Voortgang aanpak seksuele misdrijven
Seksuele intimidatie en geweld
Brief regering
Nummer: 2026D11969, datum: 2026-03-16, bijgewerkt: 2026-03-19 13:14, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Onderdeel van kamerstukdossier 34843 -130 Seksuele intimidatie en geweld.
Onderdeel van zaak 2026Z05230:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-03-19 14:05: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-04-01 14:30: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
34843 Seksuele intimidatie en geweld
Nr. 130 Brief van de minister van Justitie en Veiligheid
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 maart 2026
Seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag zijn complexe maatschappelijke vraagstukken. De impact op slachtoffers en hun omgeving is vaak groot en blijvend. De gevolgen raken de hele samenleving. Daarom blijft de aanpak hiervan een hoge prioriteit.
In navolging van de voortgangsbrief van 7 juli 2025 informeer ik uw Kamer in deze brief over de ontwikkelingen die zich het afgelopen half jaar hebben voorgedaan in de aanpak van seksuele misdrijven.1 Allereerst ga ik in op de stand van zaken rond de EU-regelgeving ter bestrijding van seksueel misbruik van kinderen. Vervolgens komt de invoeringstoets van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal aan bod. Daarna ga ik in op de afronding en borging van het Actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken (hierna: het actieplan). Aansluitend wordt in het kader van preventie aandacht besteed aan een interventie gericht op doorstuurgedrag binnen besloten online groepen. Tot slot wordt met deze brief een toezegging aan de Eerste Kamer aangaande geweld in homoseksuele relaties afgedaan, evenals een toezegging aan de Tweede Kamer over seksuele deepfakes.
1. Stand van zaken EU-regelgeving ter bestrijding van seksueel misbruik van kinderen
Binnen de Europese Unie (hierna: EU) zet de Europese Commissie, in het kader van de Europese strategie voor een effectievere bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, in op een samenhangend pakket aan initiatieven. Hieronder vallen zowel de herziening van de Directive on combating the sexual abuse and sexual exploitation of children and child pornography2 (hierna: CSA-richtlijn), als het voorstel voor een Regulation laying down rules to prevent and combat child sexual abuse3 (hierna: CSAM-verordening). De CSAM-verordening richt zich onder andere op verplichtingen voor internetbedrijven om materiaal van seksueel misbruik van kinderen te detecteren, te melden en te verwijderen.
De CSA-richtlijn ziet daarentegen op de strafbaarstelling van seksueel misbruik, alsmede op de opsporing en vervolging door rechtshandhavingsautoriteiten, en beoogt daarnaast de preventie en ondersteuning van slachtoffers te versterken.
Beide wetgevingstrajecten bevinden zich momenteel in de triloogfase, waarin het voorzitterschap van de Raad onderhandelt met het Europees Parlement en de Europese Commissie. Voor de CSA-richtlijn zijn deze onderhandelingen reeds onder het Poolse EU-voorzitterschap aangevangen. Ten aanzien van de CSAM-verordening heeft op 26 februari 2026 de eerste politieke triloog plaatsgevonden. Er worden regelmatig Radengroepen gepland om de Raad te informeren over het verloop van de triloog. Nederland zal zich tijdens de trilogen blijven inzetten binnen de kaders van het kabinetsstandpunt en de door uw Kamer aangenomen moties. Conform de gebruikelijke werkwijze zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de voortgang en eventuele wijzigingen.
2. Invoeringstoets Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal
Inleiding
De Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, die op 1 juli 2024 in werking trad, heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) de bevoegdheid verleend om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten om online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te verwijderen en daarop bestuursrechtelijk te handhaven. Voor de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal is op 12 september 2025 een invoeringstoets uitgebracht, uitgevoerd door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (hierna: CCV).4
De invoeringstoets heeft tot doel na inwerkingtreding te onderzoeken hoe een wet in de praktijk functioneert. De resultaten bieden een eerste beeld van het functioneren van de wet en de ATKM sinds de inwerkingtreding van de wet. De invoeringstoets is geen feitenonderzoek of uitgebreide beleidsevaluatie, maar een weergave van ervaringen en perspectieven van betrokkenen. De toets richt zich uitsluitend op de bevoegdheden van de ATKM met betrekking tot online materiaal van seksueel kindermisbruik en niet op haar reeds bestaande bevoegdheden ten aanzien van terroristische online-inhoud. Daarnaast geeft de invoeringstoets uitvoering aan de motie-Kathmann c.s.5 door speciale aandacht te besteden aan de onderlinge samenwerking bij de uitvoering van de wet. Doel was om inzicht te verkrijgen in mogelijke organisatorische belemmeringen en samenwerkingsknelpunten tussen Offlimits en de ATKM, waaronder de taakverdeling en afstemming van werkwijzen.
Op 7 april 2025 is de ATKM gestart met het uitvaardigen van verwijderbevelen ten aanzien van materiaal van seksueel kindermisbruik. Hierbij ontstaat op termijn steeds meer kennis over de werkwijze van niet-meewerkende hosters. Deze vergroting van kennis zorgt ervoor dat de ATKM haar strategie om deze hosters aan te pakken steeds meer kan verfijnen. De eerste handhavingsstappen zullen een belangrijke fase in de uitvoering van de wet markeren.
In deze passage worden de volgende bevindingen uit de invoeringstoets besproken en voorzien van een beleidsreactie:
de samenwerking met de sector;
de duur van de verwijdertermijn die de ATKM kan opleggen;
het verschil in boetehoogte tussen terroristisch materiaal en kinderpornografisch materiaal; en
de juridische complicaties rond de volgorde van verwijdering en het schrappen van de zorgplicht uit het initiële wetsvoorstel als gevolg van de harmonisatie van de Digital Services Act (hierna: DSA).
Ik ben blij met de eerste positieve bevindingen uit de invoeringstoets, hoewel het onderzoek is uitgevoerd voordat de eerste bevelen uitgestuurd waren.6 Ik trek daarbij de voorlopige conclusie dat de ATKM voor nu in een goede positie gesteld is die overeenkomt met de voorgenomen beleidsdoelen.
Samenwerking met de hosting- en communicatiesector
De ATKM heeft veel contact met vertegenwoordigers van aanbieders van hostingdiensten en aanbieders van communicatiediensten. Deze vertegenwoordigers ervaren de wetgeving als positief: nu kan er daadwerkelijk opgetreden worden tegen niet-meewerkende sectorgenoten. De nieuwe wetgeving lijkt bij de sector voor een rechtvaardigheidsgevoel en een gevoel van erkenning te zorgen. De samenwerking met de ATKM wordt over het algemeen als positief ervaren. Ook de door hen opgerichte sectorraad lijkt hieraan bij te dragen. Dit zie ik als een positieve ontwikkeling.
Wettelijke verwijdertermijn
In artikel 6, derde lid onder c, van de wet is geregeld dat de termijn waarbinnen kinderpornografisch materiaal moet zijn verwijderd ten hoogste 12 uur bedraagt. Uit de invoeringstoets blijkt dat de ATKM deze termijn als beperkend ervaart. Volgens de ATKM betekent dat dat wanneer zij kiest voor een kortere verwijderingstermijn dan 12 uur, zij dit per casus specifiek juridisch dient te motiveren. De ATKM heeft daarom de wens uitgesproken om deze termijn wettelijk te verkorten, bijvoorbeeld om aan te sluiten bij de termijn van één uur die wordt gehanteerd voor het verwijderen van terroristische online-inhoud op grond van de EU-Verordening 2021/784 inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud.7
Het is begrijpelijk dat de ATKM een zo kort mogelijke termijn wil hanteren om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te doen verwijderen. Het zou de praktijk van de ATKM vereenvoudigen. De wet biedt, als gevolg van een aangenomen amendement,8 een termijn van ten hoogste 12 uur waarmee uitdrukkelijk ook voor een kortere termijn kan worden gekozen. De Kamer was zich er bij de behandeling van de wet van bewust dat de verwijderingstermijn bij terroristische online-inhoud één uur is, maar koos bij beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik niettemin voor een maximumtermijn van 12 uur om de ATKM wel de ruimte te geven in uitzonderlijke gevallen een langere termijn dan 1 uur te stellen.
Gelet op deze achtergrond ga ik met de ATKM in gesprek over de bestaande mogelijkheden voor het gebruik van een kortere verwijderingstermijn.
Verschillen in maximale boetehoogte
Een ander punt dat uit de invoeringstoets naar voren komt, is het verschil in de maximale boetehoogte voor de taken van de ATKM met betrekking tot terroristische online-inhoud en beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Bij beide typen beeldmateriaal is de maximale boetehoogte voor het niet-opvolgen van een verwijderingsbevel een boete van de tweede categorie.
Als sprake is van aanhoudend en systematisch niet-opvolgen van een verwijderingsbevel voor beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik kan een boete van de vijfde categorie worden opgelegd, of, indien die boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming. Voor terroristische online-inhoud geldt dat indien sprake is van aanhoudend en systematisch niet-opvolgen een boete van de zesde categorie kan worden opgelegd of als dat meer is, ten hoogste 4% van de mondiale omzet van de onderneming.9 De wetgever heeft dit verschil in boetehoogte expliciet wettelijk vastgelegd, maar de reden van dit verschil is volgens sommige partijen onduidelijk. Dit heeft geleid tot vragen binnen de sector.
Het verschil vloeit voort uit een aangenomen amendement van de leden van Van Nispen en Michon-Derkzen.10 De Tweede Kamer heeft in ruime meerderheid besloten het amendement aan te nemen. Daarmee is sprake van een bewuste keuze van de wetgever die in dit amendement ook is gemotiveerd. De ATKM zal bezien of de onduidelijkheid kan worden weggenomen door de sector daarover (nader) te informeren.
Aanspreken website dan wel hostingprovider
Offlimits richt haar verwijderverzoeken voornamelijk aan aanbieders van hostingdiensten. De ATKM richt zich (vaak) op de website waarop het materiaal gehost is. Websites worden in sommige gevallen daardoor niet eerst zelf aan de hand van een verzoek van Offlimits benaderd om materiaal te verwijderen, maar gelijk geconfronteerd met een verwijderingsbevel van de ATKM. De ATKM voorziet mogelijke toekomstige problemen door deze verschillende werkwijzen, omdat de zelfregulering in sommige gevallen mogelijk geen kans zou kunnen krijgen.
Artikel 6, tweede lid, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal biedt in deze situatie wellicht meer ruimte dan wordt aangenomen. De ATKM kan een aanbieder van hostingdiensten die online kinderpornografisch materiaal heeft opgeslagen een bevel geven alle redelijkerwijs te nemen maatregelen te treffen om dit materiaal ontoegankelijk te maken. Indien het bevel niet kan worden gericht tot een aanbieder van hostingdiensten, dan kan dit worden gericht tot een aanbieder van een communicatiedienst. Hierover ga ik in gesprek met de ATKM.
Schrappen zorgplicht
Een ander belangrijk punt betreft de schrapping van de zorgplicht uit het wetsvoorstel. De zorgplicht zou aanbieders van hosting- en communicatiediensten verplichten om preventieve maatregelen te nemen om de verspreiding van kinderpornografisch materiaal tegen te gaan.
Door de komst van de DSA, die zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten bevat, en voorziet in maximum harmonisatie, is het niet mogelijk over datzelfde onderwerp nog nationale wetgeving te maken11. Daarom kon deze zorgplicht niet in de wet worden opgenomen. In de onderhandelingen voor de DSA heeft Nederland opname van een zorgplicht bepleit, maar er was toen op EU-niveau onvoldoende steun voor. De ATKM ervaart dit als een gemis, aangezien deze zorgplicht een belangrijke maatregel zou zijn voor het voorkomen van de verspreiding van kinderpornografisch materiaal. Gelet op de maximumharmonisatie van de DSA is het niet mogelijk om deze zorgplicht in deze wet op te nemen.
Samenwerking Offlimits en de ATKM
Eén van de belangrijkste bevindingen uit de invoeringstoets is hoe de samenwerking tussen de ATKM en Offlimits, specifiek het Meldpunt Kinderporno, vorm heeft gekregen. De samenwerking tussen deze twee partijen is essentieel voor de uitvoering van de wet en de Kamer wilde voorkomen dat het bestaan van twee organisaties die zich bezighouden met het ontoegankelijk maken van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, tot organisatorische hindernissen zou leiden. Offlimits speelt met haar meldpunt een cruciale rol in het signaleren van online seksueel kindermisbruik en kan hostingpartijen verzoeken om strafbaar beeldmateriaal ontoegankelijk te maken door middel van het versturen van een verwijderverzoek. Wanneer hier niet adequaat op gereageerd wordt, kan de ATKM ingrijpen door verwijderbevelen uit te vaardigen.
De invoeringstoets benadrukt dat deze samenwerking in principe goed verloopt, maar dat er aandachtspunten zijn, zoals op het gebied van communicatie. Begin januari 2025 tekenden beide partijen daarom onderlinge samenwerkingsafspraken. Het is belangrijk dat zij elkaar goed blijven informeren over de voortgang van verwijderverzoeken en de inhoud van hun gesprekken met de sector. Dit is van belang om onduidelijkheid bij de sector te voorkomen door inconsistentie in de communicatie. Daarnaast werken de ATKM en Offlimits samen aan het verbeteren van de gegevensuitwisseling.
Daarnaast is tijdens de invoeringstoets een verschil geconstateerd tussen de partijen waaraan Offlimits en de ATKM (in eerste instantie) hun verzoeken dan wel bevelen richten. Bij de opzet van de ATKM werd ervan uitgegaan dat de ATKM een verwijderbevel zou sturen aan partijen die eerder een verwijderverzoek van Offlimits hadden ontvangen, maar daar geen gehoor aan hadden gegeven. In de praktijk blijkt dat niet altijd het geval. De ATKM verricht, conform haar mandaat, zelfstandig onderzoek naar casuïstiek die zij van Offlimits krijgt doorgestuurd. De ATKM stuurt haar bevelen bij voorkeur aan partijen die in de internetketen zo dicht mogelijk bij de uploader van het materiaal zijn gepositioneerd. Dat betreft vaak partijen die op verzoek van de uploader materiaal toegankelijk maken voor een groter publiek. Uit het onderzoek van de ATKM blijkt dat dit niet altijd de partij is waaraan Offlimits een verwijderverzoek heeft verzonden.
Dit is niet op voorhand problematisch en staat de verwijdering van materiaal niet in de weg. Wel zal Offlimits wanneer dit binnen haar mogelijkheden ligt in dit soort gevallen vaker de partij in de internetketen aanspreken die dichter bij de uploader staat. Ik zal de ATKM en Offlimits verzoeken om na te gaan of deze uiteindelijke werkwijze tot onvoorziene knelpunten leidt en zo ja, op welke wijze deze kunnen worden ondervangen.
Afsluitend lijken er geen hindernissen te bestaan tussen het bestaan van twee meldpunten. Op dit moment worden de meeste meldingen vanuit het publiek gedaan bij het Meldpunt Kinderporno van Offlimits (per 8 januari 2026 hernoemd tot meldpunt van Offlimits). Als toezichthouder dient de ATKM bereikbaar te zijn voor burgers om een melding te doen. Dit soort meldingen of verzoeken worden dan direct door de ATKM in behandeling genomen en niet gedeeld met Offlimits. Het onderscheid tussen de ATKM, als toezichthouder met specifieke bevoegdheden en bestuursrechtelijke handhavingsmogelijkheden en Offlimits, dat al langer bestaat en met het meldpunt al 30 jaar een specifieke rol heeft in de zelfregulering, is voor beide duidelijk en is bedoeld door de wetgever. Er is geen aanleiding voor organisatorische aanpassingen.
3. Afronding en borging Actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken
In eerdere voortgangsbrieven over de aanpak van seksuele misdrijven is uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van het Actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken (hierna: het actieplan).12 Dit actieplan is in 2022 gestart op initiatief van het Bestuurlijk Ketenberaad,13 met als belangrijkste doelstellingen zedenzaken betekenisvoller af te doen en de doorlooptijden in zedenzaken te verkorten. Gedurende de looptijd van het actieplan, dat per 31 december 2025 is geëindigd, heeft de strafrechtketen intensief gewerkt aan het behalen van deze doelstellingen via verschillende actielijnen, namelijk: 1) betekenisvolle interventies, 2) optimaliseren van werkprocessen, 3) sturing op capaciteit en prioriteit, en 4) communicatie.
Zoals in eerdere brieven gemeld bestaat voor het verkorten van de doorlooptijden – zeker in zedenzaken – geen eenvoudige oplossing, maar de resultaten over 2024 laten zien dat de gezamenlijke inspanning die de strafrechtketen de afgelopen jaren heeft verricht resultaat begint op te leveren. Zoals gemeld in de voortgangsbrief over de strafrechtketen van 16 december 2025 bevestigen de cijfers tot en met juni 2025 deze voorzichtige tendens.14 Dit ondanks de hogere instroom, die mede het gevolg lijkt van de (publiciteit rondom de) Wet Seksuele Misdrijven. Daarnaast heeft het actieplan ook tot andere resultaten geleid. Hieronder wordt een aantal van deze resultaten toegelicht.
Actielijn 1: Betekenisvolle interventies
Met actielijn 1 hebben de ketenpartners zich gericht op het verbeteren van de kwaliteit en effectiviteit van zedenzaken via herstelrechtvoorzieningen, betere communicatie met slachtoffers en verdachten en multidisciplinaire samenwerking15 tussen ketenpartners.
Om deze doelen te realiseren is er een video voor professionals ontwikkeld over herstelrechtvoorzieningen die nu breed door de organisaties in de strafrechtketen wordt ingezet in bijvoorbeeld opleidingsomgevingen.
Daarnaast zijn er maatregelen ontwikkeld, zoals een warme overdracht van de contacten met het slachtoffer van politie naar slachtoffercoördinatoren van het Openbaar Ministerie (OM), om de continuïteit van de communicatie met slachtoffers tijdens het strafrechtelijk proces te verbeteren en is de OM-website met informatie over proces en doorlooptijden uitgebreid.
Verder wordt sinds vorig jaar jaarlijks een landelijk congres georganiseerd om multidisciplinaire deskundigheid te bevorderen. Het afgelopen zedencongres vond plaats op 12 februari 2026.
Actielijn 2: Werkprocessen
Er zijn diverse maatregelen genomen om werkprocessen te verbeteren. Een aantal belangrijke voorbeelden:
De politie heeft ‘omgekeerd rechercheren’ (eerder de verdachte verhoren, zonder dat er een heel dossier is opgebouwd) geïntroduceerd, wat leidt tot snellere procedures.
De politie en het OM hebben een handreiking opgesteld en geïmplementeerd die ondersteuning biedt aan de sturing op zedenzaken. Dit is een landelijk sturingsmodel met selectiefactoren op basis van prioriteit, capaciteit, impact en haalbaarheid.
Er is een leertafel geïntroduceerd in verschillende arrondissementen om afgehandelde zaken samen met verschillende ketenpartners te bespreken en lering uit het proces te trekken.
Verder werkt de politie sinds 2022 aan het Verbeterplan Bejegening & Doorlooptijden, in samenwerking met het OM. Deze inspanningen richten zich op verbeterde bejegening tijdens onderzoeken en efficiëntere doorlooptijden.
Het OM heeft daarnaast een project voor zedenzaken gestart voor het verbeteren van interne processen om doorlooptijden verder te verkorten.
Actielijn 3: Sturing op capaciteit en prioriteit
Als onderdeel van deze actielijn is onder andere een interne zedenmonitor ontwikkeld die door de data-analisten van de ketenorganisaties in gezamenlijkheid wordt opgesteld. Deze zedenmonitor is succesvol gebleken als instrument om vertragingen te detecteren, werkstromen te analyseren en verbeteringen binnen de keten te evalueren. Het is daarmee een belangrijk hulpmiddel voor de sturing op verbetering van de doorlooptijden door ketenorganisaties. De belangrijkste uitkomsten worden bovendien als input gebruikt voor de Factsheet Strafrechtketenmonitor die periodiek met uw Kamer wordt gedeeld.
Actielijn 4: Communicatie over zedenzaken
Een gezamenlijk communicatieplan is opgesteld om ketenpartners effectief te informeren over persuitingen. Dit omvat onder meer een whatsapp-groep voor communicatieadviseurs en het ontwikkelen van communicatiemiddelen voor professionals over het actieplan zoals infographics en video’s.
Afronding en borging
De organisaties in de strafrechtketen blijven ook in 2026 via de structuur van het actieplan nauw samenwerken en zich inspannen om de gezamenlijke aanpak van zedenzaken verder te versterken. Zij stellen zich in de meerjarenagenda voor de periode 2026-2028 tot doel om door middel van een groeipad in 2026 in 70%, in 2027 in 75% en in 2028 in 80% (einddoel) van alle zedenzaken de afgesproken doorlooptijden te halen.16 Daarnaast blijven de organisaties in de strafrechtketen regelmatig bijeenkomen om de ontwikkelingen te volgen, hier waar nodig snel op in te spelen en de behaalde resultaten te waarborgen. Samen blijven we ons inzetten voor een efficiënte en zorgvuldige afhandeling van zedenzaken.
4. Preventie: handvatten online omstanders
Het ministerie van Justitie en Veiligheid draagt op verschillende manieren bij aan het vergroten van de online sociale controle en veiligheid. Zo heeft het CCV in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid in 2025 een verkenning uitgevoerd naar mogelijke interventies gericht op passieve omstanders in privé-groepsgesprekken, waarin onder andere schadelijk seksueel materiaal wordt gedeeld. Het doel hiervan was om passieve omstanders te ondersteunen die dergelijk gedrag moreel afkeuren, maar het lastig vinden om zich daarover uit te spreken. Het gaat om groepsgesprekken waarin onder andere schadelijk seksueel materiaal wordt gedeeld, zoals WhatsApp-groepen van voetbalteams met volwassen mannen, Snapchatgroepen waarin een naaktfoto van een klasgenoot wordt verspreid, of familiegroepsgesprekken op Signal waarin naaktfoto’s van beroemdheden als ‘grap’ circuleren.
Gedurende deze verkenning hebben verschillende betrokken organisaties, waaronder de politie, Offlimits, de Gemeente Amsterdam en Rutgers, waardevolle bijdragen geleverd. Naar aanleiding van deze verkenning is besloten te investeren in de ontwikkeling van een nieuwe interventiemodule. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft de ontwikkeling van deze module gefinancierd, met een aanvullende bijdrage van de Gemeente Amsterdam. Deze module is van september tot en met november 2025 ontwikkeld door Fairspace17 en Sexmatters,18 in samenwerking met Rutgers. De interventie is vormgegeven als een toegankelijke trainingsmodule van circa 45 minuten, die eenvoudig kan worden geïntegreerd in bestaande onderwijsprogramma’s. Fairspace, Sexmatters en Rutgers zullen de module daarnaast zoveel mogelijk integreren in hun bestaande en toekomstige les- en interventiemethodes. Er zal bezien worden hoe de implementatie kan worden gestimuleerd vanuit ons ministerie.
Daarnaast is het ministerie van Justitie en Veiligheid aangesloten bij het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP). De meest recente campagne ‘Man, zeg er wat van!’ is de derde publiekscampagne vanuit het NAP, in samenwerking met onafhankelijk Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld Mariëtte Hamer. Deze laatste campagne moedigt mannen en jongens aan om elkaar onderling aan te spreken op seksueel grensoverschrijdend gedrag richting vrouwen. De campagne laat zien hoe je dit op een laagdrempelige manier kunt doen, zowel online als offline. De campagne wordt via diverse kanalen verspreid — waaronder tv, online media, bioscopen, de horeca en de sport — en genereert brede media-aandacht.
5. Toezegging om geweld in homoseksuele relaties mee te nemen in Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld
Op 19 maart 2024 heeft het lid Dittrich tijdens de behandeling van de Wet Seksuele Misdrijven in de Eerste Kamer gevraagd of geweld in homoseksuele relaties specifiek kan worden meegenomen in flankerend beleid. Hierop heeft de toenmalige minister van Justitie en Veiligheid toegezegd dat dit zal worden meegenomen in het NAP.19 Hieronder licht ik toe hoe deze toezegging is afgedaan.
Met het NAP wordt in de periode van 2023 tot en met 2026 interdepartementaal samengewerkt om een cultuurverandering te bewerkstelligen waarbij gelijkwaardigheid, bewustwording en het herkennen en respecteren van elkaars grenzen de norm is. Hoewel het NAP zich niet specifiek richt op geweld in relaties is veiligheid, ook binnen relaties, wel nauw verbonden met deze principes.
Binnen het NAP wordt aandacht besteed aan de doelgroep lhbtiq+-personen. Zo werkt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: ministerie van OCW) in de periode van 2023 tot en met 2026 samen met de Regenboogsteden. Deze 56 steden zetten met lokaal lhbtiq+-beleid in op veiligheid, weerbaarheid en meer sociale acceptatie van lhbtiq+-personen. Ook wordt door middel van een project met Soa Aids Nederland ingezet op het gesprek over seksuele grensoverschrijding en consent in de lhbtiq+-gemeenschap. Tevens wordt ingezet op sleutelfiguren uit de Ballroom scene20 om het gesprek over consent te stimuleren. Het ministerie van OCW draagt bovendien bij aan het project Safer Clubbing. In dit project wordt het personeel van horecagelegenheden getraind om seksueel grensoverschrijdend gedrag tegen te gaan, specifiek in lhbtiq+-horecagelegenheden.
Daarnaast financiert het ministerie van OCW met het NAP de alliantie Act4Respect Unlimited. Daarin werken Rutgers, Atria21 en COC aan het verminderen en voorkomen van seksueel geweld en (ex)partnergeweld tegen onder meer lhbtiq+-personen. De organisatie helpt in het ondersteunen van jongeren bij een gezonde seksuele en relationele ontwikkeling. Voor jongeren die extra risico lopen om slachtoffer of pleger te worden, ontwikkelt de alliantie preventieprogramma’s en trainingen. Alle activiteiten en instrumenten zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Zo is verkennend onderzoek gedaan naar hoe lhbt+-jongeren daten en romantische relaties en (ex-)partnergeweld ervaren. Het onderzoeksrapport ‘Ik dacht dat dit zo hoorde’22 biedt tot slot inzichten voor professionals en hulpverleners wat de oorzaken zijn van partnergeweld onder lhbt+-jongeren.
6. Toezegging om de Tweede Kamer te informeren over de aanpak van seksuele deepfakes
Tijdens het wetgevingsoverleg Digitale Zaken van 2 maart 2026 heeft de staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit toegezegd dat de Tweede Kamer zal worden geïnformeerd over de aanpak van seksuele deepfakes.
De impact en de gevolgen van seksuele deepfakes kunnen voor slachtoffers en hun omgeving enorm zijn, mede omdat het maken van seksuele deepfakes steeds geavanceerder wordt en daarmee seksuele deepfakes steeds realistischer worden. Slachtoffers dienen hiertegen beter te worden beschermd. Mijn ministerie voert een verkenning uit om te bezien hoe de aanpak van seksuele deepfakes kan worden versterkt. Hierbij wordt de mogelijkheid en wenselijkheid van een verbod op het aanbieden van uitkleed applicaties, nationaal dan wel Europees, meegenomen. Ook zal worden bezien of extra stappen kunnen worden gezet in het verwijderen en offline halen van seksuele deepfakes. De aanpak van seksuele deepfakes is complex en kent helaas geen snelle oplossing. Een zorgvuldige afweging, samen met alle betrokken partijen, is noodzakelijk. In de volgende voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven zal ik uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verkenning.
Tot slot
De afgelopen jaren is hoge prioriteit gegeven aan de aanpak van seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag. In die aanpak staat het kabinet niet alleen: uw Kamer, betrokken maatschappelijke organisaties en de samenleving in zijn geheel hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de voortgang die toe nu toe is geboekt. Deze strijd vergt voortdurende inzet van iedereen, omdat deze kwesties de samenleving als geheel raken. Met elkaar trekken we de grens tegen seksueel geweld.
De minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Kamerstukken II, 2024-2025, 34 843, nr. 126.↩︎
Rijksoverheid, Invoeringstoets Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2025/09/12/invoeringstoets-wet-bestuursrechtelijke-aanpak-online-kinderpornografisch-materiaal.↩︎
Kamerstukken II, 2023-2024, 36 377, nr. 16.↩︎
De ATKM heeft op 7 april 2025 het eerste verwijderingsbevel voor online kinderpornografisch materiaal verzonden. Het interview met de ATKM vond daarvóór al plaats.↩︎
Kamerstukken II, 2023-2024, 36 377, nr. 13. In de toelichting op het amendement staat ten aanzien van de verwijderingstermijn: “Indiener stelt voor daarom een bovengrens van twaalf uur op te nemen in de wet. De AKTM kan nog steeds in een concreet geval bepalen dat de termijn korter is, bijvoorbeeld één uur. In verreweg de meeste gevallen zal een termijn van één uur haalbaar zijn, maar in uitzonderlijke gevallen waarin dat niet het geval is, wordt in elk geval de wettelijke bovengrens van twaalf uur in acht genomen.”↩︎
Zie resp. art. 9 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak kinderpornografisch materiaal en art. 12 van de Uitvoeringswet verordening terroristische online-inhoud.↩︎
Kamerstukken II, 2023-2024, 36 377, nr. 10.↩︎
Dit betekent dat er geen nationale regels mogen worden ingevoerd die verder gaan
dan wat in het Europese recht is vastgelegd.↩︎
Kamerstukken II, 2024-2025, 34 843, nr. 116; Kamerstukken II, 2023-2024,34 843, nr. 11.↩︎
Het strategisch beraad waar ketenorganisaties en het ministerie van Justitie en Veiligheid afspraken maken over de samenwerking en de prestaties van de strafrechtketen.↩︎
Kamerstukken II, 2025-2026, 29 279, nr. 1005.↩︎
De inzet op multidisciplinaire samenwerking onder het actieplan heeft onder andere geleid tot de ontwikkeling van een nieuwe werkwijze van relevante ketenpartners om de
toegang tot hulpverlening van slachtoffers van on- en offline seksueel misbruik en seksueel geweld en mensen uit hun (in)directe omgeving te verbeteren. Zie voor de voortgang op ‘Een goed georganiseerd landschap van hulp-, meld- en steunpunten voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties’ de voortgangsbrief Aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling van 18 december 2025. (Kamerstukken II, 2025/2026, 28 345, nr. 293)↩︎
Kamerstukken II, 2025-2026, 29 279, nr. 1005.↩︎
Fairspace is een non-profit organisatie die zich inzet voor het creëren van veilige openbare ruimtes voor iedereen door een einde te maken aan grensoverschrijdend gedrag.↩︎
Sexmatters is een stichting die streeft naar een inclusieve en sociaal veilige samenleving waarin iedereen zichzelf kan zijn en er geen ruimte is voor grensoverschrijdend gedrag en gendergerelateerd geweld.↩︎
Handelingen I, 2023-2024, nr. 24, item 8 (T03888).↩︎
De ballroomscene is een creatieve subcultuur die is ontstaan binnen de Afro-Amerikaanse en Latino lhbtiq+-gemeenschap en draait om zelfexpressie en gemeenschapsvorming. In Nederland bestaat deze scene veelal uit jonge lhbtiq+-personen met een bi-culturele achtergrond. De scene wordt gekenmerkt door een support-systeem van een gekozen familie.↩︎
Atria is het kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. ↩︎
Koole, J., Hehenkamp, F. & Groeneveld, J, Ik dacht dat dit zo hoorde. Een verkennend onderzoek naar (ex-)partnergeweld onder lhbt+ jongeren. (Rutgers/Atria/COC Nederland) Utrecht: 2019.↩︎