat er in dat geval een brede discussie zal plaatsvinden. De discussie zou in dat geval gaan over de inzet van internationale partners, inclusief de EU, maar bijvoorbeeld ook over aanvullende inzet van internationale financiële instellingen en de fasering van het IMF-programma.

Net als bij het lopende IMF-programma wordt ook het nieuwe programma gestart onder het raamwerk voor financiering in een context van Exceptionally High Uncertainty Policy (EHU). Een programma onder EHU vereist financing assurances van een significante groep IMF leden om de financiële risico’s die het IMF aangaat af te dekken. Dit betekent dat het IMF-programma voor Oekraïne alleen doorgang kan vinden als voldoende internationale partners toezeggen Oekraïne financieel te blijven steunen. Op dit moment lijken voldoende landen bereid de benodigde toezeggingen af te geven. Volgens het IMF zijn de gesprekken hierover in de afrondende fase.

De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen over de opvolging van de eurozoneaanbevelingen voor 2026. Deze onderstrepen het belang van economische weerbaarheid, groei en stabiliteit. De leden van de D66-fractie delen de analyse dat integratie van de Europese kapitaalmarkten daarbij cruciaal is. Het kabinet zegt ambitieus te willen inzetten op de kapitaalmarktunie. De leden van de D66-fractie steunen dat, maar zij willen weten welke concrete stappen Nederland in 2026 gaat zetten om Europees toezicht daadwerkelijk te versterken.

Op 4 december jl. heeft de Europese Commissie het Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie Pakket (KTP) gepresenteerd met als doel om de kapitaalmarkten in de EU verder te integreren. Onderdeel hiervan zijn de voorstellen die de Commissie doet om het toezicht op niet-bancaire financiële instellingen te versterken en waar nodig te centraliseren. De basis van de inzet ten aanzien van deze voorstellen is de Kabinetsinzet Kapitaalmarktunie.1 Over de inhoud van de voorstellen en de uitgebreide beoordeling en inzet van het kabinet ten aanzien van dit voorstel heb ik uw Kamer zoals gebruikelijk per BNC-fiche geïnformeerd.2

De onderhandelingen over de voorstellen van het Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie Pakket (KTP) zijn in januari van 2026 gestart. Het kabinet hecht daarbij veel waarde aan het maken van voortgang op alle onderdelen van dit pakket ook op het centraliseren van toezicht.

Op welke punten is Nederland bereid nationale uitzonderingen los te laten ten gunste van eenduidige Europese regels? En hoe voorkomen we dat de kapitaalmarktunie vooral grote lidstaten en multinationals bevoordeelt, terwijl innovatieve mkb-bedrijven achterblijven?

De bereidheid van het kabinet om nationale uitzonderingen los te laten ten gunste van eenduidigere Europese regels is eerder uiteengezet in de kabinetsinzet Kapitaalmarktunie. Hierin pleit het kabinet onder andere voor uniformere uitvoering van regelgeving, bijvoorbeeld door omzetting van richtlijnen in verordeningen. Daarnaast is het kabinet voorstander van Europees toezicht op niet-bancaire financiële instellingen die in meerdere EU-lidstaten actief zijn. Beide maatregelen zorgen voor verdere harmonisatie van regelgeving en toezicht op financiële markten in de EU.

De Europese Commissie heeft in het Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie Pakket (KTP) voorstellen gedaan om richtlijnbepalingen om te zetten naar een verordening en het kabinet steunt deze aanpassingen.

Sterker toezicht, meer en divers kapitaalaanbod en eenduidigere regelgeving op de Europese kapitaalmarkt is voor alle lidstaten en bedrijven van belang. Verder integratie van de Europese kapitaalmarkten is dus niet alleen van belang voor grote lidstaten en multinationals, maar is ook essentieel voor kleine lidstaten en innovatieve MKB-bedrijven. De interne kapitaalmarkt is namelijk gefragmenteerd. Innovatieve MKB-bedrijven in heel Europa hebben moeite om aan financiering te komen. Hierdoor hebben jonge innovatieve MKB-bedrijven vaak moeite om door te groeien. Een sterke Europese kapitaalmarkt zorgt ervoor dat innovatie bedrijven binnen de gehele EU gemakkelijker toegang krijgen tot financieringsmogelijkheden. Dit zorgt ervoor dat bedrijven makkelijker toegang krijgen tot financiering, hogere productiviteit, economische groei en brede welvaart. Een sterke Europese kapitaalmarkt is daarom van belang voor zowel grote bedrijven als kleine bedrijven en voor zowel grote als kleine lidstaten.

Een ander onderwerp waar de leden van de D66-fractie meer over willen weten is het Stabiliteits- en Groeipact. Deze leden staan voor een prudente begroting, maar wil ook noodzakelijke ruimte voor investeringen in de toekomst. Hoe weegt de minister binnen de Ecofinraad het spanningsveld tussen strikte uitgavenpaden en noodzakelijke publieke investeringen, bijvoorbeeld in defensie en de energietransitie? Ziet het kabinet ruimte om het pact zo toe te passen, dat landen worden beloond voor hervormingen en duurzame investeringen?

Het uitgangspunt van het - in 2024 herziene - Stabiliteits- en Groepact (SGP) is een geloofwaardige schuldafbouw op middellange termijn. Nederland hecht hieraan groot belang met het oog op stabiele en duurzame economische groei. Lidstaten blijven zelf verantwoordelijk voor de samenstelling van hun begroting en voor het aandeel publieke investeringen. De begrotingsregels leggen wat dat betreft geen enkele restrictie op. Daardoor is het voor lidstaten mogelijk om hogere nationale publieke investeringen te combineren met een stabiele of dalende overheidsschuld. Wel vraagt dit van lidstaten dat zij hun uitgaven en inkomsten stevig prioriteren. Daarnaast kunnen zij hervormingen doorvoeren die de uitgavengroei op lange termijn in toom houden (zoals op het gebied van de zorg en pensioenen). Ook zijn maatregelen mogelijk die de belastingbasis verbreden of verschuiven naar minder verstorende bronnen.

Het SGP bevat meerdere elementen om investeringen te waarborgen. Ten eerste krijgen lidstaten tijd voor de benodigde budgettaire aanpassingen, wat leidt tot een realistische begrotingsopgave waarbij investeringen kunnen worden geborgd. Een houdbare overheidsschuld en stabiele financieringscondities als gevolg van deze begrotingsinspanning zullen eraan bijdragen dat lidstaten de nodige publieke investeringen kunnen blijven doen. Ten tweede kunnen lidstaten in aanmerking komen voor een langere aanpassingsperiode (van vier naar zeven jaar) onder de voorwaarde dat zij bepaalde investeringen en hervormingen opnemen in hun plan, die aan aanvullende criteria voor onder andere schuldhoudbaarheid en economische groei moeten voldoen. Dit geeft lidstaten een prikkel om in de begrotingsplannen oog te houden voor voldoende investeringen op de middellange termijn, waaronder die voor de groene transitie.

Tot slot hebben de leden van de D66-fractie een aantal vragen over een toekomstbestendig Europa, aangaande een onderwerp waar zij eerder aandacht voor vroegen. In Nederland, maar ook in Europa en in de rest van de wereld maken we steeds meer gebruik van digitale betalingssystemen. Kan de minister aangeven welke Nederlandse prioriteiten hij in deze context de komende periode wil blijven verdedigen?

Het betalingsverkeer is de afgelopen jaren in toenemende mate gedigitaliseerd. Daarnaast kent het betalingsverkeer ketenafhankelijkheid en reikt het betalingssysteem verder dan onze landsgrenzen. Ik vind het belangrijk dat het Nederlandse girale en chartale betalingsverkeer weerbaar is en blijf mij inzetten voor het afbouwen van afhankelijkheden en het borgen van de weerbaarheid. Dit doe ik onder andere door de beleidscyclus vitaal uit te voeren (waarbij in kaart wordt gebracht welke ondernemingen vitaal zijn voor Nederland en wat nodig is ter bescherming van die ondernemingen) en te onderzoeken of meer instellingen onder de Wet vifo ondergebracht moeten worden. Ook wordt ingezet op het versterken van de Europese autonomie, onder meer via een Europees betalingssysteem (Wero) en door tijdens de onderhandelingen over de digitale euro te pleiten voor gelijktijdige introductie van zowel online als offline functionaliteiten. Daarnaast is het belangrijk dat iedereen mee kan doen in het betalingsverkeer. Ik blijf mij daarom inzetten voor een toegankelijk betalingsverkeer. Een voorbeeld hiervan is de Wet chartaal betalingsverkeer, waarmee de beschikbaarheid, bereikbaarheid en betaalbaarheid van contant geld gewaarborgd wordt.

Hoe wordt gewaarborgd dat privacy en offline-gebruik daadwerkelijk gewaarborgd blijven?

Nederland heeft in de onderhandelingen over de digitale euro veel aandacht gevraagd voor stevige waarborgen omtrent privacy en voor behoud van offline gebruik van de digitale euro bij eerste uitgifte. Ten aanzien van privacy heeft Nederland zich ervoor ingezet dat digitale euro transacties een zeer hoog niveau van privacy hebben, zowel voor online als voor offline betalingen. De digitale euro wordt ontworpen met privacy als uitgangspunt, bijvoorbeeld door alleen de minimaal noodzakelijke data te verwerken voor transacties. Daarnaast is in de compromistekst van de Raad vastgelegd dat het Eurosysteem (de ECB en nationale centrale banken) geen toegang mogen hebben tot gegevens die herleidbaar zijn naar individuele personen. Voor online digitale betalingen zal, net als nu het geval is in het betalingsverkeer, de verwerking van individuele persoonsgegevens worden gedaan door betaaldienstverleners die hiervoor aan strenge eisen moeten voldoen. De offline digitale euro zal een hoger niveau van privacy bieden dan bestaande digitale betalingen. Bij offline transacties zullen de betaaldienstverleners van de ontvangende en betalende partijen niet kunnen traceren wie de andere betrokken partij of persoon bij de betaling is geweest. Daarmee biedt de offline digitale euro een vergelijkbaar niveau van privacy als contant geld. Met het oog op het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering zullen er, vanwege het hogere niveau van privacy, wel transactielimieten worden bepaald, in lijn met grenzen die nu bestaan voor contante betalingen.

Nederland heeft zich er daarnaast voor ingezet dat de digitale euro vanaf eerste uitgifte zowel online als offline beschikbaar wordt voor consumenten. Dit staat dan ook in één van de artikelen van de compromistekst.

En hoe voorkomt het kabinet dat de digitale euro een bureaucratische exercitie wordt, zonder echte toegevoegde waarde voor burgers en ondernemers?

Nederland heeft in de onderhandelingen voor de digitale euro het belang benadrukt dat de digitale euro toegevoegde waarde biedt voor burgers en ondernemers, maar ook makkelijk is in het gebruik. De digitale euro moet toegankelijk zijn voor burgers en de acceptatieplicht voor winkeliers en bedrijven moet niet nodeloos ingewikkeld zijn. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van het Eurosysteem om een digitale euro infrastructuur zodanig te bouwen dat bedrijven en betaaldienstverleners hier makkelijk op kunnen aansluiten. Het is daarom ook goed dat het Eurosysteem onderdelen van de digitale euro laat bouwen door Europese bedrijven met veel kennis en expertise in het betalingsverkeer. Daarnaast is het goed dat burgers en bedrijven gratis toegang moeten krijgen tot (in ieder geval) één digitale euro rekening bij hun betaaldienstverlener, om de drempel voor gebruik van de digitale euro te verlagen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026. De leden hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.

Wereldeconomie in een geopolitieke context
De leden van de VVD-fractie constateren dat in de Eurogroep wordt gesproken over mondiale onevenwichtigheden op de betalingsbalans, waarbij het IMF en de OESO ook kijken naar de rol van industriebeleid. De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat slim en doelgericht industriebeleid kan bijdragen aan het versterken van het Europees verdienvermogen en het verminderen van strategische afhankelijkheden, mits het marktgericht is en geen nieuwe verstoringen veroorzaakt. Hoe zet het kabinet zich in de Eurogroep in voor een industriebeleid dat investeringen, innovatie en concurrentiekracht versterkt, afhankelijkheden verkleint en tegelijkertijd de open Europese economie beschermt?

Het kabinet wil primair inzetten op het bevorderen van de juiste randvoorwaarden voor een concurrerende economie. Op die manier biedt de EU een aantrekkelijk ondernemingsklimaat voor toekomstige ondernemers, ruimte voor nieuwe initiatieven, en kunnen bedrijven zelf kiezen voor de meest rendabele activiteiten. Het verdiepen van de interne markt en de spaar- en investeringsunie spelen hier een cruciale rol in. Daarnaast heeft het kabinet in oktober 2025 het nieuwe industriebeleid met focus gepresenteerd.3 Het uitgangspunt van dit industriebeleid is actieve sturing op zes technologieën en groeimarkten ten behoeve van het Nederlands verdienvermogen en de Europese concurrentiepositie, zie ook de hieronder genoemde vraag. Op Europees niveau zet het kabinet bijvoorbeeld in op een Europees Concurrentievermogenfonds met een sterke focus op het opschalen van (innovatieve) technologieën en sectoren en het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden. Het kabinet hecht veel belang aan het aanjagen van private investeringen.

Hoe wordt de samenhang gewaarborgd in het Nederlandse industriebeleid, zoals tussen de vijf NLD-gebieden vanuit het ministerie van Defensie, de Nationale Technologiestrategie en het ‘industriebeleid met focus’ vanuit het ministerie van Economische Zaken, de vier ‘domeinen’ uit het rapport-Wennink, en sectoragenda’s als die voor de maritieme maakindustrie?

Met het industriebeleid richt het kabinet zich op dat deel van de economie dat een belangrijke bijdrage levert aan (1) het Nederlands verdienvermogen, (2) onze weerbaarheid en (3) maatschappelijke uitdagingen. Hiertoe heeft het kabinet met de Nationale Technologiestrategie (NTS) de ontwikkeling van 10 sleuteltechnologieën geprioriteerd. Met de NTS wordt een goede technologische basis gecreëerd. Om impact te maken moeten deze technologieën worden toegepast in producten die de weg naar de markt vinden. Met de Kamerbrief Industriebeleid1 met focus zetten we de volgende stap en kiezen we voor zes strategische markten die goed aansluiten bij de prioritaire sleuteltechnologieën:

1.    Halfgeleiders

2.    Defensiegerelateerde toepassingen

3.    Biotechnologie

4.    Digitale diensten (met name AI)

5.    Machinebouw

6.    Innovatieve chemie.

Hiermee geeft het kabinet een gerichte impuls aan een deel van de economie. Een belangrijk onderdeel van het industriebeleid is de samenwerking tussen ministeries, bedrijven, kennisinstellingen, financiers en regio’s.

Daarbij wordt waar mogelijk aangesloten op bestaande beleidsinitiatieven. Er zit er geen verschil tussen de vijf NLD-gebieden en defensiegerelateerde toepassingen, deze sluiten naadloos op elkaar aan. Ook het advies van Wennink over het verdienvermogen en investeringsklimaat sluit goed op de zes markten aan. Er zit sterke samenhang tussen bovenstaande markten en de domeinen die Wennink identificeert (Digitalisering & AI, Veiligheid & Weerbaarheid, Energie- & Klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie).

Daarnaast blijft het ministerie van Economische Zaken aandacht houden voor alle bedrijven, (andere strategische) sectoren en markten die Nederland heeft. Bijvoorbeeld via lopende initiatieven zoals de sectoragenda Maritieme Maakindustrie, de Impulsaanpak Winkelgebieden en programma’s uit het Nationaal Groeifonds. Dit zorgt voor een stevig fundament voor ondernemerschap en groei en zo kan er worden ingespeeld op de uitdagingen en kansen van het brede bedrijfsleven.

Hoe is er in de EU gereageerd op het non-paper van Nederland, Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden, welke waarschuwt voor een voorrangsregel voor Europese bedrijven bij openbare aanbestedingen?4

Tot dusverre is er niet officieel op het non-paper gereageerd. Mogelijk komt het ter sprake tijdens de Europese Raad (19-20 maart), waar de thema’s concurrentievermogen en geo-economie op de agenda staan.

De leden van de fractie van de VVD-fractie lezen dat ministers van niet-eurolanden mogelijk deelnemen aan de geplande discussie. Wordt hierbij ook nadrukkelijk aansluiting gezocht met niet-EU-landen, zoals het Verenigd Koninkrijk?

De Canadese Minister van Financiën en professor Helene Rey zijn uitgenodigd bij de Eurogroep bespreking van mondiale onevenwichtigheden. Het uitnodigen van additionele deelnemers is erop gericht om perspectieven van andere landen en van experts te betrekken in de discussie en om te kijken wat de raakvlakken zijn, zonder daarbij op een formele manier naar een gezamenlijke positie toe te werken.

Decharge EU-begroting
De leden van de VVD-fractie constateren dat in de Ecofinraad de Raadsaanbeveling voorligt om het Europees Parlement te adviseren decharge te verlenen aan de Europese Commissie over de EU-begroting 2024. De Europese Rekenkamer geeft opnieuw een afkeurend oordeel over de uitgaven, met een foutenpercentage van 3,6%, ruim boven de materialiteitsgrens van 2%. Het kabinet is voornemens tegen het positieve dechargeadvies te stemmen, conform eerdere jaren en samen met gelijkgezinde lidstaten. Wat is de concrete inzet van het kabinet om deze tegenstem meer gewicht te geven dan een principieel signaal, en hoe wordt daadwerkelijk druk uitgeoefend om de rechtmatigheid, controle en uitvoering van EU-uitgaven structureel te verbeteren?


Nederland heeft zich in de Raad krachtig en consistent uitgesproken over het te hoge foutenpercentage en het belang van volledige opvolging van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer (ERK). Daarbij is intensief opgetrokken met gelijkgestemde lidstaten. Hoewel het uiteindelijke dechargeadvies naar verwachting positief wordt vastgesteld via gekwalificeerde meerderheid, zijn diverse elementen van de Nederlandse inzet – zoals nadruk op het materieel te hoge foutenpercentage en de noodzaak tot verbetermaatregelen – in de Raadsaanbeveling opgenomen. Dat laat zien dat een kritische opstelling effect kan hebben op de inhoud. Nederland zal zich ook in de toekomst actief blijven inzetten om samen met gelijkgezinde landen de financiële beheersing van de EU-begroting structureel te verbeteren.

Supplementary Pensions Package
De leden van de VVD-fractie merken op positief te staan tegenover de ambitie van de Europese Commissie om aanvullend pensioensparen te stimuleren, zowel om het risico op ouderdomsarmoede te verkleinen als om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te versterken. Sterke en goed functionerende kapitaalmarkten zijn daarbij van groot belang. Tegelijkertijd is pensioenbeleid bij uitstek nationaal en diep verankerd in de sociale en maatschappelijke context van lidstaten. Europese regelgeving moet daarom ruimte laten voor nationale keuzes en mag geen afbreuk doen aan goed werkende pensioenstelsels, zoals het Nederlandse. Hoe borgt het kabinet dat het Supplementary Pensions Package (SPP) bijdraagt aan meer pensioensparen en kapitaalmarktontwikkeling, zonder in te grijpen in de nationale inrichting van solide pensioenstelsels?

Het kabinet heeft haar inzet voor dit pakket met uw Kamer gedeeld via het gebruikelijke BNC-fiche. Daarin staat dat Nederland in algemene zin positief staat tegenover het doel om schaalgrootte en transparantie voor deelnemers te bevorderen. Tegelijkertijd zet Nederland in op proportionaliteit en subsidiariteit en het voorkomen van dubbele of strijdige verplichtingen ten opzichte van goed functionerende nationale systemen. In dat kader hecht Nederland eraan dat Europese informatieverplichtingen aansluiten bij bestaande nationale praktijken, zonder deze onnodig te dupliceren of te vervangen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken aangaande de Eurogroep en Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026. Hierover hebben de leden van de PVV-fractie nog enkele vragen.

Oekraïne
Allereerst zijn de leden van de PVV-fractie verbaasd over het gegeven dat er een akkoord is bereikt over een nieuwe lening van de EU aan Oekraïne van 90 miljard euro, de zogeheten ‘Ukraine Support Loan’ en dat Nederland hiermee instemt. Hoe groot is immers de kans dat we dit geld ooit nog terugzien?

In het akkoord is voorzien dat Oekraïne de lening pas hoeft terug te betalen zodra Rusland herstelbetalingen verricht na beëindiging van de oorlog. Daarmee is terugbetaling rechtstreeks gekoppeld aan aansprakelijkheid van Rusland voor het doen van herstelbetalingen. Zolang die herstelbetalingen niet zijn gedaan zullen de Russische centrale tegoeden geïmmobiliseerd blijven. De lening is gegarandeerd via de headroom onder het eigenmiddelenplafond, waardoor het risico collectief en evenredig over de deelnemende lidstaten wordt verdeeld.

De leden van de PVV-fractie merken op dat 30 miljard van het bedrag van 90 miljard bestemd is voor begrotingssteun. In hoeverre vindt de minister het verstandig om 30 miljard te lenen aan één van de meest corrupte landen ter wereld?

Het kabinet steunt Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd. De leningen onder de Ukraine Support Loan bedragen 90 miljard euro. Deze leningen zijn essentieel voor de veiligheid en toekomst van Oekraïne, en daarmee voor veiligheid van heel Europa en dus Nederland.

Oekraïne heeft in de afgelopen jaren goede voortgang geboekt met het implementeren van hervormingen en maakt ontegenzeggelijk stappen in het bestrijden van corruptie en fraude. Desalniettemin zijn verdere stappen nodig. Daarom hecht het kabinet waarde aan het voorstel om de uitbetalingen van begrotingssteun onder de Ukraine Support Loan te verbinden aan conditionaliteiten in de vorm van hervormingen onder meer op het gebied van corruptiebestrijding en rechtsstatelijkheid. Daarnaast is het behoud van democratische mechanismen, inclusief de rechtsstaat en de eerbiediging van mensenrechten een randvoorwaarde vanuit de Commissie voor uitbetaling van elke vorm van steun.

Tevens merken de leden van de PVV-fractie op dat er ook een akkoord is bereikt over een nieuw IMF-programma van 8,1 miljard dollar, waarvoor Nederland garant staat. De leden van de PVV-fractie willen weten waarom Nederland hiermee in heeft gestemd. Wat houdt de ‘financing assurance’ in het IMF-programma in en voor welk bedrag staat Nederland garant?

De financing assurances houden in dat landen toezeggen om Oekraïne financieel te blijven steunen, zodat Oekraïne in staat is het IMF terug te betalen, en t.a.v. bilaterale leningen om te doen wat nodig is om de Oekraïense schuldhoudbaarheid te waarborgen. Nederland heeft samen met andere landen aangegeven bereid te zijn financing assurances af te geven voor dit programma, zoals Nederland ook eerder heeft gedaan voor het huidige IMF-programma. Dit is in lijn met de kabinetspositie om Oekraïne onverminderd te blijven steunen. Dit betreft een politiek commitment en heeft geen directe gevolgen voor de begroting. Beleidsvoorstellen die volgen uit de financing assurances zullen aan uw Kamer worden voorgelegd.

De gesprekken over de schuldhoudbaarheid van Oekraïne vinden plaats in de Group of Creditors of Ukraine (GCU). In de GCU is afgesproken dat de opschorting van terugbetalingen op bilaterale leningen wordt verlengd tot eind 2029 (parallel aan de looptijd van het nieuwe IMF-programma). Nederland heeft in 2022 via het IMF een lening van EUR 200 mln. verstrekt aan Oekraïne. Tot eind 2029 is Oekraïne een bedrag van EUR 113,7 mln. aan rente en aflossing verschuldigd. Met het afgeven van de financing assurances heeft Nederland, onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring, toegezegd de betaling van deze bedragen uit te stellen tot na 2029. Het voorziene schulduitstel wordt in de voorjaarsnota via een kasschuif op de Financiën begroting verwerkt en aan uw Kamer voorgelegd. Daarnaast zal de Group of Creditors aan het einde van het IMF-programma bespreken wat nodig is om de schuldhoudbaarheid van Oekraïne te waarborgen.

In dit verband is relevant dat Oekraïne zich onder het IMF-programma committeert aan het verhogen van belastinginning, via de National Revenue Strategy, wat eveneens een belangrijke bijdrage levert aan het verbeteren van de schuldhoudbaarheid van Oekraïne.

Voorts willen de leden van de PVV-fractie weten hoeveel Oekraïne inmiddels heeft ontvangen aan leningen en giften van de verschillende stakeholders. Graag een compleet overzicht, uitgesplitst per jaar.

Er zijn veel verschillende stakeholders actief in Oekraïne. De stakeholders leveren ook verschillende vormen van steun. Zo leveren de EU en het IMF vooral budgettaire (liquiditeits)steun, terwijl de IFI’s (Wereldbank, EIB en EBRD) vooral herstel- en wederopbouwsteun leveren, en de VN herstel- en humanitaire steun. Het is niet mogelijk om de steun per jaar uit te splitsen, omdat de meeste programma’s, faciliteiten en initiatieven een looptijd hebben van meerdere jaren en de uitbetalingen niet evenredig over de tijd plaatsvinden. Hieronder vindt u een zo compleet mogelijk overzicht van de steun van de verschillende stakeholders.

Sinds de start van de oorlog hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten gezamenlijk voor 193,3 miljard euro aan steun geleverd. De totale uitkeringen onder het IMF-programma bedragen voorlopig 10,6 miljard dollar. De Wereldbank heeft tot op heden 88,2 miljard dollar aan financiële steun gemobiliseerd, waarvan een significant deel liquiditeitssteun vormt. G7-landen leveren hun liquiditeitssteun onder diverse initiatieven, zoals de ERA-leningen via de Wereldbank. Door deze steun is Oekraïne in staat om basisdienstverleningen zoals pensioenen, onderwijs en gezondheidszorg te bieden, evenals hervormingen door te voeren gericht op de stabiliteit van de economie. Daarnaast levert de Wereldbank, net als andere IFI’s, ook herstel- en wederopbouwsteun.

De EBRD heeft ruim 9 miljard euro aan steun toegezegd, dit wordt onder meer ingezet voor energiezekerheid en kritieke infrastructuur, evenals steun aan de private sector in Oekraïne. De EIB heeft ruim 4 miljard euro toegezegd, deze steun is vooral gericht op energiesteun. Daarnaast investeert de EIB ook in transport, energie- en sociale infrastructuur (scholen, ziekenhuizen en huisvesting).

Kan de minister tevens een overzicht maken van hoeveel andere EU-lidstaten bilateraal aan militaire steun en opvang ontheemden besteden als het gaat om de uitgaven aan Oekraïne (zonder te verwijzen naar het ‘Kiel Institute’)?

Volgens cijfers van de Europese Commissie hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten 69 miljard euro in militaire steun geleverd. Het aandeel van lidstaten in de steun van de Europese Commissie wordt over het algemeen bepaald aan de hand van de bni-sleutel, maar deze verschilt ieder jaar. Daarom is het lastig om de totale steun terug te voeren op individuele lidstaten. Daarnaast hebben verschillende EU-lidstaten bilateraal militaire steun verstrekt aan Oekraïne. Een actueel overzicht, anders dan via het Kiel Institute, hiervan is niet beschikbaar omdat lidstaten niet publiekelijk rapporteren over hun steun.

Hoe vindt de controle (audits) plaats over rechtmatige besteding van al deze uitgaven aan Oekraïne?

Het merendeel van de steun aan Oekraïne wordt geleverd via multilaterale kanalen en Internationale Financiële Instellingen (IFI’s), dit zijn kanalen met bewezen effectieve interne waarborgen tegen o.a. corruptie en fraude.

De controle op de rechtmatige besteding van de EU-steun aan Oekraïne vindt op meerdere niveaus plaats. De Commissie is primair verantwoordelijk voor het toezicht en beoordeelt vooraf de voorwaarden voor uitbetaling, waaronder hervormingsstappen, corruptiebestrijding en rechtsstatelijkheid. Dit zijn voor Nederland belangrijk onderwerpen. Onder de Ukraine loan kan de macro-financiële steun worden verleend als macro-financiële bijstand, waarbij de Unie en Oekraïne in een Memorandum of Understanding (MoU) hervormingsvoorwaarden vastleggen waar Oekraïne voorafgaand aan de uitbetaling aan moet voldoen. Ook kan de steun worden verstrekt via de bestaande Oekraïne-faciliteit. Bij deze optie is de uitbetaling van steun voorwaardelijk aan het doorvoeren van hervormingsstappen uit de bestaande hervormingsagenda voor 2024-2027 uit het Oekraïneplan. Daarnaast kan de Commissie betalingen (deels) opschorten of inhouden indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan. De Europese Rekenkamer (ERK) voert onafhankelijke audits uit op de uitgaven en rapporteert hierover aan het Europees Parlement en de Raad.

IFI’s hanteren hoge standaarden en voorwaarden voordat uitkering plaatsvindt, om te voorkomen dat middelen onrechtmatig worden besteed. Indien Oekraïense partijen niet aan deze hoge standaarden kunnen voldoen vindt er geen uitkering plaats.

Bni-afdrachten
Verder merken de leden van de PVV-fractie op dat onze BNI-afdracht aan de EU met 125% is gestegen in 2 jaar tijd, van 3,5 miljard in 2024 naar meer dan 8 miljard euro dit jaar (bron begroting BUZA 36 800V, nr.2 pag. 38). Kan de minister hiervoor een verklaring geven?

De raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU is gebaseerd op het maximale MFK-betalingenplafond en de maximale inzet van de speciale instrumenten bij het Meerjarig Financieel Kader (MFK). De stijging van de Nederlandse bni-afdracht is grotendeels te verklaren door vertraging van betalingen bij de cohesie- en landbouwfondsen in eerder jaren van het huidige MFK. Het betalingenniveau lag hierdoor fors onder het betalingenplafond. Om een realistisch beeld te schetsen van de te verwachten Nederlandse EU-afdrachten is besloten de raming hierop aan te passen. Dit heeft geleid tot een lagere afdracht van 1,7 miljard euro in 2024. Volgens afspraken in het MFK mag de Europese Commissie deze betalingen via het enkelvoudige marge-instrument in beperkte mate doorschuiven naar latere jaren. De verlaging van de raming van de bni-afdracht in 2024 gaat daarom gepaard met een verhoging van de raming van de bni-afdracht in 2026 en 2027. Hierover is de Kamer via de eerste suppletoire begroting 2024 van het ministerie van Buitenlandse Zaken geïnformeerd.5 Een ander effect dat de toename van de bni-afdracht tussen 2024 en 2026 verklaart is economische groei en daarmee de relatieve toename van het Nederlandse bni ten opzichte van het Europese gemiddelde. De Nederlandse economie groeit nominaal harder dan de EU als geheel en dat zorgt voor een toename van bni-afdracht. Het bni-aandeel van Nederland groeide van 5,9% in 2024 naar 6,4% in 2026.

Nationale ontsnappingsclausule voor defensiefinanciering voor 4 jaar
Vervolgens merken de leden van de PVV-fractie op dat 17 van de 27 lidstaten gebruik willen maken van de nationale ontsnappingsclausule (SGP) als het gaat om de defensiefinanciering. Waarom maakt Nederland hier geen gebruik van?

Nederland heeft geen aanvraag gedaan voor activatie van de nationale ontsnappingsclausule, met de gedachte dat een structurele toename in defensie-uitgaven structureel moet worden ingepast binnen de begroting. Hierdoor worden er geen rekeningen doorgeschoven naar toekomstige generaties. Daarbij schrijft het Nederlandse trendmatig begrotingsbeleid ook voor dat additionele intensiveringen ingepast dienen te worden binnen de afgesproken budgettaire kaders. Bij activatie van de nationale ontsnappingsclausule wordt de toename in defensie-uitgaven (ten opzichte van 2021, met een maximum van 1,5% bbp) uitgezonderd van het netto uitgavenpad. Nederland zou echter ook na activatie waarschijnlijk niet voldoen aan het door de Raad aanbevolen uitgavenpad. Bij het besluit geen aanvraag te doen is relevant dat het kabinet in de raming van het Centraal Planbureau de gehele kabinetsperiode binnen de Europese referentiewaarden voor het begrotingstekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp) blijft. Zolang dit het geval is kunnen de Europese Commissie en de Raad geen handhavingsmaatregelen opleggen.

Douane
Voorts willen de leden van de PVV-fractie weten hoe het staat met de lobby om het Europees Douaneagentschap naar Nederland te halen.

Nederland heeft zich eind vorig jaar kandidaat gesteld om de nieuw op te richten Europese Douane Autoriteit (EUCA) te huisvesten, met vestigingsstad Den Haag.6 Nederland voert op dit moment een actieve campagne om steun te verwerven voor de Nederlandse kandidaatstelling. Onder leiding van boegbeeld voormalig staatssecretaris van Financiën Frans Weekers wordt in verschillende bilaterale gesprekken in de Europese hoofdsteden de Nederlandse kandidaatstelling, en de meerwaarde daarvan, toegelicht. In januari 2026 heeft Nederland een locatiebezoek georganiseerd, waarbij de beoogde locatie is gepresenteerd aan leden van het Europees Parlement, verschillende ambassadeurs en vertegenwoordigers van douaneautoriteiten.

De besluitvorming over de vestigingsplaats vindt plaats op EU-niveau. Dit zal via een getrapte stemprocedure tussen de Raad en het Europees Parlement zijn. Het besluit over de definitieve vestigingslocatie van EUCA wordt naar verwachting eind februari of begin maart genomen.

Wat zou dit gaan opleveren of gaan kosten?

EUCA krijgt een belangrijke rol in het beschermen van de buitengrenzen van de EU en is daarmee van strategisch belang. De vestiging van EUCA in Nederland draagt in de eerste plaats bij aan de versterking van de positie van Nederland als toonaangevend handels- en douaneland en de positie van Den Haag als internationale stad van vrede en recht.

Ook economisch heeft een vestiging in Nederland positieve effecten. Directe en (in)directe werkgelegenheid en investeringen leveren een structurele positieve impact op die wordt geschat op circa € 47 miljoen per jaar.

Nederland heeft ingestemd met financiële ondersteuning van de Nederlandse kandidaatstelling voor in totaal circa € 40 miljoen, deels gefinancierd door het Rijk en deels door de gemeente Den Haag; dit getal is niet vergelijkbaar met de positieve impactcijfers, want die cijfers zijn per jaar. De kosten bedragen € 16 miljoen; waarvan kosten voor de acquisitiefase (zoals de kosten voor de voorbereiding van het kandidaatstelling en campagneactiviteiten) alsook kosten die samenhangen met de uitvoeringsfase, indien vestiging daadwerkelijk in Nederland plaatsvindt. Daarnaast draagt Nederland in de periode van 2026 t/m 2050 € 24 miljoen bij aan huurverlaging.

De leden van de PVV-fractie vragen tevens of het klopt dat medio 2026 over elk Chinees pakketje straks wel 3 euro importheffing (handling fee) betaald moet worden.

Het klopt dat tijdens de Ecofinraad van december jl. is besloten de zogeheten de-minimisvrijstelling op importheffingen voor zendingen van buiten de EU met een waarde tot en met €150,- af te schaffen. Van 1 juli 2026 tot juli 2028 geldt voor al deze zendingen een vaste heffing van €3,- per productgroep; daarna wordt het reguliere importtarief per product van toepassing.

Vanaf 1 november 2026 wordt daarnaast een ‘EU handling fee’ van enkele euro’s per productgroep ingevoerd op pakketjes uit landen buiten de EU. Dit is wat anders dan een importheffing. Deze fee dient als vergoeding voor de kosten die gepaard gaan met de controle en vrijgave van deze zendingen. Beide maatregelen zijn vergelijkbaar qua vorm en doelgroep. Om eenvoud en efficiëntie te bevorderen, pleit ik er op EU-niveau voor om ook de EU handling fee al per 1 juli te laten ingaan en gebruik te maken van dezelfde werkwijze voor inning. Zo ontstaat één duidelijk implementatiemoment, wat het proces voor bedrijven en consumenten overzichtelijker en beter uitvoerbaar maakt.

Mag Nederland deze heffing houden of moeten we die (deels) afdragen aan Brussel?

Importheffingen zijn een traditioneel eigen middel van de Europese Commissie. De lidstaten mogen een percentage van de invoerrechten die zij heffen houden om hun eigen apparaatskosten van de Douane te bekostigen. De afschaffing van de de-minimis vrijstelling leidt tot meer importheffingen dus meer inkomsten voor zowel de Europese Commissie als Nederland. Daar staat tegenover dat de lidstaten ook meer kosten maken voor de heffing en inning van de invoerrechten.

De verdeling van de middelen die opgehaald worden met de EU handling fee is nog onderdeel van de onderhandeling over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028-2034. Omdat in het MFK 2021-2027 hierover niets is geregeld zullen de middelen van de EU handling fee tot die tijd volledig aan de lidstaten toekomen.

Bovengenoemd percentage is vastgelegd in het eigenmiddelenbesluit (EMB) en bedraagt op dit moment 25%. Er is daarnaast sprake van een tweede-orde-effect met betrekking tot de bni-afdracht. Als de Unie meer invoerrechten ophaalt, betekent dit een verlaging van de benodigde bni-afdracht van de lidstaten. De uitgaven van de Unie blijven immers gelijk. De Europese Commissie heeft in het voorstel voor het eigenmiddelenbesluit aangegeven dat de handling fee kwalificeert als ‘traditioneel eigen middel’ (TEM). Ook de invoerrechten kwalificeren als TEM. De Europese Commissie heeft voorgesteld het deel dat de lidstaten zelf mogen houden te verlagen van 25% naar 10%. Nederland zet in op behoud van deze ‘perceptiekostenvergoeding’ op 25%.

Wat betekent deze maatregel voor onze schatkist?

Het afschaffen van de de-minimis vrijstelling en de invoering van de EU handling fee betekenen dat Nederland inkomsten zal ontvangen uit de afhandeling van pakketjes van buiten de EU. De uiteindelijke opbrengsten van deze maatregelen is mede afhankelijk van het precieze aantal zendingen dat via Nederland de EU binnen zal komen en de uitkomsten van de MFK 2028-2034 onderhandelingen.

Tegenover de extra opbrengsten staat dat de Douane ook extra zal moeten investeren in toezicht op en uitvoering van deze maatregelen. Door het wegvallen van de de-minimisgrens komen grote aantallen extra zendingen onder het fiscale douanetoezicht te vallen, waardoor er ook fiscale controles uitgevoerd moeten worden. Daarnaast zal met de invoering van de EU handling fee, als kostenvergoeding voor het toezicht op de nalevering van Europese wet- en regelgeving, van de Douane verwacht worden dat zij de controle op product vereisten (zoals productveiligheid) intensiveren. Tevens zal de Douane controleren op de juiste afdracht van de handling fee door bedrijven.

Digitale euro
De leden van de PVV-fractie vragen naar het standpunt ten aanzien van de digitale euro van het nieuwe kabinet. Welke precieze voorwaarden stelt het nieuwe kabinet aan het accepteren van de digitale euro en is hieraan volgens het kabinet voldaan? Graag ontvangen zij een onderbouwing.

Ik vind het belangrijk dat de digitale euro voldoet aan strenge eisen, zoals een hoog niveau van privacy, niet-programmeerbaarheid, en een proportionele verdeling van de kosten tussen winkeliers en betaaldienstverleners. Daarnaast hecht ik eraan dat de digitale euro van toegevoegde waarde is voor burgers en bedrijven. Die toegevoegde waarde zie ik vooral in het versterken van de strategische autonomie en weerbaarheid van het (Europese) betalingsverkeer. Als er een digitale euro komt, wordt deze gebouwd door de ECB in samenwerking met Europese bedrijven. Daarmee verkleinen we onze afhankelijkheid van niet-Europese betaaldienstverleners. De offline variant van de digitale euro zal het daarnaast mogelijk maken om digitale betalingen te doen zonder internetverbinding. Ook daar zie ik toegevoegde waarde en kan de digitale euro, naast contant geld, een tijdelijke terugvaloptie zijn bij verstoringen in het bestaande betalingsverkeer.

In het Raadsakkoord van 19 december jl. zijn stevige waarborgen opgenomen voor de eerder genoemde onderwerpen. Zo staat in het raadsakkoord dat de digitale euro online en offline beschikbaar zal zijn vanaf de eerste uitgifte en zijn niet-programmeerbaarheid en een hoog niveau van privacy goed verankerd in de artikelen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Eurogroep/Ecofin en hebben daarbij enkele vragen.

De leden van de CDA-Fractie ondersteunen de inzet van de commissie om de internationale rol van de euro te versterken. Zij zien de voordelen zoals grotere monetaire autonomie, lagere transactie en lagere transactie-, risicomanagement- en financieringskosten, en een lagere gevoeligheid voor buitenlandse wisselkoersschokken. In deze roerige internationale tijden gebeurt er veel, zo ook in de valutamarkt. Zo signaleert Het FD dat de status van de dollar als wereldmunt onder druk staat.7. Door de inzet van de dollar als machtsmiddel proberen landen hun afhankelijkheid van de dollar af te bouwen. Zo stimuleert China actief om betalingen niet in dollars maar in de Chineese renminbi af te rekenen. Als het gaat om valuta en goudreserves blijft de hegemonie van de dollar echter bestaan en blijft de euro sterk achter. Hoe kijkt de minister naar deze ontwikkelingen? De leden van de CDA-fractie roepen de minister op om de inzet van de commissie op het versterken van internationale rol van de Euro proactief te blijven ondersteunen.

Het IMF publiceert per kwartaal gegevens over het gebruik van verschillende valuta binnen het internationale financiële systeem. In het meest recente overzicht is het aandeel van de euro als reservemunt in afgelopen periode toegenomen van 18,9% eind 2024 tot 20,3% in het derde kwartaal van 2025. Naar verwachting komt deze stijging voornamelijk voort uit de appreciatie van de munt ten opzichte van de dollar. Het aandeel van de dollar binnen de reserves is daarentegen iets afgenomen tot ongeveer 57% van het totaal. Daarmee blijft de dollar als reservemunt de dominante munt in het internationale financiële systeem. Volgens het laatste ECB-rapport over de internationale rol van de euro geldt dit ook op andere indicatoren voor internationale schuld, deposito’s en transactiemiddel. Volgens gegevens van het IMF is ook te zien dat de Chinese Renminbi over de afgelopen jaren ongeveer 2% van de aangehouden reserves uitmaakt. Dit aandeel lijkt daarbij redelijk constant zonder duidelijke opwaartse trend. Hoewel China het internationale gebruik van de Renminbi stimuleert, staan obstakels zoals strenge kapitaalcontroles een groter internationaal gebruik in de weg.

Beleidsonzekerheid in de VS kan internationale investeerders ertoe aanzetten hun reserves meer te diversifiëren, wat kan bijdragen aan een grotere internationale rol van de euro. Deze beleidsonzekerheid maakt ook duidelijk dat afhankelijkheid van buitenlandse valuta gepaard gaat met risico’s. Het kabinet onderschrijft mede hierom het belang van het vergroten van de internationale rol van de euro. Het kabinet steunt een grotere internationale rol voor de euro en zet zich ervoor in om, conform de gecommuniceerde inzet in de geannoteerde agenda voor de Eurogroep en Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026, dit te bereiken door het concurrentievermogen te versterken, handelsrelaties uit te breiden, een stabiel en houdbaar economisch en begrotingsbeleid te voeren en het belang van onafhankelijke instituties te onderstrepen.

De leden van de CDA-Fractie ondersteunen de kritische opstelling van het Kabinet met betrekking tot de verantwoording van de EU-Begroting. Wederom geeft de Europese Rekenkamer (ERK) een afkeurend oordeel over de verantwoording van de uitgaven in de EU-begroting. Een dergelijk negatief advies is niet incidenteel, maar structureel. Deze leden vragen of het klopt dat de grootste fouten worden gemaakt in verband met het EU-cohesiebeleid. Kan de minister toelichten wat daarvan volgens hem de oorzaken zijn en in welke landen de hoogste foutenpercentages voorkomen?

Het hoogste foutenpercentage wordt inderdaad vastgesteld bij het cohesiebeleid (pijler “Cohesie, veerkracht en waarden”), met een foutenpercentage van 5,7% in 2024 (2023: 9,3%). Dit is ruim boven de materialiteitsgrens van 2%. De fouten hangen vooral samen met niet-subsidiabele kosten en projecten, schendingen van aanbestedings- en staatssteunregels en ontbrekende bewijsstukken. Er is dus niet direct sprake van fraude. Daarnaast functioneren nationale auditsystemen soms onvoldoende, waardoor fouten niet tijdig worden opgespoord of gecorrigeerd. De hoge administratieve druk door de afronding van oude programma’s en de start van nieuwe MFK-programma’s vergroot het risico. De ERK rapporteert geen ranglijst per lidstaat.

Daarnaast constateren de leden van de CDA-fractie dat de Europese Commissie een andere visie heeft met betrekking tot de methode voor het berekenen van het foutenpercentage dan de ERK en daarmee Nederland. Kan de minister aangeven waar het verschil in interpretatie over de foutenpercentages tussen Nederland en o.a. de Europese Commissie vandaan komt?

Het verschil komt voort uit een andere methodologie en definitie van fouten. De Europese Commissie rapporteert een zogeheten ‘risk at payment’, waarbij alleen bedragen worden meegeteld die naar verwachting niet meer kunnen worden gecorrigeerd via terugvordering of correcties. De Europese Rekenkamer (ERK) hanteert een bredere benadering en beoordeelt of uitgaven volledig voldoen aan alle toepasselijke wet- en regelgeving, ongeacht of later nog financiële correcties mogelijk zijn. Daarnaast zit er een verschil in de opzet van steekproeven en controlemoment. Hierdoor rapporteert de Commissie doorgaans lagere percentages dan de ERK. Nederland steunt het onafhankelijke oordeel en de 2%-materialiteitsgrens van de ERK.

De leden van de CDA-Fractie staan, gegeven bovenstaande, achter het besluit van het kabinet om tegen het positieve dechargeadvies te stemmen. Wel vragen zij de minister om de aanbevelingen van de ERK kracht bij te zetten en aan te sturen op concrete verbeteringen. Welke mogelijkheden ziet hij daartoe?

Het kabinet heeft ingezet op een Raadsaanbeveling die expliciet oproept tot opvolging van de ERK-aanbevelingen, met duidelijke verbetermaatregelen en tijdslijnen. Nederland heeft in deze discussie opgetrokken met gelijkgezinde lidstaten om een krachtig signaal af te geven.

Ook vragen zij de minister om te reflecteren op dit proces. De minister lijkt zich er in zijn brief bij neer te leggen dat er, ondanks de Nederlandse tegenstem, alsnog een positief decharge advies komt. Om de financiële huishouding van de EU structureel te verbeteren, roepen deze leden de minister daarom op in het vervolg nog intensiever op te trekken met gelijkgestemde landen.

Nederland heeft zich in de Raad krachtig en consistent uitgesproken over het te hoge foutenpercentage en het belang van volledige opvolging van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer (ERK). Daarbij is intensief opgetrokken met gelijkgestemde lidstaten. Hoewel het uiteindelijke dechargeadvies naar verwachting positief wordt vastgesteld via gekwalificeerde meerderheid, zijn diverse elementen van de Nederlandse inzet – zoals nadruk op het materieel te hoge foutenpercentage en de noodzaak tot verbetermaatregelen – in de Raadsaanbeveling opgenomen. Dat laat zien dat een kritische opstelling effect kan hebben op de inhoud. Nederland zal zich ook in de toekomst actief blijven inzetten om samen met gelijkgezinde landen de financiële beheersing van de EU-begroting structureel te verbeteren.

De Leden van de CDA-fractie steunen de inzet van de Commissie m.b.t. financiële steun voor Oekraïne. Het besluit om de komende twee jaar met 90 miljard aan leningen Oekraïne te steunen is een grote en moedige stap. Zij kijken uit naar de appreciatie van de achterliggende wetsvoorstellen vanuit de Commissie. Wel vragen deze leden hoe groot de minister het risico acht dat de rentelasten hoger zijn dan de zogenoemde headroom in de MFK-begroting, in welk geval er mogelijk naar een nieuw instrument moet worden gekeken. Zij vragen hoe dit er volgens de minister uit zou kunnen zien.

De Kamer is op vrijdag 6 februari middels een Kamerbrief8 geïnformeerd over de Ukraine Support Loan. Het kabinet acht het risico dat de rentelasten hoger uitvallen dan de beschikbare ruimte onder het Meerjarig Financieel Kader (MFK) op dit moment als beperkt. De Commissie raamt de rentelasten voor de Ukraine Support Loan in 2027 op circa 1 miljard euro en verwacht deze binnen de bestaande MFK-plafonds en beschikbare marges te kunnen dekken. Daarmee is inzet van het nieuwe instrument volgens de huidige inzichten niet noodzakelijk. Tegelijkertijd zijn de totale rentelasten onzeker, omdat deze afhankelijk zijn van marktrente, het tijdspad waarin de lening wordt opgebouwd en de looptijd. Het kabinet volgt deze ontwikkeling daarom nauwgezet. Nederland is terughoudend ten aanzien van het gebruik van (nieuwe) speciale instrumenten en benadrukt dat eerst maximaal gebruik moet worden gemaakt van de ruimte binnen het MFK en de bestaande speciale instrumenten. Een nieuw instrument ziet het kabinet voornamelijk als uiterste backstop. De rentelasten vanaf 2028 worden betrokken bij de onderhandelingen over het nieuwe MFK.

Ook merken deze leden op dat de IMF-berekening van de ongedekte financieringsnood voor Oekraïne ervan uitgaat dat de oorlog nog dit jaar wordt beëindigd. Kan de minister een inschatting geven van de financieringsbehoefte van Oekraïne wanneer de oorlog ook in en na 2027 voortduurt?

Waarschijnlijk besluit de IMF raad van bewind eind februari over het nieuwe IMF-programma. Dan zal waarschijnlijk ook een nieuwe analyse van de financieringsbehoefte van Oekraïne volgen. Naar verwachting bevat het nieuwe IMF-programma, net als het voorgaande, een basis-scenario (waarin eind 2026 een staakt-het-vuren wordt bereikt) en een down-side scenario (waarin een staakt-het-vuren pas op een later moment bereikt). Een inschatting van de financieringsbehoefte als de oorlog voortduurt kan pas gegeven worden na publicatie van deze analyse. Ook dan blijven deze inschattingen echter wel met veel onzekerheid omgeven.

De leden van de CDA-fractie zien dat de herstel- en veerkrachtplannen (HVP) worden besproken en maken van deze gelegenheid gebruik om de voortgang op de Nederlandse HVP aan te kaarten. De onderliggende Kamerbrief maakt melding dat de grootste uitdagingen liggen bij 3 vertraagde wetstrajecten te weten de Wet versterking regie volkshuisvesting (Wet Regie), Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en Wet Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ). Tijdige Kamerbehandeling is hierin cruciaal en dit is dan ook de inzet van de CDA-fractie. Toch wordt er in de Kamerbrief een aanzienlijk risico genoemd dat de HVP-deadline niet gehaald wordt. In de voorliggende agenda ligt een wijzing voor ten aanzien van het HVP van Litouwen op basis van artikel 21 van de HVP-verordening. Kan de minister aangeven of een dergelijke wijzing voor de Nederlandse situatie meer ademruimte zou kunnen geven?

Lidstaten kunnen onder artikel 21 van de HVF-verordening inderdaad hun herstel- en veerkrachtplan aanpassen als deze op grond van objectieve omstandigheden deels of in zijn geheel niet langer te verwezenlijken is. Politieke omstandigheden worden in dit kader niet aangemerkt als objectieve omstandigheid. Voorbeelden van objectieve omstandigheden zijn bijvoorbeeld hogere kosten door inflatie, vertragingen in de toeleveringsketen of als er een beter alternatief om het doel van te maatregel te realiseren voor handen is. Hierbij mag de aanpassing het ambitieniveau van een plan niet verlagen. Nederland heeft reeds van de mogelijkheid gebruik gemaakt om het HVP te wijzigen, onder meer om meer ademruimte te creëren door de bovengenoemde vertraagde wetgevingstrajecten te verplaatsen naar het laatste betaalverzoek. Gezien de deadline van de HVF, waarbij de mijlpalen en doelstellingen allemaal uiterlijk eind augustus 2026 afgerond dienen te zijn, is verder verplaatsen geen optie.

Kan de minister daarnaast inzicht geven in de financiële consequenties van het niet behalen van de Nederlandse HVP-doelstellingen?

Indien alle bovengenoemde wetgevingstrajecten niet tijdig doorgang vinden en zodoende alle bijbehorende mijlpalen niet behaald worden, dan bestaat er voor Nederland een financieel risico oplopend tot ca. €2,4 mld. De inzet blijft om deze financiële consequentie af te wenden door in samenwerking met uw Kamer zorg te dragen voor tijdige behandeling van voorliggende wetsvoorstellen.

Ten aanzien van defensie-investeringen lezen de leden van de CDA-fractie dat inmiddels 17 lidstaten zich hebben gemeld voor de ontsnappingsclausule voor defensiefinanciering en dat 19 lidstaten een plan hebben ingediend voor het gebruik van SAFE leningen. Deze leden vragen wat het volgens de minister zegt dat zoveel lidstaten gebruik maken van deze instrumenten, en wat dit voor gevolgen kan hebben voor de nationale begrotingen.

De nationale ontsnappingsclausule (National Escape Clause; NEC) voor defensie-uitgaven binnen de bestaande regels van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) en het Veiligheidsactie voor Europa-instrument (Security Action for Europe through the reinforcement of European defence industry instrument; SAFE) kunnen lidstaten tijdelijk en gericht ondersteunen in het verhogen van hun defensie-uitgaven op korte termijn.

Lidstaten mogen bij activatie van de nationale ontsnappingsclausule voor defensie-uitgaven gedurende de periode 2025-2028 afwijken van het door de Raad vastgestelde (correctieve) uitgavenpad wanneer dit het gevolg is van een toename van defensie-uitgaven t.o.v. 2021, tot een maximum van 1,5% bbp. De defensie-uitgaven worden wel meegerekend in het begrotingstekort en de overheidsschuld en dienen na het aflopen van de nationale ontsnappingsclausule ingepast te worden in nationale begrotingen. Dit kan mogelijk leiden tot een grotere begrotingsopgave om aan de vereisten van het SGP te voldoen na het aflopen van de nationale ontsnappingsclausule. Het feit dat 17 lidstaten een aanvraag hebben ingediend voor activatie van de NEC, laat zien dat zij op korte termijn aanvullende bestedingsruimte nodig achten om defensie-investeringen in te passen in hun begroting. Daarmee is er tijd om andere uitgaven te verlagen of inkomsten te verhogen.

SAFE-leningen worden meegerekend in het begrotingstekort en de overheidsschuld van de lidstaten die de lening aangaan. Daarmee blijven ze onderdeel van de normen voor, en monitoring van, schuldhoudbaarheid onder het SGP. Indien lidstaten gebruik maken van de nationale ontsnappingsclausule onder het SGP, zullen uitgaven gefinancierd met leningen onder het SAFE-instrument meetellen onder de maximale toename van de defensie-uitgaven waarvoor de ontsnappingsclausule geldt. Lidstaten die gebruikmaken van de SAFE-leningen zijn zelf verantwoordelijk voor de terugbetaling daarvan, inclusief de rentelasten. De rente op SAFE-leningen is voor sommige lidstaten lager dan de rente die zij zelf betalen op de kapitaalmarkt. Het feit dat 19 lidstaten een aanvraag hebben ingediend voor een SAFE-lening laat zien dat zij gebruik willen maken van additionele financiering voor defensie-uitgaven binnen de voorwaarden die SAFE hieraan stelt, het mogelijke rentevoordeel en dat zij SAFE als middel zien om op korte termijn defensiematerieel aan te schaffen en gezamenlijke aanbestedingen te bevorderen.

Ook vragen zij of het klopt dat er meer leningen zijn aangevraagd dan dat er geld beschikbaar is binnen SAFE. Hoe staat de minister tegenover uitbreiding van SAFE en welke risico’s ziet de minister hierin?

Op basis van voorlopige informatie van de Europese Commissie over de bijgestelde allocatie van SAFE-leningen is er vooralsnog geen indicatie dat er voor een groter bedrag leningen zijn aangevraagd dan het vastgestelde maximale bedrag van 150 miljard euro. Op dit moment is er dan ook geen voorstel voor uitbreiding van SAFE.

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Eurogroep/Ecofinraad van 16 en 17 februari 2026. Zij hebben een aantal vragen en opmerkingen.

Decharge EU-begroting
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de Raadsaanbeveling inzake de dechargeverlening aan de Europese Commissie over de EU-begroting 2024 en van het jaarverslag van de Europese Rekenkamer. Deze leden constateren dat het foutenpercentage weliswaar is gedaald, maar nog altijd boven de materialiteitsgrens ligt en dat de Rekenkamer opnieuw een afkeurend oordeel geeft. Deze leden steunen het kabinetsvoornemen om tegen het dechargeadvies te stemmen. Kan de minister aangeven met welke gelijkgezinde lidstaten Nederland hierin optrekt en of hij bereid is deze kritische houding ook expliciet te verbinden aan de bredere discussie over toekomstige EU-uitgaven, leningen en begrotingsdiscipline?

Nederland heeft zich in de Raad krachtig en consistent uitgesproken over het te hoge foutenpercentage en het belang van volledige opvolging van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer (ERK). Daarbij is intensief opgetrokken met gelijkgestemde lidstaten en naar verwachting zullen drie andere gelijkgestemde lidstaten tegen het dechargeadvies stemmen. Nederland zal zich ook in de toekomst actief blijven inzetten om samen met gelijkgezinde landen de financiële beheersing van de EU-begroting structureel te verbeteren.

Deze leden wijzen daarbij in het bijzonder op de waarschuwing van de Rekenkamer over de toenemende last van EU-leningsverplichtingen en de gevolgen daarvan voor toekomstige EU-begrotingen met het oog op de volgende MFK-periode vanaf 2028. Kan de minister aangeven hoe het kabinet deze risico’s weegt, en deelt de minister de opvatting dat dit vraagt om striktere begrotingsdiscipline en om het inperken van de vrije bestedingsruimte van de Commissie (de headroom) bij de vormgeving van het nieuwe MFK?

In de huidige MFK-periode is er sprake geweest van hogere rente-uitgaven dan vooraf verwacht, met name voor de rentebetalingen van het NGEU-instrument, waardoor het noodzakelijk was om hiervoor bij de herziening van het MFK ruimte vrij te maken. In het voorstel voor het volgende MFK zijn de rentebetalingen in het kader van NGEU onder de MFK-plafonds geplaatst. Omdat bij aanvang van het volgend MFK alle middelen in het kader van NGEU zijn uitgekeerd aan de lidstaten, kan een goede inschatting gemaakt worden van de rentekosten. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 12 september jl.9 over het volgende MFK is Nederland geen voorstander van de voorgestelde nieuwe leeninstrumenten en daarom ook niet van de voorgestelde verhoging van de ‘headroom’ met 0,25% bni die de Commissie hiervoor voorstelt. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat enige ruimte in de headroom nodig blijft, vanwege het belang dat deze heeft voor de kredietwaardigheid van de reeds uitstaande garanties en leningen van de Unie. Het kabinet zal zich daarnaast uiteraard blijven inzetten in de MFK-onderhandelingen voor goede begrotingsdiscipline. Het is overigens niet zo dat de headroom vrije bestedingsruimte betreft. De headroom dient als garantie dat de Unie aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen. Er kunnen geen beleidsuitgaven worden gedaan boven de MFK-plafonds.

Economische en financiële impact van de Russische agressie tegen Oekraïne
De leden van de JA21-fractie merken op dat de leningen alleen worden terugbetaald indien Rusland herstelbetalingen verricht, een scenario waarvan het hoogst onzeker is of en wanneer dit zich zal voordoen. Kan de minister aangeven of het kabinet er realistisch gezien van uitgaat dat deze leningen ooit volledig worden terugbetaald, en hoe hiermee rekening wordt gehouden in de ramingen van toekomstige EU-uitgaven en Nederlandse afdrachten? Deze leden constateren dat voor 2027 de rentekosten worden geraamd op circa 1 miljard euro, oplopend tot gemiddeld 3 miljard euro per jaar vanaf 2028, met in een ongunstig scenario zelfs hogere bedragen. Kan de minister toelichten wat deze scenario’s concreet betekenen voor Nederland, met name indien de headroom van het MFK ontoereikend blijkt en een aanvullend instrument noodzakelijk zou worden?

Zie ook eerdere beantwoording op vraag van de PVV-fractie. Voor Nederland leidt de Ukraine Support Loan niet tot directe uitgaven, maar tot een voorwaardelijke garantie via de headroom onder het eigenmiddelenplafond. De budgettaire verwerking van deze garantie vindt plaats op artikel 4 (internationale financiële betrekkingen) van de begroting van het ministerie van Financiën en wordt opgenomen bij de suppletoire begroting. De rentelasten van de EU-leningen komen ten laste van de EU-begroting. Indien deze lasten niet binnen het MFK kunnen worden opgevangen, kan dit leiden tot hogere afdrachten van lidstaten. Voor Nederland bedraagt het maximale geraamde budgettaire risico in 2027 circa 66 miljoen euro. De rentelasten vanaf 2028 worden betrokken bij de onderhandelingen over het nieuwe MFK.

De leden van de JA21-fractie merken op dat Tsjechië, Hongarije en Slowakije hebben bedongen niet bij te dragen aan deze leningconstructie. Kan de minister toelichten waarom Nederland hier niet voor heeft gekozen en of het kabinet heeft overwogen een vergelijkbare uitzondering te bedingen gezien de potentiële budgettaire risico’s?

De veiligheid en toekomst van Oekraïne staan op het spel, en daarmee de gehele veiligheid van Europa en Nederland. Juist nu is het van belang om Oekraïne te blijven steunen. Voor een duurzame en rechtvaardige vrede is het noodzakelijk dat Oekraïne vanuit een positie van kracht kan onderhandelen. Onverminderde en actieve Europese en Nederlandse steun blijft essentieel: in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw. Het kabinet steunt daarom de Ukraine Support Loan voor Oekraïne en is bereid de budgettaire gevolgen daarvan te dragen. Eerlijke lastendeling is daarbij altijd onderdeel geweest van de inzet van het kabinet als signaal van eenheid onder Europese lidstaten en steun voor Oekraïne. Het bedingen van een uitzondering op de Ukraine Support Loan past niet binnen de onverminderde steun van dit kabinet voor Oekraïne.

Daarnaast vragen deze leden wat de concrete budgettaire gevolgen zijn van deze opt-outs voor de deelnemende lidstaten. Kan de minister inzichtelijk maken in hoeverre de rentelasten en eventuele aflossingsverplichtingen voor de deelnemende landen toenemen als gevolg van het feit dat een deel van de lidstaten niet meebetaalt?

De opt-outs van enkele lidstaten betekenen dat zij niet deelnemen aan de Ukraine Support Loan en daardoor geen financiële risico’s lopen uit hoofde van deze lening. De rentelasten en eventuele aflossingsverplichtingen worden volledig gedragen door de deelnemende lidstaten. Voor deze landen, waaronder Nederland, leidt dit ertoe dat het aandeel in de lasten iets hoger uitvalt dan het reguliere bni-aandeel binnen de EU. Concreet stijgt het Nederlandse aandeel van circa 6,4% naar ongeveer 6,6%.

Economisch herstel in Europa: uitvoeringsbesluiten van de Raad onder de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF)
De leden van de JA21-fractie constateren dat Nederland het risico loopt om circa €2,4 miljard aan middelen uit het Herstel- en Veerkrachtplan mis te lopen indien niet tijdig aan alle voorwaarden wordt voldaan. Hoe schat de minister de kans in dat Nederland alle resterende hervormingen tijdig zal afronden?

Het antwoord is samengevoegd met het antwoord op onderstaande vraag.

Kan de minister per hervorming aangeven waar de grootste knelpunten zitten en hoe groot het risico is dat (delen van) de middelen verloren gaan?

Zoals in de brief aan de Kamer van 26 januari 2026 is aangegeven liggen bij de afronding van het HVP de grootste uitdagingen bij drie wetgevingstrajecten die onderdeel zijn van het HVP. De voortgang van deze drie wetgevingsvoorstellen is vertraagd, waardoor er een aanzienlijk risico is dat de HVP-deadline niet gehaald gaat worden. Het betreft de voorstellen voor de Wet Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ), de Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en de Wet versterking regie volkshuisvesting (Wet Regie). Daarnaast is een mijlpaal die ziet op het ontwerpbesluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten afhankelijk van de tijdige publicatie van de Wet Regie. Deze hervormingen dienen op zijn laatst op 31 augustus 2026 gepubliceerd te zijn in het Staatsblad.

Ten aanzien van de BAZ heeft de Raad van State recent een advies uitgebracht. Op grond van dit advies wordt het wetsvoorstel nu voorbereid om aan de Tweede Kamer gezonden te worden. Dit zal zo spoedig mogelijk gebeuren, waarna tijdige parlementaire behandeling van belang is.

Het HVP bevat een mijlpaal betreffende de publicatie en inwerkingtreding van de wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). In het coalitieakkoord Aan de slag wordt voorgesteld om van het Vbar-wetsvoorstel te splitsen, rekening houdend met het tijdspad van Europese verplichtingen, waarbij wordt begonnen met het invoeren van een rechtsvermoeden van werknemerschap, waarna het overgebleven deel van Vbar vervalt en wordt vervangen door de Zelfstandigenwet. De invulling van de mijlpaal dient nog met de Commissie te worden besproken, maar tijdige parlementaire behandeling blijft ook bij deze benadering thans van groot belang.

De Wet versterking regie volkshuisvesting en aanhangende AMvB vergunningsprocedures voor elektriciteitsprojecten zijn vertraagd doordat er een novelle nodig was ter reparatie van niet uitvoerbare of juridisch niet-houdbare amendementen. De wet ligt momenteel in de Tweede Kamer en kan in principe tijdig worden gepubliceerd bij spoedige parlementaire behandeling. De wet staat geagendeerd voor het wetgevingsoverleg op 2 maart. Ook bij dit wetsvoorstel kan verdere vertraging niet worden gepermitteerd in de tijdslijn van het HVP.

Wat zijn de budgettaire consequenties indien Nederland deze middelen niet ontvangt?

Indien alle bovengenoemde wetgevingstrajecten niet tijdig doorgang vinden en zodoende alle bijbehorende mijlpalen niet behaald worden, dan bestaat er voor Nederland een financieel risico oplopend tot ca. €2,4 mld. De inzet blijft om deze financiële consequentie af te wenden door in samenwerking met uw Kamer zorg te dragen voor tijdige behandeling van voorliggende wetsvoorstellen.

Is de minister voornemens hier in de Voorjaarsnota op realistische wijze rekening mee te houden?

Zoals aangegeven zet het kabinet zich in om alle voor Nederland gealloceerde middelen binnen te halen. Een aantal mijlpalen staat echter onder druk. Dit kan er uiteindelijk toe leiden dat Nederland minder middelen zal ontvangen. Er is echter nog tot eind augustus 2026 de mogelijkheid om de HVP-mijlpalen af te ronden. Daarna zal de Europese Commissie een besluit nemen. Het kabinet blijft u regelmatig informeren over de voortgang van het HVP.

De leden van de JA21-fractie wijzen er voorts op dat Nederland per saldo een nettobetaler is aan de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit. Kan de minister aangeven wat er gebeurt met middelen die niet worden benut?

Voor de financiering van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) leent de Europese Commissie namens de Europese Unie middelen op de kapitaalmarkt. Zij doet dit gedurende de looptijd van de HVF en naar gelang de financieringsbehoefte. Als een deel van het HVF-budget uiteindelijk niet wordt benut, hoeft de Europese Commissie voor dit deel geen middelen te lenen op de kapitaalmarkt.


En is de minister bereid zich in te zetten voor het uitgangspunt dat niet-benutte middelen terugvloeien naar netto-betalers?

Als een deel van het HVF-budget uiteindelijk niet wordt benut, hoeft de Europese Commissie voor dit deel geen middelen te lenen op de kapitaalmarkt. Er is dus geen sprake van het terugvloeien van middelen naar netto-betalers.

Informatiepunt SAFE
De leden van de JA21-fractie constateren dat negentien lidstaten hebben ingetekend op SAFE-leningen voor een bedrag van circa €190 miljard, terwijl het afgesproken plafond €150 miljard bedraagt. Deze leden nemen kennis van berichtgeving dat wordt gesproken over een mogelijke uitbreiding van SAFE of een nieuwe leenronde. Deze leden zijn tegen een uitbreiding of nieuwe ronde van SAFE en vinden dat moet worden vastgehouden aan het afgesproken plafond van €150 miljard. Kan de minister bevestigen dat Nederland deze lijn hanteert en zich actief zal verzetten tegen voorstellen om SAFE te verruimen?

Op basis van voorlopige informatie van de Europese Commissie over de bijgestelde allocatie van SAFE-leningen is er vooralsnog geen indicatie dat er voor een groter bedrag leningen zijn aangevraagd dan het vastgestelde maximale bedrag van 150 miljard euro. Op dit moment is er dan ook geen voorstel voor uitbreiding van SAFE.

Deze leden wijzen er daarbij op dat de Kamer met de aangenomen motie 36 800-V, nr. 62 (Hoogeveen/Stoffer) de regering heeft verzocht zich actief te verzetten tegen iedere stap richting structurele gezamenlijke EU-schulduitgifte. Kan de minister toelichten hoe hij deze motie concreet uitvoert in het kader van de discussie over een mogelijke verruiming of nieuwe ronde van SAFE?

Lidstaten zijn primair zelf verantwoordelijk voor hun begroting. Nederland staat daarom niet garant voor de nationale schulden van andere landen, waarvan sprake zou zijn bij Eurobonds. Nederland is daarnaast tegen het structureel financieren van beleidsuitgaven binnen de EU-begroting door middel van gemeenschappelijke schulduitgifte door de EU. Dit is ook niet in lijn met het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Nederland heeft eerder wel ingestemd met – door gemeenschappelijke schulduitgifte gefinancierde – instrumenten die bedoeld waren voor uitzonderlijke en onvoorziene situaties en werden gegarandeerd uit de headroom. Het ging daarbij in alle gevallen om leningen, met uitzondering van het subsidiedeel van het herstelinstrument NGEU. Recente voorbeelden zijn SAFE en leningen aan Oekraïne. Ook bij een eventuele verruiming of nieuwe ronde van SAFE is er nog steeds sprake van inspelen op een uitzonderlijke en onvoorziene situatie, en gaat het om gemeenschappelijke schulduitgifte ten behoeve van leningen, niet beleidsuitgaven (giften).

De leden van de fractie van JA21 hebben daarnaast kennisgenomen van de berichtgeving van Politico waarin de Franse president Macron een pleidooi houdt vóór eurobonds. Hoe ziet de minister de genoemde motie Hoogeveen/Stoffer in het licht van dit voorstel van president Macron?

President Macron heeft gepleit voor meer gemeenschappelijke uitgifte van schuld door de EU ten behoeve van strategische investeringen in specifieke sectoren. Zoals hiervoor opgemerkt is Nederland tegen het structureel financieren van beleidsuitgaven binnen de EU-begroting door middel van gemeenschappelijke schulduitgifte door de EU. Daarvan lijkt in het voorstel van president Macron wel sprake.

Kan toegezegd worden dat het kabinet de wens van de Kamer uitvoert en Nederlandse steun uitsluit voor gezamenlijke EU-leningen voor investeringen in bijvoorbeeld de duurzame transitie, zoals wordt betoogd door de Franse president?

Uitgaande van wat nu bekend is over het voorstel van president Macron, lijkt dit betrekking te hebben op gemeenschappelijke schulduitgifte ten behoeve van beleidsuitgaven binnen de EU-begroting. Dat steunt het kabinet niet.


Uitsluitend indien desondanks toch voorstellen tot uitbreiding of een nieuwe ronde aan de orde komen, vragen deze leden of de minister bereid is zich in te zetten voor strengere voorwaarden.

Nederland heeft zich bij het tot stand komen van SAFE ingezet voor waarborgen gericht op tijdelijkheid, gerichtheid, schuldhoudbaarheid en financiële stabiliteit. Op dit moment is er geen voorstel voor uitbreiding van SAFE.

Kan de minister toezeggen dat Nederland in dat geval zal pleiten voor het uitgangspunt dat alleen lidstaten die voldoen aan het Stabiliteits- en Groeipact in aanmerking komen voor SAFE-leningen, en dat lidstaten met een buitensporig begrotingstekort of een onhoudbare schuldpositie worden uitgesloten?

In lijn met de Nederlandse inzet bevat het SAFE-instrument waarborgen voor schuldhoudbaarheid, doordat de leningen die lidstaten aangaan worden meegerekend in het tekort en de schuld van de lidstaten. Daarmee blijven ze onderdeel van de normen voor, en monitoring van, schuldhoudbaarheid onder het Stabiliteits- en Groeipact. Op dit moment is er geen voorstel voor uitbreiding van SAFE.

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de vergaderingen van de Eurogroep en de Ecofinraad op 16 en 17 februari 2026. Hier hebben deze leden enkele vragen over.

Eurozone aanbeveling 2026
De minister geeft aan dat een van de Nederlandse prioriteiten de voortgang van de kapitaalmarktunie is. Kan de minister aangeven hoe deze waakt voor het (on)bedoeld invoeren van Eurobonds in het kader de kapitaalmarktunie?

Het kabinet is voorstander van verdere integratie van sterke, geïntegreerde kapitaalmarkten zoals uiteengezet in de kabinetsinzet Kapitaalmarktunie. Het Europese concurrentievermogen staat onder druk en er is sprake van sterk achterblijvende productiviteitsgroei. Verdieping en integratie van de Europese kapitaalmarktunie is daarom van essentieel belang. Het kabinet ziet eurobonds als het op structurele basis gemeenschappelijk financieren van elkaars begrotingstekorten en overheidsschulden. Het kabinet is hiervan geen voorstander en waakt voor het invoeren hiervan zoals eerder ook uiteengezet in de beantwoording op Kamervragen VSO Eurogroep-Ecofinraad oktober 2024.

Decharge EU-begroting
Kan de minister aangeven of de Europese Rekenkamer (ERK) ooit positief heeft geoordeeld over een EU-begroting? Kan de minister een tijdlijn verstrekken met de oordelen van de ERK over de jaren heen?

De Europese Rekenkamer (ERK) heeft nog nooit een goedkeurend oordeel afgegeven over de wettigheid en regelmatigheid van de EU-uitgaven als geheel. Sinds de invoering van de huidige controleaanpak in 1994 geeft de ERK jaarlijks een goedkeurend oordeel over de betrouwbaarheid van de rekeningen en doorgaans ook over de ontvangsten, maar over de uitgaven wordt structureel een oordeel met beperking of een afkeurend oordeel afgegeven vanwege een foutenpercentage boven de materialiteitsgrens van 2%.

Hoe vaak is er door een gekwalificeerde meerderheid decharge verleend, ondanks een negatief oordeel van de ERK?

Sinds de invoering van de huidige controleaanpak heeft de Europese Rekenkamer (ERK) nooit een volledig goedkeurend oordeel over de EU-uitgaven afgegeven. Desondanks heeft de Raad in al die jaren – met gekwalificeerde meerderheid – een positief dechargeadvies aan het Europees Parlement vastgesteld.

Kan de minister tevens aangeven hoe vaak er door een gekwalificeerde meerderheid van de Raad geen decharge is verleend voor de EU-begroting?

Het Europees Parlement verleent de daadwerkelijke decharge aan de Europese Commissie over de uitvoering van de Europese begroting. Het is in de geschiedenis twee maal voorgekomen dat het Europees Parlement de Commissie geen decharge verleende. Dit was in 1984 en in 1998. Het ging destijds om meer dan alleen de EU-begroting. In 1998 kende de Commissie Santer diverse corruptieschandelen, fraudegevallen en intern mismanagement, wat uiteindelijk leidde tot het aftreden van deze Commissie.

Wat zijn de consequenties (juridisch, financieel, anderzins) voor Nederland indien er geen decharge wordt verleend?

Indien geen decharge wordt verleend, heeft dit geen directe juridische consequenties voor Nederland: de uitvoering van de EU-begroting en de afdrachten van lidstaten lopen gewoon door. Financieel verandert er op korte termijn ook niets aan de Nederlandse bijdrage aan de EU-begroting. Politiek en bestuurlijk is het signaal echter aanzienlijk, omdat het wijst op onvoldoende vertrouwen in de rechtmatigheid en doelmatigheid van de EU-uitgaven.

De leden van de Groep Markuszower verzoeken de minister om een overzicht te verstrekken van de foutpercentages per land vanaf de eerste EU-begroting tot op heden. Kan de minister, in de loop van de tijd, een patroon ontwaren van landen met structureel hoge foutpercentages?

De Europese Rekenkamer (ERK) rapporteert geen ranglijst per lidstaat en daarom kan er geen overzicht gegeven worden van de foutenpercentages per land.

De leden van de Groep Markuszower merken op dat de ERK een stijgende trend in de financiële impact van onregelmatigheden ontwaart aangaande de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF). Voorts waarschuwen de auditors dat tegen 2027 de uitstaande EU-leningen meer dan 900 miljard kunnen bedragen. Kan de minister aangeven welke risico's hij signaleert aangaande de stijgende trend en welke mitigerende maatregelen worden genomen om toekomstige onregelmatigheden tegen te gaan?

De combinatie van hoge uitgaven, complexe voorwaarden en resultaatgerichte financiering vergroot de kans op fouten en ontoereikende controles. Daarnaast leiden de oplopende EU-leningen en rentelasten tot budgettaire risico’s voor toekomstige EU-begrotingen en indirect voor lidstaten. Ter mitigatie zet Nederland in op strengere controle- en auditmechanismen, een scherpere opvolging van aanbevelingen van de Europese Rekenkamer en verbeterde transparantie in de verantwoording. Ook wordt gepleit voor vereenvoudiging van regels en versterking van nationale controlesystemen. Tot slot benadrukt Nederland het belang van prudent begrotingsbeleid en het beperken van verdere schuldopbouw binnen de EU.

Kan de Minister een overzicht verstrekken van de toename van de gezamenlijke schuld in de Europese Unie in de loop van de afgelopen dertig jaar?

In het verslag van het schriftelijk overleg van 19 januari 202610 is een overzicht gegeven van alle gemeenschappelijke schulduitgifte door de EU en eurozone landen.

Terugkijkend over een langere tijdshorizon was de gezamenlijke uitgifte van schuld aanvankelijk beperkt tot incidentele hulp aan lidstaten, vanaf 1988 in de vorm van de ‘Balance of Payments facility’ waarbij lidstaten financiële steun konden krijgen voor de betalingsbalans. Vanaf 2002 werd dit instrument alleen beschikbaar voor lidstaten buiten de Eurozone.

Vervolgens is in reactie op de financiële crisis het Europees Financieel Stabiliteitsmechanisme (EFSM) en de tijdelijke Europese Financiële Stabiliteitsfaciliteit (EFSF) opgericht, die werd opgevolgd door het permanente Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM) voor eurolanden. Het EFSF en ESM zijn ook vormen van gemeenschappelijke schulden, maar zijn vormgegeven buiten de EU-verdragen. Daarnaast bestaat al langer de macro-financiële bijstand (MFB) voor nabuurlanden.

In reactie op de COVID-19 pandemie zijn het SURE-instrument en het herstelinstrument Next Generation EU (NGEU) opgericht. Sinds 2022 zijn daar het instrument SAFE11; de hervormings- en groeifaciliteiten voor respectievelijk de Westelijke Balkan en Moldavië; macro-financiële bijstand plus (MFB+) voor Oekraïne; de Oekraïne faciliteit; en meest recent het politiek overeengekomen leeninstrument voor Oekraïne bijgekomen. Bij al deze instrumenten gaat het om leningen die de Unie doorleent aan lidstaten of derde landen, met uitzondering van het subsidiegedeelte van NGEU.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle instrumenten die met gemeenschappelijke schulduitgifte worden gefinancierd, op basis van het contingent liabilities report12 van de Europese Commissie per 31-12-2024. Voor SAFE en het recente leeninstrument voor Oekraïne zijn er nog geen uitstaande leningen. Voor de uitstaande leningen en betalingen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit, die het leeuwendeel vormt van het herstelinstrument NGEU is de meest recente stand te vinden op de website van de Europese Commissie.13

Tabel: overzicht van instrumenten die met gemeenschappelijke schulduitgifte worden gefinancierd (op basis van het contingent liabilities report van de Europese Commissie, stand per 31-12-2024)

Instrument Maximale leencapaciteit (mrd. euro) Uitstaand (mrd. euro)
EFSM 45 42
EFSF 240 186
ESM 500 83
Betalingsbalansfaciliteit 50 0
SURE 100 98
NGEU leningen 292 155
NGEU subsidiedeel 421 238
MFB+ Oekraïne 18 18
Oekraïne Faciliteit 33 13
MFB* 16
Groeifaciliteit Westelijke Balkan* 4 -
Groeifaciliteit Moldavië* 2 -
SAFE 150 -
Leeninstrument Oekraïne 90 -

Mondiale onevenwichtigheden en mogelijke herlancering in de context van geo-economische risico’s

De leden van de Groep Markuszower constateren dat het kabinet overschotten en tekorten ziet als een mogelijke uiting van binnenlandse onevenwichtigheden. Kan de minister aangeven hoe hij de lopende rekening van Nederland in dit licht beschouwt, deze kent immers al decennia een overschot?

Nederland heeft structureel een lopende rekening overschot van rond de 10%. Het IMF beoordeelt het Nederlandse overschot in het External Sector Report14 als substantially stronger than fundamentals. Daar liggen inderdaad deels binnenlandse kenmerken aan ten grondslag, zoals relatief hoge besparingen van het bedrijfsleven, een vergrijzende bevolking en een relatief omvangrijk pensioenstelsel. Een studie van DNB uit 201915 laat zien dat het Nederlandse overschot op de lopende rekening, ofwel het spaaroverschot, voornamelijk wordt gedreven door besparingen van niet-financiële bedrijven. Zowel de in Nederland gevestigde (veelal beursgenoteerde) multinationals als het midden- en kleinbedrijf sparen in internationaal perspectief veel. Verder is de Nederlandse economie relatief concurrerend binnen de eurozone, terwijl de wisselkoers de competitiviteit van de eurozone als geheel weerspiegelt. Dat bevordert onze export mogelijk.

Implementatie van het Europees begrotingsraamwerk: defensiefinanciering

De leden van de Groep Markuszower constateren dat de Commissie op 19 maart 2025 heeft voorgesteld om de nationale ontsnappingsclausule binnen de Europese begrotingsregels tijdelijk en gericht te activeren, met als doel om nationale defensie-uitgaven op korte termijn te verhogen. Zeventien landen hebben een aanvraag ingediend voor activatie van de nationale ontsnappingsclausule, voor zestien landen is het reeds goedgekeurd.
Kan de minister aangeven welke overwegingen er voor Nederland zijn om al dan niet een aanvraag voor activatie in te dienen, wat zijn de voordelen dan wel nadelen?

Nederland heeft geen aanvraag gedaan voor activatie van de nationale ontsnappingsclausule, met de gedachte dat een structurele toename in defensie-uitgaven structureel moet worden ingepast binnen de begroting. Hierdoor worden er geen rekeningen doorgeschoven naar toekomstige generaties. Daarbij schrijft het Nederlandse trendmatig begrotingsbeleid ook voor dat additionele intensiveringen ingepast dienen te worden binnen de afgesproken budgettaire kaders. Bij activatie van de nationale ontsnappingsclausule wordt de toename in defensie-uitgaven (ten opzichte van 2021, met een maximum van 1,5% bbp) uitgezonderd van het netto uitgavenpad. Nederland zou echter ook na activatie waarschijnlijk niet voldoen aan het door de Raad aanbevolen uitgavenpad. Bij het besluit geen aanvraag te doen is relevant dat het kabinet in de raming van het Centraal Planbureau de gehele kabinetsperiode binnen de Europese referentiewaarden voor het begrotingstekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp) blijft. Zolang dit het geval is kunnen de Europese Commissie en de Raad geen handhavingsmaatregelen opleggen.

Herstel- en Veerkrachtplan (HVP)
De leden van de Groep Markuszower merken op dat op 31 augustus 2026 uiterlijk hervormingen doorgevoerd moeten worden in het kader van het HVP. De minister voorziet aangaande drie wetgevingstrajecten een aanzienlijk risico op het missen van de deadline. Kan de minister een per wetsvoorstel een concrete inschatting van de potentiële derving, indien Nederland de deadline niet haalt?

Met deze drie genoemde wetgevingstrajecten zijn 5 mijlpalen gemoeid. De Europese Commissie bepaalt de korting volgens een vastgestelde methodologie. Naar verwachting kan de korting voor NL oplopen tot 600 mln. EUR per mijlpaal of doelstelling voor al van deze genoemde hervormingen, gezien hun relevantie voor de landspecifieke aanbevelingen. Met de voorlopige goedkeuring van het derde betaalverzoek heeft Nederland van de €5,4 mld. aan HVF-middelen nog €2,4 mld. te behalen. Er bestaat dus voor Nederland een financieel risico van ca. €2,4 mld. indien alle bovengenoemde wetgevingstrajecten in zijn geheel niet voor 31 augustus worden behaald of vervangen door een minstens zo ambitieus alternatief.

Kan de minister aangeven wat er gebeurt met niet uitbetaalde middelen?

Voor de financiering van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) leent de Europese Commissie namens de Europese Unie middelen op de kapitaalmarkt. Zij doet dit gedurende de looptijd van de HVF en naar gelang de financieringsbehoefte. Als een deel van het HVF-budget uiteindelijk niet wordt benut, hoeft de Europese Commissie voor dit deel geen middelen te lenen op de kapitaalmarkt.

Economische en financiële impact van de Russische agressie tegen Oekraïne
De leden van de Groep Markuszower vernemen graag welke “financing assurences” door Nederland zijn afgegeven. Zijn er reeds concrete financiële toezeggingen gedaan?

Zie eerdere beantwoording van de vraag van de PVV-fractie over financing assurances.

Kan de minister aangeven in hoeverre Nederland tot op heden Oekraïne (indirect) financieel heeft gesteund (inclusief lopende toezeggingen en de Ukraine Support Loan (USL)?

Sinds het begin van de militaire invasie van Rusland op 22 februari 2022 heeft Nederland circa 14,2 miljard euro aan militaire steun en circa 3,5 miljard euro aan uitgaven voor niet-militaire steun toegezegd aan Oekraïne. Nederland heeft in het verleden Oekraïne gesteund met directe leveringen uit eigen militaire voorraad, waaronder het beschikbaar stellen van pantserhouwitsers (PzH 2000) en jachtvliegtuigen (F-16). Daarnaast verstrekt Nederland garanties en leningen. Zo heeft Nederland ingestemd met de Europese Ukraine Support Loan voor militaire steun en begrotingssteun van 90 miljard euro aan Oekraïne.

Oekraïne hoeft de lening pas terug te betalen wanneer Rusland de agressieoorlog beëindigt en Rusland herstelbetalingen aan Oekraïne voldoet. Kan de minsister nader toelichten wat de financiële consequenties zijn indien Rusland nimmer overgaat tot herstelbetalingen?

Indien Rusland geen herstelbetalingen verricht, blijft de terugbetalingsverplichting richting de EU in stand en zal de EU zelf moeten voorzien in rente- en aflossingsverplichtingen. Dat kan leiden tot hogere druk op de EU-begroting en hogere rentelasten. De financiële risico’s worden in laatste instantie gedragen door de EU-begroting en daarmee dus indirect door de lidstaten.

Nieuwe eigen middelen
Kan de minister onderbouwd aangeven waarom het volledig afwijzen van alle nieuwe middelen potentieel zou leiden tot een hogere totale (netto) afdracht voor Nederland?

De reden waarom het afwijzen van alle nieuwe eigen middelen kan leiden tot een hogere netto-afdracht ligt besloten in de werking van het eigenmiddelenbesluit. Daarin is vastgelegd dat de bni-afdracht het sluitstuk is van de afdrachten. Dat betekent dat de bni-afdracht automatisch meebeweegt met de andere afdrachten om ervoor te zorgen dat de EU-begroting altijd in evenwicht is. Indien er een nieuw eigen middel wordt toegevoegd, daalt daardoor automatisch de benodigde bni-afdracht van alle lidstaten samen, met hetzelfde bedrag als het nieuwe eigen middel op EU-niveau in totaal oplevert. De berekening van het netto-effect van een nieuwe eigen middel voor Nederland hangt daarmee af van de vraag of het Nederlandse aandeel in het nieuwe eigen middel hoger of lager is dan het Nederlandse aandeel in de bni-afdracht.

Voor het gehele pakket aan nieuwe eigen middelen zoals door de Commissie is gepresenteerd, geldt dat de toename van afdrachten voor de nieuwe eigen middelen meer dan volledig wordt gecompenseerd door een daling van de bni-afdracht. Daardoor is er per saldo een positief effect op de totale afdracht van 861 mln euro gemiddeld per jaar (in 2028-2034) als het hele pakket wordt aangenomen, doordat de bni-afdracht sterker daalt. Hierover is de Kamer nader geïnformeerd in de beantwoording van het schriftelijk overleg MFK/EMB van 10 november jl. en het verslag Eurogroep/Ecofinraad van december 2025.16

Update Eurotoetreding Bulgarije
Kan de minister aan de leden van de Groep Markuszower aangeven welke financiële risico's, op de korte en de lange termijn, kleven aan de toetreding van Bulgarije tot de muntunie?

Om de financiële risico’s van toetreding tot de eurozone te beheersen, gelden voor landen de zogeheten formele convergentiecriteria: prijsstabiliteit, houdbare overheidsfinanciën, een stabiele wisselkoers en renteconvergentie. De Europese Commissie en de Europese Centrale Bank hebben in hun convergentierapporten van juni 2025 beoordeeld of Bulgarije aan deze criteria voldeed, en geconcludeerd dat dat op dat moment het geval was. De Kamer is hierover geïnformeerd in de nazending van de geannoteerde agenda in juni 202517.

Naast het feit dat Bulgarije voldeed aan de convergentiecriteria, heeft het land bij toetreding tot het Europees Wisselkoersmechanisme (ERM-II) ook toezeggingen gedaan voor verdere hervormingen (de zogeheten post-entry toezeggingen). Deze hervormingen zijn onder meer gericht op het tegengaan van corruptie, het versterken van het anti-witwasraamwerk, het verbeteren van het toezicht op financiële instellingen en de verzelfstandiging van staatsbedrijven. Deze hervormingen zijn essentieel voor de financiële stabiliteit op de lange termijn. De Europese Commissie heeft geoordeeld dat Bulgarije aanzienlijke stappen heeft gezet bij de uitvoering van deze hervormingen.

Digitale Euro

De leden van de Groep Markuszower vernemen dat er in december 2025 een akkoord is bereikt over het pakket voor de gemeenschappelijke munt. Het is nu aan het Europees Parlement (EP) om hierover een positie in te nemen, wanneer dit gebeurt is nog onduidelijk, maar de rapporteur wenst het traject in mei af te ronden.
Kan de minister een tijdlijn verstrekken met belangrijke ijkpunten c.q. mijlpalen inzake de invoering van de digitale euro?

Zoals de leden van de Groep Markuszower opmerken, is het Europees Parlement momenteel nog bezig met de behandeling van het wetsvoorstel over de digitale euro. De rapporteur van het Europees Parlement streeft ernaar om in mei van dit jaar een standpunt in te nemen, maar dit is nog onzeker. Aansluitend zullen de triloogonderhandelingen tussen het Parlement en de Raad onder begeleiding van de Europese Commissie plaatsvinden. De duur van deze onderhandelingen is eveneens moeilijk te voorspellen. Het is de verwachting dat deze trilogen op zijn vroegst eind 2026 worden afgerond, in het geval dat het parlement tot een positie komt in mei.

De ECB heeft de voorbereidingsfase van het digitale euro project intussen verlengd met twee jaar. De ECB heeft dit op 30 oktober jl. aangekondigd, nadat de eerdere voorbereidingsfase, die in november 2023 door het Eurosysteem werd gestart, is afgerond. Een definitief besluit over de invoering van de digitale euro kan door de ECB pas genomen worden nadat er een politiek akkoord is bereikt en het wettelijke kader is vastgesteld. Volgens de planning van de ECB kan vanaf medio 2027 een pilot met de digitale euro van start gaan. In dat scenario zou het Eurosysteem tegen 2029 gereed moeten zijn voor een mogelijke eerste uitgifte. Het uiteindelijke tijdspad is echter afhankelijk van het verdere verloop van de onderhandelingen binnen het Europees Parlement en de triloogfase.

Op welk moment worden er onomkeerbare besluiten genomen en hoe anticipeert de minister hierop?

De leden van de Groep Markuszower vragen daarnaast naar belangrijke beslismomenten in deze tijdlijn. Op 19 december jl. is een Raadsakkoord bereikt, waarmee Nederland heeft ingestemd omdat de compromistekst voldoet aan de belangrijkste waarborgen waar Nederland aandacht voor heeft. Dit was een belangrijk beslismoment. Uw Kamer is hierover per brief geïnformeerd, naast de maandelijkse informatievoorziening over de digitale euro in de verslagen naar aanleiding van de Eurogroep en Ecofinraad.18 Het volgende grote moment van besluitvorming is in de triloogonderhandelingen. Aan het einde van deze onderhandelingen moeten het Europees Parlement en de Europese Raad beiden instemmen met het triloogakkoord. Ik blijf de ontwikkelingen op dit onderwerp nauwlettend volgen en zal uw Kamer hier maandelijks over blijven informeren. Daarnaast zal ik mij in de triloogfase, net als tijdens de Raadsonderhandelingen, inzetten voor strenge waarborgen op het gebied van privacy, niet-programmeerbaarheid en een evenwichtige verdeling van de kosten.


  1. Kamerstukken II 2024/2025, 21 507-07 nr. 2099 (Kabinetsinzet Kapitaalmarktunie)↩︎

  2. Kamerstukken II 2025-2026 22 112 nr.4241 (Fiche: Kapitaalmarktintegratie en Toezichtcentralisatie Pakket (KTP))↩︎

  3. Kamerbrief over industriebeleid met focus | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl↩︎

  4. https://fd.nl/politiek/1585739/nederland-waarschuwt-voor-risicos-van-koop-europees-regels↩︎

  5. https://www.rijksfinancien.nl/memorie-van-toelichting/2024/1SUPP/V/onderdeel/2432140↩︎

  6. Kamerstukken II 2025/26 31934, nr. 99.↩︎

  7. https://fd.nl/financiele-markten/1585704/de-status-van-de-dollar-brokkelt-langzaam-af↩︎

  8. Kamerstukken, vergaderjaar 2025-2026, 36045-267 (Appreciatie van de steunlening aan Oekraïne voor 2026 en 2027)↩︎

  9. Kamerstuk 36 724 - Kamerbrief reactie op voorstellen Meerjarig Financieel Kader en eigenmiddelenbesluit, 12 september 2025↩︎

  10. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-07, nr. 2157↩︎

  11. https://defence-industry-space.ec.europa.eu/eu-defence-industry/safe-security-action-europe_en↩︎

  12. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025DC0781↩︎

  13. https://ec.europa.eu/economy_finance/recovery-and-resilience-scoreboard/disbursements.html↩︎

  14. 2025 External Sector Report: Global Imbalances in a Shifting World↩︎

  15. DNB, 2019, Het spaaroverschot van Nederlandse bedrijven ontrafeld, Occasional Studies, 17-4↩︎

  16. Kamerstukken II 2025/26, 21501-20, nr. 2328 en Kamerstukken II 2025/26, 21501-07, nr. 2156.↩︎

  17. Kamerstukken II 2025, 21 501-07, nr. 2119: Nazending Geannoteerde agenda Eurogroep en Ecofinraad 19 en 20 juni 2025↩︎

  18. Kamerstukken II, 2025-2026, 22112, nr. 4219.↩︎