Minimum vermogensbelasting van 2% voor zeer vermogende personen
Brief regering
Nummer: 2026D10396, datum: 2026-03-06, bijgewerkt: 2026-03-06 16:41, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Onderdeel van zaak 2026Z04599:
- Indiener: E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
Tijdens het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 op 19 januari jl. heeft het lid Stultiens (GL-PvdA) aan mijn ambtsvoorganger gevraagd hoeveel het voorstel van de Franse econoom Gabriel Zucman voor een wereldwijde minimumbelasting van zeer vermogenden voor Nederland zou kunnen opleveren, of dat juridisch haalbaar is en wanneer dit uitvoerbaar is. Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd voorafgaand aan het Commissiedebat Fiscaliteit uw Kamer hierover een brief te sturen. Met deze brief geef ik invulling aan deze toezegging.
Het voorstel van Zucman houdt in dat huishoudens met een vermogen van € 100 miljoen of meer1, jaarlijks een minimumbedrag aan belasting2 zouden moeten betalen dat overeenkomt met 2% van de totale nettowaarde van hun bezittingen. Als de betaalde belasting in een bepaald jaar lager uitkomt, dan dient het verschil te worden aangevuld. Zucman stelt idealiter een wereldwijde minimum vermogensbelasting voor zeer vermogende personen voor3, maar zolang dat niet lukt dan kunnen landen ook unilateraal een minimumbelasting in te voeren. Om te voorkomen dat zeer vermogende personen gaan emigreren en er een kapitaalvlucht ontstaat, kan dan tevens een verlengde belastingplicht worden ingevoerd voor zeer vermogende personen die een aantal decennia in een land met de minimum vermogensbelasting hebben gewoond en emigreren naar een land zonder een dergelijke minimumbelasting of een ander voordeliger belastingregime.
Een rechtvaardig belastingstelsel heft naar draagkracht. Dat impliceert dat mensen met meer inkomen of vermogen, ook meer belasting betalen. Het voorstel van Zucman is op papier een logische manier om ervoor te zorgen dat mensen met veel vermogen jaarlijks tenminste minimumpercentage van hun vermogen aan belasting betalen. Vertaald naar de Nederlandse situatie wordt dan gekeken wat personen in een jaar aan loon- en inkomstenbelasting (inclusief premies sociale verzekeringen) hebben betaald en als dat minder is dan 2% van iemands totale (netto) vermogen, wordt het verschil bij geheven. Het is wel een heel andere manier van belasting heffen dan we in Nederland gewend zijn en brengt uitdagingen met zich mee. Dat geldt ook voor het daarnaast invoeren van een verlengde minimumbelastingplicht voor een aantal jaren (bijvoorbeeld 5 of 10 jaar) voor zeer vermogende personen die emigreren. Daar ga ik in deze brief graag nader op in.
Schattingen over de potentiële opbrengst van zo’n minimum vermogensbelasting zijn op dit moment niet goed mogelijk. De uitdagingen die het voorstel van Zucman met zich meebrengen, zijn grotendeels dezelfde als die bij een voorstel voor een generieke brede vermogensbelasting. Voor een serieuze raming van de mogelijke opbrengst van zowel Zucmans voorstel als een generieke brede vermogensbelasting moeten de nodige keuzes over de vormgeving worden gemaakt en daarnaast veronderstellingen over gedragseffecten. Het vergt daarbij informatie die niet voorhanden of makkelijk te krijgen is, zoals kennis over alle soorten vermogens van deze huishoudens inclusief het buitenlands vermogen en in welke landen dit vermogen zich bevindt, de nettowaarde ervan, en hoe de grondslag van de vermogensbelasting er uiteindelijk uit komt te zien. Ook de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid hangen af van de vormgeving. Om goed antwoord te kunnen geven op de vragen van de heer Stultiens zou een wetgevingstraject nodig zijn. Dat licht ik in deze brief graag toe.
Graag wil ik ook benadrukken dat Nederland zich de afgelopen jaren actief heeft ingezet op het tegengaan van de mogelijkheden voor multinationale ondernemingen om hun effectieve belastingdruk te verlagen en in navolging daarvan zich ook actief inzet op internationale samenwerking in de aanpak van belastingontwijking door zeer vermogenden. Dit om een zo breed mogelijk internationaal draagvlak voor de aanpak en een gelijk internationaal speelveld te creëren en wat de ontwikkelingen en Nederlandse inspanningen daarin zijn. Constructief deelnemen in internationale samenwerking is ook waar het coalitieakkoord toe oproept. Ook is internationaal verband veel belangstelling voor het vele onderzoek dat in Nederland is gedaan naar het belasten van vermogen en vermogende personen en maatregelen ter verbetering van het herstel in het evenwicht in het belasten van arbeid en vermogen. Nederland deelt deze onderzoeksresultaten en aanpak actief in met name OESO-verband. Daarnaast bevat de Voorjaarsnota sinds 2023 een bijlage met relevante figuren en cijfers over de vermogensverdeling. Inzicht in de vermogensverdeling kan immers bijdragen aan het verder verrijken van de informatie die het kabinet, de coalitie en de oppositie heeft bij belangrijke besluitvormingsmomenten. Het CBS zorgt voor actualisatie van deze informatie, zo ook dit jaar. Daarnaast onderschrijft het kabinet het belang van de ontwikkeling van goede data over vermogens. Hoewel de vermogensstatistieken van het CBS ook internationaal bezien van hoge kwaliteit zijn, blijkt het niet altijd goed mogelijk om alle vormen van vermogen goed waar te nemen. Dat heeft alles te maken met de wijze waarop (inkomen uit) vermogen wordt belast in Nederland zoals in deze brief wordt toegelicht. Ik ondersteun daarom ook een voortdurende verbetering van de al hoge kwaliteit van de vermogensstatistiek.
Ik ga hierna achtereenvolgens in op wat het voorstel van Zucman behelst, hoe dat voorstel zich verhoudt tot het Nederlandse belastingstelsel, wat mogelijke alternatieven zijn, hoe het huidige kabinet de belastingdruk van zeer vermogenden beziet en wat de Nederlandse inspanningen zijn op dit onderwerp in de internationale samenwerking.
Zucman-tax
Zucmans voorstel houdt in dat mensen met minstens € 100 miljoen aan netto vermogen jaarlijks een bedrag aan individuele belasting betalen dat minimaal 2% van hun vermogen bedraagt. Als de betaalde inkomstenbelasting lager is dan 2%, dan dient een bedrag bijgeheven te worden zodat de betaalde belasting alsnog uitkomt op 2% van het totale vermogen. Als deze huishoudens wel minstens 2% van hun vermogen aan inkomstenbelasting betalen dan volgt er geen bijheffing.
De gedachte achter Zucmans voorstel is dat juist de allerrijksten de (progressieve) inkomstenbelasting in bestaande belastingstelsels waaronder die in Nederland, grotendeels kunnen ontlopen. Dit komt omdat het inkomen van de allerrijksten grotendeels uit inkomen uit aandelenbezit bestaat, terwijl dat voor 99% van de mensen inkomen uit arbeid betreft. Zucman kijkt naar alle directe belastingen die personen in een jaar hebben betaald, en als dat lager is dan de genoemde 2% dan moeten deze personen het verschil bijbetalen om de drempel van 2% te bereiken.
Idealiter stelt Zucman een wereldwijde minimum vermogensbelasting voor de allerrijksten voor. Zolang dat niet lukt, kunnen landen volgens hem ook unilateraal overgaan tot invoering van een minimumbelasting. Om te voorkomen dat zeer vermogenden de minimale belasting van 2% ontlopen door naar landen te verhuizen die niet meedoen aan de minimumbelasting, stelt Zucman voor om deze vermogende personen na emigratie nog enkele jaren (bijvoorbeeld 5 of 10 jaar) te blijven belasten alsof ze nog ingezetenen zijn van het land waaruit zij emigreren. Dit kan omschreven worden als een ‘trailing tax' op het vermogen.4 De trailing tax zou alleen gelden voor vermogende personen die al lange tijd (een aantal decennia of meer) in een land van waaruit ze emigreren hebben gewoond; nationaliteit zou in dit systeem irrelevant zijn.
Zucman stelt dat een minimumbelasting vanaf een bepaalde omvang van vermogen (waarbij hij de vermogensgrens bewust heel hoog legt zoals € 100 miljoen) garandeert dat er dan veel vermogen aanwezig is om bij te dragen aan een jaarlijkse minimum aan ‘personal taxes’. Of dat vermogen nu liquide is of niet, is volgens Zucman niet iets om rekening mee te houden met een dermate groot vermogen. Het anders behandelen van illiquide vermogen lokt immers belastingarbitrage uit en zeer vermogenden zijn prima instaat om desnoods een deel van hun vermogen liquide te maken om de verschuldigde belasting van 2% te betalen. Een anticumulatiebepaling met de betaalde inkomstenbelasting of een koppeling met de hoogte van het daadwerkelijk inkomen dat een persoon in een jaar heeft genoten is in zijn ogen daarom niet nodig. Ook zijn voor zo’n minimumbelasting geen vrijstellingen, uitzonderingen, plafonds of aftrekposten nodig zoals meestal wordt beargumenteerd voor een generieke brede vermogensbelasting. Op die manier blijven de mogelijkheden voor belastingarbitrage beperkt.5 Zucman stelt daarmee anders gezegd dat bij een dergelijk groot vermogen een minimum vermogensbelasting geen inbreuk vormt op iemands eigendom, ook niet als er meer belasting wordt betaald dan er fiscaal gezien aan inkomen genoten is. Dat laatste wijkt af van de wijze waarop in Nederland belasting op inkomen en winst van natuurlijke personen wordt geheven.
Netto bezittingen
Tot het totale netto vermogen van huishoudens in Nederland behoren de netto waarde van de eigen woning, ander particulier vastgoed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang-aandelen, private beleggingen, portfolio-aandelen en spaartegoeden zowel in Nederland als in het buitenland van huishoudens die in Nederland belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting. Het collectief opgebouwde pensioenvermogen van Nederlandse huishoudens kan ook tot de bezittingen van huishoudens worden gerekend, ook al zitten deze vermogens vast in pensioenfondsen en zijn deze niet opeisbaar en vrij te besteden.6 Het inkomen uit al deze vermogens wordt op dit moment belast in een van de drie boxen van de Nederlandse inkomstenbelasting (Wet IB 2001). Ik verwijs voor beschrijving van de wijze waarop het inkomen uit de verschillend vermogenssoorten in Nederland wordt belast, graag naar verschillende relevante rapporten waarin uitgebreid op het belasten van inkomen en vermogen wordt ingegaan.7
Niet-gerealiseerd inkomen en beleggingsverlies en verlies van een onderneming.
Met het recent door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement belast over het particuliere vermogen uit sparen en beleggen, waarbij een vermogensaanwasbelasting geldt voor particuliere spaar- en beleggingsvermogens en een vermogenswinstbelasting voor particulier beleggingsvastgoed en aandelen in start-ups. Bij een vermogensaanwasbelasting wordt de waardeontwikkeling van het vermogen jaarlijks belast. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardeontwikkeling belast bij realisatie, zoals bij verkoop. In beide gevallen worden daarnaast de directe inkomsten, zoals dividend, huurinkomsten en rente, jaarlijks belast.
Verder betaalt in Nederland een ondernemer (rechtsvorm zonder rechtspersoonlijkheid zoals een eenmanszaak, vennootschap onder firma of maatschap) belasting over zijn winst uit onderneming in box 1. Een onderneming die wordt gedreven door middel van een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid (zoals een besloten vennootschap, hierna gemakshalve een bv genoemd) betaalt vennootschapsbelasting over de winst die de bv maakt. Op het moment dat winst uit een bv wordt uitgekeerd aan de aanmerkelijkbelanghouder (ab-houder) wordt die winst belast in box 2 bij de ab-houder. Als een onderneming (fiscaal) verlies lijdt in enig jaar is er ook geen winstbelasting (hetzij winstbelasting in box 1 dan wel vennootschapsbelasting in geval van een bv) in dat jaar verschuldigd.
Vanwege het gebruik van een vermogenswinstbelasting en het feit dat winsten van ondernemingen nogal kunnen variëren en ondernemingen ook verlies kunnen leiden8, kan de betaalde vennootschapsbelasting door ondernemingen en de betaalde inkomstenbelasting door huishoudens van jaar tot jaar ook nogal variëren. Als een vermogend persoon in een bepaald jaar lagere inkomsten geniet en daardoor minder belasting betaalt, kan dat een logisch gevolg zijn van de wijze waarop Nederland inkomens van huishoudens en winsten van ondernemers en ondernemingen belast en niet het gevolg van belastingontwijkend gedrag van personen. Zucman is zich daarvan bewust, maar vindt het niet nodig om met deze schommelingen rekening te houden omdat het grootste deel van het vermogen de meest vermogende personen juist uit het bezit van aandelen bestaat waarvan ingeval van een vermogenswinstbelasting (zoals in box 2 van de Nederlandse inkomstenbelasting) belastingbetaling langdurig kan worden uitgesteld. Zucman stelt dat het grootste deel van de winsten van de allerrijkste aandeelhouders nooit als dividend zal worden uitgekeerd en belast als inkomsten omdat ze hun aandelen aanhouden in een holding en hun vermogen daarin onder hebben gebracht. Ze worden door winstinhouding niet belemmerd in hun uitgaven omdat zij al zoveel vermogen hebben en ze kunnen ook lenen van de eigen bv.
Een generieke brede vermogensbelasting
Als het maatschappelijk wenselijk wordt gevonden dat huishoudens met een vermogen van minstens € 100 miljoen extra worden belast dan zou dat mogelijk gerealiseerd kunnen worden via een generieke vermogensbelasting die voor alle huishoudens vanaf dat vermogen geldt. Voor een ruwe schatting van de opbrengst van een potentiële vermogensbelasting verwijs ik graag naar ‘Keuzes in Kaart 2027-2030’ van het CPB.9 Diverse politieke partijen hebben een vermogensbelasting (met verschillende contouren) opgenomen in hun verkiezingsprogramma en laten doorrekenen door het CPB, waaronder GroenLinks-PvdA. Over elk variant van een brede vermogensbelasting geeft CPB aan dat deze maatregelen juridische en uitvoeringstechnische risico’s met zich meebrengen.10 Juridische risico’s zijn er met name als er geen anticumulatiebepaling met de hoogte van het genoten inkomen of betaalde inkomstenbelasting geldt. Hierboven gaf ik al aan dat een wetgevingstraject nodig is om een raming van de opbrengsten van een brede vermogensbelasting te maken en om deze juridisch aanvaardbaar en uitvoerbaar te laten zijn.
Ik verwijs in dit verband ook graag naar eerdere brieven en beantwoording van vragen uit de Tweede kamer die ingaan op een brede vermogensbelasting en die mijn voorganger Van Oostenbruggen naar uw Kamer heeft gestuurd. Hierin wordt naast de budgettaire en uitvoeringstechnische aspecten ook aandacht besteed aan de juridische risico’s van een dergelijke belasting. Zoals de brief van 18 december 2024 met de stand van zaken wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 311, de antwoorden op schriftelijke vragen van uw Kamer op de brief van 18 december 202412 en de antwoorden op openstaande vragen uit de eerste termijn van de Kamer van het Commissiedebat over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 op 20 februari 2025.13 Wat bij grote vermogens in het bijzonder speelt, is het kunnen vaststellen van de waarde in het economisch verkeer van het vermogen dat in vennootschappen zit. Voor aanmerkelijk belangvermogen - dat verreweg het grootste aandeel in het vermogen van de zeer vermogende personen vormt - waarvan de aandelen niet op de beurs worden verhandeld, zal doorgaans geen marktwaardering voorhanden zijn. Deze aandelen dienen echter wel jaarlijks te worden gewaardeerd ten behoeve van de belastingheffing. Hier zouden regels voor opgesteld moeten worden. Ook dient het vermogen van vennootschappen toegerekend te worden aan achterliggende aandeelhouders om de waarde van hun aanmerkelijk belang te kunnen bepalen. Deze vermogens worden nu niet geadministreerd. De Belastingdienst kan bij de controle daarom niet steunen op contra-informatie. Het UBO-register kan worden beschouwd als een eerste stap, maar dat geldt voor aandelenbezit van 25% en hoger en daarin wordt nog niet de waarde van het aandelenbezit geregistreerd. Ik verwijs hiervoor graag ook naar uitgewerkte maatregelen die zijn opgenomen in de fichebundel van het IBO Vermogensverdeling.14
Met name ook de waardering van vermogensbestanddelen en inzicht in (de netto waarde van) het buitenlands vermogen van personen zal voor de uitvoering een uitdaging zijn. Wat betreft het buitenlandse vermogen van belastingplichtigen is uitgebreide wereldwijde automatische informatie-uitwisseling van voldoende kwaliteit over alle soorten vermogens nodig. Daar zijn in internationaal verband belangrijke stappen mee gemaakt, bijvoorbeeld met bankrekeningen en crypto’s, maar gegevens van veel andere soorten activa, met name buiten de Europese Unie, worden niet op automatische basis uitgewisseld. Het gaat om langdurige trajecten en dit vraagt om goede internationale samenwerking en internationaal duidelijke politieke wil. Nederland stelt zich internationaal constructief op in discussies over het uitwisselen van informatie over vermogen en de uitbreiding daarvan.
Trailing tax
In het voorstel van Zucman gaat een minimumbelasting voor zeer vermogenden gepaard met een verlengde belastingplicht na emigratie, een zogenoemde trailing tax. In de Kamerbrief ‘Vervolgonderzoek trailing tax', naar aanleiding van aangenomen moties en toezeggingen, is mijn voorganger ingegaan op de mogelijkheid van een verlengde belastingplicht in de inkomstenbelasting voor rijke personen die uit Nederland emigreren hierover.15 In deze brief wordt vermeld dat het effect van een verlengde belastingheffing van de Nederlandse inkomstenbelasting beperkt zal zijn, gezien het uitgebreide belastingverdragennetwerk van Nederland waardoor de heffing in veel landen niet kan worden geeffectueerd. Een belangrijk deel van de belastingverdragen die Nederland heeft gesloten zien niet op een vermogensbelasting, omdat Nederland nu geen vermogensbelasting kent. Met name voor verouderde belastingverdragen geldt dat zij wel op het vermogen kunnen zien, waardoor een trailing tax op basis van het vermogen richting die landen niet geëffectueerd kan worden.
Een mogelijk alternatief voor een trailing tax zou een vorm van een exitheffing kunnen zijn om het emigreren naar een laagbelastend land16 te ontmoedigen. Een voorbeeld daarvan is een regeling waarbij zeer vermogende personen die emigreren naar een laagbelastend land aan een exitheffing worden onderworpen die wordt berekend over het vermogen op het moment van vertrek. Een dergelijke exitheffing zou in beginsel verenigbaar moeten zijn met belastingverdragen en kan daarmee effectiever zijn. Wel is het belangrijk dat een dergelijke exitheffing in overeenstemming is met het Europese recht, met name het vrije verkeer van vestiging. Verder spelen hier ook vergelijkbare ontwijkingsmogelijkheden als bij een trailing tax, zoals de mogelijkheid om eerst te verhuizen naar een land met een hogere belastingdruk. Nederland tracht in huidige wetgeving belastingclaims op in Nederland op gebouwd vermogen (zoals aanmerkelijk belang, pensioenen of lijfrenten) veilig te stellen met de conserverende aanslag bij emigratie.17
Internationale samenwerking
Zeer vermogende personen hebben veelal ook vermogen in andere landen. Nederland heeft zich de afgelopen jaren ingezet op het tegengaan van de mogelijkheden voor multinationale ondernemingen om hun effectieve belastingdruk te verlagen. Ook zeer vermogende personen hebben hiervoor mogelijkheden. Internationale samenwerking op het tegengaan van mogelijkheden voor zeer vermogenden om belasting te ontwijken en daarmee hun effectieve belastingdruk te verlagen, is daarom van groot belang. Daarnaast zorgt internationale samenwerking voor een gelijk speelveld. Het succes van een wereldwijde vermogensbelasting en de opbrengsten daarvan, vallen of staan met hoe de belasting er uit komt te zien en welke landen zo’n belasting invoeren en welke afspraken er verder worden gemaakt. Vooralsnog is er internationaal bepaald geen meerderheid te vinden voor een wereldwijde brede vermogensbelasting of een belasting zoals Zucman die voorstelt.
Nederland is daarom van mening dat met oog op een effectieve aanpak van de effectieve belastingdruk van zeer vermogenden het in de internationale samenwerking van belang is om stap voor stap te werk te gaan en te beginnen met de vraag wat er nodig is om de meest vermogenden in de wereld effectief te belasten. Nederland vindt het bijvoorbeeld belangrijk om te kijken naar mogelijkheden om internationale transparantie over vermogensbezit te vergroten en het waar nodig verbeteren van bestaande internationale informatie-uitwisseling. Ook het adresseren van schadelijke belastingregimes is een belangrijke doelstelling van Nederland. Dergelijke voorstellen zullen in OESO, EU of VN verband ook op meer steun kunnen rekenen dan een roep om een wereldwijde vermogensbelasting. Nederland zet actief in op constructieve internationale samenwerking.
Welke stappen heeft Nederland al gezet
Allereerst heeft Nederland er bij herhaling voor gepleit dat de OESO dit onderwerp oppakt. De OESO is hiermee inmiddels aan de slag, op concreet verzoek van de G20. Ook heeft Nederland samen met Frankrijk het initiatief genomen om fiscaal voordelige regimes voor zeer vermogenden binnen de EU te agenderen. Beide landen hebben samen een non-paper opgesteld over dit onderwerp dat op 31 oktober vorig jaar met uw Kamer is gedeeld. In het afgelopen najaar heeft daarop een discussie met de andere EU lidstaten plaatsgevonden over fiscaal gemotiveerde migratie door personen. Op basis hiervan is duidelijk dat de opvattingen tussen de Europese lidstaten erg verdeeld zijn. Een belangrijk deel van de lidstaten is er niet van overtuigd dat verdere besprekingen hierover toegevoegde waarde hebben. Er is daarom geen steun voor het voorstel van Nederland om de EU gedragscodegroep het mandaat te geven om met dit onderwerp aan de slag te gaan. Het ligt daarnaast niet in de lijn der verwachting dat dit op korte termijn veranderd of dat er anderszins binnen de EU momentum ontstaat om verdere stappen te zetten in de aanpak van fiscaal gemotiveerde migratie door personen. Tegelijkertijd blijft Nederland zich inspannen voor en in discussies op EU- en OESO-niveau, onder andere door een actieve inzet op het onderwerp ‘Tax, Inequality and Growth’ bij de OESO.
Slotwoord
De belastingdruk van zeer vermogenden heeft de aandacht van dit kabinet. Ik wil daarbij benadrukken dat we in Nederland al veel onderzoek hebben gedaan naar het belasten van vermogen en vermogende personen en dat afgelopen jaren ook de nodige maatregelen zijn genomen in het herstel van het evenwicht in het belasten van arbeid en vermogen. Een van de belangrijkste maatregelen betrof het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% en het verlagen van de bijbehorende schrijfgrens van € 395.000 naar € 200.000. Ook de invoering van de Wet excessief lenen waardoor leningen van meer dan € 500.000 worden belast in box 2 als dividenduitkering en de introductie van een progressief tarief in box 2 zijn belangrijke maatregelen geweest in het zwaarder belasten van inkomen uit aanmerkelijk belang. De Wet excessief lenen wordt dit jaar geëvalueerd en de introductie van het progressieve tarief in box 2 in 2027.18 Aangenomen mag worden dat deze maatregelen hebben geleid tot een evenwichtiger belastingdruk op de inkomens uit van de meest vermogende huishoudens in Nederland. Het belasten van werkelijk rendement van box 3-vermogen is een belangrijke volgende stap in het evenwichtiger belasten van arbeid en vermogen. Hoewel het kabinet op dit moment geen voornemen heeft om verdere stappen te nemen, heeft de balans tussen het belasten van vermogen en arbeid blijvende aandacht.
Hoogachtend,
| de staatssecretaris van Financiën, Eelco Eerenberg |
|
|---|---|
Zucman kijkt hier naar alle binnenlandse en buitenlandse bezittingen.↩︎
Zucman kijkt naar alle directe belastingen die personen en huishoudens betalen: loonbelasting, inkomstenbelasting (inclusief wettelijke sociale zekerheidspremies), dividendbelasting en kansspelbelasting. Hij neemt voor de Franse situatie ook de Franse rijksbelasting op vastgoed mee. Nederland kent de onroerendezaakbelasting (OZB) op gemeentelijk niveau. Zucman laat het in het midden of hij kijkt naar de betaalde belasting en vermogen op persoonsniveau dan wel huishoudniveau. Verder lijkt hij geen rekening te houden schommelingen in inkomen en dividenduitkeringen van jaar tot jaar waardoor de betaalde belasting in enig jaar fors boven de 2% uit kan komen en het andere jaar eronder. Anders gezegd: hij lijkt geen rekening te houden met carry-back of carry-forward.↩︎
Bijvoorbeeld € 100 miljoen, maar kan ook lager of hoger, in elk geval een zeer hoog vermogen dat alleen voor de rijksten in een land geldt en waar de effectieve belastingdruk op hun inkomen lager is (ingehouden winsten daarbij meegerekend) dan voor alle personen met minder vermogen.↩︎
Het is niet duidelijk of Zucman een minimumbelasting van vermogens op het niveau van het huishouden wil of op het niveau van een persoon. Dat betreft een van de keuzes die moet worden gemaakt.↩︎
Denk hierbij aan uitzonderingen voor bijvoorbeeld ondernemingsvermogen of de eigen woning.↩︎
Vermogensverschil tussen huishoudens kleiner bij meetellen pensioenopbouw, CBS en Kamerstukken II 2022/23, 36 200 IX, 32043, nr.44.↩︎
Zie ‘Syntheserapport Bouwstenen voor een beter belastingstelsel’, 2020; ‘Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling’, IBO vermogensverdeling’ 2022; ‘Belastingen in maatschappelijk perspectief’: Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel, 2024.↩︎
Relevant voor aandeelhouders.↩︎
Keuzes in Kaart 2027-2030 | CPB Website↩︎
De brede vermogensbelastingen die politieke partijen door het CPB hebben laten doorrekenen, leggen de vermogensgrens waarboven de vermogensbelasting geldt wel veel lager dan Zucman.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 216.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 223.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 227.↩︎
Dit alles is uitgebreid uitgewerkt in het fiche 44 uit de fichebundel die als bijlage 15 is gevoegd bij het rapport IBO Vermogensverdeling. Fiche 1 uit deze bundel gaat uitgebreid in op een aandeelhoudersregister. IBO Vermogensverdeling: Licht uit, Spot aan: de Vermogensverdeling. Kamerstukken II 2021/22, 35925 IX, nr. 38. p. 45 en 96↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 25 087, nr. 356↩︎
Niet te verwarren met de lijst van laagbelastende landen die nu in het kader van de VPB wordt gepubliceerd.↩︎
Een conserverende aanslag is een "exit tax" van de Belastingdienst die wordt opgelegd bij emigratie om belastingclaims op in Nederland opgebouwd vermogen (zoals aanmerkelijk belang, pensioenen of lijfrenten) veilig te stellen. Deze aanslag (meestal 10 jaar geldig) hoeft vaak niet direct te worden betaald, tenzij voorwaarden worden geschonden, zoals bij vervreemding van aandelen of afkoop van pensioen. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is ook een regeling uitgewerkt waarin een belastingplichtige bij emigratie wordt geacht bepaalde box 3- vermogensbestanddelen per emigratiedatum te hebben vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer. Het gaat hierbij om vermogensbestanddelen die via de vermogenswinstbelasting in de heffing worden betrokken, namelijk onroerende zaken en aandelen in innovatieve start-ups en scale-ups.↩︎
Zie Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid↩︎