[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 23 februari 2026

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D07465, datum: 2026-02-16, bijgewerkt: 2026-02-20 11:40, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z02803:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


Inbreng Verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over haar brief van 10 februari 2026 ā€˜Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad (Kamerstuk 21501-32, nr. 1762).

De fungerend voorzitter van de commissie,

Podt

De griffier van de commissie,

Jansma

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

II Antwoord / Reactie van de minister voor Landbouw, Visserij,

Voedselzekerheid en Natuur

III Volledige agenda

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari aanstaande. De koers van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027 is bepalend voor de noodzakelijke transitie naar een duurzame landbouwsector die opereert binnen de grenzen van natuur en milieu. Juist daarom maken deze leden zich zorgen over de signalen dat de huidige voorstellen een stap achteruit betekenen voor de bescherming van ons klimaat en onze biodiversiteit.

De leden van de D66-fractie vragen de minister hoe zij kijkt naar de felle kritiek van onder andere de Duitse ministers van Milieu en Landbouw, die stellen dat de voorstellen voor het GLB 2028-2034 de koppeling tussen landbouw en milieubescherming verzwakken. Deelt de minister de mening dat het schrappen van de eco-regelingen en het afzwakken van milieuverplichtingen, zoals gesuggereerd in het Europees Parlement, de verduurzaming van de sector en dus ook de voortgang op de grote opgaven die er zijn op stikstof, water en klimaat ernstig in de weg staat? Deze leden vragen de minister klip-en-klaar of zij bereid is vast te houden aan de Goede Landbouw- en Milieucondities (GLMC's) als harde voorwaarde voor subsidieverstrekking om te voorkomen dat de positieve milieueffecten van het huidige beleid verloren gaan.

De leden van de D66-fractie maken zich voorts zorgen over de bestuurlijke opzet. Twintig lidstaten pleiten ervoor om grote delen van de verordening voor nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP) over te hevelen naar specifieke GLB-verordeningen om zo de regie volledig bij de landbouwministers te leggen. Deze leden vragen de minister of zij dit initiatief steunt. Kan de minister reflecteren op het risico dat door deze beweging de integrale blik op natuur en milieu naar de achtergrond verdwijnt?

De leden van de D66-fractie wijzen daarnaast op de kritische opinie van de Europese Rekenkamer. De Europese Rekenkamer waarschuwt dat de complexiteit van het NRPP kan leiden tot aanzienlijke vertragingen in de uitbetalingen aan boeren. Hoe beoordeelt de minister dit risico voor de Nederlandse uitvoeringspraktijk? Tevens vragen deze leden naar de budgettaire onduidelijkheid. Terwijl er wordt gesproken over een budget van 300 miljard euro circuleren er bedragen tot wel 500 miljard euro zonder dat dit juridisch is vastgelegd. Hoe verhoudt deze roep om meer budget zich volgens de minister tot de noodzaak om scherpe keuzes te maken voor innovatie en het belonen van blauwgroene diensten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026 en de onderliggende stukken. Hierover hebben deze leden vragen en opmerkingen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ten eerste op welke wijze het kabinet zal zijn vertegenwoordigd. Wat betekent dit voor de vertegenwoordiging van Nederland in de Landbouw- en Visserijraad, ervan uitgaande dat het aanstaande kabinet van D66, VVD en CDA op maandag 23 februari 2026 aan zal treden? Zijn de huidige bewindspersonen vertegenwoordigd of zal er ambtelijke vertegenwoordiging zijn? Is het met dezelfde boodschap als het kabinet-Schoof of zal de vertegenwoordiging zich terughoudend opstellen met oog op het nieuw aantredende kabinet, indien Nederland wordt vertegenwoordigd?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de minister en de staatssecretaris om, gezien de transitie van het ene naar het andere kabinet, uiterst terughoudend te zijn en geen toezeggingen te doen in Europees verband.

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2027

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren het uitblijven van achtergronddocumenten bij dit discussiepunt. Het maakt het voor hen moeilijk te controleren wat er met betrekking tot het GLB wordt besproken, ondanks dat dit grote aandacht verdient. Daarom vragen deze leden de minister om toe te lichten waar zij verwacht dat de beleidsdiscussie over zal gaan. Hebben andere lidstaten al kenbaar gemaakt welke onderwerpen zij zelf aandragen? Wat draagt Nederland uit eigen beweging aan bij de discussie?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken hierbij op dat er reeds kritiek is geuit vanuit verschillende fracties uit het Europees Parlement en verschillende lidstaten over het GLB en het onderbrengen van middelen in het NRPP. Zo is er kritiek op de hoogte van het GLB-budget en twijfel over of landbouwmiddelen dienen te worden ondergebracht in het NRPP of niet. Wat vindt de minister van het voorstel? Ook de Europese Rekenkamer heeft een opinie opgesteld over de nieuwe financieringsmethodiek (Europese Rekenkamer, 9 februari 2026, ā€˜concerning the proposals for a regulation of the European Parliament and of the Council establishing the conditions for the implementation of the Union support to the Common Agriculture Policy for the period from 2028 to 2034 and a regulation amending Regulation (EU) No 1308/2013 as regards the school fruit, vegetables and milk scheme (ā€˜EU school scheme’), sectoral interventions, [..], rules on the availability of supplies in time of emergencies and severe crisis and securities’ (https://www.eca.europa.eu/nl/publications/OP-2026-05)). Hoe reageert de minister op de bevindingen van de Europese Rekenkamer? Welke kritische noten van de Europese Rekenkamer deelt zij en welke niet? Worden deze bevindingen besproken bij de beleidsdiscussie over het GLB?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat de wijze van financiering via het NRPP nog niet definitief is. Er is een reĆ«le kans dat de deadline van 2027 niet wordt gehaald. Ten eerste vragen de leden welke gevolgen het heeft als er vertraging komt. Deze leden vragen of er ter voorbereiding al verschillende scenario’s zijn opgesteld over hoe om te gaan met financiering vanuit het NRPP, hoewel zij constateren dat Nederland terughoudend is terwijl het NRPP nog ter discussie staat. Kan de minister deze met de Kamer delen, indien deze scenario’s zijn opgesteld? Deze leden vragen de minister of zij voornemens is om de NRPP-middelen voornamelijk in te zetten voor het halen van juridische opgaven, zoals het voldoen aan de Natuurherstelverordening en de Kaderrichtlijn Water. Hoe voorziet de minister in een eerlijke verdeling van NRPP-middelen tussen betrokken ministeries? Zijn er al mogelijke verdelingen uitgewerkt en zo ja, kunnen deze met de Kamer worden gedeeld? Hierbij benadrukken deze leden het belang dat landbouw- en natuurbudget via het NRPP alle belangen dient die bij het GLB horen. Hoe ziet de minister de ideale verdeling van budget tussen directe inkomenssteun aan boeren en het versterken van de natuur en bodem?

Diversen visserij

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben grote bezwaren tegen de politieke keuze van de staatssecretaris om af te zien van de conclusies van het Noordzeeoverleg (NZO) voor de invulling van de 1,2 procent van de zeebodem die conform het Noordzeeakkoord nog moet worden gevrijwaard van bodemberoerende visserij (Kamerstuk 33450, nr. 139). In plaats van de breedst mogelijke consensus in het NZO over te nemen, heeft de staatssecretaris besloten om op het allerlaatste moment de kant van de visserijsector te kiezen. Hiermee wordt de stem en de legitimiteit van het NZO volgens deze leden ondermijnd. Deze leden wijzen op de beslisnota bij de desbetreffende brief (Kamerstuk 2026D06224), waarin de staatssecretaris terecht wordt gewezen op de risico’s voor het ondermijnen van het NZO. Tevens hebben de collega-bewindspersonen van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en Klimaat en Groene Groei (KGG) laten weten voorkeur te hebben voor het overnemen van de NZO-conclusies. Kan de staatssecretaris direct op deze punten ingaan en concreet onderbouwen dat zijn keuze om af te wijken van de breedst mogelijke consensus recht doet aan het vertrouwen binnen het NZO, de bescherming van de zeenatuur en de brede belangenafweging die hij samen met de ministers van I&W en KGG dient te betrachten? Hoe reageren de partijen van het NZO op de keuze van de staatssecretaris?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de staatssecretaris om op basis van wetenschappelijke inzichten het afzien van het advies van de NZO-conclusies te rechtvaardigen. Deze leden wijzen erop dat de Kamer geen tijd heeft gekregen om dit voorstel te bespreken en dus niet in debat heeft kunnen gaan over de voor- en nadelen van het doorkruisen van de NZO-conclusies door de staatssecretaris. Tevens wijzen zij erop dat de staatssecretaris zich in demissionaire staat bevindt en terughoudend dient te zijn in het maken van controversiƫle besluiten. Kan de staatssecretaris toezeggen deze invulling van de 1,2 procent niet door te laten gaan en deze keuze aan zijn opvolger te laten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de volgende vragen en opmerkingen naar aanleiding van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van februari 2026.

Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026 - Importquota OekraĆÆne en de positie van de Nederlandse boer
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de analyse van Wageningen Social & Economic Research (WSER) over de uitbreiding van importquota voor agrarische producten uit OekraĆÆne (Kamerstuk 2026D05455). Hoewel de conclusie luidt dat er geen "duidelijke aanwijzingen" zijn dat deze import de prijsvorming of concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw bedreigt, signaleren andere lidstaten zoals Polen wel degelijk grote zorgen over eerlijke concurrentie en wederkerigheid. Kan de minister garanderen dat de Nederlandse belangen niet worden opgeofferd aan geopolitieke doelstellingen en is zij bereid om, als de praktijk weerbarstiger blijkt dan de modellen van de WSER, direct in Brussel aan de rem te trekken voor onze eigen gevoelige sectoren?

Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026, punt 2

Onwerkbare controleverordeningen in de visserij
De leden van de PVV-fractie spreken ten aanzien van de visserijsector hun grote zorgen uit over de implementatie van de Controleverordening en het CATCH-systeem. Tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari jongstleden hebben Nederland en zeven andere lidstaten indringend gewezen op de problemen bij de implementatie van het digitale CATCH-systeem, zoals blokkades van visproducten in havens door de te korte implementatietijd. Een belangrijke oproep, want Nederland is een hele belangrijke importeur van visproducten. De reactie van de Europese Commissie (EC) tijdens deze vergadering was echter weinig tegemoetkomend: zij noemde de lancering van CATCH een groot succes en verwees de lidstaten naar hun eigen verantwoordelijkheid voor het trainen van marktdeelnemers. Kan de staatssecretaris aangeven wat er sinds de oproep op 26 januari 2026 is gebeurd?

CATCH-systeem verder doorontwikkelen

De leden van de PVV-fractie lezen dat Nederland zich in de Landbouw- en Visserijraad heeft aangesloten bij de brede steun voor de oproep om het CATCH-systeem verder door te ontwikkelen. De inzet van de staatssecretaris is erop gericht dat er een systeem komt dat werkbaar is voor importeurs en exporteurs, om de huidige blokkades in havens op te heffen. Hoewel de EC stelt dat de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor de training, blijft Nederland aandringen op technische oplossingen vanuit Brussel om de disproportionele gevolgen voor de sector te beperken. Wat gaat de staatssecretaris doen om te garanderen dat er een werkend systeem komt?

Vissers worden disproportioneel gestraft
De leden van de PVV-fractie vinden het onaanvaardbaar dat vissers disproportioneel worden gestraft voor kleine foutmarges (onder de 50 kilogram) en dat het digitale CATCH-systeem zonder fatsoenlijke overgangsfase wordt doorgedrukt met blokkades in havens tot gevolg.
Waarom heeft de minister in de Landbouw- en Visserijraad ingestemd met het standpunt dat er ā€˜geen juridische ruimte’ is voor een overgangsfase, terwijl onze vissers hiermee feitelijk met de rug tegen de muur worden gezet?

Betaalbaarheid van meststoffen en CBAM
De leden van de PVV-fractie steunen de oproep van Oostenrijk en andere lidstaten om de negatieve effecten van het Europese Unie (EU)-douanebeleid en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) op de prijzen van kunstmest te mitigeren. De Nederlandse boeren kampen met torenhoge productiekosten. Het is dan ook onbegrijpelijk dat het kabinet slechts een ā€˜studievoorbehoud’ plaatst bij voorstellen om de CBAM-toepassing op kunstmest tijdelijk op te schorten. Is de minister bereid om zich in de komende Landbouw- en Visserijraad onvoorwaardelijk achter de eis voor opschorting van deze extra lasten te scharen om de voedselproductie betaalbaar te houden?

SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen januari 2026 – punt 3: Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen (TFA)
De leden van de PVV-fractie zijn zeer kritisch op het besluit van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) om 46 gewasbeschermingsmiddelen tussentijds te herbeoordelen vanwege de metaboliet trifluororazijnzuur (TFA). Terwijl de EC het reguliere proces wil afwachten, kiest Nederland voor een nationale kop die de beschikbaarheid van essentiĆ«le middelen voor onze akkerbouwers ernstig in gevaar brengt. Kan de minister bevestigen dat deze ā€˜zorgvuldige herbeoordeling’ niet zal leiden tot een kaalslag in het middelenpakket voordat er volwaardige alternatieven zijn en hoe verhoudt dit zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen de EU?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor de Landbouw- en Visserijraad in februari 2026 en hebben enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat diverse GLB-bepalingen worden ondergebracht in de voorgestelde NRPP-verordening in het kader van de herziening van het GLB. Twintig lidstaten hebben voorgesteld om een aantal van deze bepalingen over te hevelen naar de GLB- of gemeenschappelijke marktordeningen (GMO)-verordening, afhankelijk van waar deze inhoudelijk het beste passen. Nederland is geen medeondertekenaar van dit voorstel. Deelt de minister de zorg dat opname van GLB-bepalingen in het generieke NRPP-kader de gerichte uitwerking en effectiviteit van het GLB, waaronder eco-regelingen en agromilieumaatregel, kan verzwakken?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de opinie van de Europese Rekenkamer over het onderbrengen van de GLB-gelden onder het NRPP. Deze leden delen de zorg dat deze verschuiving, in combinatie met mogelijk ruime nationale cofinanciering in sommige landen en beperkte harmonisatie zonder plafond, kan leiden tot toenemende verschillen tussen lidstaten en daarmee een ongelijk speelveld. Hoe beoordeelt de minister deze waarschuwing en deelt zij de zorg dat de verschuiving kan leiden tot verstoring van het speelveld?

De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat er in de sector terughoudendheid kan zijn in het melden van oneerlijke handelspraktijken vanwege de angst voor de gevolgen van deze melding voor de ondernemer. Deze leden zien het belang van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (OHP) en zien daarom ook graag dat deze dusdanig wordt benut dat het haar doel behaalt. Wat wil de minister doen aan meer kennis over en bewustwording rondom de Richtlijn OHP zodat boeren minder terughoudend zijn in het gebruik ervan?

De leden van de CDA-fractie hechten veel belang aan leefbaarheid in het landelijk gebied en de ontwikkeling van het platteland. Kan de minister aangeven wat de inzet van Nederland is in de onderhandelingen over het GLB voor 2028 tot en met 2035 op het onderwerp plattelandsontwikkeling?

De leden van de CDA-fractie vinden de inzet op generatievernieuwing in de GLB-onderhandelingen relevant en zien de waarde daarvan. Deze leden zien graag dat generatievernieuwing en het stimuleren van jonge boeren hoog op de agenda van de Nederlandse inbreng staat. Voor deze leden is de positie van de vrouw in de landbouw en in het landelijk gebied nauw verbonden met generatievernieuwing. In het GLB wordt dit thema daarom als onderdeel van de brede doelstellingen erkend. Kan de minister aangeven wat de inzet van Nederland is in de onderhandelingen over het GLB voor 2028 tot en met 2035 op het de inzet voor generatievernieuwing en de positie van de vrouw?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek van BuRo naar de risico’s van geĆÆmporteerde rozen uit niet-EU landen voor mens en milieu. Het hanteren van verschillende normen kan leiden tot een ongelijk speelveld op de markt, waarbij Europese producenten worden benadeeld. Tevens blijkt dit te leiden tot verstoring in het afvalverwerkingssysteem wat schadelijk is voor de kwaliteit van ons compost en de circulaire economie. Tijdens het vragenuur van 10 februari 2026 was hier ook al aandacht voor. Is de minister bereid zich in te zetten voor het instellen van dezelfde normen voor residuen van gewasbeschermingsmiddelen in de productie buiten de EU als voor binnen de EU?

De leden van de CDA-fractie vinden het belangrijk dat er duidelijkheid is over de inzet van Nederland op het instellen van gelijke normen voor residuen van gewasbeschermingsmiddelen in de productie buiten de EU. Welke concrete actie gaat de minister hiertoe ondernemen en wat zal zij doen om de naleving van de regels ook te waarborgen?

De leden van de CDA-fractie vragen de minister ook of zij wil onderzoeken hoe importeurs van snijbloemen medeverantwoordelijk kunnen worden gemaakt voor risico’s en kosten die ontstaan wanneer residuen via de afval- en compostketen in het milieu terechtkomen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026. Deze leden hebben daarover nog een aantal vragen.

De leden van de BBB-fractie maken zich veel zorgen over de overheveling van het GLB naar NRPP. Op dit moment helpen GLB-gelden agrariƫrs en samenlevingen te verduurzamen dankzij eco-regelingen en GLMC's. Bovendien is het geld daadwerkelijk beschikbaar voor de landbouwsector.
Door de gepresenteerde voorstellen zou grote vertraging kunnen ontstaan in uitbetalingen, omdat de complexe systematiek veel besluitvorming op nationaal niveau vraagt. Bovendien is maar een zeer klein deel van het budget geoormerkt voor GLB, waardoor volstrekt onduidelijk is hoeveel geld daadwerkelijk bij de landbouwsector terecht zal komen, zoals dat is bedoeld. Kan de minister hierop reflecteren en ziet zij mogelijkheden om dit risico te verkleinen? Hoe gaat de minister voorkomen dat de complexere GLB‑structuur leidt tot vertragingen in betalingen aan Nederlandse boeren? Welke maatregelen neemt zij om te zorgen dat Nederlandse agrariĆ«rs niet verdwaald raken in nog meer administratieve lagen en nationale regels? Twintig lidstaten hebben een voorstel gedaan om een groot deel van de NRPP-verordening over te hevelen naar de specifieke GLB-verordeningen. Daarmee willen zij de verantwoordelijkheid voor de verdeling weghalen bij individuele lidstaten en neerleggen bij de landbouwministers in de Landbouw- en Visserijraad. Hoe kijkt de minister naar dit voorstel? Kan zij daarnaast toelichten waarom Nederland het voorstel niet heeft gesteund?

De leden van de BBB-fractie hebben ook het advies van de Europese Rekenkamer gelezen over de gepresenteerde GLB-voorstellen. Dat advies is zeer kritisch en waarschuwt voor een veel grotere kans op oneerlijke concurrentie door de mate van flexibiliteit voor individuele lidstaten. Deze leden zien dat er op dit moment in veel gevallen voor Nederlandse agrariĆ«rs problemen zijn met oneerlijke concurrentie doordat in Nederland bepaalde regels strenger zijn dan in andere Europese lidstaten en vrezen dat nog meer oneerlijke concurrentie een groot risico vormt voor de voedselproductie in Nederland. Kan de minister hierop reflecteren en herkent zij de risico’s die door de Rekenkamer worden geschetst? Hoe gaat de minister voorkomen dat Nederlandse boeren op achterstand komen te staan als andere lidstaten ruimhartigere invulling geven aan steun, vergroening of uitzonderingen? Wat is de Nederlandse inzet richting de EC om te zorgen dat er duidelijke minimumkaders komen voor cruciale definities zoals ā€˜actieve landbouwer’? Hoe gaat de minister monitoren dat Nederlandse belangen beschermd blijven wanneer andere lidstaten de geboden flexibiliteit maximaal benutten?

De leden van de BBB-fractie hebben ook een aantal vragen over de gevolgen van de uitbreiding van de importquota voor agrarische producten uit OekraĆÆne voor de Nederlandse markt. Deze leden zien dat zeker de import van pluimveevlees en eieren vanuit OekraĆÆne de afgelopen jaren fors is toegenomen. Kan de minister toelichten hoe wordt voorkomen dat de aanzienlijke importaandelen van OekraĆÆense pluimveevlees‑ en eierproducten (die inmiddels respectievelijk circa 45 procent en 73 procent uitmaken van de totale Nederlandse import uit niet EU-landen) de positie van Nederlandse producenten structureel verzwakken? Kan de minister een reflectie geven op de risico’s voor de Nederlandse pluimveesector nu die importvolumes van OekraĆÆens pluimveevlees in tien jaar meer dan verviervoudigd zijn?

De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de productiestandaarden waaronder deze producten zijn geproduceerd. Kan de minister specifiek aangeven hoe wordt gecontroleerd dat OekraĆÆense pluimveebedrijven daadwerkelijk voldoen aan de EU‑dierenwelzijnsnormen, waarvan de implementatie volgens de notitie juist aanzienlijke investeringen vergt en voor veel OekraĆÆense bedrijven niet realistisch lijkt op korte termijn? Hoe beoordeelt de minister het risico dat producten uit OekraĆÆne worden geproduceerd met (diergenees)middelen die in de EU verboden zijn, terwijl de notitie aangeeft dat naleving en controlecapaciteit in OekraĆÆne aanzienlijk moet worden opgebouwd? Wat zijn de risico’s voor introductie van multiresistente bacteriĆ«n in Nederland als bij OekraĆÆens pluimvee antibiotica zijn gebruikt die in Nederland niet mogen worden gebruikt? Hoe beoordeelt u het risico dat de economische voordelen van OekraĆÆense export vooral liggen bij een klein aantal grote agro-concerns?

De leden van de BBB-fractie vragen aan de staatssecretaris of hij al heeft gesproken met andere landen over de uitvoering van de motie van het lid Van der Plas (BBB) over kleinschalig internationaal pulsonderzoek (Kamerstuk 21501-32, nr. 1738).

De leden van de BBB-fractie constateren dat sinds 10 januari 2026 het gebruik van CATCH is verplicht voor de import van visproducten uit derde landen en dat tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari jongstleden negentien lidstaten hun zorgen hebben uitgesproken over het functioneren van dit systeem. Deze leden vragen de staatssecretaris wat er sinds deze gezamenlijke oproep concreet is gebeurd om CATCH te vereenvoudigen, te stabiliseren en werkbaar te maken? Welke mitigerende maatregelen worden per direct getroffen om te voorkomen dat viszendingen in Nederlandse havens vaststaan als gevolg van problemen in andere lidstaten? Herkent de staatssecretaris de signalen dat EU-gevestigde expediteurs volledig aan de verplichtingen moeten voldoen terwijl zij afhankelijk zijn van gegevens van niet-EU exporteurs die zes maanden extra implementatietijd hebben? Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze ongelijke situatie? Is de staatssecretaris bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke overgangsregeling, gedifferentieerde handhaving of een pragmatische noodoptie zoals tijdelijk parallel gebruik van nationale systemen bij aantoonbare storingen? Welke concrete verbeteringen zijn sinds de laatste release doorgevoerd? Wil de staatssecretaris samen met de sector het initiatief nemen voor een fysiek overleg met de EC over knelpunten en verbeterdoelen? Hoe staat het met de interoperabiliteit met belangrijke derde landen?

De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de implementatie van de toegestane foutmarge tussen vangstschatting aan boord en weging aan land, met name bij vangsten onder de 50 kilogram. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe hij de zorgen beoordeelt dat kleine afwijkingen, door bijvoorbeeld weegonnauwkeurigheid, snel als ernstige inbreuk worden aangemerkt. Is de staatssecretaris bereid zich in te zetten voor een herijking of technische oplossing waardoor kleine vangsten niet disproportioneel tot overtredingen leiden? Hoe wordt een gelijk speelveld tussen lidstaten gewaarborgd bij de toepassing van deze tolerantieregels?

De leden van de BBB-fractie constateren dat in de Landbouw- en Visserijraad is gesproken over de zogenoemde blauwe bio-economie en vragen de staatssecretaris wat hieronder concreet wordt verstaan. Omvat dit ook de hoogwaardige benutting van visafval, bijvangst en andere reststromen? Welke Nederlandse en Europese initiatieven lopen er om deze stromen beter te verwaarden? Welke juridische of praktische belemmeringen ziet de staatssecretaris daarbij?

De leden van de BBB-fractie vragen welke stappen Nederland zet richting derde landen die niet-duurzame visserij toelaten of adviezen van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) en de Total Allowable Catch (TAC) overschrijden. Is de staatssecretaris bereid te pleiten voor proportionele maar effectieve maatregelen wanneer landen structureel internationale afspraken niet naleven? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse vissers strenger worden beperkt dan concurrenten uit derde landen zodat het gelijk speelveld behouden blijft?

De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat het combineren van meerdere passieve tuigen binnen ƩƩn visreis in de praktijk niet mogelijk is. Deze leden vragen de staatssecretaris of het klopt dat het gelijktijdig inzetten van meerdere passieve tuigen momenteel niet is toegestaan en zo ja, op basis van welke bepaling. Bestaat er binnen de huidige Europese regelgeving ruimte voor experimenten of pilotprojecten met name voor de kleinschalige visserij? Is de staatssecretaris bereid in Brussel te verkennen of verruiming mogelijk is mits controleerbaarheid en quota-administratie geborgd blijven? Kan worden onderzocht of dergelijke combinaties bijdragen aan selectiever vissen, minder brandstofgebruik en een sterker verdienmodel?

De leden van de BBB-fractie vragen wat de actuele stand van zaken is rond de evaluatie en uitvoering van de aanlandplicht en de problematiek van choke species. Hoe verhoudt de aanlandplicht zich tot de Europese doelstelling om voedselverspilling te beperken wanneer ondermaatse vis verplicht moet worden aangeland, maar niet hoogwaardig kan worden benut? Is de staatssecretaris bereid dit onderwerp opnieuw in de Landbouw- en Visserijraad te agenderen met voorstellen voor praktische verbeteringen en lagere administratieve lasten?

De leden van de BBB-fractie vragen wat de stand van zaken is rond aanpassingen van Realtime Closed Areas. Welke criteria en data worden daarbij gebruikt? Hoe worden economische gevolgen meegewogen? Wordt bij besluiten over sluitingen nadrukkelijk gekeken naar proportionaliteit en veiligheid op zee?

De leden van de BBB-fractie constateren dat het voorzorgsbeginsel een steeds grotere rol speelt in Europese besluitvorming en vragen hoe dit beginsel momenteel wordt toegepast in het visserijbeleid. Acht de staatssecretaris deze toepassing proportioneel en werkbaar? Is de staatssecretaris bereid te pleiten voor transparantere onderbouwing en impacttoetsen? Wat zijn de laatste ontwikkelingen rond de Natuurherstelwet en de gevolgen voor visserij en aquacultuur? Welke inzet pleegt Nederland om uitvoerbaarheid en proportionaliteit te waarborgen?

De leden van de BBB-fractie vragen of in lijn met de motie van het lid Boomsma (Kamerstuk 21501-32, nr. 1752) er mag worden gelost in de haven van Terschelling.

De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over het voornemen van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om, naar aanleiding van de infractieprocedure van de EC, de bestaande correctie op water- en ijsgewicht bij de weging van visserijproducten per 2026 te beĆ«indigen. In de praktijk wordt op de visafslag eerst het zichtbare ijs verwijderd vóór weging. Vervolgens wordt, afhankelijk van de vissoort, een beperkte correctie van 2 tot 5 procent toegepast voor lekwater en resterend ijs. Deze systematiek zorgt ervoor dat uitsluitend het daadwerkelijke visgewicht ten laste komt van het quotum. Vergelijkbare werkwijzen worden ook in andere EU-lidstaten toegepast. Het schrappen van deze correctie betekent feitelijk een structurele reductie van 2 tot 5 procent van de vangstmogelijkheden voor de kottervisserij, omdat watergewicht dan met schaars quotum moet worden ā€˜betaald’. Dit leidt tot aanzienlijke economische schade en kan bovendien zorgen voor grotere afwijkingen tussen logboekgegevens en het gewogen gewicht op de visafslag, met risico op sancties en strafpunten. De sector heeft aangeboden om samen met het ministerie van LVVN te werken aan een wetenschappelijke onderbouwing van het toegepaste percentage watercorrectie, zodat, indien nodig, regelgeving hierop kan worden aangepast. Erkent de staatssecretaris dat het schrappen van de watercorrectie in de praktijk neerkomt op een generieke quotumreductie van 2 tot 5 procent? Klopt het dat ook andere EU-lidstaten een vorm van watercorrectie toepassen en hoe wordt daar binnen de controleverordening mee omgegaan? Is de staatssecretaris bereid dit punt in Europees verband aan te kaarten en in te zetten op een werkbare oplossing? Is hij bereid de huidige werkwijze tijdelijk te laten voortbestaan in afwachting van een wetenschappelijke onderbouwing? Voor de kottersector is het onacceptabel dat, bovenop de ICES-gebaseerde vangstadviezen, nog eens tot 5 procent van de vangstmogelijkheden verloren gaat door het meetellen van watergewicht. Deze leden vragen de staatssecretaris dit punt nadrukkelijk onder de aandacht te brengen.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorgenomen rapportage in het kader van de Habitatrichtlijn en de toepassing van de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiekbij de beoordeling van de kwaliteit (Structuur en Functie) van habitattype H1110 (permanent overstroomde zandbanken). Deze leden constateren dat Nederland in 2020 aan de EC heeft gerapporteerd dat de staat van instandhouding van H1110 in een slechte staat verkeert, terwijl dit tot 2019 als matig ongunstig werd beoordeeld.

De leden van de BBB-fractie constateren dat de verslechtering samenvalt met de eerste toepassing van de BISI-methodiek in de rapportage. Deze leden begrijpen dat deze index sterk afhankelijk is van gekozen referentiewaarden per indicatorsoort en dat deze referentiewaarden in belangrijke mate zijn gebaseerd op theoretische, door experts vastgestelde dichtheden die zouden kunnen voorkomen in een volledig ongestoorde situatie. Daarbij is in veel gevallen uitgegaan van de hoogste gemiddelde dichtheid in de afgelopen 30 jaar. Deze is vervolgens verhoogd met een standaarddeviatie of zelfs verdubbeld, indien experts verwachtten dat bij het wegvallen van bodemberoering verdere stijging mogelijk zou zijn.

De leden van de BBB-fractie vragen de staatssecretaris waarom Nederland vooruitloopt met een eigen methodiek die in Europees verband niet is gevalideerd. Kan de staatssecretaris aangeven of de BISI-methodiek formeel is goedgekeurd binnen de EU-kaders voor de Habitatrichtlijnrapportage, of dat sprake is van een nationale invulling die verder gaat dan hetgeen Europees is voorgeschreven?Waarom is gekozen voor een methodiek waarvan volgens een aantal wetenschappers de referentiewaarden wetenschappelijk onvoldoende zijn onderbouwden mogelijk niet Europees standhouden, indien sprake is van een nationale keuze?

De leden van de BBB-fractie vragen of daadwerkelijk sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding van habitattype H1110 of dat de gewijzigde beoordeling uitsluitend het gevolg is van de toepassing van een nieuwe beoordelingsmethodiek met aangepaste maatlatten. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken hoe de staat van instandhouding zou zijn beoordeeld indien de eerdere methodiek was toegepast op de meest recente gegevens? Is er ecologisch aantoonbaar sprake van achteruitgang in soortensamenstelling, dichtheden of functioneren van het bodemecosysteem, los van de methodische wijziging?

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de gehanteerde maatlat reeds formeel is vastgesteld als nationaal beoordelingskader, dan wel of de ontwikkeling van indicatoren en maatlatten primair in EU-kader plaatsvindt en nog onderwerp is van afstemming en validatie. Is hier mogelijk sprake van een voorbarige nationale toepassing? Op welke wijze wordt geborgd dat nationale beoordelingssystematieken aansluiten bij Europese richtsnoeren en onderlinge vergelijkbaarheid tussen lidstaten waarborgen?

De leden van de BBB-fractie vragen ten aanzien van de referentiewaarden in hoeverre het hanteren van opgehoogde maximumwaarden mede gelet op de grote natuurlijke fluctuaties in bodemfauna, zoals bij het nonnetje wetenschappelijk verdedigbaar is. Acht de staatssecretaris het realistisch om referentiewaarden vast te stellen die substantieel boven historisch gemeten maxima liggen? In hoeverre wordt rekening gehouden met natuurlijke variatie, klimaatgerelateerde fluctuaties en langjarige cycli in populatieontwikkeling?

De leden van de BBB-fractie vragen of de staatsecretaris bereid is om Wageningen Marine Research (WMR) of een andere onafhankelijke wetenschappelijke instantie te laten onderzoeken of de gehanteerde referentiewaarden wetenschappelijk robuust en realistisch zijn vastgesteld en of de keuze voor (opgehoogde) maximumwaarden als referentie ecologisch en statistisch te rechtvaardigen is. Kan de staatssecretaris toezeggen dat een dergelijke onafhankelijke toetsing plaatsvindt vóórdat opnieuw aan Brussel wordt gerapporteerd en voordat op basis van deze methodiek vergaande beperkende maatregelen voor de visserij worden genomen?

De leden van de BBB-fractie constateren dat voor twinrig-netten een verplichting geldt om een paneel met vierkante mazen in te bouwen. Deze maatregel maakt onderdeel uit van het kabeljauwherstelplan en is vastgelegd in Europese regelgeving onder het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). In de praktijk blijkt het paneel nauwelijks effectief in de huidige situatie op de Noordzee. Tegelijkertijd veroorzaakt het aanzienlijke nadelen voor vissers: extra kosten bij het maken van nieuwe netten, extra werk, vervorming van het net tijdens gebruik, versnelde slijtage en schade die moeilijk tot niet te repareren is doordat het net geen traditionele knopen heeft. Het paneel trekt het net uit verband en zorgt ervoor dat het net ongelijk gaat werken. Waarom is dit vierkante-mazenpaneel verplicht gesteld en door wie is deze verplichting precies opgelegd? Op basis van welke onderbouwing en actuele gegevens wordt deze maatregel nog steeds gehandhaafd? Is hier sprake van gold-plating van Europese regelgeving door Nederland? Kan deze verplichting opnieuw worden beoordeeld, mede in het licht van de huidige stand van de kabeljauwpopulatie en de veranderde situatie op de Noordzee? Is de staatssecretaris bereid om toe te zeggen dat deze maatregel opnieuw wordt bekeken en geƫvalueerd op nut en noodzaak, juist omdat deze in de praktijk nauwelijks effectief blijkt en de sector wel degelijk op extra kosten jaagt? Kan, indien er behoefte is aan aanvullende onderbouwing, ruimte worden geboden voor praktijkgericht vergelijkend onderzoek waarbij met Ʃn zonder vierkante-mazenpaneel wordt gevist om op basis van actuele gegevens de effectiviteit van deze maatregel vast te stellen?

II Antwoord / Reactie van de minister

III Volledige agenda

Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026

Kamerstuk 21501-32-(2026Z02803 - Brief minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 10 februari 2026

Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026

Kamerstuk 21501-32-1761 - Brief minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 04-02-2026

SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen januari 2026

Kamerstuk 27858-739 - Brief minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 19-01-2026

Onderzoek BuRo naar risico's van geĆÆmporteerde rozen uit niet-EU landen voor mens en milieu

Kamerstuk 27858-740 - Brief minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 21-01-2026

Fiche: Mededeling bio-economie strategie

Kamerstuk 22112-4238 - Brief minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel, d.d. 23-01-2026

Kwartaalrapportage lopende EU-wetgevingshandelingen Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur vierde kwartaal 2025

Kamerstuk 22112-4267 - Brief minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 9 februari 2026