Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda informele OJCS-raad cultuur op 6 maart 2026 (Kamerstuk 21501-34-452)
Raad voor Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D09285, datum: 2026-03-02, bijgewerkt: 2026-03-03 13:44, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: C.H. Bosnjakovic , adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 21501 34-454 Raad voor Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport .
Onderdeel van zaak 2026Z04057:
- Indiener: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-19 10:15 ⇒ (Concept voorstel)
- 2026-03-04 13:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-04 13:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-19 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 2 maart 2026 |
|---|---|
| Betreft | Reactie op schriftelijke vragen van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
Internationaal Beleid Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon |
Onze referentie 62486990 |
Uw brief 24 februari 2026 |
| Uw referentie |
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van de commissie over de brief van mijn voorganger van 12 februari 2026 inzake de geannoteerde agenda van de informele OJCS-raad (cultuur) van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Rianne Letschert
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de informele OJCS-raad op 6 maart 2026. Deze leden hebben op het moment geen vragen.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderhavige geannoteerde agenda van de informele raad voor cultuur die het Cypriotische EU-voorzitterschap op 6 maart 2026 organiseert in Nicosia. Deze leden hechten aan een kunst- en cultuursector als vrijplaats voor afwijkende meningen, zonder sturing van bovenaf of door buitenlandse techmiljardairs. Deze leden wensen dat musea, podia en andere cultuurinstellingen in staat zijn en blijven om actief en gericht specifieke groepen te laten kennismaken met kunst en cultuur, zoals jongeren, ouderen en nieuwkomers en zij vinden dat Nederland roofkunst, bijvoorbeeld uit voormalig Nederlands Indië moet teruggeven, zodra het land van herkomst maar in staat is om deze roofkunst goed te conserveren. In hoeverre deelt de nieuwe minister voor cultuur deze attitude?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de ambtsvoorganger van de nieuwe minister bij de bescherming van culturele rechten benoemde als Nederlandse inzet het recht om cultuur te maken, de vrijheid van artistieke expressie en de bevordering van toegankelijkheid van cultuur als fundamenteel onderdeel van onze cultuur. Deze leden waarderen deze inzet en hopen op brede steun van de lidstaten. Tegelijkertijd vragen zij hoe de minister recht wil en kan doen aan deze inzet, nu het coalitieakkoord van de nieuwe regering geen cent extra uittrekt voor het cultuurbeleid, in een tijd dat de prijzen stijgen, wat de cultuursector herhaaldelijk treft met «stille bezuinigingen». Wat is de reactie van de nieuwe minister op deze vraag?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstige zorgen over de manier waarop in Europa beledigingen en bedreigingen van kunstenaars in rap tempo normaliseren, sommige politici met scoringsdrang nog olie op het vuur gooien en de artistieke vrijheid zo in gevaar komt. Ook de Raad voor Cultuur heeft in zijn recente advies Maken (z)onder druk gewaarschuwd voor een oplopende maatschappelijke druk op de artistieke vrijheid, die de afgelopen tijd werd gevoeld bij de ophef over recente kwesties en de politieke reacties daarop.1 De vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft d.d. 5 februari 2026 de minister gevraagd om een kabinetsreactie en deze leden wachten in het bijzonder met belangstelling af hoe de minister reageert op de aanbeveling dat het Thorbecke-adagium “dat de Regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst”2 in de wet verankerd moet worden, bijvoorbeeld in de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Kan de minister nu echter al uiteenzetten hoe zij staat tegenover het Thorbecke-adagium en wat deze attitude moet betekenen voor de wijze waarop en de mate waarin politici zich uitspreken over kunstuitingen? In hoeverre zal zij dit adagium ook hanteren als richtsnoer bij haar inbreng bij de onderhavige informele raad voor cultuur?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat dat bij het tegengaan van illegale handel in culturele goederen de inzet van de ambtsvoorganger van de nieuwe minister was om ervaringen te delen over het tegengaan van de illegale handel in cultuurgoederen. De geannoteerde agenda meldt dat bij de uitvoering van het beleid speciale aandacht gaat naar risicolanden in een lokale of regionale crisis en landen in conflict. Hierbij worden Irak, Syrië en Oekraïne genoemd. Deze leden kunnen de aandacht voor culturele goederen uit Oekraïne begrijpen: zij kennen berichten dat Russische militairen op grote schaal kunstvoorwerpen weghalen uit Oekraïne en overbrengen naar de Krim. Onder meer uit het Nationaal Historisch en Archeologisch Kamyana Mohyla Museum, nabij Zaporizja, hebben dezen recent tal van kunstvoorwerpen geroofd. In dit museum bevinden zich duizenden petroglyphen (rotstekeningen) die dateren uit het late paleolithicum tot de middeleeuwen. De vindplaats wordt vaak het Stonehenge van Oekraïne genoemd en sinds 2006 streeft het reservaat ernaar om op de Werelderfgoedlijst van UNESCO te worden geplaatst. Steunt het kabinet Oekraïne ook in dit streven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de inzet van het kabinet is met betrekking tot culturele goederen uit West-Papoea. Veel waardevolle culturele goederen van de oorspronkelijke bewoners van West Papoea, de Papoea’s, zijn – te vaak als roofkunst – in Nederland terecht gekomen, en deze leden vragen of overdracht van zulke roofkunst aan de Indonesische regering voldoende rekening houdt met het conflict in West-Papoea. Wil het kabinet zich tot het uiterste inspannen om daarmee rekening te houden? In hoeverre verbindt de nieuwe minister aan zulke complexe conflictsituaties consequenties voor haar inzet bij de onderhavige informele raad voor cultuur?
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda van de informele OJCS-raad. Er staan twee onderwerpen op de agenda ten eerste het beschermen van culturele rechten en ten tweede de noodzaak om illegale handel in culturele goederen tegen te gaan.
De leden van de CDA-fractie vragen of de minister kan toelichten of de douane voldoende expertise heeft om te beoordelen of culturele goederen illegaal verhandeld worden. Tevens vragen deze leden hoe deze expertise op peil wordt gehouden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er in de uitvoering van dit beleid speciale aandacht is voor risicolanden die verwikkeld zijn in een lokale of regionale crisis of die in conflict zijn. Kan de minister nader duiden waar zij op doelt met de term “speciale aandacht”?
Tot slot lezen de leden van de CDA-fractie dat door het uitvoeren van jaarlijkse risicoanalyses wordt bepaald aan welke handelsstromen extra aandacht moet worden gegeven. Worden prioriteiten gezamenlijk als Europese Unie vastgesteld of bepalen landen dit zelf?
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken rondom de informele OJCS-raad, onderdeel cultuur d.d. 6 maart 2026. Deze leden hebben geen vragen aan de minister.
II Reactie van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderhavige geannoteerde agenda van de informele raad voor cultuur die het Cypriotische EU-voorzitterschap op 6 maart 2026 organiseert in Nicosia. Deze leden hechten aan een kunst- en cultuursector als vrijplaats voor afwijkende meningen, zonder sturing van bovenaf of door buitenlandse techmiljardairs. Deze leden wensen dat musea, podia en andere cultuurinstellingen in staat zijn en blijven om actief en gericht specifieke groepen te laten kennismaken met kunst en cultuur, zoals jongeren, ouderen en nieuwkomers en zij vinden dat Nederland roofkunst, bijvoorbeeld uit voormalig Nederlands Indië moet teruggeven, zodra het land van herkomst maar in staat is om deze roofkunst goed te conserveren. In hoeverre deelt de nieuwe minister voor cultuur deze attitude?
De cultuur en creatieve sector is van essentieel belang in een vrije democratie. Ik sta pal voor artistieke vrijheid van kunstenaars en creatieven. Ik koester onze cultuur, van orkesten en musea van wereldklasse tot een bruisende volkscultuur. Bij cultuurbeleid heb ik extra aandacht voor talentontwikkeling, muziekscholen en landelijke dekking van cultuurvoorzieningen.
Als het gaat om collecties met een koloniale context dan wil ik het Nederlandse beleid voortzetten. Dit beleid is gebaseerd op de erkenning van historisch onrecht en de bereidheid dit te herstellen door middel van onvoorwaardelijke teruggave van cultuurgoederen die onvrijwillig zijn verloren, zoals beschreven in de Beleidsvisie collecties uit een koloniale context (2021).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de ambtsvoorganger van de nieuwe minister bij de bescherming van culturele rechten benoemde als Nederlandse inzet het recht om cultuur te maken, de vrijheid van artistieke expressie en de bevordering van toegankelijkheid van cultuur als fundamenteel onderdeel van onze cultuur. Deze leden waarderen deze inzet en hopen op brede steun van de lidstaten. Tegelijkertijd vragen zij hoe de minister recht wil en kan doen aan deze inzet, nu het coalitieakkoord van de nieuwe regering geen cent extra uittrekt voor het cultuurbeleid, in een tijd dat de prijzen stijgen, wat de cultuursector herhaaldelijk treft met «stille bezuinigingen». Wat is de reactie van de nieuwe minister op deze vraag?
Ik ga mij als minister inspannen om de Nederlandse inzet voort te zetten. Deze inzet ziet op het recht om cultuur te maken, de vrijheid van artistieke expressie te beschermen en op de bevordering van toegankelijkheid van cultuur als fundamenteel onderdeel van onze samenleving. Ik snap de zorg die de fractieleden van Groenlinks-PvdA naar voren brengen rond de beschikbare middelen, maar ik zal binnen de bestaande financiële kaders alles doen wat in mijn mogelijkheid ligt om de vrijheid van artistieke expressie en het recht om cultuur te maken en aan cultuur deel te nemen, te bevorderen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstige zorgen over de manier waarop in Europa beledigingen en bedreigingen van kunstenaars in rap tempo normaliseren, sommige politici met scoringsdrang nog olie op het vuur gooien en de artistieke vrijheid zo in gevaar komt. Ook de Raad voor Cultuur heeft in zijn recente advies Maken (z)onder druk gewaarschuwd voor een oplopende maatschappelijke druk op de artistieke vrijheid, die de afgelopen tijd werd gevoeld bij de ophef over recente kwesties en de politieke reacties daarop.1 De vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft d.d. 5 februari 2026 de minister gevraagd om een kabinetsreactie en deze leden wachten in het bijzonder met belangstelling af hoe de minister reageert op de aanbeveling dat het Thorbecke-adagium “dat de Regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst”2 in de wet verankerd moet worden, bijvoorbeeld in de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Kan de minister nu echter al uiteenzetten hoe zij staat tegenover het Thorbecke-adagium en wat deze attitude moet betekenen voor de wijze waarop en de mate waarin politici zich uitspreken over kunstuitingen? In hoeverre zal zij dit adagium ook hanteren als richtsnoer bij haar inbreng bij de onderhavige informele raad voor cultuur?
Onafhankelijkheid van de kunsten is een groot goed. Dit is sinds jaar en dag ook een belangrijk basisbeginsel in het Nederlandse cultuurbeleid. Ik ben blij met het advies van de Raad voor Cultuur, dat terecht aandacht vraagt voor de artistieke vrijheid. Ik verwacht rond de zomer te reageren op de aanbevelingen van de Raad voor Cultuur, waaronder ook het advies het Thorbecke-beginsel in de wet te verankeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat dat bij het tegengaan van illegale handel in culturele goederen de inzet van de ambtsvoorganger van de nieuwe minister was om ervaringen te delen over het tegengaan van de illegale handel in cultuurgoederen. De geannoteerde agenda meldt dat bij de uitvoering van het beleid speciale aandacht gaat naar risicolanden in een lokale of regionale crisis en landen in conflict. Hierbij worden Irak, Syrië en Oekraïne genoemd. Deze leden kunnen de aandacht voor culturele goederen uit Oekraïne begrijpen: zij kennen berichten dat Russische militairen op grote schaal kunstvoorwerpen weghalen uit Oekraïne en overbrengen naar de Krim. Onder meer uit het Nationaal Historisch en Archeologisch Kamyana Mohyla Museum, nabij Zaporizja, hebben dezen recent tal van kunstvoorwerpen geroofd. In dit museum bevinden zich duizenden petroglyphen (rotstekeningen) die dateren uit het late paleolithicum tot de middeleeuwen. De vindplaats wordt vaak het Stonehenge van Oekraïne genoemd en sinds 2006 streeft het reservaat ernaar om op de Werelderfgoedlijst van UNESCO te worden geplaatst. Steunt het kabinet Oekraïne ook in dit streven?
Het is aan het Werelderfgoedcomité en de adviserende organen van UNESCO om een eventuele toelating van deze site te beoordelen. Nederland heeft geen zitting in dit Comité. Nederland ondersteunt in algemene zin een gebalanceerde Werelderfgoedlijst en het behoud van erfgoed in Oekraïne.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de inzet van het kabinet is met betrekking tot culturele goederen uit West-Papoea. Veel waardevolle culturele goederen van de oorspronkelijke bewoners van West Papoea, de Papoea’s, zijn – te vaak als roofkunst – in Nederland terecht gekomen, en deze leden vragen of overdracht van zulke roofkunst aan de Indonesische regering voldoende rekening houdt met het conflict in West-Papoea. Wil het kabinet zich tot het uiterste inspannen om daarmee rekening te houden? In hoeverre verbindt de nieuwe minister aan zulke complexe conflictsituaties consequenties voor haar inzet bij de onderhavige informele raad voor cultuur?
Verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen met een koloniale context kunnen worden ingediend door een andere Staat. Deze verzoeken worden voor advies voorgelegd aan de onafhankelijke Commissie Koloniale Collecties. Als de Commissie vaststelt dat er sprake is van onvrijwillig bezitsverlies dan worden de cultuurgoederen onvoorwaardelijk teruggegeven aan de verzoekende Staat. In dialoog met de Staat kunnen andere relevante belangen zoals de betekenis voor betrokken gemeenschappen, worden besproken.
Het Cypriotisch voorzitterschap wil zich in verband met de aanpak van bestrijding van de illegale handel in cultuurgoederen richten op hoe ‘due dilligence’ (het betrachten van de nodige zorgvuldigheid) beter gestructureerd kan worden, en hoe AI en technische innovatie hierbij gebruikt kunnen worden. Ik vind dit een interessante ontwikkeling die ik graag zal volgen, zowel vanwege de eventuele extra mogelijkheden bij herkomstonderzoek in relatie tot hedendaagse illegale handel als bij collecties met een koloniale context.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda van de informele OJCS-raad. Er staan twee onderwerpen op de agenda ten eerste het beschermen van culturele rechten en ten tweede de noodzaak om illegale handel in culturele goederen tegen te gaan.
De leden van de CDA-fractie vragen of de minister kan toelichten of de douane voldoende expertise heeft om te beoordelen of culturele goederen illegaal verhandeld worden. Tevens vragen deze leden hoe deze expertise op peil wordt gehouden.
De Douane vervult bij de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen de rol van eerstelijnstoezichthouder: zij controleert in- en uitvoer, signaleert risico’s, beoordeelt documentatie en grijpt in bij vermoedens van overtreding. Voor de inhoudelijke, specialistische beoordeling van de aard, herkomst en beschermde status van cultuurgoederen kan zij terugvallen op de expertise van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed van het ministerie van OCW. In dit zogenoemde huisarts-specialistenmodel fungeert de Douane als ‘poortwachter’ met voldoende basiskennis, risicogerichte training en juridische expertise om verdachte zendingen te herkennen en adequaat te handelen. De erfgoedspecialisten worden ingeschakeld voor verdiepende beoordelingen en advies. Door de in het convenant tussen de Douane en de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed vastgelegde taakverdeling, structurele kennisuitwisseling en gezamenlijke opleidingen blijft de deskundigheid van de Douane op peil en beschikt zij over voldoende kennis om haar rol binnen de huidige samenwerking effectief te vervullen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er in de uitvoering van dit beleid speciale aandacht is voor risicolanden die verwikkeld zijn in een lokale of regionale crisis of die in conflict zijn. Kan de minister nader duiden waar zij op doelt met de term “speciale aandacht”?
Cultuurgoederen kunnen onder de Erfgoedwet en onder de sanctiemaatregelen Irak 2004 II, Syrië 2012 en sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014 vallen. De Douane controleert bij het binnenbrengen en bij de invoer in het vrije verkeer van de EU via Nederland of cultuurgoederen onrechtmatig buiten het grondgebied van een verdragsstaat zijn gebracht, voor uitvoer of eigendomsoverdracht. Ook controleert de Douane of zij onrechtmatig uit een bezet gebied ten tijde van gewapend conflict werden weggevoerd. In het kader van sanctiemaatregelen controleert de Douane of cultuurgoederen die worden binnengebracht of ingevoerd in het vrije verkeer van de EU vallen onder de bepalingen van sanctiewetgeving Irak, Syrië danwel Oekraïne. In het kader van de Erfgoedwet controleert de Douane tevens of een vergunning nodig is bij uitvoer of bij uitgaan van cultuurgoederen uit de EU via Nederland en zo ja, of een juiste vergunning is verleend.
Bij de uitvoering van haar taken werkt de Douane samen met de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. Jaarlijks wordt, in samenwerking met de Inspectie, een thema bepaald. Dit gebeurt doorgaans aan het begin van het jaar. Door oorlogsgeweld en de toegenomen geopolitieke spanningen is destijds besloten om speciale aandacht te besteden aan twee thema’s: Oekraïne en het Midden-Oosten. Voor Oekraïne betreft het de continuering van het thema sinds 2023. Daarbij is kritisch gekeken naar trefwoorden en landen in de profilering die de Douane in staat stelt zendingen te identificeren. Voor het thema Midden-Oosten werd geprofileerd op landen rond de Rode Zee en Israël, doorvoerlanden (voor sanctiemaatregelen Rusland, Syrië en Irak) en landen die rijk zijn aan (archeologisch) erfgoed en kwetsbaar zijn voor illegale handelingen rondom opgravingen.
Tot slot lezen de leden van de CDA-fractie dat door het uitvoeren van jaarlijkse risicoanalyses wordt bepaald aan welke handelsstromen extra aandacht moet worden gegeven. Worden prioriteiten gezamenlijk als Europese Unie vastgesteld of bepalen landen dit zelf?
Het staat de lidstaten vrij de eigen prioriteiten vast te stellen en de handhaving daarop in te richten. Dit gebeurt naast de handhavingsactiviteiten die voortvloeien uit Europese verordeningen die wettelijke verplichtingen stellen aan bepaalde goederen(stromen). Wel wordt er wederzijds informatie gedeeld tussen lidstaten onderling.
Kamerstuknummer 2026Z01245.↩︎
De minister van Binnenlandse Zaken, Jan Roelof Thorbecke:
“Ik zal niet zeggen dat ik er geen belang in stel: een groot deel van mijn leven was daaraan gewijd. Maar het is geen zaak van regering. De Regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst.” (Handelingen der Tweede Kamer, 1862-63, blz. 36.)↩︎