Schriftelijke beantwoording op de Begroting SZW voor het jaar 2026
Bijlage
Nummer: 2026D11790, datum: 2026-03-16, bijgewerkt: 2026-03-16 10:55, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van zaak 2026Z03907:
- Gericht aan: J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Voortouwcommissie: TK
Bijlage bij: Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 11 maart 2026 (2026D11789)
Preview document (🔗 origineel)
Vragen van het lid Patijn (PvdA-GL)
Vraag:
Is de minister bereid om de zeggenschap voor de sociale zekerheid neer
te leggen bij werkgevers en werknemers?
Antwoord:
Nee, de minister van SZW is niet bereid de volledige zeggenschap voor de
sociale zekerheid bij werkgevers en werknemers neer te leggen. Het
kabinet is eindverantwoordelijk. Werkgeversorganisaties en vakbonden
zijn wel belangrijke stakeholders in onze sociale zekerheid, die breder
is dan alleen werkgevers en werknemers. Het kabinet ziet daarom ook de
noodzaak om met hen in gesprek te blijven. Deze samenwerking is van
groot belang.
Vraag:
Op welke feiten heeft het kabinet de keuzes over de onderbouwing van de
AOW-leeftijd gebaseerd?
Antwoord:
De 18e Studiegroep Begrotingsruimte vraagt aandacht voor
vergrijzingsgevoelige uitgaven, zoals de AOW. Ondanks de al bestaande
koppeling aan de levensverwachting nemen de uitgaven aan de AOW namelijk
toe tot 69,9 miljard euro (5,7% van het bbp) in 2040. De potentiële
beroepsbevolking stagneert tussen nu en 2040. Door een stijging van de
AOW-leeftijd werken mensen langer door en dragen mensen langer bij aan
de AOW, blijkt uit de jaarlijkse AOW-monitor. Doordat het aantal mensen
dat werkt toeneemt, stijgt ook de instroom in de WW-, WIA- of
bijstandsuitkering. Bovendien neemt de kans om in te stromen in die
uitkeringen toe met de leeftijd. En mensen die al een uitkering
ontvangen blijven daar langer in zitten. We ontvangen geen signalen dat
mensen bewust andere uitkeringen instromen als een vorm van
overbrugging. Per saldo treedt een besparing op.
Vraag:
De Aof premie, de Awf premie en andere premies stijgen over het inkomen
tot 53.000 euro. De rekening wordt bij het mkb neergelegd. Kan de
minister aangeven of het klopt dat de premielasten juist stijgen voor
het mkb en kan de minister aangeven of hij het een gewenst effect vindt
dat de premielasten juist bij het mkb neerdaalt? Kan de minister precies
aangeven hoeveel geld met deze premieverhoging opgehaald gaat worden en
wat de hoogte van de premie straks zal worden?
Antwoord:
Het is niet zo dat de rekening bij het mkb wordt neergelegd. Werkgevers
betalen geen werkgeverspremies over loon boven het maximumdagloon. Het
maximumdaglooon is nu 79.400 euro. Bij een verlaging van 20% wordt dit
63.500 euro.
Het verlagen van het maximumdagloon zorgt voor ongeveer 2,6 miljard euro
minder premie-inkomsten. Er is afgesproken dat dit gecompenseerd wordt
door de premietarieven te verhogen. Die verhoging is ongeveer 0,8
procentpunt, verdeeld over de premies voor arbeidsongeschiktheid,
werkloosheid en de opslag kinderopvang. De precieze premietarieven
hangen ook af van de invulling van andere maatregelen uit het
coalitieakkoord, waarover het kabinet nog met werkgevers in overleg
gaat.
Werkgevers met veel lage lonen gaan meer premie betalen, terwijl
werkgevers met hogere lonen een voordeel hebben van het lagere
maximumpremieloon. Kleine bedrijven hebben gemiddeld iets lagere lonen
dan grotere bedrijven. De lonen verschillen echter veel meer tussen
sectoren, dan tussen grotere en kleinere bedrijven. Er zijn kleine
bedrijven met hoge lonen, bijvoorbeeld in de ICT-sector, en er zijn
grote bedrijven met relatief lage lonen, zoals de detailhandel. De
maatregel raakt dus niet alleen het mkb.
Vraag:
In de beantwoording op schriftelijke vragen van GroenLinks-PvdA over de
houdbaarheid van de AOW heeft het kabinet een fout gemaakt. Wanneer
wordt deze fout door het kabinet gecorrigeerd?
Antwoord:
De minister van SZW heeft de gecorrigeerde antwoorden op 10 maart jl.
aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk TK 2026Z03907).
Vragen van het lid Lahlah (PvdA-GL)
Vraag:
Wanneer komt de minister met een aanpassing voor de groep van chronisch
zieken of mensen met een ernstige beperking die in de bijstand zitten,
zoals vorig jaar is aangegeven?
Antwoord:
In het coalitieakkoord is opgenomen dat we mensen in de Participatiewet
die echt niet kunnen werken, niet constant vragen dit toch te doen. We
voeren ook het gesprek met gemeenten en belangenorganisaties om te
onderzoeken wat we nog meer kunnen doen binnen de mogelijkheden van de
Participatiewet. Daarnaast loopt een verkenning naar beleidsopties
binnen en buiten de Participatiewet. Het is belangrijk dat een mogelijke
oplossing voor deze groep mensen inpasbaar is in het brede
arbeidsongeschiktheidsstelsel.
Vraag:
Is de minister bereid om te kijken naar een passende regeling voor
mensen die duurzaam en objectief niet meer kunnen werken, ongeacht hun
arbeidsverleden?
Antwoord:
In het coalitieakkoord is opgenomen dat we mensen in de Participatiewet
die echt niet kunnen werken, niet constant vragen dit toch te doen. We
voeren ook het gesprek met gemeenten en belangenorganisaties om te
onderzoeken wat we nog meer kunnen doen binnen de mogelijkheden van de
Participatiewet. Daarnaast loopt een verkenning naar beleidsopties
binnen en buiten de Participatiewet. Het is belangrijk dat een mogelijke
oplossing voor deze groep mensen inpasbaar is in het brede
arbeidsongeschiktheidsstelsel.
Vraag:
Waarom laat dit kabinet toe dat mensen met smalle marge vastlopen in
botsende regels van overheid, gemeenten en waterschappen?
Antwoord:
Er zijn mensen die door een samenloop van regels geen (volledige)
kwijtschelding van hun belastingaanslag meer kunnen krijgen. Het kabinet
begrijpt dat dit voor hen een vervelende en moeilijk uitlegbare situatie
is. Daarom beziet het kabinet, in samenspraak met gemeenten en
waterschappen, of een oplossing voor deze mensen passend en uitvoerbaar
is. De minister van SZW is hiervoor in gesprek met de ministers van BZK
en Infrastructuur en Waterstaat en de staatssecretaris van Financiën,
die gaan over het kwijtscheldingsbeleid. Het kabinet streeft ernaar om
hierover dit voorjaar een besluit te nemen, om betrokkenen nu zo snel
mogelijk duidelijkheid te bieden. De Tweede Kamer wordt dan
geïnformeerd.
Vraag:
Ziet de minister de gevolgen voor kinderen van het opgroeien in
armoede?
Antwoord:
Ja, de minister van SZW ziet die gevolgen voor kinderen. We weten dat
kinderen en jongeren die opgroeien in een gezin met een laag inkomen,
waar armoede soms van generatie op generatie is doorgegeven, een
achterstand ervaren op vele domeinen (gezondheid, onderwijs,
leefomgeving, veiligheid, onderwijs). Door alle ervaren materiële en
immateriële tekorten worden zij belemmerd in hun ontwikkeling en beperkt
in hun kansen voor de toekomst. De gevolgen voor kind en gezin en voor
de maatschappij zijn groot en hardnekkig. Op verschillende manieren
werkt het kabinet dan ook aan het terugdringen van kinderarmoede en het
versterken van kansengelijkheid, zoals de Kamer kan lezen in de
voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden die
op 10 maart jl. is verzonden naar uw Kamer (Kamerstuk 24 515, nr.
818). Het kabinet zet met het coalitieakkoord extra in op de
interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie, het
programma Kansrijke Start en het streven om te komen tot één
kindregeling.
Vraag:
Wat betekenen de plannen van dit kabinet voor diverse huishoudens op of
rond het minimum en huishoudens met kinderen en zorgkosten?
Antwoord:
Het Centraal Planbureau (CPB) heeft een doorrekening gemaakt van de
maatregelen in het coalitieakkoord. Het CPB stelt in deze doorrekening
dat de mediane koopkracht de komende kabinetsperiode per jaar 0,4
procentpunt lager uitvalt door de plannen van het kabinet, en dat er per
saldo een beperkte mediane koopkrachtstijging resteert. De doorrekening
laat zien dat dit kabinet van alle huishoudens een bijdrage vraagt om
investeringen te kunnen betalen, zowel huishoudens met een hoger als
huishoudens met een lager inkomen.
Het CPB stelt ook in de doorrekening dat lagere inkomens er iets meer op achteruit gaan dan hogere inkomens. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat sommige onderdelen van het coalitieakkoord niet zijn meegenomen in de koopkrachtramingen, en dat voor sommige maatregelen met een voorlopige invulling is gerekend. Zo is er bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de reservering van 150 miljoen euro voor de bestrijding van armoede en problematische schulden, en de reservering van 350 miljoen euro die bedoeld is voor een tegemoetkoming voor chronisch zieken. Daar staat tegenover dat sommige maatregelen op het gebied van sociale zekerheid en zorg niet goed tot uiting komen in de koopkrachtramingen. En voor de kindregeling heeft het CPB met een voorlopige invulling gerekend, maar het kabinet moet hierover nog een besluit nemen. De komende tijd worden deze maatregelen verder uitgewerkt. En zoals de minister-president heeft aangegeven tijdens het debat over de regeringsverklaring, wil het kabinet de armoede niet laten oplopen en zal het kabinet bij de definitieve begroting die in de zomer volgt bekijken of plannen moeten worden aangepast.
Het kabinet stuurt voor het zomerreces een brief waarin de gevolgen van maatregelen in de zorg en de sociale zekerheid voor kwetsbare groepen in kaart worden gebracht, zoals de motie Stoffer c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 79) verzoekt.
Vragen van het lid Moorman (PvdA-GL)
Vraag:
Waarom treuzelt het kabinet met de implementatie van de EU-Richtlijn
Loontransparantie?
Antwoord:
Het kabinet is hard aan de slag met de implementatie. De maatregelen
vergroten de transparantie over lonen en versterken de positie van
werknemers. Een open gesprek over loonverschillen wordt zo ook
eenvoudiger. Het kabinet wil dit zorgvuldig doen en op een manier die
uitvoerbaar is. In september 2025 heeft de toenmalige minister van SZW
uw Kamer geïnformeerd dat het voorziene tijdpad voor tijdige
implementatie niet haalbaar is gebleken (Kamerstuk 21 501-31, nr. 800).
Eén van de belangrijkste redenen daarvoor is dat meer tijd nodig is om
de regeling zo vorm te geven, dat werkgevers de verplichtingen effectief
en met zo beperkt mogelijke administratieve lasten kunnen uitvoeren. Het
wetsvoorstel ligt inmiddels ter advisering bij de Raad van State. De
streefdatum voor inwerkingtreding is 1 januari 2027. Werkgevers kunnen
zich vooruitlopend daarop alvast voorbereiden op de nieuwe regels.
Vragen van het lid Neijenhuis (D66)
Vraag:
Is de minister bereid tot uitzendverboden voor sectoren die maar in de
fout blijven gaan? En is de minister bereid andere maatregelen te nemen
die zorgen voor grip?
Antwoord:
Ja, het kabinet wil sturen op arbeidsmigratie die we écht nodig hebben
en misstanden aanpakken.
Dit kabinet gaat daarom verder met de aanbevelingen van het Aanjaagteam
Bescherming Arbeidsmigranten en van de SER over arbeidsmigratie “Minder
waar het kan, beter waar het moet”. Hierbij komt er ruimte voor talent
en worden misstanden zoals onderbetaling, slechte arbeidsomstandigheden
en schimmige detacheringsconstructies aangepakt. Er wordt gewerkt aan
een verbetering van de kennismigrantenregeling. Daarnaast zet het
kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels
voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat beter
toezicht mogelijk is en de regeldruk omlaaggaat. Ook worden de boetes
voor Arbeidsmarktwetten, zoals de Wet minimumloon en Wet arbeid
vreemdelingen, verhoogd.
Voor sectoren waar misstanden met tijdelijke, laagbetaalde
arbeidsmigranten hardnekkig blijven bestaan kan een uitzendverbod als
stok achter de deur worden ingezet. Dit stimuleert sectoren om zelf orde
op zaken te stellen. Blijft verbetering uit, dan kan de maatregel
daadwerkelijk worden toegepast. In de verkenning naar een sectoraal
uitzendverbod en verplicht percentage direct in dienst is naar voren
gekomen dat zich in de vleessector wijdverspreide misstanden voordoen.
Daarom wordt voor deze sector als stok achter de deur een in- en
uitleenverbod voorbereid.
Vraag:
Hoe kijkt de minister naar de stijging van de instroom van jonge vrouwen
in de WIA, en hoe kunnen we beter inzicht krijgen in de oorzaken van
arbeidsongeschiktheid?
Antwoord:
De minister van SZW ziet dit net als u als een zorgwekkende trend.
Vooral vanwege het persoonlijke leed dat hierachter zit. Maar ook voor
de arbeidsmarkt en voor de houdbaarheid van de sociale zekerheid.
Stijgingen in de WIA-instroom zijn grotendeels verklaarbaar door demografische factoren en beleidskeuzes uit het verleden. De kans om in te stromen in de WIA neemt toe met de leeftijd. En de arbeidsparticipatie van ouderen neemt toe. Ook neemt de arbeidsparticipatie van (jonge) vrouwen toe. Daarnaast zien we een toename van instroom als gevolg van onder andere psychische klachten. Inzicht hierin is belangrijk om de juiste aandacht te kunnen geven aan preventie en re-integratie en waar mogelijk ook meer gericht in te zetten.
In het IBO WIA dat eind 2025 aan uw Kamer is gezonden (Kamerstuk 32 716, nr. 55) is nader onderzoek gedaan naar de stijging van de WIA-instroom en wat de kenmerken zijn van mensen die arbeidsongeschikt raken. Ook doet UWV regelmatig onderzoek naar de achtergrond van arbeidsongeschikten en oorzaken van arbeidsongeschiktheid. Hierbij wordt stilgestaan bij elementen zoals leeftijd, geslacht en diagnose.
Vragen van het lid Biekman (D66)
Vraag:
Hoe zorgt de minister van SZW ervoor dat financiële educatie op scholen
goed wordt verbonden met vroegsignalering en schuldhulp, zodat jongeren
niet pas geholpen worden als de schulden al hoog zijn opgelopen?
Antwoord:
Met de subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen
kan nu aan studenten met al aanwezige geldzorgen persoonlijke
begeleiding worden geboden (zie de factsheet bij de voortgangsrapportage
van het Nationaal Programma Armoede en Schulden van 10 maart jl.,
Kamerstuk 24 515, nr. 818). Zo zijn er scholen die een financieel
spreekuur hebben ingericht en er zijn scholen die een budgetcoach
inzetten waar studenten en leerlingen terecht kunnen. Ook zijn er
scholen die financiële educatie al actief verbinden aan de hulpverlening
van gemeenten zoals vroeg signalering van vaste lasten en het Jongeren
Perspectief Fonds.
Vraag:
Kan de minister meer vertellen over hoe hij financiële educatie de
komende jaren wil ondersteunen vanuit het ministerie?
Antwoord:
De komende periode verkennen we, samen met betrokken partners,
verschillende scenario’s voor de toekomstige inzet op financiële
educatie. In de volgende periodieke voortgangsrapportage van het
Nationaal Programma Armoede en Schulden (eind 2026) zal de minister van
SZW de Kamer informeren over de dan opgehaalde inzichten.
In 2023 startte de regeling met het eerste tijdvak. Op dit moment
worden de aanvragen binnen het vierde tijdvak van de regeling
beoordeeld. De implementatie en (ervaren) effecten van de regeling
worden de komende jaren gevolgd via een meerjarige monitor (in de
periode 2025-2027) en een afsluitende evaluatie (in 2028). De eerste
monitor is op 10 maart jl. verzonden met de voorgangsrapportage van het
Nationaal Programma Armoede en Schulden (Kamerstuk 24 515, nr.
818).
Vraag:
Wat gaat de minister doen om de vindbaarheid van de tegemoetkoming voor
alleenverdieners te verbeteren? Hoe kunnen we als overheid de doelgroep
beter in kaart te brengen? En kan de minister toezeggen om in gesprek te
gaan met de VNG en/of Divosa om hier verbeteringen in aan te
brengen?
Antwoord:
De minister van Werk en Participatie gaat met de VNG in gesprek om te
bezien of gemeenten de tegemoetkoming voor alleenverdieners beter
vindbaar kunnen maken. Het kabinet en gemeenten doen samen wat mogelijk
is om huishoudens in de alleenverdienersproblematiek proactief te
bereiken. Ieder jaar worden ongeveer 8.000 huishoudens geraakt door de
alleenverdienersproblematiek. Het merendeel van hen wordt ambtshalve
bereikt op basis van een analyse door de Belastingdienst en door
gemeenten. Om de overgebleven huishoudens te bereiken, informeren
gemeenten ook lokale ketenpartners, zoals schuldhulpverleners en sociaal
raadslieden. Als de Wet proactieve dienstverlening in werking treedt,
kunnen gemeenten ook gebruik maken van UWV-gegevens om huishoudens te
vinden en hen te benaderen. Zodra definitieve inkomensgegevens over een
jaar bekend zijn, ontvangen gemeenten een aanvullende lijst met BSN's,
zodat ook de huishoudens die eerder buiten beeld bleven alsnog
ambtshalve bereikt kunnen worden.
Vraag:
Wat is de stand van het onderzoek naar het stroomlijnen van
werkvoorzieningen van UWV en gemeenten? Kan de minister toezeggen om
voortvarend aan de slag gaan met de resultaten van dit onderzoek?
Antwoord:
De afgelopen tijd zijn er al belangrijke stappen gezet om
werkvoorzieningen van UWV en gemeenten te harmoniseren. Bijvoorbeeld als
het gaat om voorzieningen voor mensen met een visuele en auditieve
beperking. In het coalitieakkoord is afgesproken om het
re-integratiebeleid van gemeenten verder te uniformeren. De minister van
Werk en Participatie gaat hier voortvarend mee aan de slag. De eerder
toegezegde verkenning naar de harmonisering van werkvoorzieningen en
naar de mogelijkheden om de werkwijzen van UWV en gemeenten beter op
elkaar te laten aansluiten maakt hier onderdeel van uit. De minister van
Werk en Participatie beoogt uw Kamer hierover rond de zomer te
informeren.
Vragen van het lid Mulder (PVV)
Vraag:
Waarom is 4,9% als percentage van het BBP onbetaalbaar voor de
AOW-lasten?
Antwoord:
Ondanks de al bestaande koppeling aan de levensverwachting nemen de
uitgaven aan de AOW nog steeds toe. Er is sprake van een dubbele
vergrijzing door de groei van het aantal 80-plussers. In 2025 bedroegen
de AOW-uitgaven 4,7% van het BBP, in 2040 zal dit naar verwachting 5,7%
zijn en in 2060 5,4%. In 2025 waren de uitgaven circa 55 miljard euro en
in 2060 zouden uitgaven aan de AOW bij een 2/3 koppeling uitkomen op
circa 72 miljard euro. Dit betekent dus een absolute toename van 17
miljard euro. De AOW-uitgaven worden sinds 2024 voor meer dan de helft
uit de algemene middelen betaald. De inkomsten uit de AOW-premie zijn
niet toereikend. Het aandeel van de AOW-uitgaven dat het Rijk vanuit de
algemene middelen aanvult, neemt hierdoor een steeds groter deel van de
overheidsuitgaven in beslag.
Vraag:
De minister wil de IVA afschaffen. Dat geldt ook voor bestaande
gevallen. Moet de overheid niet betrouwbaar zijn en de afspraken met
volledig afgekeurde mensen handhaven?
Antwoord:
Ja, in het coalitieakkoord is afgesproken dat mensen die al een lopende
IVA-uitkering hebben hun recht daarop behouden. Daarmee handhaaft het
kabinet bij deze beleidswijziging de aanspraak van deze groep.
Vraag:
Waarom kort de minister op mensen die echt niet kunnen werken? Een
alternatief zou kunnen zijn dat de minister kort op mensen die nieuw
komen in dit land en nog niet hebben gewerkt. Heeft u dat
overwogen?
Antwoord:
Er is een aantal grote uitdagingen die onze sociale zekerheid raakt:
vergrijzing, arbeidstekorten en een toenemend beroep. Dit vergt lastige
keuzes. Met als doel dat onze sociale zekerheid ook voor toekomstige
generaties toegankelijk en betaalbaar blijft.
Insteek van dit kabinet is om de instroom van asielmigranten te
verminderen, maar tevens te zorgen dat mensen die hier mogen blijven,
sneller meedoen en aan het werk gaan. Dat is niet alleen van belang voor
deze mensen zelf, maar ook voor de samenleving als geheel, omdat zij dan
eerder een bijdrage kunnen leveren. Vanaf het moment dat mensen een
verblijfsvergunning krijgen, gelden voor hen dezelfde regels als voor
mensen die in Nederland geboren zijn. Deze groep strenger behandelen en
sneller korten is niet alleen ongerechtvaardigd, maar werkt ook
averechts. We moeten juist zorgen dat deze mensen begeleiding en kansen
op een goede start krijgen.
Vraag:
Kunnen Syriërs en Oekraïners met 65 jaar recht krijgen op volledige
volksverzekeringen?
Antwoord:
Syriërs die statushouder zijn hebben toegang tot de sociale
voorzieningen, waaronder de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen
(AIO) en de volksverzekeringen. Oekraïense ontheemden zijn geen
statushouders omdat zij hun verblijfstatus ontlenen aan de Richtlijn
Tijdelijke Bescherming (2001/55 EG). Zij hebben geen toegang tot
reguliere sociale voorzieningen en volksverzekeringen, behalve diegenen
die in loondienst werken. Deze personen kunnen wel aanspraak maken op de
volksverzekeringen.
Vragen van het lid Michon-Derkzen (VVD)
Vraag:
Zit kijken naar regeldruk ook in regeldruk van cao's? Komt
overregulering in cao's door de polder of door eigen wet- en
regelgeving? En wat leert ons het advies van de Stichting van de Arbeid
over cao's?
Antwoord:
In de brede aanpak om regeldruk te verminderen, willen we ook samen met
de sociale partners bespreken hoe we onnodige regeldruk binnen de cao’s
kunnen verminderen. De cao is en blijft een belangrijke pijler onder
arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en daarom is het belangrijk om het
instrument te moderniseren. Sociale partners gaan binnen het wettelijke
kader dat de overheid stelt over de inhoud van de cao. Zij zijn dus als
eerste aan zet. In het advies van de Stichting van de Arbeid staat onder
andere een oproep aan cao-partijen om cao-afspraken in begrijpelijke
taal op te schrijven en te voorkomen dat cao’s dikke boekwerken worden
met veel juridisch jargon. Daarnaast verkent het kabinet zelf
maatregelen om het stelsel te versterken en draagvlak te behouden.
Daarbij betrekt het kabinet ook het advies van de Stichting van de
Arbeid. De minister van SZW zal uw Kamer daarover rond de zomer nader
informeren.
Vraag:
Hoe gaat de minister om met de uitwerking van het SER-advies 'balans in
maatschappelijk verlof'?
Antwoord:
In december 2023 heeft de SER het advies "Balans in maatschappelijk
verlof" gepubliceerd. Dit vormt de basis van de vereenvoudiging van het
verlofstelsel. De planning is om voor de zomer een concept wetsvoorstel
klaar te hebben voor toetsen en consultaties, zoals de
internetconsultatie en de uitvoeringstoets van UWV.
Op 19 februari 2026 heeft de SER haar advies over een toekomstbestendige
combinatie van werk en mantelzorg gepubliceerd. Het streven is de
kabinetsreactie op dit SER-advies rond de zomer met uw Kamer te delen.
Het SER-advies is destijds aangevraagd door de staatssecretaris van VWS,
mede namens de bewindspersonen van SZW, Financiën en OCW. Bij het
schrijven van de kabinetsreactie zal gezamenlijk worden
opgetrokken.
Vraag:
Wanneer kan de Tweede Kamer de concrete uitwerking van de plannen voor
de hervorming van de kindregelingen verwachten?
Antwoord:
Het kabinet gaat de komende periode samen met de betrokken departementen
en uitvoeringsorganisaties hard aan de slag om de nieuwe kindregeling
vorm te geven, waarbij de inzet is meer eenvoud en zekerheid voor
ouders. Deze zomer kunt u de eerste contouren van de nieuwe kindregeling
verwachten. Daarover gaat het kabinet graag met uw Kamer in
gesprek.
Vraag:
Kunt u toezeggen dat u snel zal starten met de verkenning naar de
versoepeling van de Wet Onderscheid Arbeidsduur?
Antwoord:
Ja, de minister van SZW gaat daar zo snel mogelijk mee van start. De
minister gaat een aantal maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het
meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur. Zo laten we meer werken
meer lonen.
Vraag:
Hoe is de verhouding tussen de middelen voor ontwikkelen binnen de eigen
baan en de middelen voor ontwikkelen in het kader van een overstap naar
een andere sector bij de O&O fondsen van sociale partners? Wat kan
de minister zeggen over het maken van een combinatie van deze O&O
fondsen en de eigen LLO-middelen en wanneer gaat hij dit
uitwerken?
Antwoord:
Over deze verhouding zijn geen precieze cijfers bekend. Over het
algemeen staat scholing voor het goed kunnen functioneren in de huidige
baan voorop. De middelen zijn door werkgevers in de sector
bijeengebracht om de eigen sector verder te helpen. Het gesprek over
meer mogelijkheden voor overstappen naar een andere sector komt wel op
gang onder de O&O fondsen. Bij de subsidieregelingen die we maken
voor leven lang ontwikkelen is cofinanciering met middelen van
werkgevers of uit een O&O fonds een voorwaarde.
Vragen van het lid De Beer (VVD)
Vraag:
Kan de minister van Werk en Participatie verkennen hoe bestaande
regelingen om mensen met een beperking aan het werk te helpen,
eenvoudiger kunnen worden gemaakt en beter onder de aandacht kunnen
worden gebracht van het mkb?
Antwoord:
Ja, de minister van Werk en Participatie gaat de komende tijd aan de
slag met het beter bekend maken van regelingen bij werkgevers en mkb,
bijvoorbeeld via de regionale werkcentra. Het kabinet staat immers voor
een arbeidsmarkt waar iedereen die kan werken, werkt op een passende
plek. Daarvoor is nodig dat er ondersteuning is die werkt, voor zowel
werkzoekenden als werkgevers. Ook wordt gewerkt aan een agenda rondom
het stimuleren van inclusief werkgeverschap. De minister van Werk en
Participatie streeft ernaar voor de zomer uw Kamer hierover verder
informeren.
Dit is aanvullend op de inzet van afgelopen tijd om mensen makkelijker
aan het werk te helpen, zoals de invoering van Participatiewet in
balans, het programma simpel switchen, de verbeterde Wet banenafspraak,
de Wet van school naar duurzaam werk en een forse investering in sociaal
ontwikkelbedrijven en beschut werk.
Vraag:
Deelt de minister de opvatting dat intensieve begeleiding in de eerste
maanden van de bijstand de standaard zou moeten zijn, zoals in
Rotterdam? En hoe kan het kabinet gemeenten stimuleren om deze aanpak
breder toe te passen?
Antwoord:
Het kabinet deelt dat het belangrijk is dat mensen zo snel mogelijk aan
het werk worden geholpen. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk en
bepalen welke begeleiding nodig en passend is. Uit onderzoek blijkt dat
gemeenten hier ook stevig op inzetten (Kamerstuk 34 352, nr. 349) zoals
het gemeentebestuur in Rotterdam laat zien. De minister van Werk en
Participatie gaat de komende tijd met gemeenten in gesprek over wat er
nodig is om meer mensen uit de bijstand aan het werk te krijgen. Hij zal
daarbij ook betrekken hoe intensieve begeleiding een goede rol kan
spelen. De minister van Werk en Participatie heeft vorige week tijdens
een werkbezoek bij Weener XL in Den Bosch daar mooie voorbeelden van
gezien.
Vraag:
Kan de minister toezeggen dat gemeentelijke regelingen worden meegenomen
bij de verdere ontwikkeling van het armoede- en inkomensbeleid zodat we
beter zicht krijgen op de totale inkomensondersteuning en kunnen
voorkomen dat werkprikkels onbedoeld worden ondermijnd?
Antwoord:
Gemeentelijke armoederegelingen zijn een belangrijk onderdeel van het
armoedebeleid. Het gemeentelijke armoedebeleid is complex voor mensen.
Er zijn veel regelingen, met per gemeente verschillende doelen,
voorwaarden en inkomensgrenzen. De huidige situatie leidt onder meer tot
niet-gebruik, waardoor mensen niet altijd ontvangen waar zij recht op
hebben. En de grote verschillen tussen gemeenten worden ervaren als
onrechtvaardig. In het coalitieakkoord is afgesproken dat we in overleg
met gemeenten willen werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van
aanvullende gemeentelijke regelingen. Bij de uitwerking van deze ambitie
zal het kabinet oog hebben voor het uitgangspunt dat werken moet
lonen.
Het gemeentelijk armoedebeleid kan momenteel niet worden meegenomen in
de armoededefinitie. Op verzoek van het lid Van Eijk is op 6 november
2024 een motie aangenomen (Kamerstuk 24 515, nr. 774) om samen met het
Nibud, CBS en SCP te bezien hoe lokale regelingen kunnen worden
meegenomen. Aan deze motie is uitvoering gegeven. De beantwoording staat
in bijlage 1 bij de voortgangsbrief armoede en schulden van 19 december
2024 (Kamerstuk 24 515, nr. 779).
Vragen van het lid Ceulemans (JA21)
Vraag:
Kan de minister nader ingaan op de pilot die het kabinet wil starten
rond het gericht naar Nederland halen van personeel uit EU
kandidaat-lidstaten?
Antwoord:
Het kabinet heeft een pilot aangekondigd waarmee er onder strenge
voorwaarden, actief en gericht goed geschoolde krachten naar Nederland
kunnen worden gehaald in vooraf afgebakende sectoren. Voor deze pilot
komen in ieder geval kandidaat EU-lidstaten in aanmerking. Het kabinet
zal de aanpak en planning voor de uitwerking van de pilot nog voor de
zomer van dit jaar toelichten aan de Tweede Kamer. Daarbij wordt
aansluiting gezocht bij de aangekondigde talentstrategie, waarin keuzes
zullen worden gemaakt over sectoren die hard nodig zijn voor de
toekomst. Zo zorgen we ervoor dat de pilot gericht is, dat het gelijk
speelveld wordt gewaarborgd en dat de pilot bijdraagt aan wat Nederland
echt nodig heeft.
Vraag:
Kan de minister van SZW aangeven welke concrete stappen hij op korte
termijn wil zetten om grip te krijgen op arbeidsmigratie? Kan hij
aangeven welke aanvullende regulerende maatregelen wel zouden kunnen
binnen de Europese regels, maar die het kabinet op dit moment nog niet
wil nemen?
Antwoord:
Het kabinet wil sturen op arbeidsmigratie die we écht nodig hebben en
misstanden aanpakken.
Vanwege het vrij verkeer van personen en diensten kunnen EU-inwoners in Nederland werken of hierheen worden gedetacheerd. Directe sturing op de instroom van arbeidskrachten uit de EU is dus beperkt. Het SER-advies ‘Arbeidsmigratie naar waarde’ stelt dat voor grip op arbeidsmigratie daarom ook indirect beleid nodig is, buiten het directe arbeidsmigratiebeleid. Het SER advies biedt in dat kader concrete handvatten.
Door dit advies en de aanbevelingen van de Commissie Roemer uit te voeren, weren we malafide uitleners, beschermen we de positie van werknemers en gaan we misstanden zoals onderbetaling en slechte huisvesting tegen. In navolging van het SER-advies wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan een verbetering van de kennismigrantenregeling en aan de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat beter toezicht mogelijk is.
Verder werkt het kabinet met de werkgeversorganisaties en vakbonden aan concrete doelen voor een beter werkende arbeidsmarkt en beter stelsel van werk en inkomen. Hierbij geven we ook vrijwel volledig gehoor aan de aanbevelingen die de SER aan de drie partijen gedaan heeft, waaronder het verbeteren van de positie van internationale arbeidskrachten, en het verminderen van de vraag naar laagbetaalde arbeid.
Vraag:
Deelt de minister van Werk en Participatie de zorg dat de wederkerigheid
verloren gaat met het omvormen van de tegenprestatie tot
maatschappelijke participatie? Hoe kunnen we dit beter waarborgen?
Antwoord:
De minister van Werk en Participatie deelt die zorg niet. De
wederkerigheid is stevig verankerd in de Participatiewet met de wet
Participatiewet in balans die op 1 januari 2026 in werking is getreden.
Mensen met een bijstandsuitkering moeten naar vermogen werk verkrijgen,
aanvaarden en behouden. Zij moeten meewerken aan hun re-integratie en
moeten maatschappelijk participeren als werk nog niet mogelijk is. Dit
kan ook in de vorm van een tegenprestatie worden vormgegeven. Als mensen
niet meewerken, kan de gemeente een bijstandsgerechtigde een maatregel
opleggen.
Vragen van het lid Hamstra (CDA)
Vraag:
Klopt het dat er structureel mensen zijn die geen gebruik maken van
uitkeringen en toeslagen terwijl zij hier wel recht op hebben? Hoe staat
de minister tegenover het automatisch uitkeren van uitkeringen en
toeslagen?
Antwoord:
Het klopt dat een deel van de mensen structureel geen gebruik maakt van
uitkeringen en voorzieningen, terwijl zij daar wel recht op hebben. Het
gaat bijvoorbeeld om de algemene bijstand, de aanvullende
inkomensvoorziening ouderen (AIO) en de Toeslagenwet. Het wetsvoorstel
proactieve dienstverlening SZW (Kamerstuk 36 799, nr. 2 en 3) wil dit
niet-gebruik tegengaan. Het wetsvoorstel is in behandeling bij uw Kamer.
Het wetsvoorstel geeft geen nieuwe mogelijkheden voor het automatisch
toekennen van uitkeringen en voorzieningen. Het wetsvoorstel gaat wel
helpen bij de uitvoering van automatisch uitkeren waar dat al kan, omdat
het nieuwe mogelijkheden geeft voor de verwerking en uitwisseling van
persoonsgegevens.
Vraag:
In 2024 is een nieuwe definitie van armoede ingegaan. Hebben we nog alle
groepen van mensen die in armoede leven voldoende in zicht? Er is ruimte
voor verbetering. Worden elementen zoals schulden en daadwerkelijke
zorgkosten meegenomen in de herijking?
Antwoord:
Allereerst wil het kabinet benadrukken dat de armoededefinitie
onafhankelijk is ontwikkeld door het CBS, SCP en Nibud. Deze instituten
bepalen zelf hoe zij armoede op een wetenschappelijk verantwoorde manier
definiëren. De nieuwe definitie geeft meer informatie over mensen in
armoede gebaseerd op werkelijk gerealiseerde kosten en vermogen. Maar er
zijn ook groepen die niet in de armoedestatistiek worden mee genomen,
zoals dak- en thuislozen. Daarom is het armoedebeleid gericht op een
bredere groep dan de groep die onder de armoedegrens valt. Het CBS, SCP
en Nibud geven aan dat het op dit moment vanwege ontbrekende data niet
mogelijk is om schulden en daadwerkelijke zorgkosten mee te nemen.
Om data rondom armoede en schuldenproblematiek te verbeteren, om daarmee
beter inzicht te krijgen in de groepen mensen, werkt het kabinet aan
verschillende maatregelen waar wij uw Kamer op 10 maart jl. hebben
geïnformeerd in de voortgangsrapportage van het Nationaal Programma
Armoede en Schulden (Kamerstuk 24 515, nr. 818). Het CBS, SCP en Nibud
hebben aangegeven dat, zodra dit mogelijk is, ze bereid zijn om deze
verbeteringen mee te nemen bij de herijking van de
armoededefinitie.
Vraag:
Hoe verschuift de minister de prikkel van verdienen aan schulden naar
het vroeg oplossen van schulden?
Antwoord:
Het kabinet heeft de ambitie om problematische schulden fundamenteel aan
te pakken en daarmee schuldenoploop te voorkomen. Eén van de speerpunten
daarbij is het verbeteren van het stelsel van civiele invordering.
Belangrijk is dat er in het stelsel meer ruimte komt voor coördinatie
door één betalingsregeling op te kunnen stellen voor meerdere
schuldeisers, ook wel het collectief afbetalingsplan genoemd. Daarnaast
is het van belang dat een gerechtsdeurwaarder ook moet kunnen
de-escaleren, bijvoorbeeld door te kunnen verwijzen naar schuldhulp. De
staatssecretaris van JenV werkt, samen met de minister van SZW, aan de
nadere uitwerking van het collectief afbetalingsplan.
Verder is het van belang dat een vordering bij een uitzichtloze situatie
niet onnodig lang in het inningsproces blijft. Als blijkt dat iemand
problematische schulden heeft, moeten maatregelen gericht zijn op het
oplossen van schulden door een schuldregeling. Daarom dient er vanuit
alle stappen in de invorderingsketen een goede doorgeleiding naar
(schuld)hulpverlening te zijn. In dit kader is het voornemen om
gerechtsdeurwaarders een verwijsfunctie te geven, zodat zij mensen met
een hulpvraag kunnen doorverwijzen naar de gemeentelijke
(schuld)hulpverlening. In zes gemeenten loopt – als invulling van de
motie Palland - al een pilot waarin hier invulling aan wordt gegeven
(Kamerstuk 24 515, nr. 729).
Vraag:
Kan de minister toezeggen dat hij samen met de staatssecretaris van
Defensie, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie
en Veiligheid verkent wat er nodig is om minima te ondersteunen bij de
voorbereiding op een noodsituatie?
Antwoord:
Ja, SZW werkt in een breed interdepartementaal traject en met andere
partners samen om de maatschappelijke weerbaarheid te versterken. De
recent gestarte campagne ‘Denk Vooruit’ heeft als doel mensen bewust te
maken van wat zij in een noodsituatie nodig kunnen hebben. Het
uitgangspunt is dat mensen in huis halen wat binnen hun eigen
mogelijkheden past. Ook wordt aangespoord samen met buren, vrienden en
familie te kijken wat gezamenlijk geregeld kan worden. Door de
verschillende betrokken ministeries wordt nagegaan wat nodig is om
mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op
potentiële noodsituaties. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar
bestaande structuren en voorzieningen en naar de rol van verschillende
betrokken departementen.
Vragen van het lid Van Ark (CDA)
Vraag:
Hoe gaat de minister aan de slag met het plan om tot een nationale
betaaldag te komen? Gaat hij dit doen in overleg met UWV, SVB, en
gemeenten? Wie krijgt de regie? En wanneer informeert de minister de
Kamer hierover?
Antwoord:
De wens om te komen tot één betaalmoment wordt door het kabinet gedeeld.
Een onderzoek naar hoe dit praktisch gerealiseerd kan worden is in de
afrondende fase. Bij dit onderzoek zijn UWV, de SVB, gemeenten, de
Dienst Toeslagen, de Nederlandse Vereniging van Banken, Zorgverzekeraars
Nederland, Aedes en het NIBUD nauw betrokken. Voor de zomer zal het
onderzoek inclusief kabinetsreactie aan uw Kamer worden
aangeboden.
Vraag:
Deelt de minister dat de maatregelen voor een toekomstige
stelselherziening arbeidsongeschiktheid juridisch houdbaar moeten zijn,
handelingsperspectief moeten bieden voor mensen, goede
informatievoorziening en overgangsrecht waar nodig moeten
betreffen?
Antwoord:
De minister van SZW vindt dit belangrijke randvoorwaarden waaraan een
toekomstige herziening van het arbeidsongeschiktheidsstelsel zal moeten
voldoen. Ook uitvoerbaarheid, betaalbaarheid en doenbaarheid zijn
belangrijk, ook voor werkgevers. Om tot een nieuw stelsel te komen,
zullen afwegingen en keuzes gemaakt moeten worden, die niet altijd
makkelijk zijn. Daarover moeten goede gesprekken gevoerd worden met
maatschappelijke partijen en met uw Kamer.
Vraag:
Is de minister bereid om jongeren te betrekken bij het AOW-stelsel? Ziet
de minister hierbij een rol voor het Jongerenplatform van de SER of is
hij bereid te kijken naar andere vormen om jongeren te betrekken bij de
toekomst van de AOW?
Antwoord:
Ja, de minister van SZW vindt het belangrijk om met jongeren in gesprek
te gaan over de toekomst van de AOW, omdat dit hen zeer aangaat. De
minister van SZW gaat daarom een bijeenkomst organiseren met jongeren en
daar wordt zeker het SER-jongerenplatform voor uitgenodigd.
Vraag:
Kan de minister aangeven wanneer de Kamer het wetsvoorstel over een
crisisregeling voor personeelsbehoud en het wetsvoorstel over het tweede
ziektejaar kan verwachten?
Antwoord:
De minister van Werk en Participatie zal het wetsvoorstel over de
re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar voor de zomer aan
uw Kamer aanbieden. De minister van SZW zal het wetsvoorstel
personeelsbehoud bij crisis ook zo snel mogelijk aan uw Kamer aanbieden,
in ieder geval voor de zomer.
Vraag:
Is de minister bereid om een nadere impactanalyse mee te sturen bij het
wetsvoorstel voor ‘bijna’ gratis kinderopvang dat inzicht moet geven in
de impact van het voorgenomen stelsel, voor ouders, ondernemers en het
aanbod waarbij ook de aanwijzing als Dienst van Algemeen Economisch
Belang wordt meegenomen?
Antwoord:
Bij de vormgeving van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang
worden ouders, ondernemers in de kinderopvang, sectorpartijen,
medeoverheden en uitvoeringsorganisaties nauw betrokken. Ook wordt de
impact van het wetsvoorstel zorgvuldig in kaart gebracht. Bijvoorbeeld
met uitvoeringstoetsen door alle betrokken uitvoeringsorganisaties en
medeoverheden, adviezen door adviescolleges en impactanalyses en
doenvermogentoetsen voor (mkb-)ondernemers en burgers. Ook voor de
impact van het invoeren van een Dienst van Algemeen Economisch Belang
wordt een analyse gemaakt, die voorafgaand aan de parlementaire
behandeling van het wetsvoorstel met uw Kamer wordt gedeeld.
Vraag:
Kan de minister bevestigen dat het wetsvoorstel tot vereenvoudiging van
het verlofstelsel nog steeds per 1 juli 2027 in werking moet treden? En
kan hij ook toezeggen dat hij daarbij speciale aandacht heeft voor het
recente SER-advies voor versterking van mantelzorgers?
Antwoord:
Veel mensen maken gebruik van de mogelijkheden die het verlofstelsel
biedt om werk en zorg te combineren. Het vereenvoudigen van het
verlofstel wordt daarom zorgvuldig aangepakt waarbij getracht wordt om
de complexiteit van de verlofregelingen zoveel mogelijk weg te nemen.
Helaas heeft de uitwerking van het wetsvoorstel meer tijd nodig en lukt
het niet om de wet op 1 juli 2027 in werking te laten treden. Het
streven is nu 1 januari 2028. De planning is om voor de zomer een
conceptwetsvoorstel klaar te hebben voor toetsen en consultaties, zoals
de internetconsultatie en de uitvoeringstoets van UWV. Met de lopende
vereenvoudiging van het verlofstelsel wordt het huidige kortdurend en
langdurend zorgverlof samengevoegd. Hierbij zijn geen verdere
aanpassingen voorzien dan wel middelen beschikbaar. De kabinetsreactie
op het SER-advies Werk en mantelzorg vraagt nadere uitwerking. De
minister van SZW streeft ernaar deze reactie, inclusief een nieuwe
planning, rond de zomer met uw Kamer te delen.
Vragen van het lid Ergin (DENK)
Vraag:
Hoe kijkt de minister naar de verbetering van de ondersteuning van
mensen die in schuldhulpverlening zitten?
Antwoord:
Mensen met schulden moeten kunnen rekenen op kwalitatief hoogwaardige
schuldhulpverlening. Het bieden van begeleiding en nazorg is hiervan een
belangrijk onderdeel. Gemeenten werken hard aan de invoering van de
basisdienstverlening, die moet leiden tot het vergroten van het bereik
en de kwaliteit van schuldhulpverlening. Daarnaast verkent het kabinet
een aantal mogelijkheden om de kwaliteit van de schuldhulpverlening
verder te verbeteren. In de volgende voortgangsrapportage over het
Nationaal Programma Armoede en Schulden, die gepland staat voor het
laatste kwartaal van dit jaar, wordt de Kamer over de voortgang
geïnformeerd.
Vraag:
Hoe kijkt de minister naar extra experimenteerruimte in wetgeving voor
gemeenten om kwetsbare jongeren te helpen?
Antwoord:
De Participatiewet biedt nu al ruimte om te experimenteren met wetgeving
voor gemeenten om jongeren in een kwetsbare positie te helpen. Met de
Participatiewet in balans is het experimenteerartikel verbreed en kunnen
gemeenten zich per 1 januari 2027 met experimenten ook richten op het
instrument loonkostensubsidie en op maatschappelijke participatie
wanneer betaald werk (nog) geen optie is. Het kabinet werkt verder aan
een analyse over de problematiek en ondersteuningsbehoeften van jongeren
in een kwetsbare positie. Uw Kamer wordt hier in april over
geïnformeerd.
Vraag:
DENK heeft vorige week het initiatiefwetsvoorstel Gelijke kansen bij
werving en selectie ingediend. Hoe kijkt de minister naar de
initiatiefwetgeving? Kan de minister een reflectie geven op het idee om
werkgevers verantwoordelijk te maken voor eerlijke
sollicitatieprocedures en het idee om de Arbeidsinspectie de bevoegdheid
te geven om te controleren of werkgevers mensen eerlijk aannemen?
Antwoord:
Het kabinet kijkt met interesse naar initiatiefwetgeving vanuit uw
Kamer. Het kabinet deelt de ambitie dat iedereen gelijke kansen moet
hebben op de arbeidsmarkt en zet zich daar via verschillende maatregelen
en programma’s actief voor in. Het kabinet ziet daarbij ook het belang
dat werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen in het beëindigen van
discriminatie op de werkvloer en bij werving en selectie. Deze ambitie
is ook opgenomen in het coalitieakkoord. Over de inhoud van het
initiatiefwetsvoorstel kan het kabinet nu nog geen uitspraken doen. Het
kabinet zal het voorstel uiteraard zorgvuldig bestuderen en tijdens de
parlementaire behandeling haar inhoudelijke appreciatie delen. De
Arbeidsinspectie zal daarbij nog een uitvoerings- en handhavingstoets
aan de initiatiefnemers doen toekomen.
Vragen van het lid Flach (SGP)
Vraag:
Maakt het kabinet spoedig budget vrij voor de motie van de SGP over een
online gezinsportaal waar alle gezinsregelingen zijn
samengebracht?
Antwoord:
Ja, dit kabinet gaat de komende jaren structureel vanaf 2028 600 miljoen
euro intensiveren in het ondersteunen van gezinnen. We beginnen met het
samenvoegen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget tot één
nieuwe kindregeling. De komende periode werken we verder uit hoe deze
regeling eruit komt te zien, het ouder-kind portaal is hier
logischerwijs een onderdeel van. Hierover gaan we graag in gesprek met
de betrokken uitvoeringsorganisaties.
Vraag:
Het werk van de alliantie vrijwillige schuldhulp is bewezen effectief en
heeft brede maatschappelijke impact. Krijgt de alliantie een vaste plek
aan tafel als volwaardige ketenpartner?
Antwoord:
Ja, als belangrijke samenwerkingspartner krijgt de Alliantie Vrijwillige
Schuldhulp (AVS) een vaste plek in de nieuwe governance van de
schuldenketen. Aan de inrichting van de nieuwe governance wordt op dit
moment gewerkt. Het ministerie van SZW heeft periodiek overleg met de
AVS en de AVS zit ook in een klankbordgroep van de aanpak Armoede en
Schulden.
Vraag:
Is de minister van Werk en Participatie voornemens om voortvarend aan de
slag te gaan met het vereenvoudigen van de RI&E?
Antwoord:
In de werkgroep RI&E (bestaande uit sociale partners,
Arbeidsinspectie en SZW) zijn de belangrijkste knelpunten
geïdentificeerd en zijn aanpassingen afgesproken. Hierdoor vermindert de
ervaren regeldruk, met name voor het mkb. De Tweede Kamer wordt begin
mei hierover geïnformeerd.
Vraag:
Aandacht voor het gezin gaat ook over proactief en samenhangend
gezinsbeleid. Welke ambities heeft het kabinet op dit punt?
Antwoord:
Er liggen duidelijke uitdagingen bij gezinnen. Daarom wil dit kabinet
gezinnen meer gaan ondersteunen. Vorig jaar is er een onderzoek naar uw
Kamer gestuurd over de situatie van gezinnen in Nederland (bijlage bij
Kamerstuk 25 883, nr. 524). De aanbevelingen uit dit onderzoek hebben
richting gegeven aan het kabinet bij het formuleren van ambities voor de
komende periode. Denk aan het versterken van de randvoorwaarden voor
gezinsvorming, het verbeteren van de ondersteuning voor gezinnen, het
ondersteunen van ouders bij de combinatie van werk en gezin en betere
afstemming van gezinsbeleid.
In lijn met deze aanbevelingen zet dit kabinet daarom in op een aantal
maatregelen. Zo voegen we de kinderbijslag en het kindgebonden budget
samen tot één kindregeling, waarbij we zorgen voor meer eenvoud en
zekerheid voor ouders door de veelheid aan regelingen en het risico op
terugvorderingen te verminderen. Daarnaast zorgen we voor een
eenvoudiger en zekerder financieringsstelsel voor kinderopvang met een
hoge inkomensonafhankelijke vergoeding voor werkende ouders. Ook
vereenvoudigingen we het verlofstelsel, zodat verlof eenvoudiger,
begrijpelijker en toegankelijker wordt. En als laatste zorgen we voor
een interdepartementale aanpak voor de versterking van integrale
ondersteuning rondom gezinnen in kwetsbare positie.
Vraag:
Kan de minister een toezegging doen om opvoeding, zorg en onbetaald werk
terug te laten komen in het koopkrachtbeleid voor gewone gezinnen, zoals
middeninkomens en eenverdieners?
Antwoord:
De minister van SZW is het met het lid Flach eens dat ook de zorg voor
kinderen of naasten en onbetaald werk waardevol is. Dit kabinet staat
voor een evenwichtig koopkrachtbeleid, waarbij we ook oog hebben voor de
positie van middeninkomens en eenverdieners. We wegen dit uiteraard ook
in de toekomst mee bij de besluitvorming over koopkracht. En ook bij de
verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling kijken we hoe we gezinnen
het beste kunnen ondersteunen. Maar ondersteuning van gezinnen gaat
uiteraard verder dan alleen koopkracht. Daarom werken we bijvoorbeeld
ook aan het vereenvoudigen van het verlofstelsel en een aanpak voor de
versterking van integrale ondersteuning rondom gezinnen in een kwetsbare
positie.
Vraag:
Zegt de minister toe om de zes opties voor een goed
nabestaandenpensioen, die de vorige minister in een Kamerbrief noemde,
te onderzoeken en uit te werken? Kan de minister toezeggen dat de
coulanceregeling die met de sector wordt afgesproken breder opgezet
wordt, zodat ook mensen die onverzekerd zijn en niet bewust deze
verzekering voor het nabestaandenpensioen hebben opgezegd coulance
krijgen?
Antwoord:
Ja, de zes maatregelen, vermeld in de brief ‘Stand van zaken vrijwillige
voortzetting nabestaandenpensioen’ van 17 december 2025 (Kamerstuk 32
043, nr. 691), worden verder uitgewerkt. Deze maatregelen zien erop om
de groep onbedoeld onverzekerden bij vrijwillige voortzetting van het
nabestaandenpensioen zoveel als mogelijk te voorkomen. Een van de
maatregelen ziet op een sectorbrede coulanceregeling.
Veel pensioenfondsen hanteren volgens de Pensioenfederatie reeds een
coulanceregeling. Of zij maken een beroep op de hardheidsclausule
mogelijk bij overlijden van de gewezen deelnemer, die gedurende de
keuzetermijn nog geen keuze heeft gemaakt of wanneer er nog geen aanbod
gedaan is. In die situatie zal het pensioenfonds (na onderzoek) overgaan
tot uitkering van het partnerpensioen alsof er wel een dekking zou zijn
geweest. De sectorbrede coulanceregeling ziet op deze groep onbedoeld
onverzekerden. Deelnemers kunnen, ondanks de wettelijk verplichte
keuzebegeleiding van de pensioenuitvoerder, de keuze maken om niet te
kiezen voor vrijwillige voortzetting. De redenen om niet te kiezen voor
vrijwillige voortzetting zijn divers, zoals het niet hebben van een
partner of deelname aan een pensioenregeling met nabestaandenpensioen
bij een nieuwe werkgever. Ook is het mogelijk dat de deelnemer al
beschikt over voldoende opgebouwd partnerpensioen vóór pensioendatum
(overgangsrecht Wtp) of een private oplossing (bijvoorbeeld
overlijdensrisicoverzekering) heeft.
Vraag:
Staat ook dit kabinet op het standpunt dat de EU niet over abortus gaat
en dat het dus ook niet wil dat hier via het ESF+ fonds Europees geld
aan wordt uitgegeven in Nederland of een andere lidstaat?
Antwoord:
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en
meisjes, inclusief keuzevrijheid en toegang tot veilige abortuszorg. In
het huidig ESF wordt toegang tot gezondheidszorg niet gefaciliteerd.
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie)
Vraag:
Wat gaat dit kabinet doen met het collectief afbetalingsplan en de
zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders?
Antwoord:
Het verbeteren van het stelsel van civiele invordering is een speerpunt
om problematische schulden fundamenteel aan te pakken en schuldenoploop
te voorkomen. Belangrijk daarbij is dat er in het stelsel meer ruimte
komt voor coördinatie door één betalingsregeling op te kunnen stellen
voor meerdere schuldeisers, ook wel het collectief afbetalingsplan
genoemd. Daarnaast is het van belang dat een gerechtsdeurwaarder ook
moet kunnen de-escaleren, bijvoorbeeld door te kunnen verwijzen naar
schuldhulp. In mei 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de uitwerking van
deze maatregelen (Kamerstuk 24 515, nr. 798). Het afgelopen jaar is (in
afstemming met de betrokken stakeholders) gewerkt aan de nadere
uitwerking van deze maatregelen. Het kabinet is voornemens de Kamer
hierover voor de zomer te informeren.
Vraag:
Kan de minister van SZW toelichten waar de 150 miljoen voor armoede en
schulden voor wordt uitgetrokken en dat in ieder geval het collectief
afbetalingsplan voldoende wordt gefinancierd? Deelt de minister de
mening dat het beter is dit geld in te zetten voor structurele
verbeteringen in plaats van incidentele beperkte
koopkrachtreparaties?
Antwoord:
De minister van SZW vindt het bestrijden van armoede en problematische
schulden erg belangrijk. Het is daarom goed dat er structureel middelen
gereserveerd zijn voor de versterking van armoedebestrijding en een
effectieve aanpak daarvan, en de preventie van problematische schulden.
Het Nationaal Programma Armoede en Schulden bevat daarvoor een breed
palet aan maatregelen, waaronder het collectief afbetalingsplan. De
minister van SZW zal terugkomen op de verdeling van de middelen en
kijken welke maatregelen het meest passend zijn om deze middelen voor in
te zetten. Uw Kamer wordt in ieder geval bij Prinsjesdag hierover
geïnformeerd.
Vraag:
Recent onderzoek van Deloitte wijst uit dat organisaties zoals
SchuldHulpMaatje de maatschappij miljoenen bespaart. Wat vindt de
minister van dit onderzoek en wat betekent dit onderzoek voor de rol van
deze organisaties voor hun financiering en invloed op het beleid?
Antwoord:
De minister van SZW deelt de analyse uit het rapport van Deloitte dat de
hulp door vrijwilligers aan mensen met geldzorgen goed is voor het
individu en de maatschappij. Tienduizenden mensen worden aan de
keukentafel en bij inlooppunten geholpen met beter rondkomen, aanvragen
waar ze recht op hebben en andere geldzaken. Zij hebben een waardevolle
rol in het bereiken en ondersteunen van mensen. Het ministerie van SZW
steunt daarom de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp (AVS) al een aantal
jaar met een subsidie van twee miljoen euro per jaar (in 2024, 2025 en
2026) en kijkt naar een nieuwe subsidie voor 2027 en latere jaren. Ook
is regelmatig overleg met de AVS, Schuldhulpmaatje en Humanitas over
ontwikkelingen en knelpunten die zij zien.
Vraag:
Waarom bezuinigt dit kabinet op re-integratiemiddelen als het kabinet
meer mensen aan het werk wil krijgen?
Antwoord:
De minister van Werk en Participatie gaat graag het gesprek aan met uw
Kamer over de precieze invulling van de maatregelen zoals benoemd in het
coalitieakkoord. Dit geldt ook voor de ingeboekte besparing van 100
miljoen euro op re-integratiemiddelen. Het is belangrijk op te merken
dat het de inzet is van het kabinet om deze 100 miljoen euro in te
zetten voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO) om werkzekerheid te stimuleren,
zodat mensen sterker staan in een veranderende arbeidsmarkt. Hoe beter
we erin slagen - samen met sociale partners - mensen werkzekerheid te
bieden door een bestendig LLO-stelsel, hoe minder mensen een beroep
hoeven doen op onze sociale zekerheid. De inzet is om er, samen met UWV
en gemeenten, voor te zorgen dat voor iedere werkzoekende passende
ondersteuning beschikbaar is en blijft, om zo snel mogelijk weer aan het
werk te gaan.
Vraag:
Wat gaat dit kabinet doen met het Europees Sociaal Fonds, en gaat de
minister de aanpak dakloosheid een prominente plek geven in het
ESF-programma?
Antwoord:
Gemeenten maken zelf de keuze op welke doelgroepen zij het ESF+
inzetten. Het ESF+ (looptijd 2021-2027) is gericht op de ondersteuning
van mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Gemeenten kunnen de
ESF+ middelen onder voorwaarden ook inzetten om mensen die dakloos zijn
te ondersteunen.
Vanaf 2028 heeft het Europees Sociaal Fonds in het Meerjarig Financieel
Kader (MFK) geen specifiek budget, maar wordt onderdeel van de Nationale
en Regionale Partnerschap Plannen (NRPP). Het is op dit moment nog te
vroeg om in te gaan op de specifieke invulling van het NRPP dat voor
Nederland opgesteld zal worden. Hierin wordt uiteraard uw Kamer
betrokken. De NRPP-plannen worden opgesteld door de lidstaten, in
samenspraak met medeoverheden.
Vraag:
Wat kunnen mensen die in een sociale werkplaats werken, verwachten van
dit kabinet?
Antwoord:
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen mee kan doen. Ook mensen
die werken bij sociaal ontwikkelbedrijven. Voor hen moet er een sterke
sociale infrastructuur zijn, die werk mogelijk maakt wanneer dat niet
vanzelfsprekend is. Als plek om te ontwikkelen, als springplank naar
regulier werk en als vangnet wanneer mensen langer op sociaal
ontwikkelbedrijven aangewezen zijn.
In 2024 en 2025 is er fors geïnvesteerd in sociaal ontwikkelbedrijven en
beschut werk. In de structurele situatie gaat het om 190 miljoen euro
per jaar. Hiermee maakt het kabinet werk mogelijk en vergroten we de
kansen van mensen om mee te doen en economisch zelfstandig te zijn. En
we zien dat het werkt. Het aantal beschutte banen neemt gestaag toe. Ook
groeit het aantal mensen dat met loonkostensubsidie aan het werk
is.
Vragen van het lid Dijk (SP)
Vraag:
Hoe gaat de minister de armoede in Nederland oplossen in plaats van
groter maken? Hoe legt u uit dat iedere dag in ons land 35 baby's worden
geboren zonder dat er kleding, warm bed en een knuffeltje is?
Antwoord:
Het is schrijnend als kinderen bij hun geboorte te maken krijgen met een
gebrek aan basisvoorzieningen zoals een warm bed en een knuffeltje. Elk
kind verdient een goede start en elk kind dat opgroeit in armoede is er
één te veel. Niemand in Nederland zou door het ijs moeten zakken.
Dit kabinet zet zich daarom in om mensen uit armoede te halen en om
(kinder)armoede te voorkomen. Veel ouders hebben recht op kinderbijslag
en kindgebonden budget, als tegemoetkoming voor de kosten van kinderen.
Voor ouders met een lager inkomen komt die ondersteuning uit op 3.800
euro per kind op jaarbasis. Naarmate kinderen ouder worden, loopt dit
bedrag op tot ruim 5.200 euro op jaarbasis, en alleenstaande ouders
krijgen daarbovenop nog een aanvulling van ruim 3.400 euro op jaarbasis.
Ouders kunnen deze tegemoetkomingen inzetten voor bijvoorbeeld kleding
of brillen, schoolspullen, zwemlessen of sport. Het kabinet investeert
600 miljoen euro in het versterken van gezinnen. Als eerste stap worden
de kinderbijslag en het kindgebonden budget samengevoegd tot één nieuwe
kindregeling voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders.
Daarnaast werkt het kabinet ook op andere manieren aan het terugdringen
van (kinder)armoede en het versterken van kansengelijkheid. De verdere
inzet op het terrein van kinderarmoede komt terug in de
voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden.
Deze is op 10 maart jl. verzonden aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 24 515,
nr. 818). Het kabinet ondersteunt bijvoorbeeld de partners van Samen
Voor Alle Kinderen (Sam&) bij het vergroten en bestendigen van hun
bereik van kinderen met kindvoorzieningen, waardoor kinderen kunnen
meedoen met onder andere schoolactiviteiten, de sportvereniging of
muziekles ondanks de financiële situatie van het gezin. De vijf
samenwerkende partners in Sam& zijn Stichting Jarige Job, Jeugdfonds
Sport & Cultuur, Jeugdeducatiefonds Stichting Leergeld Nederland en
Nationaal Fonds Kinderhulp. In het coalitieakkoord is ook afgesproken om
te investeren in armoedebeleid en een effectieve aanpak (en de
preventie) van schulden. Voor deze aanpak is structureel 150 miljoen
euro gereserveerd.
Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS)
Vraag:
Wat gaan de ministers doen aan de loonkloof die er nog steeds is tussen
mannen en vrouwen? In welk tempo wordt hier werk van gemaakt?
Antwoord:
Het kabinet werkt aan de implementatie van de Richtlijn
loontransparantie, die tot doel heeft bij te dragen aan het verkleinen
van de loonverschillen tussen mannen en vrouwen. Het wetsvoorstel ligt
inmiddels ter advisering bij de Raad van State. De streefdatum voor
inwerkingtreding is 1 januari 2027. Werkgevers kunnen zich vooruitlopend
daarop alvast voorbereiden op de nieuwe regels.
Vraag:
Is de vertaling van de plannen over de transitievergoeding eigenlijk dat
het ontslag gewoon goedkoper wordt?
Antwoord:
Het goedkoper maken van ontslag is geen doel van deze maatregel. Het
kabinet vindt het belangrijk dat de transitievergoeding vaker en meer
wordt benut voor scholing. Dat vergroot de wendbaarheid van werknemers
en werkgevers en kan ontslagen voorkomen. Daarom worden mogelijkheden
onderzocht om de transitievergoeding te ‘oormerken’ voor scholing en
wordt gekeken naar de verbetering van de inzet van scholingsmiddelen en
mogelijkheden. De minister van SZW en de minister van OCW informeren uw
Kamer hierover voor de zomer in een Kamerbrief over het
LLO-beleid.
Vraag:
Zou de minister willen nadenken over een sociaal pensioen, en wil de
minister hierover in gesprek gaan met Vrijwilligerswerk Nederland?
Antwoord:
Het kabinet deelt de opvatting van de fractie van 50Plus dat
vrijwilligers een belangrijke bijdrage leveren aan de Nederlandse
samenleving. Iedereen die in Nederland woont, ontvangt een basispensioen
in de vorm van de AOW, ongeacht vrijwilligerswerk, mantelzorg of betaald
werk. Voor aanvullend pensioen ligt het voor de hand dat sociale
partners arbeidsvoorwaardelijke afspraken maken over pensioenopbouw in
bijvoorbeeld situaties als mantelzorg, verlof of
vrijwilligerswerk.
Vraag:
Ziet het kabinet oplossingen voor de uitdagingen die oudere werknemers
ervaren in een re-integratietraject? En hoe kijkt het kabinet naar deze
oplossingen?
Antwoord:
Elke dag werken professionals bij UWV en gemeenten, samen met
werkzoekenden, hard aan hun re-integratie op de arbeidsmarkt. Het klopt
dat nog te vaak mensen niet de juiste ondersteuning krijgen, terwijl dit
wel mogelijk is. Daarom wil het kabinet de arbeidsmarktinfrastructuur
versterken. Door de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur
versterken UWV en gemeenten de samenwerking met onderwijsinstellingen en
werkgevers, zodat er betere kansen ontstaan voor (oudere) werkzoekenden,
richting onder andere tekortsectoren.
Ook binnen het traject om de Participatiewet fundamenteel te herzien en
via de toekomstvisie op de banenafspraak, worden stappen gezet om de
ondersteuning verder te versterken en verbeteren. Daar hebben ouderen
ook profijt van. Daarnaast kijkt het kabinet naar een verdere
uniformering van re-integratievoorzieningen. Zodat werkzoekenden en
werkgevers sneller de ondersteuning krijgen die nodig is.
Vraag:
Kan de Kamer bij de plannen van Prinsjesdag ook puntenwolken ontvangen
van het CPB, uitgesplitst voor werkenden, gepensioneerden en
uitkeringsgerechtigden?
Antwoord:
Er zijn veel verschillende mogelijkheden om de uitkomsten van
koopkrachtramingen te presenteren, zoals de boxplot, medianentabellen of
de puntenwolk. In het verleden werd de puntenwolk vaak gebruikt om de
uitkomsten van koopkrachtberekeningen te presenteren. CPB toonde de
puntenwolk voor het laatst in het Centraal Economisch Plan 2023.
Inmiddels is de boxplot meer gangbaar. Bij keuzes over het gebruik van
presentatievormen moeten afwegingen worden gemaakt. Het toevoegen van
presentatievormen levert meer informatie voor de gebruikers op, maar
maakt het lezen van koopkrachtpublicaties ook lastiger. Tegelijkertijd
begrijpt de minister van SZW de behoefte aan informatie van het lid Van
Brenk en zal haar verzoek doorgeleiden aan het CPB. Het CPB is uiteraard
onafhankelijk en gaat zelf over de keuzes over presentatie van de
uitkomsten van koopkrachtramingen.
Vraag:
Waar kan de groep senioren die niet meer thuis kan blijven wonen op
rekenen bij een duidelijk ontoereikend inkomen voor een gewenste en
noodzakelijke verhuisstap? Wat kan de minister hierin betekenen?
Antwoord:
De groep senioren die een noodzakelijke verhuisstap maakt met een
ontoereikend inkomen kan mogelijk aanspraak maken op de bijzondere
bijstand. Als door onvoorziene omstandigheden de noodzakelijke kosten
van het bestaan niet betaald kunnen worden, dan kan de bijzondere
bijstand een bijdrage leveren aan deze kosten. Bijzondere bijstand is
echter niet bedoeld voor het afdekken van structureel hoge woonkosten.
Er is dan immers geen sprake meer van onvoorziene omstandigheden.
Vraag:
Is de minister bereid per fonds inzicht te geven in de transitiekosten
die worden gemaakt?
Antwoord:
Nee, het is niet aan het kabinet om de kosten die individuele
pensioenuitvoerders maken inzichtelijk te maken en deze met elkaar te
vergelijken. Het is daarnaast ook lastig om een duidelijk onderscheid te
maken tussen de kosten voor de transitie, en overige kosten
bijvoorbeeld voor onderhoud. De transitie wordt namelijk ook vaak
aangegrepen om noodzakelijk onderhoud uit te voeren. Daarnaast kunnen
hogere kosten verschillende redenen hebben, bijvoorbeeld een hoger
afgesproken serviceniveau. Wel vindt het kabinet het belangrijk dat
pensioenuitvoerders de kosten die zij maken verantwoorden. Dat doen zij
intern via de deelnemersorganen en de interne toezichthouder. Extern
doen zij dit via het jaarverslag en richting de deelnemer via het
Uniform Pensioenoverzicht (UPO). In aanvulling hierop worden de kosten
die pensioenuitvoerders maken ten behoeve van de transitie naar het
nieuwe stelsel gemonitord in de transitiemonitor en daarover wordt uw
Kamer periodiek geïnformeerd via de voortgangsrapportage monitoring
Wtp.
Vraag:
Deelt de minister de mening van 50Plus dat de beleggingsrendementen van
onze pensioenfondsen niet goed zijn, en gaat hij hier nu eens iets aan
doen?
Antwoord:
De minister van SZW heeft begrip voor het feit dat het lid Van Brenk de
indruk heeft dat pensioenfondsen minder rendement realiseren wanneer zij
een vergelijking maakt met enkele aandelenindices. Bij het beoordelen
van de beleggingsprestaties moet echter niet alleen naar rendementen en
kosten worden gekeken maar ook naar het beleggingsrisico. Een
pensioenfonds kan nooit het hele vermogen in index-beleggen doen. Er
zijn altijd gedeeltes van het vermogen die risicomijdend moeten worden
vastgezet om als buffer te dienen. De redenering dat pensioenfondsen
vele miljarden rendement zijn 'kwijtgeraakt' klopt dus niet.
Pensioenfondsen gaan over hun eigen strategisch beleggingsbeleid en
stellen deze vast op basis van de beleggingsrisico’s die hun deelnemers
kunnen en willen nemen. De Nederlandsche Bank houdt goed prudentieel
toezicht op de beleggingsprocessen van pensioenfondsen.
Vraag:
Kan de minister nagaan of het mogelijk is om mensen in de Wajong die
duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en werken met loondispensatie net
als mensen in de Wajong met arbeidsvermogen via de uitkering te
compenseren voor hun verminderde loonwaarde?
Antwoord:
In het commissiedebat Uitvoering sociale zekerheid van 17 december 2025
heeft de voormalig minister van SZW toegezegd aan het lid Van Brenk om
op deze vraag schriftelijk terug te komen. Deze vraag gaat over mensen
die vanuit het experiment re-integratiedienstverlening IVA en Wajong-DGA
aan het werk zijn gegaan met loondispensatie. De rekenregels voor deze
specifieke groep zijn anders dan die voor mensen met een
Wajong-uitkering, die wel arbeidsvermogen hebben, en op dezelfde manier
werken.
Bij het opzetten van het experiment is onderzocht of de rekenregels voor
deze groep aangepast konden worden zoals het lid Van Brenk hier vraagt.
Het experimenteerartikel in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen biedt hier geen mogelijkheid toe. Dat kan alleen via
wetgeving geregeld worden.
Het experiment wordt geëvalueerd en voor de zomer ontvangt uw Kamer een
tussenrapportage. Op basis van deze rapportage wordt besloten of het
kabinet deze dienstverlening al dan niet structureel kan en wil maken.
Dan zal ook worden bezien of het wenselijk is om de regels rondom de
verrekening van inkomen aan te passen.
Vraag:
Kan de minister een appreciatie geven van de analyse van Daan Kleinloog
in een artikel in Pensioen en Praktijk? Als het Actuarieel Genootschap
zelf aangeeft dat netto-profijtberekeningen slechts ondersteunend zijn
en niet geschikt voor euro-nauwkeurige herverdeling, waarom blijft DNB
deze methode dan toch centraal stellen?
Antwoord:
Anders dan in het artikel wordt gesteld, stelt DNB netto profijt
berekeningen niet centraal in de verdeling van pensioenvermogens. In de
besluitvorming van de transitie is het gebruik van kwantitatieve
maatstaven wettelijk voorgeschreven, te weten netto profijt en de
verwachte pensioenuitkering van alle deelnemers (pensioenverwachting).
DNB houdt onder andere toezicht op de besluitvorming rond
evenwichtigheid van de transitie. Zij neemt daarbij zowel de uitkomsten
van netto profijt als die van de pensioenverwachting in
ogenschouw.
Vragen van het lid Dassen (Volt)
Vraag:
Deelt de minister dat weerbaarheid alleen werkt als iedereen mee kan
doen, en hoe gaat de minister ervoor zorgen dat iedereen een noodpakket
in huis kan hebben?
Antwoord:
Ja, de minister van SZW deelt dit. Daarom werkt het ministerie van SZW
in een breed interdepartementaal traject met andere maatschappelijke
partners om die weerbaarheid te versterken. De recent gestarte campagne
‘Denk Vooruit’ heeft als doel mensen bewust te maken van wat zij in een
noodsituatie nodig kunnen hebben, zoals een noodplan en een noodpakket.
Het uitgangspunt is dat mensen in huis halen wat binnen hun eigen
mogelijkheden past. Ook wordt aangespoord samen met buren, vrienden en
familie te kijken wat gezamenlijk geregeld kan worden. Door de
verschillende betrokken ministeries wordt nagegaan wat nodig is om
mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op
potentiële noodsituaties. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar
bestaande structuren en voorzieningen en naar de rol van verschillende
betrokken departementen.
Vraag:
Hoe kijkt de minister naar initiatieven zoals het bouwdepot, die
perspectief geven aan jongeren en weer helpen om de samenleving op te
bouwen? Is hij bereid om samen met gemeenten te kijken naar dergelijke
succesvolle initiatieven, zodat jongeren die nu buiten het systeem
vallen weer de ondersteuning kunnen krijgen die zij nodig hebben?
Antwoord:
Het kabinet steunt initiatieven die kwetsbare jongeren ondersteunen,
zolang deze passen binnen de wettelijke kaders. Naar aanleiding van de
motie Flach en Inge van Dijk (Kamerstuk 36 582, nr. 56) werkt het
kabinet verder aan een analyse over de problematiek en
ondersteuningsbehoeften van jongeren in een kwetsbare positie. Hierover
is het kabinet reeds met gemeenten in gesprek. Uw Kamer wordt in april
over de uitkomsten van deze analyse geïnformeerd.
Vraag:
Welke stappen wil de minister zetten om de erkenning van diploma's en
certificaten binnen Europa te verbeteren? Hoe gaat de minister zorgen
dat Europese initiatieven zoals de Talentpool bijdragen aan het
aanpakken van personeelstekorten, terwijl we tegelijkertijd uitbuiting
voorkomen en arbeidsvoorwaarden beschermen?
Antwoord:
De Europese Commissie zal naar verwachting in september 2026 met een
pakket komen om eerlijke arbeidsmobiliteit te bevorderen. Onderdeel van
dit pakket is een voorstel over ‘skills portability’, gericht op het
vereenvoudigen van de erkenning en overdraagbaarheid van vaardigheden en
kwalificaties binnen de Europese Unie. De minister van SZW wil dit,
samen met de minister van OCW, zorgvuldig bestuderen en met uw Kamer
bespreken.
Daarnaast werkt de Europese Commissie aan het oprichten van een Europese
Talentenpool. Deze zal zich richten op specifieke beroepen op alle
vaardigheidsniveaus. Dit gebeurt op basis van de meest voorkomende
knelpuntberoepen in de Unie en op beroepen die een directe bijdrage
leveren aan de groene en digitale transities. Later dit jaar neemt het
kabinet een besluit over deelname aan de Talentpool. Dit besluit wordt
mede bezien in het kader van de Talentstrategie. Daarbij kijkt het
kabinet uiteraard zorgvuldig naar waarborgen om misbruik en oneigenlijk
gebruik te voorkomen. Om oneigenlijke detachering van werknemers van
buiten de EU tegen te gaan, al dan niet geworven via de Talentenpool,
zet Nederland in op versterking van grensoverschrijdende handhaving via
de Europese Arbeidsautoriteit. Ook zet Nederland in op verduidelijking
van het juridisch kader rond de detachering van werknemers uit derde
landen.
Vraag:
Is de minister bereid om te onderzoeken hoe de risico's rond personeel
beter gemitigeerd kunnen worden voor start-ups?
Antwoord:
Ja. Dit kabinet wil met sociale partners in gesprek over de ambities op
de middellange termijn, waarbij wendbaarheid voor ondernemers en
werkzekerheid voor mensen met een baan de doelen zijn. We kijken waar
flex momenteel té flex is en waar vast nu belemmerend vast is, en
hervormen waar nodig. Een belangrijke randvoorwaarde is dat er voor
werkgevers, met name in het mkb en startups, meer wendbaarheid is om mee
te bewegen met economische ontwikkelingen.
Ook op korte termijn heeft het kabinet ambities. Zo dienen we naar
verwachting dit kalenderjaar nog wetsvoorstellen uit het
arbeidsmarktpakket in bij uw Kamer, die de wendbaarheid van werkgevers
vergroten. Het gaat om het wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis en
het wetsvoorstel re-integratie tweede spoor. Het pakket bevat ook
wetsvoorstellen die de zekerheid van werkenden vergroten. Het gaat om
het wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen,
dat naar verwachting dit jaar nog wordt ingediend bij uw Kamer.
Daarnaast gaat het om het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers, dat
naar verwachting begin april wordt behandeld in uw Kamer. Daarnaast
willen we werken aan voorstellen om loondoorbetaling bij ziekte voor
werkgevers, met name in het mkb, meer werkbaar te maken.
Vraag:
Gaat u uitvoering geven aan de motie Dassen/Vijlbrief/Patijn over een
hoger minimumjeugdloon?
Antwoord:
De motie Dassen c.s. (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 81) verzoekt om een
verhoging van het minimumjeugdloon met meer en eerder dan de voorgenomen
verhoging. Het kabinet zal het minimumjeugdloon per 1 januari 2027
verhogen.
Vraag:
Ziet de minister de laptopregeling, die in sommige gemeenten geldt, ook
als een onderdeel van brede agenda om het stelsel te versimpelen,
efficiënter in te richten en om gelijke kansen voor jongeren te
bevorderen en is hij het eens om de laptopregeling nationaal in te
regelen? En welke andere regelingen ziet het kabinet om zo snel mogelijk
te harmoniseren en om te zorgen dat wij dat op landelijk niveau
uitvoeren?
Antwoord:
Er wordt in overleg met VNG en gemeenten gewerkt aan de vereenvoudiging
en het versterken van het armoedebeleid. De uitkomsten van de eerste
verkenningen zijn opgenomen in de voortgangsrapportage van het Nationaal
Programma Armoede en Schulden, die uw Kamer 10 maart jl. heeft ontvangen
(Kamerstuk 24 515, nr. 818). Het kabinet gaat in gesprek met gemeenten
om invulling te geven aan de ambitie uit het coalitieakkoord. In dit
gesprek zal de mogelijkheid om de laptopregeling te harmoniseren en de
gevolgen daarvan meegenomen worden. Op de uitkomsten van deze gesprekken
kan het kabinet niet vooruitlopen.
Vragen van het lid Moinat (Groep Markuszower)
Vraag:
Is de minister het met ons eens dat de lastenverlichting op
arbeidsinkomen voorop moet staan, in plaats van achteraf repareren wat
misgaat? En is de minister het met ons eens dat werken echt moet
lonen?
Antwoord:
Ja, de minister van SZW is het eens met beide punten die het lid Moinat
maakt. Het is al langere tijd een breed gedragen wens om hier iets aan
te doen. Dat kan ook. Alleen vergt het een brede herziening van het
bestaande stelsel van premies, belastingen en toeslagen. Daarom gaan de
minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën aan de slag met
een hervormingsagenda. Voor het einde van 2026 kan uw Kamer deze agenda
tegemoet zien.
Vraag:
Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat re-integratiebegeleiding
daadwerkelijk werkt? Dat mensen niet verdwalen tussen loketten, maar
gezien worden?
Antwoord:
Het kabinet ziet dat begeleiding naar werk loont. Mensen die de juiste
ondersteuning krijgen, vinden vaker en sneller een passende baan. Daarom
versterken we de arbeidsmarktinfrastructuur, zodat werkgevers en
werkzoekenden terecht kunnen bij het regionale werkcentrum, één
toegangspoort voor vragen en ondersteuning. Het kabinet kijkt ook naar
verdere uniformering van re-integratievoorzieningen om werkzoekenden en
werkgevers makkelijker de ondersteuning te geven die nodig is. Tot slot
wordt met de verbeteringen voor de banenafspraak ingezet op meer
werkgelegenheid voor mensen met een beperking, door veel meer uit te
gaan van de ondersteuningsbehoefte van mensen.
Vraag:
Wat vindt de minister van het stuk ‘’Top uitkeringsinstantie herschrijft
Kamerbrief van het ministerie’’ welke is gepubliceerd in het Algemeen
Dagblad?
Antwoord:
Hierover heb ik u op 11 maart 2026 per brief geïnformeerd (Kamerstuk 26
448, nr. 868).
Vragen van het lid Keijzer (Keijzer)
Vraag:
Hoe gaat het kabinet de afhankelijkheid van mensen van de overheid
aanpakken door het fiscale stelsel te wijzigen?
Antwoord:
Ons stelsel van inkomensondersteuning via belastingen, toeslagen en
sociale zekerheid is toe aan een hervorming. De ondoorzichtigheid en
onvoorspelbaarheid van het stelsel zorgt ervoor dat mensen geen stap
durven te zetten naar (meer) werk en dat mensen die we willen
ondersteunen regelingen niet meer aanvragen. We gaan daarom door met
vereenvoudiging binnen bestaande regelingen en een stip op de horizon
zetten om naartoe te werken.
Het kabinet komt daarom eind dit jaar met een hervormingsagenda met
vereenvoudigingen op het gebied van fiscaliteit, sociale zekerheid en
toeslagen. Deze agenda moet concrete mijlpalen in de tijd bevatten. Het
coalitieakkoord bevat afspraken waarmee we deze kabinetsperiode concrete
stappen zetten. Dit gaat onder andere over:
- het doorgaan met de hervorming van de kinderopvangtoeslag;
- het samenvoegen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget tot
één kindregeling;
- de inzet op proactieve dienstverlening, waaronder automatische
uitkering van toeslagen; en
- het inperken van inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit, te
beginnen bij heffingskortingen.
Om deze afspraken en eventuele aanvullende stappen te realiseren, vindt
het kabinet het belangrijk om vroegtijdig in gesprek te gaan met de
Kamer en met de samenleving over waar het politiek en maatschappelijk
draagvlak ligt. Voor de zomer komt de staatssecretaris van Financiën met
een strategische agenda, waarin hij verder ingaat op vereenvoudigingen
in belastingen en toeslagen.