Verzamelbrief politie
Brief regering
Nummer: 2026D13059, datum: 2026-03-20, bijgewerkt: 2026-03-20 17:22, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- WODC rapport Bewaken en Beveiligen Internationale verkenning bevoegdheden Bewaken en beveiligen
- Beslisnota bij Kamerbrief Verzamelbrief politie
Onderdeel van zaak 2026Z05734:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-04-01 14:30: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
Naar aanleiding van recente ontwikkelingen, aangenomen moties en gedane toezeggingen informeer ik u middels deze brief, vooruitlopend op het commissiedebat politie van 25 maart a.s., over een aantal onderwerpen.
Het veiligheidsgevoel moet weer terugkeren in Nederland en dat begint in je eigen huis, straat of buurt. Politiemensen zetten zich elke dag in voor de veiligheid van ons allemaal, maar worden te vaak geconfronteerd met geweld. Geweld tegen hulpverleners en een gebrek aan gezag voor het belangrijke werk dat zij doen is dit kabinet een doorn in het oog, zij verdienen waardering en respect. Van ons en van de hele samenleving. Het gezag op straat moet worden hersteld. We willen een land waar criminelen niet vrijuit gaan en waar gezag wordt gerespecteerd. Het is belangrijk dat de hele samenleving hier haar schouders onder zet, ieder vanuit eigen verantwoordelijkheid.
De behoeften van de politie en de gezagen om de openbare orde op straat, in de wijken en online goed te kunnen handhaven zijn voor mij een belangrijk uitgangspunt. Zij moeten daarvoor goed toegerust zijn. In dat kader ga ik de komende tijd nadrukkelijk het gesprek aan met politieagenten over hun werk en het herstel van gezag op straat.
Planning financiële opgave politie
Zoals uw Kamer door mijn voorganger in de brief van 21 januari 2026 en tijdens het wetgevingsoverleg van 26 januari 2026 is geïnformeerd, heeft de politie een financiële opgave voor 2026. De verwachting is dat groei van de bezetting in de meeste eenheden mogelijk blijft, maar dat enkele eenheden een opgave hebben om de bezetting te begrenzen. Aangezien de extra financiële middelen voor de politie vanuit het nieuwe kabinet pas vanaf 2027 beschikbaar zijn voor de politie, zal de korpschef de voorgestelde oplossingsrichting voor de financiële opgave in 2026 behoedzaam voortzetten. Op deze wijze wordt geborgd dat er geen keuzes worden gemaakt die vanaf 2027 teruggedraaid moeten worden. Ik steun de korpschef daarin. Bij uitvoering van de oplossingsrichtingen van 2026 zal voorts een eventueel positief resultaat van het jaar 2025 worden betrokken.
De korpschef en ik hebben voor 2026 het volgende kader gesteld voor het oplossen van de financiële opgave van 46 miljoen (zoals ook door mijn ambtsvoorganger met uw Kamer gewisseld). Voor 2026 zullen de basisteams (de gebiedsgebonden politie en de opsporing in de basisteams) helemaal buiten beschouwing worden gelaten. Hiermee wordt geborgd dat de aanwezigheid van de politie in buurt, wijk, stad en gemeente en de opsporing in de basisteams niet geraakt worden. Met andere woorden: blauw op straat blijft dus buiten beschouwing. Daarnaast zullen in 2026 de bijzondere bijdragen (zoals voor de Dienst Specialistische Interventies en ondermijning) ongemoeid blijven. Er wordt in 2026 ook niet getornd aan de instroom van aspiranten en er worden geen mensen ontslagen.
Op hoofdlijnen betreffen de maatregelen om de financiële opgave in 2026 op te lossen: strakke vacatureregie, het afbouwen van overbezetting en het terugdringen van tijdelijke tewerkstellingen. Het uitgangspunt en het beginpunt is om de bijstelling maximaal te vinden in niet-operationele personele capaciteit. Eind mei zal ik uw Kamer, conform mijn eerdere toezegging, een voortgangsrapportage over 2026 sturen met betrekking tot de financiële situatie van de politie. Hierin zal onder andere worden ingegaan op het financiële resultaat van 2025 en de prognose van de onderbezetting, en zal een update van de situatie per eenheid inzichtelijk worden gemaakt.
De meerjarige financiële opgave van de politie heeft door de investeringen van het kabinet een ander karakter gekregen. Samen met de gezagen en de politie zal worden besproken hoe die investeringen het best besteed kunnen worden, zodat de politie de komende jaren nabij, gezaghebbend, financieel duurzaam op orde en toekomstbestendig is met ruimte voor innovatie. In dit proces zal ik de door uw Kamer aangenomen moties ook betrekken. Daarbij vind ik het van belang dat goed inzichtelijk is hoe de politie deze middelen besteedt, en dat de politie werk maakt van het begrenzen en beheersen van de kosten voor informatievoorziening (IV) in de toekomst. In april zal ik uw Kamer via de beleidsbrief op hoofdlijnen informeren over de bestedingen.
Veiligheidsagenda 2027-2030
Artikel 18 van de Politiewet 2012 stelt dat de minister van Justitie en Veiligheid, gehoord het College van procureurs-generaal en de regioburgemeesters, ten minste eens in de vier jaar de landelijke beleidsdoelstellingen vaststelt ten aanzien van de taakuitvoering van de politie. Op 1 januari 2027 moeten nieuwe landelijke beleidsdoelstellingen in werking treden. Deze zullen worden opgenomen in de Veiligheidsagenda 2027-2030.
Het proces om te komen tot een nieuwe Veiligheidsagenda vergt tijd en bestaat uit meerdere fasen, waaronder het kiezen van inhoudelijke thema’s en formuleren van concrete doelstellingen daarop. In het halfjaarbericht politie van 10 december jl. heb ik uw Kamer laten weten dat de besprekingen met het OM, de regioburgemeesters en de politie van start zijn gegaan. Ook heb ik toegezegd uw Kamer van het verdere verloop op de hoogte te houden.
Inmiddels hebben de besprekingen in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) geleid tot breed draagvlak voor en vaststelling van de volgende thema’s: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit (waaronder online seksueel kindermisbruik), relationeel geweld en geweld in afhankelijkheidsrelaties (met name geweld tegen vrouwen, waaronder femicide) en mensenhandel. In de komende maanden zal bij de uitwerking van deze thema’s focus worden aangebracht en zullen concrete landelijke doelstellingen worden geformuleerd. Ook dit gebeurt, conform artikel 18 van de Politiewet, in nauw overleg met het OM, de regioburgemeesters en de politie. Ik zal uw Kamer in de tweede helft van dit jaar over de uitkomst informeren. Hiermee is voldaan aan het verzoek uit de motie van het lid Van der Werf c.s. die de regering vraagt om de thema’s femicide en huiselijk geweld expliciet mee te nemen in de besprekingen over de Veiligheidsagenda 2027-2030, met als doel er landelijke doelstellingen aan te verbinden in de Veiligheidsagenda.
Stand van zaken inzage politiesystemen (inclusief reactie op Kamerstuk met kenmerk 2026Z04819)
Op 3 en 9 maart jl. informeerde ik uw Kamer over een intern onderzoek van de politie inzake het gebruik van politiesystemen om informatie te zoeken. De berichtgeving en het onderzoek zelf hebben veel politiemedewerkers geraakt. Zij hebben het gevoel gekregen dat publiekelijk werd getwijfeld aan hun professionaliteit en integriteit. De korpsleiding heeft excuses gemaakt aan alle politiemedewerkers voor de wijze waarop vervolg is gegeven aan het onderzoek en de communicatie. Ook mijn communicatie in de Kamerbrief van 3 maart jl. en in de media had zorgvuldiger gemoeten. Daarvoor heb ik mijn excuses aangeboden.
In aanvulling op de informatie die reeds met uw Kamer gedeeld is, kan ik u melden dat de korpschef mij heeft gemeld dat zij hierover inmiddels met de vakbonden heeft gesproken. In dit gesprek zijn van beide zijden alle pijnpunten op tafel gekomen. De zorgen en boosheid van politiemensen zijn herkend en erkend. Er komt vanuit de korpsleiding een persoonlijke herstelbrief voor de medewerkers die eerder een brief ontvingen in het kader van het raadplegen van de systemen. Daarnaast worden er laagdrempelige bijeenkomsten georganiseerd waar politiemedewerkers worden uitgenodigd om met de korpsleiding in gesprek te gaan. Vakbonden en medezeggenschap worden hierbij uitgenodigd. Zoals ook aangekondigd in mijn brief van 9 maart, worden ook de gesprekken tussen leidinggevenden en betrokken politiemedewerkers gevoerd. Die gesprekken zijn bedoeld om de context van de bevragingen van de systemen vast te stellen en zijn gericht op herstel van vertrouwen. De korpschef zal mij na afronding van dit proces informeren over het algemene beeld dat uit de bevindingen naar voren komt.
De korpsleiding en politiechefs werken aan het versterken van de verbinding. Hierover voer ik blijvend het gesprek met de korpschef. Tegelijkertijd vind ik het ook belangrijk om vanuit mijn positie aan die verbinding te (blijven) werken. Hierover heb ik onlangs met de vakbonden van de politie gesproken. Ik heb enorme waardering voor het werk en de inzet van politieagenten. Dit zal ik blijven uitdragen, onder andere tijdens verschillende inhoudelijke werkbezoeken die ik komende tijd als minister zal afleggen.1
Voortgang pilots en verkenningen aanvullende ME-bewapening
Eind 2025 zijn de pilots met het traanwater voor de waterwerper en de grote bussen pepperspray van start gegaan. Deze pilots hebben een looptijd van 2 jaar. De eerste ervaringen die – voornamelijk tijdens de jaarwisseling – zijn opgedaan met het gebruik van de grote bus pepperspray zijn positief. De straal van de grote bus pepperspray heeft een groter bereik dan de reguliere bus pepperspray. Daardoor kunnen meerdere mensen tegelijkertijd op afstand gehouden worden.
Daarnaast worden er verkenningen uitgevoerd met betrekking tot:
Markeerstof in de waterwerper
Luchtdrukwapens
Camera’s in de schilden van de ME
Over het verwachte tijdpad van het vervolgproces van de pilots en verkenningen kan ik u het volgende meedelen. Voor de evaluatie van de pilots en de uitvoering van de verkenningen wordt momenteel een stuurgroep ingesteld in opdracht van de landelijk portefeuillehouder Conflict en Crisisbeheersing bij de politie. Voor de uitvoering van de opdracht heeft de Politieacademie de (waarnemend) lector Openbare Orde en Gevaarbeheersing beschikbaar gesteld. Er zal een Police Technology Assessment worden uitgevoerd, waarbij naast gebruikersperspectief en operationele context ook aandacht is voor de veiligheid en legitimiteit van ingebruikname van nieuwe geweldsmiddelen bij de ME.
De verkenning van het gebruik van het luchtdrukwapen en van markeerstoffen in de waterwerper zullen enige tijd vergen. Dat is noodzakelijk omdat voor deze geweldsmiddelen een zorgvuldige (veiligheids)afweging moet worden gemaakt. Vanaf april 2026 zal het onderzoekproject met betrekking tot de verkenningen en de evaluatie van de pilots worden gestart. Eind 2026 zal worden beoordeeld of de verkenningen hebben geleid tot een functionele behoefte aan het beproeven van een of meer van de genoemde middelen door middel van een operationele pilot. Uiteraard wordt daarbij ook gekeken naar de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een mogelijke praktijkpilot. Hiertoe zal de politie een verzoek indienen. Indien de gevraagde toestemming wordt verleend, zal een eventuele praktijkpilot naar verwachting lopen tot en met 2 januari 2028, met een tussenevaluatie begin 2027. De conclusies van de evaluatie zal de stuurgroep in het eerste kwartaal van 2028 afronden. Ik zal uw Kamer in het halfjaarbericht politie over de voortgang van de pilots en verkenningen op de hoogte houden.
Wetsvoorstel gegevensvergaring openbare orde
Het wetsvoorstel waarmee de politie – onder gezag van de burgemeester - met het oog op de handhaving van de openbare orde onder voorwaarden toegang kan krijgen tot publiek toegankelijke digitale bronnen zal op korte termijn worden aangeboden aan de Raad van State. Vervolgens zal het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken worden opgestart. Dat is complexer, gelet op de gevolgen voor de privacy van burgers. Het in consultatie brengen van dit wetsvoorstel is mede afhankelijk van het advies van de Raad van State op het eerste wetsvoorstel.
Inzet gezichtsherkenningstechnologie bij demonstraties
In de motie van de leden Bontenbal en Yeşilgöz-Zegerius2 is
verzocht om versneld de mogelijkheden uit te breiden om, onder andere,
camera’s met gezichtsherkenningstechnologie in te kunnen zetten bij
demonstraties om het de politie makkelijker te maken wetsovertreders te
identificeren.
Onder ‘camera’s met gezichtsherkenningstechnologie’ zoals genoemd in de
motie kunnen zowel ‘real time’ toepassingen als toepassingen ‘achteraf’
worden verstaan. Bij de ‘real time-toepassing’ worden de camerabeelden
direct verwerkt met gezichtsherkenningstechnologie. Bij de
‘achteraf-toepassing’ worden de camerabeelden – die van verschillende
bronnen afkomstig kunnen zijn3 – op een later tijdstip
verwerkt met gezichtsherkenningstechnologie.
In mijn eerdere reactie4 op de motie van het lid
Boswijk over de inzet van camera's met gezichtsherkenning bij
ordeverstorende acties5 informeerde ik uw Kamer over de
beperkingen die de Europese AI-verordening opwerpt ten aanzien van de
inzet van real time gezichtsherkenningstechnologie in het kader van het
handhaven van de openbare orde. De AI-verordening verbiedt de inzet van
real time gezichtsherkenningstechnologie in de publieke ruimte met het
oog op de rechtshandhaving. Dit verbod is niet absoluut. In een aantal
gevallen kan een uitzondering worden gemaakt indien daarvoor een
grondslag in nationale wetgeving wordt gecreëerd. Het betreft dan
bijvoorbeeld situaties waarin sprake is van ernstige misdrijven6 of een dreiging tegen het leven. Het
creëren een nationale grondslag voor de inzet van real time
gezichtsherkenningstechnologie voor het identificeren van plegers van
ordeverstorende acties is daarmee uitgesloten. Er zijn aldus geen
mogelijkheden binnen de grenzen van de wet om camera’s met real time
gezichtsherkenningstechnologie in te zetten in het kader van de openbare
orde.
Op dit moment beschikt de politie wel over de mogelijkheid om in de
context van strafvordering gezichtsherkenningstechnologie ‘achteraf’ toe
te passen. Als er bij een demonstratie strafbare feiten zijn gepleegd en
de verdachten zijn herkenbaar zichtbaar op camerabeelden, dan kan de
politie met behulp van gezichtsherkenningstechnologie proberen de
identiteit van die persoon te achterhalen. De politie kan een
verdachten-foto daarbij alleen vergelijken met foto’s van verdachten en
veroordeelden. De identiteit van personen die niet eerder met politie of
justitie in aanraking zijn geweest kan op deze manier dus niet worden
achterhaald. Er bestaat geen nationale verzameling van
gestandaardiseerde gelaatsafbeeldingen van alle Nederlanders.
Met deze uitleg doe ik de motie van de leden Bontenbal en Yeşilgöz-Zegerius af.
Uitkomsten
Internationaal vergelijkend WODC-onderzoek bewaken en beveiligen
In 2024 is het WODC in opdracht van mijn ministerie begonnen aan een
internationaal vergelijkend onderzoek naar de regeling van bevoegdheden
voor de taak bewaken en beveiligen in een aantal Europese landen
(Duitsland, Denemarken, België, Frankrijk, Italië, Spanje en het
Verenigd Koninkrijk).
Dit onderzoek is eind 2025 afgerond, gepubliceerd op 24 februari jl. en
wordt als bijlage 1 bij deze brief aan uw Kamer aangeboden. De nadruk
van het onderzoek ligt op de vraag hoe in de onderzochte stelsels de
informatievergaring en -deling is geregeld om de bedreigde personen
adequaat te kunnen beveiligen. Het onderzoek zal worden betrokken bij de
verkenningen naar eventuele aanvullende bevoegdheden voor de taak
bewaken en beveiligen die lopen binnen het beleidsdepartement.
Bedreigingen politiemedewerkers
Tijdens het mondeling vragenuur op 10 februari jl. is toegezegd uw Kamer te informeren over hoe de politie omgaat met bedreigingen van politiemedewerkers7 en de cijfers van het aantal doxing-gevallen en -veroordelingen8.
Politiemedewerkers zetten zich dagelijks in voor onze veiligheid. Dit kan alleen als zij veilig hun werk kunnen doen. Het is onacceptabel dat politiemedewerkers te maken krijgen met bedreigingen en dat deze bedreigingen gericht zijn op de persoon. Bedreigingen hebben een grote impact op het privéleven en mentale welzijn van politiemedewerkers en hun thuisfront. Sinds 1 januari 2024 is de wet in werking getreden die het gebruik van persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden (doxing) strafbaar stelt. In 2024 zijn er 23 doxing-zaken van politiemedewerkers geregistreerd9. In april worden de Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA)-jaarcijfers over 2025 gepubliceerd, waarin de doxingzaken van politiemedewerkers zijn opgenomen. Het OM heeft in 2024 40 en in 2025 102 doxingzaken behandeld. Vanuit het privacy-oogpunt is het niet mogelijk om het totaal aantal behandelde doxingzaken van politiemedewerkers te delen.
De politie als werkgever ondersteunt op verschillende manieren haar medewerkers bij bedreigingen. De werkgever biedt waar nodig een bedreigde politiemedewerker professionele hulp, zoals psychologische nazorg en (juridische) bijstand. Bijvoorbeeld de begeleiding bij het aangifteproces wanneer sprake is van een strafbaar feit. Hiervoor is een handelingskader voor teamchefs opgesteld. Daarnaast werkt de politie aan de bekendheid en vindbaarheid van de faciliteiten ten behoeve van nazorg, zoals in de Zorgwijzer. Politiemedewerkers hebben zelf ook mogelijkheden om het risico op doxing te minimaliseren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van afgeschermde accounts op sociale media. De politie blijft zich inzetten om het bewustzijn van politiemedewerkers op het gebied van digitale veiligheid te versterken.
Met bovenstaande toelichting doe ik de toezegging af.
Aparte rechercheopleiding in samenwerking met private partijen of universiteiten
Tijdens het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Politie op 26 januari jl. is toegezegd uw Kamer te informeren over de mogelijkheid voor een aparte rechercheopleiding in samenwerking met private partijen of universiteiten.
Er zijn vier routes die toegang geven tot het werken in de opsporing.
Het is mogelijk om vanuit de Gebiedsgebonden politie (GGP) door te stromen naar de Tactische Opsporing. De politiemedewerker volgt eerst de basispolitieopleiding waarbij opsporing onderdeel is van het curriculum. Na afronding van de basispolitieopleiding zijn nieuwe politiemedewerkers startbekwaam. Zij volgen hierna een aanvullend leertraject om zich tot vakbekwaam politiemedewerker te ontwikkelen. De politiemedewerker leert hierin nadere opsporingsvaardigheden. Ook werken politiemedewerkers tijdens dit traject een periode binnen de Veelvoorkomende Criminaliteit (VVC). Politiemedewerkers GGP die doorstromen naar de Tactische Opsporing hebben de mogelijkheid om binnen het vakspecialistisch politieonderwijs de opleiding Kerntaak Opsporing te volgen die specifiek gericht is op politiemedewerkers die werken of gaan werken binnen de opsporing. Deze opleiding besteedt onder andere aandacht aan juridische kennis, bijzondere opsporingsbevoegdheden, verhoor en vastlegging binnen de opsporingscontext.
Naast deze ‘traditionele’ doorstroomroute zijn er drie directe instroomroutes in de opsporing. Er is een directe instroomroute via de driejarige Bachelor Rechercheur. Ook is er een directe instroomroute voor specialisten (politiemedewerker met een specifieke inzetbaarheid, ESI) in de vakgebieden Tactische en Forensische Opsporing. Deze specialisten stromen bijvoorbeeld in op een werkterrein, zoals zeden of digitale opsporing. Tot slot is er per 2026 een nieuwe directe instroomroute in de Tactische Opsporing waarbij nieuwe politiemedewerkers bekwaam worden gemaakt voor de functie Medewerker Tactische Opsporing (rechercheur) door het volgen van de opleiding Politiemedewerker specifieke inzetbaarheid in combinatie met vakgericht leer-, ontwikkel- en opleidingsaanbod. Bij de directe instroom als specialist en bij de directe instroom in de Tactische Opsporing is de eerdergenoemde opleiding Kerntaak Opsporing onderdeel van het vakgericht leer-, ontwikkel- en opleidingsaanbod.
Samengevat zijn er verschillende mogelijkheden om opgeleid te worden tot rechercheur. Tevens bestaan er opleidingen bij hogescholen en universiteiten, zoals de 4-jarige voltijd HBO-bachelor Forensisch Onderzoek, die zich richten op de opsporing. Ook deze opleidingen zorgen voor instroom bij de Politie. Tot slot werkt de Politieacademie samen met hogescholen en universiteiten om het opsporingsonderwijs, bijvoorbeeld op het gebied cybercrime, te verbeteren.
Gezien het bovenstaande bestaat er geen nadere behoefte aan een aparte rechercheopleiding.
Met bovenstaande toelichting doe ik de toezegging af.
Ik zie er naar uit over deze onderwerpen verder met u te spreken tijdens het commissiedebat politie op 25 maart.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Met de Kamerbrieven van 3 en 9 maart jl. en bovenstaande informatie doe ik het verzoek van het lid Ceulemans (JA21) met kenmerk 2026Z04819 af.↩︎
Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 28684, nr. 805↩︎
Deze beelden kunnen afkomstig zijn van politiecamera’s, gemeentelijke toezichtscamera’s, televisiebeelden, bodycams, opnamen van burgers die aan de politie zijn verstrekt, enz.↩︎
Eerste halfjaarbericht politie 2025, 2025D27383">bijlage Moties, toezeggingen en aanvullende verzoeken, pagina 4↩︎
Kamerstukken II, vergaderjaar 2024-2025, 34324, nr. 30.↩︎
Het betreft hier strafbare feiten waarvoor een gevangenisstraf met een maximumduur van ten minste vier jaar staat.↩︎
Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 2026Z02789&did=2026D06388">2026Z02789↩︎
Kamerstukken II, vergaderjaar 2025-2026, 2026Z02789&did=2026D06388">2026Z02789↩︎
Kamerstukken II, vergaderjaar 2024-2025, 29628, nr. 1277↩︎