[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag schriftelijk overleg over omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren (Kamerstuk 23645-880)

Openbaar vervoer

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D13658, datum: 2026-03-24, bijgewerkt: 2026-03-24 18:24, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z04161:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2025-2026
23 645-880

Openbaar vervoer

Nr. VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld op … 2026

Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief Omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren (Kamerstuk 23645, nr. 880).

De vragen en opmerkingen zijn op 24 maart 2026 aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van ... zijn deze door haar beantwoord.

Voorzitter van de commissie,
Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie,
Meedendorp
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inhoudsopgave

Inleiding

D66-fractie

CDA-fractie

BBB-fractie

ChristenUnie-fractie

1

2

4

5

6

Inleiding

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren. Deze leden benadrukken dat de veerdienst voor eilandbewoners geen luxe is, maar een cruciale levensader die de toegang tot onder andere zorg, onderwijs en werk waarborgt. Voor deze leden staat voorop dat de eilanders op geen enkele wijze nadeel mogen ondervinden van de complexe transitie naar een nieuwe concessiehouder en dat negatieve effecten op de leefbaarheid van de eilanden te allen tijde worden voorkomen. Zij hebben in dat kader de volgende vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de inhoud van de brief. Ze constateren dat het onderwerp voldoende in beeld is en dat aanvullende informatie tijdig beschikbaar komt, zodra dat ook in het aanbestedingsproces nodig is. Deze leden hebben op dit moment geen aanvullende vragen of opmerkingen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de brief en hebben hier geen verdere vragen of opmerkingen bij.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de omgang met productiemiddelen in de aanloop naar de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren en hebben nog enkele vragen.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris inzake de omgang met productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren. Deze leden onderstrepen het belang van een zorgvuldige, transparante en voor alle inschrijvers gelijkwaardige aanbesteding, mede gezien de publieke functie en strategische betekenis van deze verbindingen. Wel hebben deze leden enkele gerichte vragen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 3 maart van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) inzake de productiemiddelen in de aanbesteding van de nieuwe concessies voor de Friese Waddenveren. Naar aanleiding van de brief hebben zij nog enkele vragen voor de staatssecretaris.

D66-fractie

De leden van de D66-fractie lezen dat de overnamesom van de schepen een grote impact heeft op de businesscase van de nieuwe concessie. Zij vragen de staatssecretaris hoe wordt gewaarborgd dat een eventuele hoge overnamesom of een tegenvallend rendement voor de vervoerder niet wordt afgewenteld op de eilandbewoners via hogere tarieven of een versobering van de dienstregeling. Kan de staatssecretaris bevestigen dat de betaalbaarheid en de frequentie van de overtochten voor de eilanders de hoogste prioriteit behouden in de aanbestedingsvoorwaarden? Kan de staatssecretaris daarbij ook uitsluiten dat vertragingen of moeizame onderhandelingen over productiemiddelen leiden tot prijsopdrijvende effecten voor zowel personen- als goederenvervoer?

De leden van de D66-fractie merken in dit verband op dat het goederenvervoer naar de eilanden niet binnen de concessie is gereguleerd. Welke waarborgen zijn er dat prijsopdrijvende effecten als gevolg van de omgang met productiemiddelen niet onevenredig neerslaan bij het goederenvervoer, en daarmee indirect de kosten van levensonderhoud voor eilandbewoners verhogen?

Kan de staatssecretaris daarnaast de harde toezegging doen dat de complexiteit rondom de overname van productiemiddelen op geen enkele wijze zal leiden tot vertraging in de feitelijke concessieverlening? Hoe garandeert de staatssecretaris dat het proces strak op koers blijft richting de beoogde startdatum, ongeacht de uitkomst van de lopende gesprekken over de overnamesommen?

De leden van de D66-fractie constateren dat er momenteel nog gesprekken lopen over de overnamesommen. Deze leden vragen welke risico’s de staatssecretaris ziet voor de continuïteit van de dienstverlening, indien deze onderhandelingen stroef verlopen. Hoe wordt voorkomen dat onzekerheid over de productiemiddelen leidt tot een verminderde kwaliteit van de overtocht in de overgangsfase naar 2029? Welke scenario’s zijn uitgewerkt, indien de beoogde startdatum van 1 januari 2029 niet wordt gehaald? Kan de staatssecretaris toezeggen dat eventuele geschillen rondom de productiemiddelen geen belemmering vormen voor het tijdig openstellen en gunnen van de concessie?

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op welke wijze de eilanders zelf (bijvoorbeeld via de consumentenplatforms of de gemeenten) worden betrokken bij het monitoren van de overgang van de productiemiddelen. Deelt de staatssecretaris de mening dat de stem van de gebruiker doorslaggevend moet zijn bij het beoordelen of de continuïteit van de verbinding gewaarborgd blijft?

CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen wat de periode waarin de nieuwe concessie nog niet is verleend voor gevolgen kan hebben voor het onderhoud en de investeringen in de huidige productiemiddelen. In hoeverre ziet de staatssecretaris risico’s dat onderhoud of investeringen in deze fase worden uitgesteld, en wat kan dit betekenen voor de betrouwbaarheid van het vervoer richting de eilanden?

Deze leden vragen daarnaast hoe in deze overgangsfase de continuïteit en veiligheid van het vervoer richting de Waddeneilanden wordt geborgd. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om, indien nodig, tijdig bij te sturen?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe potentiële concessienemers in hun bieding rekening kunnen houden met de overnamesom van de schepen, zolang hierover nog geen volledige duidelijkheid bestaat. In hoeverre leidt deze onzekerheid tot risico-opslagen in biedingen en wat kan dit betekenen voor tarieven en de kwaliteit van de dienstverlening voor eilanders?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de marktwaarde van de over te nemen schepen wordt vastgesteld, en in hoeverre deze systematiek voldoende voorspelbaarheid biedt voor inschrijvers. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om deze voorspelbaarheid te vergroten, zodat onzekerheden niet onnodig doorwerken in de uiteindelijke kosten?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid over de overnamesom en de gebruiksvergoedingen voor overige productiemiddelen doorwerkt in hogere tarieven of een lagere kwaliteit van dienstverlening. Welke instrumenten heeft de staatssecretaris om hierop te sturen?

De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de staatssecretaris kijkt naar mogelijke risico’s voor de planning en ingangsdatum van de nieuwe concessies, in samenhang met de onduidelijkheid over de productiemiddelen. In hoeverre kunnen deze onzekerheden doorwerken in de termijn waarop concessies worden gegund en daadwerkelijk van start gaan, en welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om eventuele vertragingen te voorkomen?

De leden van de CDA-fractie vragen ten slotte hoe de staatssecretaris de komende periode wil benutten om samen met marktpartijen en huidige concessiehouders tot meer duidelijkheid te komen over de productiemiddelen. Op welke termijn verwacht de staatssecretaris dat deze duidelijkheid kan worden geboden, en welke stappen kunnen nog worden gezet om dit, waar mogelijk, te versnellen?

BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat het kabinet beoogt om bij de start van de aanbesteding, of zo snel mogelijk daarna, duidelijkheid te geven over de overnamesom, maar dat deze mogelijk pas gedurende de aanbesteding via nota’s van inlichtingen wordt verstrekt. Kan de staatssecretaris aangeven welke concrete waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat inschrijvers in een later stadium hun bieding wezenlijk moeten herzien als gevolg van nieuwe informatie over de overnamesom? Hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot strategisch biedgedrag of ongelijkheid tussen inschrijvers?

De leden van de BBB-fractie vragen de staatssecretaris daarnaast of zij het met hen eens is dat volledige duidelijkheid over de overnamesom bij aanvang van de aanbesteding de voorkeur heeft boven het gefaseerd verstrekken van deze informatie, juist om onzekerheid en risico-opslagen in biedingen te beperken. Indien dit niet haalbaar wordt geacht, welke gevolgen verwacht de staatssecretaris voor de uiteindelijke prijsstelling en concurrentie in de aanbesteding?

De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet het niet wenselijk acht om de aanbesteding uit te stellen vanwege het risico voor de implementatie van de concessies. Kan de staatssecretaris nader onderbouwen welke concrete risico’s voor de implementatie ontstaan bij uitstel, en hoe deze zich verhouden tot de risico’s van een aanbesteding met onvolledige informatie over essentiële kostencomponenten?

De leden van de BBB-fractie vragen voorts in hoeverre de huidige concessiehouders invloed hebben op de totstandkoming van de overnamesom, gezien het feit dat hierover nog gesprekken lopen. Hoe wordt geborgd dat deze onderhandelingen niet leiden tot een overnamesom die de toetreding van nieuwe partijen bemoeilijkt of de concurrentie in de aanbesteding beperkt?

De leden van de BBB-fractie vragen tot slot in hoeverre het kabinet heeft overwogen om (delen van) de productiemiddelen, met name de schepen, in publieke handen te brengen of te houden, om zo meer grip te houden op kostenontwikkeling, continuïteit en publieke belangen binnen de concessie. Kan de staatssecretaris uiteenzetten welke afwegingen hierbij zijn gemaakt en waarom is gekozen voor de huidige systematiek van overdracht tussen concessiehouders?

ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie horen graag hoe de voortgang van de gesprekken omtrent de overnamesommen van de schepen verloopt. Kan de staatssecretaris ook aangeven wanneer zij uiterlijk verwacht dat er overeenstemming is? Kan de staatssecretaris aangeven wanneer het moment is dat zij het niet meer verantwoord acht om – als er dan nog geen overeenstemming over de productiemiddelen met de rederijen is bereikt – zonder verlenging met de aanbesteding door te gaan?

De leden van de ChristenUnie-fractie horen graag of de staatssecretaris een concrete datum kan noemen wanneer de overeenstemming er uiterlijk moet zijn. Kan de staatssecretaris aangeven hoe zij er mee om zal gaan, indien er een uitstel van de gehele aanbesteding plaats moet vinden? Hoe wordt dan omgegaan met de lopende concessies?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat de onderhandelingen zich richten op de productiemiddelen ‘schepen’. Zij lezen in de brief dat havenfaciliteiten (op- en afrijbruggen, afmeerfaciliteiten etc.) hierbuiten vallen, omdat deze in eigendom en onderhoud van het Rijk blijven. In de brief wordt aangegeven dat voor deze productiemiddelen een jaarlijkse marktconforme vergoeding door het Rijk (Rijksvastgoedbedrijf) wordt gevraagd. Aangezien deze vergoeding onderdeel zal zijn van de businesscase van de rederijen, willen deze leden weten of de hoogte van deze vergoeding in de aanbestedingsstukken meteen kenbaar zal worden gemaakt.

De leden van de ChristenUnie-fractie missen een onderdeel in de brief. Er wordt in de brief immers geen inzicht geboden in de overnamesommen van opstallen zoals kantoren, wachtruimten en andere faciliteiten van de rederijen op de wal. Mede verwijzend naar de vragen die deze leden in een eerder commissiedebat stelden vragen zij of er inmiddels overeenstemming is bereikt over de eventuele overdracht en prijs daarvan. Is een proces van taxatie van deze zaken al gestart?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over de aan te besteden concessie Oost. Zij begrijpen dat hiervoor een sterk verkorte duur van de concessie zal gelden, zodat deze concessie een “tussenconcessie” zal zijn om tijd te geven aan de thans gestarte ‘Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)’-studie naar de vaarwateralternatieven en ontwikkelingen daarvan voor de veerverbindingen naar Ameland. Een ruime meerderheid van de Kamer vindt het verstandig om dit te doen. Immers, als er geen helder beeld is te geven van de door een rederij te bevaren vaarroute, kan deze geen businesscase en geen aanbod uitwerken. Deze leden zien graag een actualisatie van de tijdslijnen voor deze studie zoals die nu gelden. Kan de staatssecretaris deze verstrekken?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in een eerdere brief aan de Kamer dat de MIRT-studie met een “frisse blik” wordt uitgevoerd (Kamerstuk 36600-A, nr. 17). Dit suggereert een potentieel breed studieveld. Kan de staatssecretaris bevestigen dat de breedte van de studie niet verder reikt dan de (onder meer morfologische) ontwikkelingen van de mogelijke vaarroutealternatieven en alternatieve havenlocaties?

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over welke kennis wordt meegenomen als input voor de MIRT-studie. Zij vinden dat zowel de huidige rederij als de baggerbedrijven die de huidige vaargeul op diepte houden op een dagelijkse basis een enorme ervaring opdoen met het gedrag van de vaarwateren door de seizoenen heen. Hoe beoordeelt de staatsecretaris de waarde van deze kennis als input voor de MIRT-studie, en het beoordelen van de tussentijdse conclusies binnen een dergelijke studie? Hoe beoordeelt de staatssecretaris de waarde van de vroegtijdige inzet van deze kennis en ervaring om het risico op vertragingen in de studie te verkleinen? In hoeverre betrekt de staatssecretaris hun ervaring en opgebouwde kennis in de analyses die verder plaatsvinden in deze studies?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief van natuurverenigingen aan de Kamer dat zij hun voorkeur uitspreken dat de vaarroute het natuurlijke verloop van de geulen blijft volgen. Indien deze geulen zich verlengen, kunnen overtochten potentieel langer worden, waardoor de in het programma van eisen voorgeschreven minimale dienstregelingen niet meer vol te houden zijn met het dan bestaande materieel en de (kosten van) energiebehoefte. Deze leden horen graag hoe de staatssecretaris garandeert dat de dienstverlening voor de eilander dan niet achteruitgaat en dat de kostenverhogingen niet leiden tot hogere veertarieven.

De leden van de ChristenUnie-fractie zouden graag de antwoorden op deze vragen tijdig ontvangen voor het nog te plannen tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Wadden van 12 februari jongstleden. Kan de staatssecretaris de antwoorden op deze vragen enige dagen vóórafgaand aan dat tweeminutendebat beschikbaar stellen?

II Reactie van de bewindspersonen