[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de Rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs (Kamerstuk 31293-869)

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D11236, datum: 2026-03-11, bijgewerkt: 2026-03-11 17:08, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z03415:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


31 293 Primair onderwijs

31 497 Passend onderwijs

Verslag van een schriftelijk overleg

Vastgesteld d.d. …

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris d.d. 18 maart 2026 inzake de Rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs (Kamerstuk 31293, nr. 869). Bij brief van ... heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie

Bromet

Adjunct-griffier van de commissie

Van Thiel

Inhoud

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

  • Inbreng van de leden van de D66-fractie

  • Inbreng van de leden van de VVD-fractie

  • Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

  • Inbreng van de leden van de PVV-fractie

  • Inbreng van de leden van de CDA-fractie

  • Inbreng van de leden van de JA21-fractie

  • Inbreng van de leden van de BBB-fractie

II Reactie van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Evaluatie wet Meer ruimte voor nieuwe scholen (hierna: wet MRvNS). Deze leden hechten aan een onderwijsstelsel dat ruimte biedt voor innovatie en nieuwe initiatieven. Tegelijkertijd is het van belang dat nieuwe initiatieven daadwerkelijk bijdragen aan goed onderwijs en niet leiden tot ongewenste effecten op de kwaliteit of tot verdere segregatie. De leden van de D66-fractie achten het van belang dat de bevindingen uit de evaluatie van de wet zorgvuldig worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van het beleid rondom nieuwe scholen. Deze leden hebben daarom de volgende vragen.

De leden van de D66-fractie merken op dat door de wet MRvNS gemeenten minder invloed en zodoende ook minder tijd hebben om huisvesting te organiseren. Het vinden van huisvesting moet plaatsvinden binnen veertien maanden vanaf het moment dat de minister een positief besluit heeft genomen over de aanvraag tot de start van het eerste schooljaar, met mogelijkheid van uitstel van maximaal één jaar. Deze termijn is korter dan vóór de wet MRvNS. In de evaluatie geven zowel gemeenten als initiatiefnemers aan dat het organiseren van huisvesting een uitdaging is. De leden van de D66-fractie vragen het kabinet hoe zij deze signalen beoordeelt en of zij mogelijkheden ziet om de huisvestingsproblematiek te verminderen. Tevens vragen deze leden of het kabinet het wenselijk acht om gemeenten meer ruimte te geven bij het organiseren van huisvesting, bijvoorbeeld door de termijn voor het realiseren van huisvesting te verlengen.

De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat aanvragen voor nieuwe scholen vaak worden ingediend gedurende de periode van de uitvoering van het integraal huisvestingsplan (IHP). Dit huisvestingsplan wordt eens per vier jaar opgesteld door de gemeente en schoolbesturen en bevat afspraken over onderwijshuisvesting, zoals verbouw en nieuwbouw. De komst van nieuwe scholen kan gevolgen hebben voor de uitvoering van deze plannen, bijvoorbeeld voor de mate waarin gemeenten initiatiefnemers kunnen faciliteren of voor de huisvestingsplannen van bestaande scholen. De druk wordt groter naarmate in een gemeente meer aanvragen worden toegekend. Gemeenten kunnen hierin geen regiefunctie uitoefenen en bijvoorbeeld het aantal aanvragen limiteren of wanneer aanvragen erg op elkaar lijken een keuze maken. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden voor de gemeente om in bepaalde gevallen meer regie uit te oefenen over de aanvragen van de nieuwe scholen? En hoe beoordeelt de staatssecretaris de potentiële positieve en negatieve effecten van een dergelijke maatregel?

De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat het onderwijsstelsel bijdraagt aan ontmoeting tussen leerlingen met verschillende achtergronden. Deze leden willen voorkomen dat nieuwe scholen onbedoeld bijdragen aan verdere segregatie in het onderwijs. Uit de evaluatie van Oberon blijkt dat er voorzichtig kan worden aangenomen dat de segregatie na invoering van de wet MRvNS toeneemt, met name in het voortgezet onderwijs. Zo stijgt de dissimilariteit naar inkomen en neemt de kans op interactie voor inkomen en voor herkomst af. Deze ontwikkelingen achten de leden van de D66-fractie zorgelijk. Deze leden vragen het kabinet hoe zij deze bevindingen beoordeelt en of zij aanleiding ziet om aanvullende maatregelen te overwegen om ongewenste effecten op segregatie te voorkomen.

De leden van de D66-fractie merken tevens op dat in de evaluatie van Oberon een aantal conclusies nog niet met zekerheid getrokken kunnen worden om dat vooral in het middelbaar onderwijs het aantal nieuwe scholen te beperkt is. Naarmate meer nieuwe scholen opgericht worden en er een stabielere leerlingenpopulatie ontstaat, kan beter worden beoordeeld wat de effecten zijn van de wet op het onderwijsstelsel en in welke mate de oprichting van nieuwe scholen samenhangt met bijvoorbeeld veranderingen in onder andere segregatie. De leden van de D66-fractie vragen zich derhalve af of de regering van plan is om de wet te blijven evalueren en de Tweede Kamer op de hoogte te blijven stellen van de uitkomsten.

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van het kabinet en de bijbehorende rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs. Deze leden hebben daarbij nog enkele opmerkingen en vragen.

De leden van de VVD-fractie staan pal voor de vrijheid van onderwijs en een divers onderwijsaanbod. Zij zijn blij dat het in Nederland mogelijk is om een school op te richten die het beste past bij de eigen levensovertuiging. Deze leden weten dat de wet MRvNS is ingevoerd om het eenvoudiger te maken nieuwe scholen te stichten en bovenal om het onderwijsaanbod beter te laten aansluiten bij de wensen van ouders (en leerlingen). Daarbij is onder meer de systematiek van de belangstellingsmeting aangepast en is het relatief eenvoudiger geworden een nieuwe school op te richten. De waarborgen van een kwaliteitstoets door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) bieden daar enige demping, zo weten deze leden, maar toch is het aantal nieuwe scholen fors toegenomen.

De leden van de VVD-fractie maken zich daarbij zorgen over de onvoorziene neveneffecten van de wet MRvNS. Er is onder andere druk ontstaan op onderwijshuisvesting en het aantal beschikbare leerkrachten, maar de wet brengt ook risico’s op segregatie mee. Deze leden vragen de staatssecretaris of zij die zorgen deelt. Hoe beoordeelt zij de uitvoering van de wet en in hoeverre worden de oorspronkelijke doelstellingen van de wet gerealiseerd, zo vragen deze leden. Leidt de wet concreet tot een onderwijsaanbod dat beter aansluit bij de wensen van ouders? En is dat volgens de staatssecretaris in balans met de neveneffecten, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De leden van de VVD-fractie zijn tevreden over de ambitie in het regeerakkoord om de bestaande wetgeving te herzien teneinde de negatieve effecten daarvan weg te nemen. Deze leden vragen de staatssecretaris op welke termijn zij de daarvoor benodigde wetswijziging naar de Kamer zal sturen. Voorts vragen deze leden of de staatssecretaris al enige contouren kan schetsen over de voorgenomen herziening van de wet. Zij zijn benieuwd of het kabinet daarbij de stichtingsprocedure in zijn totaliteit gaat wijzigen of slechts scherpere randvoorwaarden gaat stellen, bijvoorbeeld rondom de medezeggenschap van de gemeenteraad. Is, en zo ja, hoe, de staatssecretaris voornemens om de bevindingen uit de voorliggende evaluaties mee te nemen in de herziening, vragen de leden van de VVD-fractie zich tot slot af.

De leden van de VVD-fractie hebben ook kennisgenomen van het onderzoek naar zogenaamde dislocaties in het primair onderwijs. Uit dit onderzoek blijkt dat er honderden niet-erkende onderwijslocaties bestaan waar onderwijs wordt gegeven waarbij deze locaties geen formele erkenning hebben. Deze leden snappen dat dislocaties voordelen kunnen hebben bij ruimtegebrek of bij een snelle groei van het aantal leerlingen. Tegelijkertijd constateren zij dat dislocaties soms een meer zelfstandig karakter hebben gekregen dan oorspronkelijk was bedoeld. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de staatssecretaris deze ontwikkeling beoordeelt. Acht zij het wenselijk dat dislocaties soms langdurig functioneren zonder formele status, zo willen deze leden weten.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie in hoeverre dislocaties kunnen worden gebruikt dan wel misbruikt om de stichtingsprocedure voor nieuwe scholen te omzeilen. Ziet de staatssecretaris naar aanleiding van het onderhavige rapport een reden om nader te kijken naar het (juridisch) kader rond dislocaties?

Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs. Deze leden vragen zich af wanneer de staatssecretaris gaat starten met de herziening van de wet MRvNS, gezien in het coalitieakkoord ‘Aan de Slag!’ is opgenomen dat de wet zorgt voor “onvoorziene problemen” en daarom “zo snel mogelijk” moet worden herzien.1 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen over knelpunten die zij constateren in de wet.

Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben al vaker hun zorgen geuit over de beperkte inspraak van gemeenten en het ontbreken van de lokale context bij het bekostigingsbesluit, wat wordt onderbouwd door bevindingen in de evaluatie van de wet. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat gemeenten, en daarmee de lokale context, voldoende worden meegenomen bij een bekostigingsbesluit? Daarnaast maken deze leden zich zorgen over de segregatie in het onderwijs als gevolg van de stichting van nieuwe scholen. Een van de grootste problemen in ons onderwijs zijn de enorme verschillen in kwaliteit tussen scholen. Deze leden vinden dat de staatssecretaris zich moet inzetten om deze verschillen juist te verkleinen. Kan de staatssecretaris reflecteren op hoe zij verschillen in onderwijskwaliteit probeert te verminderen en hoe zich dat verhoudt tot de wet MRvNS?

Startbekostiging nieuwe scholen

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de kosten voor het starten van een nieuwe school veel hoger zijn dan de startbekostiging die zij daarvoor krijgen, in het bijzonder voor scholen in het primair onderwijs (po). Deze leden lezen dat po-scholen een startbekostiging van € 19.000 ontvangen, terwijl de werkelijke kosten naar schatting rond de € 42.000 liggen. Hoe rechtvaardigt de staatssecretaris dit verschil tussen de verstrekte bekostiging en de reële opstartkosten? Klopt het beeld van deze leden dat de huidige systematiek een barrière opwerpt voor minder kapitaalkrachtige initiatiefnemers, waardoor het feitelijk enkel voor vermogende initiatiefnemers of grote besturen mogelijk is om een nieuwe school te stichten? Neemt de staatssecretaris dit gegeven mee in de aanpassing van de wet MRvNS? Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat het stichten van scholen niet per se makkelijker wordt, maar in ieder geval wel toegankelijk voor iedereen in plaats van alleen voor kapitaalkrachtigen?

Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat een derde van de scholen die startbekostiging ontvingen, feitelijk geen nieuwe school startten, maar dat het een verzelfstandiging van een bestaande nevenvestiging betrof. Deze scholen hebben formeel recht op startbekostiging, maar maken in de praktijk nauwelijks extra kosten. Deze leden vinden dit een allesbehalve doelmatige besteding van publiek onderwijsgeld en vragen de staatssecretaris hierop de wet aan te passen. Deze leden willen graag weten hoeveel financiële middelen er naar scholen zijn gegaan die dit eigenlijk niet nodig hadden.

Dislocaties gelokaliseerd

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met zorg kennisgenomen van het onderzoek naar zogenoemde dislocaties. Hoe reflecteert de staatssecretaris op de “aanzienlijke knelpunten” van het systeem van dislocaties, zoals het ondermijnen van de stichtings- en opheffingssystematiek op landelijk niveau, het niet ontvangen van een vaste voet, het niet goed terechtkomen van achterstandsmiddelen en subsidies, de beperkte informatievoorziening vanuit DUO en het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) en de inefficiënte verdeling van leerlingen en onderwijspersoneel? Hoe en op welke termijn gaat de staatssecretaris deze knelpunten aanpakken?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien wel dat dislocaties een oplossing kunnen zijn voor het bieden van onderwijs aan nieuwkomers, waarbij het leerlingenaantal vaak fluctueert. Anderzijds hebben deze leden ook signalen ontvangen dat locaties die nieuwkomersonderwijs geven graag een eigen BRIN-nummer zouden willen ontvangen. Op dit moment vallen scholen die nieuwkomersonderwijs geven vaak onder het BRIN-nummer van een reguliere school met een hele andere populatie, wat er ook voor kan zorgen dat zij bepaalde financiële middelen (zoals achterstandsgelden) mislopen. Kan de staatssecretaris reflecteren op deze suggestie van het verstrekken van een BRIN-nummer aan scholen die voorzien in nieuwkomersonderwijs?

Inbreng van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs. Deze leden hebben hierover enkele vragen.

Allereerst vragen de leden van de PVV-fractie aan de staatsecretaris welke conclusies zij uit deze rapporten haalt en in hoeverre zij voornemens is de daarin opgenomen bevindingen en aanbevelingen te betrekken bij eventuele aanpassingen van het huidige beleid.

Rapport Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen (Oberon)
De leden van de PVV-fractie lezen dat het aantal nieuw gestichte basisscholen sinds de invoering van de wet MRvNS aanzienlijk is toegenomen. Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel nieuwe scholen er jaarlijks zijn gestart vóór en na invoering van deze wet? Deze leden lezen dat sommige schoolbesturen in de omgeving waar nieuwe scholen vestigen zich zorgen maken over het voortbestaan van hun scholen. Deelt de staatssecretaris deze zorg?

De leden van de PVV-fractie constateren dat binnen de nieuw gestichte basisscholen het aandeel islamitische scholen relatief groot is. Deze leden vragen de staatssecretaris om een totaaloverzicht van het aantal islamitische scholen in Nederland, uitgesplitst per jaar. Daarnaast verzoeken deze leden aan te geven hoeveel aanvragen voor islamitische scholen momenteel nog in behandeling zijn. Tevens vragen zij om inzicht te geven in het aantal leerlingen dat onderwijs volgt op islamitische scholen.

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie de staatssecretaris te onderzoeken in hoeverre islamitische scholen bijdragen aan segregatie in het onderwijs. Ook willen deze leden weten of de staatssecretaris de zorg deelt dat het oprichten van religieuze scholen, en met name islamitische scholen, kan leiden tot verdere scheiding van kinderen op basis van afkomst en religie, en hoe dit zich verhoudt tot het streven naar integratie en gedeelde Nederlandse waarden. Bovendien vragen zij of strengere eisen nodig zijn voor de oprichting van islamitische scholen.

Verder vragen de leden van de PVV-fractie de staatssecretaris toe te lichten hoe wordt gecontroleerd dat op deze scholen onderwijs wordt gegeven dat in lijn is met de Nederlandse rechtsstaat en democratische waarden en hoe de uitvoering van burgerschapsonderwijs wordt gewaarborgd.

Rapport Startbekostiging Nieuwe Scholen (SEO)

De leden van de PVV-fractie concluderen dat uit de evaluatie blijkt dat gemeenten vaak slechts ongeveer veertien maanden hebben om de huisvesting voor nieuwe scholen te regelen. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe realistisch deze termijn in de praktijk is. Daarnaast vragen zij of het klopt dat bij een groot deel van de nieuwe scholen de huisvesting bij de start afwijkt van de afspraken met de gemeente. Zo ja, wat betekent dit volgens de staatssecretaris voor de uitvoerbaarheid van het gemeentelijk huisvestingsbeleid voor scholen?

Rapport Dislocaties Gelokaliseerd (Oberon)
De leden van de PVV-fractie lezen dat er honderden dislocaties bestaan waar onderwijs wordt gegeven zonder dat deze locaties wettelijk zijn vastgelegd. Deze leden vragen de staatsecretaris hoe het komt dat het ministerie jarenlang geen volledig overzicht heeft gehad van deze locaties. Ook vragen zij de staatssecretaris om aan te geven hoeveel van deze dislocaties feitelijk functioneren als zelfstandige school.

De leden van de PVV-fractie vragen de staatssecretaris om te bevestigen dat dislocaties soms worden gebruikt om de stichtingsprocedure voor nieuwe scholen te omzeilen. Zo ja, deelt de staatssecretaris de mening dat hierdoor een ongelijk speelveld ontstaat tussen nieuwe en bestaande schoolbesturen en is de staatssecretaris bereid om de regelgeving rond dislocaties aan te scherpen zodat duidelijk is waar onderwijs wordt gegeven en onder welke voorwaarden?

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid enkele aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen over de evaluatierapporten naar aanleiding van de wet MRvNS.

De wet MRvNS is in 2020 ingegaan voor het voortgezet onderwijs en in 2021 voor het basisonderwijs. De belangrijkste aanpassingen zijn de manier waarop gekeken wordt of er voldoende belangstelling is voor een nieuwe school en het feit dat vooraf wordt bezien of de nieuwe school voldoende kwaliteit kan bieden. Een wijziging in de wet was mede gewenst omdat de pluriformiteit van het scholenaanbod onder druk stond. Vindt het kabinet dat je nu kunt concluderen dat er een meer pluriform aanbod van scholen is? Waarom wel of waarom niet?

Het doel van de wet is om de randvoorwaarden te creëren voor een toekomstbestendig, kwalitatief goed en gevarieerd onderwijsaanbod dat aansluit bij de wensen van ouders en leerlingen. Kan het kabinet aangeven of zij vindt dat de doelstelling gehaald is?

Evaluatie Wet Meer ruimte voor nieuwe scholen. Eindrapportage 2026

De leden van de CDA-fractie begrijpen – onder andere uit de eindrapportage 2026 – dat gemeenten vinden dat hun zienswijze en lokale context niet voldoende wordt meegenomen in bekostigingsbesluit. Kan het kabinet toelichten of er hierbij sprake is van een verschil tussen grotere en kleinere gemeenten? Zijn er verschillen tussen gemeenten in de randstad en in de regio? Wordt hier met “de lokale context” vooral het tijdig organiseren van huisvesting bedoeld of speelt er meer? Zo ja, kan de regering dit toelichten? Wat zijn de belangrijkste knelpunten voor gemeenten bij de uitvoering van het integraal huisvestingsplan als gevolg van deze nieuwe procedure om een school te stichten?

De leden van de CDA-fractie lezen dat ruim een op de tien initiatiefnemers voor nieuwe scholen een afwijzing op basis van een negatief advies van de inspectie naar aanleiding van de kwaliteitstoets ontvangt. De meeste afwijzingen op grond van onderwijskwaliteit komen door tekortkomingen in de uitwerking van het burgerschapsonderwijs. Kan het kabinet toelichten waarom dit juist op dit specifieke punt het geval is?

Verzelfstandigingen en splitsingen ervaren het aanvraagproces doorgaans negatiever dan initiatiefnemers voor nieuwe scholen. Het aanleveren van de benodigde documenten wordt als onnodige administratieve last ervaren omdat de scholen vanuit een bestaande situatie werken. Wat is een veelvoorkomende reden dat scholen willen verzelfstandigen of afsplitsen? Kan het kabinet wat meer achtergrond schetsen.

De kwaliteitsonderzoeken in het eerste schooljaar laten een overwegend positief beeld zien, waarbij zes van de zeven nieuwe vo-scholen in 2023 en 2024 een voldoende kregen en het merendeel van de basisscholen haalde ook een voldoende. Is bekend hoe gemeenten en basis-en vo-scholen elkaar na het startjaar waarderen? Of blijven huisvestingsproblemen doorlopend een probleem tussen schoolbesturen en de gemeente?

In de memorie van toelichting bij deze wet wordt benadrukt dat het onder de oude procedure vrijwel onmogelijk was om een nieuwe school op te richten. Met de invoering van de nieuwe wet zijn er aanzienlijk meer nieuwe basisscholen gesticht dan voorheen. Kan het kabinet schetsen of er achterliggende motieven zijn om een eigen basisschool op te richten naast een religieuze of levensbeschouwelijke motivatie? En, zo vragen deze leden zich af, of de oprichting van nieuwe basisscholen een landelijke trend is of dat dit zich slechts in bepaalde delen van Nederland voordoet.

Sommige schoolbesturen in de omgeving van nieuwe scholen maken zich zorgen over de continuïteit. Is er een risico dat bestaande scholen moeten sluiten door veranderende leerlingenstromen als gevolg van de komst van nieuwe scholen? Of is dit niet bekend? Is er sprake van een toename van de concurrentie tussen scholen door de wet MRvNS?

De positie van het openbaar basisonderwijs lijkt sinds de wet MRvNS niet direct verzwakt, maar een oordeel is prematuur zolang bijvoorbeeld onduidelijk is of er ook bestaande (openbare) scholen gaan sluiten als gevolg van de nieuwe stichtingen. Wanneer komt hier meer duidelijkheid over en zijn er signalen bekend?

Een stijging van onderwijssegregatie in het basisonderwijs die samenhangt met de komst van nieuwe scholen is zeer beperkt en op een lokaal schaalniveau zichtbaar. Kan het kabinet uitleggen van wordt bedoeld met “beperkt zichtbaar”? Wat levert dit in praktijk voor problemen op? Kan het kabinet dit toelichten?

In het voorgezet onderwijs zien we dat de segregatie toeneemt na opening van de nieuwe scholen onder de wet MRvNS. De dissimilariteit naar inkomen stijgt en de kans op interactie neemt af voor inkomen en voor herkomst. De leden van de CDA-fractie lezen dat dit slechts om twee nieuwe scholen gaat in het voortgezet onderwijs in twee middelgrootte steden. Welke andere ontwikkelingen in deze steden kunnen deze resultaten hebben beïnvloed? Zijn er bij de betreffende gemeenten “afgeleide” problemen bekend?

Startbekostiging Nieuwe Scholen. Eindrapport SEO

Kan het kabinet toelichten waarom de startbekostiging twee maanden voor de opening wordt uitgekeerd? Wat is de achterliggende redenatie hiervoor te kiezen? Uit het onderzoek bleek dat een aanzienlijk deel van de scholen die startbekostiging ontvingen, feitelijk geen volledig nieuwe school startte maar dat het een verzelfstandiging van een bestaande nevenvestiging/dislocatie betrof. Het ging het om ongeveer een derde van de scholen. Waarom is ervoor gekozen nieuw te starten scholen en verzelfstandigingen qua startsubsidie gelijk te trekken?

Dislocaties gelokaliseerd. Onderzoek naar de spreiding, kenmerken en redenen van dislocaties in het primair onderwijs

In totaal heeft bovenstaand onderzoek 711 dislocaties in beeld gebracht. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of dit bepaalde regio’s (delen) in Nederland betreft waar dit vaker voorkomt dan in andere regio’s? En is bekend hoeveel dislocaties er vijf jaar geleden waren? Kortom is het aantal dislocaties in Nederland gestegen of gedaald?

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de drie rapporten over de effecten van de wet MRvNS en hebben nog enkele vragen en opmerkingen.

De evaluatie wet MRvNS van o.a. het Oberon instituut stelt dat van de ingediende aanvragen ongeveer de helft doorzet naar fase twee en de andere helft niet, omdat onvoldoende belangstelling kan worden aangetoond. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat? Hoe beoordeelt de staatssecretaris de resultaten vanuit het perspectief van de doelstellingen van de wet dat alleen levensvatbare scholen van start zouden kunnen gaan?

Hoe beoordeelt de staatssecretaris de huidige regels omtrent het vaststellen van een voedingsgebied? Is zij het met de leden van de JA21-fractie eens dat sommige scholen een relatief groot voedingsgebied zouden moeten mogen aanhouden, als de doelgroep daar om vraagt?

In het eerste cohort van 2021 werden de aanvragen van een aantal initiatieven afgewezen na een negatief advies van de inspectie op de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs. Op welke manier en volgens welke criteria werd vastgesteld dat die kwaliteit van het burgerschapsonderwijs tekortschoot? Hoe verklaart de staatssecretaris dat specifiek dit aspect daarbij als negatief naar voren kwam? Betekent dit dat de andere kwaliteitscriteria waarop werd getoetst wel voldoende werden geacht?

Het rapport stelt dat van de 53 basisscholen die na de inwerkingtreding van de wet per 1 februari 2021 daadwerkelijk van start zijn gegaan in augustus 2023 er 22 van islamitische signatuur zijn. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit in het licht van de zorgen die ook worden geuit over een toename van segregatie? Dit mede gezien het feit dat bij islamitische scholen daar vaak sprake van is, ook omdat de meeste islamitische leerlingen ook een migratieachtergrond hebben.

Het rapport stelt dat voor basisonderwijs in gemeenten met nieuwe scholen onder de wet MRvNS geen duidelijke trendbreuken in segregatie naar herkomst of inkomen is vast te stellen. Is daarbij ook gekeken naar segregatie, niet alleen op opleidingsniveau of inkomen, maar op basis van migratieachtergrond? Denkt de staatssecretaris dat segregatie op etnische gronden en/of gronden waarbij zowel sprake is van een andere religie als migratieachtergrond, een hoger risico van onwenselijke segregatie met zich meebrengt? Graag een toelichting.

Ruim de helft van de initiatiefnemers voor nieuwe scholen geeft aan het initiatief te zijn gestart om een nieuw pedagogisch of didactisch concept aan te bieden, volgens het rapport, waarbij juist veel initiatieven werden gestart specifiek om gebruik te maken van een traditioneel onderwijsmodel waarbij de leraar klassieke instructie geeft en gebruik wordt gemaakt van fysieke boeken. Waarom denkt de staatssecretaris dat die behoefte aan dit traditionele onderwijs bestaat, en hoe beoordeelt zij die? In hoeverre wordt aan de initiatiefnemers gevraagd waarom zij de bestaande scholen te kort vinden schieten?

In de de evaluatie van de wet MRvNS wordt gesteld dat het nog te vroeg om vragen over de onderwijskwaliteit van de nieuwe scholen goed te kunnen beantwoorden. Deelt de staatssecretaris die conclusie? Wat wijzen eerste onderzoeken uit? Wanneer kan daar wel meer over worden gezegd?

Heeft de oprichting van nieuwe scholen bijgedragen aan meer ouderbetrokkenheid? Hoe weegt de staatssecretaris de voordelen van het bieden van vrijheid aan ouders om een school naar hun eigen inzichten en overtuigingen te kunnen starten tegen de mogelijke nadelen van extra opdracht voor huisvesting?

Hoe beoordeelt de staatssecretaris de effecten op het lerarentekort? Denkt de staatssecretaris dat nieuwe scholen ook nieuwe leerkrachten aantrekken die anders een andere baan zouden hebben, of geen? Zijn daar onderbouwingen of analyses van?

In de evaluatie van de wet MRvNS wordt geconcludeerd dat gemeenten vaak aangeven dat zij buitenspel staan bij een bekostigingsbesluit. Vervolgens worden zij bijvoorbeeld geconfronteerd met nieuwe scholen op plekken waar al veel scholen zijn. Wat gaat de staatssecretaris doen om gemeenten beter te betrekken en/of ondersteunen bij het stichtingsproces?

De auteurs van evaluatie kregen signalen van gemeenten die niet altijd op de hoogte zijn van nieuwe initiatieven voor scholen. Hoe gaat de staatssecretaris dit in de toekomst voorkomen?

De startbekostiging voor nieuwe scholen van € 19.000 blijkt volgens het onderzoek Startbekostiging Nieuwe Scholen van SEO niet toereikend. De initiële kosten bedragen voor nieuwe basisscholen gemiddeld ruim € 42.000. Bovendien blijken scholen het bedrag kort voor de opening te krijgen, terwijl zij de kosten maanden eerder maken. Is de staatssecretaris van plan het bedrag te verhogen en rekening te houden met het moment van uitkeren?

In het onderzoek Dislocaties gelokaliseerd wordt gewezen op het fenomeen van dislocaties (nevenvestigingen). Hoe meent de staatssecretaris dat deze dislocaties nu worden ingezet? Is zij tevreden over hoe dit werkt?

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten over het stichten van nieuwe scholen in het funderend onderwijs en over dislocaties in het basisonderwijs. Deze leden hebben de volgende vragen aan de staatssecretaris.

De leden van de BBB-fractie constateren dat uit de onderzoeken blijkt dat thuisnabij onderwijs onder druk staat, terwijl dislocaties, verzelfstandigingen en nieuwe schoolinitiatieven vaak juist ontstaan om lokaal onderwijs bereikbaar te houden. Deze leden wijzen hierbij op de casus Driessenschool in Grootschermer, waar dankzij de inzet van ouders en dorpsgemeenschap sluiting kon worden voorkomen. Dit toont het belang aan van onderwijsvoorzieningen voor de leefbaarheid van kleine kernen.

De leden van de BBB-fractie hebben een aantal fracties. Waarom wordt in de beleidsreactie nog onvoldoende expliciet erkend dat het verdwijnen van scholen in kleine dorpen (zoals Grootschermer) direct bijdraagt aan demografische krimp, vertrek van gezinnen en afname van leefbaarheid? Is de staatssecretaris bereid om bij alle toekomstige beslissingen over stichtingen, fusies en opheffingen een verplicht criterium ‘regionale leefbaarheid & dorpsfunctie’ toe te voegen? Hoe gaat de staatssecretaris waarborgen dat gemeenten en schoolbesturen niet uitsluitend sturen op doelmatigheid, maar ook op ‘nabijheid’ als maatschappelijk belang?

Daarnaast blijkt volgens de leden van de BBB-fractie uit het SEO-rapport dat de huidige startbekostiging (vooral in het primair onderwijs) structureel ontoereikend is: waar scholen gemiddeld ruim € 42.000 aan kosten maken, bedraagt de bekostiging slechts ca. € 19.000. Daarnaast wordt de bekostiging pas twee maanden voor opening uitgekeerd, terwijl circa 45 procent van de totale kosten veel eerder ontstaat. Waarom is de startbekostiging nooit geïndexeerd naar de werkelijke kosten, terwijl de onderzoeken laten zien dat nieuwe scholen, en zeker nieuwe besturen, deze middelen niet rond kunnen krijgen zonder leningen, privégeld of vrijwilligerswerk? Is de staatssecretaris bereid de startbekostiging te verhogen én eerder in het proces uit te keren, zodat scholen hun personeel tijdig kunnen werven? Erkent de staatssecretaris dat ontoereikende startbekostiging vooral nadelig uitpakt voor kleine kernen waar nieuwe initiatieven meestal niet vanuit een groot bestuur starten?

Ook toont volgens de leden van de BBB-fractie het rapport Dislocaties gelokaliseerd dat er 711 dislocaties bestaan, waarvan een substantieel deel als zelfstandig functionerende school opereert, zonder wettelijke erkenning en zonder vaste voet in bekostiging. Tegelijk zijn dislocaties juist van groot belang om kleine kernen onderwijs te bieden, óók wanneer zij onder de opheffingsnorm dreigen te komen. Hoe beoordeelt de staatssecretaris het risico dat dislocaties, hoewel nuttig voor kleine dorpen, het gelijke speelveld voor nieuwe initiatieven ondermijnen? Is de staatssecretaris bereid dislocaties die feitelijk als zelfstandige school functioneren alsnog een wettelijke status te geven, inclusief vaste voet en subsidierechten? Kan worden onderzocht hoe dislocaties gerichter kunnen worden ingezet voor het behoud van onderwijs in kleine kernen?

Verder zien de leden van de BBB-fractie dat de evaluatie laat zien dat de nieuwe stichtingsprocedure leidt tot meer nieuwe scholen per jaar en dat de kwaliteitstoets werkt. Tegelijk ontstaan risico’s van versnippering, hogere druk op huisvesting en mogelijke toename van segregatie in specifieke stedelijke gebieden. Voor dorpen en kleine kernen biedt de wet kansen, mits de procedures niet te bureaucratisch worden. Waarom wordt in de evaluatie weinig aandacht besteed aan het belang van regionale spreiding terwijl juist plattelandsgemeenten vaak de meeste moeite hebben met het behouden van een basisvoorziening als een basisschool? Kan de staatssecretaris toelichten hoe zij gaat voorkomen dat nieuwe initiatieven in stedelijke gebieden de woningbouwdruk activeren zonder dat dit aansluit bij bredere regionale opgaven? Is het mogelijk de wet MRvNS aan te vullen met een regionale behoefteanalyse, zodat dorpen waar een school dreigt te verdwijnen automatisch in aanmerking komen voor versoepeling of versnelling van de procedure?

Daarnaast benadrukken de leden van de BBB-fractie dat het streven naar doelmatigheid niet mag leiden tot het verdwijnen van kleine scholen, omdat die essentieel zijn voor gemeenschapszin, sociale cohesie en leefbaarheid. De casus Grootschermer toont dat een dorpsschool bestaansrecht heeft, zelfs bij beperkte leerlingenaantallen, wanneer gemeenschap en bestuur samenwerken. Kan de staatssecretaris bevestigen dat de Rijksoverheid voortaan expliciet meeneemt wat sluiting betekent voor de gemeenschap, in plaats van louter te kijken naar opheffingsnormen? Is de staatssecretaris bereid om, samen met gemeenten, een handreiking op te stellen voor lokale initiatieven die een school willen behouden of verzelfstandigen? Waarom wordt in de rapportages onvoldoende benadrukt dat ‘bestaansrecht’ van een school meer is dan een rekensom, namelijk vooral een sociale en maatschappelijke functie in de kern?

De leden van de BBB-fractie lezen dat uit de onderzoeken blijkt dat gemeenten vaak moeite hebben om tijdig huisvesting te regelen voor nieuwe scholen. Bijna driekwart van de nieuwe scholen start in tijdelijke huisvesting, vaak buiten het beoogde postcodegebied, wat de groei belemmert. Welke verplichtingen kunnen gemeenten worden opgelegd om huisvesting tijdig en binnen de regio te realiseren, zodat scholen niet gedwongen elders beginnen? Hoe voorkomt de staatssecretaris dat gemeenten vooral stedelijke uitbreidingslocaties faciliteren, terwijl kleine kernen moeite hebben om huisvesting voor hun school op orde te krijgen?

Tot slot zien de leden van de BBB-fractie in alle rapporten één duidelijke lijn: kleinschalig, regionaal verankerd onderwijs staat onder druk door financieringstekorten, huisvestingsproblematiek en een stelsel dat vooral is ingericht op doelmatigheid en schaalvergroting. Terwijl juist kleine scholen, zoals de Driessenschool in Grootschermer, laten zien hoe belangrijk zij zijn voor leefbaarheid, gemeenschapszin en toekomst van dorpen.

II Reactie van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap


  1. Kamerstuk 2026D04554.↩︎