Verslag
Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D11495, datum: 2026-03-12, bijgewerkt: 2026-03-13 11:34, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z00274:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-12 10:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-03-05 12:30 ⇒ Behandeld. (Besluit)
- 2026-01-22 10:15 ⇒ Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2026-01-22 10:15 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 12 maart 2026 om 10.00 uur. (Besluit)
- 2026-01-22 10:15 ⇒ Op voorstel van de rapporteurs wordt een technische briefing georganiseerd door ambtenaren van het ministerie over 1) Onderwijs in Caribisch Nederland en te verwachten beleid en ontwikkelingen. 2) de inhoud van het wetsvoorstel. (Besluit)
- 2026-01-22 10:15 ⇒ De commissie wenst een analyse van het wetsvoorstel op enkele kwaliteitsaspecten uit te laten voeren door de staf, mogelijk resulterend in een voorstel van de rapporteurs aan de commissie voor een politiek-neutrale inbreng namens de commissie voor in het verslag. (Besluit)
- 2026-01-22 10:15 ⇒ De commissie wenst een technische briefing door de Onderwijsraad na publicatie van de verkenning over onderwijs in Caribisch Nederland (publicatie gepland Q2 2026). (Besluit)
- 2026-01-14 13:45 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-01-14 13:45 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Besluit)
- 2026-01-14 13:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-01-22 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-03-05 12:30: Ambtelijke technische briefing over Wetsvoorstel modernisering van de regels voor beroepsonderwijs, educatie en vroegtijdig schoolverlaten Caribisch Nederland en introductie onderwijs op BES (Technische briefing), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-03-12 10:00: Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
36 878 Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)
Nr. 5 Verslag
Vastgesteld 12 maart 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
Gezamenlijke inbreng commissie
I Algemeen
Algemeen
Doelstelling
Informatiesysteem
Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
Toelage sociale kanstrajecten
Financiële gevolgen
Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
Wetsvoorstel in relatie tot lagere regelgeving
Evaluatie
II Artikelsgewijze toelichting
Inbreng leden van de fracties
I. Algemeen
1. Inleiding
1.1 Aanleiding
1.2 Doelstelling
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1 Erkenning beroepsopleidingen
2.2 Bekostiging beroepsopleidingen
2.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)
2.4 Het beroepsonderwijs
2.5 Volwasseneneducatie
2.6 Medezeggenschap
2.7 Informatiesystemen
2.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
2.9 Onderliggende voorzieningen
3. Verhouding tot ander recht
3.1 Grondwet
4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
4.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs
5. Overige reacties
5.1 Reacties openbare lichamen
6. Gevolgen en administratieve lasten
7. Financiële gevolgen
8. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
9. Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk
9.1 Internetconsultatie
II. Artikelsgewijs
Artikelen XX. Inwerkingtreding
Gezamenlijke inbreng commissie
I Algemeen
Algemeen
De vaste commissie voor OCW heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel de leden Heera Dijk (D66) en Tseggai (GroenLinks-PvdA) tot wetgevingsrapporteurs benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld met vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering. De commissie heeft in de procedurevergadering van 5 maart 2026 besloten de inbreng van de wetgevingsrapporteurs over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie op te nemen. Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting aangehouden.
Doelstelling
De leden van de commissie lezen dat de regering met het wetvoorstel vijf doelen beoogt, waaronder het zoveel mogelijk gelijktrekken van de regels en het voorzieningenniveau voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie in Caribisch Nederland met dat in Europees Nederland zodat gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen ontstaan. De regering verwijst in dit kader ook naar verschillende CBS-cijfers: de hoogst genoten opleiding van 50 procent van de beroepsbevolking op Bonaire ligt onder het niveau van een startkwalificatie, op Sint Eustatius geldt dat voor 67 procent van de beroepsbevolking en op Saba voor 40 procent. In Europees Nederland ligt dit percentage op 28 procent. De leden van de commissie constateren dat de regering in de memorie van toelichting geen kwantitatieve doelstellingen heeft opgenomen. Zij vragen zich daarom af of de regering, naast de kwalitatief geformuleerde doelstellingen, ook inzet op kwantitatieve doelstellingen zoals ten aanzien van het percentage van de bevolking met startkwalificatie? Zo ja, welke (tussen)doelen ziet de regering hierin en wanneer verwacht de regering een gelijkwaardig percentage te bereiken? Hoe monitort de regering dit?
Met betrekking tot de doelstelling van het realiseren van gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen ten opzichte van Europees Nederland valt het de leden van de commissie op dat daartoe benodigde randvoorwaarden als de data-infrastructuur, bestuurlijke capaciteit en financiering nog in onderzoek of ontwikkeling zijn. Hoe wordt voorkomen dat wettelijke verplichtingen worden ingevoerd die in de praktijk (nog) niet uitvoerbaar zijn? Hoe is in de voorbereiding van het wetsvoorstel expliciet gekeken naar de uitvoerbaarheid voor de openbare lichamen en onderwijsinstellingen, en hoe is deze gewogen ten opzichte van de beoogde beleidsambitie om te komen tot gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen? Meer specifiek hebben de leden van de commissie over de data-infrastructuur, uitvoerbaarheid en financiering nog enkele vragen verderop in deze inbreng.
Informatiesystemen
De leden van de commissie merken op dat de regering in de memorie van toelichting aandacht besteedt aan het feit dat een centraal register nog ontbreekt in Caribisch Nederland en het ministerie van OCW momenteel daardoor nog geen ‘doorwrochte stelselinformatie heeft van jaar op jaar over indicatoren als studiesucces, diplomaresultaat, verzuim en uitval in Caribisch Nederland’. De regering geeft daarbij aan dat een geautomatiseerde koppeling van gegevens over verzuim en voortijdig schoolverlaten (vsv) nog niet direct vanaf inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitvoerbaar is, maar pas met ingang van studiejaar 2026-2027. Het zal volgens de regering ook nog enige tijd duren voor uitgebreide onderwijsdata van Saba en Sint Eustatius kunnen worden opgenomen, maar hierop zal wel ambtelijke inzet gepleegd blijven worden. Kan de regering een nadere toelichting geven op de geautomatiseerde koppeling en beschikbaarheid van deze gegevens?
Welke randvoorwaarden zijn nu nog niet vervuld om dit mogelijk te maken en wanneer verwacht de regering dit gerealiseerd te hebben? Wanneer is een volledig centraal register voor Caribisch Nederland gereed? De leden van de commissie vragen tot slot of de regering nader kan toelichten welke ambtelijke inzet nu gepleegd wordt.
Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
De regering stelt voor om de aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv) vooralsnog niet te beleggen bij de openbare lichamen, maar bij de scholen voor voortgezet en beroepsonderwijs. Reden hiervoor is dat de openbare lichamen nog een flinke slag te maken hebben om hun wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing en monitoring op orde te brengen. De scholen wordt nu de taak toebedeeld om in samenwerking met andere relevante partijen een eilandelijk plan te maken. Het openbaar lichaam neemt deel in de door scholen op te richten overlegstructuur en is in de woorden van de regering medeverantwoordelijk. Kan de regering een toelichting geven op in hoeverre de scholen in staat zijn deze taak te verrichten en hoe zij worden gefaciliteerd om dit te gaan doen? Hoe staan de scholen zelf tegenover deze taak? Kan de regering verder een toelichting geven op de rol van een openbaar lichaam in de overlegstructuur? Op basis waarvan is een openbaar lichaam formeel (mede)verantwoordelijk en waarvoor? Tot slot vragen deze leden of de regering een planning voor ogen heeft voor de invulling van deze taak op lange termijn. Is het de bedoeling dat deze taak alsnog bij het openbaar lichaam wordt belegd, als zij hun wettelijke taken op orde hebben? Op welke termijn verwacht de regering dat dit het geval is? Welke rol ziet de regering voor de SKJ-organisaties1 in de overlegstructuur, nu de wettelijke grondslag voor de SKJ-organisatie verdwijnt?
Toelage sociale kanstraject
De regering is voornemens de toelage die SKJ-kandidaten momenteel nog kunnen ontvangen als ze deelnemen aan een traject, te laten vervallen. In eventueel toekomstige trajecten voor voortijdig schoolverlaters worden zij volgens de regering niet meer financieel bevoorrecht ten opzichte van leerlingen en studenten die wel naar school gaan. Kan de regering een nadere onderbouwing geven van het laten vervallen van deze toelage? Met welke doelen was deze toelage destijds geïntroduceerd en welke effecten verwacht de regering van het afschaffen van deze toelage? Hoeveel voortijdig schoolverlaters ontvangen momenteel zo’n toelage en is gekeken naar de inkomensgevolgen voor deze specifieke groep?
Financiële gevolgen
De leden van de commissie constateren dat de regering naar aanleiding van het advies van de Raad van State uitgebreider is ingegaan op de financiële gevolgen van het wetsvoorstel. De toelichting op de financiële gevolgen leidt bij deze leden nog tot een aantal vragen.
Ten eerste lezen de leden van de commissie dat het overgangsrecht ten aanzien van onderwijshuisvesting pas vervalt als duidelijk is dat de Scholengemeenschap Bonaire de financiële gevolgen van eigen verantwoordelijkheid kan dragen. Aan welke voorwaarden moet dan naar het oordeel van de regering zijn voldaan en wanneer is dat naar verwachting van de regering het geval?
Ten tweede constateren de leden van de commissie dat de regering aangeeft dat het CBS momenteel onderzoekt of er voldoende data beschikbaar zijn, of beschikbaar gemaakt zouden kunnen worden, om tot een onderbouwd nieuw bekostigingsmodel voor de aanpak van vsv in Caribisch Nederland te kunnen komen. De regering geeft daarbij aan niet de verwachting te hebben dat er op grond van het wetsvoorstel minder middelen beschikbaar zullen worden gesteld ten behoeve van de vsv aanpak, al verdwijnen wel de toelagen voor SKJ-kandidaten. Kan de regering nader inzicht geven in hoeveel middelen er beschikbaar zullen zijn en wanneer de uitkomsten van het onderzoek van het CBS bekend zijn? Wanneer kan vervolgens een verdeelsleutel worden gemaakt? Zijn de middelen naar het oordeel van de regering afdoende voor het bereiken van de doelstellingen van het wetsvoorstel?
Ten derde constateren de leden van de commissie dat de openbare lichamen van Bonaire en Saba benadrukken dat nog geen duidelijkheid is over de financiën. Het openbaar lichaam Bonaire (OLB) geeft in dit verband aan dat onzeker is of het uitoefenen van de taak met betrekking tot voortijdig schoolverlaten mogelijk is met het huidige subsidiebedrag. Ook ten aanzien van volwasseneneducatie benadrukt het OLB het belang dat voldoende middelen en ondersteuning worden verstrekt. De regering geeft in de memorie van toelichting wel aan zich in te spannen om de vrije uitkering vanwege de extra wettelijke taak op het gebied van volwasseneneducatie te verhogen. Kan de regering toelichten wat de stand van zaken is met betrekking tot het overleg met de openbare lichamen? Hebben de openbare lichamen inmiddels meer vertrouwen in dat zij kunnen beschikken over voldoende middelen voor het vervullen van de wettelijke taken? Zijn de zorgen van het OLB ten aanzien van de financiering van de taak met betrekking tot vsv weggenomen, door de taak van het opstellen van een eilandelijk plan bij de scholen te beleggen? Heeft de regering al vorderingen geboekt als het gaat om het verhogen van de vrije uitkering?
De leden van de commissie constateren dat in artikel 87 Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is vastgelegd dat indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door de openbare lichamen, in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen omkleed en met kwantitatieve gegevens wordt gestaafd welke de financiële gevolgen zijn voor de openbare lichamen. Ook is hierin bepaald dat in de toelichting wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de openbare lichamen kunnen worden opgevangen. Kan de regering in lijn met het bepaalde in dit artikel een nadere toelichting geven op deze extra wettelijke taak met betrekking tot volwasseneneducatie?
Tot slot vragen de leden van de commissie of voorzien is in financiële middelen en andere ondersteuning voor openbare lichamen en scholen voor de implementatie van de wijzigingen als gevolg van het wetsvoorstel, zoals ten aanzien van informatieverplichtingen of de wijzigingen op het gebied van medezeggenschap.
Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
De leden van de commissie lezen dat de Raad van State heeft geadviseerd om ten aanzien van de bescherming van persoonsgegevens de toelichting aan te passen, nader in te gaan op de specifieke maatregelen die worden getroffen ten behoeve van een adequate doorgifte, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen. De Raad van State wees hierbij op de evaluatie van de Wbp BES, waaruit blijkt dat niet zonder meer kan worden verondersteld dat deze wet voorziet in een voldoende passend beschermingsniveau, gezien de onvoldoende naleving in de praktijk. De regering geeft aan dat daarom aanvullende maatregelen zullen worden genomen, zoals het aanbieden van trainingen en gerichte voorlichting. De leden van de commissie vragen of de regering inmiddels een advies heeft ontvangen van de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CPB BES) over de vraag of de door de regering aangekondigde maatregelen een voldoende passend beschermingsniveau waarborgen. Zo ja, kan de regering dit advies met de Kamer delen? Zo nee, heeft de regering op andere wijze overleg gevoerd met de CPB BES over dit punt?
Wetsvoorstel in relatie tot lagere regelgeving
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel diverse grondslagen bevat voor nog op te stellen lagere regelgeving bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling. Kan de regering een overzicht geven van alle voorgenomen lagere regelgeving, een korte toelichting geven op de hoofdlijnen van de inhoud daarvan en inzicht geven in de planning?
De leden van de commissie hebben verder een vraag met betrekking tot de delegatiegrondslag in het voorgestelde artikel 1.6.6, derde lid, WEB. Hierin is bepaald dat bij of krachtens amvb aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN andere taken kunnen worden toegekend, die in het verlengde van zijn huidige taak liggen. In de memorie van toelichting geeft de regering aan dat zo bijvoorbeeld de mogelijkheid open blijft om aan Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) als taak de erkenning van leerbedrijven in de zin van de WEB of WVO 2020 in de drie andere landen van het Koninkrijk toe te bedelen. Kan de regering aangeven of er concrete voornemens zijn om dit te gaan doen? Zo ja, op welke termijn? Deze leden vragen ook of de regering nog andere voorbeelden kan noemen van taken die in het verlengde van de huidige taken van de ROA CN, zoals geformuleerd in het voorgestelde artikel 1.6.6 WEB, liggen en die zij voornemens is aan de ROA CN toe te bedelen.
Evaluatie
Zowel het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) als de Raad van State heeft geadviseerd om duidelijk te maken hoe en op welke aspecten de wet wordt geëvalueerd. De regering heeft hierop de memorie van toelichting aangevuld en een aantal aspecten benoemd waarvan het in de rede ligt deze in ieder geval te betrekken bij die evaluatie.2 De leden van de commissie vragen of de regering nader in kan gaan hoe de regering deze elementen wil gaan evalueren en betrekken bij de Strategische Evaluatie Agenda van het ministerie. Deze leden vragen de regering om daarbij inzicht te geven in aan de hand van welke indicatoren zal worden gemeten of het wetsvoorstel de doelstellingen behaald heeft. Ten aanzien van welke factoren is de regering voornemens een kwantitatieve meting te doen en is ook voorzien in een nulmeting?
Inbreng leden van de fracties
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven de noodzaak om de verouderde wetgeving te herzien en om het principe van comply or explain centraal te stellen. De wetgeving zoveel mogelijk integreren in de bestaande Wet Educatie en beroepsonderwijs (WEB) en Wet Voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) achten zij een goede stap richting gelijkwaardigheid. Zij hechten in het bijzonder aan het doel dat jongeren en volwassenen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelijkwaardige kansen op onderwijs en een startkwalificatie moeten hebben als jongeren in Europees Nederland. Zij hebben nog enkele vragen met name over de uitvoerbaarheid.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven het belang van goed onderwijs in het gehele Koninkrijk en gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor jongeren en volwassen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen over het wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hechten aan gelijke kansen voor kinderen en jongeren in Caribisch Nederland en willen dan ook dat onderwijswetgeving en voorzieningen in Caribisch Nederland gelijk zijn aan die van Europees Nederland, tenzij er daar bijzondere omstandigheden bestaan die andere wetgeving of voorzieningen rechtvaardigen. In die gevallen dienen de verschillen helder en uitlegbaar te zijn. Deze leden vinden in het algemeen dat het mbo meer regelvrijheid nodig heeft om opleidingen flexibeler vorm te geven, zodat er meer wordt aangesloten bij de praktijk, en de snel veranderende arbeidsmarktbehoeften. Deelt de regering deze visie? Wat moet dit haars inziens betekenen bij de arbeidsmarkt van Caribisch Nederland? Tegelijkertijd maken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich ernstige zorgen over het hoge aandeel van de bevolking van Caribisch Nederland dat weinig tot geen opleiding heeft gevolgd (‘zeer laaggeschoold, dan wel laaggeletterd is’). Deze leden willen dat de regering samen met mbo-instellingen werkt aan een kwaliteitsimpuls voor het mbo-onderwijs gericht op betere basisvaardigheden. Hoe wil de regering hierbij recht doen aan de bijzondere omstandigheid dat voor veel jongeren in Caribisch Nederland niet het Nederlands, maar het Papiamentu, Engels of Spaans de thuistaal vormt, maar er in deze talen in zeer ongelijke mate lectuur – in gedrukte vorm of online – beschikbaar is?
Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de memorie van toelichting meermalen de uitdrukking ‘laagopgeleid’ hanteert. Betekent dit dat de regering niet langer vasthoudt aan de visie van de toenmalige minister Dijkgraaf op het onderwijsstelsel als een waaier, waarin meer praktisch gericht onderwijs dus niet langer werd afgedaan als ‘lager onderwijs’? Deze leden zouden liever vasthouden aan het beeld van de waaier.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover de volgende vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de Wet Educatie en beroepsonderwijs, de Wet Voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet Educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet Sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland. Deze wet biedt kansen voor gelijkheid en participatie van jongeren en volwassenen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Dit wetsvoorstel bevat echter veel delegatiebepalingen. Daarom vinden deze leden het lastig te overzien hoe de wet in praktijk op de eilanden zal uitwerken. Kan de regering hier eens op reflecteren.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover de volgende vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland. Deze leden hebben geen vragen aan de regering.
1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie moedigen aan dat de reeds verouderde regelgeving gemoderniseerd wordt om de onduidelijkheden en knelpunten in de uitvoering weg te nemen. Deze leden vinden het verstandig om af te stappen van de separate wetgeving en over te gaan naar één wettelijk kader. Zij steunen daarbij het waar mogelijk aansluiten bij het bestaande wettelijke kader in Europees Nederland.
De leden van de VVD-fractie vragen zich af in hoeverre er sprake is van studie- en arbeidsmigratie naar Europees Nederland van en naar de BES-eilanden. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten welke mogelijkheden er bestaan voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland en in Europees Nederland. Zij vragen de regering of er mogelijkheden zijn om dit soort samenwerking verder te stimuleren, bijvoorbeeld via gezamenlijke opleidingen of digitaal onderwijs. Daarbij vragen de leden van de VVD-fractie ook in hoeverre het mogelijk is om met diploma’s behaald in Caribisch Nederland doorgestroomd kan worden naar vervolgonderwijs of werk in Europees Nederland.
1.1 Aanleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting meldt dat het kabinetsbeleid tot 2019 werd gekenmerkt door ‘legislatieve terughoudendheid’ ten aanzien van Caribisch Nederland vanwege het beperkte absorptievermogen van de eilanden, maar dat het kabinet deze terughoudendheid in 2019 heeft losgelaten en is gaan werken vanuit het comply or explain-principe. Ook het coalitieakkoord van de minderheidscoalitie stelt in lijn hiermee: ‘Nieuw beleid in Europees Nederland wordt in de basis ingevoerd in Caribisch Nederland, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen’. Deze leden zijn het hiermee eens, maar zij vragen hoe het legislatieve absorptievermogen van de eilanden zich inmiddels heeft ontwikkeld. Op welke wijze(n) stelt de regering dit absorptievermogen vast, waar het onderwijswetgeving betreft?
De leden van de PVV-fractie constateren dat in de memorie van toelichting wordt gesteld dat de WEB BES en de SKJ-wet verouderd zijn geraakt. Deze leden vragen de regering om per artikel aan te geven welke bepalingen tot uitvoeringsproblemen of juridische knelpunten hebben geleid en hierbij voorbeelden te geven.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom er niet is gekozen voor gerichte aanpassing van knelpunten in de bestaande WEB BES in plaats van volledige integratie in de WEB.
1.2 Doelstelling
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waarderen de inzet om de wetgeving voor beroepsonderwijs, educatie en de aanpak van voortijdig schoolverlaten te moderniseren en beter te laten aansluiten bij de huidige onderwijspraktijk in Caribisch Nederland. Deze leden zien deze wetswijziging als een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling en versterking van het onderwijsstelsel in Caribisch Nederland. Ook vanuit een onderwijsinstelling op Bonaire bevestigt men hun waardering.
Toch hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie over de doelstelling nog enkele vragen. De memorie van toelichting benoemt dat de huidige WEB BES – die wordt ingetrokken – al een kader gaf voor volwassenonderwijs, maar er anders dan in het Europese deel van Nederland geen middelen beschikbaar waren gesteld en mede daardoor er geen structureel beleid inzake volwasseneducatie werd ontplooid. Deze leden lezen in de financiële paragraaf dat er wordt gewerkt aan een onderbouwd bekostigingsmodel, maar er in de periode 2025-2027 tussen de € 125.000 en € 500.000 per eiland beschikbaar komt in het kader van het project ‘LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden’. Kan de regering inzichtelijk maken welke afrekenbare doelen haar te zijner tijd voor ogen staan, in termen van minder laagopgeleiden en minder laaggeletterden in Caribisch Nederland? En kan de regering hierbij nader toelichten waar deze bedragen precies op zijn gebaseerd?
Op Sint Eustatius is 67 procent van de beroepsbevolking opgeleid onder het niveau van een startkwalificatie. Tegelijkertijd constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de Gwendoline van Putten School volgens de Onderwijsinspectie al drie jaar op rij de basiskwaliteit niet heeft gehaald.3 Wat wil de regering ondernemen opdat bij deze tekortschietende basiskwaliteit het percentage opgeleiden zonder startkwalificatie op Sint Eustatius niet alleen maar blijft groeien? Wat wil de regering in het bijzonder
ondernemen tegen de problematiek om goede docenten Nederlands te vinden, die wij ook kennen in Europees Nederland, maar in Caribisch Nederland nog iets prangender blijkt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Wet Sociale kanstrajecten BES, die met het onderhavige wetsvoorstel wordt ingetrokken, pas in overheidsinterventie om jongeren tussen 18 en 24 jaar terug te leiden naar het onderwijs of de arbeidsmarkt voorzag, nádat deze de school voortijdig hadden verlaten. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt om ook in Caribisch Nederland het preventieve aspect van de wetgeving inzake voortijdig schoolverlaten toe te voegen aan het repertoire van beleid tegen voortijdig schoolverlaten. Nu pleit de organisatie van leerplichtambtenaren Ingrado, waarvan het eiland Bonaire al drie jaar lid is, voor een aanpak waarbij niet langer alleen de nadruk ligt op registratie van spijbelgedrag als voorbode van voortijdig schoolverlaten, maar vooral op aanwezigheidsregistratie, omdat ook veelvuldig geoorloofd schoolverzuim een risicofactor van betekenis vormt. Navraag bij het Centraal Bureau voor Statistiek heeft de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie geleerd dat deze instelling voor Caribisch Nederland helaas geen informatie heeft over voortijdig schoolverlaters. Op welke gegevens over voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland baseert de regering de precieze aanpak van voortijdig schoolverlaten bij het onderhavige wetsvoorstel? Wat betekent haars inziens de beperkte beschikbaarheid van gegevens voor de toepasbaarheid van de bevindingen die de Onderwijsinspectie formuleert in de meta-analyse van haar rapport ’Terug naar school: effectieve interventies’4 op de situatie in Caribisch Nederland?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering om te verduidelijken hoe de regering het begrip ‘gelijkwaardig voorzieningenniveau’ exact definieert en aan welke meetbare indicatoren dit wordt getoetst. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat het loslaten van legislatieve terughoudendheid leidt tot een stapeling van regelgeving die de uitvoeringskracht op de eilanden overstijgt.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie hechten aan en benadrukken de noodzaak van een goede aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt. Juist op plekken waar de lokale dan wel regionale arbeidsmarkt klein is, zoals op de BES, vinden deze leden het van belang dat het aanbod van opleidingen zo goed als mogelijk aansluit op de vraag van werkgevers. Zij vragen de regering te schetsen hoe de arbeidsmarkt op de BES zich ontwikkelt. Is er net als in Europees Nederland sprake van tekorten aan technisch geschoold personeel, zorgpersoneel en onderwijspersoneel? Op welke manier wordt er aan het tegengaan van die tekorten gewerkt, zo vragen zij zich af.
De leden van de VVD-fractie constateren dat er in het recentelijk gesloten regeerakkoord verschillende ambities staan over het (beroeps)onderwijs. Zo weten deze leden dat de nieuwe regering een periodieke macrodoelmatigheidstoets in gaat voeren om het opleidingsaanbod actueel en doelmatig te houden. Deze leden vragen zich af of de Raad Onderwijs Caribisch Nederland (ROA) ook over dergelijke instrumenten beschikt om het opleidingsaanbod relevant te houden. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt gewaarborgd dat het regionale opleidingsaanbod goed aansluit bij de arbeidsmarkt. Daarbij vragen zij ook hoe het toezicht op het ROA is geregeld.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn zich bewust van het feit dat het onderhavige wetsvoorstel betrekking heeft op de drie openbare lichamen in Caribisch Nederland en dat de CAS-landen zelf verantwoordelijk zijn voor hun onderwijsbeleid. Toch vragen deze leden aandacht voor het feit dat er zowel op de bovenwindse als benedenwindse eilanden sprake kan zijn van het feit dat studenten van een eiland in Caribisch Nederland verhuizen naar één van de CAS-landen of andersom. Kan de regering aangeven of en zo ja op welke wijze Nederland en de CAS-eilanden samenwerken bij het versterken van de kwaliteit van het beroepsonderwijs en om ervoor te zorgen dat het onderwijs waar mogelijk en gewenst dusdanig op elkaar aansluit dat onnodige belemmeringen om onderwijs op een van de naburige eilanden zoveel mogelijk worden weggenomen?
2.1 Erkenning beroepsopleidingen
De leden van de PVV-fractie vragen de regering uit te leggen waarom de zorgplicht voor arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid volledig bij de instelling wordt neergelegd, terwijl op Bonaire slechts één bekostigde instelling actief is.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de Commissie Macrodoelmatigheid mbo haar taak effectief kan uitvoeren, gelet op de geografische afstand en de beperkte schaal van de arbeidsmarkt op Bonaire.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering te verduidelijken welke criteria worden gehanteerd in het geval van een verschil van inzicht tussen de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) en de instelling.
2.2 Bekostiging beroepsopleidingen
De leden van de D66-fractie constateren dat voor twee onderdelen van dit wetsvoorstel, de bekostiging van de vsv-aanpak en de educatiemiddelen voor volwasseneneducatie, het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) momenteel nog onderzoekt of er voldoende data beschikbaar zijn om tot een onderbouwd bekostigingsmodel te komen. De memorie van toelichting en het nader rapport geven nog geen indicatie van wanneer de uitkomsten van dit onderzoek worden verwacht. Deze leden vragen de regering of de bekostigingsmodellen voor vsv en volwasseneneducatie gereed zijn voor 1 augustus 2026. Zo nee, welke tijdelijke bekostigingsregeling geldt er dan en hoe is de verdeling van de beschikbare middelen over de eilanden geregeld voor de periode tot de nieuwe bekostigingsmodellen van kracht worden?
De leden van de D66-fractie vragen de regering voor elk van de drie eilanden inzichtelijk te maken welke nieuwe wettelijke taken zij met dit wetsvoorstel krijgen en via welk instrument en welke verdeelsleutel de bijbehorende middelen worden toegekend.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering te bevestigen dat de bekostigingssystematiek voor het mbo-deel van de Scholengemeenschap Bonaire (SGB) inhoudelijk ongewijzigd blijft ten opzichte van de huidige systematiek.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke risicoanalyse is uitgevoerd met betrekking tot mogelijke versnippering van het beroepsonderwijs indien andere instellingen toegang krijgen tot het mbo-aanbod op Bonaire.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe wordt gewaarborgd dat publieke middelen doelmatig worden besteed wanneer voorafgaande ministeriële instemming is vereist voor de toetreding van nieuwe aanbieders.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering stelt dat het geringe studentenvolume (746 mbo-studenten voor het studiejaar 2024–2025) op een eiland met ongeveer 25.000 inwoners het een uitdaging maakt om een zo breed mogelijk aanbod aan beroepsopleidingen in stand te houden en tegelijkertijd die instelling in staat te stellen een structurele kwaliteitsborging te realiseren. Dat kunnen de leden van de CDA-fractie zich voorstellen, krijgt het mbo op Bonaire hier ondersteuning bij? Kunnen zij gebruik maken van Nederlandse ervaring aan ondersteuningsmogelijkheden om structurele kwaliteitsborging te borgen?
2.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten hoe in de praktijk wordt omgegaan met situaties waarbij de taakverdeling tussen de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) tot onduidelijkheid of conflicten leidt, met name bij de erkenning van leerbedrijven en het beheer van het gezamenlijke register.
2.4 Het beroepsonderwijs
De leden van de PVV-fractie constateren dat bij toepassing van de referentieniveaus Nederlandse taal naar verwachting slechts circa 20 procent van de studenten een diploma zou behalen. Deze leden vragen de regering inzicht te geven in de exacte toetsresultaten per referentieniveau en per opleiding.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de civiele waarde van een mbo-diploma uit Bonaire wordt geborgd indien de Nederlandse taal geen onderdeel uitmaakt van de slaag-zakbepaling.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering in hoeverre het risico bestaat dat studenten bij doorstroom naar Europees Nederland alsnog tegen taalachterstanden aanlopen die hun studiesucces belemmeren.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke financiële middelen beschikbaar worden gesteld om het taalonderwijs structureel te versterken.
De leden van de CDA-fractie vinden net als de regering dat de vraag gerechtvaardigd is of op de eilanden de Nederlandse taalvaardigheid mee moet worden genomen in de examenresultaten en hoe dat moet worden bezien in het licht van doorstroommogelijkheden naar het vervolgonderwijs. Dit is immers niet de moedertaal. Deze leden vragen zich vervolgens wel af hoe de regering dit nu verder wil uitwerken. Er worden verschillende opties gepresenteerd maar aan welke richting denkt de regering nu? Wanneer wordt hier een beslissing over genomen?
De leden van de JA21-fractie merken op dat omdat het Nederlands voor de meeste leerlingen en studenten in Caribisch Nederland niet de moedertaal is en bij veel werkgevers en leerbedrijven nauwelijks of geen Nederlands wordt gesproken, besloten is de examenresultaten van het vak Nederlands niet meer mee te tellen voor de slaag-zakbeslissing, omdat anders te weinig leerlingen zouden slagen. De leden van de JA21-fractie vragen de regering welke gevolgen deze wijziging volgens de regering heeft voor de beheersing van de Koninkrijkstaal in Caribisch Nederland? Lopen wij het risico om het Koninkrijk te kort te doen omdat straks kinderen in het Caribisch deel van het Koninkrijk met slechts een beperkte kennis van het Nederlands van school komen? En wat zijn volgens de regering de gevolgen van het verdwijnen van het Nederlands uit de slag-zakregeling voor leerlingen die een vervolgopleiding willen volgen in Nederland?
De Nederlandse UNESCO Commissie heeft bij monde van haar voorzitter Kathleen Ferrier vorig jaar tijdens een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over de ‘Voertaal en instructietaal in het Caribisch deel van het Koninkrijk’ gewaarschuwd dat kinderen die van huis uit Papiamento spreken en van school komen met een beperkte kennis van het Nederlands veel moeilijker toegang hebben tot het Europese deel van het Koninkrijk en dat dit maatschappelijke, culturele en economische gevolgen heeft. De leden van de JA21-fractie vragen of de regering overweegt tegen deze achtergrond om het beleid op Aruba over te nemen waar leerlingen die willen doorstromen naar het hoger onderwijs in Nederland een extra keuzevak Nederlands kunnen volgen?
Volgens een onderzoek van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) van december ‘Caribbean Netherlands in Numbers’5 willen meer dan acht op de tien scholieren Caribisch Nederland verlaten. Opleiding of werk worden vaak genoemd als reden. Deze leden vragen hoe de regering deze uitkomsten rijmt met de vaststelling dat de meeste afgestudeerde mbo’ers op Aruba of Bonaire niet zullen doorstromen naar een vervolgopleiding of de arbeidsmarkt in Nederland?
2.5 Volwasseneneducatie
De Raad van State adviseert om de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting, mede gelet op het ordentelijk beheer van financiën op de eilanden. Nu stelt de regering dat zij zich zal inspannen om de vrije uitkering vanwege deze extra wettelijke taak te verhogen. De CDA-fractie vraagt wat deze inspanningsverplichting concreet betekent? Is hier (meer) duidelijkheid over bij de plenaire behandeling van deze wet? Er worden wel middelen beschikbaar gesteld voor structurele regeldrukkosten.
2.6 Medezeggenschap
De leden van de D66-fractie constateren dat dit wetsvoorstel de Scholengemeenschap Bonaire (SGB) een uitgebreid regime van advies- en instemmingsrecht introduceert, terwijl de huidige wetgeving enkel een informatieplicht kent. Deze leden steunen dit van harte, gezien het belang van medezeggenschap. Zij vragen de regering daarbij welke ondersteuning de instelling ontvangt bij de implementatie van het nieuwe medezeggenschapsregime en wat de beoogde implementatietermijn is.
2.7 Informatiesystemen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie achten betrouwbare en tijdige gegevens essentieel voor het vroegtijdig signaleren van risico’s op uitval en zouden hier willen aansluiten bij ontwikkelingen in Europees Nederland, waaronder de Wet Terugdringen schoolverzuim, ook al zien deze leden in dit wetsvoorstel niet het wondermiddel dat de memorie van toelichting suggereert. Het is van belang dat privacybescherming adequaat wordt geborgd en dat betrokken organisaties worden ondersteund bij de implementatie van de regels voor gegevensbescherming. Welke ondersteuning staat de regering op dit punt voor ogen?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke concrete technische belemmeringen momenteel bestaan bij de aansluiting op Registratie Instellingen en Opleidingen (RIO) en het Register Onderwijsdeelnemers (ROD).
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke waarborgen worden ingebouwd ter bescherming van persoonsgegevens bij de uitrol van deze registratiesystemen in Caribisch Nederland.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering te bevestigen dat zonder volledige registratie betrouwbare sturingsinformatie ontbreekt en toe te lichten hoe lang deze situatie naar verwachting nog zal voortduren.
2.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)
De leden van de D66-fractie wijzen op de constatering in de memorie van toelichting dat de openbare lichamen de bestaande wettelijke taken op het gebied van registratie en monitoring van voortijdig schoolverlaten (vsv) tot op heden niet conform de geldende regelgeving uitvoeren, en dat hierin nog een slag gemaakt moet worden. Deze leden vragen de regering welke maatregelen worden getroffen om dit voor inwerkingtreding op orde te brengen en hoe wordt geborgd dat ook de nieuwe vsv-taken tijdig en conform de wet worden uitgevoerd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren dat het wetsvoorstel de aanpak van voortijdig schoolverlaten voorlopig legt bij schoolbesturen. In Europees Nederland ligt de regierol bij gemeenten, wat deze een onafhankelijke positie biedt en samenwerking met partners in zorg en arbeid faciliteert. Kan de regering nader toelichten waarom zij in dezen vooralsnog nog niet wil werken naar een vergelijkbare publieke regierol voor de openbare lichamen in Caribisch Nederland?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoeveel voortijdig schoolverlaters in de afgelopen vijf jaar per eiland zijn geregistreerd en hoeveel van hen daadwerkelijk zijn teruggeleid naar onderwijs of werk.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten waarom het preventieve kader uit Europees Nederland niet eerder is ingevoerd, indien dit aantoonbaar effectiever is.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering toe te lichten op welke wijze wordt gemeten of de nieuwe aanpak daadwerkelijk leidt tot een daling van het aantal voortijdig schoolverlaters.
De leden van de CDA-fractie merken op dat dit wetsvoorstel een belangrijke stap richting gelijkwaardigheid is ten opzichte van Europees Nederland. Zeker gezien het toekomstige vsv-beleid waarbij meer aandacht komt voor het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. Deze leden denken wel dat kennis en opgedane ervaring van de huidige SKJ-organisaties geborgd moet worden en kan dienen als leidraad om de preventieve aanpak op te starten. Kan de regering meer duidelijkheid geven over hoe zij de overgangsfase ziet?
2.9 Onderliggende voorzieningen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat wetgeving rekening houdt met de schaal en context van de Caribische eilanden. Ondersteuning bij uitvoering is daarbij essentieel. Ondanks de gebrekkige registratie, weten deze leden dat het aantal voortijdig schoolverlaters in Caribisch Nederland relatief hoog is, wat de urgentie van effectieve uitvoering van beleid vergroot. Dit vraagt om scholing en begeleiding van alle betrokken professionals en niet alleen van schoolbesturen, maar ook medewerkers van de openbare lichamen en andere uitvoeringspartijen om de wet effectief en in overeenstemming met de doelstellingen te kunnen toepassen. Wat gaat de regering op dit punt ondernemen?
3. Verhouding tot ander recht
3.1 Grondwet
Volgens de regering wordt met dit wetsvoorstel de vrijheid van onderwijs niet ingeperkt, behalve indien sprake is van een aanvullende deugdelijkheidseis voor het verzorgen van een bekostigde beroepsopleiding binnen een openbaar lichaam. In dat geval is, na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, toestemming van de minister van OCW vereist om de opleiding in aanmerking te laten komen voor bekostiging. De leden van de CDA-fractie voeren echter aan dat dit voorstel wel degelijk een beperking vormt van de vrijheid van onderwijs. Kan de regering stellen waarom zij van mening zijn dat dit onderhavig wetsvoorstel proportioneel is? Dit wetsvoorstel bouwt toch een extra toets in voordat een Europees- Nederlands instelling beroepsopleidingen mag aanbieden.
4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoe deze nieuwe regelgeving daadwerkelijk beter uitvoerbaar is in de eilandspecifieke context. Hoe borgt de regering dat, zo vragen deze leden. Zij vragen de regering voorts of de onderwijsinstellingen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) zijn betrokken dan wel meegenomen in het opstellen van deze nieuwe wetgeving en hoe deze instellingen de uitvoerbaarheid van de voorgestelde vernieuwingen beoordelen. Wat verandert er concreet voor hen, zo willen deze leden weten.
4.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of DUO heeft aangegeven dat implementatie per studiejaar 2026-2027 haalbaar is binnen de huidige capaciteit. Deze leden vragen de regering tevens welke fallbackscenario’s zijn uitgewerkt voor het geval de ICT-koppelingen vertraging oplopen.
5. Overige reacties
5.1 Reacties openbare lichamen
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de reacties van de bestuurscolleges van Bonaire en Saba, die beiden aangeven nog geen duidelijkheid te hebben over de wijze waarop de middelen voor hun nieuwe wettelijke taken worden verdeeld en verstrekt. Deze leden vragen de regering wanneer de bestuurscolleges hierover uitsluitsel kunnen verwachten.
6. Gevolgen en administratieve lasten
De leden van de CDA-fractie vraagt om meer duidelijkheid van de regering over de gevolgen voor de administratieve lasten. Vooral omdat de regering spreekt over het verschuiven of overdragen van verantwoordelijkheden. Volgens deze leden lijken deze veranderingen te leiden tot een hogere administratieve lastendruk voor openbare lichamen, scholen en toezichthouders, terwijl zij geen ervaring met deze wetgeving hebben. Deze leden verzoeken de regering hierop te reageren.
7. Financiële gevolgen
De leden van de PVV-fractie vragen de regering een volledig uitgesplitst overzicht te geven van de structurele en incidentele kosten per eiland, inclusief de uitvoeringskosten en de ICT-kosten. Tevens vragen deze leden de regering of kan worden gegarandeerd dat de middelen voor volwasseneneducatie daadwerkelijk geoormerkt worden besteed en niet opgaan in de algemene middelen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering aan geeft dat het CBS onderzoekt of er voldoende data beschikbaar is, dan wel beschikbaar kan worden gemaakt, om een onderbouwd nieuw bekostigingsmodel te ontwikkelen voor de aanpak van vroegtijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland. Deze leden vragen of de regering een overzicht kan geven van de huidige stand van zaken? Is het mogelijk om dit inzichtelijk te maken? Welke aanvullende informatie is nog nodig en wat ontbreekt er op dit moment? Kan de regering ook aangeven of deze informatie beschikbaar zal zijn tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel?
De leden van de JA21-fractie merken op dat de afdeling advisering Raad van State opgemerkt heeft dat voor de volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting niet duidelijk is wat de financiële gevolgen zijn van de wetswijziging zijn voor het Rijk, de openbare lichamen die de verantwoordelijkheid krijgen voor de volwasseneneducatie, de onderwijshuisvesting en voor andere maatschappelijke sectoren. Is hierover inmiddels meer duidelijkheid gekomen, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
8. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
De leden van de D66-fractie constateren dat de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES) op het moment van indiening van het wetsvoorstel nog geen formeel advies had uitgebracht, terwijl CBP BES de aangewezen toezichthouder is. Deze leden vragen de regering wanneer dit advies wordt verwacht en wanneer de Kamer hierover geïnformeerd wordt. Welke concrete afspraken zijn er inmiddels gemaakt met CBP BES over de handhaving?’
9. Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk
9.1 Internetconsultatie
De van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat bij de internetconsultatie de Bonaireaanse zorgstichting Fundashon Mariadal heeft gesteld dat het voor nieuwe opleidingen in Caribisch Nederland niet per se meteen nodig zou zijn dat men arbeidsmarktperspectief zou kunnen aantonen, omdat dit soms over vijf jaar wèl het geval zal zijn. Kan de regering nader toelichten wat haar reactie is op deze overweging, zo vragen deze leden.
II. Artikelsgewijs
Artikelen XX. Inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie vragen de regering of de beoogde inwerkingtreding per 1 augustus 2026 haalbaar is, gelet op de nog te voltooien lagere regelgeving, de nog lopende CBS-onderzoeken naar de bekostigingsmodellen voor vsv en educatie en de benodigde ICT-aanpassingen bij DUO. Hebben alle betrokken uitvoeringspartijen bevestigd dat zij per die datum gereed zijn voor uitvoering?
De fungerend voorzitter van de commissie,
Bromet
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Thiel
Uitvoeringsorganisaties in het kader van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES.↩︎
Kamerstuk 36 878, nr. 3, p. 71.↩︎
Inspectie van het Onderwijs, d.d. 13 maart 2025, ‘Stichting tot bevordering voortgezet onderwijs op St Eustatius’ (https://www.onderwijsinspectie.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2025/04/04/onderzoek-bestuur-en-scholen-stichting-tot-bevordering-voortgezet-onderwijs-op-st.-eustatius/Onderzoek+bestuur+en+scholen+Stichting+tot+bevordering+voortgezet+onderwijs+op+St.+Eustatius.pdf↩︎
Inspectie van het Onderwijs: Terug naar school: effectieve interventies. Meta-analyse naar aanpakken tegen schoolverzuim, 1990 – 2024 (https://www.onderwijsinspectie.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2026/03/11/terug-naar-school-effectieve-interventies/terug-naar-school.pdf).↩︎
CBS, d.d. 8 december 2025, The Caribbean Netherlands in Numbers 2025 (https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2025/50/the-caribbean-netherlands-in-numbers-2025)↩︎