Conceptverslag Landbouw- en Visserijraad (maart)
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D14905, datum: 2026-03-25, bijgewerkt: 2026-03-31 10:07, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-25 14:00: Landbouw- en Visserijraad (maart) (Commissiedebat), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Landbouw- en Visserijraad d.d. 30 maart 2026
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de vaste commissie voor Europese Zaken hebben op 25 maart 2026 overleg gevoerd met de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en de heer Van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over:
de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 18 maart 2026 inzake geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 30 maart 2026, voortgang omtrent GMO-verordening en definitieve GLB-tarieven (21501-32, nr. 1766);
de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 4 maart 2026 inzake verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026 (21501-32, nr. 1765);
de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 10 februari 2026 inzake uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Podt en Bromet over bij de Europese Commissie pleiten voor voorstellen die de toelating van laagrisicomiddelen bevorderen (Kamerstuk 21501-32-1744) (27858, nr. 742);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 13 februari 2026 inzake fiche: Wijziging Verordening biologische productie en etikettering (22112, nr. 4276);
de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 9 maart 2026 inzake SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen maart 2026 (27858, nr. 744).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur,
Steen
De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,
Van Meetelen
De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur,
Jansma
Voorzitter: Steen
Griffier: De Keijzer
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bromet, Van Duijvenvoorde, Den Hollander, Chris Jansen, Kostić, Lohman, Van der Plas, Steen en Vellinga-Beemsterboer,
en de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en de heer Van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Aanvang 14.00 uur.
De voorzitter:
Beste mensen, het is 14.00 uur. Dat betekent dat wij gaan beginnen, dus
wilt u allen uw plaats innemen? Ik heet u allen van harte welkom bij het
commissiedebat LVVN. Hartelijk welkom aan de mensen op de publieke
tribune en de mensen die via de livestream met ons meekijken. Van harte
welkom aan de minister en de staatssecretaris en hun ondersteuning, en
ook aan de leden van deze commissie. Dat zijn meneer Lohman van het CDA,
mevrouw Den Hollander van de VVD, het lid Kostić van de Partij voor de
Dieren, mevrouw Vellinga-Beemsterboer van D66 en mevrouw Bromet van
GroenLinks-PvdA. Twee collega's hebben aangegeven later te komen; dat
zijn de heer Jansen van de PVV en de heer Van Duijvenvoorde van Forum
voor Democratie. Die komen zo meteen binnen.
Dit commissiedebat duurt drie uur en we hebben een spreektijd van vier
minuten per fractie. Ik stel voor om in de eerste termijn vier
interrupties toe te staan. Zoals u allen weet, of misschien niet weet,
tellen we de interrupties onder de 30 seconden niet mee, dus die zijn
gratis. Maak daar dankbaar gebruik van, zou ik u zeggen. Laten we
interrupties wel ongeveer in drieën doen, zeker als u die onder de 30
seconden houdt, zodat het debat ook door kan gaan. Houdt u daar vooral
rekening mee.
Dan geef ik het woord aan de eerste spreker van vandaag, en dat is de
heer Lohman van de fractie van het CDA.
De heer Lohman (CDA):
Dank u wel, voorzitter, en gefeliciteerd met uw verkiezing.
Vandaag gaan we het hebben over de Europese Visie op Landbouw en
Voedsel. Als Amsterdammer in de landbouwwereld is het laveren tussen
wereldbeelden van de boerenbelangen — hoe voeden we de wereld vanuit
Nederland? — en de idealen van wat weleens gekscherend de
"havermelkelite" wordt genoemd — hoe doen we dat binnen de draagkracht
van de planeet? — niet vreemd. De komende jaren staat de Europese
landbouw, visserij en voedselketen voor precies dit spanningsveld. Met
toenemende onzekerheid op het wereldtoneel moet de Europese
voedselvoorziening zich de komende jaren voor de zoveelste keer in de
geschiedenis gaan heruitvinden. Deze transitie moet worden vormgegeven
met respect en waardering voor de voedselmakers van ons continent: de
boeren en vissers. Tegelijkertijd leeft het besef dat investeren in een
goede bodem, het verbeteren van de natuur en het halen van klimaatdoelen
geen luxe maar een noodzaak is voor een gezond en welvarend Europa. De
komende jaren staan in het teken van de zoektocht naar dit evenwicht,
met als voorwaarde de grote verantwoordelijkheid die we dragen richting
de minst koopkrachtigen in onze samenleving om het dagelijks brood ook
betaalbaar te houden.
Voorzitter. Dit is het geluid dat ik namens het CDA wil laten horen, met
één been in de stad en het ander op het platteland en in het weekend
regelmatig met de blik op de Noordzee. In dat perspectief heb ik enkele
vragen, opgeknipt in de blokjes generatievernieuwing, eiwittransitie en
visserijbeleid. Ik leer snel over de blokjes.
Generatievernieuwing. In de voorstellen voor het nieuwe GLB benadrukt de
Europese Commissie het belang van jonge boeren en generatievernieuwing,
maar tegelijkertijd wordt er meer ruimte gelaten aan de lidstaten voor
de invulling en financiering hiervan. Kan de minister in dit geval
toelichten hoe hij deze Europese voorstellen beoordeelt vanuit
Nederlands perspectief? Welke kansen en risico's ziet hij voor jonge
boeren en tuinders? Hoe wil hij ervoor zorgen dat generatievernieuwing
daadwerkelijk een stevige plek krijgt in de Nederlandse inzet richting
Brussel?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
We zijn natuurlijk beland in een periode waarin grote veranderingen voor
de Nederlandse landbouw aanstaande zijn. Het is goed om de jonge boeren
daarbij in ogenschouw te nemen, maar ik wil van het CDA niet alleen
horen welke vragen het heeft aan de minister, maar ook hoe het CDA zelf
ziet hoe dat vorm te geven met de jonge boeren.
De heer Lohman (CDA):
Ik zou graag willen reageren, maar ik snap niet helemaal precies de
vraag. Wat zou vormgegeven moeten worden met de jonge boeren?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De heer Lohman stelt allemaal vragen aan de minister, maar de vragen die
hij stelt aan de minister wil ik eigenlijk aan hemzelf stellen. Het CDA
heeft daar ook een opvatting over, neem ik aan.
De heer Lohman (CDA):
Helder. Volgens mij blijkt dat voor een deel uit de vraagstelling. Wij
denken dat het belangrijk is dat jonge boeren een belangrijke rol aan
tafel krijgen in Europa. Ik denk dat we in Nederland hebben gezien dat
de strijd van de afgelopen jaren rondom de stikstofcrisis heel erg op de
schouders is gekomen van de jonge boeren, die zich vanuit het NAJK
stevig hebben ingezet voor het niet gelukte landbouwakkoord. Ik denk dat
we eigenlijk alles moeten doen om ruimte te bieden aan de jonge boeren
om een toekomst te hebben binnen Europa.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het nog niet erg concreet, maar dat komt dan misschien later
wel. Is het CDA dan ook bereid om afstand te nemen van andere partijen
in de agrarische sector, die soms heel andere dingen vinden dan de jonge
boeren?
De heer Lohman (CDA):
Ook dit vind ik geen heel concrete vraag wat betreft de partijen waarop
gedoeld wordt en waar we afstand van moeten nemen. Ik denk dat u
misschien doelt op het belangenspeelveld in Nederland van welke partijen
een stem hebben richting de politiek. Het is voor het CDA duidelijk dat
we de stem van onder andere NAJK — er zijn natuurlijk veel meer groepen
die zich georganiseerd hebben — belangrijk vinden. We hebben daar ook
goede contacten mee. Ik ben ook bekend met allerlei andere netwerken,
zoals Caring Farmers, waar u zelf ook vaak mee in contact bent. Ik denk
dat het belangrijk is dat we in het versplinterde
boerenbelangenspeelveld met alle partijen spreken, dus uiteraard LTO,
NAJK en ook vernieuwende netwerken en agro-ecologische boeren. Ik denk
dat dat ook bij deze tijd past. We moeten luisteren naar verschillende
ideeën over de aankomende landbouwtransitie. Dat wil ik namens het CDA
heel graag doen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Ik denk dat de tijd van luisteren grotendeels geweest is. We
weten waar iedereen staat. Het gaat nu om het nemen van beslissingen. Ik
weet nog niet waar het CDA staat als het gaat over het maken van keuzes,
want als je kiest voor het een, dan betekent dat soms ook dat je
afscheid neemt van het ander.
De heer Lohman (CDA):
Dat ben ik met u eens. Het is tijd dat we keuzes gaan maken. Ik herken
het beeld nu niet dat er verschillende groepen zijn die totaal andere
vormen van landbouw zouden hebben. Er zijn verschillende vormen van
landbouw. Je hebt de biologische landbouw. Je hebt boeren die met
regeneratieve landbouw aan het experimenteren zijn. Die zijn allemaal
ook onderdeel van de netwerken. Ook bij LTO en NAJK zitten verschillende
soorten boeren, en dan hebben we het nog niet over tuinders gehad. Het
is dus volgens mij niet zo dat we afscheid gaan nemen van een bepaalde
groep boeren. In die tegenstelling herken ik me niet zo.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Lohman (CDA):
Volgens mij had ik het blokje generatie gehad. Dan kom ik bij de
eiwittransitie. De vraag naar eiwitten blijft wereldwijd stijgen. De
toekomst van eiwitten zou bestaan uit dierlijk en plantaardig, van het
land en vanuit de zee. Vleesvervangers en in de toekomst wellicht
kweekvlees zijn onderdeel van de oplossing. Er ligt al een Europese
inzet op eiwitvoorziening, maar die is versnipperd en onvoldoende
gericht op strategische autonomie. Hoe gaat de minister in de Raad
sturen op een samenhangende Europese eiwitstrategie die onze
afhankelijkheid van import daadwerkelijk vermindert en die niet alleen
inzet op teelt, maar die ook industrie-innovatie en consumptie
meeneemt?
Dan het visserijbeleid. Steeds meer organisaties pleiten ervoor om het
gemeenschappelijk visserijbeleid niet open te breken, maar beter te
implementeren. Tegelijkertijd horen wij van vissers uit de praktijk dat
het nog te vaak vastloopt in regels die niet werken. Gaat de
staatssecretaris zich in Europa inzetten voor implementatie van het GVB,
zodat dit zowel leidt tot het herstel van visbestanden als tot een reëel
verdienmodel voor vissers? Ik lees dat de staatssecretaris zich wil
inzetten voor versnelling van de brandstoftransitie in de visserij. Hoe
zorgt de staatssecretaris ervoor dat deze energietransitie breder wordt
opgepakt door ook verduurzaming van vistuig en vistechniek mee te
nemen?
Voorzitter, ik rond af. De vraag is niet of ons voedselsysteem
verandert, zoals mevrouw Bromet ook aangeeft, maar wie die verandering
vormgeeft. We moeten ons niet laten verleiden om een valse tegenstelling
op te werpen in die zin dat we moeten kiezen tussen economie en ecologie
of tussen koemelk en havermelk. Laten we omarmen dat het gaat over en-en
en niet over of-of. Ik doe een oproep aan ons, de politiek, om
gezamenlijk op te trekken en het voedselsysteem te hervormen, zodat het
werkt voor boeren, vissers en consumenten.
Dank u wel.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een mooi verhaal waar wij als Partij voor de Dieren ook veel mee kunnen.
Ik heb een concrete vraag. We hebben afgelopen week gezien dat
biologische boeren er last van hebben dat hun buren met landbouwgif
spuiten en dus met verschillende pesticiden of bestrijdingsmiddelen; hoe
je het ook wilt noemen. Mijn vraag aan collega Lohman is welke oplossing
het CDA hiervoor ziet.
De heer Lohman (CDA):
Ik denk dat het noodzakelijk is dat we het gebruik van gewasbescherming
over de hele linie gaan veranderen. Wij denken dat synthetische
gewasbeschermingsmiddelen daar nog een onderdeel van kan zijn, maar we
willen echt heel stevig erop inzetten dat die steeds minder invloed gaan
hebben op het hele milieu, dus op de bodem en zeker ook op de
omwonenden. Dat wordt ook in het regeerakkoord gezegd. Ik denk dat
biologische boeren het voorbeeld geven, namelijk dat je ook zonder
synthetische gewasbescherming hele goede oogsten kunt behalen. De vraag
hoe je bijvoorbeeld in de zonering meer ruimte creëert voor de
biologische landbouw, zal misschien uiteindelijk een
ruimtelijkeordeningsvraagstuk worden. Daardoor zit je ook minder dicht
op elkaar. Volgens mij kun je er met technologische innovaties, zoals
het gebruik van een Wingssprayer, voor zorgen dat synthetische
gewasbeschermingsmiddelen niet op het biologische land terechtkomen. Dat
zijn oplossingsrichtingen waar we naar zouden kunnen kijken.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dit klinkt natuurlijk als iets voor de langere termijn, maar het
probleem is dat biologische boeren nu moeten stoppen omdat ze eigenlijk
gewoon niet meer kunnen opereren omdat het gif op hun gewassen belandt
en ze sowieso opdraaien voor de kosten die dat met zich meebrengt. Dat
is dus een acuut probleem. Partij voor de Dieren heeft daar in de vorige
kabinetsperiode vragen over gesteld. De vorige minister vond het de
verantwoordelijkheid van de biologische boeren zelf om het maar op te
lossen. Ik hoop toch niet dat dat de richting is die het CDA op wil. Is
het CDA bereid om met ons mee te denken over hoe we hier een concrete
kortetermijnoplossing voor kunnen vinden voor de biologische
boeren?
De heer Lohman (CDA):
Ik kan in ieder geval …
De voorzitter:
De heer Lohman.
De heer Lohman (CDA):
Sorry, voorzitter. Ik kan in ieder geval benadrukken dat wij als CDA de
biologische landbouw heel belangrijk vinden. Ik wil dus zeker meedenken
over hoe we ervoor kunnen zorgen dat we de ambitie die de overheid heeft
om het biologische areaal te vergroten ook daadwerkelijk mogelijk gaan
maken. Daar hebben we afgelopen week natuurlijk ook op meegestemd. Dit
is volgens mij niet zozeer een probleem van de biologische boer of de
gangbare boer an sich. Er zijn veel biologische boeren die stoppen; dat
hoor ik ook. Dat heeft helaas ook vaak met marktomstandigheden te maken.
Ik zie eigenlijk daar ook meer een rol voor de overheid, om te kijken
hoe we meer aan die vraagkant kunnen gaan werken. Ik kan nu dus niet
heel specifiek antwoord geven op dit beeldvraagstuk, maar ik wil zeker
met u nadenken over wat we daar extra in zouden kunnen betekenen, want
nogmaals, ik vind de biologische landbouw een heel belangrijk onderdeel
van de transitie.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Lohman. Dan kijk ik naar mevrouw Den Hollander voor
haar inbreng in de eerste termijn.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ook van mijn kant uiteraard felicitaties voor uw
benoeming.
Voorzitter. Wij zouden als VVD-fractie enkele aandachtspunten willen
meegeven aan het kabinet voor de Landbouw- en Visserijraad die
binnenkort plaatsvindt. We zouden willen starten met een blokje over de
Nederlandse vissers. In de Raad zal gesproken worden over de oneerlijke
concurrentie bij de makreelvangst tussen EU-vissers en vissers uit
andere Europese, niet-EU-landen. Als VVD vinden wij dat visserij
duurzaam moet zijn, bij voorkeur gebaseerd op wetenschappelijk advies.
Tegelijkertijd mag dit er niet toe leiden dat Nederlandse vissers worden
benadeeld door oneerlijke concurrentie. De huidige afspraken lijken erop
neer te komen dat niet-EU-landen meer ruimte krijgen en Nederlandse
vissers juist te maken hebben met strengere regels, terwijl Nederlandse
vissers juist bereidheid tonen om te verduurzamen, bijvoorbeeld via
innovaties zoals pulsvisserij. Deze ontwikkelingen worden al bemoeilijkt
door Brusselse regelgeving. Extra beperkingen maken het voor hen nog
lastiger. Het is daarom van belang dat Brussel ervoor zorgt dat
duurzaamheid en eerlijke concurrentie hand in hand gaan. Ik zou daarom
de volgende vragen willen stellen aan de staatssecretaris. Hoe gaat u de
Europese plannen beoordelen om de visserijsector uiterlijk in 2050
klimaatneutraal te maken? Wat betekent het concreet voor de Nederlandse
kottervloot?
De VVD is voorstander van emissievrije en emissiearme technologieën. Wij
denken dat hiermee een bijdrage kan worden geleverd aan een sterkere
concurrentiepositie ten opzichte van visserij buiten de EU. Mijn
vervolgvraag aan de staatssecretaris is dan ook hoe we ervoor kunnen
zorgen dat deze innovaties op korte termijn beschikbaar, realistisch en
financieel haalbaar worden voor de Nederlandse vissers.
Voorzitter. Het tweede onderwerp dat we willen belichten is de toekomst
van de landbouw en het GLB. Voor de VVD is het essentieel dat boeren
kunnen rekenen op een stabiel en toekomstbestendig inkomen. Hoewel er
stappen worden gezet, onder andere via gemeenschappelijk landbouwbeleid
en maatregelen tegen oneerlijke handelspraktijken, blijkt de praktijk
nog altijd weerbarstig. Boeren hebben te maken met grote
inkomensschommelingen en een ongelijk speelveld binnen de keten. Daarom
zou ik de minister willen vragen hoe hij de eerste resultaten van de
Europese Visie voor Landbouw en Voedsel ziet en op welke onderdelen hij
vindt dat er versnelling nodig is.
Er wordt ingezet op nieuwe verdienmodellen en op de generatiewisseling.
Dat is cruciaal, want zonder jonge boeren is er geen toekomst voor de
sector. Tegelijkertijd blijven toegang tot land, kapitaal en innovatie
belangrijke knelpunten. Hoe gaat de minister zich binnen Europa inzetten
om deze barrières daadwerkelijk te verkleinen en het ondernemerschap in
de landbouw te versterken? Gaat de minister ervoor pleiten dat er in het
GLB meer ruimte komt voor de eco-regeling? Dat laat zien dat deze
regeling ervoor zorgt dat maatschappelijk gewenste ontwikkelingen
gestimuleerd worden, zoals kruidenrijk grasland en minder inzet van
gewasbescherming en kunstmest. Naast de eco-regeling moet er ook
aandacht komen voor het inzetten van innovatieve technieken op het land
om de bedrijfsvoering te moderniseren. Is de staatssecretaris bereid om
in Brussel te pleiten voor bevordering van deze ontwikkelingen?
Gezien de tijd ga ik eerst eventjes naar de Food and Feed Safety
Omnibus, want morgen vindt over dit onderwerp een rondetafelgesprek
plaats. De zienswijzen die onze fractie bereiken over dit onderwerp
lopen sterk uiteen. Sommige partijen zien het als beleid dat het
makkelijk maakt om schadelijke en chemische bestrijdingsmiddelen op de
markt te brengen en te houden, terwijl andere partijen het voorstel
juist zien als een methode om risicogestuurd te kunnen beoordelen en als
iets dat kansen biedt op snellere toelating van nieuwe middelen met
minder milieu-impact. Kan de staatssecretaris zijn eerste indruk van de
Food and Feed Safety Omnibus delen met de Kamer? Is de minister bereid
om zich in Europees verband in te zetten voor een risicogebaseerde
herbeoordeling mits het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu
gelijk blijft?
Ten aanzien van de handel zien wij dat er recent op Europees niveau
stappen zijn gezet om de positie van boeren in de voedselketen te
versterken, onder meer via afspraken over contracten en strengere regels
tegen oneerlijke handelspraktijken. Dit sluit aan bij de inzet van de
VVD om boeren een eerlijker aandeel in de keten te geven. Tegelijkertijd
blijft de vraag hoe deze maatregelen in de praktijk zullen uitpakken.
Hoe beoordeelt de minister deze ontwikkelingen en wat zijn naar
verwachting de concrete gevolgen voor Nederlandse boeren?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Den Hollander. Dan is het woord aan het lid Kostić
van de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank, voorzitter, en ook felicitaties vanuit mijn kant.
Ik begin met het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie, waarmee de
wetgeving ten aanzien van landbouwgif ernstig wordt afgezwakt. Dit
terwijl er steeds meer zorgen zijn over landbouwgif en we zo snel
mogelijk naar een gifvrije landbouw toe willen gaan, omdat dat in het
belang is van de gezondheid van mens, dier, natuur en milieu, maar ook
zeker van de boeren.
Daarom is het stuitend dat juist de biologische boeren, die al het goede
voorbeeld geven, er de dupe van zijn dat er nog zo veel chemisch gif
wordt gespoten. Zojuist vroeg ik het CDA om samen tot een oplossing te
komen voor biologische boeren die nu moeten betalen voor het feit dat er
veel landbouwgif van de buren op hun erf terechtkomt. Biologische boeren
dragen nu de lasten. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Daarom vraag
ik de staatssecretaris of hij kan aangeven hoe hij dit gaat oplossen en
de biologische boeren beter gaat beschermen.
Vorig jaar nam de Kamer nog een hele duidelijke motie aan om met klem te
pleiten tegen voorstellen die de status quo wat betreft de toelating van
chemische en risicovolle middelen verzwakken. Erkent de staatssecretaris
dat hij, in lijn met deze motie, moet pleiten tegen het Omnibusvoorstel?
Kan hij aangeven hoe hij dit aanpakt?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dit punt sluit aan op wat het lid Kostić net zei. Ziet het lid Kostić
het risicogestuurd herbeoordelen ook als een kans om middelen die
negatief in de aandacht komen, juist eerder te kunnen
herbeoordelen?
Kamerlid Kostić (PvdD):
De discussie over bestrijdingsmiddelen en landbouwgif is natuurlijk al
een langlopende discussie. We lopen er steeds tegenaan dat het altijd
een beetje rommelen in de marges blijft, terwijl we allemaal weten dat
het eigenlijk absurd is dat we gif spuiten op ons eten en dat dit
uiteindelijk overal in onze omgeving terechtkomt. We moeten dus toe naar
een ander landbouwsysteem. Dat is onze prioriteit. Ik begrijp dat de VVD
daarin een andere prioriteit heeft, maar volgens mij moeten we onze
kostbare publieke middelen juist inzetten om de transitie in de landbouw
te bewerkstelligen; dat moet dus zonder chemisch gif.
De voorzitter:
Mevrouw Den Hollander heeft een vervolgvraag.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik bestrijd dat wij een ander einddoel in beeld hebben. Vooralsnog heb
ik dat niet kunnen ontdekken, misschien alleen ten aanzien van de
marsroute. Wij willen juist de snellere toelating van groene middelen
mogelijk maken. Daar is die Food and Feed Safety Omnibus een prachtig
instrument voor. Deelt lid Kostić dat met ons?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nee, dat deel ik zeker niet. Het Omnibusvoorstel is op dit moment een
afzwakking van de bescherming van gezondheid en milieu. We weten ook —
dat heeft het CTGB ook aangegeven — dat de huidige manier van toelating
onvoldoende is om het milieu goed te beschermen. De stapelings- en
cocktaileffecten en allerlei andere risico's worden onvoldoende
meegenomen. Het is dus echt niet aan de orde om nu verder de kant van
afzwakking en versoepeling op te gaan, zeker als je kijkt naar hoe dit
nu in het land leeft; mensen maken zich ernstige zorgen. Volgens mij
hebben wij hierin een verantwoordelijkheid als Kamer. Zoals ik net al
zei tegen de staatssecretaris, ligt er gewoon een aangenomen motie die
vraagt om tegen het Omnibusvoorstel in deze vorm te pleiten.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Onder andere FNV en de Parkinsonalliantie Nederland waarschuwen voor de
schadelijke gevolgen van het Omnibuspakket voor de volksgezondheid en de
natuur. Deelt de staatssecretaris deze zorgen?
Bij de herbeoordeling van landbouwgif zien we dat producenten doelbewust
onvolledige dossiers aanleveren, waardoor procedures worden vertraagd of
compleet vastlopen. Ondertussen blijft het gif gewoon op de markt. Het
Europese Hof van Justitie is daar helder over: er moet worden
gecontroleerd of producenten dit soort vertragingen veroorzaken door
bewust onvolledige dossiers in te dienen. Kan de staatssecretaris
aangeven hoe deze uitspraak van het Europese Hof wordt verwerkt in het
Omnibusvoorstel?
Vertragingen bij EFSA en het Ctgb ontstaan mede doordat de producenten
half werk aanleveren. Dat kost veel geld. Deelt de staatssecretaris dat
de rekening moet worden neergelegd waar die hoort, namelijk bij de
gifproducenten? Welke maatregelen overweegt de staatssecretaris om dit
structureel aan te pakken? Is de staatssecretaris bereid om het
beoordelingsproces meteen stop te zetten zonder kans op verlenging als
een dossier niet op orde is? Want waarom zouden we blijven meebewegen
met partijen die de regels niet serieus nemen?
Over gif gesproken: er wordt volop schadelijke pfas in landbouwgif
verwerkt. De schade is enorm en daar betaalt de belastingbetaler nu
voor. Gezien het feit dat dit kabinet de gevaren van pfas erkent en een
verbod op pfas wil, zou het logisch zijn dat de staatssecretaris zich
ook inzet voor een nationaal en Europees verbod op pfas in
bestrijdingsmiddelen, anders komt het alsnog overal terecht.
De heer Lohman (CDA):
We hadden een discussie over wat voor soort landbouwsysteem we, of in
ieder geval het CDA en in dit geval de Partij voor de Dieren, voor ons
zien. Ik denk dat we het erover eens zijn dat er heel grote
veranderingen nodig zijn. Er is iets waar we het wellicht niet helemaal
over eens zijn en ik ben benieuwd hoe u daarnaar kijkt. U heeft het een
aantal keer gehad over een landbouwsysteem zonder het gebruik van gif.
Ik wil vragen wat uw toekomstbeeld dan is. Hoe ziet een landbouwsysteem
zonder chemisch gif — dat is volgens u iets anders dan niet-chemisch gif
— eruit? Kunt u daarop reflecteren?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Zeker. Ik denk dat we daar heel veel ervaring mee hebben in Nederland
maar zeker ook buiten Nederland, namelijk in de biologische landbouw.
Die laat het goede voorbeeld zien. Ik denk dan: we hebben zo veel jaar
ervaring hiermee, dus waarom zou je die niet veel meer kunnen opschalen
en uiteindelijk ook als standaard willen inzetten? Er wordt te veel
gedacht in onmogelijkheden. Het zou allemaal te marginaal zijn en er zou
onvoldoende balans in zitten. Maar dat komt ook doordat we het eerlijke
verhaal niet vertellen. We zeggen niet: jongens, eigenlijk is het niet
heel goed voor de omgeving dat we zo veel chemisch gif gebruiken;
eigenlijk is biologisch gewoon veel beter. We zeggen: we hebben de beste
landbouw ter wereld; eigenlijk is alles goed genoeg. Dan is er heel
weinig prikkel, ook voor een consument met voldoende geld, om te kiezen
voor biologisch. Het begint ook in de communicatie. Je verwacht ook van
de staatssecretaris en de minister dat ze heel duidelijk aangeven dat
biologisch de richting is die we op zouden willen. Het gangbare systeem
op dit moment — met de beste bedoelingen van de boeren, want die kunnen
er niks aan doen dat ze daarin vastzitten — is eigenlijk gewoon niet
houdbaar.
De heer Lohman (CDA):
Twee korte vervolgvragen. Begrijp ik goed dat u zegt dat een biologische
landbouw het haalbare en wenselijke eindbeeld is voor de Partij voor de
Dieren? Dat is vraag één. Vraag twee is … Mag dat, voorzitter? Omdat we
van dezelfde partij zijn? Nee, grapje. Omdat ik nieuw ben! Wij zien een
ontwikkeling naar minder impact op het milieu, op het gebied van
milieugebruikspunten, waarbij het onderscheid tussen synthetisch en
niet-synthetisch minder van belang is, maar het gaat om de vraag: wat
doet dit voor de staat van de natuur? Zou u daarover willen meedenken,
even als teruguitnodiging na het gesprek van hiervoor?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik denk heel graag overal over mee, maar onze ervaring door de jaren
heen is dat biologische landbouw gewoon goed werkt voor de omgeving.
Daarin kun je ook nog veel verbeteringen inzetten, maar dat is wel iets
waarmee we al superveel ervaring hebben opgedaan en wat al de positieve
resultaten oplevert die we nodig hebben. Tegelijkertijd hebben we ook
een beweging gezien van allemaal vage greenwashingbegrippen als
"natuurinclusief", "On the way to PlanetProof" en dat soort dingen, die
veel te veel vaagheid met zich meebrengen en dus de kans op greenwashing
geven. Daar willen we voor waken. Wij denken: als je weet dat je een
sterk merk hebt, biologisch, dat ook internationaal wordt erkend, waarom
zou je dan niet daarop doorontwikkelen? Dat zijn we al die biologische
boeren volgens mij ook allang verschuldigd. Ik zou, als het daarover
gaat, willen meedenken en me niet zo willen laten afleiden door andere
manieren, waarvan ik denk dat het risico is dat we toch weer in die
groep van greenwashing gaan zitten, met alle respect.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Kan de staatssecretaris toezeggen in Europa te pleiten voor een verbod
op pfas, ook in bestrijdingsmiddelen, en daarvoor bondgenoten te zoeken,
bijvoorbeeld in Denemarken?
Voorzitter. Dan over de dieren. Nederland heeft gelukkig de vreselijke
bontindustrie verboden, net zoals bijna elk ander land in de EU. Zo zie
je ook dat een maatregel die wij in Nederland doorvoeren, ertoe kan
leiden dat meer landen volgen — zeg ik ook even tegen de VVD. Maar nu
staan we voor een beslissend moment in de EU. De Europese Commissie is
met het onzalige plan gekomen om geen verbod in te stellen maar met
dierenwelzijnsaanpassingen te komen, terwijl we uit onderzoek weten dat
de bontindustrie op geen enkele manier diervriendelijk kan zijn en er
ook geen draagvlak is in Europa. Is de staatssecretaris bereid om de
Europese Commissaris op zeer korte termijn op te roepen om niet met
aanpassingen, maar met een verbod te komen? Is hij bereid om Oostenrijk
te steunen, dat een officieel verzoek wil indienen bij de Europese
Commissie om met een Europees bontverbod te komen, maar daarvoor steun
van andere lidstaten nodig heeft?
Voorzitter, tot slot. De Europese Commissie kwam met de belofte om in
2023 met wetgeving te komen om eindelijk te verbieden dat dieren in
kooien worden gehouden, maar die belofte is niet nagekomen. Nog altijd
leven meer dan 300 miljoen dieren per jaar een kort en ellendig leven
tussen stalen stangen of in krappe kooien. Is de staatssecretaris bereid
om zich actief in te zetten, zodat hier eindelijk een einde aan komt, en
om zijn inzet zo snel mogelijk per brief terug te koppelen aan de
Kamer?
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank het lid Kostić. Ik maak direct even van de gelegenheid gebruik
om de heer Jansen van de PVV welkom te heten, net als mevrouw Van der
Plas van de BBB en de heer Van Duijvenvoorde van Forum voor Democratie.
De heer Van Duijvenvoorde is geen officieel lid van deze commissie.
Staat u het hem toe om het woord te voeren hier? Ik zie geen
onoverkomelijke bezwaren, dus welkom aan hem. Dan geef ik het woord aan
de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dank, voorzitter. Natuurlijk ook van mijn zijde felicitaties met uw
eervolle benoeming, zeg ik dan.
Voorzitter. De agrarische sector is de hoeksteen van onze Nederlandse
voedselzekerheid en een sector waar we als land absoluut trots op mogen
en moeten zijn. Voor de PVV staat één ding voorop: onze boeren en
vissers moeten kunnen blijven produceren zonder verstikt te worden door
Brusselse regelzucht, resulterend in een kabinetsbeleid gebaseerd op
volkomen onrealistische klimaatideologieën. We bespreken vandaag de
voortgang van de Europese visie op landbouw en voedsel, een jaar na de
presentatie. De Europese Commissie schermt met termen als "eerlijke
beloning" en "minder regeldruk". Maar wat merkt de boer daar in de
praktijk van? Wat de PVV betreft is het een jaar vol loze beloften. We
zien dat de sector nog steeds worstelt met complexe regelgeving en een
relatief laag inkomen. Mijn vraag aan de minister is dan ook: hoe kan
hij beweren dat er sprake is van vereenvoudiging, terwijl boeren
dagelijks uren kwijt zijn aan administratieve verplichtingen die enkel
bedoeld lijken om hen te controleren en te straffen in plaats van te
faciliteren?
Daarnaast maakt de PVV zich grote zorgen over de geluiden vanuit de
Wetenschappelijke EU-Klimaatraad. Er wordt gepleit voor het belasten van
landbouwemissies en het dwingen van burgers om minder vlees te eten. Dat
is voor ons onacceptabel. Keuzevrijheid staat wat ons betreft voorop.
Mijn vraag is: kan de minister garanderen dat hij zich in Brussel met
hand en tand zal verzetten tegen elke vorm van een vleestaks of extra
lastenverzwaring voor onze veehouders en, zo nee, waarom niet?
Voorzitter. Er wordt gesproken door het Europees Parlement over een
verhoging van het gemeenschappelijk-landbouwbeleidbudget naar 427
miljard euro, om de inflatie op te vangen. Hoewel steun voor boeren
essentieel is om de klappen op te vangen, vraagt de PVV zich wel af
hoeveel van dit geld daadwerkelijk bij de boer op het erf terechtkomt en
hoeveel er blijft hangen in de Brusselse bureaucratie en
groenetransitieprojecten. We weten allemaal dat de ngo's altijd prima
raad weten met het verbrassen van dit soort bedragen. Wat de PVV betreft
mag onze voedselzekerheid niet worden opgeofferd aan de digitale en
groene transities waar de Commissie zo op hamert. Kijkend naar onze
visserij kunnen we wel stellen dat de energietransitie bij onze vissers
als een molensteen om de nek hangt. De PVV kijkt met argusogen naar de
plannen voor een klimaatneutrale visserij in 2050. De kottervloot is al
tot op het bot gesaneerd en in dit tempo is het de vraag of we in 2050
überhaupt nog wel een visserijsector hebben in Nederland. De technologie
voor emissievrije schepen is nog lang niet uitontwikkeld en de
investeringsrisico's zijn gigantisch. Is de minister het met de PVV eens
dat we onze vissers niet de afgrond in moeten duwen met onhaalbare
routekaarten en klimaatdoelen en hoe gaat hij dit voorkomen? Daarnaast
vragen we ons af hoe de minister de concurrentiepositie van onze vissers
beschermt tegenover landen buiten de EU die maling hebben aan deze dure
Europese hobby's. Positief is het voorlopige akkoord dat bepaalde
vleesbenamingen uitsluitend voor echt vlees mogen worden gebruikt. De
PVV heeft altijd gepleit voor eerlijkheid. Een burger is van vlees en
niet van soja.
Afrondend, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, rondt u af. Dan ga ik daarna het woord geven aan mevrouw
Vellinga-Beemsterboer.
De heer Chris Jansen (PVV):
Afrondend. De PVV kiest voor de boer en de visser. Geen extra
belastingen op uitstoot, geen gedwongen krimp van de veestapel en geen
onrealistische klimaatdoelen voor de visserij. Wij verwachten van deze
minister een harde vuist in Brussel voor onze eigen Nederlandse
voedselproducenten.
Dank u wel.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Er is onduidelijkheid bij mij naar aanleiding van wat ik de heer Jansen
eerder in zijn betoog hoorde zeggen, namelijk dat we minder regels nodig
hebben vanuit Brussel. Nu hoorde ik hem daarnet toch ook zeggen dat we
meer regels nodig hebben als het gaat om namen voor vlees. Ik snap niet
helemaal hoe ik die twee met elkaar moet rijmen. Zijn dat nou niet juist
extra betuttelende regels?
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik dank mijn collega voor deze vraag. Het gaat niet om regels maar om
duidelijkheid. Vlees is vlees. Soja is geen vlees. Zo simpel is het. Wat
ons betreft gaan we met de benamingen op deze wijze daarmee om.
De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik vraag me af of de heer Jansen het niet vreselijk betuttelend vindt om
hier zo ingewikkeld over te doen. Ik denk: wat maakt het mij nou uit of
dat ding een burger heet, want ik weet als consument toch wel wat ik
koop? Vindt de heer Jansen het niet erg neerbuigend richting de
Nederlandse consument om hier zo'n punt van te maken?
De heer Chris Jansen (PVV):
Nee, integendeel. Ik ben afgelopen maandag samen met andere collega's op
werkbezoek geweest bij De Vegetarische Slager. Daar hebben we hier ook
over gesproken. Daar werd ook voorgesteld om de producten nu niet
gescheiden in de schappen van de supermarkt te leggen. Voorgesteld werd
om die producten juist door elkaar heen neer te zetten. Dan loop je dus
het risico dat mensen die niet goed opletten of die, zoals in mijn
geval, hun bril niet op hebben, een product pakken dat achteraf gezien
niet dierlijk maar plantaardig blijkt te zijn. Ik vind het dus niet
betuttelend, maar juist hulpvaardig naar de mensen toe.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Hoe erg zou het dan zijn als zo'n consument per ongeluk een sojaburger
eet in plaats van een vleesburger? Is dat dan een groot probleem voor
die consument? Wat denkt u, meneer Jansen?
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik mag hopen dat het geen probleem is voor de consumenten. Ik denk
alleen dat de consument datgene wenst te ontvangen wat hij graag wil.
Als een klant kiest voor dierlijk, dan kiest hij voor een stuk vlees.
Kiest hij voor plantaardig, dan gaat hij voor de variant.
De voorzitter:
Heeft u nog een vervolgvraag, mevrouw Vellinga-Beemsterboer?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Zonder het al te ingewikkeld te willen maken, heb ik toch nog een vraag
aan de heer Jansen. Wat nou als het half om half is?
De voorzitter:
We zijn in de percentages beland, meneer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Percentages zijn altijd goed. Het gaat mij heel simpel om het volgende.
Zolang de klant de keuze heeft, de vrije keuze, tussen dierlijk,
plantaardig of een tussenvorm, hoeveel procent dan ook, vind ik het
prima. Alleen, wees daar eerlijk over! Communiceer er duidelijk over! Ik
loop nu alvast vooruit op een eventuele andere vraag: ga ook niet met de
prijs lopen spelen, in die zin dat je dierlijke producten duurder gaat
maken om plantaardige producten interessanter te maken. Op het moment
dat je een gelijk speelveld wilt, moet je aan andere knoppen draaien,
maar niet aan die knop.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Vindt de PVV dat we ook pindakaas moeten verbieden, als naam, omdat daar
geen kaas in zit?
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik zou het niet durven om de naam van zo'n oud-Hollands product als
pindakaas te willen veranderen. Die naam is gekozen; dat is pindakaas.
Dat is voor iedereen een begrip. Sommige mensen, zoals sporters, zijn er
heel groot van geworden.
De voorzitter:
Volgens mij zijn we toe aan de termijn van mevrouw
Vellinga-Beemsterboer.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dank u wel, voorzitter. Bij de Landbouw- en Visserijraad staan veel
thema's op de agenda. Ik kan ze nooit allemaal langsgaan, maar ik heb er
twee uit gepakt. Ik maak het gelijk heel ingewikkeld, want ik ga de
minister een tegenovergestelde opdracht meegeven. Afgelopen december is
er een motie aangenomen van onder andere D66 over de benaming van
vegetarische producten. Die motie draagt het kabinet op om zich te
verzetten tegen het wetsvoorstel van de Commissie om vleesachtige
productnamen te verbieden. Ik wil deze aangenomen motie graag nog even
extra onder de aandacht van de minister brengen, omdat we op dit moment
links en rechts bezig zijn met allerlei vereenvoudigingen van Europese
regels. Dat benadrukt eigenlijk nog meer hoe onnodig, ondoelmatig en
neerbuigend dit wetsvoorstel is. Mijn vraag aan de minister is dus of
hij een meerderheid voor het tegenhouden van het wetsvoorstel ziet
ontstaan. Ik wens de minister heel veel succes in de discussie
hierover.
Dan de visserij. De visserij is een betekenisvolle sector voor
Nederland, zowel in maatschappelijk en cultuurhistorisch opzicht als
voor de voedselvoorziening. We hebben in Nederland niet één soort
visserij, maar heel veel verschillende ondernemers die op hun eigen
manier het water op of in gaan. Dat is niet zonder uitdagingen. De
Noordzee wordt drukker, de natuur is kwetsbaar en de bedrijfsvoering kan
onzeker zijn, door heel veel verschillende factoren. Daarom is het
belangrijk dat Europees visserijbeleid en nationaal visserijbeleid goed
aansluiten bij de uitdagingen van deze sector. Daarvoor zijn drie dingen
cruciaal: een gezonde natuur, koppelkansen in het ruimtegebruik en een
langetermijnperspectief. Zonder een gezonde natuur hebben we überhaupt
geen vis. Zonder juridische zekerheid kan geen visser investeringen
doen. Daarom moeten we beschermde natuur echt beschermen, door de bodem
zo veel mogelijk met rust te laten en goede afspraken te maken over waar
wel en niet gevist kan worden. We moeten kansen koppelen. Bij de
begroting had ik het er al over dat medegebruik van bijvoorbeeld
windparken veel kansen biedt voor nieuwere methodes van
voedselproductie. Als we met de sector en belangenorganisaties afspraken
maken voor de lange termijn, biedt dat perspectief voor de
toekomst.
Voorzitter. Dat brengt mij — het kwam al eerder voorbij — bij het
gemeenschappelijk visserijbeleid, het GVB. Net als bij het
landbouwbeleid is het op zich logisch dat het eens in de zoveel tijd
wordt geëvalueerd en dat het waar nodig een update krijgt. Maar wat D66
betreft is het nadrukkelijk niet de bedoeling dat het GVB wordt
afgezwakt of afgewaardeerd. Juist het goed implementeren van het GVB is
volgens het Europees Milieuagentschap cruciaal om onze visstanden weer
op orde te brengen. Kan de staatssecretaris dus toezeggen dat hij niet
meegaat in het afzwakken van het GVB? Kan hij toelichten welke stappen
hij gaat zetten om het GVB in Nederland en met onze Europese buren
volledig te implementeren? Kan de staatssecretaris ook toelichten wat
zijn inzet wordt op het bevorderen van de aquacultuurinitiatieven die we
in Nederland hebben? Wat hoopt hij hiervan terug te zien in de
2040-visie voor visserij en aquacultuur, die in het derde kwartaal van
dit jaar uitkomt?
Voorzitter. Ten slotte het Ocean Pact, waar het GVB onderdeel van is.
Dat komt in het vierde kwartaal. Daarom wordt heel veel beleid dat te
maken heeft met de zee, visserij en de kust, gebundeld. Daardoor kunnen
we de zee en alles wat daarmee samenhangt beter beschermen en
versterken. Wat D66 betreft is het Ocean Pact een uitgelezen kans om
niet alleen Europees maar ook nationaal samenhangend beleid te voeren
dat inzet op natuurherstel, het bevorderen van duurzame visserij en
aquacultuur, en het versterken van kust- en eilandgemeenschappen. Met
welke ambitie gaan de staatssecretaris en de minister maandag het
gesprek over het Ocean Pact aan? Welke input zal er vanuit Nederland in
worden gebracht? En kan daarbij specifiek worden ingegaan op het
versterken van kust- en eilandgemeenschappen en het inperken van
bodemberoerende visserij?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Vellinga-Beemsterboer. U heeft een interruptie van
de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Als ik het CDA zo hoor, ben ik benieuwd naar het volgende. Excuus, ik
bedoel D66. Is D66 van mening dat wij boven op Europees beleid, of
eventueel zelfs boven op wereldafspraken, ook nog een nationale kop
moeten zetten die het lastiger maakt voor onze boeren en onze visserij?
Of zegt D66: laten we vooral in de pas blijven lopen en geen extra
stappen zetten die niet noodzakelijk zijn?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Het is goed dat de heer Jansen dit even vraagt. Het is goed om dat, als
het onduidelijk was, even toe te lichten. U heeft mij niet horen pleiten
voor nationale koppen. Waar u mij voor hoort pleiten, is dat wij ons
houden aan de afspraken. Het is namelijk aan alle kanten duidelijk dat
het volledig uitvoeren van de afspraken die er nu al staan, niet méér
maar zeker ook niet minder, in ieders voordeel gaat werken. Als wij dat
gemeenschappelijke visserijbeleid goed gaan uitvoeren — aan alle kanten
is duidelijk dat dat tot nu toe nog niet is gebeurd — hebben we daar
allemaal voordeel van. Dan gaat de visstand omhoog en wordt de
bedrijfsvoering aantrekkelijker. Dit werkt dus. Dat wordt aan alle
kanten bewezen. Daar pleiten wij dus voor. Laten wij dit volledig
uitvoeren, laten we ons houden aan die afspraken en laten we daar
volledig onze schouders onder zetten.
De heer Chris Jansen (PVV):
Mijn collega zegt: het werkt. Maar het werkt dus niet. We moeten ook nog
geduld hebben. Hoelang hebben we dan nog geduld, als het aan D66
ligt?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
"Het werkt niet." Dat is niet te zeggen en is ook niet waar. Het werkt
niet, omdat we het nog niet hebben uitgevoerd. We hebben ons hier tot nu
toe nog niet volledig aan gehouden. Als wij ons er wel aan gaan houden,
gaat het wel werken; alle onderzoeken wijzen dat uit en iedereen
adviseert dat. Laten we daar dus mee beginnen. Laten we beginnen de
afspraken uit te voeren zoals we die op goede gronden hebben gemaakt.
Dan gaat het werken.
De voorzitter:
Meneer Jansen, een korte vervolgvraag.
De heer Chris Jansen (PVV):
Het nadeel van de EU is natuurlijk dat er heel veel landen bij zijn
aangesloten en dat elk land zijn eigen tempo hanteert of het gewoon
klakkeloos naast zich neerlegt. Mijn vraagt aan D66 blijft dus: hoe gaan
we daarmee om op het moment dat Nederlandse boeren of vissers worden
geconfronteerd met een ongelijk speelveld omdat men er in andere landen
later mee komt of het gewoon niet doet?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Dat is het mooie van Europese samenwerking: die afspraken gelden voor
ons en ook voor hen. Precies om die reden vroeg ik de minister daarnet
om onze buren ook aan die afspraken te houden, want het is samen uit,
samen thuis in de Europese Unie.
De voorzitter:
Veel dank. U heeft nog een vraag, van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Hoeveel interrupties heb ik nog?
De voorzitter:
U heeft er nog twee.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Oké, top. Waar ik bij D66 een beetje van in de war raak, is het
volgende. Aan de ene kant staat in het coalitieakkoord: we omarmen al de
Omnibusvoorstellen. In onze ogen vormen die Omnibusvoorstellen echt een
enorm gevaar voor ons milieu en onze gezondheid. Aan de andere kant is
er een motie van onder andere D66, die zegt: ga niet mee in dit
Omnibusvoorstel rondom de afzwakking van de regels voor landbouwgif.
Herhaalt D66 vandaag de boodschap "verzet je tegen deze vorm van het
Omnibusvoorstel, bescherm onze gezondheid en ons milieu, en zorg ervoor
dat er geen afzwakking komt van de regels rondom landbouwgif en de
toelating daarvan" richting de staatssecretaris?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Wij staan voor een vereenvoudiging. Veel van de Omnibusvoorstellen
hebben dat als basisdoelstelling. We gaan heel veel ingewikkelde
regelgeving, die elkaar soms tegenwerkt, vereenvoudigen. Maar ik ben het
met het lid Kostić eens dat dat natuurlijk niet moet leiden tot
afzwakking. Dat is iets om heel scherp op te letten. Daarom geef ik
vandaag aan de staatssecretaris en de minister mee: "Wees hier heel
scherp op. Vereenvoudiging: ja, hartstikke fijn. Afzwakking: nee."
De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Bromet. O, sorry. Er is nog een korte
vervolgvraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik ben dan wel benieuwd hoe D66 daarop gaat toetsen en er uiteindelijk
voor gaat zorgen dat het er niet komt als we wel te ver gaan.
Dan mijn laatste vraag, over de bontindustrie. Is D66 het met ons eens
dat we ons er in Europa echt voor moeten blijven inzetten om een einde
te maken aan de bontindustrie in plaats van dat we inzetten op slappe
regelgeving rondom zogenaamd dierenwelzijn?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ja.
De voorzitter:
Dat is mooi kort! Er is nog een interruptie, van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Nog even over de motie over de Omnibus, die ik met een collega van
mevrouw Vellinga-Beemsterboer, mevrouw Podt, heb ingediend. Daarin
hebben wij de regering verzocht om met een kopgroep van andere
EU-lidstaten in Brussel te pleiten voor voorstellen die de toelating van
laagrisicomiddelen bevorderen en met klem te pleiten tegen voorstellen
die de status quo op de toelating van chemische en risicovolle middelen
verzwakken. Is dat iets waar D66 nog steeds voor staat? Of is dat
standpunt verlaten?
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Daar staan we nog steeds voor. U zegt terecht: het was de
motie-Podt/Bromet. Ik was bang dat ik qua tijd niet uit zou komen, dus
ik had het iets ingekort, maar die was inderdaad van ons beiden. Daar
staan we voor.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet, volgens mij bent u toe aan uw eerste termijn.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het is goed om hier een keer met elkaar het
debat te voeren. Dit is de eerste keer dat we met het nieuwe kabinet de
inbreng voor de Landbouw- en Visserijraad bespreken. Meestal doen we dat
schriftelijk, maar er gebeurt van alles op zee en in Brussel, dus het is
goed om het ook eens live te bespreken.
GroenLinks-PvdA verwacht dat dit kabinet een sterke groene stempel zet
op de Europese onderhandeling. Immers, zonder gezonde zee is er geen vis
en zonder gezonde bodem en goede waterkwaliteit heeft de landbouw geen
toekomst. Maar ik kijk wel met een schuin oog naar wat er nu in Brussel
gebeurt. Er liggen allemaal Omnibuswetten voor ons klaar, zogenaamd om
de regeldruk te verlagen. Wij maken ons daar wel zorgen over. We staan
allemaal voor duidelijke regels, maar regels slopen die niet voor niets
zijn ingevoerd, is geen doel op zich. Sterker nog, het maakt soms meer
kapot dan het ons waard is. Het maakt van onze Europese afspraken een
schietschijf waar iedereen, samen met de lobby, zijn plasje over wil
doen. Kwetsbaar dus en een reden voor GroenLinks-PvdA voor een heleboel
vragen.
Welke prioriteiten stelt dit nieuwe kabinet in de onderhandelingen over
het gemeenschappelijk landbouwbeleid? Zijn die anders dan de
prioriteiten van het vorige kabinet? Hoe kijkt de minister naar de
herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid? Is hij het met mij
eens dat publiek geld altijd ten goede moet komen aan publieke en
juridisch bindende doelen? Hoe trekken de minister en de
staatssecretaris op met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,
dat voor een gezonde bodem en waterkwaliteit moet zorgen? Hoe is IenW
bij de voorbereiding van deze Raad betrokken geweest? Hoe kijkt het
nieuwe kabinet naar het gemeenschappelijk visserijbeleid?
Een vraag over de Omnibus over voedsel: kunt u heel concreet maken hoe u
met het nieuwe kabinet de motie-Podt/Bromet, waar het net al even over
ging, gaat uitvoeren? Die motie vraagt dus om tegen voorstellen te zijn
die meer chemische stoffen toelaten.
Voorzitter. De opa van mijn man was visser in Katwijk, Krijn van der
Plas — vast familie van mevrouw Van der Plas — dus ook nog wat
opmerkingen over visserijonderwerpen, te beginnen met het briefje van de
voorganger van de minister, Rummenie, die in zijn laatste week het
polderoverleg in de vuilnisbak gooide, terwijl afgesproken is dat het
kabinet samen met het Noordzeeoverleg bepaalt welke gebieden in de zee
moeten worden gevrijwaard van bodemberoerende visserij. In 2030 moet dat
15% van de Noordzee zijn, maar 1,2% van dit gebied is nog niet ingevuld.
De heer Rummenie sloeg het advies van het Noordzeeoverleg af en schaarde
zich achter het voorstel van de vissers. Dat is niet hoe wij de omgang
met de polder voor ons zien. Het kabinet moet de polder serieus nemen.
Kan de minister laten weten of hij het advies uit oktober van het
Noordzeeoverleg steunt? Is hij van plan om het besluit van zijn
voorganger terug te draaien? Wanneer horen we dat?
Voorzitter. Over de actualiteit van visserijonderwerpen: een heleboel
vissers varen nu niet uit vanwege de brandstofprijzen. Slechts enkele
kotters in Nederland zijn verduurzaamd, maar er is wel een subsidie van
40% beschikbaar: €550.000 per vaartuig. Hoe staat het met die
subsidiepot?
Dan de visfraude door Rusland. In Het Financieele Dagblad lazen we begin
maart dat er sprake is van visfraude door de Russische vloot. Met behulp
van de Nederlandse reder Seatrade zou illegaal gevangen vis uit
overbeviste regio's alsnog op de Europese markt belanden. Dat vinden wij
onacceptabel. Hierdoor spekken we als Europese consumenten de oorlogskas
van Poetin. GroenLinks-PvdA verwacht een heldere veroordeling door dit
kabinet. Hoe reageert het kabinet op het bericht van Het Financieele
Dagblad? Zijn de bewindspersonen bereid om deze vorm van visfraude te
veroordelen? Hoe gaan zij dit aanpakken? Kunnen zij in de Landbouw- en
Visserijraad pleiten voor het dichten van dit geitenpaadje, zodat de
Russische Federatie de zee niet meer kan overbevissen en hun illegaal
gevangen vis niet meer in onze schappen ligt?
Tot zover.
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Bromet en ik zie dat mevrouw Van der Plas van de BBB een
vraag heeft.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Vorige week werd ik al mevrouw Bromet genoemd in een debat en nu hoor ik
dat we misschien, weliswaar aangetrouwd, DNA delen. Het wordt best een
beetje eng, moet ik zeggen ... Ik deel al DNA met Martin Meiland — 1%,
zo is een keer uitgezocht — en daar komt misschien de familie Bromet nog
bij. Mijn stamboom wordt dus heel bijzonder. Maar daar gaat deze
interruptie natuurlijk niet over. Mevrouw Bromet zei in het begin van
haar betoog dat publiek geld ook naar publieke doelen moet. Vindt
mevrouw Bromet dat voedselproductie een publiek doel is?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Als je kijkt naar de geschiedenis van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid, dan moet je vaststellen dat na de Tweede Wereldoorlog de
voedselvoorziening een van de primaire doelen is geweest bij het
verstrekken van landbouwsubsidies. Vandaag de dag is de aardappelprijs
inmiddels onder de nul euro gedaald en is er een overschot aan voedsel,
terwijl we hele grote milieuproblemen hebben. Ik vind dat
voedselvoorziening zeker prioriteit moet krijgen, maar wel altijd binnen
de milieugrenzen, dus zonder de natuur aan te tasten, met respect voor
de afspraken die in Parijs zijn gemaakt over klimaatverandering en met
respect voor de afspraken die in Europa gemaakt zijn over
waterkwaliteit. Dat gaat nog niet helemaal goed. Daar kunnen wij als
overheid best bij helpen en dat doen we wat GroenLinks-PvdA betreft met
de Europese landbouwsubsidies, maar wel altijd in die combinatie, dus
voedselproductie met bescherming van het milieu.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een lang antwoord, maar ik mag hier hopelijk uit opmaken dat
voedselproductie een publiek doel is. We kunnen zo veel natuur hebben
als we willen, maar met een lege maag gaat niemand wandelen in de
natuur. Dan ga je op zoek naar voedsel. Even over de landbouwsubsidies.
Nederland betaalt jaarlijks ongeveer 7,5 miljard euro aan de
EU-begroting en ongeveer 30% daarvan gaat naar het landbouwbeleid. Dat
betekent dat Nederland grofweg 2 tot 2,5 miljard per jaar bijdraagt,
terwijl Nederlandse boeren ongeveer 870 miljoen per jaar ontvangen. Er
wordt altijd gedaan alsof boeren zo veel steun krijgen, maar eigenlijk
valt dat wel mee, ook ...
De voorzitter:
Komt u tot een vraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Sorry. In de staatjes staat Nederland qua inkomenssteun helemaal
onderaan ten opzichte van andere landen. Weet mevrouw Bromet dat?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik mag hopen dat mevrouw Van der Plas ook inziet dat het juist voor de
landbouw van groot belang is dat wij samenwerken in de Europese Unie en
dat wij het niet op eigen houtje doen als het kleine Nederland. Als daar
anders over gedacht wordt, dan verschillen wij daarover van mening. Ik
vind het best dat publiek geld, geld van u en mij, van ons allemaal,
uitgegeven wordt aan inkomensondersteuning, maar als het een inkomen
wordt, is het een ander verhaal. Dat heb ik niet zelf bedacht. Mijn
verre voorganger, Frank Futselaar van SP, zei altijd: €80.000 per jaar
inkomenssteun is geen inkomenssteun maar een inkomen. Als daar tegenover
staat dat er een heleboel maatschappelijke doelen worden bereikt op het
gebied van natuur, water en klimaat, dan wil ik daar best voor
openstaan. Ik ben niet bereid om nu met een meetlint te gaan kijken
hoeveel wij afdragen als Nederland en hoeveel wij daarvoor terugkrijgen.
Dat past niet bij de solidaire gedachte die GroenLinks-PvdA altijd hoog
in het vaandel heeft.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van der Plas, nog een korte vervolgvraag.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, een korte constatering. Nederlandse boeren krijgen 10% van hun
inkomen uit subsidies, dus dat is geen inkomen. Dat kun je nauwelijks
een inkomen noemen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dat is een gemiddelde. Voor sommige boeren is het veel meer en voor
andere veel minder. Er zijn heel veel bedrijfsgroepen in Nederland die
helemaal geen subsidie krijgen en ook maatschappelijke doelen nastreven,
dus ik zou zeggen: tel je zegeningen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga naar de heer Jansen van de PVV.
De heer Chris Jansen (PVV):
Mijn vraag aan mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA gaat over de
pulskorvisserij, die een innovatieve ontwikkeling was. Nederland nam
daarin het voortouw. Pulskorvisserij is goed als je kijkt naar de
bodemberoering en het brandstofverbruik. Ik hoorde mevrouw Bromet net
zeggen dat veel vissers niet kunnen uitvaren vanwege de gestegen
brandstofprijzen. Staat mevrouw Bromet dan ook achter het pleidooi dat
wij hebben gehouden tijdens de begroting vorige week om pulskorvisserij
weer hoog op de agenda te zetten bij de Europese Unie?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Pulskorvisserij is ook zo'n dossier waar Nederland gewoon een potje van
heeft gemaakt. Wij hebben afspraken gemaakt met Europa over proeven
daarmee. Nederland is alle grenzen van die afspraken te buiten gegaan.
Dat heeft geleid tot heel veel irritatie bij andere landen. Uiteindelijk
is de hele pulskorvisserij daarmee de nek omgedraaid. Het gaat erom dat
je als Nederland niet de brutaliteit hebt om alle afspraken naast je
neer te leggen en gewoon maar te doen wat goed is voor jou, maar dat je
kijkt naar wat goed is voor het geheel. Daarmee heb je ook respect voor
bijvoorbeeld de kleine vissers in Frankrijk, die zich hier het
slachtoffer van voelden. Het is dus niet altijd alleen maar eigen belang
eerst. Ik vind het jammer dat dit experiment daarmee helemaal van tafel
is gegooid. Dat is dus te wijten aan voorgaande kabinetten die meer
ruimte hebben genomen dan nodig was. Als dat niet was gebeurd, was er
misschien nu nog een gangbare vorm van visserij geweest, niet alleen
voor Nederland, maar misschien ook wel voor andere landen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik ben blij dat mevrouw Bromet zegt dat ze gehoopt had dat het anders
was. Dat deel ik met mevrouw Bromet. De waarheid ligt natuurlijk wel
iets anders. Frankrijk had namelijk helemaal geen geld om te investeren
in een eigen vloot gebaseerd op pulskor. Zij hebben toentertijd de deal
gesloten met een aantal Oost-Europese landen dat Frankrijk die zou
steunen op het gebied van landbouw op het moment dat die landen tegen de
pulskorvisserij zouden stemmen. Dat is de waarheid. Ik denk dat mevrouw
Bromet nog even goed moet nalezen hoe zij dat heeft beleefd, want dat is
volgens mij precies de officiële manier geweest waarop de
pulskorvisserij op dat moment de nek is omgedraaid.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Je kan wijzen naar andere landen. Die zullen ook heus weleens wat doen
wat je niet bevalt, maar ik vind dat je altijd allereerst moet wijzen
naar jezelf. Nederland heeft hier gewoon een hele slechte beurt gemaakt.
Daar hebben wij invloed op. Het is ontzettend jammer dat het zo gegaan
is.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Mevrouw Bromet heeft natuurlijk gelijk dat Nederland er een potje van
heeft gemaakt. We hebben dat helemaal verkeerd aangepakt. We zijn veel
te enthousiast gaan vissen. Dat is het verleden. Is mevrouw Bromet van
mening dat we ons moeten inzetten om in de toekomst opnieuw zo'n
innovatieve technologie te implementeren in de visserij, ook al hebben
we dat in het verleden verkeerd aangepakt?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dat je daar best gesprekken over kan voeren in Europa, maar dat
je allereerst hand in eigen boezem moet steken, ook om te laten zien dat
het je spijt, zodat je weer de gunfactor krijgt. Dat geldt niet alleen
voor dit dossier, maar ook voor een heleboel andere dossiers in
Nederland waarbij er altijd heel makkelijk is geroepen: we doen het
gewoon of we slaan met de vuist op tafel. Daardoor ontvangt Europa
Nederland toch niet heel enthousiast. Het is een mooie taak voor de
nieuwe minister om daar de relaties te herstellen en ook weer vertrouwen
te geven. Dat is dus niet alleen nemen, maar dat is soms ook iets geven.
Dat is de solidaire gedachte waar ik het net over had.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik onderschrijf deze nieuwe taak voor de minister om het in Europa weer
goed te maken voor de pulsvisserij.
De voorzitter:
Akkoord. Dan ga ik naar mevrouw Van der Plas voor haar eerste
termijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. We leven in enorm onzekere tijden. Oorlog laat
ons op dit moment zien wat afhankelijkheid betekent. Aan de pomp en op
de energierekening schieten prijzen omhoog, zonder dat we hier grip op
hebben. Dat risico moeten we niet willen voor voedsel. Het is
onbegrijpelijk dat onze voedselproductie in Nederland wordt
afgeschaald.
Voorzitter. Ik zal het mestprobleem nog een keer helder uitleggen.
Boeren mogen per hectare een vaste hoeveelheid stikstof gebruiken. Dat
zijn de gebruiksnormen. Die liggen al onder het niveau van de optimale
opbrengst. Die normen veranderen niet zonder derogatie. Intussen
verschralen de bodems massaal. De bron van stikstof verandert wel. Dat
is minder dierlijke mest, maar meer kunstmest. Ik heb het over kunstmest
gemaakt me gas, dat we importeren. We ruilen hier in Nederland onze
eigen waardevolle grondstoffen in voor de afhankelijkheid van het
buitenland. Ik kan het niet uitleggen en niemand in Nederland snapt dit.
Er wordt gezegd dat dit nodig is voor de waterkwaliteit, maar het beeld
is veel genuanceerder. In grote delen van Nederland zijn er nauwelijks
overschrijdingen en problemen zijn vaak lokaal en oppervlakkig. Toch
wordt Nederland over één kam geschoren.
Waarom wijst de minister geen gebieden aan waar wel met meer dierlijke
mest gewerkt kan worden? Kan de minister voor de eerstvolgende Landbouw-
en Visserijraad een diversepunt, een agendapunt aan het einde van een
vergadering dat niet op de formele agenda stond, aandragen over onze
Europese afhankelijkheid van kunstmest door de gedwongen beperking van
het gebruik van dierlijke mest? Kan de minister tot slot vol inzetten op
het terugkrijgen van derogatie, zodat we minder afhankelijk gaan worden
van kunstmest en dus van gas? Wat kan de minister nog meer doen om onze
agrarische sectoren te helpen nu door de oorlog in het Midden-Oosten
alle kosten oplopen?
In Europa zien we nu gelukkig een andere beweging dan in Nederland. Het
Europees Parlement kiest voor innovatie, kringlopen en het benutten van
dierlijke mest en niet voor gedwongen krimp. Afgelopen week heeft het
Europees Parlement een rapport aangenomen dat deze koers bevestigt. Dat
rapport komt mede van de hand van Jessika van Leeuwen,
Europarlementariër van de BBB. Tegelijkertijd investeren landen als
Roemenië miljoenen euro's Europees belastinggeld om hun veestapel uit te
breiden en hun voedselproductie te versterken. Waar Nederland krimpt,
wordt er in Oost-Europa op kosten van de Nederlandse belastingbetaler
uitgebreid. Kan de minister dit verklaren? Kan de minister in Europa het
gesprek aangaan over de opschaling van de productie in Oost-Europa ten
koste van onze eigen boeren?
Voorzitter, ik kom bij de visserij. Europa zet in op een klimaatneutrale
visserijsector in 2050, maar als we doorgaan met het afbreken van onze
eigen sector, blijft er straks alleen nog maar importvis over; die is
echt niet duurzamer dan onze eigen vis. De helft van onze vissers ligt
nu al aan de kant vanwege de sterk gestegen brandstofprijzen. Als de
pulsvisserij niet onterecht was verboden, dan hadden deze vissers nog
gewoon kunnen blijven vissen. Waar blijft de steun voor onze vissers
vanwege de sterk gestegen brandstofprijzen? Onze eigen nationale
voedselvoorziening komt zo in gevaar.
Ik ben bijna klaar. Zou ik het even mogen afmaken?
De voorzitter:
Als u nog twee, drie zinnen heeft, mag dat. Daarna gaan we naar mevrouw
Bromet.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb nog een halve pagina met grote, 18 punts-, letters.
Voorzitter. We hebben hier een prachtige visserijsector en een duurzaam
product, maar door beleid eten we straks alleen nog maar vis van de
andere kant van de wereld en zijn onze visserijgemeenschappen na eeuwen
verdwenen. Dat is echt niet uit te leggen. Waar blijft onze strategische
voedselautonomie? Wat gaat de staatssecretaris specifiek doen om onze
vissers te helpen, zeker nu de diesel zo duur is geworden? Gaat hij in
Europa pleiten voor noodmaatregelen? En, tot slot, gaat de
staatssecretaris zich er ook zo snel mogelijk voor inzetten om het
pulsverbod terug te draaien? Wil de staatssecretaris dan de toezegging
doen om álles in het werk te stellen om onze visserij te steunen met
noodmaatregelen?
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan ga ik naar mevrouw Bromet, voor haar vraag aan
mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Als je nu een elektrische auto en zonnepanelen hebt, dan rijd je gratis.
Als je een visserskotter hebt die je helemaal hebt aangepast aan de
klimaatdoelen, dan heb je helemaal geen probleem met de gestegen
brandstofprijzen. Hoe kijkt mevrouw Van der Plas in het licht van de
afhankelijkheid van fossiele brandstoffen van andere landen naar die
verduurzaming? Zolang je afhankelijk blijft van olie voor je schip,
blijf je namelijk ook afhankelijk van dit soort fluctuaties op de
wereldmarkt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Begrijp ik nou goed dat mevrouw Bromet pleit voor elektrische kotters?
Ik ben dan benieuwd waar op zee die laadpalen staan.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Er zijn voorbeelden van gedeeltelijk elektrische kotters die 90% minder
brandstofverbruik hebben. Dat zijn echt de koplopers in de sector. Ik
heb net ook al verteld dat er subsidies beschikbaar zijn tot 40%,
€550.000, van de financiering. Dat zou mevrouw Van der Plas toch moeten
aanspreken? Dit is de tweede energiecrisis en er zullen misschien nog
wel vele volgen. Waarom zou je je afhankelijk maken van regimes in het
Midden-Oosten, van Amerika en van Rusland als je het gewoon zelf kan
opwekken met zon en wind?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wij gaan Nederland niet volplempen met zonnepanelen en windmolenparken.
Dat lijkt mij geen goed idee. Ik hoor mevrouw Bromet ook zeggen dat het
gratis is om elektrisch te rijden, maar volgens mij moet je daar gewoon
voor betalen. Dat is volgens mij niet gratis. Wat betreft het
afhankelijk maken, zou ik willen vragen aan mevrouw Bromet, die, net als
ik, zo'n fan is van je onafhankelijk maken, waarom we ons dan
afhankelijk laten maken van kunstmest? Waarom heeft iedereen hier in de
Kamer, met uitzondering van een paar partijen, gezegd dat het echt geen
goed idee is om derogatie af te schaffen en dat we er keihard voor
moeten strijden om die derogatie te behouden? Wij ruilen nu een volledig
organisch product, namelijk dierlijke mest, in voor kunstmest. Ik zou
mevrouw Bromet graag aan mijn zijde vinden om ervoor te zorgen dat wij
weer meer stikstof uit dierlijke mest op ons land kunnen brengen. Ik heb
net al gezegd dat de bodems op dit moment massaal verschralen.
De voorzitter:
U bent door uw interrupties heen, mevrouw Bromet. Helaas. We zullen het
dus nooit weten, of misschien wel, maar dan een andere keer of in de
tweede termijn.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
We gaan naar de familieverjaardag binnenkort. Dan hebben we het er nog
wel over.
De voorzitter:
Nou, ik wou net zeggen: dat wordt nog gezellig. Ondertussen ga ik naar
de laatste spreker van deze middag, in ieder geval in deze termijn. Dat
is de heer Van Duijvenvoorde van Forum voor Democratie. Ga uw
gang.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Het is een beetje wennen om in dezelfde rij te zitten. Ik weet niet goed
waar ik naartoe moet kijken terwijl ik praat, maar dat komt vast
goed.
Voorzitter. Nederland is een land van de zee. Aan het einde van de
zeventiende eeuw zijn we daar misschien iets te veel op gericht geweest,
maar over het algemeen was het onze kracht. Van het verkennen van de
wereld, langs de Kaap naar Indië om handel te drijven, tot de Urker,
Volendammer en Katwijker die vis ving om onze bevolking te voeden en om
ermee te handelen. Die traditie staat vandaag onder druk. Waar de
Europese Unie de pulsvisserij slechts een kort bestaan heeft gegund —
dat wordt in de toekomst beter, hopen we — staat nu ook de visserij in
brede zin onder druk, met name de makreelvissers.
Voorzitter. In een periode van sterke groei van de makreelpopulatie — ik
geef even een korte geschiedenis — verschoof ook het leefgebied van de
makreel. De vis trok naar wateren waar hij voorheen nauwelijks voorkwam,
dicht bij de kusten van Noorwegen, IJsland en verder. Dat zij dus op
makreel gingen vissen, werd geaccepteerd, maar die populatie daalde weer
en trok zich terug. Voor deze landen was hij inmiddels een belangrijke
inkomstenbron geworden die zij niet zomaar gewonnen gaven. Daar ligt de
kern van het conflict dat ik nu even ter sprake wil brengen. Om die
spanning te beheersen worden er internationale afspraken gemaakt over
hoeveel er gevangen mag worden. Het wetenschappelijk instituut ICES
adviseert daarbij over de totale toegestane vangst, het zogeheten TAC.
ICES werkt daarbij met bandbreedtes en onzekerheidsmarges in de
populatieschatting. Binnen die bandbreedte kun je conservatiever of
minder conservatief rekenen.
Voorzitter. In de huidige situatie heeft de ICES voor meerdere
scenario's de totale toegestane vangst van makreel uitgewerkt. De EU
kiest daarbij voor het negatiefste scenario, wat neerkomt op een krimp
van de TAC van ongeveer 70%. Tegelijkertijd hanteren Noorwegen, het
Verenigd Koninkrijk, IJsland en verder een minder negatief scenario, met
een krimp van 48%. Voor de Nederlandse vissers betekent dit concreet een
quotumbeperking van circa 69%. Daarmee ontstaat een fundamenteel
ongelijk speelveld. Kotters, vissers, de verwerkende industrie, de
scheepsbouw en hele kustgemeenschappen worden hierdoor geraakt. De
Europese visserij wordt aanzienlijk zwaarder beperkt dan de concurrentie
buiten de Unie.
Het probleem zit 'm echter niet alleen in de omvang van de vangst, want
tegelijkertijd staat de verdeling onder druk. Deze verdeling van
vangstrechten is historisch gegroeid. Op basis daarvan heeft de EU een
aandeel van ongeveer 23% in de makreelvangst. Wat zien we nu? Noorwegen,
het Verenigd Koninkrijk, IJsland en de Faeröer hebben in onderlinge
afspraak inmiddels 80% van de vangst naar zich toe getrokken. Daarmee
blijft nog slechts 20% over voor onder andere de EU, Groenland en
Rusland, dat natuurlijk ook veel meer vist dan is afgesproken. De EU
heeft dus recht op 23% voor zichzelf en moet nu 20% delen met andere
landen. De EU daalt feitelijk onder haar historische aandeel, terwijl
andere landen daar ruim boven gaan zitten. De visserij wordt niet alleen
zwaarder beperkt, maar krijgt ook nog eens een kleiner deel van de
overgebleven vangst. Als vissers en bedrijven jarenlang hebben
geïnvesteerd op basis van die historische rechten, als complete
kustgemeenschappen daarop zijn ingericht, mag je verwachten dat de EU
die positie ook verdedigt. Maar op 5 en 6 maart is er opnieuw overleg
geweest, voorgezeten door de EU, en wederom was dat zonder
resultaat.
Ik ga afronden. Er zijn drie dingen nodig, maar ik ga gewoon gelijk naar
mijn vragen toe, want die zijn het belangrijkst. Is de staatssecretaris
bereid zich in Brussel in te zetten voor bijstelling naar het minder
negatieve scenario? Is hij bereid vast te houden aan het historische
aandeel van 23%? Is hij bereid, als andere landen dat blijven blokkeren,
om ook zwaardere maatregelen te overwegen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom
niet? Nederlandse vissers hebben de afgelopen jaren al meer dan genoeg
moeten inleveren. Nu is het moment om hun positie daadwerkelijk te
verdedigen. Handhaaf dat historische aandeel, zorg voor een gelijk
speelveld en voorkom dat de Europese visserij opnieuw eenzijdig de
rekening betaalt.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Duijvenvoorde. Ik kijk even naar mevrouw Den
Hollander, want zij had een vraag aan u.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik was benieuwd of de heer Van Duijvenvoorde deelt met de VVD dat het
belangrijk is dat we als EU-landen gezamenlijk optrekken tegen de
belangen van andere landen.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik denk dat dat niet universeel is, maar in sommige concrete gevallen
kan dat belangrijk zijn. Ik denk dat het nu belangrijk is dat wij onze
belangen verdedigen in de EU en dat de EU onze belangen verdedigt
tegenover landen die niet bij de EU horen. Dat kan soms noodzakelijk
zijn.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Klopt dan mijn veronderstelling niet dat de partij van de heer Van
Duijvenvoorde eigenlijk überhaupt tegen de EU als instituut is en daarom
hier ook vraagtekens bij zou moeten zetten?
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik denk dat er nu twee discussies door elkaar gaan lopen. We hebben een
politiek-filosofische discussie over het fundament van de EU en wat we
daarvan vinden. Ik ga daar heel graag met mevrouw Den Hollander over in
discussie, maar voor nu is dit gewoon het speelveld dat er is. Dit is de
werkelijkheid en de politieke situatie waar we mee te maken hebben.
Daarbinnen maken we op dit moment gebruik van de mogelijkheden van de EU
om de Nederlandse rederijen te verdedigen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Den Hollander, over de Visserijraad en niet over de
politieke filosofie van de partijen hier aan tafel.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik wilde juist constateren dat het goed is om te horen dat het belang
van de EU hier gedeeld wordt, ondanks een andere politiek-filosofische
inzet. Dank u wel.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Vooral het belang van onze rederijen wordt gedeeld.
De voorzitter:
Goed. Ik kijk nog even de kring rond. Er zijn geen verdere interrupties.
O, toch nog eentje van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, ik heb geen interruptie op de heer Van Duijvenvoorde. Ik ben u in
mijn inbreng vergeten te feliciteren met het voorzitterschap. Ik vind
dat altijd wel zo netjes om te doen. Het kwam een beetje doordat ik wat
later binnenkwam, maar bij dezen.
De voorzitter:
Heel hartelijk dank.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Nu kom ik natuurlijk enorm onaardig over, maar dit is ook de eerste keer
dat ik een nieuwe voorzitter heb. Van harte gefeliciteerd met het
voorzitterschap.
De voorzitter:
Ik dacht al: waar blijft de felicitatie van de heer Van Duijvenvoorde?
Nee hoor, het is u vergeven. Van harte welkom. Ik kijk even naar de
bewindspersonen. U heeft heel wat gehoord: een uur en tien minuten
spreektekst en een heel aantal vragen. Hoeveel tijd denkt u nodig te
hebben? Een halfuur? Ja? 15.35 uur it is. Ik zie u graag om 15.35 uur
terug voor de beantwoording van de eerste termijn van de zijde van de
regering.
De vergadering wordt van 15.11 uur tot 15.35 uur geschorst.
De voorzitter:
Beste mensen, het is 15.37 uur, dus we gaan rap beginnen aan de eerste
termijn van de minister. Ik ga beide bewindspersonen vragen de inleiding
beknopt te houden en zo snel mogelijk over te gaan tot de beantwoording
van de vragen. Ik vraag u ook om mij even te vertellen met hoeveel en
welke blokjes u werkt, zodat de leden van de commissie dat mee kunnen
krijgen, weten waar we zo ongeveer zitten in de routeplanning en kunnen
bepalen of ze een interruptie moeten plegen of niet.
Ik kijk even naar de leden van de commissie. U heeft wederom vier
interrupties. Interrupties korter dan 30 seconden gelden niet en
interrupties langer dan 30 seconden tellen dubbel. Volgens mij hebben we
het scoreboekje dan weer compleet. U heeft straks een minuut en twintig
seconden, maar dat is pas voor zo meteen.
Ik kijk eerst naar de minister.
De heer Chris Jansen (PVV):
Voorzitter, mag ik één vraag stellen?
De voorzitter:
Zeker.
De heer Chris Jansen (PVV):
Gaat het bij die interruptie om één interruptie van 30 seconden in één
termijn of gaat het om de drie termijnen bij elkaar opgeteld?
De voorzitter:
Nee, bij elke vraag die u stelt, laten we een timer meelopen. Als het
korter dan 30 seconden is, telt het niet en als het langer is, telt het
dubbel. Op het moment dat u de microfoon aanzet, of dat nou bij een
vervolgvraag is of niet, gaat de teller lopen en hou ik u strak in de
gaten, meneer Jansen. Akkoord? Goed.
Dan gaan we naar de minister.
Minister Van Essen:
Het lijkt zo bijna een spelshow, voorzitter. Ik heb vier blokjes. Ik heb
een heel korte inleidende spreektekst waarin ik wat inga op het GLB en
generatievernieuwing, waar wat vragen over zijn gesteld. Dan ga ik in op
de vragen over de visie op landbouw en voedsel van de Europese
Commissie. Daarna heb ik nog een blokje met wat overige vragen.
Staatssecretaris Erkens:
Om het compleet te maken: ik heb een nog kortere inleiding dan de
minister, het blokje gewasbescherming, het blokje visserij en dan een
blokje overig, waar onder andere de eiwitstrategie en de vleesbenamingen
in zitten.
Minister Van Essen:
Voorzitter, gaan we timen wie de kortste inleiding heeft? Door een
aantal commissieleden werd het al gezegd, maar de aanstaande Landbouw-
en Visserijraad, op 30 maart, is voor de staatssecretaris en voor
mijzelf de eerste kennismaking met Brussel. Wij willen als kabinet ook
graag weer een constructieve en leidende rol gaan spelen in de EU, om zo
samen tot bestendige oplossingen en keuzes te komen voor de
landbouwsector, de visserijsector en de natuur. Op een aantal Europese
dossiers, met name waar ze op het snijvlak zitten van landbouw, natuur
en ruimtelijke ordening, heeft Nederland de laatste jaren onvoldoende de
stappen genomen die het moest nemen. De Europese Commissie heeft ook
meermaals aangegeven van Nederland te verwachten dat het zich aan
afspraken en wettelijke verplichtingen zal houden.
Daarom zie ik het ook als belangrijke opgave voor mij om de relaties met
de Europese Commissie te verbeteren. Ik zie er enorm naar uit om
zondagavond al met de staatssecretaris richting Brussel te gaan en
kennis te maken met onze collega-ministers van de EU-lidstaten. We gaan
ook kennismaken met Eurocommissaris Roswall en Eurocommissaris Hansen
voor Landbouw. We zetten in de EU in op een toekomstbestendige
landbouw-, tuinbouw- en visserijsector, een sterke natuur en
biodiversiteit en een innovatief voedselsysteem.
Voorzitter. Het is positief dat de landbouwvisie op de agenda van deze
Raad staat. Daar werd al een paar keer naar gevraagd. De visie biedt wat
ons betreft verdere kansen voor het versterken van de positie van de
boer, voor het stimuleren van jonge boeren — daaraan werd ook al
gerefereerd — en het borgen van voedselzekerheid. Om op deze onderwerpen
ook stappen te kunnen zetten, is innovatie essentieel. Dat geeft de
Commissie ook aan in deze visie. Ik zie het als mijn taak om bruggen te
bouwen tussen lidstaten die ver uit elkaar liggen, zodat we samen tot
een mooi Europees landbouw- en natuurbeleid komen. We gaan dan ook
coalities smeden met andere lidstaten en we gaan, zoals ik zei, in
gesprek met Eurocommissarissen, met de rapporteurs van LVVN-dossiers in
het Europees Parlement en met relevante Europarlementariërs.
Voorzitter, dat was mijn blokje inleiding. Dan ga ik nu verder met de
vragen over het GLB en generatievernieuwing.
De voorzitter:
Maar niet dan nadat u een aantal vragen beantwoord heeft. Ik begin bij
mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Het oude mantra is weer terug: Brussel is boos op ons omdat we ons niet
aan de afspraken houden. Dat hebben we hier in de afgelopen jaren heel
vaak gehoord, behalve in de periode dat we zelf in het kabinet zaten.
Wij maken gewoon zelf afspraken die boven Europese wetgeving uitgaan en
die gewoon onhaalbaar en onuitvoerbaar zijn. Dan zegt Brussel: ja,
jullie hebben zelf gezegd dat je dat zou doen en nou doe je het niet,
dus zoek het nu maar lekker uit. Ik zeg het even plat. Weet de minister
dat?
Minister Van Essen:
Dat is een manier waarop je het neer kunt zetten. Ik heb bedoeld te
zeggen: als je geeft, kun je ook af en toe wat nemen. Ik denk dat
Nederland daar een andere houding en een andere rol in zal moeten
aannemen. Als we laten zien wat onze plannen zijn — daar hebben we
vorige week een lang debat over gehad — kunnen we van Brussel ook wat
vragen. Dan kunnen we van Brussel vragen om af en toe flexibiliteit te
tonen en bij voorstellen af en toe meer met Nederland mee te denken. Dat
zie ik als mijn rol.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Vindt de minister niet dat wij onszelf gewoon wurgen met onze eigen
regel- en wetgeving en dat wij het onszelf dus moeilijk maken?
Minister Van Essen:
Nee, ik denk dat we niet voor niets gezamenlijke regels en visies hebben
in Brussel. Ik zie dat als een versterking, ook voor Nederland.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Er stond van de week in het nieuws iets over Eurocommissaris Hansen die
de mestregelgeving wil aanpakken. Is de minister daarvan op de hoogte en
gaat hij daar ook over in gesprek met de Eurocommissaris?
Minister Van Essen:
Eurocommissaris Hansen is een van de belangrijkste figuren die ik wil
ontmoeten, waar ik kennis mee wil maken. Ik wil daar uitstralen dat wij
plannen hebben om de waterkwaliteit en dergelijke te verbeteren. Ik wil
dus wat laten zien van Nederland. Ik zal dan ook vragen hoe hij dit
artikel inschat en hoe hij naar Nederland kijkt als we ons weer van die
goede kant laten zien.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dan is de vervolgvraag natuurlijk: gaat de minister dan ook weer pleiten
voor een derogatiemaatregel, die ons enorm kan helpen?
Minister Van Essen:
Dat is inderdaad een discussie die de heer Jansen en ik vorige week ook
hebben gehad. Mevrouw Van der Plas heeft er net ook nog naar gevraagd.
Daar kom ik zo dus nog even op terug.
Dan ga ik verder met het GLB en generatievernieuwing. De heer Lohman
stelde een aantal vragen over het nieuwe GLB, generatievernieuwing en de
ruimte die we hebben voor invulling. In algemene zin beoordeel ik de
plannen van de Commissie, ook die voor generatievernieuwing, als
positief. Ik zie ook dat zij dat een belangrijke prioriteit vinden. Ook
ik zet mij in voor een toekomstig GLB waarin juist bedrijfsopvolging en
generatievernieuwing een topprioriteit zijn. Ik verwelkom de strategie
van de Europese Commissie op dit punt, omdat generatievernieuwing ook de
voedselzekerheid en de vitaliteit van het platteland op de lange termijn
garandeert. Daarom steun ik de oproep om voldoende GLB-budget vrij te
maken voor jonge boeren en te streven naar die 6%. Daar is het in het
begrotingsdebat ook over gegaan. We geven daar zelf ook echt positieve
invulling aan met vestigingssteun. Bij mijn werkbezoek in Ommen heb ik
gehoord dat jonge boeren daar echt wat hebben aan die €80.000.
Er werd ook gevraagd naar de risico's. Risico's zijn hoge overnamesommen
en hoge kosten voor jonge boeren in het eerste jaar na bedrijfsovername.
Dat zie ik wel echt als een drempel. Het streven naar die 6% en wat we
daarvoor doen, moeten we daarin dus meenemen. Dat moeten we ook
onderdeel maken van onze regionale partnerschapsplannen.
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Den Hollander over de ruimte voor de
eco-regeling. Ik wil het toekomstig GLB zo veel mogelijk doelgericht
inzetten. Dat is deels ook een antwoord op andere vragen, denk ik. Daar
waar Europese middelen het verschil kunnen maken, wil ik ze daar ook
voor gebruiken. Dan denk ik ook aan de eco-regeling. Ik noem ook nog
even de motie-Holman, die in de Kamer is ingediend, over het meenemen en
meekrijgen van collega's in Europa in het uitgeven van een groter deel
van het GLB aan bijvoorbeeld zo'n eco-regeling. Die breng ik graag nog
even in herinnering. Dat is juist omdat we boeren beter willen kunnen
belonen voor de diensten die zij leveren voor natuur, milieu, klimaat en
ondersteuning bij de grote opgaven die we hebben.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Jansen over het toekomstig GLB. De
vraag was hoeveel geld er daadwerkelijk bij de boeren terechtkomt. Het
is geen geheim dat wij ons in willen zetten voor een efficiënte en zo
goed mogelijke inzet van die Europese middelen. Het streven van dit
kabinet, maar ook dat van voorgaande kabinetten, is altijd geweest om de
uitvoeringskosten die daarmee gepaard gaan zo laag mogelijk te houden,
zodat het geld uiteindelijk echt kan landen op het boerenerf en zodat
een zo groot mogelijk deel daarvan terechtkomt bij boeren en andere
begunstigden, zoals terreinbeherende organisaties en andere groepen op
het platteland.
De heer Chris Jansen (PVV):
Een hele korte interruptie. Heeft de minister dan ook een streefbedrag?
Welk deel van die totale 427 miljard wil hij binnenhalen namens
Nederland?
Minister Van Essen:
Ik heb geen streefbedrag, maar ik heb tijdens mijn werkbezoek van deze
week gezien dat bijvoorbeeld BoerenNatuur dit soort gelden ontzettend
efficiënt weg kan zetten. Dat doen zij met een eigen systeem. Ik vind
het heel erg mooi om de ervaringen van collectieven, die dit soort
ontwikkelingen blijkbaar heel efficiënt kunnen uitvoeren, mee te nemen
en die als ze geschikt zijn ook aan mijn collega's in Brussel te laten
zien.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dat snap ik, maar wij zijn nettobetaler. Een van de grootste klachten is
altijd dat wij meer wegbrengen dan terughalen. Hoe gaat de minister dit
anders doen dan zijn voorgangers, waardoor we uiteindelijk netto meer
overhouden voor onze sector?
Minister Van Essen:
Dat is geen streven van dit kabinet. Het streven van dit kabinet is om
te zorgen voor een modern MFK en dus ook een moderne vormgeving van de
regionale partnerschapsplannen, waarbij er oog is voor modernisering.
Het is niet het doel van het kabinet om zo veel mogelijk geld naar
Nederland te halen en ontevreden te zijn met hoe we het nu doen. Wat dit
kabinet wil, is de manier waarop de gelden nu naar ons toe komen,
moderniseren en ook scherp zijn op onze afdracht.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording, minister.
Minister Van Essen:
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Bromet over de prioriteiten van dit
nieuwe kabinet in de onderhandelingen over het nieuwe GLB. Ze vroeg of
die anders zijn dan die van het vorige kabinet. We blijven van mening
dat het GLB moet bijdragen aan een weerbare en economisch
toekomstbestendige sector en dat we publieke gelden daar moeten inzetten
waar ze het meeste verschil kunnen maken. Wat mij betreft is dat bij
zaken die door de markt onvoldoende worden beloond. Dan denk ik aan
natuur en milieu. De Kamer en de commissie zullen zien dat ik daar meer
op in zal zetten om in lijn met de motie-Holman, zoals ik net aangaf,
meer doelen te belonen die natuur en milieu ondersteunen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De discussie gaat dan heel vaak over de hectarepremie, dus gewoon geld
omdat je grond hebt, of een tegenprestatie. Ik begrijp uit het antwoord
van de minister dat het om dat laatste zal gaan.
Minister Van Essen:
Ja, dat is mijn focus, maar ik wil ook de balans bewaren met hoe andere
lidstaten dat doen. Als zij daar heel veel aandacht voor hebben en heel
veel geld inzetten voor inkomenssteun, moeten we daar gewag van maken.
Maar mijn doel is om Europese collega's ervan te overtuigen dat juist
het belonen van doelen die niet door de markt worden beloond, maximale
prioriteit heeft.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp dat voor de inzet van de minister in Brussel, maar voor het
nationaal plan in Nederland, dat gemaakt en geïmplementeerd zal moeten
worden, gelden dus wel die milieudoelen?
Minister Van Essen:
Dat is inderdaad mijn focus. Daarbij wil ik in het achterhoofd houden
hoe andere landen het doen, maar mijn focus is om de prestaties die door
de markt onvoldoende worden beloond, in ons eigen programma zo veel
mogelijk terug te laten komen.
Dan nog een vraag van mevrouw Bromet. Ze vroeg hoe we kijken naar de
herziening van het GLB en of ik het met haar eens ben dat publiek geld
altijd ten goede moet komen aan publieke doelen. Daar heb ik net al
enigszins op proberen te antwoorden. Wat mij betreft is dat zo en moeten
publieke gelden ook voor publieke doelen in aanmerking komen.
Dan ga ik naar het blokje visie op landbouw en voedsel. Mevrouw Den
Hollander vroeg wat de eerste resultaten zijn van de Europese visie op
voedsel en landbouw en op welke onderwerpen ik vind dat versnelling
nodig is. Ik had net al aangegeven dat ik de eerste resultaten van die
visie positief vind. Ik heb ook begrepen uit de verslagen van vorige
schriftelijke LVR-rondes hier dat ook de commissie daar positief over
is. Het is wat mij betreft belangrijk om de ogen op de bal te houden en
ervoor te zorgen dat er voldoende aandacht blijft voor innovatie als
onderliggende pijler van de visie. Het is wat mij betreft essentieel
voor een weerbare en toekomstbestendige agrofoodsector.
Er werd net ook al even genoemd dat generatievernieuwing een belangrijke
pijler is. Daar blijf ik ook oog voor houden. Het vraagt een forse inzet
om de bedrijven en het platteland toekomstbestendig te houden. Er is ook
aandacht voor het versterken van de positie van de boer in de keten.
Daar hebben we vorige week ook het een en ander over gewisseld in het
begrotingsdebat. Dat blijft van groot belang. Ik zie dat de Europese
Commissie richting deze zomer nog met een herziening komt van de
Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. Mevrouw Den Hollander vroeg mij
om aandacht daarvoor te hebben en dat neem ik mee.
Mevrouw Den Hollander vroeg hoe we binnen die visie barrières voor de
toegang tot kapitaal, grond en innovatie verkleinen om ondernemerschap
te kunnen versterken. Ik denk dat onze land- en tuinbouw bekendstaat om
zijn sterke en innovatieve ondernemerschap. Ik ben het met mevrouw Den
Hollander eens dat de beschikbaarheid van kapitaal en het kunnen
toepassen van innovaties van groot belang zijn en blijven. Ik kijk in
Europa nadrukkelijk naar innovatieregelingen bij de uitvoering van deze
visie. Ik zet me ervoor in dat ondernemers gestimuleerd worden om tot
vernieuwing en ontwikkeling van hun bedrijf te blijven komen. Ik vind
het belangrijk dat we binnen het GLB niet alleen kijken naar subsidies,
maar juist ook naar financieringsmogelijkheden voor de punten die
mevrouw Den Hollander noemt, zoals de toegang tot kapitaal en grond. We
doen dat nationaal al met het Groenfonds. Ik vind het belangrijk om dat
binnen het GLB een duidelijke plek te geven.
Dan kom ik bij het blokje overige vragen. Mevrouw Van der Plas vroeg
naar de gebieden met dierlijke mest. Het is eenieder bekend dat we
vanuit de Nitraatrichtlijn een norm hebben van 170 kilo stikstof per
hectare. In Nederland zijn alle gebieden aangewezen. De Commissie van
Deskundigen Meststoffenwet heeft een advies uitgebracht over hoe we dat
in het volgende actieprogramma zouden moeten meenemen. Daar ging het
vorige week ook al heel even over. Daar treffen we op dit moment de
voorbereidingen voor. Dat wil ik zorgvuldig doen en daarbij betrek ik
juist de aanbeveling om in specifieke gebieden of het gehele grondgebied
te kijken naar aanwijzingen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik zou de minister graag willen vragen of hij de historie wil lezen van
de totstandkoming van die 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest per
hectare. Even kort gezegd: dat aantal kilo's is ooit in Frankrijk
bedacht. Daar zit helemaal geen wetenschap achter. Ik zou de minister
willen vragen om dat even te lezen en om daar ofwel in de tweede termijn
ofwel in een volgend debat over stikstof en mestbeleid op terug te
komen.
Minister Van Essen:
Ik wil daar in een volgend debat gerust op terugkomen, zeker als mevrouw
Van der Plas interessante stukken of lectuur voor mij heeft. Ik zie dat
andere landen andere normen hebben en dat wij die eerder ook hadden. Ik
wil nogmaals benadrukken dat die andere landen aan de Europese Commissie
hebben laten zien dat ze vooruitgang hebben geboekt op het gebied van
waterkwaliteit en dergelijke. Maar als mevrouw Van der Plas voor mij
bepaalde lectuur heeft, dan wil ik die graag meenemen en dan zal ik daar
in het volgende debat op terugkomen bij haar.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik hoorde de minister belangrijke Eurocommissarissen noemen, maar ik mis
er eentje: de Eurocommissaris voor Dierenwelzijn, de heer Várhelyi.
Wordt er ook met hem gesproken? Want dat is wel belangrijk.
Minister Van Essen:
Het antwoord is: ja, maar niet door mij. Daar zal de staatssecretaris zo
misschien verder op ingaan. Ik begrijp dat u dat belang aanstipt.
Ik ga nog even verder met de vragen van mevrouw Van der Plas over de
afhankelijkheid van kunstmest. Ik zie, net als mevrouw Van der Plas, dat
kunstmest een groot negatief effect heeft rondom het gebruik van
fossiele brandstoffen. Ik vind het belangrijk om stevig in te zetten op
de vooruitgang en het kunnen gebruiken van gerecyclede of circulaire
meststoffen, bijvoorbeeld via de opschaling van RENURE. Dat heeft mijn
voorganger ook gedaan. Nederland heeft net de notificatie uitgestuurd
waardoor het op korte termijn gebruikt kan worden, zodat de mest die er
nu is en afgevoerd moet worden, weer gebruikt kan worden en als
vervanging kan dienen voor kunstmest. Ik vind het belangrijk om ook op
die innovatie in te zetten, om op die manier minder afhankelijk te
worden van het gebruik van kunstmest.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Kunstmest is ook vervuilender voor de waterkwaliteit dan het gebruik van
dierlijke mest. Mijn vraag aan de minister is: kent hij het rapport van
Herman de Boer van de Wageningen Universiteit?
Minister Van Essen:
Ja, dat rapport kennen we. Ik hoor wat mevrouw Van der Plas zegt over
wat kunstmest doet voor het gebruik van fossiele brandstoffen en voor de
waterkwaliteit, wat juist een hele grote opgave is. Ik benadruk nogmaals
dat het heel goed is dat ook het vorige kabinet vol heeft ingezet op het
mogen gebruiken van circulaire principes, zoals bij RENURE. Dat vind ik
belangrijk en daar gaan wij ook volop mee door.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Landen die goud, lithium, olie of andere grondstoffen hebben waar de
wereld om vraagt, zullen daar nooit afstand van doen. Wij hebben in
Nederland een hele waardevolle grondstof, namelijk dierlijke mest. Vindt
de minister het niet raar dat wij onze waardevolle grondstoffen
verkwanselen ten behoeve van kunstmest? Wat wil de minister gaan doen om
RENURE hier zo snel mogelijk geïmplementeerd te krijgen?
Minister Van Essen:
Wat betreft dat laatste: nadat de notificatie is goedgekeurd, gaan we
snel nationale wetgeving invoeren, juist omdat dat een grote prioriteit
is. Ik hoor mevrouw Van der Plas zeggen dat dierlijke mest versus
kunstmest voor- en nadelen heeft. Maar ik wil ook benadrukken dat we als
Nederland echt een grote opgave hebben om de negatieve gevolgen van die
grote hoeveelheid dierlijke mest te verminderen. Dat is een belangrijke
opgave voor mij.
Er wordt strak getimed, hoor ik.
De voorzitter:
Time flies when you are having fun!
Minister Van Essen:
We hebben nog kansen genoeg om elkaar te bevragen in de komende
debatten.
De voorzitter:
Zo is het. De minister gaat gauw door.
Minister Van Essen:
Bij het begrotingsdebat was ik lang aan de beurt, dus de heer Erkens en
ik wisselen het een beetje af.
Ik ga verder met de vraag van mevrouw Bromet over de bodembescherming
binnen het Noordzeeakkoord en over de overleggen die hebben
plaatsgevonden over de 1,2%. In mijn kennismakingsronde met alle mensen
die bij het Noordzeeakkoord betrokken zijn, ben ik er nadrukkelijk op
gewezen dat dit een gevoelig punt is. Ik heb met hen afgesproken dat ik
mij hierin ga verdiepen en dat ik het besluit wil bekijken om te zien of
ik me daarin kan vinden. Ik ben het met mevrouw Bromet eens dat juist
zo'n Noordzeeoverleg ontzettend waardevol is. Als ik het goed zeg, heeft
u op 16 april een debat over de visserij. Ik zal hier dan op terugkomen
met een antwoord. Dat was een concrete vraag.
Voorzitter. Er is nog gevraagd hoe ik samenwerk met IenW. Ik heb mijn
eerste overleg in week één of aan het begin van week twee gehad met de
heer Karremans, de minister van IenW. Dat was het bestuurlijk overleg
over de Kaderrichtlijn Water, met de provincies en de waterschappen. We
kregen complimenten van de medeoverheden over hoe we samen optrekken,
zowel in wat we zeggen als in hoe we de boel voorbereiden. Ik kan dus in
algemene zin zeggen dat er nauw wordt samengewerkt met het ministerie
van IenW, zeker op het gebied van de waterkwaliteit. Dat geldt ook voor
het achtste ap. Dat staat ook centraal in dat overleg.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet wil daar meer over weten.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Zijn de minister en zijn collega Karremans nog steeds van plan om de
doelen van de Kaderrichtlijn Water te gaan halen?
Minister Van Essen:
Ja, die motie is door uw Kamer aangenomen bij het niet aannemen van het
achtste ap eind vorig jaar. Dat waren volgens mij de moties van het lid
Kostić en de heer Grinwis. Die beide moties betrekken we bij het
opstellen van het achtste actieprogramma. Die moties zijn wat mij
betreft duidelijk. Ik ben nog iets vergeten te zeggen wat ook
interessant is. De heer Karremans en ik willen Eurocommissaris Roswall
beiden ontvangen als zij naar Nederland komt, juist om een signaal af te
geven. Dat was volgens mij de laatste vraag. O nee, ik heb hier nog een
nieuw mapje. Het is geen apart blokje, voorzitter. De vraag was of ik me
kan verzetten tegen de vleestaks. De Europese Commissie bereidt in
Brussel zowel een eiwitstrategie als een veeteeltstrategie voor. Dat
wijst op het belang van deze sectoren voor de autonomie en
voedselvoorziening in de EU.
Naast de vleestaks vroeg de heer Jansen of er een extra lastenverzwaring
komt voor onze veehouders. Lastenverzwaring is niet het uitgangspunt.
Innovatie en vernieuwing zullen het uitgangspunt zijn, zoals ik net ook
al aangaf. Dat wordt mijn inzet. Op dit moment liggen er ook geen
concrete voorstellen in Brussel voor een EU-brede vleestaks. Het zijn
ook primair nationale bevoegdheden.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dan toch een kleine vraag. Lastenverzwaring is niet de intentie — dat
snap ik — maar hoe gaat de minister het dan voorkomen op het moment dat
het toch op tafel komt?
Minister Van Essen:
Het zijn onze eigen bevoegdheden. Zowel de staatssecretarissen als ik
hebben het op dit moment niet op onze bureaus liggen. Dan is het op dit
moment ook niet aan de orde.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Chris Jansen (PVV):
Dan toch de daaropvolgende vraag. Welk belang gaat dan voor, het
EU-belang of het Nederlandse belang?
Minister Van Essen:
Zowel in Brussel als bij ons ligt dit niet op tafel. Ik zie dus geen
tegenstelling tussen ons belang en het EU-belang. Als we er zelf over
gaan, maakt dat het ook mooi makkelijk.
De heer Lohman (CDA):
Een duidelijk verhaal over vleestaks. Er wordt ook weleens gesproken
over een bredere vorm van prijsprikkels om gewenste consumptie te
supporten. Bent u bereid om in de EU te pleiten voor pilots of
samenwerkingen rondom bijvoorbeeld true pricing?
Minister Van Essen:
True value en true pricing zijn een taal die ik ook bij maatschappelijke
en commerciële partijen zie. Het is een initiatief om breder te steunen.
Waar dat kan, wil ik dat ook inbrengen. Qua ketenaansprakelijkheid maakt
dit voor anderen namelijk heel veel duidelijk. Ik wil het dus gerust
meenemen. Ik moet nog even kijken of het op deze agenda past. Anders doe
ik het op een ander gezet tijdstip.
De voorzitter:
Volgens mij kunnen we dan over naar de beantwoording door de
staatssecretaris. Aan u het woord, staatssecretaris.
Staatssecretaris Erkens:
Dank u, voorzitter. Ook namens mij gefeliciteerd met uw voorzitterschap.
Ik begreep dat het een Noord-Koreaanse uitslag was! Dat kan alleen maar
veel goed beloven voor deze periode. Ik snap ook dat de
portefeuilleverdeling door al het geswitch tussen de minister en mij
verwarrend kan zijn voor de Kamerleden. We zullen dus proberen om niet
elk debat met z'n tweeën te doen. Dan wordt het een stuk eenvoudiger,
denk ik — vooral voor mij!
Zoals de minister al aangaf, zullen we tijdens de LVR in Brussel
gezamenlijk kennismaken met een aantal Eurocommissarissen en
collega-ministers. We hebben ook een aantal losse afspraken. Het lid
Kostić vroeg daar net naar. We hebben onder anderen een afspraak met
Várhelyi, van Gezondheid en Dierenwelzijn, en Kadis, van Visserij en
Oceanen. Die zal ik ook nog spreken in mijn bezoek aan Brussel. Ik kijk
erg uit naar de samenwerking met de collega's uit andere landen. Ook ik
wil werken aan een goede relatie, om de Nederlandse belangen en
prioriteiten te realiseren, onder andere op het gebied van
gewasbescherming, innovatie, dierenwelzijn en visserij.
In het bijzonder wordt er bij deze Raad gesproken over de
energietransitie in de visserij en de agricultuursector. Dat is een kans
om te werken aan een toekomstbestendige sector. Tegelijkertijd zullen we
de discussie ook voeren in het licht van de hoge energieprijzen. Ik zal
in het blokje visserij nog ingaan op het standpunt van het kabinet
daarover.
De blokjes zijn gewasbescherming, visserij en overig. Ik zal beginnen
met gewasbescherming, want dat is het grootste mapje. Het is nog goed om
te weten dat er over het BNC-fiche een schriftelijk overleg is gevoerd.
Dat zal op korte termijn naar de Kamer gestuurd worden. Het vergt veel
afstemming met andere departementen en het gaat richting de 40 pagina's
aan beantwoording. Op die manier krijgt u nog veel vragen terug.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Heb ik nou niet opgelet of is er geen blokje dierenwelzijn?
Staatssecretaris Erkens:
In het blokje overig zitten de vragen over dierenwelzijn. Die vragen
kwamen alleen van u, lid Kostić. Het was geen volledig blokje, maar het
is wel het prominente onderwerp in dat blokje. Bewaar vooral een aantal
interrupties voor het einde, zou ik zeggen! De voorzitter is daar heel
streng op.
Over de Omnibuswetten — ik noem de Food and Feed Omnibus — zijn een paar
vragen gesteld, onder anderen door de leden Kostić en Bromet, alsook
andere Kamerleden. Bij mijn inzet op het voorstel leg ik prioriteit op
het versimpelen van regelgeving waar dat kan. Daarbij moet de veiligheid
voor mens, dier en milieu behouden blijven. Dat is ook conform het
BNC-fiche dat we naar uw Kamer gestuurd hebben. Het Omnibusvoorstel voor
de veiligheid van voedsel en diervoeder is een breed voorstel. Er zit
veel in. De nadruk ligt wel op gewasbescherming.
Hierover heeft de Kamer inderdaad een motie aangenomen. Die is ook
meegenomen in het BNC-fiche. De genoemde motie, de motie-Podt/Bromet,
verzoekt de regering om met een kopgroep in Brussel te pleiten voor
voorstellen die de toelating van laag-risicomiddelen bevorderen, maar
met klem te pleiten tegen voorstellen die de status quo op de toelating
van chemische middelen, en met name risicovolle middelen, verzwakken.
Heel concreet voeren we deze motie uit door actief tekstvoorstellen aan
te dragen die de toelating van laagrisicomiddelen bevorderen. Aan de
andere kant dragen we op dit moment voorstellen aan die de veiligheid
van het nieuwe herbeoordelingssysteem voor werkzame stoffen waarborgen
en die daarmee tenminste de status quo van het beschermingsniveau zouden
moeten behouden. Op die manier voeren we de motie uit.
Daarmee pleiten we niet tegen het complete voorstel, maar proberen we in
het proces met andere lidstaten en verbondjes op dat vlak het voorstel
te verbeteren. Daarnaast hebben we hierover contact met andere
lidstaten. Dat zal ik in de komende Landbouw- en Visserijraad wederom
oppakken met collega-lidstaten die ik daar spreek.
De voorzitter:
Ik ga eerst naar het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De cruciale vraag is hoe de staatssecretaris en het kabinet borgen dat
er inderdaad geen extra schade van milieu en gezondheid optreedt. Hoe
wordt dat getoetst?
Staatssecretaris Erkens:
Ik heb een heel blokje met beantwoordingen. Ik zou daar eerst doorheen
kunnen lopen. Hopelijk zijn een aantal van de interrupties daarmee
beantwoord en als dat niet zo is ... Zo bent u ook niet uw interrupties
kwijt.
Voorzitter, ik ga er snel doorheen. Er zijn een aantal vragen
gesteld.
De voorzitter:
Ik ga toch eerst even naar mevrouw Bromet, want zij had ook nog een
vraag.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik hou hem onder de 30 seconden. Ik vind het tot nu toe een schimmig
verhaal, dus ik hoop dat er zo meteen inderdaad wat concretere
antwoorden komen.
De voorzitter:
Dan gaat de staatssecretaris vooral verder.
Staatssecretaris Erkens:
Dat gaan we zien, mevrouw Bromet. Er komt sowieso een schriftelijk
overleg met heel veel detail, van bijna 40 pagina's. Dan wordt het
hopelijk een stuk minder schimmig voor de Kamerleden.
Voorzitter. Ik kreeg een vraag van mevrouw Den Hollander over de eerste
indruk. We zijn blij met het initiatief om regelgeving te versimpelen.
Dat is ook hard nodig om competitief te blijven. Tegelijkertijd willen
we daarbij wel het belang van de veiligheid van mens, dier en milieu
waarborgen.
Mevrouw Den Hollander had ook een vraag over het zich op Europees niveau
inzetten voor een risicogebaseerde herbeoordeling, mits het
beschermingsniveau gelijk blijft. Ik begrijp goed dat de Commissie heeft
gekeken naar het opnieuw inrichten van de herbeoordelingen van werkzame
stoffen van gewasbeschermingsmiddelen. Het huidige systeem is gewoon
vastgelopen en zorgt voor enorm lange wachttijden. Het remt daarmee ook
innovatie in de toelating van nieuwe werkzame stoffen, ook de duurzame
variant. De voorgestelde risicogestuurde herbeoordeling is dus een mooie
eerste aanzet. Er zijn wel nog aanvullende waarborgen nodig, om het
systeem transparanter, uitvoerbaar en veiliger te kunnen maken. Daarover
gaan de tekstvoorstellen die we nu aan het doen zijn en die ik net
noemde ook. Een risicogestuurd systeem kan er namelijk voor zorgen dat
zaken inderdaad sneller goedgekeurd worden. De inrichting van het
risicogestuurde systeem bepaalt natuurlijk wel of er voldoende
waarborgen in zitten. Hoe vaak herbeoordeel je het? Wat voor eisen stel
je bij het systeem? Waar baseer je de risicosturing op?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Hartelijk dank voor uw antwoord over de herbeoordeling,
staatssecretaris. In aansluiting daarop: hoe kijkt de staatssecretaris
naar het uitfaseren van stoffen die niet meer toegelaten zijn?
Staatssecretaris Erkens:
Dat gebeurt op dit moment op basis van de wetenschap. Een heleboel
stoffen worden van tijd tot tijd opnieuw getoetst op basis van het
huidige wetenschappelijke onderzoek dat bekend is. Dat doen we vooral
vanuit Europa. Op het gebied van middelen kijken we daar in Nederland
naar vanuit de Ctgb. Het is op dit moment ook niet een van de inzetten
die we bij het Omnibusvoorstel hebben. Het gaat nu echt om het
herbeoordelingssysteem dat we hebben, om het risicogestuurd zijn en om
de vraag hoe we ervoor zorgen dat de waarborgen ingebouwd worden.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Aanvullend. Erkent de staatssecretaris enerzijds dat het heel belangrijk
is om die uitfasering door te zetten? Je wil stoffen die niet veilig
zijn, natuurlijk niet gebruiken. Erkent hij anderzijds dat er ook een
risico aan kleeft dat je bepaalde ziekten niet meer kunt bestrijden? Hoe
weegt u dat, staatssecretaris?
Staatssecretaris Erkens:
Nogmaals, een groot deel wordt gewogen op Europees niveau. Daar brengen
we onze inbreng op. Daarbij kunnen we zeggen dat het beschermingsniveau
in het risicogestuurde herbeoordelingssysteem behouden moet blijven. Dat
is ook de inzet met die tekstvoorstellen. Daarnaast willen we het
bijhouden op basis van de laatste stand van de wetenschap. We zien
namelijk dat de wetenschap voortschrijdt en nieuwe risico's
identificeert. In die voorstellen wordt dan ook gewogen hoeveel tijd er
is voor de overgangsperiode om van een stof te kunnen overstappen op wat
anders. Dat is inderdaad een spanningsveld in dit dossier. Aan de ene
kant is gewasbescherming noodzakelijk om de oogst en de teelt te
beschermen. Dan moet er iets in het middelenpakket zitten om de stof te
kunnen vervangen. Tegelijkertijd willen we nadelige effecten de komende
jaren wel met elkaar verminderen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Tot slot. We zijn in Nederland druk bezig met een convenant. De
staatssecretaris is ook hard aan het werk om dat nog voor de zomer enige
vorm en inhoud te geven. Wordt in Europa ook besproken hoe we dat in
Nederland gaan doen? Gaan andere landen dat op een soortgelijke wijze
aanvliegen?
Staatssecretaris Erkens:
Op dit moment hebben we het nog niet meegenomen in Europa. Ik vind het
wel een goed voorstel, dus we kunnen het in die gesprekken meenemen. Dat
is het mooie van het convenant en het Ctgb op dit vlak. Europa
beoordeelt met name de stoffen. Op dat vlak proberen we het voorstel dus
zo goed als mogelijk te versterken. Tegelijkertijd zouden we, als het
voorstel aangenomen zou worden en als we ontevreden zijn met de
resultaten die op dat vlak uit Europa komen, met het Ctgb, maar ook met
het nationale convenant, natuurlijk nog aanvullende waarborgen in
Nederland kunnen kiezen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Erkens:
Ja, voorzitter. Een aantal vragen heb ik al beantwoord. Specifieke
vragen van het lid Kostić gingen nog over maatregelen die we nemen om
een aantal zorgen serieus en structureel op te pakken, onder andere
vanuit milieuorganisaties. Een draaide daarbij om aanvragers die zelf
verantwoordelijk blijven voor herbeoordelingen van dossiers. Dat blijft
zo. Dat vinden we van belang.
Voorzitter. Dan zijn er nog een aantal vragen over pfas.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mijn concrete vraag hierover is nog niet beantwoord. Misschien kan de
staatssecretaris kijken of daar iets meer over staat in zijn
papieren.
Staatssecretaris Erkens:
Ik heb nog vragen van het lid Kostić over vertragingen door
halfwerkproducenten en waar de rekening neergelegd wordt. Die komt er
nog aan. Ik heb nog vragen over gewasbeschermingsmiddelen en drift naar
biologische boeren. Eigenlijk alle vragen die ik nog heb, zijn van het
lid Kostić.
De voorzitter:
Ik hoor dat er nog een hele hoop antwoorden aankomen.
Staatssecretaris Erkens:
Dit hele stapeltje is nog voor het lid Kostić.
De voorzitter:
Kijkt u eens aan!
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik had nog een vraag over het Europees Hof: hoe wordt de uitspraak
daarvan meegenomen in het Omnibusvoorstel?
De voorzitter:
Wellicht kan de staatssecretaris dat meenemen.
Staatssecretaris Erkens:
Ja, voorzitter. Het zit er allemaal in. Zal ik ze gewoon even
doorlopen?
De voorzitter:
Het zit er allemaal in. De staatssecretaris gaat heel gauw verder met de
beantwoording van de vragen.
Staatssecretaris Erkens:
Het is een flinke stapel, voorzitter.
De vraag over halfwerkproducenten. "Deelt de staatssecretaris de mening
dat de rekening moet worden neergelegd waar dat hoort?". Daar staat bij:
"gifproducenten". Ik zou zeggen: gewasbeschermingsmiddelproducenten. Ik
vind het wat dat betreft in dit dossier van belang dat we toewerken naar
hetzelfde doel, namelijk het laten afnemen van de schadelijke effecten.
Tegelijkertijd moeten we de gewasbeschermingsmiddelen die wel nodig zijn
en die steeds minder schadelijk worden, met elkaar blijven uitleggen. Ik
vind het hierbij belangrijk dat herbeoordelingen van werkzame stoffen
goed en tijdig worden afgerond. Dat aanvragers wellicht doelbewust
dossiers traineren, kan niet. Ik ben blij dat de Europese Commissie
heeft aangekondigd om hier meer aandacht aan te geven en geen tijdelijke
verlenging van de goedkeuring aan lidstaten voor te leggen wanneer een
aanvrager niet levert wat verwacht mag worden.
Voorzitter. Dan de vragen over drift, het overwaaien van
chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen naar een biologisch
areaal. Welke maatregelen gaan wij nemen om dat te voorkomen? Het
probleem is bekend. We nemen het ook serieus. We zijn in gesprek met
diverse partijen om er een oplossing voor te vinden. Het is lastig om
dit op heel korte termijn in één keer te kunnen oplossen, maar het heeft
zeker aandacht. We zullen het daarom ook in het convenant betrekken. We
zullen daarover in de brief van voor de zomer misschien de eerste
richtingen delen richting de Kamer. Zo weet u naar welke
oplossingsrichting we kijken.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat laatste is goed, maar de boeren zitten nu al met de problemen, onder
andere door hoge kosten. Het lijkt me dus goed dat het kabinet hier een
prioriteit van maakt. Ik zou een richting willen geven. Misschien kunnen
we kijken of we de gifproducenten wat meer kunnen laten meebetalen, om
de biologische boeren te vergoeden voor de schade, in ieder geval op de
korte termijn.
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben bereid om hier met prioriteit naar te kijken. Ik snap dat het
voor de biologische boeren en sector heel moeilijk uitlegbaar is. Je
moet namelijk voldoen aan een aantal voorwaarden. Dan krijg je dit
nieuws. Dat is allesbehalve wenselijk. Ik ga in de komende twee weken
bij het Ctgb langs. Ik zal het daar ook bespreekbaar maken en kijken wat
de oplossingen kunnen zijn. Ik kom er dan op terug in de Kamerbrief over
het convenant.
De voorzitter:
Een korte vervolgvraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap even niet waarom het Ctgb hierbij betrokken moet worden. Het
gaat erom dat landbouwgif terechtkomt bij biologische boeren. Die moeten
voor de schade betalen. Volgens mij moet de minister de oplossing dus
zoeken in het voorkomen ervan dan wel het vergoeden van biologische
boeren. Dat over het Ctgb snap ik nog niet.
Staatssecretaris Erkens:
Het Ctgb gaat over de verschillende oplossingsrichtingen die mogelijk
zouden kunnen zijn in welke gewasbescherming ingezet wordt naast de
percelen, over wat voor driftreducerende technieken er mogelijk zijn et
cetera. Het is dus wel een onderdeel van de puzzel, zou ik zeggen.
Dan ga ik door, voorzitter. We zien dat producenten bij herbeoordeling
doelbewust onvolledige dossiers aanleveren, waardoor procedures worden
vertraagd. Het Europese Hof van Justitie heeft daar een uitspraak over
gedaan, zoals lid Kostić aangaf. Er moet worden gecontroleerd of dit is
gebeurd. De vraag was: kan de staatssecretaris aangeven hoe de uitspraak
van het Europese Hof wordt gebruikt in het Omnibusvoorstel? Ik vind het
belangrijk dat herbeoordelingsdossiers goed en tijdig worden
afgehandeld. Zoals ik al eerder zei, vind ik het niet kunnen dat er wat
dat betreft getraineerd wordt. De Europese Commissie heeft dus toegezegd
om hierop toe te zien en dus inderdaad geen tijdelijke verlengingen voor
stoffen te geven als aanvragers niet hebben gedaan wat van hen verwacht
mag worden. Dat nemen zij dus ook mee in de voorstellen die besproken
worden. Hierin steunen wij de Europese Commissie. Dit betreft de
Europese beoordeling van dossiers. Het is daarmee een Europese
aangelegenheid, maar de Commissie heeft daarvoor wat ons betreft een
goed voorstel gedaan. Binnen het Omnibusvoorstel zijn wij voorstander
van heldere verplichtingen voor aanvragers, zodat de partijen ook weten
wat er van hen verwacht mag worden.
Voorzitter, de laatste vraag gaat over pfas in bestrijdingsmiddelen: kan
de staatssecretaris toezeggen te pleiten voor een verbod op pfas in
bestrijdingsmiddelen en daarvoor bondgenoten zoeken, bijvoorbeeld
Denemarken? Het verbod op pfas-houdende stoffen is in het
coalitieakkoord breed bedoeld. Daar zetten we ook op in. We zijn al
begonnen met kijken naar het verminderen van de impact bij
gewasbeschermingsmiddelen, omdat daar ook wetenschappelijke aanleiding
voor is. We vinden het belangrijk dat gewasbeschermingsmiddelen alleen
mogen worden toegepast wanneer dat veilig kan. Dit geldt voor alle
stoffen die onder de pfas-definitie vallen. Iedere stof wordt
individueel bekeken. Nederland heeft hier in Europa ook nadrukkelijk
voor gepleit. We pleiten nu niet voor een algeheel verbod in
gewasbescherming — dat pakken we in den brede op; vooral de collega
vanuit IenW gaat daarmee aan de slag — maar bij twijfels zal het Ctgb
elke stof of elk middel opnieuw bekijken. Zo heeft het Ctgb aangekondigd
om 46 pfas-middelen opnieuw te beoordelen op basis van de
wetenschappelijke informatie uit Denemarken, die ons ook bekend is. De
Kamer is hierover geïnformeerd. Ik zal uw Kamer ook informeren over de
uitkomsten van de herbeoordeling zodra die bekend zijn.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De pfas, die overal zit en waardoor je geen eitjes meer van je eigen
kippen kan eten, is zeer zorgelijk. Op welke termijn kunnen we hier
besluiten over verwachten? Elke dag dat we langer wachten, wordt er
namelijk meer pfas over ons land uitgestrooid en verspreid.
Staatssecretaris Erkens:
Ik stel voor dat ik in tweede termijn terugkom op de tijdlijn, want dit
ligt bij de collega van IenW. Die planning heb ik nu niet scherp. Ik heb
wel aangegeven dat we vanuit LVVN niet stil gaan zitten, dus bij
wetenschappelijk bewijs voor de schadelijkheid kijkt het Ctgb ernaar.
Daarover zullen we u informeren. We zullen kijken of we voor de tweede
termijn vanuit IenW te horen krijgen wat ongeveer de tijdlijnen
zijn.
De voorzitter:
Als we een tweede termijn willen, moeten we wel een klein beetje
opschieten, zowel aan de vragenkant als wat betreft de compactheid van
de antwoorden van de staatssecretaris.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het gaat erom dat het kabinet een uitgebreid pfas-verbod wil, omdat het
per definitie niet goed is. Het mankement is dat het verbod op pfas in
bestrijdingsmiddelen mist. Mijn concrete vraag is dus of het kabinet
bereid is om met bijvoorbeeld Denemarken op te trekken om daar een
verbod voor in te stellen?
Staatssecretaris Erkens:
We zetten ons dus in op een breder verbod in Europa op het gebied van
pfas. Dat ligt bij de collega van IenW, maar ik probeerde net aan te
geven dat de situatie in Denemarken ook vanuit Nederland gevolgd wordt,
dat we contact hebben met de collega's en dat aan de hand daarvan 46
stoffen die mogelijk schadelijk zijn, al herbeoordeeld worden. We gaan
er dus mee aan de slag, maar het bredere traject ligt bij IenW.
De voorzitter:
Volgens mij kunt u beginnen aan het blokje visserij.
Staatssecretaris Erkens:
Het blokje visserij is ook vrij uitgebreid.
De voorzitter:
Wellicht kunt u het herhalen van de vragen overslaan.
Staatssecretaris Erkens:
De helft van de vragen overslaan? Dan krijg ik die via interrupties
terug, voorzitter.
De voorzitter:
Het herhalen, niet de helft.
Staatssecretaris Erkens:
Dat zal ik voorkomen, voorzitter.
Er waren een aantal vragen over het gemeenschappelijk visserijbeleid,
onder anderen van de heer Lohman. Gaat de minister zich inzetten voor de
implementatie, zodat die leidt tot zowel herstel als een reëel
verdienmodel? Van alle aspecten vormen duurzaamheid en
sociaal-economische aspecten de pijlers van het GVB. Duurzaam beheer van
visbestanden is gebaseerd op de zogeheten maximum sustainable yield,
waardoor er in principe voldoende vissen overblijven om als bestand voor
de lange duur te overleven. Alleen het surplus kan worden bevist.
Tegelijkertijd is er oog voor het economische verdienvermogen van
vissers en het sociale belang van die gemeenschappen. Wij gaan ons dus
ook inzetten voor die pijlers van het gemeenschappelijk
visserijbeleid.
De heer Lohman (CDA):
Ik heb een korte vraag ter verduidelijking. Kan ik daaruit opmaken dat u
zich inzet voor het versterken en het behoud van het GVB, en dat u niet
meegaat in eventuele versoepelingen daarin, zoals door sommige partijen
wordt voorgesteld?
Staatssecretaris Erkens:
Het GVB bestaat nu al een heel tijdje. Er is nu inderdaad een ronde
waarin lidstaten kunnen aangeven wat er mogelijk verbeterd kan worden.
Aan de hand daarvan zal de Commissie in mei dit jaar, volgens mij,
beslissen of er een herziening aankomt. Nederland staat open voor een
herziening, maar dat zou zijn vanuit de insteek om het te verbeteren,
omdat we een aantal knelpunten hebben gezien in de praktijk. We zien ook
op het gebied van verduurzaming dat bijvoorbeeld schepen die langer dan
24 meter zijn, niet mogen meedoen met verduurzamingsmaatregelen. Er
zitten dus ook gewoon een aantal zaken in die we als Nederland verbeterd
zouden willen zien. Als de Europese Commissie besluit tot herziening,
zullen we uw Kamer uiteraard tijdig informeren met een BNC-fiche, zodat
we over de inzet van Nederland van gedachten kunnen wisselen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Erkens:
De heer Lohman vroeg ook naar de brandstoftransitie in de visserij.
Zoals gesteld in het coalitieakkoord zet het kabinet in op het
toekomstbestendig maken van de visserij. Een belangrijk onderdeel
hiervan is het inperken van het brandstofverbruik van de vaartuigen en
het inzetten op innovatie. Hiervoor zullen we in 2026 twee
subsidieregelingen openstellen, waarmee de visserij- en de
schepdiersector energie-efficiënte investeringen kunnen doen in
vissersvaartuigen. Het doel van de regelingen is het verbeteren van de
energie-efficiëntie en het verminderen van de uitstoot van
broeikasgassen. Hierbij zetten we ons ook in om in de komende jaren
innovatiesubsidies voor de visserij open te stellen. Met die regelingen
kunnen ook innovaties en onderzoeken gericht op verduurzaming van
vistuigen en -technieken worden ondersteund, waaronder netinnovaties.
Dat valt daar dus onder.
Voorzitter. Mevrouw Den Hollander vroeg naar de Europese plannen voor
klimaatneutraliteit op dit vlak en wat die betekenen voor de
kottervloot. De stijgende brandstofprijzen hebben nu al een enorme
impact op de visserijsector. Ik zal daar dadelijk nog wat langer op
terugkomen. De energietransitie is op dit vlak van belang om het
brandstofverbruik te laten afnemen. De Europese Commissie is voornemens
een roadmap voor de energietransitie van de visserij en aquacultuur te
publiceren, samen met een visie voor 2040. Zodra deze plannen er zijn,
zullen we de appreciatie daarvan wederom met de Kamer delen. Daarnaast
werk ik eraan de Nederlandse situatie onder de aandacht te brengen bij
de Europese Commissie. Hierbij vragen we bijvoorbeeld ook aandacht voor
de belemmeringen in het huidige steunkader, mocht Nederland inderdaad
die stap zetten. Dat ga ik maandag en dinsdag dus ook bij mijn collega's
ter sprake brengen. Daarnaast werken we aan twee subsidieregelingen,
waarover ik al heb verteld.
Het is misschien nog handig om hierbij het volgende te zeggen over
klimaatneutraliteit. De heer Jansen had daar inderdaad ook nog vragen
over. Hebben we dan nog een visserijsector in 2050 en moet de focus niet
meer liggen op de korte termijn? Er is op dit moment nog geen volledig
klimaatneutraal vaartuig voor de visserij. De sporen waarop we op dat
vlak inzetten, zijn aan de ene kant die van Europese innovatie om te
komen tot klimaatneutrale oplossingen. Aan de andere kant zal de focus
van dit kabinet in de komende jaren heel erg liggen op de
energie-efficiëntie, om het brandstofverbruik omlaag te kunnen brengen.
Dat helpt met verduurzaming, maar helpt ook om ervoor te zorgen dat we
in de komende jaren steeds minder kwetsbaar worden voor hoge
energieprijzen.
Voorzitter. Mevrouw Den Hollander had nog meer vragen over innovaties.
Die heb ik volgens mij net allemaal beantwoord bij de vragen van de heer
Lohman, dus die sla ik over. De vraag van de heer Jansen heb ik net ook
beantwoord.
De heer Jansen had nog een vraag over de concurrentiepositie. Ik vind
het gelijke speelveld van de Nederlandse en Europese vissers hierin van
groot belang, ook richting derde landen. In de verschillende relevante
internationale en Europese gremia, van de Landbouw- en Visserijraad tot
de werkgroepen, zet het kabinet zich hiervoor in. Hierbij wil ik
specifiek aandacht vragen voor de rol die de Russische Federatie speelt,
ook bij overbevissing op sommige vlakken. Ik kom daar dadelijk bij het
onderwerp makreel ook op terug. De inzet van het kabinet is erop gericht
om aan de ene kant het verdienvermogen van de Nederlandse visserijvloot
te beschermen en aan de andere kant te kijken wat voor acties er op dat
vlak mogelijk zouden zijn. Dat is best wel complex — daar zullen we
dadelijk op ingaan — maar dat is iets wat ik zal meenemen naar de
discussies die maandag en dinsdag in Brussel plaatsvinden.
Dan de vragen van het lid Vellinga over het GVB. Daar heb ik inderdaad
het een en ander over verteld. Onze inzet zal daarbij niet zijn om het
GVB af te zwakken op dit vlak, maar inderdaad wel om te kijken naar
verbeteringen. Dat gaat over de aanlandplicht, die Nederland heeft
geagendeerd, maar ook over verduurzaming. Ik noemde net de scheepslengte
van 24 meter. Wat dat betreft is er ook het niet kunnen subsidiëren van
nieuwbouw om echt te komen tot een nieuwe vloot. Er zijn dus een aantal
zaken die zouden kunnen helpen met de verduurzamingsagenda op dat vlak.
Mocht er een voorstel komen, dan komt er een BNC-fiche.
Voorzitter. Er zijn ook vragen gesteld over het implementeren van het
huidige GVB. Daar werken we samen met andere lidstaten aan. Mijn
voorganger heeft samen met andere lidstaten diverse punten ingebracht
bij de Landbouw- en Visserijraad van 27 november 2025. Daarbij zijn ook
aandachtspunten met de Europese Commissie gedeeld.
Voorzitter. Dan waren er vragen van het lid Vellinga over aquacultuur en
mooie initiatieven op dat vlak, die zij hoopt terug te zien in de visie
voor 2040 voor visserij en aquacultuur. Die komt in het derde kwartaal
van dit jaar uit. Dat gaf het lid Vellinga ook aan. De aquacultuursector
in Nederland is belangrijk voor duurzame aquatische voedselproductie.
Ook bestaat aquacultuur in Nederland uit verschillende typen, zoals de
kweek van schelpdieren in open water en de viskweek in
recirculatiesystemen. Voor het bevorderen van aquacultuurinitiatieven
zijn eerder al succesvol meerdere subsidieregelingen opengesteld. Deze
zomer zullen we een nieuwe regeling daarvoor openstellen. Daarnaast vind
ik het belangrijk dat aquacultuur een goede plek krijgt in de visie van
2040. Hiervoor hebben we inderdaad ook aandacht in de uitvoeringsagenda
die we samen met de sector ontwikkelen, geheten De Nederlandse visie op
voedsel uit zee en grote wateren. Spoedig, zodra die agenda rond is,
hoop ik u die te doen toekomen, zodat we daarover met elkaar in debat
kunnen gaan. Dat is een agenda die is opgesteld door de sector, samen
met maatschappelijke partijen en onder leiding van de heer Bisschop, van
de SGP. Daar staan heel veel mooie initiatieven op dit vlak in.
De heer Chris Jansen (PVV):
Ik heb een hele korte vraag. De staatssecretaris zegt: we gaan met name
inzetten op brandstofbesparing. Dat snap ik. Dan is de vraag natuurlijk
of de staatssecretaris in Brussel dan ook volle bak gaat op de
pulskorvisserij, aangezien brandstofbesparing daarbij ook een grote rol
speelt.
Staatssecretaris Erkens:
Dat is een goed punt van de heer Jansen. Ik heb bij de begroting gezegd
dat ik bereid ben me daarvoor in te zetten. Ik denk sowieso, horende het
debat hier in de Kamer, dat dit een dossier is waarvan iedereen de
voordelen zou kunnen zien. Pulskorvisserij zorgt voor minder
bodemberoering en zorgt ervoor dat het brandstofverbruik van de
kottervisserij bijna kan halveren. Ik ben dus zeker bereid om dat te
agenderen, maar ik denk dat het lid Bromet terecht aangaf dat we dat op
een diplomatieke manier moeten doen. Ik zou namelijk echt willen dat we
hiervoor concreet deuren open kunnen krijgen. Ik zal het ook proberen te
agenderen in mijn bilaterale gesprekken met de collega's daar.
De voorzitter:
Een korte vervolgvraag van de heer Jansen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Waarop het mis is gegaan in het verleden, is dat wij Frankrijk zelfs
tien kotters hebben aangeboden, maar dat Frankrijk gewoon geen geld had
om zijn vloot te moderniseren. Dus hoe gaan we nou voorkomen dat we in
dezelfde valkuil terechtkomen?
Staatssecretaris Erkens:
Dat betekent in dit geval dat ik het hierover moet hebben in het gesprek
met de Franse collega. Ik denk dat de minister het net goed zei; het zal
ook in het dossier van visserij een kwestie van geven en nemen moeten
zijn. Als wij ruimte gaan vragen van een aantal lidstaten die hier
volledig tegen waren, zullen ze andersom ook naar Nederland kunnen
kijken bij dossiers die voor hen van groter belang zijn. Op die manier
zal ik proberen de deur weer op een kiertje te krijgen. Er ligt hier een
goede motie van mevrouw Van der Plas en mevrouw Den Hollander met het
verzoek om in ieder geval met experimenten te kunnen beginnen. Daarmee
starten zou het eerste houvast zijn voor mij in die gesprekken. Daarbij
wil ik wel benadrukken dat pulskorvisserij, ook gezien de huidige
energieprijzen, een hele mooie oplossing kan zijn voor de sector in de
komende jaren. Daar wil ik me dus zeker voor inzetten.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording. O, u vervolgt niet uw beantwoording, want
er is nog een korte interruptie van mevrouw Vellinga.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik kom heel kort nog even terug op de implementatie van het GVB. U zegt
terecht dat u dat onder de aandacht gaat brengen, maar dat is voor mij
nog wel wat vaag. Kunt u nog iets meer uitweiden over hoe u dat gaat
implementeren, ook met uw Europese partners, meer dan het er alleen met
elkaar over hebben?
Staatssecretaris Erkens:
Op dit moment roepen we dus op tot herziening van het GVB. Er zijn een
aantal knelpunten die volledige implementatie lastig maken. We hadden
het net over de aanlandplicht op dat vlak en er is nog een aantal andere
knelpunten. Die hebben andere lidstaten ook. Daarop leveren we nu dus
gezamenlijk input. Tegelijkertijd zijn we natuurlijk doorlopend met
elkaar in gesprek over hoe we zo goed mogelijk kunnen voldoen aan de
gestelde voorwaarden.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Het is mij toch nog wel iets vaag. Zegt de staatssecretaris nu: "Wij
gaan dit volledig implementeren; we gaan hier gewoon voor en we houden
de rest daaraan"? Of zegt hij: we streven ernaar?
Staatssecretaris Erkens:
Het GVB bestaat uit heel veel onderdelen. Het zou mij dan wel helpen om
specifiek te horen op welke onderdelen de zorgen op dit moment zitten,
maar we streven er uiteraard naar om het GVB te implementeren in
Nederland. Nu loopt de mogelijkheid tot het leveren van input voor wat
er in de herziening mogelijk zou zijn, om het daarmee ook beter
implementeerbaar te maken. Ik heb net al de aanlandplicht genoemd. Het
is gewoon complex voor de visserij om daaraan te voldoen. Daar zitten
ook nadelen aan. Tegelijkertijd is er ook een aantal zaken dat andere
lidstaten moeilijk vinden bij de implementatie hiervan. Dat proberen we
op die manier dus gewoon te verbeteren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dit baart me zorgen. De staatssecretaris heeft het namelijk vooral over
de sector, terwijl het hierbij ook heel erg gaat over de belangen van de
natuur. Er is jarenlang structureel sprake van overbevissing. Nederland
speelt daar een grote rol in. De Europese Unie heeft ons op de vingers
getikt over de naleving van regels en het niet voldoen aan voldoende
viscontroles. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: welke rol ziet
hij zelf in het borgen van de belangen van de natuur hierbij? Dat geldt
ook voor dierenwelzijn, want vissen zijn helemaal niet beschermd,
ondanks dat het ook gewoon dieren zijn met gevoelens. Op welke manier
gaat hij die borgen?
Staatssecretaris Erkens:
Op twee manieren. De eerste gaf ik net aan. Er zit een aantal zaken in
het gemeenschappelijk visserijbeleid dat gewoon heel moeilijk
uitvoerbaar is in de praktijk. We leveren nu dus input aan om het
voorstel te verbeteren. Tegelijkertijd heeft het lid Kostić gelijk:
natuurbelangen spelen hier ook een rol in. Daarom trek ik ook samen op
met de minister om daar de komende periode stappen op te kunnen zetten
met elkaar.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Kan de staatssecretaris misschien met een brief komen waarin hij ingaat
op de staat van de overbevissing, de rol van Nederland, de NVWA-signalen
over fraude in de sector, de tik op de vingers vanuit de Europese
Commissie wat betreft de naleving van viscontroles vanuit Nederland, en
vooral ook wat de inzet van deze staatssecretaris zal worden voor
natuur- en vissenwelzijn in combinatie met de andere belangen?
Staatssecretaris Erkens:
Ik kan toezeggen dat we in de brief voor het commissiedebat Visserij op
deze punten zullen ingaan. Dat zal ik dan uiteraard ook afstemmen met
mijn collega, de minister die hier zit op het gebied van Natuur.
De voorzitter:
Goed. Gaat u verder met de beantwoording.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Heel veel vragen hebben we nu al gehad. Dan waren er nog
vragen van het lid Bromet over de subsidiepot van €550.000 voor duurzame
vaartuigen, die niet optimaal wordt benut. De beschreven subsidie is
beschikbaar voor de verduurzaming van binnenvaartschepen en niet voor
visserijschepen. Er zal dit jaar dus wel een nieuwe innovatieregeling
opengesteld worden met nationale middelen, om het gat deels te dichten.
Er komt dus hopelijk grotendeels een oplossingsrichting voor aan. Met
die regeling kunnen onder meer visserijondernemers innovatieprojecten
uitvoeren op dit vlak. Daarnaast komen er investeringsregelingen voor
energie-efficiëntie die worden opengesteld.
Voorzitter. Het lid Bromet had een vraag gesteld over het artikel in Het
Financieele Dagblad over het veroordelen van visfraude, hoe we dat
aanpakken en hoe we het geitenpaadje dichten. Laat ik beginnen met te
benoemen dat wij inderdaad tegen elke vorm van illegale visserij zijn en
dat ons beleid erop is gericht dat te bestrijden. Ook als ik het lees in
de krant, voelt het gewoon heel ongemakkelijk, en dan druk ik me nog
zachtjes uit. Illegale visserijactiviteiten worden vastgesteld op basis
van de Europese visserijwetgeving. Er wordt dus op Europees of
internationaal niveau besloten wanneer er sprake is van illegale
visserij. Er zijn hierbij duidelijke kaders die wij als Nederland moeten
hanteren om de illegale visserij tegen te gaan en te controleren.
De situatie met Rusland op dit vlak en in dit specifieke dossier is heel
complex. Vermeende illegale activiteiten en sanctiemaatregelen en wat
daar wel of niet onder valt, lopen hier namelijk door elkaar. Er is dus
een heel grijs schemergebied in dit dossier. Dat brengt ongemak met zich
mee, omdat meer doen niet altijd effectief is of ook andere gevolgen kan
hebben. Er zijn dus op dit moment meerdere sancties en andere
maatregelen actief die de handel in Russische visserijproducten aan
banden leggen. We hebben een importverbod op het gebied van kaviaar en
schelpdieren. Luxeproducten vallen dus onder de sancties. Russische
schepen mogen ook niet in Nederlandse havens aanmeren. Sinds de periode
die wordt beschreven in het artikel van Het Financieele Dagblad hebben
we aanvullende maatregelen getroffen die de visserij hierbij treffen,
ook in het kader van vermeende hybride dreigingen vanuit Rusland op dit
vlak, onder andere rondom de windparken op zee.
Ten aanzien van witvis geldt in verband met de wereldwijde
voedselzekerheid geen algeheel handelsverbod vanuit de Europese Unie.
Het kabinet zet zich binnen de EU in voor effectieve sancties en het
tegengaan van de omzeiling van die maatregelen. Uitbreiding van die
sancties kan dus alleen maar in Europees verband worden besloten. We
nemen wel ook de activiteiten van die Russische vaartuigen mee in de
risicobeoordeling van de NVWA. Die producten controleren we ook altijd
extra. Maar het blijft gewoon complex, omdat voedselzekerheid niet onder
het sanctieregime valt in Brussel.
De voorzitter:
Dat maakt wat los bij mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Een lang antwoord. Ik had eigenlijk gevraagd om een heldere
veroordeling, maar misschien is dit antwoord een heldere
veroordeling.
Staatssecretaris Erkens:
Ik gaf volgens mij aan het begin inderdaad aan dat we elke vorm van
illegaliteit hierin veroordelen. Als dat niet helder genoeg was, doe ik
dat bij dezen ook nog in de bewoording van mevrouw Bromet.
De voorzitter:
Heel goed. Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Dan had het lid Van der Plas vragen over steun voor de
vissers. We hebben ook vernomen dat de helft van de Nederlandse
boomkorvissers niet de zee op is gegaan omdat het niet rendabel is. Ik
ga zelf vrijdag ook op bezoek bij een aantal van deze boomkorvissers, om
van hen te horen wat de impact ervan is op hun bedrijf. Het is
begrijpelijk dat deze omstandigheden voor vissers grote zorgen en
onzekerheid met zich meebrengen. Die signalen trekken we ons
nadrukkelijk aan. We brengen op dit moment de situatie in kaart en we
bezien wat de impact is op de korte en lange termijn. Er is nu ook een
plenair debat gaande over de kabinetsbrede verkenning, met mogelijke
gerichte steunmaatregelen. Daarbij nemen we uiteraard ook specifiek de
maatregelen voor de visserij mee. Dat zijn wel lastige afwegingen, met
name op juridisch vlak, omdat er natuurlijk heel veel in Europese kaders
vastligt. Mevrouw Van der Plas heeft daarbij wel eerder aangegeven, ook
bij de begroting — dat heb ik toegezegd — om dat maandag en dinsdag in
Brussel bespreekbaar te maken, en om aan de hand daarvan in de
terugkoppeling van de Landbouw- en Visserijraad de Kamer daarover te
informeren, zodat u ook over de aangehouden motie een besluit kan
nemen.
De heer Chris Jansen (PVV):
Uiteindelijk zijn belastingen en accijnzen een Nederlandse
aangelegenheid. Wij kunnen daar wel degelijk als Nederlandse overheid
anders in bewegen, zonder dat Europa ons op de vingers gaat tikken. Kan
de staatssecretaris daar dan op reflecteren?
Staatssecretaris Erkens:
Veel van het visserijbeleid is vastgelegd op Europees niveau. Er zijn
gewoon heel veel regels op het gebied van staatssteun op dat vlak. Er
zijn inderdaad wel manieren om daar ruimte voor te creëren. Ik zie dit
als volgt. Ik moet mijn huiswerk doen richting Brussel en dat gesprek
aangaan met de collega's. Het voelt natuurlijk ook heel wrang dat wij
gaan praten over de energietransitie en verduurzaming terwijl de helft
van de kottervisserij gewoon aan wal ligt.
De heer Chris Jansen (PVV):
Heel kort. Wij gaan toch zelf over accijnzen? Daar gaat de EU toch niet
over? Daar gaan wij over.
Staatssecretaris Erkens:
Nee, op het vlak van visserij is in ieder geval de diesel vrijgesteld.
Dat geeft ook aan dat er niet één oplossing is om verschillende sectoren
die geraakt worden door de hoge energieprijzen te helpen. De routes die
er zouden kunnen zijn voor de visserij, lopen op dit moment grotendeels
via Brussel. Vandaar dat ik ook zeg: laat mij dit gesprek aangaan; dan
informeer ik de Kamer over de mogelijkheden die er zouden kunnen zijn.
Ik kan me niet voorstellen dat andere collega's op dit moment niet met
hetzelfde probleem zitten. Ik ga er dus ook niet van uit dat alleen
Nederland die vraag zal stellen in Brussel.
De voorzitter:
Akkoord. Gaat u verder.
Staatssecretaris Erkens:
Voorzitter. Ik ben al ingegaan op de pulskor. Mevrouw Van der Plas had
er ook vragen over. Dat wil ik inderdaad zeker agenderen. Ook gezien de
bredere energieprijsvraagstukken is er aanleiding om dit te agenderen
bij de Europese collega's. Het kan namelijk voor zowel onze vloot als
buitenlandse vloten een deel van de oplossing zijn.
Voorzitter. Dan gaan we in op de vraag van de heer Van Duijvenvoorde
over makreel. Die gaf een mooie lofzang op de geschiedenis van de
makreel en de scholen en de verplaatsing. Heel specifiek ging het over
een serieus onderwerp, een vraagstuk, namelijk de oneerlijke verdeling
en de omvang van de visserij en de makreelvangst in de Europese Unie. De
vragen gingen over of ik bereid ben om in Brussel in te zetten op
bijsturing naar niet het minst negatieve scenario, conform de andere
staten die vissen op makreel, en op het vasthouden aan het historische
aandeel van 23%, zoals hij noemde. De andere kuststaten hebben inderdaad
de totale vangstmogelijkheden in hun akkoord hoger vastgesteld dan het
niveau waarop de zogeheten TAC, Total Allowable Catch, van de EU was
gebaseerd. Hierdoor was er geen gelijk speelveld meer voor onze
rederijen.
Er ligt nu een voorstel op tafel, ook vanuit Europa, waarmee de EU zich
aansluit bij die TAC-hoogte van de andere kuststaten. Dat is onder
andere ook op verzoek van Nederland gebeurd. Dat is ook heel recent. Bij
dezen. Daarmee steunen we dus ook het voorstel voor een gelijk
speelveld. Tegelijkertijd blijf ik het wel van belang vinden dat de
Commissie blijft inzetten op een alomvattend akkoord met die kuststaten,
waarbij ook afspraken over die verdeelsleutel gemaakt kunnen worden. Het
historische aandeel in het bestand zal daarbij voor mij ook centraal
staan.
Tijdens de aankomende Landbouw- en Visserijraad zal ik dus ook aandacht
vragen voor de situatie van de makreel specifiek. Dit speelt bij een
aantal andere lidstaten ook heel duidelijk. Daarbij wil ik het volgende
ook benadrukken. We hebben het eerder gehad over de rol van de Russische
vloot hierin. Een van de redenen waarom het slecht gaat met de
makreelstand is inderdaad dat Rusland hierin ver boven zijn aandeel
gaat. Ook dat zal ik agenderen in Brussel, om te kijken of daar stappen
op mogelijk zijn, in het belang van onze visserij en dat van de andere
kuststaten die hierdoor getroffen worden.
Voorzitter. Dan is dit mijn mapje overig. Ik denk dat dat vrij snel
gaat, maar het lid Kostić heeft nog interrupties en dierenwelzijn zit in
dit kopje, dus ik laat het aan u, voorzitter.
De voorzitter:
Ik maak even van de gelegenheid gebruik om te zeggen dat we echt tot
maximaal 17.00 uur hebben. Dat betekent dus dat ik enige discipline van
u allen verwacht.
Staatssecretaris Erkens:
Ik zal proberen het bondig te houden, voorzitter. Ik praat gewoon maar
heel snel om voor u binnen de tijd te blijven dit debat.
De heer Lohman vroeg: hoe gaat de minister in de Raad sturen op een
eiwitstrategie die onze afhankelijkheid van import vermindert en niet
alleen inzet op teelt maar ook op industriële innovatie en consumptie?
De Europese Commissie is voornemens om later dit jaar met een voorstel
te komen voor de Europese eiwitstrategie. Dat voorstel gaan we nog
beoordelen. We zullen de Kamer informeren over onze inzet hierop, maar
mijn inzet zou in den brede inderdaad zijn zoals de heer Lohman
voorstelt.
De heer Lohman (CDA):
Kan ik daaruit opmaken dat het gaat over een aparte Europese
eiwitstrategie, die dus samenhangend is en waarbij al die dingen worden
meegenomen in plaats van dat ze worden opgeknipt in stukjes? Daar gaat u
voor pleiten?
Staatssecretaris Erkens:
Ik zal daarvoor pleiten zodra de Europese eiwitstrategie eraan komt. Er
komt dus een nieuwe Europese eiwitstrategie, waarbij ik ervan uitga dat
die in den brede zal zijn. Zo niet, dan zal de Nederlandse inzet nog
meegenomen kunnen worden.
Voorzitter. Dan de positie van de Raad inzake de vleesbenamingen, waar
net ook een leuk debat over gaande was. De stemming in de Raad over de
wijzigingsverordening gemeenschappelijke marktordening heeft afgelopen
maandag al plaatsgevonden. Onderdeel daarvan zijn de nieuwe regels over
vleesbenamingen. Een gekwalificeerde meerderheid van de Raad heeft dus
al steun uitgesproken voor deze wijziging, waarmee die is aangenomen.
Anderzijds dient het Parlement de uitkomst van de triloog nog te
bevestigen. Zoals in de geannoteerde agenda staat, heb ik aangegeven dat
Nederland tegen heeft gestemd, omdat wij geen toegevoegde waarde zien in
het stellen van regels over welk woord gebruikt mag worden.
Consumentenonderzoek toont ook aan dat consumenten hiervan niet in de
war raken.
Voorzitter. Dan hebben we nog het verbod op bont. Dat was een punt van
het lid Kostić. Ja, we blijven ons inzetten voor een verbod op de
productie en verkoop van bont van pelsdieren. We zijn nog in afwachting
van de reactie van de Commissie hierop. Ik hoop dat de Commissie ook
overgaat tot een verbod, want de tijd is er Europees echt rijp voor.
Veel lidstaten hebben er inderdaad al een verbod op, dus het is goed om
dat Europees te kunnen doen. Daarbij ben ik ook bereid om het in mijn
gesprek met de Eurocommissaris op te brengen. Ik wil nog één kleine slag
om de arm houden over of ik de route van Oostenrijk hierin steun, omdat
dat een route is die mogelijk behoorlijk zwaar is om in te zetten.
Aangezien we net een discussie met elkaar gehad hebben over dat Brussel
geven en nemen is en dat relaties van belang zijn, hoop ik dat het lid
Kostić mij de ruimte wil geven om daar ook de wegingen te maken, omdat
we als Nederland natuurlijk een heel wensenlijstje hebben op
dierenwelzijn. Ik wil de inschatting kunnen maken of ik het hierop wil
inzetten of dat ik het bilateraal met de Commissaris bespreekbaar maak
in mijn gesprek volgende week. Ik ga het hoe dan ook agenderen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik snap wat de staatssecretaris bedoelt. Je kunt het ook zien als een
soort escalatieladder voor als de Eurocommissaris niet meebeweegt. Hij
staat niet bepaald bekend als een groot dierenwelzijnsvoorstander, dus
ik verwacht daar een stevig verhaal van de staatssecretaris. Ik wil wel
dat de staatssecretaris echt goed kijkt naar deze optie van Oostenrijk,
want 1,5 miljoen Europeanen hebben getekend voor een bontverbod in
Europa. Hier wachten we al jarenlang op. Europa laat te lang op zich
wachten bij dierenwelzijnsvraagstukken, dus ik zou zeggen: zet stevig in
en ga mee met Oostenrijk als de Eurocommissaris niet beweegt.
Staatssecretaris Erkens:
Ik ben ertoe bereid daar serieus naar te kijken. Ik hield net die slag
om de arm omdat we onder andere ook zitten met die Transportverordening,
de verlaging van de maximumtemperaturen voor transport en een aantal
andere zaken die op de korte termijn ook zullen spelen. Ik wil dus even
de weging maken wat we op dat vlak als Nederland zo snel mogelijk binnen
kunnen krijgen en daar de inzet op richten. Maar het verbod op bont
steunen wij sowieso. Daar zullen we ons voor inzetten en dat zal ik
volgende week ook meenemen in Brussel.
Voorzitter. Ik heb nog de laatste vraag. Die stelt: is de
staatssecretaris bereid zich actief in te zetten voor een einde aan de
kleine kooien voor kippen en zijn inzet zo snel mogelijk per brief terug
te koppelen? In het kader van dierwaardige veehouderij is onze inzet
inderdaad gericht op het uitfaseren van die kooihuisvesting voor kippen.
Rond de zomer gaat inderdaad de AMvB in voorhang. We steunen vanuit
Nederland dan ook het End the Cage Age-initiatief. We zullen dit ook
onderschrijven en inbrengen vanuit Nederland in reactie op de publieke
consultatie van de Europese Commissie van eind afgelopen jaar. Wij gaan
in Nederland sowieso naar uitfasering, via de AMvB. Tegelijkertijd
betekent dat dat als Europa daar ook op inzet, we zowel iets doen voor
dierenwelzijn als voor het gelijke speelveld van onze eigen
pluimveehouders.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat is heel goed om te horen. Zou de staatssecretaris ook per brief
actief willen terugkoppelen over de inzet als hij naar Europa is gegaan?
Hetzelfde geldt eigenlijk als het gaat over bont. Ik ben heel benieuwd
naar de resultaten van het gesprek met de Eurocommissaris. Daar wil ik
graag zo kort mogelijk na het gesprek een actieve terugkoppeling
over.
Staatssecretaris Erkens:
Dat lijkt me logisch.
De voorzitter:
Wat is voor de staatssecretaris dan "zo kort mogelijk na het
gesprek"?
Staatssecretaris Erkens:
Zodra we de terugkoppeling van de LVR naar de Kamer sturen. Dat is
meestal vrij recent en snel na het debat.
De voorzitter:
Mooi zo. Dan dank ik de minister en de staatssecretaris voor de
beantwoording in eerste termijn. O, u heeft nog een vraag van mevrouw
Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik heb een punt van orde. We hebben nog een kwartier. Ik zou
eigenlijk willen voorstellen dat we een tweeminutendebat inplannen en de
tweede termijn nu laten zitten, als mijn collega's dat ook willen. Ik
vind het best als de heer Lohman dan de eerste spreker is. De antwoorden
die we nog verwacht hadden in de tweede termijn zouden we dan
schriftelijk kunnen krijgen.
De voorzitter:
U bent mij net voor, want ik wilde net inventariseren wie van u behoefte
heeft aan een korte tweede termijn.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Deze opmerking had ik eigenlijk bewaard voor de tweede termijn. Ik wil
nog één vraag stellen over de Omnibus. De staatssecretaris zou die
eigenlijk nog beantwoorden. In het begin had ik gevraagd hoe de
staatssecretaris toetst dat die Omnibus geen schade aanricht aan natuur,
milieu en gezondheid. Daar heb ik nog geen antwoord op gekregen.
Staatssecretaris Erkens:
Dat is omdat we nog de schriftelijke beantwoording gaan sturen over het
Omnibusvoorstel en we er daar vrij gedetailleerd op ingaan. Mijn
voorstel zou zijn dat ik daar in die korte schriftelijke beantwoording
op hoofdlijnen een antwoord op naar u stuur en dat we daar uitgebreider
op terugkomen in de schriftelijke beantwoording van een schriftelijk
overleg. Daar kom ik dus in tweevoud op terug.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):
Ik wil het voorstel van collega Bromet graag ondersteunen, maar ik heb
een vraag gesteld over het Ocean Pact. Daar heb ik nog geen antwoord op
gekregen. Misschien heeft de staatssecretaris dat antwoord nog liggen;
anders kan hij daar wellicht nog even schriftelijk op terugkomen.
De voorzitter:
Is dat zo? Kunt u dat direct doen?
Staatssecretaris Erkens:
Dat kan ik direct doen. Het Ocean Pact staat nu niet op de agenda van de
Landbouw- en Visserijraad. Dat ligt bij de collega van IenW, dus we
voorzien geen discussie daarover op dit moment.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb nog een onbeantwoorde vraag aan de minister. Mijn vraag was: kan
de minister vóór de eerstvolgende Landbouw- en Visserijraad een
diversenpunt aandragen over onze Europese afhankelijkheid van kunstmest
door de afgedwongen beperking van het gebruik van dierlijke mest? Die
vraag is volgens mij nog niet beantwoord.
De voorzitter:
Ik kijk tijdens dit geïmproviseerde veegrondje nog even naar de minister
om te zien of hij daar nu antwoord op kan geven of dat dat op een later
moment komt.
Minister Van Essen:
Daar kom ik nog even op terug. Ik wil even van de gelegenheid
gebruikmaken om iets te zeggen over de Omnibusvoorstellen. Wij hebben in
het schriftelijk overleg voor de Milieuraad aangegeven dat we niet
wensen dat Omnibusvoorstellen op het gebied van milieu, gezondheid en
dergelijke verslechteringen inhouden. Op het moment dat u daarop een
standpunt wil waar ook LVVN bij betrokken is geweest, kunt u kijken naar
de schriftelijke antwoorden op de vragen over de recente
Milieuraad.
De voorzitter:
Dat is een tip. Als laatste ga ik nog even naar het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Wij lezen uiteraard heel goed de stukken. Het probleem is dat er niet
wordt getoetst. Je wil misschien willen dat het geen schade aanricht,
maar bij ons weten wil Europa daar geen toets op doen. Dus hoe gaat
Nederland ervoor zorgen dat er daadwerkelijk geen schade wordt
aangericht door het Omnibusvoorstel? Alle seinen staan nu de verkeerde
richting op volgens de experts.
De voorzitter:
Met die vraag gaan we straks richting een tweeminutendebat. Volgens mij
kunnen we die conclusie trekken. Ik zag mevrouw Bromet daar als eerste
het initiatief toe nemen en …
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, volgens mij is het de gewoonte dat de eerste spreker dat
aanvraagt. Als dat de heer Lohman is, vind ik dat prima.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Lohman om te zien of hij inderdaad behoefte
heeft aan een tweeminutendebat. No pressure!
De heer Lohman (CDA):
Ik word opgevoed. Maar ik wil inderdaad graag een tweeminutendebat
aanvragen.
De voorzitter:
Hartstikke goed. Dat betekent dat wij een tweeminutendebat gaan
inplannen. Het tweeminutendebat wordt morgen gehouden, hoor ik. Wat wilt
u nog meer? U kunt dus morgen gezellig met elkaar verder in
gesprek.
Voordat wij dit debat afsluiten, loop ik nog even de toezeggingen
langs.
De minister van LVVN zal zich verdiepen in het besluit inzake de 1,2% bodembescherming. Dat volgt uit het Noordzeeakkoord. Hij zal de Kamer voor het commissiedebat Visserij informeren of hij zich hierin kan vinden. Dat is een toezegging aan mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA.
De Kamer zal in de brief over het convenant gewasbeschermingsmiddelen, dat voor de zomer aan de Kamer wordt gestuurd, terugkomen op het onderwerp "drift" en ingaan op eventuele oplossingsrichtingen voor biologische boeren. Dat is een toezegging aan het lid Kostić.
De staatssecretaris van LVVN zal in de brief die voor het commissiedebat Visserij aan de Kamer wordt gestuurd, ingaan op overbevissing, signalen van de NVWA over fraude in de sector, naleving, viscontroles en de inzet op natuur- en vissenwelzijn in relatie tot andere belangen.
Dat is bijna een hele brief!
De staatssecretaris van LVVN zal de Kamer bij het verslag van de LVR informeren over het gesprek met de Eurocommissaris.
Dat zijn de toezeggingen die ik heb opgeschreven. Mevrouw Kostić mist
nog iets.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik zou dat laatste specifieker willen toespitsen met: "het gesprek met
de Eurocommissaris voor Dierenwelzijn over het verbod op bont en de
kooi."
De voorzitter:
Dat wordt toegevoegd en dat scheelt dan alweer. Hartstikke goed. Ik dank
u allen voor het goede gesprek en ik dank in het bijzonder de
bewindspersonen voor hun aanwezigheid en de beantwoording. Ik wens u
verder een hele fijne middag en avond.
Sluiting 16.51 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|