Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSB) d.d. 9 maart 2026 (Kamerstuk 21501-31-814)
Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D08712, datum: 2026-02-26, bijgewerkt: 2026-02-26 16:33, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L.C.J. Stultiens, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z03695:
- Indiener: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-02-26 10:00: Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid op 9 maart 2026 (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- 2026-02-26 14:35: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-10 16:30: Procedurevergadering Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (đ origineel)
21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken
Nr.
INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld ⊠2026
In de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestond bij enkele fracties de behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de op 25 februari 2026 ontvangen Geannoteerde agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSB) d.d. 9 maart 2026 (Kamerstuk 21501-31, nr. 814).
Bij brief van ⊠2026 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze beantwoord. De vragen en opmerkingen van de fracties en de antwoorden van de minister zijn hieronder afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Stultiens
Adjunct-griffier van de commissie,
Van den Broek
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II Antwoord/Reactie van de minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Geannoteerde agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSB) d.d. 9 maart 2026. Naar aanleiding hiervan hadden deze leden enkele vragen.
In de paragraaf over de Coördinatieverordening Sociale Zekerheid lezen de leden van de D66-fractie dat de minister schrijft dat op het moment van schrijven van de Geannoteerde agenda een eerste concept-wettekst voor de herziening van de verordening is verspreid door het Cypriotische voorzitterschap en dat deze tekst nader bestudeerd moet worden. Kan de minister inmiddels meer zeggen over de inhoud van het voorstel?
In antwoorden op het schriftelijke overleg naar aanleiding van de Informele Raad WSB d.d. 12â13 februari 2026 te Cyprus lezen de leden van de D66-fractie dat de minister vindt dat de voorgestelde verruiming van de export van werkloosheidsuitkeringen niet aansluit bij het doel van werkloosheidsuitkeringen als tijdelijke loondervingsuitkeringen en dat de minister graag ziet dat het voorstel voldoende waarborgen bevat. Bevat de concept-wettekst zoals verspreid voldoende waarborgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Voorts waren de leden van de D66-fractie benieuwd welke effecten de voorgenomen aanscherping van de referte-eis en de vertraagde opbouw van de Werkloosheidswet (WW) hebben op de verlenging van de exporttermijn van de WW-uitkering van drie naar zes maanden. Leiden de maatregelen uit het coalitieakkoord er op termijn toe dat nog minder dan de genoemde 21% de uitkering zes maanden had kunnen importeren?
De leden van de D66-fractie volgen ook met interesse de ontwikkelingen rondom IORP II en het bredere Pan-Europees Persoonlijk Pensioenproduct (PEPP-)traject. Vooropgesteld zien deze leden duidelijke meerwaarde in de IORP-II richtlijn en de, zoals in het BNC-fiche beschreven, nadruk in het voorstel op transparantie, schaalvoordelen, kosteninzicht en deelnemersbescherming. Tegelijk zien deze leden dat het Nederlands pensioenstelsel ver ontwikkeld is en de inzet op standaardisering kan schuren met de reeds goed functionerende praktijk in Nederland. Ook rijmt de focus in de IORP-II op pensioen als consumentenproduct niet altijd even goed met het stelsel van collectieve pensioenregelingen zoals dat in Nederland is georganiseerd. Deze leden hopen dat in verdere besprekingen van de IORP-II enkele concrete aandachtspunten kunnen worden geadresseerd.
Zo lezen de leden van de D66-fractie dat de pensioensector zorgen heeft over de toegenomen regeldruk en de kosten die het voorstel met zich meebrengt voor pensioenfondsen en hun deelnemers. Heeft de minister een nader (kwantitatief) beeld in hoeverre de extra vereisten leiden tot hogere kosten voor pensioenfondsen en pensioenuitvoerders, met name wat betreft de vereisten rondom de pension benefit statement (PBS)? In het BNC-fiche wordt daarnaast gesproken over een structurele toename van de toezichtkosten vanwege intensivering van het toezicht. Kan de minister nader uiteenzetten wat de verwachte ordegrootte en gevolgen zijn van deze structurele toename?
Ook lezen de leden van de D66-fractie dat er een algemene zorgplicht zou komen. Welke toegevoegde waarde heeft een algemene zorgplicht ten opzichte van de reeds bestaande zorgplichten en eisen van pensioenfondsen, zo vragen deze leden. En welke (juridische) risicoâs voor fondsen zou een dergelijke zorgplicht met zich meebrengen? Zou deze bepaling ertoe kunnen leiden tot een aversie bij pensioenfondsen om af te wijken van bredere aandelen- en obligatiebenchmarks?
Verder lezen de leden van D66-fractie dat de pensioensector zorgen heeft over de mogelijke verwarring bij deelnemers die aanvullende communicatie mogelijk met zich mee zou brengen. Zo zouden deelnemers niet gebaat zijn bij de vele informatiepunten die bovendien niet altijd relevant of opvolgbaar zouden zijn in het Nederlandse stelsel. In het BNC-fiche lezen deze leden deze bezwaren niet expliciet terug, al wordt wel benadrukt dat de wijze waarop deelnemers worden geĂŻnformeerd en de mate van informatie die daarbij geschikt is, sterk afhankelijk is van de nationale culturele context. Is de minister dan ook van mening dat dat de communicatievereisten voor de PBS in hun huidige vorm niet goed aansluiten bij het Nederlandse tweedepijlerstelsel, zo vragen deze leden. Welke aanvullende communicatievereisten zouden wel van meerwaarde zijn voor het Nederlandse stelsel? In het BNC-fiche lezen deze leden ook dat het kabinet de aanvullende communicatievereisten aandachtig beziet. Kan de minister de inzet van het kabinet nader toelichten? Geniet een âprinciple-basedâ eis, zoals voorgesteld door de sector, bij de minister de voorkeur of zou de minister er eerder voor pleiten om de voorgestelde eisen bij te stellen?
De leden van de D66-fractie hebben enkele aarzelingen rond de voorgenomen (under)performance-benchmarks, zeker wanneer deze onvoldoende rekening houden met verschillen in leeftijdscohorten en risicovoorkeuren van deelnemers. Hoe verhoudt een underperformance-benchmark zich tot de bestaande performancetoets met normportefeuilles?
Ook lezen de leden van de D66-fractie dat de uitbreiding van de gedetailleerde standaarden en toetsingskaders door European Insurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA) verder inbreekt op de ruimte voor nationale toezichtspraktijk dan noodzakelijk is. Welke aanvullende standaarden en toetsingskaders vanuit EIOPA acht de minister wel noodzakelijk, zo vragen deze leden. Heeft een geharmoniseerd format meerwaarde naast de redelijk zeldzame gevallen waarin een pensioenfonds in meerdere landen opereert of een Europees burger in verschillende landen pensioen heeft opgebouwd? Gaat de voorkeur van de minister ernaar uit om het voorgestelde gestandaardiseerd format voor het Uniform Pensioen Overzicht aan te passen of gaat de voorkeur ernaar uit om helemaal geen gestandaardiseerd toetsingskader op te nemen in IORP II?
De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche dat de Europese Commissie (Commissie) de lidstaten aanbeveelt om een Pension Tracking System te ontwikkelen en dat de technische en juridische infrastructuur zou zo moeten worden ontworpen dat aangesloten wordt bij het in ontwikkeling zijnde Europese Tracking System (ETS). Klopt het dat mijnpensioenoverzicht.nl van Stichting Pensioenregister momenteel niet kan aangesloten worden op het European Tracking System omdat een juridische grondslag ontbreekt, zo vragen deze leden. Deze leden lezen dat de aanbevelingen van de Commissie worden omarmd in het BNC-fiche. Betekent dit ook dat de minister voorstander is van een koppeling tussen mijnpensioenoverzicht en het Europese Tracking System? Zo, ja, kan de minister inzicht geven in de planning om dit mogelijk te maken?
De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche over de PEPP-herziening dat de zeer beperkte commerciële opname van het PEPP sinds de inwerkingtreding van het oorspronkelijke kader de aanleiding vormt voor de herziening. Kan de minister dit nader toelichten? In deze trant lezen deze leden dan ook met interesse dat er weliswaar verschillende opties rond de herziening van de PEPP zijn overwogen, maar dat het geheel schrappen van PEPP geen expliciete optie was. Waarom niet, zo vragen deze leden.
De onderhandelaars van de minister in Brussel zullen ongetwijfeld een eerste indruk hebben van hoe het voorstel door andere lidstaten ontvangen is en gewaardeerd wordt, zo vermoeden de leden van de D66-fractie. Zijn er indicaties dat andere lidstaten voorsorteren op significante amendering van het voorstel, zo vragen deze leden. En zo ja, waar zouden die amenderingen op zien?
Voorts hebben de leden van de D66-fractie met interesse kennisgenomen van het agendapunt over innovatie en kwaliteitsbanen. Onder dit punt wordt ook gesproken over de Quality Jobs Roadmap. Deze leden zijn benieuwd of de minister nader kan toelichten wat volgens hem de kernambitie van de Routekaart is. Welke concrete beleidsveranderingen verwacht het kabinet op basis van deze mededeling?
De leden van de D66-fractie lezen in de achterliggende stukken dat de definitie van kwaliteitsbanen multidimensionaal is, van beloning en secundaire arbeidsvoorwaarden tot gendergelijkheid en welzijn. Kan de minister nader toelichten welke handvaten het begrip kwaliteitsbanen biedt voor beleid, zo vragen deze leden. Wordt uiteindelijk ingezet op een meetbare definitie, eventueel op Europese Unie (EU-)niveau, en zo ja, op basis van welke indicatoren?
In dit kader lezen de leden van de D66-fractie met interesse dat een wetgevend initiatief is aangekondigd ter bevordering van kwaliteitsbanen en mogelijk een kwaliteitsbanendoelstelling. Kan de minister hier al meer over zeggen? Zo nee, wanneer kan de minister hier meer over zeggen?
De leden van de D66-fractie nemen kennis van de passage waarin de Commissie aangeeft digitale technologie en algoritmisch management op de werkvloer te willen ondersteunen én reguleren om eerlijk werk te waarborgen. Deze leden zijn benieuwd hoe de minister deze ambitie beoordeelt. Voorts zijn zij benieuwd hoe de minister aankijkt tegen mogelijke aanvullende EU-regels rond algoritmisch management en het gebruik van AI op de werkvloer.
De leden van de D66-fractie nemen kennis van het voornemen van de Commissie om te komen tot een initiatief gericht op het aantrekken van topstudenten, onderzoekers en geschoolde werknemers. Kan de minister aangeven hoe deze inzet zich verhoudt tot het recent gesloten coalitieakkoord?
Ten slotte lezen de leden van de D66-fractie dat Nederland overweegt tezamen met enkele andere lidstaten het Cypriotisch voorzitterschap te verzoeken om onder het agendapunt âoverige onderwerpenâ kort stil te staan bij de onrechtmatige detachering van derdelanderwerknemers. Kan de minister hier inmiddels meer over zeggen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de agenda van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 9 maart 2026 en van de voorgenomen herziening van de IORP II-richtlijn.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat vergrijzing en ontgroening in veel lidstaten grote druk zetten op begrotingsgefinancierde eerste pijlerpensioenen. Deze leden achten het verstandig dat de Commissie inzet op versterking van kapitaalgedekte tweede en derde pijlerpensioenen. Deze leden wijzen erop dat houdbare aanvullende pensioenen niet alleen bijdragen aan inkomenszekerheid op latere leeftijd, maar ook aan stabiele overheidsfinanciën in de eurozone. Dat is mede in het belang van Nederland, omdat begrotingsontwikkelingen in andere eurolanden invloed hebben op financiële stabiliteit en renteontwikkelingen.
De leden van de VVD-fractie benadrukken echter dat Nederland beschikt over een zeer geavanceerd en kapitaalgedekt tweede pijlerstelsel, dat internationaal als voorbeeld geldt. Deze leden vinden dat Europese minimumharmonisatie er niet toe mag leiden dat landen met goed functionerende stelsels worden geconfronteerd met extra verplichtingen die in de praktijk geen of onvoldoende aantoonbare meerwaarde hebben. Deze leden sluiten zich aan bij de lijn van de minister van Financiën dat wijzigingen in Europese pensioenregels alleen aan de orde kunnen zijn als zij goed functionerende nationale stelsels niet verstoren.
De leden van de VVD-fractie hebben specifieke zorgen over het voorstel voor een Europees gestandaardiseerd Uniform Pensioenoverzicht (UPO). Deze leden constateren dat Nederland reeds beschikt over een zorgvuldig ontwikkeld UPO, dat in overleg tussen sociale partners, uitvoerders en toezichthouders periodiek wordt aangepast aan nieuwe inzichten en maatschappelijke ontwikkelingen. Deze leden achten het niet in lijn met het subsidiariteitsbeginsel om op Europees niveau een gedetailleerd format vast te stellen dat weinig ruimte laat voor nationale context, fiscale verschillen en contractvormen. Deze leden vragen de minister of hij bereid is een bindend Europees format met hoge minimumeisen als rode lijn te markeren indien dit de nationale beleidsruimte substantieel beperkt.
De leden van de VVD-fractie onderkennen het belang van transparantie over kosten en rendementen. Deze leden vinden echter dat aanvullende informatievereisten, zoals het verplicht tonen van cumulatieve kosten over de gehele deelnameperiode en tienjaarsrendementen, proportioneel moeten zijn en moeten aansluiten bij het Nederlandse contractenstelsel en de implementatie van de Wet toekomst pensioenen. Deze leden vragen de minister hoe hij voorkomt dat Europese voorschriften interfereren met de reeds complexe implementatie van het nieuwe pensioenstelsel, waarvan de transitieplanning leidend moet blijven.
De leden van de VVD-fractie staan positief tegenover het uitgangspunt dat deelnemers tijdig worden geĂŻnformeerd bij structurele underperformance. Deze leden wijzen er echter op dat pensioenbeleggen per definitie langjarig is en dat uniforme of extern opgelegde benchmarks kunnen leiden tot defensief beleggingsgedrag. Deze leden achten het onwenselijk dat fondsen worden gedwongen tot indexvolgend gedrag dat innovatie en investeringen ontmoedigt. Deze leden vragen de minister daar op te reflecteren.
De leden van de VVD-fractie hebben net als de Pensioenfederatie grote bedenkingen bij de introductie van een brede, algemene zorgplicht. Deze leden vrezen in navolging van de kritiek van de Pensioenfederatie dat een open geformuleerde Europese zorgplicht leidt tot juridische onzekerheid en hogere rapportageverplichtingen, en dus hogere kosten. Deze leden wijzen er bovendien op dat pensioenregelingen in Nederland tot stand komen via collectieve arbeidsvoorwaardenvorming door sociale partners. Deze leden benadrukken dat de ILO-verdragen het recht op vrije collectieve arbeidsvoorwaardenvorming beschermen. Deze leden vragen de minister hoe hij in de Brusselse onderhandelingen expliciet aandacht zal vragen voor deze verdragsrechtelijke dimensie en voor de positie van Nederlandse sociale partners.
De leden van de VVD-fractie plaatsen eveneens kanttekeningen bij de verplichting tot het aanwijzen van één vaste bewaarder per regeling. Deze leden constateren dat Nederlandse pensioenfondsen fundamenteel verschillen van beleggingsfondsen en reeds onder prudent toezicht staan. Deze leden vragen de minister inzichtelijk te maken welke kosten deze maatregel voor Nederlandse fondsen kan meebrengen en of hij zich zal inzetten voor behoud van nationale beleidsruimte of flexibiliteit.
De leden van de VVD-fractie staan in beginsel positief tegenover de mogelijkheid van het opnemen van derde pijlerproducten in Mijnpensioenoverzicht.nl. Deze leden vinden dat een integraal overzicht van pensioenrechten bijdraagt aan inzicht en eigen regie van deelnemers. Deze leden vragen de minister of hij inzichtelijk kan maken hoe dit uitvoerbaar is en welke implementatietermijn Nederland noodzakelijk acht om dit zorgvuldig te realiseren, mede gelet op de diversiteit van producten en aanbieders.
De leden van de VVD-fractie vragen tot slot hoe de onderhandelingen zich in de Raad en het Europees Parlement ontwikkelen. Deze leden vragen of er aanwijzingen zijn dat andere lidstaten inzetten op verdere harmonisatie of uitbreiding van bevoegdheden van EIOPA. Deze leden verzoeken de minister de Kamer periodiek en inhoudelijk te blijven informeren over substantiële wijzigingen in het onderhandelingsproces.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de ambitie om in Europa te komen tot sterkere kapitaalgedekte pensioenen. Deze leden benadrukken echter dat harmonisatie geen doel op zich mag zijn. Deze leden vinden dat Europese regelgeving proportioneel moet zijn, het subsidiariteitsbeginsel moet respecteren en ruimte moet laten voor goed functionerende nationale stelsels. Deze leden hechten eraan dat Nederland zelf verantwoordelijk blijft voor de inrichting van het eigen pensioenstelsel, binnen Europese samenwerking maar met behoud van de kracht en eigenheid van het Nederlandse model.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken. Deze leden hebben op enkele onderwerpen vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben meerdere vragen over de EU-Routekaart kwaliteitsbanen en het bijbehorende BNC-fiche. Deze leden constateren dat wordt ingezet op vermindering van administratieve lasten voor bedrijven, met behoud van sociale standaarden. Zij vragen hoe het kabinet concreet zal voorkomen dat het terugdringen van regeldruk in de praktijk leidt tot afzwakking van arbeidsbescherming, toezicht of handhaving.
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen om in kaart te brengen welke concrete regels die afgeschaft worden de arbeidsbescherming raken. Deze leden zouden graag een overzicht willen ontvangen van deze regels en daarbij per regel inzicht krijgen hoe de afzwakking van arbeidsbescherming voorkomen wordt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat mogelijk een kwaliteitsbanendoelstelling wordt voorgesteld. Deze leden vragen welke indicatoren het kabinet passend acht om kwaliteit van werk te meten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat minimaal 14% van de middelen uit Nationale en Regionale Partnerschapsplannen aan sociale doelstellingen moet worden besteed. Deze leden vragen naar een appreciatie van het kabinet op dit voorstel, specifiek als het gaat om het gekozen percentage. Deze leden missen dat in de huidige appreciatie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Commissie verschillende initiatieven aankondigt op het gebied van eerlijk en veilig werk, waaronder de evaluatie van de arbeidsplaatsen- en beeldschermrichtlijn en het aanpakken van misstanden in onderaannemingsketens en herziening van de aanbestedingsrichtlijn. Deze leden vragen wanneer deze voorstellen concreet worden verwacht. Deze leden vragen daarnaast welke inhoudelijke voorstellen het kabinet op deze onderdelen voorziet, in het bijzonder waar het gaat om aanpak van misstanden in onderaannemingsketens.
Ook hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nadere vragen over de manier waarop kabinet toekomstige voorstellen gaat beoordelen. Deze leden missen dat expliciet wordt benoemd dat het voor dit kabinet primair gaat om het verbeteren van de kwaliteit van werk vanuit het perspectief van werknemers. Deze leden vragen het kabinet dit mee te nemen in de overleggen in Brussel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Geannoteerde agenda Formele Raad Werkgelegenheid. Deze leden vragen wat de aanname van de Raadsaanbeveling menselijk kapitaal voor impact gaat hebben op de arbeidsmobiliteit binnen de EU. Zal dit naar inschatting van de minister het aantal arbeidsmigranten doen toenemen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook enkele vragen over het Europees Aanvullend Pensioenpakket. Deze leden lezen dat âhet voorstel benadruk dat IORPs niet mogen worden belemmerd bij het verlenen van grensoverschrijdende dienstenâ. Zij vragen in hoeverre dit uitgangspunt aansluit bij het Nederlandse pensioenstelsel. Kan de verplichtstelling bijvoorbeeld ook gezien worden als een âbelemmeringâ voor buitenlandse aanbieders van pensioenregelingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook of de minister het wenselijk vindt dat âde ruimte voor lidstaten om strengere nationale eisen ten aanzien van het investeringsbeleid te hanterenâ op onderdelen wordt beperkt. Hoewel deze leden van mening zijn dat het investeringsbeleid aan pensioenfondsen zelf is, vinden zij het van belang dat de EU zich op pensioengebied beperkt tot minimumregels, en niet voorkomt dat lidstaten strengere regels invoeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het positief dat het kabinet aangeeft dat gewaarborgd moet zijn dat Europese regels geen afbreuk mogen doen aan het Nederlandse pensioenstelsel. Deze leden lezen dat het kabinet âin algemene zinâ de doelstellingen van het Pensioenpakket onderschrijft. Kan de minister per doelstelling aangeven of en waarom hij deze onderschrijft?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat âhet kabinet erkent dat een goed werkende PEPP kan bijdragen aan de verdere ontwikkeling van pensioenvermogenâ. Kan de minister dit verder toelichten, en beschrijven hoe een PEPP daaraan bij kan dragen? In hoeverre denkt de minister dat er binnen Nederland behoefte is aan een PEPP? Deze leden lezen dat onder andere het kostenplafond van 1% een âbelangrijke redenâ is geweest voor âhet beperkte succes van PEPPâ. Kan de minister dit onderbouwen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de minister kan bevestigen dat het kabinet niet akkoord gaat met het voorstel dat een IORP meerdere pensioenregelingen moet kunnen uitvoeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de agenda en hebben daarbij enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie nemen kennis van het feit dat de herziening van de IORP II-richtlijn in Brussel binnen de EcoFin-Raad wordt behandeld, terwijl het dossier voor Nederland, met een sterk ontwikkelde tweede pijler, van bijzonder gewicht is. Deze leden hebben in dit verband kennisgenomen van het fiche over het Europees aanvullend pensioenpakket.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel voorziet in nadere regels voor informatieverstrekking, waaronder een gestandaardiseerd format voor het Uniform Pensioenoverzicht, en dat de Europese toezichthouder EIOPA daarbij een rol krijgt. Deze leden vragen hoe het kabinet borgt dat verdere harmonisatie van informatievereisten voldoende ruimte laat voor nationale stelselkenmerken en uitvoeringspraktijken, en hoe zij voorkomt dat dubbelingen ontstaan met bestaande nationale eisen.
De leden van de CDA-fractie benadrukken dat in Nederland de inrichting en uitvoering van pensioenregelingen nauw samenhangt met de rol van sociale partners en collectieve afspraken. Deze leden vragen hoe het kabinet in de onderhandelingen borgt dat de herziening van IORP II deze rol respecteert en niet leidt tot ongewenste verschuiving van verantwoordelijkheid of extra verplichtingen die in de Nederlandse structuur al op andere wijze zijn geborgd.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel de positie en instrumenten van nationale toezichthouders versterkt, onder meer via een regelmatige toezichtsdialoog op basis van signaliseringsindicatoren zoals kosten en rendementen, en via nadere bepalingen over toezicht op uitbestede activiteiten en grensoverschrijdende uitbesteding. Deze leden vragen hoe het kabinet de uitvoerbaarheid hiervan beoordeelt in de Nederlandse toezichtpraktijk, en welke consequenties dit kan hebben voor toezichtcapaciteit en rapportagelasten bij fondsen en uitvoerders.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet de voorgestelde implementatietermijn van twee jaar voor IORP II beoordeelt in het licht van de benodigde wetswijzigingen, en welke inzet Nederland precies kiest waar het kabinet aangeeft te willen sturen op een langere termijn voor aansluiting van derde-pijlerproducten van verzekeraars op Mijnpensioenoverzicht.nl.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel nieuwe waarborgen introduceert die in Nederland tot extra kosten kunnen leiden (onder meer door nieuwe organisatorische vereisten). Deze leden vragen welke bandbreedte van kosten en eenmalige implementatie-inspanningen het kabinet op dit moment verwacht, en op welke wijze zij proportionaliteit in de onderhandelingen wil borgen, zodat goed functionerende nationale stelsels niet onevenredig worden belast.
De leden van de CDA-fractie nemen kennis van een recent position paper van de Pensioenfederatie over de herziening van IORP II. Deze leden vragen in welke mate het kabinet de daarin benoemde zorgen herkent, en hoe zij deze weegt in het licht van de kabinetsinzet zoals verwoord in het fiche.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Commissie als onderdeel van de Routekaart Kwaliteitsbanen een wetgevend initiatief, de Quality Jobs Act, aankondigt.
Deze leden vragen welke verwachtingen het kabinet heeft van dit aangekondigde initiatief en welke onderwerpen een dergelijke wet in de visie van het kabinet wel en niet zou moeten bestrijken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal beleid. Deze leden zijn van mening dat de transformatie door kunstmatige intelligentie op de arbeidsmarkt een ingrijpende ontwikkeling is die aandacht verdient bij de Raad.
De leden van de BBB-fractie hebben een aantal vragen aan het kabinet. Heeft het kabinet kennisgenomen van de recente ontslaggolven bij grotere bedrijven als Amazon en ASML, alsmede van de tegenvallende werkgelegenheidcijfers onlangs gepresenteerd door het CBS? Klopt het beeld dat meerdere bedrijven reorganiseren door toedoen van automatisering, met name door AI? Heeft de minister deze ontwikkeling in beeld? Zo ja, kan zij relevante onderzoeksdata delen? Hoe wordt er aandacht gegeven aan deze ontwikkeling bij de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid? Verwacht het kabinet massa ontslagen en/of grootschalige frictiewerkeloosheid door toedoen van automatisering? Op basis van welke data verwacht zij dat wel/niet? Er is verschuiving gaande, naar andere functies. Is de minister daarover al in gesprek met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap omdat dit ook effect heeft op waar mensen hoe voor opgeleid moeten worden?
II Antwoord/Reactie van de minister