[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Kamerstuk 28973-288)

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D07994, datum: 2026-02-19, bijgewerkt: 2026-02-19 15:15, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z03513:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Met deze brief beantwoord ik de vragen van de leden van de fracties van de PVV, CDA, BBB, SGP en PvdD in de Tweede Kamer die zijn gesteld tijdens het schriftelijk overleg van 6 februari jl. over de brief ‘Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties’ van 12 januari 20261. De leden van de fractie van de VVD hebben aangegeven voor nu geen aanvullende vragen te hebben.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken met betrekking tot de Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties. Deze leden hebben geen aanvullende vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de start van de internetconsultatie voor de Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr). Deze leden constateren dat het kabinet opnieuw inzet op bedrijfsbeëindiging, terwijl fundamentele knelpunten in het stikstof- en vergunningenbeleid onopgelost blijven. Dit roept bij deze leden ernstige vragen op over de vrijwilligheid, doelmatigheid en rechtsstatelijke onderbouwing van deze regeling.

Vrijwilligheid of verkapte dwang

De leden van de PVV-fractie constateren dat de regeling als vrijwillig wordt gepresenteerd, terwijl boeren tegelijk worden geconfronteerd met vergunningsonzekerheid, handhavingsdreiging en juridisch stilstaand beleid. Hoe kan de minister volhouden dat er sprake is van echte vrijwilligheid, zolang boeren geen reëel perspectief hebben op legalisatie en voortzetting van hun bedrijf?

Antwoord

Het kabinet heeft in de afgelopen periode stevige inzet getoond door de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel in te stellen, die een startpakket en een vervolgpakket gemaakt heeft, om van het stikstofslot te komen. Zo werkt het kabinet ook aan toekomstperspectief voor blijvers. Wanneer veehouders desondanks zelf besluiten dat ze willen stoppen, bijvoorbeeld omdat ze geen bedrijfsopvolger hebben, kan een vrijwillige beëindigingsregeling uitkomst bieden.

Uitkoop als standaardoplossing

De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet opnieuw kiest voor bedrijfsbeëindiging in plaats van het oplossen van de kernproblemen: vastgelopen vergunningverlening en juridisering van het stikstofbeleid. Waarom zet het kabinet opnieuw in op het uitkopen van boeren, in plaats van eerst te zorgen voor rechtszekerheid en toekomstperspectief voor bedrijven die willen doorgaan?

Antwoord

De landelijke Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) is bedoeld voor veehouders die zelf besluiten dat ze willen stoppen, bijvoorbeeld omdat ze geen bedrijfsopvolger hebben. Het kabinet werkt daarnaast breed aan het op gang krijgen van de vergunningverlening. Daarom heeft het kabinet de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel ingesteld, die een startpakket en een vervolgpakket heeft gemaakt dat is gericht om van het stikstofslot te komen.

Onduidelijke doelmatigheid

De leden van de PVV-fractie constateren dat het voor de Kamer niet inzichtelijk is welk stikstofeffect met deze regeling daadwerkelijk wordt behaald en tegen welke kosten. Kan de minister aangeven hoeveel stikstofreductie met deze regeling wordt verwacht, hoeveel bedrijven naar verwachting zullen deelnemen en wat de kosten per mol reductie zijn?

Antwoord

De Vbr is een vrijwillige subsidieregeling. Dit maakt dat het lastig is om op voorhand te kwantificeren wat het mogelijke doelbereik is. De daadwerkelijke stikstofreductie zal, onder andere, afhankelijk zijn van het aantal en type bedrijven dat uiteindelijk zal deelnemen aan de regeling. Het huidige kabinet heeft ervoor gekozen om te sturen op stikstofemissiereductie en de Vbr draagt als zodanig bij aan dit doel. Bij volledige benutting van het beschikbare budget wordt de opbrengst van de Vbr ingeschat op 1,2 tot 1,5 kiloton ammoniakreductie, onder voorbehoud van voorgenoemde onzekerheden.

Brussel vóór de Kamer

De leden van de PVV-fractie constateren dat de regeling op korte termijn ter pre-notificatie wordt aangeboden aan de Europese Commissie, terwijl de Kamer hierover nog niet inhoudelijk heeft gedebatteerd. Waarom kiest de minister ervoor Brussel voorrang te geven boven het parlement en welke beleidsruimte resteert de Kamer nog na pre-notificatie?

Antwoord

Sinds mijn aantreden heb ik met uw Kamer regelmatig van gedachten gewisseld over de opzet en het tijdpad van de Vbr, zowel in debatten als in schriftelijk overleg. Tevens heb ik uw Kamer bij brief van 19 september 2025 op de hoogte gesteld van de voorgenomen opzet van de Vbr2, verder aangevuld in mijn brief van 19 december 20253, waarin ik ook mijn inzet kenbaar heb gemaakt om de prenotificatie van de conceptregeling bij de Europese Commissie zo snel mogelijk in 2026 te starten. Dit met het oog op een zo spoedig mogelijke publicatie en openstelling van de regeling.

Lessen uit eerdere regelingen

De leden van de PVV-fractie constateren dat eerdere beëindigingsregelingen trage uitvoering, complexe voorwaarden en langdurige onzekerheid voor boeren kenden. Welke concrete verbeteringen zijn doorgevoerd ten opzichte van eerdere regelingen en kan de minister garanderen dat deelnemers niet opnieuw vastlopen in langdurige procedures?

Antwoord

Ik herken mij niet in het geschetste beeld van de PVV-fractie. Bedrijfsbeëindiging is een complex proces waarbij ondernemers voor grote beslissingen staan. Dit vraagt dus ook om zorgvuldige processen. Eerder heb ik uw Kamer bij brief van 15 juni 20254 geïnformeerd over uitdagingen die zich in de uitvoering van voorgaande landelijke beëindigingsregelingen hebben voorgedaan en hoe hierop geanticipeerd is. Bij de vormgeving van de Vbr is er zoveel mogelijk rekening gehouden met deze ervaringen. Het kan echter niet gegarandeerd worden dat er bij het complexe proces van bedrijfsbeëindiging in individuele gevallen situaties ontstaan waar op voorhand niet op geanticipeerd is. Dergelijke gevallen kunnen namelijk ook door bijvoorbeeld gerechtelijke uitspraken ontstaan. Door tijdens de uitvoering van de Vbr in goed contact blijven met RVO, zaakbegeleiders, sectorpartijen en medeoverheden blijf ik, net zoals ik bij de Lbv-regelingen heb gedaan, de vinger aan de pols houden. En waar nodig zal ik in goede samenspraak met de uitvoering, zaakbegeleiders en decentrale overheden steeds onderzoeken of er voor deze gevallen oplossingen mogelijk zijn.

Risico-inventarisatie bij beleid dat afwijkt van het EU-beleid

De leden van de PVV-fractie zijn voor de instandhouding van de Nederlandse boeren en daarmee ook voor de Nederlandse voedselzekerheid. Deze leden vinden dan ook dat dit leidend moet zijn. Graag zouden deze leden een concrete reactie van de minister ontvangen met alle risico’s en mogelijke gevolgen wanneer de Nederlandse regering echt achter de boeren gaat staan en daarmee geen gehoor geeft aan de onwerkbare beperkingen die Brussel ons oplegt.

Antwoord

Het kabinet vindt het belangrijk om boeren perspectief te geven. Ik heb mij hier de afgelopen tijd hard voor gemaakt. Dat betekent ook dat er soms stevige gesprekken met de Europese Commissie noodzakelijk zijn. Die gesprekken gaat het kabinet niet uit de weg. We doen dit vanuit het belang van Nederland en vanuit het belang van de Nederlandse boeren. Het is echter niet in het belang van de Nederlandse boeren om de communicatie met de Europese Commissie te staken en de afspraken binnen de Europese Unie te negeren. Onze Nederlandse boeren zijn mede afhankelijk van de afspraken die we binnen de Unie hebben gemaakt en hebben ook nadrukkelijk baat bij deze afspraken. Daarbij valt onder andere te denken aan vrij verkeer van goederen, het tegengaan van concurrentieverstorende maatregelen door andere lidstaten, afspraken op het terrein van dier- en plantgezondheid. Juist daarom blijven open lijnen met de Europese Commissie van groot belang, waarbij het kabinet zich tegelijkertijd blijft inzetten voor aanpassing of uitzondering van specifieke Europese regelgeving.

Tot slot

De leden van de PVV-fractie benadrukken dat boeren geen probleem zijn dat moet worden ‘weggekocht’, maar ondernemers zijn die recht hebben op rechtszekerheid, eigendomsbescherming en een toekomst. Zolang het kabinet vasthoudt aan een stikstofbeleid dat bedrijven juridisch klemzet en uitkoop als oplossing presenteert, is geen sprake van vrijwilligheid maar van politieke druk. Deze leden verzetten zich tegen beleid dat het Nederlandse platteland verder uitholt in plaats van versterkt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de regering over Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties en hebben enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat jonge boeren meer moeite hebben met financiële redzaamheid dan langer zittende boeren vanwege onder andere financiële opstartproblemen. Deze leden zijn van mening dat er een risico kan ontstaan dat jonge boeren hierdoor eerder geneigd zijn zichzelf aan te melden voor een vrijwillige beëindigingsregeling. Deze leden zien het belang van jonge boeren voor een toekomstbestendige sector en willen de toegang tot de sector toegankelijker maken. Zij vragen de minister in hoeverre er bij het opstellen van deze vrijwillige beëindigingsregeling rekening is gehouden met dit risico en in hoeverre en op welke wijze de regeling zo kan worden ingericht dat dit risico wordt beperkt.

Antwoord

Jonge landbouwers zijn essentieel voor de toekomst van de landbouw: zij zorgen voor de continuïteit en toekomstbestendigheid van de Nederlandse landbouw. Het is niet bekend in hoeverre er interesse is bij jonge boeren voor een vrijwillige beëindigingsregeling.

De start of overname van een landbouwbedrijf is voor veel jonge boeren een grote drempel doordat bedrijven een relatief grote aankoopsom kennen (onder meer door grondwaarde) maar tegelijkertijd een lage rentabiliteit. Om de financieringslast te verlagen is daarom de interventie ‘Vestigingssteun voor jonge landbouwers’ in het GLB-NSP opgenomen. Hiermee kunnen jonge boeren en tuinders een subsidie krijgen bij vestiging waarmee juist in de fase direct na de bedrijfsovername financiële ondersteuning geboden wordt. Daarnaast is zichtbaar dat het instrument Investeringsfonds Duurzame Landbouw door relatief veel jonge boeren wordt benut. Ongeveer twee derde van de IDL-aanvragen is afkomstig van jonge boeren (<40 jaar). Samen met de verplichte cofinanciering kan een lening uit het IDL worden gebruikt om een bestaand boerenbedrijf (inclusief grond) over te nemen en waarbij maatregelen worden genomen om emissies te beperken.. Jonge boeren worden binnen het IDL met een hoger percentage ondersteund.

Bedrijfsovername door jonge boeren is een vaak langdurig proces, waarbij familie, adviseurs en financiers zijn betrokken. Eerder genoemd instrumentarium ondersteunt jonge boeren bij deze overname en het opstarten van het bedrijf. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat kort na het doorlopen van een bedrijfsovername jonge boeren alsnog tot vrijwillige bedrijfsbeëindiging overgaan. Hoewel ik het zou betreuren als jonge boeren overwegen mee te doen aan de Vbr, kan en wil ik deelname van jonge boeren aan de regeling niet uitsluiten. In de eerste plaats zal een veehouder een keuze om te stoppen niet lichtvaardig maken, en wil ik daar dan ook niet vanuit de overheid op ingrijpen. In de tweede plaats mag op grond van het gelijkheidsbeginsel geen onderscheid gemaakt worden op basis van persoonlijke kenmerken van de subsidieaanvrager. Bovendien bepaalt het Europese steunkader dat de te verlenen staatssteun voor alle in aanmerking komende ondernemingen toegankelijk moet zijn.

De leden van de CDA-fractie merken op dat binnen de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) was opgenomen dat de ondernemer bij vrijwillige uitkoop 15 procent van de omgevingsvergunning van een Natura 2000-activiteit kon behouden. Na de uitspraken van de Raad van State op 18 december 2024 inzake Rendac (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923) en Amercentrale (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909) is dit in de praktijk nagenoeg onmogelijk geworden vanwege de additionaliteitsvereiste en de ontbrekende stikstofruimte. Dit heeft er toe geleid dat een aanzienlijk aantal bedrijven zich uiteindelijk terugtrokken en niet meer wilden deelnemen aan de beëindigingsregeling. In de Vbr wordt ook een soortgelijke 15 procent-regeling opgenomen.

De leden van de CDA-fractie vragen de minister in hoeverre de uitspraken van 18 december 2024 ook invloed heeft op de voorgenomen 15 procent-regeling in deze nieuwe beëindigingsregeling. Ook vragen deze leden de minister in hoeverre en op welke wijze er rekening wordt gehouden met een scenario waarin deelnemers zich in de Vbr ook terugtrekken als blijkt dat er geen ruimte voor de 15 procent-regeling is.

Antwoord

Ik ben van plan ook in de Vbr de voorwaarde op te nemen dat als een ondernemer, na de sluiting van de veehouderijlocatie (met subsidie op grond van de regeling), voornemens is een andere activiteit te gaan verrichten, de toegestane stikstofemissie door het bevoegd gezag (doorgaans de provincie) wordt gemaximeerd op de daadwerkelijke stikstofemissie van die nieuwe activiteit, met een maximum van 15% van hetgeen waarvoor voorheen toestemming was verleend.

Door de uitspraken van de Raad van State, eind 2024, is er inderdaad een periode onduidelijkheid geweest over de vraag hoe deze zogenaamde ‘15 procent-voorwaarde’ bij de Lbv, de Lbv-plus en de Lbv kleinere sectoren kon worden toegepast. Dit heeft tijdelijk voor onzekerheid gezorgd bij deelnemende veehouders. Provincies en het Ministerie van LVVN hebben in het voorjaar van 2025 duidelijkheid kunnen verschaffen door de oplevering van een handelingsperspectief voor deze bestaande regelingen, dat provincies concrete handvatten geeft om nieuwe activiteiten tot maximaal 15% van de voorheen toegestane emissie te kunnen toestaan door middel van een natuurvergunning. Sindsdien zijn provincies voortvarend aan de slag gegaan: een fors aantal nieuwe natuurvergunningen voor nieuwe activiteiten zijn inmiddels onherroepelijk. Gelet op deze ervaringen met de Lbv, Lbv-plus en Lbv kleinere sectoren heb ik met vertrouwen in de Vbr weer een ‘15 procent-voorwaarde’ opgenomen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat zaakbegeleiders worden ingezet in het ondersteunen van deelnemers van de Vbr. Deze leden merken op dat deze zaakbegeleiders een waardevolle rol vervullen en een unieke positie innemen die ook bij het opstellen van een nieuwe beëindigingsregeling kan worden benut. Deze leden zien de kennis en inzichten van de zaakbegeleiders uit zowel de Lbv en Lbv+ rals ook de gesprekken met Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders dan ook als zeer relevant voor de totstandkoming van de Vbr. Deze leden vragen de minister of en op welke wijze de zaakbegeleiders ook daadwerkelijk zijn en worden betrokken in de totstandkoming van de Vbr.

Antwoord

Bij de totstandkoming van de regeling hebben er meerdere gesprekken plaatsgevonden met, onder andere, zaakbegeleiders, sectorpartijen, medeoverheden en de uitvoering. In deze gesprekken zijn waardevolle inzichten opgehaald en waar mogelijk verwerkt in de Vbr. Ook tijdens de uitvoering van de regeling blijf ik openstaan voor deze waardevolle signalen vanuit de praktijk, zoals van zaakbegeleiders. Ik zal daarom ook in deze fase in contact blijven met onder andere de zaakbegeleiders.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de Vbr waarvoor 12 januari 2026 de internetconsultatie is gestart, gelezen en hebben daarover nog enkele vragen.

De leden van de BBB-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om de regeling zo in te richten dat veehouderijlocaties die volledig of deels gelegen zijn binnen een strook van 1000 meter rondom een overbelast en voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebied met voorrang aanspraak kunnen maken op subsidie, en daarnaast deelnemers buiten die gebieden geen vergoeding te geven voor sloopkosten.

Antwoord

Ik heb uw Kamer bij brief van 19 september 20255 uitgebreid geïnformeerd over de hoofdlijnen van de regeling. Ik heb u daarbij aangeven dat het kabinet zich sterk maakt voor het zo snel mogelijk weer van het slot krijgen van Nederland en het spoedig mogelijk maken van vergunningverlening. Wat onder andere door natuurherstelmaatregelen en emissiereductie bevorderd moet worden. Zoals vermeld concludeer ik op basis van cijfers van het RIVM dat de Vbr, bij het hanteren van een afstandscriterium van 1.000 meter rondom de overbelaste Natura 2000-gebieden, een substantiële doelgroep kent die aanzienlijke emissiereductie kan bewerkstelligen. Daarom wil ik veehouderijlocaties die zijn gelegen binnen 1.000 meter rondom de overbelaste Natura 2000-gebieden met voorrang in aanmerking laten komen voor een subsidie. Gelet op de urgentie van de problematiek acht het kabinet een vergoeding voor de sloopkosten binnen 1.000 meter van belang.

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de minister kan reflecteren op de gevolgen van deze uitkoopregeling voor structuur op het platteland. Deze leden zien namelijk het risico dat gebiedsgericht nu erg veel agrarische bedrijven verdwijnen. Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als men breder kijkt dan alleen naar voedselproductie en financiën? Boeren voorzien ook in agrarisch natuurbeheer, educatie op hun bedrijf en neventakken zoals zorg en kinderopvang. Daarnaast is natuurlijk ook de structuur rondom agrarische bedrijven gevoelig voor het wegvallen van een groot aantal bedrijven in één gebied. Is daarnaar onderzoek gedaan? Wat zijn de gevolgen voor toeleveranciers, veeartsen, loonwerkers en andere bedrijven die afhankelijk zijn van de agrariërs?

Antwoord

Het kabinet erkent dat beëindigingsregelingen naast effecten voor de individuele agrariërs en de kwaliteit van de leefomgeving ook effecten hebben op ketenpartijen en de vitaliteit van het landelijk gebied. Het is lastig om mogelijke tweede-orde-effecten op de keten exact te duiden, omdat de impact sterk wordt bepaald door de bredere beleidsinzet, de lokale context en marktomstandigheden. Er zijn er diverse onderzoeken gedaan naar de sociaaleconomische impact van de aanpak van de stikstofopgave.

Om de effecten op de werkgelegenheid beter inbeeld te brengen heb ik, als onderdeel van de uitvoering van de motie Van der Plas inzake een transitieplan voor werknemers, een onderzoek uitgezet om aarden omvang van het verlies van werkgelegenheid in beeld te brengen6. De resultaten hiervan verwacht ik in de eerste helft van dit jaar. Daarnaast heeft de Wageningen University & Research in opdracht van LVVN een rapport gepubliceerd over de te verwachte technische uitvoerbaarheid en maatschappelijke impact van vier theoretische scenario’s waarmee aan de uitspraak van de rechter inzake de Greenpeace bodemprocedure kan worden voldaan. Uit dit onderzoek blijkt dat mogelijke maatregelen aanzienlijke consequenties hebben voor de individuele boeren en gemeenschappen waar de maatregelen neerslaan, maar dat de brede welvaartseffecten positief kunnen zijn mits er flankerend beleid wordt opgevoerd7. Ook structureel worden sociaaleconomische effecten gemonitord. Uit de monitor van het programma stikstof en natuur (PSN) blijkt dat de effecten op de arbeidsmarkt en economie van de in het PSN opgenomen maatregelen groter kunnen worden naarmate er meer bedrijven stoppen8. Dit is vooral het geval in gebieden waar meer veehouderijen in aanmerking komen voor de beëindigingsregelingen. Daartegenover staat dat er ook deels nieuwe economische activiteiten kunnen ontstaan. Veel van de veehouders die meedoen aan de beëindigingsregelingen willen blijven ondernemen en een andere economische activiteit starten. Het Kabinet ondersteunt dit onder meer door veehouders die meedoen aan beëindigingsregelingen de mogelijkheid te bieden om maximaal 15% van hun vrijgekomen stikstofruimte te gebruiken voor nieuwe activiteiten. Het is aan de nieuwe bewindspersoon om opvolging te geven aan de resultaten uit deze onderzoeken.

De leden van de BBB-fractie vragen tot slot wat de te verwachten gevolgen zijn voor het areaal blijvend grasland als deze uitkoopregeling succesvol is. Wat zouden de gevolgen zijn voor bijvoorbeeld de waterkwaliteit als het aandeel grasland afneemt door deze regeling?

Antwoord

Landbouwgrond is geen onderdeel van de Vbr gelet op de beperkingen vanuit het staatssteunkader, het budgettaire beslag dat hiermee gemoeid gaat, en het verwachte negatieve effect op de deelnamebereidheid. Deelnemers kunnen zelf besluiten wat zij met hun landbouwgrond doen.

Deelname aan de Vbr is vrijwillig. Hierdoor is het niet bekend hoeveel en welk type bedrijven uiteindelijk zullen deelnemen. Daarbij is het ook onzeker wat de deelnemende veehouderijlocaties met blijvend grasland met hun grond gaan doen. Het is daarom niet mogelijk om op voorhand uitspraken te doen over de mogelijke gevolgen voor het areaal blijvend grasland. Wat het omzetten van grasland naar bouwland betekent voor de waterkwaliteit hangt af van veel factoren waaronder de grondsoort en de teeltwijze.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de conceptregeling voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging in de veehouderij die ter consultatie is voorgelegd. Deze leden hebben enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat bij vorige saneringsregelingen relatief veel geld is geïnvesteerd in de sanering van relatief moderne stallen met relatief lage emissies per dierplaats en dat de regelingen minder aantrekkelijk waren voor bedrijven met verouderde stallen en relatief hoge emissies per dierplaats. Deelt de minister deze analyse? Deelt zij de mening van deze leden dat dit niet bijdraagt aan structuurversterking van de veehouderij en geen doelmatige besteding van middelen is? Deelt de minister de analyse van deze leden dat de voorgestelde beëindigingsregeling opnieuw aantrekkelijker is voor bedrijven met relatief moderne stallen dan voor bedrijven met verouderde stallen? Ziet de minister mogelijkheden om de regeling zo in te richten dat het bijdraagt aan structuurversterking van de veehouderij en de regeling aantrekkelijker wordt voor bedrijven met verouderde stallen? Deze leden wijzen in dit verband op de mogelijkheid om een koppeling te maken met de verplaatsingsregeling, zodat de verouderde stallen van een ondernemer die door wil gaankunnen worden gesloopt, maar de ondernemer door kan gaan op een locatie met modernere stallen.

Antwoord

De vragen van de leden van de fractie van de SGP zien op het sturen van de Vbr op ‘verouderde’ stallen of bedrijven. Dit was tevens een wens in het hoofdlijnenakkoord van kabinet Schoof. Ik heb meermaals onderzocht of het binnen een beëindigingsregeling mogelijk is om hierop te sturen en heb hierover in verschillende debatten met uw Kamer over van gedachten gewisseld.

Het beeld dat met de vorige beëindigingsregelingen relatief veel jonge moderne stallen permanent uit productie zijn genomen herken ik niet. In mijn brief van 19 september 20259 heb ik aan uw Kamer gemeld dat uit gegevens van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland blijkt dat twee derde van de stallen van veehouders die een aanvraag voor de Lbv of Lbv-plus hebben ingediend ouder is dan 20 jaar.

In diezelfde brief licht ik toe dat het niet mogelijk is gebleken om te sturen op verouderde bedrijven. Het Europese steunkader vereist dat het selectiecriterium van de doelgroep aansluit bij het doel van de regeling. Gezien het doel van de Vbr moet het selectiecriterium dus sturen op de reductie van ammoniakemissie. Voor veehouderijlocaties geldt echter dat het niet mogelijk is om een dergelijk selectiecriterium vast te stellen waarbij verouderde en (ver)nieuw(d)e bedrijven onderscheiden worden, omdat oudere bedrijven namelijk niet per definitie meer ammoniak uitstoten dan nieuwe bedrijven. Dit houdt verband met het feit dat op veel veehouderijlocaties een combinatie van oudere en nieuwe stallen aanwezig is. Bovendien zijn veel oudere stallen aangepast, om te voldoen aan de huidige eisen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat er in de varkenshouderij zorgen zijn over de gevolgen van de verschillende saneringsregelingen voor de balans tussen het aantal zeugen en het aantal vleesvarkens, omdat relatief veel vleesvarkensbedrijven worden gesaneerd en een groter deel van de biggen geëxporteerd zal moeten worden. Hoe weegt de minister dit, zo vragen deze leden.

Antwoord

Het kabinet kiest er nadrukkelijk voor om uit te gaan van vrijwilligheid bij beëindiging van veehouderijlocaties. Ik zet mij er ook nadrukkelijk voor in om agrarische ondernemers perspectief te bieden. Als veehouders tot de keuze komen om te stoppen met hun activiteiten en voor een nette financiële afhandeling een beroep willen doen op de beëindigingsregeling wil ik hen niet uitsluiten vanwege hun specifieke veehouderijactiviteit. Dat kan inderdaad betekenen dat er nieuwe evenwichten zullen ontstaan op de markt. Nederland is een markteconomie en daarom zie ik hierbij geen rol voor de overheid.

De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de minister heeft gekozen voor een selectie op basis van wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Zijn vanuit het oogpunt van doelmatigheid andere varianten overwogen? Zo ja, welke? Waarom is hier niet voor gekozen? Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor prioritering op basis van euro’s per vermeden kilogram stikstofuitstoot in combinatie met de afstand tot de stikstofgevoelige natuur?

Antwoord

Ik heb uw Kamer bij brief van 19 september 202510 uitgebreid geïnformeerd over de hoofdlijnen van de regeling. Ik heb daarbij aangeven dat het kabinet zich sterk maakt voor het zo snel mogelijk weer van het slot krijgen van Nederland en het spoedig mogelijk maken van vergunningverlening, wat onder andere door natuurherstelmaatregelen en emissiereductie bevorderd moet worden.

Om de ammoniakemissies nabij de overbelaste Natura 2000-gebieden zo snel als mogelijk te reduceren is er, na het zorgvuldig afwegen van verschillende varianten, gekozen om veehouderijlocaties gelegen binnen een zone van 1000 meter rondom overbelaste natura 2000-gebieden op basis van ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt' te beschikken. Hierdoor kunnen de subsidieaanvragen voor deze veehouderijlocaties bij binnenkomst gelijk worden beschikt, waardoor zij ook sneller stappen kunnen zetten in de beëindiging van hun veehouderijlocatie.

Indien er na het beschikken van alle veehouderijlocaties binnen 1000 meter van overbelaste Natura 2000-gebieden nog budget resteert, dan komen veehouderijlocaties gelegen buiten deze zone in aanmerking voor subsidie. Voor deze groep is gekozen om te rangschikken op basis van doelmatigheid (aantal euro subsidie per kilogram ammoniakemissie), waarbij de veehouderijlocaties die tegen het laagste subsidiebedrag per kilogram emissie beëindigd kunnen worden komen als eerste in aanmerking.

De leden van de SGP-fractie horen graag of de minister mogelijkheden ziet voor een regeling voor veehouders die vanwege het ontbreken van een opvolger binnen afzienbare termijn willen stoppen en met deze regeling contractueel akkoord gaan met bedrijfsbeëindiging binnen een afgesproken termijn, inclusief de garantie dat ze in de tussentijd niet meer hoeven te investeren in nieuwe milieu- of dierenwelzijnseisen.

Antwoord

Ik zie de mogelijke voordelen van dit voorstel. Tegelijkertijd zijn er uitdagingen bij het vormgeven van een dergelijke regeling Zo is het in de eerste plaats niet evident welke grondslag er is voor een contractuele verplichting tot stoppen in de toekomst. In de tweede plaats is een dergelijke verplichting geen garantie dat een ondernemer in de toekomst daadwerkelijk tot sluiting overgaat. Deelname aan een subsidieregeling is immers vrijwillig, een ondernemer heeft te allen tijde de mogelijkheid om zich uit de subsidieregeling terug te trekken en van de onomkeerbare sluiting van de veehouderijlocatie af te zien. Voorts zou een dergelijke invulling van de regeling betekenen dat er een financieel beslag wordt gelegd op financiële middelen voor de mogelijke toekomstige sluiting van een veehouderijlocatie, zonder dat dit op korte termijn leidt tot minder stikstofemissie en -depositie en de opbrengst van stikstofruimte voor vergunningverlening. De financiële middelen die hiermee gemoeid zijn kunnen dan niet ten gunste komen aan veehouders die wél nu willen stoppen en zo direct stikstof reduceren. Het is aan het volgende kabinet om te besluiten over de vormgeving van nieuwe regelingen.

De leden van de SGP-fractie horen graag of de minister mogelijkheden ziet om gedeeltelijke bedrijfsbeëindigingen in de opkoopregeling mee te nemen, bijvoorbeeld bij gemengde bedrijven die een tak willen afstoten of bij bedrijven die een verouderde stal willen slopen.

Antwoord

Het wordt niet mogelijk om op grond van de Vbr een veehouderijlocatie gedeeltelijk te beëindigen. Vanuit het staatssteunkader is het vereist dat de sluiting van de productiecapaciteit definitief en onherroepelijk is, waardoor een deelnemende veehouder (of een eventuele opvolger), die zijn bedrijf gedeeltelijk wil beëindigen, nooit meer in dieraantallen mag gaan groeien. Hierdoor zal de verdere economische ontwikkeling van de betreffende locatie onmogelijk zijn, dat vind ik onwenselijk. Het gedeeltelijk beëindigen is bovendien juridisch en uitvoeringstechnisch complex, waardoor het moeilijker te waarborgen is dat sprake is van rechtmatige besteding van overheidsmiddelen en van geoorloofde staatssteun. Tegelijkertijd is het uiteraard mogelijk de akkerbouwtak voort te zetten op een deelnemend gemengd bedrijf met een veehouderijtak en een akkerbouwtak.

De leden van de SGP-fractie zien risico’s voor de ontwikkeling van de waterkwaliteit als vrijkomende graslanden omgezet worden in bouwland. Hoe wordt, bijvoorbeeld door inzet van de Nationale Grondbank, omzetting van grasland in bouwland zoveel mogelijk voorkomen, zo vragen deze leden.

Antwoord

Landbouwgrond is geen onderdeel van de Vbr gelet op de beperkingen vanuit het staatssteunkader, het budgettaire beslag dat hiermee gemoeid gaat, en het verwachte negatieve effect op de deelnamebereidheid. Deelnemers kunnen zelf besluiten wat zij met hun landbouwgrond doen.

Wat het omzetten van grasland naar bouwland betekent voor de waterkwaliteit hangt af van veel factoren waaronder de grondsoort en de teeltwijze. Ik vind ook dat het behoud van grasland aandacht verdient. De door de Nationale Grondbank verkregen gronden, waaronder grasland, worden na het doorlopen van een gebiedsproces op verzoek van provincie verkocht ten behoeve van realisatie van LVVN-doelen. Uit het gebiedsproces blijkt welke functie of gebruik de gronden krijgen. Eventuele gebruiksbeperkingen worden bij de verkoop vastgelegd middels kwalitatieve verplichtingen. De Nationale grondbank van LVVN is slechts een van de spelers op de grondmarkt.

De leden van de SGP-fractie horen graag waarom opnieuw een beroepsverbod binnen dezelfde veehouderijtak, ook binnen Nederland, is opgenomen, terwijl door de opkoop van de productie- en fosfaatrechten in combinatie met bijbehorend stelsel al is verzekerd dat het aantal dieren op nationale schaal afneemt. De op een op te kopen locatie stoppende veehouder kan immers alleen elders verder als hij bestaande productie- en fosfaatrechten overneemt.

Antwoord

Ik kan de inbreng van de leden van de SGP-fractie goed volgen. Echter, subsidieregelingen moeten voldoen aan de toepasselijke Europese staatssteunkaders. In het geval van subsidie voor de onomkeerbare beëindiging van veehouderijlocaties gaat het om het kader voor steun voor de sluiting van de productiecapaciteit. Eén van de voorwaarden onder dit steunkader is dat van de begunstigde een wettelijk bindende toezegging moet worden verkregen dat de begunstigde dezelfde activiteit niet opnieuw zal beginnen op een andere plaats. Deze voorwaarde vertaalt zich in de Vbr (zoals ook in eerdere beëindigingsregelingen) in het vereiste dat een veehouder niet elders dezelfde diersoort gaat houden als die werd gehouden op de met subsidie gesloten veehouderijlocatie, voor zover het een diersoort betreft waarop de subsidieverstrekking betrekking had. Een ondernemer kan dus na deelname aan deze regeling elders een andere diersoort gaan houden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties en hebben hier een aantal vragen over.

De leden van de PvdD-fractie verzoeken de minister te reflecteren op het onderzoek van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) (Rli, februari 2026 ‘Grond voor verbetering’ (https://www.rli.nl/publicaties/2026/advies/grond-voor-verbetering)), waarin wordt geconcludeerd dat de overheid de verduurzaming van de landbouw belemmert. Zo wordt bij de uitkoop van veehouderijen niet de grond opgekocht. Deze gronden worden vervolgens door de uitgekochte veehouders verpacht of verkocht aan de hoogste bieders, vaak voor intensieve teelten waarvoor veel landbouwgif wordt gebruikt, zoals aardappel- en lelieteelt.

De leden van de PvdD-fractie vragen of de minister de mening van deze leden deelt dat dit zeer onwenselijk is. Zo nee, waarom niet? Is zij bereid om, conform het advies van de Rli, actiever in te grijpen op de grondmarkt om zo maatschappelijke doelen te realiseren? Zo nee, waarom niet? Ziet de minister mogelijkheden om, in lijn met het advies van de Rli, de aankoop van grond onderdeel uit te laten maken van de beëindigingsregelingen, zodat deze grond vervolgens kan worden verkocht of verpacht ten behoeve van biologische, plantaardige teelten? Zo nee, waarom niet? Ziet zij dan mogelijkheden om via flankerend beleid ervoor te zorgen dat gronden die vrijkomen bij beëindigingsregelingen niet mogen worden verpacht of verkocht voor intensieve teelten maar uitsluitend mogen worden gebruikt voor biologische en plantaardige landbouw, indien de minister hier niet toe bereid is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

We hebben het rapport van Rli in ontvangst genomen. Het is echter aan het volgende kabinet om hier een reactie op te geven.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de minister het verder opdrijven van de hoge prijzen van landbouwgrond, wat vaak wordt aangejaagd door beleggers en speculanten, tegengaat.

Antwoord

De hoogte van de prijs voor landbouwgrond wordt door diverse factoren, zoals de ruimtelijke bestemming en de vraag naar grond in een specifiek gebied een vrije markt bepaald. Speculatie is een van de factoren die van invloed kan zijn. Daarom heeft de minister van VRO in haar aanpak Modernisering Grondbeleid11 de wens opgenomen om speculatie met grond tegen te gaan. Samen met LVVN en Financiën wordt momenteel uitgewerkt hoe met een vorm van planbatenheffing invulling kan worden gegeven aan deze wens. Het ministerie van VRO is eindverantwoordelijk voor dit initiatief.

De leden van de PvdD-fractie verzoeken de minister te reageren op de kritische inbreng van de Caring Farmers bij de internetconsultatie en expliciet in te gaan op de door hen genoemde punten.

Antwoord

Op www.internetconsultatie.nl/vbr zal na een verslag gepubliceerd worden waarin op hoofdlijnen gereflecteerd wordt op de inbreng. Ook de reactie van Caring Farmers zal, zoals geldt voor alle inbreng, zal hierin worden meegenomen.

De leden van de PvdD-fractie zijn voorts van mening dat het niet uit te leggen is dat er met belastinggeld stallen worden opgekocht in het kader van beëindigingsregelingen, maar dat op andere plekken veehouders nieuwe stallen bouwen of uitbreiden. Is de minister bereid om een landelijk moratorium voor nieuwe stallen en voor de uitbreiding van veehouderijen in te stellen? Zo nee, waarom niet? Is de minister tevens bereid om binnen de beëindigingsregeling prioriteit te geven aan niet-dierwaardige sectoren en stallen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

De voorgenomen Vbr en de voorgaande Lbv-regelingen kennen de voorwaarde dat deelnemers hun productierecht laten doorhalen, de veestapel wordt daarmee kleiner. Bovendien geldt het vereiste dat deze ondernemers niet elders dezelfde diersoort gaan houden. Tezamen met het laten intrekken of verkleinen van de geldende vergunning (en)voor de veehouderijactiviteit maakt dit de regelingen goed uitlegbaar. Op dit moment is de vergunningsruimte in Nederland zoals bekend zeer beperkt, ook voor uitbreiding of modernisering van veehouderijen. Als er weer meer ruimte ontstaat is het aan ondernemers om te bepalen of ze deze ruimte benutten voor modernisering of uitbreiding, afhankelijk van het perspectief dat zij voor ogen hebben. Een moratorium voor nieuwe stallen of uitbreiding van veehouderijen vind ik niet wenselijk, niet proportioneel en niet noodzakelijk.

De voorgenomen beëindigingsregeling heeft tot doel om stikstof te reduceren. Het verlenen van voorrang aan aanvragers om andere redenen dan stikstofreductie vind ik niet opportuun.

Hoogachtend,

Femke Marije Wiersma

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur


  1. Kamerstuk 28 973, nr. 288↩︎

  2. Kamerstuk 28 973, nr. 282↩︎

  3. Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 11↩︎

  4. Kamerstuk 35 334, nr. 400↩︎

  5. Kamerstuk 36 800, nr. 11↩︎

  6. Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 51↩︎

  7. Reinhard, S., F. Speijer, R.P. Baayen, G. Migchels, S. van Berkum, R.H. Pessers, A.N. Walker, P.J. Woltjer, M.P.H. Selten, W.H.G.J. Hennen, 2025. Sociaal-economische en ecologische effecten van theoretische scenario’s voor reductie van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Wageningen, Wageningen Social & Economic Research, Rapport 2025-133. 124 blz.; 8 fig.; 22 tab.; 88 ref.↩︎

  8. PBL, 2024 Trienekens et al. Sociaaleconomische effecten van stikstofbronmaatregelen en natuurmaatregelen↩︎

  9. Kamerstuk 28 973, nr. 282↩︎

  10. Kamerstuk 36 800, nr. 11↩︎

  11. Kamerstuk 34 682, nr. 164↩︎