[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Schriftelijke beantwoording op de Begroting SZW voor het jaar 2026

Bijlage

Nummer: 2026D11790, datum: 2026-03-16, bijgewerkt: 2026-03-16 10:55, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van zaak 2026Z03907:

Bijlage bij: Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 11 maart 2026 (2026D11789)

Preview document (🔗 origineel)


Vragen van het lid Patijn (PvdA-GL)

Vraag:
Is de minister bereid om de zeggenschap voor de sociale zekerheid neer te leggen bij werkgevers en werknemers?

Antwoord:
Nee, de minister van SZW is niet bereid de volledige zeggenschap voor de sociale zekerheid bij werkgevers en werknemers neer te leggen. Het kabinet is eindverantwoordelijk. Werkgeversorganisaties en vakbonden zijn wel belangrijke stakeholders in onze sociale zekerheid, die breder is dan alleen werkgevers en werknemers. Het kabinet ziet daarom ook de noodzaak om met hen in gesprek te blijven. Deze samenwerking is van groot belang.


Vraag:
Op welke feiten heeft het kabinet de keuzes over de onderbouwing van de AOW-leeftijd gebaseerd?

Antwoord:
De 18e Studiegroep Begrotingsruimte vraagt aandacht voor vergrijzingsgevoelige uitgaven, zoals de AOW. Ondanks de al bestaande koppeling aan de levensverwachting nemen de uitgaven aan de AOW namelijk toe tot 69,9 miljard euro (5,7% van het bbp) in 2040. De potentiële beroepsbevolking stagneert tussen nu en 2040. Door een stijging van de AOW-leeftijd werken mensen langer door en dragen mensen langer bij aan de AOW, blijkt uit de jaarlijkse AOW-monitor. Doordat het aantal mensen dat werkt toeneemt, stijgt ook de instroom in de WW-, WIA- of bijstandsuitkering. Bovendien neemt de kans om in te stromen in die uitkeringen toe met de leeftijd. En mensen die al een uitkering ontvangen blijven daar langer in zitten. We ontvangen geen signalen dat mensen bewust andere uitkeringen instromen als een vorm van overbrugging. Per saldo treedt een besparing op.


Vraag:
De Aof premie, de Awf premie en andere premies stijgen over het inkomen tot 53.000 euro. De rekening wordt bij het mkb neergelegd. Kan de minister aangeven of het klopt dat de premielasten juist stijgen voor het mkb en kan de minister aangeven of hij het een gewenst effect vindt dat de premielasten juist bij het mkb neerdaalt? Kan de minister precies aangeven hoeveel geld met deze premieverhoging opgehaald gaat worden en wat de hoogte van de premie straks zal worden?

Antwoord:
Het is niet zo dat de rekening bij het mkb wordt neergelegd. Werkgevers betalen geen werkgeverspremies over loon boven het maximumdagloon. Het maximumdaglooon is nu 79.400 euro. Bij een verlaging van 20% wordt dit 63.500 euro.

Het verlagen van het maximumdagloon zorgt voor ongeveer 2,6 miljard euro minder premie-inkomsten. Er is afgesproken dat dit gecompenseerd wordt door de premietarieven te verhogen. Die verhoging is ongeveer 0,8 procentpunt, verdeeld over de premies voor arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en de opslag kinderopvang. De precieze premietarieven hangen ook af van de invulling van andere maatregelen uit het coalitieakkoord, waarover het kabinet nog met werkgevers in overleg gaat.

Werkgevers met veel lage lonen gaan meer premie betalen, terwijl werkgevers met hogere lonen een voordeel hebben van het lagere maximumpremieloon. Kleine bedrijven hebben gemiddeld iets lagere lonen dan grotere bedrijven. De lonen verschillen echter veel meer tussen sectoren, dan tussen grotere en kleinere bedrijven. Er zijn kleine bedrijven met hoge lonen, bijvoorbeeld in de ICT-sector, en er zijn grote bedrijven met relatief lage lonen, zoals de detailhandel. De maatregel raakt dus niet alleen het mkb.


Vraag:
In de beantwoording op schriftelijke vragen van GroenLinks-PvdA over de houdbaarheid van de AOW heeft het kabinet een fout gemaakt. Wanneer wordt deze fout door het kabinet gecorrigeerd?

Antwoord:
De minister van SZW heeft de gecorrigeerde antwoorden op 10 maart jl. aan de Kamer gestuurd (Kamerstuk TK 2026Z03907).

Vragen van het lid Lahlah (PvdA-GL)

Vraag:
Wanneer komt de minister met een aanpassing voor de groep van chronisch zieken of mensen met een ernstige beperking die in de bijstand zitten, zoals vorig jaar is aangegeven?

Antwoord:
In het coalitieakkoord is opgenomen dat we mensen in de Participatiewet die echt niet kunnen werken, niet constant vragen dit toch te doen. We voeren ook het gesprek met gemeenten en belangenorganisaties om te onderzoeken wat we nog meer kunnen doen binnen de mogelijkheden van de Participatiewet. Daarnaast loopt een verkenning naar beleidsopties binnen en buiten de Participatiewet. Het is belangrijk dat een mogelijke oplossing voor deze groep mensen inpasbaar is in het brede arbeidsongeschiktheidsstelsel.


Vraag:
Is de minister bereid om te kijken naar een passende regeling voor mensen die duurzaam en objectief niet meer kunnen werken, ongeacht hun arbeidsverleden?

Antwoord:
In het coalitieakkoord is opgenomen dat we mensen in de Participatiewet die echt niet kunnen werken, niet constant vragen dit toch te doen. We voeren ook het gesprek met gemeenten en belangenorganisaties om te onderzoeken wat we nog meer kunnen doen binnen de mogelijkheden van de Participatiewet. Daarnaast loopt een verkenning naar beleidsopties binnen en buiten de Participatiewet. Het is belangrijk dat een mogelijke oplossing voor deze groep mensen inpasbaar is in het brede arbeidsongeschiktheidsstelsel.


Vraag:
Waarom laat dit kabinet toe dat mensen met smalle marge vastlopen in botsende regels van overheid, gemeenten en waterschappen?

Antwoord:
Er zijn mensen die door een samenloop van regels geen (volledige) kwijtschelding van hun belastingaanslag meer kunnen krijgen. Het kabinet begrijpt dat dit voor hen een vervelende en moeilijk uitlegbare situatie is. Daarom beziet het kabinet, in samenspraak met gemeenten en waterschappen, of een oplossing voor deze mensen passend en uitvoerbaar is. De minister van SZW is hiervoor in gesprek met de ministers van BZK en Infrastructuur en Waterstaat en de staatssecretaris van Financiën, die gaan over het kwijtscheldingsbeleid. Het kabinet streeft ernaar om hierover dit voorjaar een besluit te nemen, om betrokkenen nu zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden. De Tweede Kamer wordt dan geïnformeerd.


Vraag:
Ziet de minister de gevolgen voor kinderen van het opgroeien in armoede?

Antwoord:
Ja, de minister van SZW ziet die gevolgen voor kinderen. We weten dat kinderen en jongeren die opgroeien in een gezin met een laag inkomen, waar armoede soms van generatie op generatie is doorgegeven, een achterstand ervaren op vele domeinen (gezondheid, onderwijs, leefomgeving, veiligheid, onderwijs). Door alle ervaren materiële en immateriële tekorten worden zij belemmerd in hun ontwikkeling en beperkt in hun kansen voor de toekomst. De gevolgen voor kind en gezin en voor de maatschappij zijn groot en hardnekkig. Op verschillende manieren werkt het kabinet dan ook aan het terugdringen van kinderarmoede en het versterken van kansengelijkheid, zoals de Kamer kan lezen in de voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden die op 10 maart jl. is verzonden naar uw Kamer (Kamerstuk 24 515, nr. 818). Het kabinet zet met het coalitieakkoord extra in op de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare positie, het programma Kansrijke Start en het streven om te komen tot één kindregeling.


Vraag:
Wat betekenen de plannen van dit kabinet voor diverse huishoudens op of rond het minimum en huishoudens met kinderen en zorgkosten?

Antwoord:
Het Centraal Planbureau (CPB) heeft een doorrekening gemaakt van de maatregelen in het coalitieakkoord. Het CPB stelt in deze doorrekening dat de mediane koopkracht de komende kabinetsperiode per jaar 0,4 procentpunt lager uitvalt door de plannen van het kabinet, en dat er per saldo een beperkte mediane koopkrachtstijging resteert. De doorrekening laat zien dat dit kabinet van alle huishoudens een bijdrage vraagt om investeringen te kunnen betalen, zowel huishoudens met een hoger als huishoudens met een lager inkomen.

Het CPB stelt ook in de doorrekening dat lagere inkomens er iets meer op achteruit gaan dan hogere inkomens. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat sommige onderdelen van het coalitieakkoord niet zijn meegenomen in de koopkrachtramingen, en dat voor sommige maatregelen met een voorlopige invulling is gerekend. Zo is er bijvoorbeeld geen rekening gehouden met de reservering van 150 miljoen euro voor de bestrijding van armoede en problematische schulden, en de reservering van 350 miljoen euro die bedoeld is voor een tegemoetkoming voor chronisch zieken. Daar staat tegenover dat sommige maatregelen op het gebied van sociale zekerheid en zorg niet goed tot uiting komen in de koopkrachtramingen. En voor de kindregeling heeft het CPB met een voorlopige invulling gerekend, maar het kabinet moet hierover nog een besluit nemen. De komende tijd worden deze maatregelen verder uitgewerkt. En zoals de minister-president heeft aangegeven tijdens het debat over de regeringsverklaring, wil het kabinet de armoede niet laten oplopen en zal het kabinet bij de definitieve begroting die in de zomer volgt bekijken of plannen moeten worden aangepast.

Het kabinet stuurt voor het zomerreces een brief waarin de gevolgen van maatregelen in de zorg en de sociale zekerheid voor kwetsbare groepen in kaart worden gebracht, zoals de motie Stoffer c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 79) verzoekt.

Vragen van het lid Moorman (PvdA-GL)

Vraag:
Waarom treuzelt het kabinet met de implementatie van de EU-Richtlijn Loontransparantie?

Antwoord:
Het kabinet is hard aan de slag met de implementatie. De maatregelen vergroten de transparantie over lonen en versterken de positie van werknemers. Een open gesprek over loonverschillen wordt zo ook eenvoudiger. Het kabinet wil dit zorgvuldig doen en op een manier die uitvoerbaar is. In september 2025 heeft de toenmalige minister van SZW uw Kamer geïnformeerd dat het voorziene tijdpad voor tijdige implementatie niet haalbaar is gebleken (Kamerstuk 21 501-31, nr. 800). Eén van de belangrijkste redenen daarvoor is dat meer tijd nodig is om de regeling zo vorm te geven, dat werkgevers de verplichtingen effectief en met zo beperkt mogelijke administratieve lasten kunnen uitvoeren. Het wetsvoorstel ligt inmiddels ter advisering bij de Raad van State. De streefdatum voor inwerkingtreding is 1 januari 2027. Werkgevers kunnen zich vooruitlopend daarop alvast voorbereiden op de nieuwe regels.

Vragen van het lid Neijenhuis (D66)

Vraag:
Is de minister bereid tot uitzendverboden voor sectoren die maar in de fout blijven gaan? En is de minister bereid andere maatregelen te nemen die zorgen voor grip?

Antwoord:
Ja, het kabinet wil sturen op arbeidsmigratie die we écht nodig hebben en misstanden aanpakken.
Dit kabinet gaat daarom verder met de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten en van de SER over arbeidsmigratie “Minder waar het kan, beter waar het moet”. Hierbij komt er ruimte voor talent en worden misstanden zoals onderbetaling, slechte arbeidsomstandigheden en schimmige detacheringsconstructies aangepakt. Er wordt gewerkt aan een verbetering van de kennismigrantenregeling. Daarnaast zet het kabinet in op de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat beter toezicht mogelijk is en de regeldruk omlaaggaat. Ook worden de boetes voor Arbeidsmarktwetten, zoals de Wet minimumloon en Wet arbeid vreemdelingen, verhoogd.
Voor sectoren waar misstanden met tijdelijke, laagbetaalde arbeidsmigranten hardnekkig blijven bestaan kan een uitzendverbod als stok achter de deur worden ingezet. Dit stimuleert sectoren om zelf orde op zaken te stellen. Blijft verbetering uit, dan kan de maatregel daadwerkelijk worden toegepast. In de verkenning naar een sectoraal uitzendverbod en verplicht percentage direct in dienst is naar voren gekomen dat zich in de vleessector wijdverspreide misstanden voordoen. Daarom wordt voor deze sector als stok achter de deur een in- en uitleenverbod voorbereid.


Vraag:
Hoe kijkt de minister naar de stijging van de instroom van jonge vrouwen in de WIA, en hoe kunnen we beter inzicht krijgen in de oorzaken van arbeidsongeschiktheid?

Antwoord:
De minister van SZW ziet dit net als u als een zorgwekkende trend. Vooral vanwege het persoonlijke leed dat hierachter zit. Maar ook voor de arbeidsmarkt en voor de houdbaarheid van de sociale zekerheid.

Stijgingen in de WIA-instroom zijn grotendeels verklaarbaar door demografische factoren en beleidskeuzes uit het verleden. De kans om in te stromen in de WIA neemt toe met de leeftijd. En de arbeidsparticipatie van ouderen neemt toe. Ook neemt de arbeidsparticipatie van (jonge) vrouwen toe. Daarnaast zien we een toename van instroom als gevolg van onder andere psychische klachten. Inzicht hierin is belangrijk om de juiste aandacht te kunnen geven aan preventie en re-integratie en waar mogelijk ook meer gericht in te zetten.

In het IBO WIA dat eind 2025 aan uw Kamer is gezonden (Kamerstuk 32 716, nr. 55) is nader onderzoek gedaan naar de stijging van de WIA-instroom en wat de kenmerken zijn van mensen die arbeidsongeschikt raken. Ook doet UWV regelmatig onderzoek naar de achtergrond van arbeidsongeschikten en oorzaken van arbeidsongeschiktheid. Hierbij wordt stilgestaan bij elementen zoals leeftijd, geslacht en diagnose.

Vragen van het lid Biekman (D66)

Vraag:
Hoe zorgt de minister van SZW ervoor dat financiële educatie op scholen goed wordt verbonden met vroegsignalering en schuldhulp, zodat jongeren niet pas geholpen worden als de schulden al hoog zijn opgelopen?

Antwoord:
Met de subsidieregeling financiële educatie voor onderwijsinstellingen kan nu aan studenten met al aanwezige geldzorgen persoonlijke begeleiding worden geboden (zie de factsheet bij de voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden van 10 maart jl., Kamerstuk 24 515, nr. 818). Zo zijn er scholen die een financieel spreekuur hebben ingericht en er zijn scholen die een budgetcoach inzetten waar studenten en leerlingen terecht kunnen. Ook zijn er scholen die financiële educatie al actief verbinden aan de hulpverlening van gemeenten zoals vroeg signalering van vaste lasten en het Jongeren Perspectief Fonds.


Vraag:
Kan de minister meer vertellen over hoe hij financiële educatie de komende jaren wil ondersteunen vanuit het ministerie?

Antwoord:
De komende periode verkennen we, samen met betrokken partners, verschillende scenario’s voor de toekomstige inzet op financiële educatie. In de volgende periodieke voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden (eind 2026) zal de minister van SZW de Kamer informeren over de dan opgehaalde inzichten.

In 2023 startte de regeling met het eerste tijdvak. Op dit moment worden de aanvragen binnen het vierde tijdvak van de regeling beoordeeld. De implementatie en (ervaren) effecten van de regeling worden de komende jaren gevolgd via een meerjarige monitor (in de periode 2025-2027) en een afsluitende evaluatie (in 2028). De eerste monitor is op 10 maart jl. verzonden met de voorgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden (Kamerstuk 24 515, nr. 818).


Vraag:
Wat gaat de minister doen om de vindbaarheid van de tegemoetkoming voor alleenverdieners te verbeteren? Hoe kunnen we als overheid de doelgroep beter in kaart te brengen? En kan de minister toezeggen om in gesprek te gaan met de VNG en/of Divosa om hier verbeteringen in aan te brengen?

Antwoord:
De minister van Werk en Participatie gaat met de VNG in gesprek om te bezien of gemeenten de tegemoetkoming voor alleenverdieners beter vindbaar kunnen maken. Het kabinet en gemeenten doen samen wat mogelijk is om huishoudens in de alleenverdienersproblematiek proactief te bereiken. Ieder jaar worden ongeveer 8.000 huishoudens geraakt door de alleenverdienersproblematiek. Het merendeel van hen wordt ambtshalve bereikt op basis van een analyse door de Belastingdienst en door gemeenten. Om de overgebleven huishoudens te bereiken, informeren gemeenten ook lokale ketenpartners, zoals schuldhulpverleners en sociaal raadslieden. Als de Wet proactieve dienstverlening in werking treedt, kunnen gemeenten ook gebruik maken van UWV-gegevens om huishoudens te vinden en hen te benaderen. Zodra definitieve inkomensgegevens over een jaar bekend zijn, ontvangen gemeenten een aanvullende lijst met BSN's, zodat ook de huishoudens die eerder buiten beeld bleven alsnog ambtshalve bereikt kunnen worden.


Vraag:
Wat is de stand van het onderzoek naar het stroomlijnen van werkvoorzieningen van UWV en gemeenten? Kan de minister toezeggen om voortvarend aan de slag gaan met de resultaten van dit onderzoek?

Antwoord:
De afgelopen tijd zijn er al belangrijke stappen gezet om werkvoorzieningen van UWV en gemeenten te harmoniseren. Bijvoorbeeld als het gaat om voorzieningen voor mensen met een visuele en auditieve beperking. In het coalitieakkoord is afgesproken om het re-integratiebeleid van gemeenten verder te uniformeren. De minister van Werk en Participatie gaat hier voortvarend mee aan de slag. De eerder toegezegde verkenning naar de harmonisering van werkvoorzieningen en naar de mogelijkheden om de werkwijzen van UWV en gemeenten beter op elkaar te laten aansluiten maakt hier onderdeel van uit. De minister van Werk en Participatie beoogt uw Kamer hierover rond de zomer te informeren.

Vragen van het lid Mulder (PVV)

Vraag:
Waarom is 4,9% als percentage van het BBP onbetaalbaar voor de AOW-lasten?

Antwoord:
Ondanks de al bestaande koppeling aan de levensverwachting nemen de uitgaven aan de AOW nog steeds toe. Er is sprake van een dubbele vergrijzing door de groei van het aantal 80-plussers. In 2025 bedroegen de AOW-uitgaven 4,7% van het BBP, in 2040 zal dit naar verwachting 5,7% zijn en in 2060 5,4%. In 2025 waren de uitgaven circa 55 miljard euro en in 2060 zouden uitgaven aan de AOW bij een 2/3 koppeling uitkomen op circa 72 miljard euro. Dit betekent dus een absolute toename van 17 miljard euro. De AOW-uitgaven worden sinds 2024 voor meer dan de helft uit de algemene middelen betaald. De inkomsten uit de AOW-premie zijn niet toereikend. Het aandeel van de AOW-uitgaven dat het Rijk vanuit de algemene middelen aanvult, neemt hierdoor een steeds groter deel van de overheidsuitgaven in beslag.


Vraag:
De minister wil de IVA afschaffen. Dat geldt ook voor bestaande gevallen. Moet de overheid niet betrouwbaar zijn en de afspraken met volledig afgekeurde mensen handhaven?

Antwoord:
Ja, in het coalitieakkoord is afgesproken dat mensen die al een lopende IVA-uitkering hebben hun recht daarop behouden. Daarmee handhaaft het kabinet bij deze beleidswijziging de aanspraak van deze groep.


Vraag:
Waarom kort de minister op mensen die echt niet kunnen werken? Een alternatief zou kunnen zijn dat de minister kort op mensen die nieuw komen in dit land en nog niet hebben gewerkt. Heeft u dat overwogen?

Antwoord:
Er is een aantal grote uitdagingen die onze sociale zekerheid raakt: vergrijzing, arbeidstekorten en een toenemend beroep. Dit vergt lastige keuzes. Met als doel dat onze sociale zekerheid ook voor toekomstige generaties toegankelijk en betaalbaar blijft.

Insteek van dit kabinet is om de instroom van asielmigranten te verminderen, maar tevens te zorgen dat mensen die hier mogen blijven, sneller meedoen en aan het werk gaan. Dat is niet alleen van belang voor deze mensen zelf, maar ook voor de samenleving als geheel, omdat zij dan eerder een bijdrage kunnen leveren. Vanaf het moment dat mensen een verblijfsvergunning krijgen, gelden voor hen dezelfde regels als voor mensen die in Nederland geboren zijn. Deze groep strenger behandelen en sneller korten is niet alleen ongerechtvaardigd, maar werkt ook averechts. We moeten juist zorgen dat deze mensen begeleiding en kansen op een goede start krijgen.


Vraag:
Kunnen Syriërs en Oekraïners met 65 jaar recht krijgen op volledige volksverzekeringen?

Antwoord:
Syriërs die statushouder zijn hebben toegang tot de sociale voorzieningen, waaronder de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) en de volksverzekeringen. Oekraïense ontheemden zijn geen statushouders omdat zij hun verblijfstatus ontlenen aan de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55 EG). Zij hebben geen toegang tot reguliere sociale voorzieningen en volksverzekeringen, behalve diegenen die in loondienst werken. Deze personen kunnen wel aanspraak maken op de volksverzekeringen.

Vragen van het lid Michon-Derkzen (VVD)

Vraag:
Zit kijken naar regeldruk ook in regeldruk van cao's? Komt overregulering in cao's door de polder of door eigen wet- en regelgeving? En wat leert ons het advies van de Stichting van de Arbeid over cao's?

Antwoord:
In de brede aanpak om regeldruk te verminderen, willen we ook samen met de sociale partners bespreken hoe we onnodige regeldruk binnen de cao’s kunnen verminderen. De cao is en blijft een belangrijke pijler onder arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en daarom is het belangrijk om het instrument te moderniseren. Sociale partners gaan binnen het wettelijke kader dat de overheid stelt over de inhoud van de cao. Zij zijn dus als eerste aan zet. In het advies van de Stichting van de Arbeid staat onder andere een oproep aan cao-partijen om cao-afspraken in begrijpelijke taal op te schrijven en te voorkomen dat cao’s dikke boekwerken worden met veel juridisch jargon. Daarnaast verkent het kabinet zelf maatregelen om het stelsel te versterken en draagvlak te behouden. Daarbij betrekt het kabinet ook het advies van de Stichting van de Arbeid. De minister van SZW zal uw Kamer daarover rond de zomer nader informeren.


Vraag:
Hoe gaat de minister om met de uitwerking van het SER-advies 'balans in maatschappelijk verlof'?

Antwoord:
In december 2023 heeft de SER het advies "Balans in maatschappelijk verlof" gepubliceerd. Dit vormt de basis van de vereenvoudiging van het verlofstelsel. De planning is om voor de zomer een concept wetsvoorstel klaar te hebben voor toetsen en consultaties, zoals de internetconsultatie en de uitvoeringstoets van UWV.

Op 19 februari 2026 heeft de SER haar advies over een toekomstbestendige combinatie van werk en mantelzorg gepubliceerd. Het streven is de kabinetsreactie op dit SER-advies rond de zomer met uw Kamer te delen. Het SER-advies is destijds aangevraagd door de staatssecretaris van VWS, mede namens de bewindspersonen van SZW, Financiën en OCW. Bij het schrijven van de kabinetsreactie zal gezamenlijk worden opgetrokken.


Vraag:
Wanneer kan de Tweede Kamer de concrete uitwerking van de plannen voor de hervorming van de kindregelingen verwachten?

Antwoord:
Het kabinet gaat de komende periode samen met de betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties hard aan de slag om de nieuwe kindregeling vorm te geven, waarbij de inzet is meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Deze zomer kunt u de eerste contouren van de nieuwe kindregeling verwachten. Daarover gaat het kabinet graag met uw Kamer in gesprek.


Vraag:
Kunt u toezeggen dat u snel zal starten met de verkenning naar de versoepeling van de Wet Onderscheid Arbeidsduur?

Antwoord:
Ja, de minister van SZW gaat daar zo snel mogelijk mee van start. De minister gaat een aantal maatregelen onderzoeken: de voltijdsbonus, het meerurenvoordeel en de arbeidskorting per uur. Zo laten we meer werken meer lonen.


Vraag:
Hoe is de verhouding tussen de middelen voor ontwikkelen binnen de eigen baan en de middelen voor ontwikkelen in het kader van een overstap naar een andere sector bij de O&O fondsen van sociale partners? Wat kan de minister zeggen over het maken van een combinatie van deze O&O fondsen en de eigen LLO-middelen en wanneer gaat hij dit uitwerken?

Antwoord:
Over deze verhouding zijn geen precieze cijfers bekend. Over het algemeen staat scholing voor het goed kunnen functioneren in de huidige baan voorop. De middelen zijn door werkgevers in de sector bijeengebracht om de eigen sector verder te helpen. Het gesprek over meer mogelijkheden voor overstappen naar een andere sector komt wel op gang onder de O&O fondsen. Bij de subsidieregelingen die we maken voor leven lang ontwikkelen is cofinanciering met middelen van werkgevers of uit een O&O fonds een voorwaarde.

Vragen van het lid De Beer (VVD)

Vraag:
Kan de minister van Werk en Participatie verkennen hoe bestaande regelingen om mensen met een beperking aan het werk te helpen, eenvoudiger kunnen worden gemaakt en beter onder de aandacht kunnen worden gebracht van het mkb?

Antwoord:
Ja, de minister van Werk en Participatie gaat de komende tijd aan de slag met het beter bekend maken van regelingen bij werkgevers en mkb, bijvoorbeeld via de regionale werkcentra. Het kabinet staat immers voor een arbeidsmarkt waar iedereen die kan werken, werkt op een passende plek. Daarvoor is nodig dat er ondersteuning is die werkt, voor zowel werkzoekenden als werkgevers. Ook wordt gewerkt aan een agenda rondom het stimuleren van inclusief werkgeverschap. De minister van Werk en Participatie streeft ernaar voor de zomer uw Kamer hierover verder informeren.

Dit is aanvullend op de inzet van afgelopen tijd om mensen makkelijker aan het werk te helpen, zoals de invoering van Participatiewet in balans, het programma simpel switchen, de verbeterde Wet banenafspraak, de Wet van school naar duurzaam werk en een forse investering in sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk.


Vraag:
Deelt de minister de opvatting dat intensieve begeleiding in de eerste maanden van de bijstand de standaard zou moeten zijn, zoals in Rotterdam? En hoe kan het kabinet gemeenten stimuleren om deze aanpak breder toe te passen?

Antwoord:
Het kabinet deelt dat het belangrijk is dat mensen zo snel mogelijk aan het werk worden geholpen. Gemeenten zijn hiervoor verantwoordelijk en bepalen welke begeleiding nodig en passend is. Uit onderzoek blijkt dat gemeenten hier ook stevig op inzetten (Kamerstuk 34 352, nr. 349) zoals het gemeentebestuur in Rotterdam laat zien. De minister van Werk en Participatie gaat de komende tijd met gemeenten in gesprek over wat er nodig is om meer mensen uit de bijstand aan het werk te krijgen. Hij zal daarbij ook betrekken hoe intensieve begeleiding een goede rol kan spelen. De minister van Werk en Participatie heeft vorige week tijdens een werkbezoek bij Weener XL in Den Bosch daar mooie voorbeelden van gezien.


Vraag:
Kan de minister toezeggen dat gemeentelijke regelingen worden meegenomen bij de verdere ontwikkeling van het armoede- en inkomensbeleid zodat we beter zicht krijgen op de totale inkomensondersteuning en kunnen voorkomen dat werkprikkels onbedoeld worden ondermijnd?

Antwoord:
Gemeentelijke armoederegelingen zijn een belangrijk onderdeel van het armoedebeleid. Het gemeentelijke armoedebeleid is complex voor mensen. Er zijn veel regelingen, met per gemeente verschillende doelen, voorwaarden en inkomensgrenzen. De huidige situatie leidt onder meer tot niet-gebruik, waardoor mensen niet altijd ontvangen waar zij recht op hebben. En de grote verschillen tussen gemeenten worden ervaren als onrechtvaardig. In het coalitieakkoord is afgesproken dat we in overleg met gemeenten willen werken aan vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen. Bij de uitwerking van deze ambitie zal het kabinet oog hebben voor het uitgangspunt dat werken moet lonen.

Het gemeentelijk armoedebeleid kan momenteel niet worden meegenomen in de armoededefinitie. Op verzoek van het lid Van Eijk is op 6 november 2024 een motie aangenomen (Kamerstuk 24 515, nr. 774) om samen met het Nibud, CBS en SCP te bezien hoe lokale regelingen kunnen worden meegenomen. Aan deze motie is uitvoering gegeven. De beantwoording staat in bijlage 1 bij de voortgangsbrief armoede en schulden van 19 december 2024 (Kamerstuk 24 515, nr. 779).

Vragen van het lid Ceulemans (JA21)

Vraag:
Kan de minister nader ingaan op de pilot die het kabinet wil starten rond het gericht naar Nederland halen van personeel uit EU kandidaat-lidstaten?

Antwoord:
Het kabinet heeft een pilot aangekondigd waarmee er onder strenge voorwaarden, actief en gericht goed geschoolde krachten naar Nederland kunnen worden gehaald in vooraf afgebakende sectoren. Voor deze pilot komen in ieder geval kandidaat EU-lidstaten in aanmerking. Het kabinet zal de aanpak en planning voor de uitwerking van de pilot nog voor de zomer van dit jaar toelichten aan de Tweede Kamer. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de aangekondigde talentstrategie, waarin keuzes zullen worden gemaakt over sectoren die hard nodig zijn voor de toekomst. Zo zorgen we ervoor dat de pilot gericht is, dat het gelijk speelveld wordt gewaarborgd en dat de pilot bijdraagt aan wat Nederland echt nodig heeft.


Vraag:
Kan de minister van SZW aangeven welke concrete stappen hij op korte termijn wil zetten om grip te krijgen op arbeidsmigratie? Kan hij aangeven welke aanvullende regulerende maatregelen wel zouden kunnen binnen de Europese regels, maar die het kabinet op dit moment nog niet wil nemen?

Antwoord:
Het kabinet wil sturen op arbeidsmigratie die we écht nodig hebben en misstanden aanpakken.

Vanwege het vrij verkeer van personen en diensten kunnen EU-inwoners in Nederland werken of hierheen worden gedetacheerd. Directe sturing op de instroom van arbeidskrachten uit de EU is dus beperkt. Het SER-advies ‘Arbeidsmigratie naar waarde’ stelt dat voor grip op arbeidsmigratie daarom ook indirect beleid nodig is, buiten het directe arbeidsmigratiebeleid. Het SER advies biedt in dat kader concrete handvatten.

Door dit advies en de aanbevelingen van de Commissie Roemer uit te voeren, weren we malafide uitleners, beschermen we de positie van werknemers en gaan we misstanden zoals onderbetaling en slechte huisvesting tegen. In navolging van het SER-advies wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan een verbetering van de kennismigrantenregeling en aan de verduidelijking van de nationale en Europese regels voor de detachering van werknemers van buiten de EU, zodat beter toezicht mogelijk is.

Verder werkt het kabinet met de werkgeversorganisaties en vakbonden aan concrete doelen voor een beter werkende arbeidsmarkt en beter stelsel van werk en inkomen. Hierbij geven we ook vrijwel volledig gehoor aan de aanbevelingen die de SER aan de drie partijen gedaan heeft, waaronder het verbeteren van de positie van internationale arbeidskrachten, en het verminderen van de vraag naar laagbetaalde arbeid.

Vraag:
Deelt de minister van Werk en Participatie de zorg dat de wederkerigheid verloren gaat met het omvormen van de tegenprestatie tot maatschappelijke participatie? Hoe kunnen we dit beter waarborgen?

Antwoord:
De minister van Werk en Participatie deelt die zorg niet. De wederkerigheid is stevig verankerd in de Participatiewet met de wet Participatiewet in balans die op 1 januari 2026 in werking is getreden. Mensen met een bijstandsuitkering moeten naar vermogen werk verkrijgen, aanvaarden en behouden. Zij moeten meewerken aan hun re-integratie en moeten maatschappelijk participeren als werk nog niet mogelijk is. Dit kan ook in de vorm van een tegenprestatie worden vormgegeven. Als mensen niet meewerken, kan de gemeente een bijstandsgerechtigde een maatregel opleggen.

Vragen van het lid Hamstra (CDA)

Vraag:
Klopt het dat er structureel mensen zijn die geen gebruik maken van uitkeringen en toeslagen terwijl zij hier wel recht op hebben? Hoe staat de minister tegenover het automatisch uitkeren van uitkeringen en toeslagen?

Antwoord:
Het klopt dat een deel van de mensen structureel geen gebruik maakt van uitkeringen en voorzieningen, terwijl zij daar wel recht op hebben. Het gaat bijvoorbeeld om de algemene bijstand, de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) en de Toeslagenwet. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW (Kamerstuk 36 799, nr. 2 en 3) wil dit niet-gebruik tegengaan. Het wetsvoorstel is in behandeling bij uw Kamer. Het wetsvoorstel geeft geen nieuwe mogelijkheden voor het automatisch toekennen van uitkeringen en voorzieningen. Het wetsvoorstel gaat wel helpen bij de uitvoering van automatisch uitkeren waar dat al kan, omdat het nieuwe mogelijkheden geeft voor de verwerking en uitwisseling van persoonsgegevens.


Vraag:
In 2024 is een nieuwe definitie van armoede ingegaan. Hebben we nog alle groepen van mensen die in armoede leven voldoende in zicht? Er is ruimte voor verbetering. Worden elementen zoals schulden en daadwerkelijke zorgkosten meegenomen in de herijking?

Antwoord:
Allereerst wil het kabinet benadrukken dat de armoededefinitie onafhankelijk is ontwikkeld door het CBS, SCP en Nibud. Deze instituten bepalen zelf hoe zij armoede op een wetenschappelijk verantwoorde manier definiëren. De nieuwe definitie geeft meer informatie over mensen in armoede gebaseerd op werkelijk gerealiseerde kosten en vermogen. Maar er zijn ook groepen die niet in de armoedestatistiek worden mee genomen, zoals dak- en thuislozen. Daarom is het armoedebeleid gericht op een bredere groep dan de groep die onder de armoedegrens valt. Het CBS, SCP en Nibud geven aan dat het op dit moment vanwege ontbrekende data niet mogelijk is om schulden en daadwerkelijke zorgkosten mee te nemen.

Om data rondom armoede en schuldenproblematiek te verbeteren, om daarmee beter inzicht te krijgen in de groepen mensen, werkt het kabinet aan verschillende maatregelen waar wij uw Kamer op 10 maart jl. hebben geïnformeerd in de voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden (Kamerstuk 24 515, nr. 818). Het CBS, SCP en Nibud hebben aangegeven dat, zodra dit mogelijk is, ze bereid zijn om deze verbeteringen mee te nemen bij de herijking van de armoededefinitie.


Vraag:
Hoe verschuift de minister de prikkel van verdienen aan schulden naar het vroeg oplossen van schulden?

Antwoord:
Het kabinet heeft de ambitie om problematische schulden fundamenteel aan te pakken en daarmee schuldenoploop te voorkomen. Eén van de speerpunten daarbij is het verbeteren van het stelsel van civiele invordering. Belangrijk is dat er in het stelsel meer ruimte komt voor coördinatie door één betalingsregeling op te kunnen stellen voor meerdere schuldeisers, ook wel het collectief afbetalingsplan genoemd. Daarnaast is het van belang dat een gerechtsdeurwaarder ook moet kunnen de-escaleren, bijvoorbeeld door te kunnen verwijzen naar schuldhulp. De staatssecretaris van JenV werkt, samen met de minister van SZW, aan de nadere uitwerking van het collectief afbetalingsplan.

Verder is het van belang dat een vordering bij een uitzichtloze situatie niet onnodig lang in het inningsproces blijft. Als blijkt dat iemand problematische schulden heeft, moeten maatregelen gericht zijn op het oplossen van schulden door een schuldregeling. Daarom dient er vanuit alle stappen in de invorderingsketen een goede doorgeleiding naar (schuld)hulpverlening te zijn. In dit kader is het voornemen om gerechtsdeurwaarders een verwijsfunctie te geven, zodat zij mensen met een hulpvraag kunnen doorverwijzen naar de gemeentelijke (schuld)hulpverlening. In zes gemeenten loopt – als invulling van de motie Palland - al een pilot waarin hier invulling aan wordt gegeven (Kamerstuk 24 515, nr. 729).


Vraag:
Kan de minister toezeggen dat hij samen met de staatssecretaris van Defensie, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie en Veiligheid verkent wat er nodig is om minima te ondersteunen bij de voorbereiding op een noodsituatie?

Antwoord:
Ja, SZW werkt in een breed interdepartementaal traject en met andere partners samen om de maatschappelijke weerbaarheid te versterken. De recent gestarte campagne ‘Denk Vooruit’ heeft als doel mensen bewust te maken van wat zij in een noodsituatie nodig kunnen hebben. Het uitgangspunt is dat mensen in huis halen wat binnen hun eigen mogelijkheden past. Ook wordt aangespoord samen met buren, vrienden en familie te kijken wat gezamenlijk geregeld kan worden. Door de verschillende betrokken ministeries wordt nagegaan wat nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op potentiële noodsituaties. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar bestaande structuren en voorzieningen en naar de rol van verschillende betrokken departementen.

Vragen van het lid Van Ark (CDA)

Vraag:
Hoe gaat de minister aan de slag met het plan om tot een nationale betaaldag te komen? Gaat hij dit doen in overleg met UWV, SVB, en gemeenten? Wie krijgt de regie? En wanneer informeert de minister de Kamer hierover?

Antwoord:
De wens om te komen tot één betaalmoment wordt door het kabinet gedeeld. Een onderzoek naar hoe dit praktisch gerealiseerd kan worden is in de afrondende fase. Bij dit onderzoek zijn UWV, de SVB, gemeenten, de Dienst Toeslagen, de Nederlandse Vereniging van Banken, Zorgverzekeraars Nederland, Aedes en het NIBUD nauw betrokken. Voor de zomer zal het onderzoek inclusief kabinetsreactie aan uw Kamer worden aangeboden.


Vraag:
Deelt de minister dat de maatregelen voor een toekomstige stelselherziening arbeidsongeschiktheid juridisch houdbaar moeten zijn, handelingsperspectief moeten bieden voor mensen, goede informatievoorziening en overgangsrecht waar nodig moeten betreffen?

Antwoord:
De minister van SZW vindt dit belangrijke randvoorwaarden waaraan een toekomstige herziening van het arbeidsongeschiktheidsstelsel zal moeten voldoen. Ook uitvoerbaarheid, betaalbaarheid en doenbaarheid zijn belangrijk, ook voor werkgevers. Om tot een nieuw stelsel te komen, zullen afwegingen en keuzes gemaakt moeten worden, die niet altijd makkelijk zijn. Daarover moeten goede gesprekken gevoerd worden met maatschappelijke partijen en met uw Kamer.


Vraag:
Is de minister bereid om jongeren te betrekken bij het AOW-stelsel? Ziet de minister hierbij een rol voor het Jongerenplatform van de SER of is hij bereid te kijken naar andere vormen om jongeren te betrekken bij de toekomst van de AOW?

Antwoord:
Ja, de minister van SZW vindt het belangrijk om met jongeren in gesprek te gaan over de toekomst van de AOW, omdat dit hen zeer aangaat. De minister van SZW gaat daarom een bijeenkomst organiseren met jongeren en daar wordt zeker het SER-jongerenplatform voor uitgenodigd.


Vraag:
Kan de minister aangeven wanneer de Kamer het wetsvoorstel over een crisisregeling voor personeelsbehoud en het wetsvoorstel over het tweede ziektejaar kan verwachten?

Antwoord:
De minister van Werk en Participatie zal het wetsvoorstel over de re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar voor de zomer aan uw Kamer aanbieden. De minister van SZW zal het wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis ook zo snel mogelijk aan uw Kamer aanbieden, in ieder geval voor de zomer.


Vraag:
Is de minister bereid om een nadere impactanalyse mee te sturen bij het wetsvoorstel voor ‘bijna’ gratis kinderopvang dat inzicht moet geven in de impact van het voorgenomen stelsel, voor ouders, ondernemers en het aanbod waarbij ook de aanwijzing als Dienst van Algemeen Economisch Belang wordt meegenomen?

Antwoord:
Bij de vormgeving van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang worden ouders, ondernemers in de kinderopvang, sectorpartijen, medeoverheden en uitvoeringsorganisaties nauw betrokken. Ook wordt de impact van het wetsvoorstel zorgvuldig in kaart gebracht. Bijvoorbeeld met uitvoeringstoetsen door alle betrokken uitvoeringsorganisaties en medeoverheden, adviezen door adviescolleges en impactanalyses en doenvermogentoetsen voor (mkb-)ondernemers en burgers. Ook voor de impact van het invoeren van een Dienst van Algemeen Economisch Belang wordt een analyse gemaakt, die voorafgaand aan de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel met uw Kamer wordt gedeeld.


Vraag:
Kan de minister bevestigen dat het wetsvoorstel tot vereenvoudiging van het verlofstelsel nog steeds per 1 juli 2027 in werking moet treden? En kan hij ook toezeggen dat hij daarbij speciale aandacht heeft voor het recente SER-advies voor versterking van mantelzorgers?

Antwoord:
Veel mensen maken gebruik van de mogelijkheden die het verlofstelsel biedt om werk en zorg te combineren. Het vereenvoudigen van het verlofstel wordt daarom zorgvuldig aangepakt waarbij getracht wordt om de complexiteit van de verlofregelingen zoveel mogelijk weg te nemen. Helaas heeft de uitwerking van het wetsvoorstel meer tijd nodig en lukt het niet om de wet op 1 juli 2027 in werking te laten treden. Het streven is nu 1 januari 2028. De planning is om voor de zomer een conceptwetsvoorstel klaar te hebben voor toetsen en consultaties, zoals de internetconsultatie en de uitvoeringstoets van UWV. Met de lopende vereenvoudiging van het verlofstelsel wordt het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof samengevoegd. Hierbij zijn geen verdere aanpassingen voorzien dan wel middelen beschikbaar. De kabinetsreactie op het SER-advies Werk en mantelzorg vraagt nadere uitwerking. De minister van SZW streeft ernaar deze reactie, inclusief een nieuwe planning, rond de zomer met uw Kamer te delen.

Vragen van het lid Ergin (DENK)

Vraag:
Hoe kijkt de minister naar de verbetering van de ondersteuning van mensen die in schuldhulpverlening zitten?

Antwoord:
Mensen met schulden moeten kunnen rekenen op kwalitatief hoogwaardige schuldhulpverlening. Het bieden van begeleiding en nazorg is hiervan een belangrijk onderdeel. Gemeenten werken hard aan de invoering van de basisdienstverlening, die moet leiden tot het vergroten van het bereik en de kwaliteit van schuldhulpverlening. Daarnaast verkent het kabinet een aantal mogelijkheden om de kwaliteit van de schuldhulpverlening verder te verbeteren. In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die gepland staat voor het laatste kwartaal van dit jaar, wordt de Kamer over de voortgang geïnformeerd.


Vraag:
Hoe kijkt de minister naar extra experimenteerruimte in wetgeving voor gemeenten om kwetsbare jongeren te helpen?

Antwoord:
De Participatiewet biedt nu al ruimte om te experimenteren met wetgeving voor gemeenten om jongeren in een kwetsbare positie te helpen. Met de Participatiewet in balans is het experimenteerartikel verbreed en kunnen gemeenten zich per 1 januari 2027 met experimenten ook richten op het instrument loonkostensubsidie en op maatschappelijke participatie wanneer betaald werk (nog) geen optie is. Het kabinet werkt verder aan een analyse over de problematiek en ondersteuningsbehoeften van jongeren in een kwetsbare positie. Uw Kamer wordt hier in april over geïnformeerd.


Vraag:
DENK heeft vorige week het initiatiefwetsvoorstel Gelijke kansen bij werving en selectie ingediend. Hoe kijkt de minister naar de initiatiefwetgeving? Kan de minister een reflectie geven op het idee om werkgevers verantwoordelijk te maken voor eerlijke sollicitatieprocedures en het idee om de Arbeidsinspectie de bevoegdheid te geven om te controleren of werkgevers mensen eerlijk aannemen?

Antwoord:
Het kabinet kijkt met interesse naar initiatiefwetgeving vanuit uw Kamer. Het kabinet deelt de ambitie dat iedereen gelijke kansen moet hebben op de arbeidsmarkt en zet zich daar via verschillende maatregelen en programma’s actief voor in. Het kabinet ziet daarbij ook het belang dat werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen in het beëindigen van discriminatie op de werkvloer en bij werving en selectie. Deze ambitie is ook opgenomen in het coalitieakkoord. Over de inhoud van het initiatiefwetsvoorstel kan het kabinet nu nog geen uitspraken doen. Het kabinet zal het voorstel uiteraard zorgvuldig bestuderen en tijdens de parlementaire behandeling haar inhoudelijke appreciatie delen. De Arbeidsinspectie zal daarbij nog een uitvoerings- en handhavingstoets aan de initiatiefnemers doen toekomen.

Vragen van het lid Flach (SGP)

Vraag:
Maakt het kabinet spoedig budget vrij voor de motie van de SGP over een online gezinsportaal waar alle gezinsregelingen zijn samengebracht?

Antwoord:
Ja, dit kabinet gaat de komende jaren structureel vanaf 2028 600 miljoen euro intensiveren in het ondersteunen van gezinnen. We beginnen met het samenvoegen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget tot één nieuwe kindregeling. De komende periode werken we verder uit hoe deze regeling eruit komt te zien, het ouder-kind portaal is hier logischerwijs een onderdeel van. Hierover gaan we graag in gesprek met de betrokken uitvoeringsorganisaties.


Vraag:
Het werk van de alliantie vrijwillige schuldhulp is bewezen effectief en heeft brede maatschappelijke impact. Krijgt de alliantie een vaste plek aan tafel als volwaardige ketenpartner?

Antwoord:
Ja, als belangrijke samenwerkingspartner krijgt de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp (AVS) een vaste plek in de nieuwe governance van de schuldenketen. Aan de inrichting van de nieuwe governance wordt op dit moment gewerkt. Het ministerie van SZW heeft periodiek overleg met de AVS en de AVS zit ook in een klankbordgroep van de aanpak Armoede en Schulden.


Vraag:
Is de minister van Werk en Participatie voornemens om voortvarend aan de slag te gaan met het vereenvoudigen van de RI&E?

Antwoord:
In de werkgroep RI&E (bestaande uit sociale partners, Arbeidsinspectie en SZW) zijn de belangrijkste knelpunten geïdentificeerd en zijn aanpassingen afgesproken. Hierdoor vermindert de ervaren regeldruk, met name voor het mkb. De Tweede Kamer wordt begin mei hierover geïnformeerd.


Vraag:
Aandacht voor het gezin gaat ook over proactief en samenhangend gezinsbeleid. Welke ambities heeft het kabinet op dit punt?

Antwoord:
Er liggen duidelijke uitdagingen bij gezinnen. Daarom wil dit kabinet gezinnen meer gaan ondersteunen. Vorig jaar is er een onderzoek naar uw Kamer gestuurd over de situatie van gezinnen in Nederland (bijlage bij Kamerstuk 25 883, nr. 524). De aanbevelingen uit dit onderzoek hebben richting gegeven aan het kabinet bij het formuleren van ambities voor de komende periode. Denk aan het versterken van de randvoorwaarden voor gezinsvorming, het verbeteren van de ondersteuning voor gezinnen, het ondersteunen van ouders bij de combinatie van werk en gezin en betere afstemming van gezinsbeleid.

In lijn met deze aanbevelingen zet dit kabinet daarom in op een aantal maatregelen. Zo voegen we de kinderbijslag en het kindgebonden budget samen tot één kindregeling, waarbij we zorgen voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders door de veelheid aan regelingen en het risico op terugvorderingen te verminderen. Daarnaast zorgen we voor een eenvoudiger en zekerder financieringsstelsel voor kinderopvang met een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding voor werkende ouders. Ook vereenvoudigingen we het verlofstelsel, zodat verlof eenvoudiger, begrijpelijker en toegankelijker wordt. En als laatste zorgen we voor een interdepartementale aanpak voor de versterking van integrale ondersteuning rondom gezinnen in kwetsbare positie.


Vraag:
Kan de minister een toezegging doen om opvoeding, zorg en onbetaald werk terug te laten komen in het koopkrachtbeleid voor gewone gezinnen, zoals middeninkomens en eenverdieners?

Antwoord:
De minister van SZW is het met het lid Flach eens dat ook de zorg voor kinderen of naasten en onbetaald werk waardevol is. Dit kabinet staat voor een evenwichtig koopkrachtbeleid, waarbij we ook oog hebben voor de positie van middeninkomens en eenverdieners. We wegen dit uiteraard ook in de toekomst mee bij de besluitvorming over koopkracht. En ook bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling kijken we hoe we gezinnen het beste kunnen ondersteunen. Maar ondersteuning van gezinnen gaat uiteraard verder dan alleen koopkracht. Daarom werken we bijvoorbeeld ook aan het vereenvoudigen van het verlofstelsel en een aanpak voor de versterking van integrale ondersteuning rondom gezinnen in een kwetsbare positie.


Vraag:
Zegt de minister toe om de zes opties voor een goed nabestaandenpensioen, die de vorige minister in een Kamerbrief noemde, te onderzoeken en uit te werken? Kan de minister toezeggen dat de coulanceregeling die met de sector wordt afgesproken breder opgezet wordt, zodat ook mensen die onverzekerd zijn en niet bewust deze verzekering voor het nabestaandenpensioen hebben opgezegd coulance krijgen?

Antwoord:
Ja, de zes maatregelen, vermeld in de brief ‘Stand van zaken vrijwillige voortzetting nabestaandenpensioen’ van 17 december 2025 (Kamerstuk 32 043, nr. 691), worden verder uitgewerkt. Deze maatregelen zien erop om de groep onbedoeld onverzekerden bij vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen zoveel als mogelijk te voorkomen. Een van de maatregelen ziet op een sectorbrede coulanceregeling.

Veel pensioenfondsen hanteren volgens de Pensioenfederatie reeds een coulanceregeling. Of zij maken een beroep op de hardheidsclausule mogelijk bij overlijden van de gewezen deelnemer, die gedurende de keuzetermijn nog geen keuze heeft gemaakt of wanneer er nog geen aanbod gedaan is. In die situatie zal het pensioenfonds (na onderzoek) overgaan tot uitkering van het partnerpensioen alsof er wel een dekking zou zijn geweest. De sectorbrede coulanceregeling ziet op deze groep onbedoeld onverzekerden. Deelnemers kunnen, ondanks de wettelijk verplichte keuzebegeleiding van de pensioenuitvoerder, de keuze maken om niet te kiezen voor vrijwillige voortzetting. De redenen om niet te kiezen voor vrijwillige voortzetting zijn divers, zoals het niet hebben van een partner of deelname aan een pensioenregeling met nabestaandenpensioen bij een nieuwe werkgever. Ook is het mogelijk dat de deelnemer al beschikt over voldoende opgebouwd partnerpensioen vóór pensioendatum (overgangsrecht Wtp) of een private oplossing (bijvoorbeeld overlijdensrisicoverzekering) heeft.


Vraag:
Staat ook dit kabinet op het standpunt dat de EU niet over abortus gaat en dat het dus ook niet wil dat hier via het ESF+ fonds Europees geld aan wordt uitgegeven in Nederland of een andere lidstaat?

Antwoord:
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes, inclusief keuzevrijheid en toegang tot veilige abortuszorg. In het huidig ESF wordt toegang tot gezondheidszorg niet gefaciliteerd.

Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie)

Vraag:
Wat gaat dit kabinet doen met het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders?

Antwoord:
Het verbeteren van het stelsel van civiele invordering is een speerpunt om problematische schulden fundamenteel aan te pakken en schuldenoploop te voorkomen. Belangrijk daarbij is dat er in het stelsel meer ruimte komt voor coördinatie door één betalingsregeling op te kunnen stellen voor meerdere schuldeisers, ook wel het collectief afbetalingsplan genoemd. Daarnaast is het van belang dat een gerechtsdeurwaarder ook moet kunnen de-escaleren, bijvoorbeeld door te kunnen verwijzen naar schuldhulp. In mei 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de uitwerking van deze maatregelen (Kamerstuk 24 515, nr. 798). Het afgelopen jaar is (in afstemming met de betrokken stakeholders) gewerkt aan de nadere uitwerking van deze maatregelen. Het kabinet is voornemens de Kamer hierover voor de zomer te informeren.


Vraag:
Kan de minister van SZW toelichten waar de 150 miljoen voor armoede en schulden voor wordt uitgetrokken en dat in ieder geval het collectief afbetalingsplan voldoende wordt gefinancierd? Deelt de minister de mening dat het beter is dit geld in te zetten voor structurele verbeteringen in plaats van incidentele beperkte koopkrachtreparaties?

Antwoord:
De minister van SZW vindt het bestrijden van armoede en problematische schulden erg belangrijk. Het is daarom goed dat er structureel middelen gereserveerd zijn voor de versterking van armoedebestrijding en een effectieve aanpak daarvan, en de preventie van problematische schulden. Het Nationaal Programma Armoede en Schulden bevat daarvoor een breed palet aan maatregelen, waaronder het collectief afbetalingsplan. De minister van SZW zal terugkomen op de verdeling van de middelen en kijken welke maatregelen het meest passend zijn om deze middelen voor in te zetten. Uw Kamer wordt in ieder geval bij Prinsjesdag hierover geïnformeerd.


Vraag:
Recent onderzoek van Deloitte wijst uit dat organisaties zoals SchuldHulpMaatje de maatschappij miljoenen bespaart. Wat vindt de minister van dit onderzoek en wat betekent dit onderzoek voor de rol van deze organisaties voor hun financiering en invloed op het beleid?

Antwoord:
De minister van SZW deelt de analyse uit het rapport van Deloitte dat de hulp door vrijwilligers aan mensen met geldzorgen goed is voor het individu en de maatschappij. Tienduizenden mensen worden aan de keukentafel en bij inlooppunten geholpen met beter rondkomen, aanvragen waar ze recht op hebben en andere geldzaken. Zij hebben een waardevolle rol in het bereiken en ondersteunen van mensen. Het ministerie van SZW steunt daarom de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp (AVS) al een aantal jaar met een subsidie van twee miljoen euro per jaar (in 2024, 2025 en 2026) en kijkt naar een nieuwe subsidie voor 2027 en latere jaren. Ook is regelmatig overleg met de AVS, Schuldhulpmaatje en Humanitas over ontwikkelingen en knelpunten die zij zien.


Vraag:
Waarom bezuinigt dit kabinet op re-integratiemiddelen als het kabinet meer mensen aan het werk wil krijgen?

Antwoord:
De minister van Werk en Participatie gaat graag het gesprek aan met uw Kamer over de precieze invulling van de maatregelen zoals benoemd in het coalitieakkoord. Dit geldt ook voor de ingeboekte besparing van 100 miljoen euro op re-integratiemiddelen. Het is belangrijk op te merken dat het de inzet is van het kabinet om deze 100 miljoen euro in te zetten voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO) om werkzekerheid te stimuleren, zodat mensen sterker staan in een veranderende arbeidsmarkt. Hoe beter we erin slagen - samen met sociale partners - mensen werkzekerheid te bieden door een bestendig LLO-stelsel, hoe minder mensen een beroep hoeven doen op onze sociale zekerheid. De inzet is om er, samen met UWV en gemeenten, voor te zorgen dat voor iedere werkzoekende passende ondersteuning beschikbaar is en blijft, om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.


Vraag:
Wat gaat dit kabinet doen met het Europees Sociaal Fonds, en gaat de minister de aanpak dakloosheid een prominente plek geven in het ESF-programma?

Antwoord:
Gemeenten maken zelf de keuze op welke doelgroepen zij het ESF+ inzetten. Het ESF+ (looptijd 2021-2027) is gericht op de ondersteuning van mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Gemeenten kunnen de ESF+ middelen onder voorwaarden ook inzetten om mensen die dakloos zijn te ondersteunen.

Vanaf 2028 heeft het Europees Sociaal Fonds in het Meerjarig Financieel Kader (MFK) geen specifiek budget, maar wordt onderdeel van de Nationale en Regionale Partnerschap Plannen (NRPP). Het is op dit moment nog te vroeg om in te gaan op de specifieke invulling van het NRPP dat voor Nederland opgesteld zal worden. Hierin wordt uiteraard uw Kamer betrokken. De NRPP-plannen worden opgesteld door de lidstaten, in samenspraak met medeoverheden.


Vraag:
Wat kunnen mensen die in een sociale werkplaats werken, verwachten van dit kabinet?

Antwoord:
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen mee kan doen. Ook mensen die werken bij sociaal ontwikkelbedrijven. Voor hen moet er een sterke sociale infrastructuur zijn, die werk mogelijk maakt wanneer dat niet vanzelfsprekend is. Als plek om te ontwikkelen, als springplank naar regulier werk en als vangnet wanneer mensen langer op sociaal ontwikkelbedrijven aangewezen zijn.

In 2024 en 2025 is er fors geïnvesteerd in sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk. In de structurele situatie gaat het om 190 miljoen euro per jaar. Hiermee maakt het kabinet werk mogelijk en vergroten we de kansen van mensen om mee te doen en economisch zelfstandig te zijn. En we zien dat het werkt. Het aantal beschutte banen neemt gestaag toe. Ook groeit het aantal mensen dat met loonkostensubsidie aan het werk is.


Vragen van het lid Dijk (SP)

Vraag:
Hoe gaat de minister de armoede in Nederland oplossen in plaats van groter maken? Hoe legt u uit dat iedere dag in ons land 35 baby's worden geboren zonder dat er kleding, warm bed en een knuffeltje is?

Antwoord:
Het is schrijnend als kinderen bij hun geboorte te maken krijgen met een gebrek aan basisvoorzieningen zoals een warm bed en een knuffeltje. Elk kind verdient een goede start en elk kind dat opgroeit in armoede is er één te veel. Niemand in Nederland zou door het ijs moeten zakken.

Dit kabinet zet zich daarom in om mensen uit armoede te halen en om (kinder)armoede te voorkomen. Veel ouders hebben recht op kinderbijslag en kindgebonden budget, als tegemoetkoming voor de kosten van kinderen. Voor ouders met een lager inkomen komt die ondersteuning uit op 3.800 euro per kind op jaarbasis. Naarmate kinderen ouder worden, loopt dit bedrag op tot ruim 5.200 euro op jaarbasis, en alleenstaande ouders krijgen daarbovenop nog een aanvulling van ruim 3.400 euro op jaarbasis. Ouders kunnen deze tegemoetkomingen inzetten voor bijvoorbeeld kleding of brillen, schoolspullen, zwemlessen of sport. Het kabinet investeert 600 miljoen euro in het versterken van gezinnen. Als eerste stap worden de kinderbijslag en het kindgebonden budget samengevoegd tot één nieuwe kindregeling voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders.

Daarnaast werkt het kabinet ook op andere manieren aan het terugdringen van (kinder)armoede en het versterken van kansengelijkheid. De verdere inzet op het terrein van kinderarmoede komt terug in de voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden. Deze is op 10 maart jl. verzonden aan de Tweede Kamer (Kamerstuk 24 515, nr. 818). Het kabinet ondersteunt bijvoorbeeld de partners van Samen Voor Alle Kinderen (Sam&) bij het vergroten en bestendigen van hun bereik van kinderen met kindvoorzieningen, waardoor kinderen kunnen meedoen met onder andere schoolactiviteiten, de sportvereniging of muziekles ondanks de financiële situatie van het gezin. De vijf samenwerkende partners in Sam& zijn Stichting Jarige Job, Jeugdfonds Sport & Cultuur, Jeugdeducatiefonds Stichting Leergeld Nederland en Nationaal Fonds Kinderhulp. In het coalitieakkoord is ook afgesproken om te investeren in armoedebeleid en een effectieve aanpak (en de preventie) van schulden. Voor deze aanpak is structureel 150 miljoen euro gereserveerd.


Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS)

Vraag:
Wat gaan de ministers doen aan de loonkloof die er nog steeds is tussen mannen en vrouwen? In welk tempo wordt hier werk van gemaakt?

Antwoord:
Het kabinet werkt aan de implementatie van de Richtlijn loontransparantie, die tot doel heeft bij te dragen aan het verkleinen van de loonverschillen tussen mannen en vrouwen. Het wetsvoorstel ligt inmiddels ter advisering bij de Raad van State. De streefdatum voor inwerkingtreding is 1 januari 2027. Werkgevers kunnen zich vooruitlopend daarop alvast voorbereiden op de nieuwe regels.


Vraag:
Is de vertaling van de plannen over de transitievergoeding eigenlijk dat het ontslag gewoon goedkoper wordt?

Antwoord:
Het goedkoper maken van ontslag is geen doel van deze maatregel. Het kabinet vindt het belangrijk dat de transitievergoeding vaker en meer wordt benut voor scholing. Dat vergroot de wendbaarheid van werknemers en werkgevers en kan ontslagen voorkomen. Daarom worden mogelijkheden onderzocht om de transitievergoeding te ‘oormerken’ voor scholing en wordt gekeken naar de verbetering van de inzet van scholingsmiddelen en mogelijkheden. De minister van SZW en de minister van OCW informeren uw Kamer hierover voor de zomer in een Kamerbrief over het LLO-beleid.


Vraag:
Zou de minister willen nadenken over een sociaal pensioen, en wil de minister hierover in gesprek gaan met Vrijwilligerswerk Nederland?

Antwoord:
Het kabinet deelt de opvatting van de fractie van 50Plus dat vrijwilligers een belangrijke bijdrage leveren aan de Nederlandse samenleving. Iedereen die in Nederland woont, ontvangt een basispensioen in de vorm van de AOW, ongeacht vrijwilligerswerk, mantelzorg of betaald werk. Voor aanvullend pensioen ligt het voor de hand dat sociale partners arbeidsvoorwaardelijke afspraken maken over pensioenopbouw in bijvoorbeeld situaties als mantelzorg, verlof of vrijwilligerswerk.


Vraag:
Ziet het kabinet oplossingen voor de uitdagingen die oudere werknemers ervaren in een re-integratietraject? En hoe kijkt het kabinet naar deze oplossingen?

Antwoord:
Elke dag werken professionals bij UWV en gemeenten, samen met werkzoekenden, hard aan hun re-integratie op de arbeidsmarkt. Het klopt dat nog te vaak mensen niet de juiste ondersteuning krijgen, terwijl dit wel mogelijk is. Daarom wil het kabinet de arbeidsmarktinfrastructuur versterken. Door de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur versterken UWV en gemeenten de samenwerking met onderwijsinstellingen en werkgevers, zodat er betere kansen ontstaan voor (oudere) werkzoekenden, richting onder andere tekortsectoren.

Ook binnen het traject om de Participatiewet fundamenteel te herzien en via de toekomstvisie op de banenafspraak, worden stappen gezet om de ondersteuning verder te versterken en verbeteren. Daar hebben ouderen ook profijt van. Daarnaast kijkt het kabinet naar een verdere uniformering van re-integratievoorzieningen. Zodat werkzoekenden en werkgevers sneller de ondersteuning krijgen die nodig is.


Vraag:
Kan de Kamer bij de plannen van Prinsjesdag ook puntenwolken ontvangen van het CPB, uitgesplitst voor werkenden, gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden?

Antwoord:
Er zijn veel verschillende mogelijkheden om de uitkomsten van koopkrachtramingen te presenteren, zoals de boxplot, medianentabellen of de puntenwolk. In het verleden werd de puntenwolk vaak gebruikt om de uitkomsten van koopkrachtberekeningen te presenteren. CPB toonde de puntenwolk voor het laatst in het Centraal Economisch Plan 2023. Inmiddels is de boxplot meer gangbaar. Bij keuzes over het gebruik van presentatievormen moeten afwegingen worden gemaakt. Het toevoegen van presentatievormen levert meer informatie voor de gebruikers op, maar maakt het lezen van koopkrachtpublicaties ook lastiger. Tegelijkertijd begrijpt de minister van SZW de behoefte aan informatie van het lid Van Brenk en zal haar verzoek doorgeleiden aan het CPB. Het CPB is uiteraard onafhankelijk en gaat zelf over de keuzes over presentatie van de uitkomsten van koopkrachtramingen.

Vraag:
Waar kan de groep senioren die niet meer thuis kan blijven wonen op rekenen bij een duidelijk ontoereikend inkomen voor een gewenste en noodzakelijke verhuisstap? Wat kan de minister hierin betekenen?

Antwoord:
De groep senioren die een noodzakelijke verhuisstap maakt met een ontoereikend inkomen kan mogelijk aanspraak maken op de bijzondere bijstand. Als door onvoorziene omstandigheden de noodzakelijke kosten van het bestaan niet betaald kunnen worden, dan kan de bijzondere bijstand een bijdrage leveren aan deze kosten. Bijzondere bijstand is echter niet bedoeld voor het afdekken van structureel hoge woonkosten. Er is dan immers geen sprake meer van onvoorziene omstandigheden.


Vraag:
Is de minister bereid per fonds inzicht te geven in de transitiekosten die worden gemaakt?

Antwoord:
Nee, het is niet aan het kabinet om de kosten die individuele pensioenuitvoerders maken inzichtelijk te maken en deze met elkaar te vergelijken. Het is daarnaast ook lastig om een duidelijk onderscheid te maken tussen de kosten voor de transitie, en overige kosten bijvoorbeeld voor onderhoud. De transitie wordt namelijk ook vaak aangegrepen om noodzakelijk onderhoud uit te voeren. Daarnaast kunnen hogere kosten verschillende redenen hebben, bijvoorbeeld een hoger afgesproken serviceniveau. Wel vindt het kabinet het belangrijk dat pensioenuitvoerders de kosten die zij maken verantwoorden. Dat doen zij intern via de deelnemersorganen en de interne toezichthouder. Extern doen zij dit via het jaarverslag en richting de deelnemer via het Uniform Pensioenoverzicht (UPO). In aanvulling hierop worden de kosten die pensioenuitvoerders maken ten behoeve van de transitie naar het nieuwe stelsel gemonitord in de transitiemonitor en daarover wordt uw Kamer periodiek geïnformeerd via de voortgangsrapportage monitoring Wtp.


Vraag:
Deelt de minister de mening van 50Plus dat de beleggingsrendementen van onze pensioenfondsen niet goed zijn, en gaat hij hier nu eens iets aan doen?

Antwoord:
De minister van SZW heeft begrip voor het feit dat het lid Van Brenk de indruk heeft dat pensioenfondsen minder rendement realiseren wanneer zij een vergelijking maakt met enkele aandelenindices. Bij het beoordelen van de beleggingsprestaties moet echter niet alleen naar rendementen en kosten worden gekeken maar ook naar het beleggingsrisico. Een pensioenfonds kan nooit het hele vermogen in index-beleggen doen. Er zijn altijd gedeeltes van het vermogen die risicomijdend moeten worden vastgezet om als buffer te dienen. De redenering dat pensioenfondsen vele miljarden rendement zijn 'kwijtgeraakt' klopt dus niet. Pensioenfondsen gaan over hun eigen strategisch beleggingsbeleid en stellen deze vast op basis van de beleggingsrisico’s die hun deelnemers kunnen en willen nemen. De Nederlandsche Bank houdt goed prudentieel toezicht op de beleggingsprocessen van pensioenfondsen.


Vraag:

Kan de minister nagaan of het mogelijk is om mensen in de Wajong die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en werken met loondispensatie net als mensen in de Wajong met arbeidsvermogen via de uitkering te compenseren voor hun verminderde loonwaarde?

Antwoord:
In het commissiedebat Uitvoering sociale zekerheid van 17 december 2025 heeft de voormalig minister van SZW toegezegd aan het lid Van Brenk om op deze vraag schriftelijk terug te komen. Deze vraag gaat over mensen die vanuit het experiment re-integratiedienstverlening IVA en Wajong-DGA aan het werk zijn gegaan met loondispensatie. De rekenregels voor deze specifieke groep zijn anders dan die voor mensen met een Wajong-uitkering, die wel arbeidsvermogen hebben, en op dezelfde manier werken.

Bij het opzetten van het experiment is onderzocht of de rekenregels voor deze groep aangepast konden worden zoals het lid Van Brenk hier vraagt. Het experimenteerartikel in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen biedt hier geen mogelijkheid toe. Dat kan alleen via wetgeving geregeld worden.

Het experiment wordt geëvalueerd en voor de zomer ontvangt uw Kamer een tussenrapportage. Op basis van deze rapportage wordt besloten of het kabinet deze dienstverlening al dan niet structureel kan en wil maken. Dan zal ook worden bezien of het wenselijk is om de regels rondom de verrekening van inkomen aan te passen.


Vraag:
Kan de minister een appreciatie geven van de analyse van Daan Kleinloog in een artikel in Pensioen en Praktijk? Als het Actuarieel Genootschap zelf aangeeft dat netto-profijtberekeningen slechts ondersteunend zijn en niet geschikt voor euro-nauwkeurige herverdeling, waarom blijft DNB deze methode dan toch centraal stellen?

Antwoord:
Anders dan in het artikel wordt gesteld, stelt DNB netto profijt berekeningen niet centraal in de verdeling van pensioenvermogens. In de besluitvorming van de transitie is het gebruik van kwantitatieve maatstaven wettelijk voorgeschreven, te weten netto profijt en de verwachte pensioenuitkering van alle deelnemers (pensioenverwachting). DNB houdt onder andere toezicht op de besluitvorming rond evenwichtigheid van de transitie. Zij neemt daarbij zowel de uitkomsten van netto profijt als die van de pensioenverwachting in ogenschouw.


Vragen van het lid Dassen (Volt)

Vraag:
Deelt de minister dat weerbaarheid alleen werkt als iedereen mee kan doen, en hoe gaat de minister ervoor zorgen dat iedereen een noodpakket in huis kan hebben?

Antwoord:
Ja, de minister van SZW deelt dit. Daarom werkt het ministerie van SZW in een breed interdepartementaal traject met andere maatschappelijke partners om die weerbaarheid te versterken. De recent gestarte campagne ‘Denk Vooruit’ heeft als doel mensen bewust te maken van wat zij in een noodsituatie nodig kunnen hebben, zoals een noodplan en een noodpakket. Het uitgangspunt is dat mensen in huis halen wat binnen hun eigen mogelijkheden past. Ook wordt aangespoord samen met buren, vrienden en familie te kijken wat gezamenlijk geregeld kan worden. Door de verschillende betrokken ministeries wordt nagegaan wat nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op potentiële noodsituaties. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar bestaande structuren en voorzieningen en naar de rol van verschillende betrokken departementen.


Vraag:
Hoe kijkt de minister naar initiatieven zoals het bouwdepot, die perspectief geven aan jongeren en weer helpen om de samenleving op te bouwen? Is hij bereid om samen met gemeenten te kijken naar dergelijke succesvolle initiatieven, zodat jongeren die nu buiten het systeem vallen weer de ondersteuning kunnen krijgen die zij nodig hebben?

Antwoord:
Het kabinet steunt initiatieven die kwetsbare jongeren ondersteunen, zolang deze passen binnen de wettelijke kaders. Naar aanleiding van de motie Flach en Inge van Dijk (Kamerstuk 36 582, nr. 56) werkt het kabinet verder aan een analyse over de problematiek en ondersteuningsbehoeften van jongeren in een kwetsbare positie. Hierover is het kabinet reeds met gemeenten in gesprek. Uw Kamer wordt in april over de uitkomsten van deze analyse geïnformeerd.


Vraag:
Welke stappen wil de minister zetten om de erkenning van diploma's en certificaten binnen Europa te verbeteren? Hoe gaat de minister zorgen dat Europese initiatieven zoals de Talentpool bijdragen aan het aanpakken van personeelstekorten, terwijl we tegelijkertijd uitbuiting voorkomen en arbeidsvoorwaarden beschermen?

Antwoord:
De Europese Commissie zal naar verwachting in september 2026 met een pakket komen om eerlijke arbeidsmobiliteit te bevorderen. Onderdeel van dit pakket is een voorstel over ‘skills portability’, gericht op het vereenvoudigen van de erkenning en overdraagbaarheid van vaardigheden en kwalificaties binnen de Europese Unie. De minister van SZW wil dit, samen met de minister van OCW, zorgvuldig bestuderen en met uw Kamer bespreken.

Daarnaast werkt de Europese Commissie aan het oprichten van een Europese Talentenpool. Deze zal zich richten op specifieke beroepen op alle vaardigheidsniveaus. Dit gebeurt op basis van de meest voorkomende knelpuntberoepen in de Unie en op beroepen die een directe bijdrage leveren aan de groene en digitale transities. Later dit jaar neemt het kabinet een besluit over deelname aan de Talentpool. Dit besluit wordt mede bezien in het kader van de Talentstrategie. Daarbij kijkt het kabinet uiteraard zorgvuldig naar waarborgen om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. Om oneigenlijke detachering van werknemers van buiten de EU tegen te gaan, al dan niet geworven via de Talentenpool, zet Nederland in op versterking van grensoverschrijdende handhaving via de Europese Arbeidsautoriteit. Ook zet Nederland in op verduidelijking van het juridisch kader rond de detachering van werknemers uit derde landen.


Vraag:
Is de minister bereid om te onderzoeken hoe de risico's rond personeel beter gemitigeerd kunnen worden voor start-ups?

Antwoord:
Ja. Dit kabinet wil met sociale partners in gesprek over de ambities op de middellange termijn, waarbij wendbaarheid voor ondernemers en werkzekerheid voor mensen met een baan de doelen zijn. We kijken waar flex momenteel té flex is en waar vast nu belemmerend vast is, en hervormen waar nodig. Een belangrijke randvoorwaarde is dat er voor werkgevers, met name in het mkb en startups, meer wendbaarheid is om mee te bewegen met economische ontwikkelingen.

Ook op korte termijn heeft het kabinet ambities. Zo dienen we naar verwachting dit kalenderjaar nog wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket in bij uw Kamer, die de wendbaarheid van werkgevers vergroten. Het gaat om het wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis en het wetsvoorstel re-integratie tweede spoor. Het pakket bevat ook wetsvoorstellen die de zekerheid van werkenden vergroten. Het gaat om het wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen, dat naar verwachting dit jaar nog wordt ingediend bij uw Kamer. Daarnaast gaat het om het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers, dat naar verwachting begin april wordt behandeld in uw Kamer. Daarnaast willen we werken aan voorstellen om loondoorbetaling bij ziekte voor werkgevers, met name in het mkb, meer werkbaar te maken.


Vraag:
Gaat u uitvoering geven aan de motie Dassen/Vijlbrief/Patijn over een hoger minimumjeugdloon?

Antwoord:
De motie Dassen c.s. (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 81) verzoekt om een verhoging van het minimumjeugdloon met meer en eerder dan de voorgenomen verhoging. Het kabinet zal het minimumjeugdloon per 1 januari 2027 verhogen.


Vraag:
Ziet de minister de laptopregeling, die in sommige gemeenten geldt, ook als een onderdeel van brede agenda om het stelsel te versimpelen, efficiënter in te richten en om gelijke kansen voor jongeren te bevorderen en is hij het eens om de laptopregeling nationaal in te regelen? En welke andere regelingen ziet het kabinet om zo snel mogelijk te harmoniseren en om te zorgen dat wij dat op landelijk niveau uitvoeren?

Antwoord:
Er wordt in overleg met VNG en gemeenten gewerkt aan de vereenvoudiging en het versterken van het armoedebeleid. De uitkomsten van de eerste verkenningen zijn opgenomen in de voortgangsrapportage van het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die uw Kamer 10 maart jl. heeft ontvangen (Kamerstuk 24 515, nr. 818). Het kabinet gaat in gesprek met gemeenten om invulling te geven aan de ambitie uit het coalitieakkoord. In dit gesprek zal de mogelijkheid om de laptopregeling te harmoniseren en de gevolgen daarvan meegenomen worden. Op de uitkomsten van deze gesprekken kan het kabinet niet vooruitlopen.


Vragen van het lid Moinat (Groep Markuszower)

Vraag:
Is de minister het met ons eens dat de lastenverlichting op arbeidsinkomen voorop moet staan, in plaats van achteraf repareren wat misgaat? En is de minister het met ons eens dat werken echt moet lonen?

Antwoord:
Ja, de minister van SZW is het eens met beide punten die het lid Moinat maakt. Het is al langere tijd een breed gedragen wens om hier iets aan te doen. Dat kan ook. Alleen vergt het een brede herziening van het bestaande stelsel van premies, belastingen en toeslagen. Daarom gaan de minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën aan de slag met een hervormingsagenda. Voor het einde van 2026 kan uw Kamer deze agenda tegemoet zien.


Vraag:
Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat re-integratiebegeleiding daadwerkelijk werkt? Dat mensen niet verdwalen tussen loketten, maar gezien worden?

Antwoord:
Het kabinet ziet dat begeleiding naar werk loont. Mensen die de juiste ondersteuning krijgen, vinden vaker en sneller een passende baan. Daarom versterken we de arbeidsmarktinfrastructuur, zodat werkgevers en werkzoekenden terecht kunnen bij het regionale werkcentrum, één toegangspoort voor vragen en ondersteuning. Het kabinet kijkt ook naar verdere uniformering van re-integratievoorzieningen om werkzoekenden en werkgevers makkelijker de ondersteuning te geven die nodig is. Tot slot wordt met de verbeteringen voor de banenafspraak ingezet op meer werkgelegenheid voor mensen met een beperking, door veel meer uit te gaan van de ondersteuningsbehoefte van mensen.


Vraag:
Wat vindt de minister van het stuk ‘’Top uitkeringsinstantie herschrijft Kamerbrief van het ministerie’’ welke is gepubliceerd in het Algemeen Dagblad?

Antwoord:
Hierover heb ik u op 11 maart 2026 per brief geïnformeerd (Kamerstuk 26 448, nr. 868).



Vragen van het lid Keijzer (Keijzer)

Vraag:
Hoe gaat het kabinet de afhankelijkheid van mensen van de overheid aanpakken door het fiscale stelsel te wijzigen?

Antwoord:
Ons stelsel van inkomensondersteuning via belastingen, toeslagen en sociale zekerheid is toe aan een hervorming. De ondoorzichtigheid en onvoorspelbaarheid van het stelsel zorgt ervoor dat mensen geen stap durven te zetten naar (meer) werk en dat mensen die we willen ondersteunen regelingen niet meer aanvragen. We gaan daarom door met vereenvoudiging binnen bestaande regelingen en een stip op de horizon zetten om naartoe te werken.

Het kabinet komt daarom eind dit jaar met een hervormingsagenda met vereenvoudigingen op het gebied van fiscaliteit, sociale zekerheid en toeslagen. Deze agenda moet concrete mijlpalen in de tijd bevatten. Het coalitieakkoord bevat afspraken waarmee we deze kabinetsperiode concrete stappen zetten. Dit gaat onder andere over:
- het doorgaan met de hervorming van de kinderopvangtoeslag;
- het samenvoegen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget tot één kindregeling;
- de inzet op proactieve dienstverlening, waaronder automatische uitkering van toeslagen; en
- het inperken van inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit, te beginnen bij heffingskortingen.

Om deze afspraken en eventuele aanvullende stappen te realiseren, vindt het kabinet het belangrijk om vroegtijdig in gesprek te gaan met de Kamer en met de samenleving over waar het politiek en maatschappelijk draagvlak ligt. Voor de zomer komt de staatssecretaris van Financiën met een strategische agenda, waarin hij verder ingaat op vereenvoudigingen in belastingen en toeslagen.