Wijziging van diverse onderwijswetten voor een meer planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting in het primair en het voortgezet onderwijs (Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting) (36692) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D15517, datum: 2026-04-01, bijgewerkt: 2026-04-02 09:50, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-01 10:45: Wijziging van diverse onderwijswetten voor een meer planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting in het primair en het voortgezet onderwijs (Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting) (36692) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting
Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van diverse onderwijswetten voor een meer planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting in het primair en het voortgezet onderwijs (Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting) (36692).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de Wet
planmatige aanpak onderwijshuisvesting, 36692. Ik heet opnieuw van harte
welkom de staatssecretaris, die al in ons midden was.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Kisteman voor zijn inbreng in eerste
termijn namens de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Gaat uw
gang.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Twaalf uur geleden stond ik hier ook nog. Toen was de
tribune helemaal leeg, maar het is toch leuk dat er mensen aanwezig
zijn. Toen ging het over discriminatie en veiligheid op de werkvloer.
Vandaag mogen we het over onderwijshuisvesting hebben, weer een heel
ander onderwerp.
Goed leren begint met een goede en veilige schoolomgeving, ook fysiek.
De VVD staat voor kwalitatief goede schoolgebouwen met voldoende licht,
voldoende frisse lucht en goede isolatie, voor schoolgebouwen die
toegankelijk zijn voor mindervalide leerlingen en voor schoolgebouwen
waar eenieder zich thuis voelt. In ons land is het zo geregeld dat
gemeenten daar, afhankelijk van de hoeveelheid leerlingen, jaarlijks
geld voor krijgen. Zij zijn dan ook zelf verantwoordelijk voor de
huisvesting. Scholen kunnen zelf nog middelen inzetten om iets aan de
binnenkant van het gebouw te doen.
Wat de VVD betreft ligt er nu een goed voorstel. We kunnen deze wet
steunen. De wet zorgt er namelijk voor dat de huisvesting van scholen
beter wordt georganiseerd en gepland. Gemeenten moeten een integraal
plan maken voor schoolgebouwen en schoolbesturen moeten een
meerjarenplan voor onderhoud opstellen. Ook wordt veel duidelijker
vastgelegd dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor renovatie.
Basisscholen krijgen meer mogelijkheden om te investeren in hun
gebouwen. Dat zijn punten waar de VVD blij mee is. Het leidt hopelijk
tot een betere samenwerking tussen gemeenten en scholen, met een
duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden en een meer planmatige
aanpak. Daardoor kunnen schoolgebouwen beter worden onderhouden en
duurzamer worden gemaakt, waardoor ze dus beter aansluiten op de
behoeften van het onderwijs.
Desalniettemin heb ik wel een aantal vragen voor de staatssecretaris.
Welke rol ziet de staatssecretaris voor haarzelf in het helpen van
gemeenten om het geld echt te reserveren voor onderwijshuisvesting? In
haar vorige rol had ik het met de staatssecretaris al eens over de
huisvesting van sportverenigingen. Gemeenten krijgen ook hier geld voor.
Er ligt veel op de plank, en toch krijgen ze het niet besteed aan
onderwijshuisvesting of de huisvesting van sportverenigingen. Welke rol
ziet de staatssecretaris in dit geval voor het onderwijs en de
gemeenten?
Hoe zit het met de middelen die scholen zelf mogen inzetten voor
onderwijshuisvesting? Het investeringsverbod wordt nu opgeheven. Kan dit
ertoe leiden dat scholen hun onderwijsbekostiging gaan inzetten voor
huisvesting? Stel dat — we hadden het hier vorige week nog over —
samenwerkingsverbanden het geld niet besteden aan passend onderwijs,
maar dit als eindbetaling naar scholen sturen. Mogen scholen dit dan
gaan inzetten voor onderwijshuisvesting? Het komt dan niet ten goede aan
bijvoorbeeld het kind dat passend onderwijs nodig heeft. Vindt de
staatssecretaris dit wenselijk? Waar ligt precies de grens? Hoe gaat de
staatssecretaris zorgen dat middelen die bedoeld zijn voor lessen,
passend onderwijs of leraren niet opgaan aan onderwijshuisvesting?
Voorzitter. Dan naar het stichten van nieuwe scholen. Het is al bij 30
geïnteresseerde leerlingen mogelijk om een nieuwe school te stichten. De
opheffingsnorm ligt rond de 200. Uiteindelijk is het idee dat nieuw
gestichte scholen dan doorgroeien naar dit wettelijk minimum. Gemeenten
zijn verplicht om bij het stichten direct voor onderwijshuisvesting te
zorgen. In combinatie met de subsidie van de kleinescholentoeslag
schoten de nieuwe basisscholen uit de grond. De kleinescholentoeslag
wordt inmiddels aangepast naar een dunbevolktheidstoeslag, waarvoor hij
in principe ook was bedoeld. Mijn vraag is hoe het staat met de
aanpassing naar de dunbevolktheidstoeslag. Wanneer kan de Kamer dit
voorstel tegemoetzien? Maar als de kleinescholentoeslag is aangepast
naar een dunbevolktheidstoeslag, blijft staan dat ouders overal in
Nederland scholen kunnen stichten, gemeenten huisvesting moeten
organiseren, basisscholen toch geen bestaansrecht hebben en gemeenten
met de kosten achterblijven. In grote steden wordt er op elke hoek van
de straat een school gesticht, omdat het volgens ouders net even anders
moet.
Voorzitter. In het regeerakkoord is afgesproken dat de Wet meer ruimte
voor nieuwe scholen wordt herzien. Mijn vraag aan de staatssecretaris is
wanneer de Kamer deze herziening kan verwachten. Maakt zij hier haast
mee? Voor veel gemeenten is het namelijk een groot probleem. Weet de
staatssecretaris al welke kant zij met deze wet op wil?
Wat mijn fractie betreft moet er meer regie bij gemeenten liggen. Maar
ons vertrekpunt is ook dat, zoals in de wet staat, gemeenten
verantwoordelijk zijn voor het aanbieden van openbaar onderwijs, de
school voor iedereen. Wat mijn fractie betreft zou dat ook de basis
moeten zijn voor het stichten van nieuwe scholen: eerst openbaar
onderwijs, zodat gemeenten zich aan de wet houden voor het aanbieden van
openbaar onderwijs, en daarna andere varianten. Deelt de
staatssecretaris deze mening van de VVD? Wil zij dat meenemen in haar
herziening van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen? Kan de
staatssecretaris in haar beantwoording verder vooruitlopen op deze
herziening?
Daar wil ik het bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kisteman. De heer Ergin heeft nog een vraag. We doen
interrupties in maximaal drie keer en kort, kort, kort.
De heer Ergin (DENK):
Ik ga mijn best doen. We hebben ongeveer 9.000 schoolgebouwen in
Nederland. We weten dat ongeveer de helft daarvan, zo'n 4.500
schoolgebouwen, niet voldoen aan de kwaliteitseisen die we hebben
gesteld. Er zijn genoeg schrijnende voorbeelden, maar ik ga die hier
niet allemaal opsommen. Ik zou aan de heer Kisteman van de VVD willen
vragen of de voorliggende wet volgens de VVD voldoende is om die 4.500
scholen die vandaag te maken hebben met achterstallig onderhoud, te
helpen.
De heer Kisteman (VVD):
Ik denk dat we allemaal kunnen concluderen dat de wet die nu voorligt,
het probleem van de achterstanden in onderwijshuisvesting niet gaat
oplossen.
De heer Ergin (DENK):
Ik ben blij dat we die conclusie delen. Je kan dingen beter plannen,
maar daarmee los je de problemen niet op. De tekorten aan schoolgebouwen
zijn de afgelopen jaren enorm toegenomen en zullen nog meer toenemen als
we niks doen. Ik zou daarom graag willen horen wat de plannen van de VVD
zijn om de enorme tekorten aan huisvesting aan te pakken.
De heer Kisteman (VVD):
Daarom refereerde ik er in mijn spreektijd aan. In januari bleek uit
onderzoek van BDO dat gemeenten ongeveer 43 miljard euro op de plank
hebben liggen — dat is ongeveer 2 miljard euro meer dan het jaar
daarvoor — dat bedoeld is voor onder andere onderwijshuisvesting en
huisvesting van sportverenigingen. Op de een of andere manier krijgen
zij dit niet uitgegeven aan de doelen waarvoor dit bestemd is. Daarom
vraag ik de staatssecretaris om met een plan te komen en gemeenten te
helpen, zodat ze dit geld wel gaan uitgeven aan
onderwijshuisvesting.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ergin (DENK):
Het gaat veel dieper dan die 43 miljard, want dat is in ieder geval geld
dat bestemd is voor schoolgebouwen. Ik heb het over het tekort. Ik heb
het over de 4.500 gebouwen die structureel niet voldoen aan de eisen.
Denk aan stank, schimmel of waterproblemen. Al die gebouwen moeten
aangepakt worden. In 2021 of 2022 is daar onderzoek naar gedaan. Daaruit
blijkt dat er 1,3 miljard structureel nodig is om de achterstanden in te
halen. Ik zou graag van de VVD willen horen — ik weet dat het mijn derde
interruptie is, voorzitter — waarom het, nu we hier het debat hebben, in
de bijdrage van de VVD niet gaat om het inhalen van die achterstanden,
om die extra gelden, die keihard nodig zijn, maar over IHP's en andere
plannen, al dat soort randzaken. Waarom?
De heer Kisteman (VVD):
Dat is heel simpel: omdat het geld er al is. Er ligt 43 miljard op de
plank bij de gemeenten en dat kan uitgegeven worden aan het wegwerken
van achterstanden of aan nieuwbouw. Alleen, ze reserveren het niet en ze
geven het er niet aan uit. Daarom hebben wij het daar niet over, want
het geld is er. Ik vraag de staatssecretaris om de gemeenten te helpen,
zodat ze het geld gaan besteden aan het wegwerken van deze
achterstanden.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Claassen voor zijn inbreng namens Groep
Markuszower.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. In de wet benoemt de regering terecht knelpunten:
onduidelijke verantwoordelijkheden rond renovatie, gebrek aan een
planmatige aanpak, impasses tussen gemeentes en schoolbesturen, dalende
leerlingenaantallen en verouderde gebouwen. Zie het debatje zojuist. We
vinden de strekking van het voorstel deels goed. Meer duidelijkheid over
renovatie en beter overleg tussen partijen zijn een stap vooruit. Het
voorstel lost de kernproblemen echter niet op, maar leidt vooral tot
extra bureaucratie, meer papierwerk en administratieve lasten, zonder
één euro extra vrij te maken. Leraren in het primair onderwijs besteden
nu al zes tot acht uur per week aan administratie; dat is een volledige
dag per week. Dat blijkt uit het recente rapport van de Algemene
Rekenkamer, van juni 2025.
Dit wetsvoorstel voegt daar alleen maar nieuwe plannen aan toe: een
integraal huisvestingsplan voor gemeenten en een meerjarenonderhoudsplan
voor schoolbesturen. Dat is geen oplossing, maar juist meer rompslomp.
We vinden dat de prioriteit moet liggen bij leraren, kleinere klassen en
onderwijskwaliteit, niet bij dure renovaties en klimaatambities die via
de Raad van State worden doorgedrukt. Juist die uitspraken van de Raad
van State dwingen scholen en gemeenten tot bovenwettelijke
duurzaamheidseisen zonder extra financiering, terwijl de Onderwijsraad
in 2021 in Tijd voor focus al pleitte voor minder werkdruk en meer
aandacht voor de kern van het onderwijs. Ook in het ibo, het
interdepartementaal beleidsonderzoek, over onderwijshuisvesting in 2021
werd gewezen op structurele knelpunten in het stelsel, zonder dat de
budgetten en eisen gekoppeld zijn.
Dit wetsvoorstel verandert daar niets aan en maakt de renovaties alleen
maar duurder door klimaatdoelen uit het Klimaatakkoord erbovenop te
leggen. Wat kan er beter? Een sterke vereenvoudiging van de plannen en
een evaluatie al na twee jaar in plaats van na vijf jaar. Zo houden we
grip en voorkomen we een papieren tijger.
Ik wil nog twee concrete vragen stellen. Ten eerste: waarom regelt deze
wet niet juist minder regeldruk voor scholen en gemeenten? Ten tweede:
hoe gaat de minister voorkomen dat klimaat- en duurzaamheidsdoelen uit
het Klimaatakkoord en via de Raad van State doorgedrukte ambities ten
koste gaan van echte onderwijsprioriteiten, zoals kleinere klassen en
betere leraren?
Voorzitter, iets anders. Twintig jaar geleden was de Nederlandse vlag op
een schoolgebouw geen statement; het was gewoon zo. Dat is veranderd. De
TU Delft, Saxion en Inholland hangen structureel pridevlaggen op. In
2024 wapperde de Palestijnse vlag op de TU, de Radboud Universiteit en
de UvA. De vlaggenmast raakte bezet door ideologische statements en
niemand in de bestuurskamers van deze instellingen vroeg zich af wat er
verdween. Toen Kamerlid Van Houwelingen in 2023 aan minister-president
Rutte vroeg of publieke instellingen zonder enige beperking ideologische
vlaggen kunnen hijsen, was het antwoord na wekenlang rappelleren
veelzeggend: het was niet aan hem om te zeggen welke vlag het meest
inclusief is. De Nederlandse vlag is dus kennelijk ook niet inclusief,
terwijl dat juist een inclusieve vlag is: de alomvattende vlag. Het
vlaggenprotocol stelt dat de driekleur overal op Nederlands grondgebied
een ereplaats behoort te hebben. Op publiek gefinancierde
onderwijsinstellingen wordt dat principe stelselmatig genegeerd. Kan de
minister toezeggen dat ze alles op alles zal zetten om de Nederlandse
vlag weer terug op onze schoolgebouwen te krijgen?
Voorzitter, tot slot. Na de oorlog bouwden leraren en leerlingen samen
dit land opnieuw op, met krijtjes en houten bankjes, en dat zonder
meerjarenonderhoudsplannen. Zo bouwden we het beste onderwijsstelsel van
Europa. We zijn ergens onderweg vergeten waar het om gaat. Die opdracht
heet nog steeds "onderwijs", en niet "klimaatbeleid" of "bureaucratie".
Laten we terugkeren naar de kern: de leraar voor de klas en het kind in
het bankje.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Ergin namens DENK.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. We hebben het vandaag over schoolgebouwen. Laat
ik meteen duidelijk zijn, voor als dat nog niet duidelijk genoeg was op
basis van de inbrengen van de voorgaande twee sprekers: de basis is in
Nederland niet op orde. Vandaag hebben we weer een debat over plannen,
procedures en een wetsvoorstel, maar eigenlijk gaat het om mensen. Het
gaat om kinderen die in IJsselstein les krijgen in een gebouw met
kapotte wc's, rottende kozijnen en gevaarlijke elektra. Het gaat om
kinderen die op de basisschool in Sint Joost zitten met oude verkleurde
golfplaten op het dak, met versleten kozijnen en met kapotte vloeren en
deuren. Er is geen airco of verwarming. Als de zon even schijnt, is het
klaslokaal een sauna. Als het koud is, lijkt dat op een vrieskast. De
laatste opknapbeurt van deze basisschool was ruim 40 jaar geleden.
Voorzitter. Neem een school in Maashorst, waar leerlingen maandenlang
geen gebruik konden maken van een gymzaal omdat er sprake was van een
enorme lekkage. Pas na twee jaar konden de leerlingen weer les krijgen
in hun eigen gymzaal.
Voorzitter. Een 6-jarige jongen belandde in het ziekenhuis met een
astma-aanval, terwijl dit jongetje niet bekend was met astma. De
kinderlongarts concludeerde na uitvoerig onderzoek dat er een hele grote
kans is dat de schimmel op school invloed heeft gehad op de klachten van
het kind.
Voorzitter. Uit onderzoek van het MDL Fonds blijkt dat op vrijwel alle
middelbare scholen de wc-hokjes niet volledig kunnen worden afgesloten.
In dat onderzoek ging het over 62 van de 80 middelbare scholen.
Leerlingen voelden zich daardoor onveilig en stelden zelfs
toiletbezoeken uit. Ze gingen thuis naar het toilet. 4.500 van de 9.000
schoolgebouwen — dat is dus ruim de helft — voldoen niet aan de
kwaliteitseisen. Die zijn gewoon slecht. Goed onderwijs is daar niet
mogelijk. We hebben geen tekort aan schrijnende situaties. Dat hebben we
in de afgelopen jaren in dit huis ook meerdere keren besproken.
Voorzitter. Ik concludeer dat we wel telkens dezelfde conclusies
trekken. De urgentie is hoog en de problemen zijn bekend. Nogmaals, aan
schrijnende gevallen is er geen gebrek. Het ontbreekt aan voldoende
regie, duidelijkheid en tempo.
Voorzitter. In mijn vorige leven had ik de grote eer om
onderwijswethouder te mogen zijn. Toen ik begon als onderwijswethouder
ging ik in ieder geval gelijk alle scholen waar werk verzet moest worden
langs. Ik schrok mij te pletter: schimmel, tocht, vocht en gure lucht
zijn geen uitzondering, maar lijken bijna de regel te zijn in
schoolgebouwen in Nederland. Ik weet nog heel goed dat ik me eigenlijk
hardop richting mijn ambtenaren afvroeg hoe we nou konden gaan bouwen
aan de toekomst van leerlingen in gebouwen die zelf geen toekomst meer
hadden. Dat is wat mij betreft ook de kern van dit debat. We kunnen
klagen over onderwijsprestaties of zeggen dat er op basisscholen weer
een Nederlandse vlag gehesen moet worden. We hebben heel veel debatten
over het curriculum. Af en toe hebben collega's — laat ik het
parlementair formuleren — kritiek op schoolbesturen. Het is allemaal
goed dat we dat doen, maar hoe gaan we nou in godsnaam goed onderwijs
verzorgen in slechte schoolgebouwen? We kunnen talloze debatten voeren,
maar we moeten toch ook echt wel stilstaan bij de schoolgebouwen zelf.
Ik zou graag aan de staatssecretaris vragen hoe dit allemaal zover heeft
kunnen komen. Hoe kan het dat we de afgelopen decennia zo weinig hebben
geïnvesteerd in schoolgebouwen? Er is altijd meer geld richting het
onderwijs gegaan, behalve in de vorige kabinetsperiode — dat wil ik er
wel bij zeggen — maar de schoolgebouwen zijn erop achteruitgegaan.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik ben het daar op zich wel mee eens. Afgelopen winter moest de
middelbare school bij mij in de stad zonnepanelen en een warmtepomp
hebben. In die winter is de school na de kerstvakantie een week dicht
geweest omdat de systemen niet werkten en de school te koud was. Er
moesten allemaal van die duurzaamheidsdingen op die school gelegd
worden. Bent u daar voorstander van, of zegt u: het moeten goede scholen
zijn, het moet allemaal functioneren, maar laat al die dure
duurzaamheidsdingen in godsnaam achterwege?
De heer Ergin (DENK):
Ik ben zeker voorstander van aanpassingen aan gebouwen die de levensduur
van een gebouw verlengen. In onderwijsland heb je eigenlijk twee
categorieën. Je hebt een klassiek schoolgebouw; dat schrijf je in 30
jaar af. Zodra je investeert in duurzaamheid, zodra je zonnepanelen
plaatst, een warmtepomp plaatst, verleng je de technische levensduur van
een schoolgebouw met 10 jaar naar 40 jaar. Dat heeft enorm veel effect
op de exploitatie vanuit de gemeente; de gemeente kan dan langer
afschrijven en kan het geld dat vanuit het Rijk via het gemeentefonds
beschikbaar komt, inzetten voor veel meer gebouwen. Het is dus aan de
ene kant goed voor de kinderen en het is aan de andere goed voor de
staat van de gebouwen. Tegelijkertijd is het ook goed voor het
langetermijnperspectief dat scholen, maar ook gemeenten hebben.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat is natuurlijk gedeeltelijk waar, want 40 jaar geleden hadden we geen
warmtepomp en 40 jaar geleden hadden we geen zonnepanelen. We weten dus
helemaal niet wat dat aan duurzaamheid gaat doen. Eén ding weten we wel:
het is heel duur. Mijn vraag is dus: als je goedkoper toch een goed
gebouw kan krijgen, zou u daar toch eigenlijk veel eerder voorstander
van moeten zijn?
De heer Ergin (DENK):
Het is niet zo dat, als je geen warmtepomp plaatst en je geen
zonnepanelen plaatst, een schoolgebouw per definitie goedkoper wordt;
dat is niet het geval. Ik zal u zeggen dat als er binnen een IHP wordt
gewerkt aan een project — een voorziening, heet dat bij de gemeente — er
eerst een businesscase wordt opgesteld. In een businesscase wordt alles
tot op de komma en achter de puntjes berekend. Er wordt niet alleen
gekeken naar de investering die je aan het begin doet. Er wordt gekeken
naar de afschrijving en naar het meerjarig onderhoud. Ik wil u bijna
garanderen dat de gemeente dan, alles bij elkaar opgeteld, voor de meest
financieel gunstige oplossing kiest, maar dan wel over een periode van
40 jaar.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat is mijn punt: dat weten we helemaal niet. Het is een
gedachtenexperiment op papier. We hebben nog maar amper een paar jaar
warmtepompen. De salderingsregelingen voor zonnepanelen worden allemaal
afgeschaft. Dat levert uiteindelijk verder niks op. Het wordt alleen
maar duurder. Ik hoop dat de collega van DENK toch een beetje de ogen
daarvoor probeert open te houden en zich niet volledig stort op alle
duurzaamheidsmaatregelen.
De heer Ergin (DENK):
Wat mij betreft is geen enkel onderwerp taboe als het gaat om
schoolgebouwen. De nood is echt hoog. Er zijn gebouwen waar je je eigen
kind niet naartoe zou willen sturen, als ik het even zo mag zeggen. Dat
zou je zelf niet willen. Wat mij betreft is geen enkel onderwerp taboe,
maar de zwart-witanalyse die ik net hoorde, is in de praktijk toch
anders. Dat zeg ik niet alleen omdat ik hoop dat dit zo is. Ik heb het
zelf meegemaakt toen ik verantwoordelijk was voor
onderwijshuisvesting.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter. Het is goed dat met dit wetsvoorstel gemeenten verplicht
worden om met een IHP te werken. We weten nu al dat dit niet de
oplossing is. Een IHP is goed. Het is altijd verstandig dat je dingen
beter plant en dat je vooruitkijkt, maar het is niet genoeg. We weten nu
al dat dit wetsvoorstel de achterstand van duizenden schoolgebouwen niet
gaat inhalen. De staatsecretaris geeft ook heel duidelijk aan in de
memorie van toelichting dat dit wetsvoorstel op zichzelf geen oplossing
is voor de huisvestingsproblematiek. Ik zou toch een reactie daarop
willen van de staatssecretaris. Hoe gaan we het probleem nou wel
aanpakken? Eigenlijk gaat het bij dit wetsvoorstel ook om achterstallig
onderhoud, om verantwoordelijkheden en om werken met een IHP. Maar hoe
gaan we nou in de toekomst de schoolgebouwen flink verbeteren? Ik zou
graag een reactie willen van de staatssecretaris.
Eigenlijk is de vraag tijdens dit debat: wat is er nou nodig om al die
schoolgebouwen die er slecht aan toe zijn te verbeteren? Het probleem is
dat er weinig of geen geld is. We weten dat een plan geen dak repareert.
Een plan haalt geen schimmel uit een schoolgebouw. Een plan zorgt niet
voor ventilatie of meer verwarming in een klaslokaal. Maar geld doet dat
wel. Onderaan de streep gaat het om een bouwproject of een
renovatieproject. Daar heb je geld voor nodig. Precies dat is eigenlijk
het probleem in onderwijsland, dat er structureel 1,3 miljard ontbreekt,
al is dat bedrag inmiddels waarschijnlijk achterhaald. Ook naar
aanleiding van de illegale oorlog van Netanyahu en Trump in het
Midden-Oosten zal het bedrag waarschijnlijk nog hoger worden. Maar laten
we uitgaan van 1,3 miljard. Ook daarover lezen we weinig terug in de
memorie van toelichting. Ik zou daar graag een reflectie op willen: hoe
zit het nou met dat bedrag van 1,3 miljard dat er niet is?
Voorzitter. Dit wetsvoorstel is goed. Volgens mij moeten we allemaal met
open vizier gaan kijken hoe we de processen kunnen verbeteren. Maar het
voelt alsof de rekening niet klopt. De rekening in dit wetsvoorstel, de
rekening van die 1,3 miljard, klopt niet. Tegelijkertijd loop ik hier
lang genoeg mee om te weten dat de uitkomst van dit debat niet zal zijn
dat wij ergens 1,3 miljard gaan vinden. Misschien dat de heer Kisteman
dat nu gaat regelen.
De heer Kisteman (VVD):
We kunnen een heel eind komen samen, denk ik. Laten we het bij de 1,3
miljard houden, het bedrag dat de heer Ergin noemde en dat ook vanuit de
diverse raden wordt genoemd. De 43 miljard waar wij het net over hadden,
waarvan uit onderzoek blijkt dat gemeenten dat hebben, hoe kijkt de heer
Ergin daar dan tegenaan? Dat geld is er toch gewoon? Waarom wordt dat
niet uitgegeven aan onderwijshuisvesting, vraag ik hem, helemaal omdat
hij daarover uit zijn vorige leven uitstekende kennis heeft.
De heer Ergin (DENK):
Zeker. Waarom het geld niet wordt uitgegeven, is dat ... Stel dat een
IHP ergens in 2021 is vastgesteld. Dan hebben we in 2022-23 een
energiecrisis gehad. Toen hebben we te maken gehad met enorm gestegen
bouwkosten. Volgens mij was het verschil tussen 2020 en 2023 al snel
50%. Stel dat een school 90 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld voor
een IHP en heeft gezegd: wij gaan daarmee negen projecten financieren.
Als je dat geldbedrag dan twee jaar niet inzet, kan je met die 90
miljoen niet meer tien projecten financieren, maar nog maar vijf
projecten. Natuurlijk, je wilt dat geld het liefst binnen één jaar
uitgeven, maar we weten hoe ingewikkeld het is met bouwregelgeving. We
weten hoe ingewikkeld het in Nederland is met het wijzigen van
bestemmingsplannen. We weten hoe ingewikkeld het is om bijvoorbeeld met
meerdere schoolbesturen in één gebouw te gaan, want sommige gemeenten
willen met meerdere scholen in één gebouw. Dat is allemaal ingewikkeld.
Maar ik ben in ieder geval blij — voorzitter, ik begrijp dat u haast
heeft, maar dat is echt een heel belangrijke vraag waar ik een paar jaar
van mijn leven in heb gestoken — dat het geld beschikbaar is voor
huisvesting, weliswaar niet voor tien projecten, maar nog maar voor vijf
projecten, omdat de kosten zijn toegenomen. Maar dat neemt niet weg dat
je voor de resterende vijf projecten nog steeds een tekort hebt.
De voorzitter:
Ik heb overigens geen haast. Ik probeer alleen het debat een beetje
binnen de kaders van de reikwijdte van dit wetsvoorstel te houden. Laten
we elkaar daarin bijstaan.
De heer Kisteman (VVD):
Volledig mee eens: in het onderwijs schuurt het natuurlijk altijd weer
tegen andere onderwerpen aan. Maar is de heer Ergin, om het kort te
houden, het met mij eens, met mijn inbreng eens, dat wij de gemeenten
hierin gewoon moeten helpen, om de regeldruk te verminderen en om die
middelen makkelijk te kunnen inzetten voor onderwijshuisvesting, zodat
we vanuit het Rijk niet weer extra geld naar het onderwijs moeten
sturen, maar gewoon bestaande middelen kunnen inzetten?
De heer Ergin (DENK):
Ja. De onderwijswethouders die in de colleges zitten, moeten we
inderdaad helpen, door gelden die via het gemeentefonds bedoeld zijn
voor de huisvesting van schoolgebouwen, te oormerken. Dan heb je
namelijk in één klap die extra middelen. Dan hoeven die
onderwijswethouders niet in de collegezalen te strijden om iedere euro,
maar hebben ze gewoon geoormerkt geld en kunnen ze daarmee aan de slag
met onderwijshuisvesting.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Kisteman (VVD):
Maar dan kunnen we aangaande die tekorten van 1,3 miljard concluderen
dat het de vraag is of dat daadwerkelijk zo is. Begrijp ik het goed dat
de heer Ergin zegt dat we de middelen die we nu aan de gemeenten geven
voor onderwijshuisvesting, moeten gaan labelen, zodat gemeenten dat geld
niet meer uit kunnen geven aan andere dingen?
De heer Ergin (DENK):
Het lijkt mij verstandig om die kant op te gaan. Ik zie namelijk niet
dat we in dit huis opeens ergens 1,3 miljard vandaan gaan halen. Als het
aan mij ligt wel, maar dan moet ik natuurlijk op zoek gaan naar een
meerderheid en die meerderheid is er niet. Die conclusie heb ik
getrokken. Er is een geldprobleem, maar het probleem is niet dat er te
weinig geld is. Het probleem is dat de middelen die bedoeld zijn voor
schoolgebouwen, worden geïnvesteerd in parkeerplekken en in
lantaarnpalen. Dat zijn ook allemaal belangrijke dingen — ik ben niet
tegen parkeerplekken en lantaarnpalen, zeg ik even voor de notulen —
maar het geld is bedoeld voor schoolgebouwen en gaat niet naar
schoolgebouwen. Dat is een onderdeel van de situatie waarin wij ons nu
bevinden.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Ergin (DENK):
Dat was ook mijn volgende punt. Waarom doet de staatssecretaris nou
moeilijk als het gaat om het labelen of oormerken van die gelden?
Volgens mij heb ik in de afgelopen twee jaar twee moties ingediend om
daar de vinger op te kunnen leggen. Om hoeveel geld gaat het nou?
Hoeveel geld gaat er via het gemeentefonds naar gemeenten voor
onderwijshuisvesting? Hoeveel daarvan wordt voor onderwijshuisvesting
ingezet? Kunnen we het niet labelen, al is het maar een deel? We hoeven
niet alles in één keer te labelen, maar kunnen we het niet opbouwen?
Kunnen we daar geen middenweg in vinden? Ik heb echt alles geprobeerd in
dit huis. Ik zou toch tegen de staatssecretaris willen zeggen dat mijn
voorlopige conclusie in elk geval is dat de staatssecretaris die kant
niet op wil gaan. Maar die grote geldberg is er. We hoeven niet ergens
in een kast of een kluis 1,3 miljard te vinden. Die gelden gaan al
richting de gemeenten. Ik ben ervan overtuigd dat als we die gelden meer
kunnen bewegen richting onderwijshuisvesting, we de tekorten en de
achterstanden van de afgelopen decennia kunnen inhalen.
Voorzitter. Dan over het wetsvoorstel zelf. Nogmaals, heel veel
gemeenten werken al met een IHP, een integraal huisvestingsplan. Zo'n
IHP is handig. Met dat planningsinstrument kan je twaalf jaar
vooruitkijken. Welke gebouwen pak ik als eerste aan? Waar ligt de
urgentie? Zou het niet mooi zijn als we het IHP met dit wetsvoorstel
niet alleen een planningsinstrument maken, maar ook een
kwaliteitsinstrument? We hebben het nu allemaal over cijfers. Ik heb het
over 4.500 schoolgebouwen die niet voldoen aan de kwaliteitsnormen. Dat
is een schatting. Die 1,3 miljard is een becijfering. Kijk bijvoorbeeld
naar het onderzoek van het MDL Fonds. Dat gaat slechts over 80
schoolgebouwen, terwijl dit wetsvoorstel ervoor gaat zorgen dat alle
gemeenten met een IHP moeten werken. Waarom gaan we in dat IHP niet ook
de kwaliteit meten? Waarom zeggen we niet tegen gemeenten dat ze
onderzoek moeten doen naar die schoolgebouwen? Dat moet dus in het IHP
voorkomen. Het liefst zien we dat de schoolgebouwen die er het slechtst
aan toe zijn als eerste worden aangepakt, en dat het netjes wordt
gemotiveerd als dat niet het geval is.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dit een heel interessante notie van de heer Ergin. Hij heeft,
als voormalig wethouder, duidelijk veel verstand van hoe het gaat met
onderwijshuisvesting. Wij weten allebei dat kwaliteit eigenlijk helemaal
niet in het IHP staat. Door de staatssecretaris wordt in de notitie
gezegd: we krijgen meer zicht op de kwaliteit doordat de IHP's worden
opgestuurd. Is de heer Ergin het met mij eens dat het eigenlijk een heel
raar instrument is om zicht te krijgen op kwaliteit?
De heer Ergin (DENK):
Ik kan in ieder geval bevestigen dat wat er volgens het huidige
wetsvoorstel in het IHP moet staan, echt strikt onvoldoende is om te
bekijken hoe het ervoor staat met onze schoolgebouwen. Dat er kadastrale
gegevens zijn, zoals bouwtechnische dingen en het bouwjaar, is allemaal
logisch. Maar om die gemeenten meer te stimuleren en te helpen, zou je
juist ... Ik zag een amendement van mevrouw Moorman. Volgens mij ging
dat over luchtkwaliteit. Zo zijn er een aantal andere dingen die
bijvoorbeeld in een NEN-standaard zijn gegoten. Die kunnen we gebruiken.
Wij willen gewoon tegen die gemeenten zeggen: u moet niet alleen een
bouwplanning maken in het IHP; wij willen ook dat u laat zien hoe het
ervoor staat met de kwaliteit van de schoolgebouwen. Als we dat
landelijk kunnen verzamelen, hebben we eigenlijk iedere twee jaar zicht
op de voortgang van de aanpak van onderwijshuisvesting en op de staat
van onze schoolgebouwen. Ik zal u zeggen, zeg ik uiteraard via de
voorzitter tegen mevrouw Moorman, dat we echt schrikken als we exact
weten hoe slecht het ervoor staat. We krijgen nu telkens kleine
signalen, met name van kleinere gemeenten, maar ook van grote gemeenten.
Het probleem van slechte onderwijshuisvesting is gigantisch en speelt
breed in het land. Dus ja, ik ben er voorstander van om het IHP meer
richting de kwaliteit te bewegen. Daar heb ik een amendement voor. Dat
wordt als het goed is binnen enkele minuten ingediend.
Mijn tweede punt over het wetsvoorstel is: meer tempo. We zeggen altijd:
er moet meer tempo komen. We weten dat heel veel gemeenten al met een
IHP werken. Waarom geven we de gemeenten weer drie jaar? Waarom praten
we drie jaar, terwijl we al weten wat er beter moet? Er moet zo snel
mogelijk worden gebouwd en projecten moeten worden opgepakt. Kunnen we
die termijnen dus niet inkorten? Kunnen we bijvoorbeeld niet zeggen: die
IHP's in twee jaar en de meerjarige onderhoudsplannen voldoen dan
misschien niet aan de eisen die in het wetsvoorstel staan, maar die
stukken liggen er al? Die stukken zijn er al. Dus waarom doen we niet
IHP binnen twee jaar en MOP binnen anderhalf jaar? We kunnen dan
namelijk vaart maken en stappen zetten.
Het derde punt gaat over een monitor. Ook die discussie voeren we hier
al heel lang. De Kamer vraagt aan de staatssecretaris: hoe weten we wat
de status van de schoolgebouwen is? We weten dat nu op basis van
media-artikelen, maar waarom werken we niet aan een monitor? Volgens mij
is het heel goed dat die IHP's nu verplicht worden. Dat maakt het voor
de staatssecretaris nog makkelijker om met een landelijke monitor te
komen, maar dat staat niet in de wet. Ik zie het wel in de marge van de
wet, namelijk in de memorie van toelichting. Maar waarom — ik heb daar
ook een amendement op voorbereid — nemen we niet in de wet op dat we
structureel gaan monitoren wat de voortgang is en wat de staat en de
kwaliteit van onze onderwijshuisvesting in Nederland zijn?
Voorzitter. Ik ga toch richting een conclusie.
De voorzitter:
Maar niet voordat mevrouw Rooderkerk heeft geïnterrumpeerd.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De heer Ergin zei iets heel interessants. Hij zei: wanneer we beter
zicht zouden hebben op hoe het staat met onze schoolgebouwen, zouden we
ons daar ook collectief meer zorgen over maken. Ik deel dat met hem. Het
amendement dat hij zegt te gaan indienen, heb ik nog niet voorbij zien
komen. Als ik nu kijk naar wat er in het IHP moet worden opgenomen door
gemeenten, dan gaat dat ook over het bouwjaar, de bouwtechnische staat,
het energiegebruik, de technische levensduur en duurzaamheid. Dat lijken
mij zeker kwaliteitsindicatoren. Is er dan nog iets wat de heer Ergin
mist? En wat is dan precies het voorstel dat hij zal doen in het
amendement?
De heer Ergin (DENK):
Er is op het departement van de staatssecretaris al jarenlang nagedacht
over het definiëren van de kwaliteit van schoolgebouwen. Dat is
natuurlijk een heel ingewikkeld vraagstuk. Ik heb de naam niet paraat,
maar het was iets als "landelijke kwaliteitsmeting onderwijshuisvesting"
en dat zou nagenoeg overeenkomen met de NEN-norm. Dat amendement wordt
zeer snel ingediend. Door die NEN-norm te hanteren, pak je in één keer
de technische kant, dus de Bouwbesluiteisen die nu al gelden, en kijk je
ook naar de gebruikerservaringen. Dat is in de NEN-norm vastgelegd en
dat amendement komt binnen een aantal minuten naar de Kamer.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik zie dat graag heel snel tegemoet. Waar ik zelf naar op zoek ben, is
hoe we ervoor zorgen dat schoolgebouwen gaan voldoen aan de
bouwbesluiten van deze tijd of die per 2030 gelden. We moeten zorgen
voor een goed binnenklimaat. In hoeverre is het nodig om daar nog nadere
zaken over in deze wet op te nemen, of gebeurt dat al omdat scholen
daaraan moeten voldoen? Dat is misschien ook een vraag voor de
staatssecretaris, wellicht in reactie op het amendement. Ik denk dat het
goed is als we dat helder krijgen.
De heer Ergin (DENK):
Volgens mij geldt voor nieuwbouw van scholen dat het binnenklimaat in
negen van de tien gevallen goed is geregeld. Als het gaat om echt
splinternieuwe gebouwen, dan maak ik mij daar geen zorgen over. Ik maak
mij meer zorgen over het tempo en het uitstellen van bouwprojecten dan
over de kwaliteit van bijvoorbeeld het binnenklimaat. Waar het mij wel
om gaat, is dat we in de wet een minimumnorm moeten opnemen. Je kunt die
minimumnorm heel streng formuleren, maar dan zullen mogelijk nog meer
projecten vertraging oplopen. Als ik naar de praktijk kijk, zie ik dat
heel veel gemeenten al met IHP's werken. In die IHP's staat dat de NEN
8076-norm ziet op de kwaliteit en de gebruikerservaring van zo'n gebouw
en dat die norm redelijk in de buurt komt van wat wij eigenlijk willen.
We willen gewoon dat de basis op orde is. Een gemeenteraad kan dan
altijd nog besluiten om daar een schepje bovenop te doen en eigen
middelen in te brengen. Ik denk dat we de minimumnorm, de ondergrens,
duidelijk moeten markeren in het IHP. Dat is op dit moment nog niet het
geval.
De voorzitter:
U kwam tot een conclusie.
De heer Ergin (DENK):
Ja, voorzitter. Ik had volgens mij nóg een amendement, maar dat heb ik
hier niet bij me. Ik dien dus vier amendementen in: een amendement om
het tempo erin te houden, een amendement om in het wetsvoorstel op te
nemen dat de IHP's versneld moeten worden, nog een amendement over een
kwaliteitsmeting — er moet een monitor komen — en een amendement over de
inhoud van een IHP. Bij dat laatste amendement valt te denken aan vragen
als wat er dan in zo'n IHP moet staan en wat er meer in moet staan dan
nu in het wetsvoorstel staat.
Voorzitter. Ik heb nog één laatste vraag, over een school in Den Haag in
de buurt Binckhorst. Daar staan nu 10.000 woningen gepland, maar dat
project loopt vertraging op. Zoals bij veel schoolgebouwen het geval is,
lopen ook bouwprojecten vertraging op. Er is daar nu een school genaamd
De Binck. Omdat die school niet voldoet aan de letter van de wet,
namelijk de leerlingenprognoses, dreigt die te sluiten. Ik heb begrepen
dat de gemeente Den Haag, althans het schoolbestuur, met een tijdelijke
oplossing is gekomen. Dat is natuurlijk goed, maar het klinkt niet als
een definitieve oplossing, eerder als iets slims om het probleem te
verplaatsen. Ik zou graag van de staatssecretaris willen horen hoe het
nou zit in onze huidige regelgeving. Er is dus een school die misschien
niet voldoet aan de letter van de wet, maar die wel toekomstbestendig is
en potentie heeft. Als die woningen er komen, is de kans namelijk
aanzienlijk dat zo'n school ook voldoende leerlingen zal krijgen. Ik heb
dus niet echt zicht op waar de schoen wringt als het gaat om wetgeving.
Ik denk niet dat het alleen ligt aan de Wet meer ruimte voor nieuwe
scholen, zoals de collega van de VVD net aangaf. Volgens mij is het ook
een bekostigingsvraagstuk waar we het over moeten hebben.
Voorzitter. Ik kom nu echt bij mijn conclusie. Dat was mijn laatste
vraag. Er is te veel beleidsvrijheid bij gemeenten, onvoldoende geld en
onvoldoende duidelijkheid over wie waarvoor verantwoordelijk is. Het
niet goed in kaart brengen van het probleem heeft ervoor gezorgd dat we
in Nederland een enorme huisvestingscrisis hebben. Schoolgebouwen zijn
er gewoon superslecht aan toe. Het gaat niet om iets wat alleen bij een
paar gemeentes speelt; het is echt iets wat breed in het land speelt.
Dat moeten we stoppen. Dat moeten we stoppen door inderdaad de dingen
slimmer te doen, zoals dat in het wetsvoorstel staat. Daar is mijn
fractie voorstander van. Maar we moeten ook naar de kern, naar de
oorzaak van het vraagstuk kijken. Iedere dag dat we hier wachten,
onvoldoende investeren en schoolgebouwen stukje bij beetje nog meer
achteruitgaan, betekent dat we over tien jaar een nóg groter probleem
hebben.
Voorzitter. Ik hoop dat we daar met dit wetsvoorstel een flinke stap in
kunnen zetten. Ik kijk dan ook uit naar de beantwoording van de
staatssecretaris.
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan dit betoog goed volgen. Alleen, wat ik heb begrepen van de
inbrengen die zijn geleverd op dit voorstel, is dat een deel van het
probleem is ontstaan door de gedeelde verantwoordelijkheid, dus dat
gemeenten verantwoordelijk zijn voor het juridische deel en dat de
overheid verantwoordelijk is voor het economische deel. De een doet de
investeringen en de ander doet het onderhoud. Dat leidt tot verkeerde
prikkels en onduidelijkheid. Daar hoor ik u niet over. Als we deze
problemen signaleren, zou het dan niet beter zijn om dit bij één partij
onder te brengen?
De heer Ergin (DENK):
Dat gegeven zorgt voor ingewikkelde en moeizame gesprekken. Ik vind het
niet erg dat die plaatsvinden, want het resultaat van de kruisbestuiving
tussen gemeenten en schoolbesturen is meestal wel dat er iets moois
komt. Denk aan gemeenten die met het idee komen om niet twee aparte
scholen te bouwen, maar om van twee scholen één schoolgebouw met twee
aparte ingangen te maken, met daarbovenop nog wat woningen. Dat zijn
natuurlijk oplossingen waar we allemaal om vragen. We willen slimme
oplossingen en meer huizen. De kruisbestuiving door de onduidelijke
verdeling van verantwoordelijkheden die nu in de wet staat, kan dus ook
tot iets moois leiden.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ergin. Het woord is aan mevrouw Moorman voor haar
inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Er gebeurt een hoop aan
de ene kant van de plenaire zaal, hoor ik, maar wij krijgen er aan de
andere kant van de zaal niet zo veel van mee. Het woord is aan mevrouw
Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Schoolgebouwen zijn niet alleen maar een stapel
stenen. Het zijn plekken waar toekomstdromen vorm krijgen, waar kinderen
zich ontwikkelen en waar ze vriendschappen sluiten. Je doet je ogen
dicht en je loopt zo door het schoolgebouw waar je vroeger les hebt
gehad. Het zijn heel belangrijke plekken voor de toekomst van ons land.
Daarom is het goed dat we met elkaar kijken hoe we de kwaliteit van onze
schoolgebouwen in dit land zo goed mogelijk kunnen krijgen.
Voorzitter. Daarover heb ik wel een zorg. Het is net ook al door mijn
collega Ergin aangegeven en het is helemaal niet gek dat hij dat doet,
vanwege zijn vorige positie als wethouder. Ik heb zelf ook gemerkt dat
het sturen op onderwijshuisvesting niet meteen heel sexy is. We hebben
het heel vaak over andere problemen in het onderwijs, maar
schoolgebouwen krijgen vaak niet de aandacht die ze nodig hebben. Het is
een beetje hetzelfde als bij kades en bruggen: je ziet het
verslechteren, maar ondertussen investeert niemand erin. Ook nu weer
zien we dat er in het huidige coalitieakkoord niet wordt geïnvesteerd in
onderwijshuisvesting. Dat is heel zorgelijk, want we zien dat de
kwaliteit van onze schoolgebouwen enorm aan het achteruitgaan is.
We hebben hier een nieuwe wet voorgelegd gekregen. De eerste vraag die
we dan natuurlijk moeten stellen, is of deze wet tot betere
schoolgebouwen leidt. Er is een wetenschapstoets op toegepast, waarvan
we de resultaten natuurlijk hebben gekregen. De wetenschapstoets is
vernietigend: de wet krijgt eigenlijk op geen enkel punt een voldoende,
is niet doelmatig, niet doeltreffend en bereikt niet de doelen die ermee
worden beoogd, namelijk dat het stelsel hiermee eenvoudiger en
overzichtelijker wordt. Wat ik eigenlijk nog erger vind, is dat er
helemaal niet gekeken wordt naar de kwaliteit. Daar zouden we het toch
met elkaar over moeten hebben?
Wij zijn dus niet positief over de wet. We zien dat de poging die wordt
gedaan om de problemen omtrent schoolgebouwen aan te pakken eigenlijk
niet voldoende is. We hebben te maken met schoolgebouwen uit de jaren
zestig en zeventig die sterk zijn verouderd, met slechte isolatie,
slechte luchtkwaliteit en gebrekkige toegankelijkheid. Er moeten echt
grote slagen worden gemaakt, maar we denken dat dat met dit voorstel dus
niet gaat lukken. Ik heb net al gezegd dat er geen geld wordt
vrijgemaakt en dat de gesplitste verantwoordelijkheid tussen gemeenten
en schoolbesturen blijft bestaan. Door het verplichten van een integraal
huisvestingsplan en een meerjarig onderhoudsplan voor gemeenten en
scholen zouden de kosten moeten dalen. We vinden het op zich prima dat
het wordt verplicht. Het gebeurt namelijk ook al op heel veel scholen en
in heel veel gemeenten, maar we zien niet hoe dit meteen tot een
oplossing van de problemen gaat leiden. De wetenschapstoets verwoordt
treffend dat ervan uit wordt gegaan dat het is opgelost omdat het is
opgeschreven, maar zo werkt het in de praktijk natuurlijk niet, zoals we
in heel veel gemeenten zien.
De wet leidt dus niet tot de kwaliteitsverbetering van de gebouwen en
dat is zorgelijk, want kinderen volgen daar onderwijs en geven daar hun
toekomst vorm. We zien nu al dat de plafonds soms gewoon naar beneden
komen, zoals een paar jaar geleden in de gemeente Rotterdam gebeurde.
Dat wil je niet. Je wil dat scholen plekken zijn waar je tot goed leren
komt. Er wordt gesteld dat er door het opsturen van de IHP's inzicht
komt in de kwaliteit van gebouwen. Ik vroeg het net ook al aan mijn
collega Ergin, maar denken we nou echt dat er door het opsturen van die
IHP's inzicht komt? Ik heb daar mijn twijfels over. Het geeft namelijk
vooral een overzicht van de gebouwen die er zijn. Ik zie niet zo snel
hoe we daardoor dan ook daadwerkelijk diepgaand inzicht krijgen in de
kwaliteit.
Ik zie ook niet hoe het opsturen van de MJOP's naar de gemeenten tot
betere sturing leidt, al vind ik het goed dat ze worden gemaakt. De
gemeente krijgt al die MJOP's opgestuurd, en dan? Wat kunnen ze doen op
het moment dat ze zien dat het niet goed genoeg is, dat er geen geld
voor is en dat er geen reserves voor zijn? Hoe kan de gemeente daar dan
op sturen? Het lijkt dus vooral op het heel veel verschuiven van papier,
zonder dat er echt iets wordt opgelost.
Het blijft een diffuus geheel van verschillende verantwoordelijkheden
die niet samenkomen en — daar maak ik me zorgen over — er dreigt nog
meer variatie te ontstaan tussen scholen, terwijl we die nu al zien. Als
wethouder zag ik vaak dat schoolbesturen besluiten om vooral in de hele
populaire scholen te investeren omdat ze daar leerlingen willen trekken,
waardoor andere scholen juist achterblijven. Ik ben ook bang dat de
rijke scholen, scholen die meer ouderbijdragen en fondsen hebben,
zichzelf door de opheffing van het investeringsverbod nog mooier en tot
grotere paleizen kunnen maken, terwijl de andere scholen achterblijven.
We zouden toch álle kinderen even goed onderwijs moeten geven en dus ook
even goede schoolgebouwen? Zouden we niet zelfs de beste schoolgebouwen
moeten hebben in de wijken waar die het allerhardst nodig zijn?
Voorzitter. In het huidige systeem zijn gemeenten verantwoordelijk voor
bouwen en scholen voor onderhoud. Deze splitsing zorgt voor
onduidelijkheid over verantwoordelijkheden. Valt renovatie bijvoorbeeld
onder bouwen of onder onderhoud? Het wetsvoorstel biedt geen oplossing
voor deze gespleten verdeling van verantwoordelijkheid voor
onderwijshuisvesting en het onderhoud van de schoolgebouwen. In de
bijbehorende geldstroom tussen gemeenten en onderwijsinstellingen p.o.
wordt ook niet duidelijk gemaakt hoe dat nou precies is verdeeld. Daarin
moet echt een systeemkeuze worden gemaakt, want dat wordt met deze wet
niet opgelost.
Voorzitter. We bespreken vandaag een wetsvoorstel dat ervoor zou moeten
zorgen dat de onderwijshuisvesting in Nederland weer op peil komt. Een
van de voorwaarden om dit daadwerkelijk te kunnen doen, is dat er
voldoende geld komt. Uit het ibo Onderwijshuisvesting van 2021 blijkt
dat er zo'n 730 miljoen euro nodig is om alle scholen in 2050 de
klimaatdoelen te laten halen. Geïndexeerd naar het prijspeil van nu
zitten we dan op zo'n 1,3 miljard per jaar, maar er wordt door dit
kabinet geen geld vrijgemaakt om dit te doen. We waren hoopvol, want we
zagen in sommige verkiezingsprogramma's dat er veel geld voor werd
vrijgemaakt, maar het zit er helaas niet in. We lezen in het
coalitieakkoord dat bestaande mogelijkheden en middelen worden gebruikt
om te sturen op bijvoorbeeld publiek-private samenwerking. Kan de
staatssecretaris uitleggen wat dat dan precies inhoudt? Wat is de
effectiviteit van het wetsvoorstel als er helemaal geen geld achter
zit?
Ik had eigenlijk verwacht dat er nu een interruptie van de heer Kisteman
zou komen, maar die komt niet.
De voorzitter:
Nu lokt u hem uit. U krijgt mevrouw Rooderkerk. Gaat uw gang.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoop dat ik u ook kan verblijden. Het punt van het geld is natuurlijk
terecht, want we horen al langer van scholen en gemeenten dat zij graag
meer zouden doen aan de onderwijshuisvesting dan zij nu kunnen. We zien
nu aan de ene kant dat er geld vanuit de overheid komt, maar bij D66
zouden we graag zien — wij hebben dit namelijk wel steeds in ons
verkiezingsprogramma opgenomen — dat we ook naar mogelijkheden zouden
kijken om bijvoorbeeld geld los te maken bij private investeerders. Dat
doen we natuurlijk ook bij woningbouw in brede zin. Daar doen we publiek
en privaat samen. Ziet mevrouw Moorman daarin ook een mogelijkheid,
bijvoorbeeld dat pensioenfondsen voor leraren zouden kunnen investeren
in schoolgebouwen? Dan zorgen we samen voor meer geld om dit mogelijk te
maken.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Natuurlijk moet wel vooropstaan dat dit publieke voorzieningen zijn. We
zullen daar dus altijd duidelijke randvoorwaarden aan moeten stellen. Er
moet dus bijvoorbeeld geen invloed komen vanuit commerciële sectoren. Ik
denk dat mevrouw Rooderkerk dat ook niet wil. Maar ik ken inderdaad wel
voorbeelden uit de praktijk van plekken waar dit goed werkt. Het kan
rendabel zijn. Als het ertoe leidt dat je betere schoolgebouwen kan
bouwen, zeggen wij niet per definitie nee, maar ik vind dat je de nodige
voorzorgsmaatregelen moet nemen, omdat het dus wel publieke instellingen
zijn. We willen ook geen grote verschillen hebben tussen scholen; dat
heb ik net al aangegeven.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Goed om te horen. Wij zullen hier verder over gaan praten met elkaar en
er voorstellen over indienen. Ik hoop dat we daarop samen kunnen werken.
Ik meen overigens dat het zelfs Job Cohen was die in 2011 een keer
zoiets voorstelde. Het is namelijk nodig dat we gewoon genoeg geld
investeren in die maatschappelijke voorzieningen. Het zou mooi zijn als
we dat kunnen doen. Daarbij denk ik dat het nodig is dat we daar veel
meer een landelijke aanpak van maken, zodat we voor een versnelling
kunnen zorgen. Ik hoop mevrouw Moorman ook daarvoor aan mijn zijde te
vinden, zodat we echt kunnen zorgen dat we hier nou eens werk van gaan
maken met z'n allen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Nogmaals, publiek-private constructies, pps-constructies, zijn erg
bekend in bouwend Nederland. Die kunnen soms inderdaad tot hele goede
effecten leiden, dus ik vind het helemaal niet gek om daarnaar te
kijken, maar dan wel onder de juiste randvoorwaarden, omdat het publiek
goed is.
Voorzitter. Ik had nu eigenlijk de heer Kisteman verwacht, want ik was
een beetje verbaasd over zijn opmerking van net over de reserves van
gemeentes. Ik wil de heer Kisteman toch eens een keer uitnodigen om goed
te kijken naar hoe het financieringssysteem van gemeentes eigenlijk
werkt. Dat werkt namelijk heel anders dan bij het Rijk. Dus waar hier nu
naar wordt verwezen, betekent helemaal niet dat gemeentes geld op de
plank laten liggen voor onderwijshuisvesting. Er blijkt heel duidelijk
uit alle verschillende berekeningen dat er geld tekort is. Ik vind het
eigenlijk ook best wel een affront richting gemeentes om op deze manier
te stellen dat ze het geld gewoon niet uitgeven. We weten gewoon dat het
niet goed gesteld is met onze onderwijshuisvesting. We hebben juist veel
gemeentes — ik was zelf wethouder in zo'n gemeente — die heel veel geld
moeten bijleggen. Dus ik hoop dat de heer Kisteman zich daar nog een
keer in verdiept.
Voorzitter. Dan over de toegankelijkheid van schoolgebouwen, want ook
daar maken we ons zorgen over. Een schoolgebouw moet natuurlijk
inclusief zijn. Wij willen dat alle kinderen naar alle schoolgebouwen
kunnen. We zien dat daar nog heel veel dingen missen. We hadden
eigenlijk een amendement voorbereid, maar we hebben met Bureau Wetgeving
overlegd en het blijkt dat daar nog best wel wat juridische haken en
ogen aan zitten. Wij willen natuurlijk geen amendement indienen dat niet
helemaal passend is, dus we overwegen nu een motie. De portee hiervan is
dat leerlingen met een beperking nog steeds tegen te veel obstakels in
het onderwijs aan lopen door ontoegankelijke schoolgebouwen en dat het
dus wenselijk is dat kinderen met en zonder handicap zo veel mogelijk
samen naar school kunnen gaan in hun eigen buurt. Nederland heeft zich
in 2016 gecommitteerd aan het VN-verdrag Handicap, waarin staat dat
mensen met een beperking volwaardig mee moeten kunnen doen met de
samenleving. Daar hoort ook toegang tot onderwijs en schoolgebouwen bij.
Onze fractie wil dat renovatie- en nieuwbouwprojecten moeten voldoen aan
Europese normen voor toegankelijkheid, en dat bij tussentijds onderhoud
altijd toegankelijkheid moet worden meegenomen. En we hopen ten zeerste
dat de staatssecretaris dat amendement kan onderschrijven.
Voorzitter, ik ga snel door, want ik zie dat ik snel door de tijd heen
ga. Dan hebben we ook nog een amendement over binnenklimaat. We hopen
daarbij zeer op de steun van de Kamer, want we zien dat het
binnenklimaat vaak niet op orde is. We zagen dat ook in andere
gemeentes. Er was op een gegeven moment zelfs een onderzoek waaruit
bleek dat het binnenklimaat in scholen vaak slechter is dan in
gevangenissen en varkensstallen. In de coronacrisis hebben we gezien hoe
schadelijk dat is, dat dat tot ziektes kan leiden, dat het tot uitval
kan leiden. Zeker bij een lerarentekort wil je niet dat leraren ziek
worden. We willen dat alle leerlingen mee kunnen blijven doen, maar we
weten dat dit ook voor het leerproces superbelangrijk is. Wij zijn dus
heel erg verbaasd dat die zorgplicht is geschrapt. Dat lijkt ons de
wereld op zijn kop. Daarom dit amendement.
Dan, voorzitter, overwegen we nog een motie over school-wc's ...
De voorzitter:
U mag uw zin even afmaken, hoor.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Nou, ik was bij een volgend blokje.
De voorzitter:
Heel goed, dan is het woord aan de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Mijn vraag ging niet over de school-wc's, maar over dat vorige punt en
het amendement over de zorgplicht. Iedereen wil natuurlijk een beter
binnenklimaat op scholen. Mevrouw Moorman zegt dat ze heel verbaasd is
dat dat niet is opgenomen, maar ik zag juist dat dat eerst wel was
opgenomen, maar heel weloverwogen uiteindelijk is verwijderd naar
aanleiding van de inspraak in de internetconsultatie. Ook het
Adviescollege toetsing regeldruk, DUO en anderen zeggen dat dit
eigenlijk niet goed uitvoerbaar is, dat het voor heel veel extra
administratieve lasten zorgt en eigenlijk te weinig toevoegt.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Kijk, alles waarvoor je je moet inspannen, kost inspanning. En de vraag
is: hoe belangrijk vind je het? Dus ja, tuurlijk zorgt dit ervoor dat je
iets moet controleren. Maar ik denk dat dat in de praktijk wel meevalt.
We hebben ook de bouwinspectie, dus daarin kan het gewoon meegenomen
worden. Het feit dat je er geen zorgplicht voor hebt, geeft eigenlijk
aan dat je aan gebouwen waar het niet op orde is vervolgens ook niks
doet. Dat vind ik een zeer zorgelijke situatie, die we niet zouden
moeten hebben. Van het binnenklimaat weten we gewoon dat het echt een
enorme impact heeft op de kwaliteit van leraren en op de ziekte-uitval.
Dat moeten we gewoon echt niet willen. Dit is dus echt een
fundament.
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan mij eigenlijk niet voorstellen dat er veel mensen zijn die zeggen
dat binnenklimaat helemaal niet belangrijk is of dat er scholen zijn die
denken: daar doen wij niks aan. Ik zie ook wel dat dat beter moet, maar
het gaat niet alleen maar om een kwestie van inspanning; het gaat ook
over de verhouding tussen extra inspanningen en extra opbrengsten. En de
conclusie van al die partijen is dat die extra inspanning, de
administratieve en juridische inspanningen, niet voldoende oplevert om
dat te rechtvaardigen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar op deze manier letten we er niet op en kunnen we er dus ook
niet op sturen. We hebben er dan helemaal geen zicht op. Ik snap
natuurlijk dat alles wat je extra moet doen tijd kost, maar het lijkt me
vooral heel belangrijk dat je het wél doet. Als je alleen maar kijkt
naar "kost het ons een extra inspanning?" — dat is hier natuurlijk door
de commissie voor regeldruk gedaan — tja, dan snap ik dat dat de
uitkomst is. Maar als je kijkt vanuit het belang van de kinderen, dan
kom je gewoon tot een heel andere uitkomst.
De voorzitter:
U vervolgt.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik was bij de motie over school-wc's. Die zal ik straks indienen, ook
naar aanleiding van een petitie van de Maag Lever Darm Stichting die
laat zien dat kinderen onder schooltijd heel vaak gewoon niet naar de wc
gaan, omdat de wc's vies zijn, niet veilig worden gevonden en te open
zijn. Daar zal echt wat aan gedaan moeten worden, want dat leidt echt
tot chronische klachten.
Voorzitter. Dan komt er ook nog een motie over energielabels. We zien
dat nog heel veel scholen energielabel G hebben. Dat is echt zorgelijk,
zeker ook met de aanstaande energiecrisis. Het lijkt ons belangrijk om
verplicht te stellen dat er voor alle schoolgebouwen een energielabel
is. Daar willen wij graag een reflectie op.
Tot slot, voorzitter. We zien dat er vaak nog starheid is in hoe er
wordt omgegaan met vierkante meters voor onderwijs, dat er geen ruimte
wordt gemaakt voor de schoolbibliotheek, dat er geen ruimte wordt
gemaakt voor zorg binnen de school en voor maatschappelijke
organisaties. Dit is ontzettend belangrijk voor de kansengelijkheid en
om een school echt een plek te maken waar je kan leren. Zou dat ook
meegenomen kunnen worden in de IHP's?
Voorzitter, tot slot. Ik heb al gezegd dat deze wet weinig gaat
oplossen. We gaan hem ook niet evalueren, want dat zou te veel druk
opleveren. Dat lijkt me toch echt het paard achter de wagen spannen. Ik
denk dat het belangrijk is, ook gezien alle kritiek die wordt gegeven,
dat we de wet heel snel evalueren en dat we dan ook kijken naar de
kwaliteit.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Moorman.
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb toch nog een vraag aan mevrouw Moorman, want zij heeft als
onderwijswethouder in Amsterdam natuurlijk ontzettend veel ervaring
opgedaan met de gemeentelijke plannen, de aanvragen en hoe dat hele
proces werkt. Wat zijn haar ervaringen met zo'n op overeenstemming
gericht overleg? Hoe werkt dat? Leidt dat proces inderdaad tot goede
investeringsbeslissingen vanuit de gemeente? Wordt de governance daar
echt beter van in haar opvatting?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze vraag van de heer Boomsma. Het oogo laat zien dat het
best lastig als je geen heel duidelijk sturende mechanismen hebt en je
bijvoorbeeld, zoals ik in Amsterdam had, met 45 schoolbesturen in het
p.o. en 25 schoolbesturen in het vo om de tafel moet gaan zitten. Al die
schoolbesturen willen natuurlijk dat hun schoolgebouw op orde is, maar
hebben daar ook zo hun prioriteiten in. In onze stad zag ik bijvoorbeeld
dat er veel meer werd geïnvesteerd in de scholen op de meer populaire
plekken dan in de scholen waarvan we eigenlijk vinden dat de kinderen
daar meer verdienen, omdat ze minder meekrijgen van thuis. Uiteindelijk
heeft de gemeente dus echt moeten besluiten om ongelijk te gaan
investeren en om dat vooral op die plekken te doen. Dat is niet iets wat
zomaar vanuit de schoolbesturen komt. Dat snap ik ook, want elk
schoolbestuur heeft daarin natuurlijk zijn eigen belang. Daarom wijs ik
er ook zo op dat we er niet komen als we geen goed overzicht hebben en
ook geen duidelijke sturingsmechanismen hebben. Daarom ben ik blij met
deze vraag van de heer Boomsma. Mijn vraag aan de staatssecretaris was
ook: lost dit het probleem op? Ik denk, en de heer Boomsma suggereert
dit ook met zijn vraag, dat alleen maar het organiseren van een oogo het
niet oplost. Je moet daardoorheen kunnen breken. Wat dat betreft maak ik
me ook echt nog steeds zorgen over de verschillende
verantwoordelijkheden en de verschillende financiële stromen, want
daarmee breng je het naar mijn mening te weinig bij elkaar.
Voorzitter, als u het mij toestaat, wil ik naar aanleiding van deze
vraag nog één opmerking maken. Netcongestie is bijvoorbeeld ook een
enorm groot probleem. Daar kon ik het in mijn bijdrage niet over hebben,
dus daarom gebruik ik deze interruptie. Ook daarin zou je met elkaar
keuzes moeten maken, want voordat je het weet — dan houden we inderdaad
reserves — gaan we scholen niet bouwen, omdat er gewoon niet voldoende
stroom is. Ook daarbij zou ik hopen dat we veel meer sturing krijgen
vanuit de overheid, om scholen bijvoorbeeld altijd voorrang te
geven.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Moorman. Dan is het woord aan mevrouw Rooderkerk
voor haar inbreng namens D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Scholen zijn de plek waar je leert rekenen en lezen en
droomt over de toekomst, maar dat begint wel letterlijk bij het gebouw
zelf. Helaas zien we te vaak dat scholen te maken hebben met slechte
ventilatie: te koud in de winter en te heet in de zomer. Afgelopen
periode liep er een student mee. Die vertelde dat ze in de winter met
twee truien in de klas zit. Helaas is dat geen uitzondering. Dat wringt.
We praten in de Kamer vaak met elkaar over onderwijs, over het welzijn
van leerlingen en leraren en de toekomst van onze kinderen, maar dat
begint bij iets heel basaals: een gezond schoolgebouw. We weten uit
onderzoek dat dat van belang is voor betere leerprestaties en natuurlijk
ook voor het werkklimaat van onze leraren.
De wet die we vandaag bespreken, moet een stapje in de goede richting
zetten door meer duidelijkheid te creëren. Op dit moment is alles
namelijk versnipperd: gemeenten zijn verantwoordelijk voor de nieuwbouw,
schoolbesturen voor het onderhoud, en als er iets nodig is, wordt er te
vaak naar elkaar gekeken, waardoor het stil blijft staan. Het resultaat
is vertraging, onduidelijkheid en uiteindelijk leerlingen en leraren die
de dupe zijn. Deze wet probeert dat op een paar punten te doorbreken
door verantwoordelijkheden duidelijker te beleggen en samenwerking af te
dwingen. Dat doet die bijvoorbeeld door renovatie toe te voegen aan het
takenpakket van de gemeente, in plaats van dat van het schoolbestuur, om
het mogelijk te maken dat scholen hun exploitatieoverschot kunnen
investeren in nieuwbouw en verbouw van hun schoolgebouw. De wet doet
dat, naar de motie van partijgenoot Paul van Meenen, ook door
schoolbesturen te verplichten een meerjarenonderhoudsplan op te stellen
en door gemeenten te verplichten een integraal huisvestingsplan op te
stellen. Dat is voor de lange termijn, zodat we niet pas ingrijpen als
het al veel te laat is, maar zodat we vooruitkijken, keuzes maken over
wat leerlingen en leraren nodig hebben en bouwen aan hun toekomst.
Het is een eerste stap, maar ik wil ook verder kijken. Er zijn namelijk
nog meer mogelijkheden om echt voor verbetering van onze gebouwen te
zorgen. Voorbeelden uit het buitenland laten dat zien. In Vlaanderen
worden schoolgebouwprojecten op grote schaal georganiseerd en
gezamenlijk aanbesteed. Dat gebeurt vaak in samenwerking met private
partijen, zoals investeerders of pensioenfondsen. Door projecten te
bundelen en samen aan te besteden, wordt het bouwen sneller, effectiever
en goedkoper. Ik ben ook blij dat in het coalitieakkoord is opgenomen
dat we dit gaan doen. Daarom is mijn vraag aan de staatssecretaris of
zij hier voortvarend mee aan de slag wil gaan. Neemt zij een voorbeeld
aan de projecten Scholen van Morgen en Scholen van Vlaanderen? Kijkt zij
goed naar hoe we dat in ons huidige systeem kunnen toepassen? Wij zitten
namelijk wel met de gedeelde verantwoordelijkheden, die we nu nog steeds
in de wet hebben staan.
Daarnaast kwam uit het ibo-rapport over onderwijshuisvesting de
aanbeveling om de bouw meer te standaardiseren, bijvoorbeeld door een
bouwcatalogus op te stellen. We zien al scholen die daar in een soort
kopgroep mee aan de slag zijn. Alle scholen hebben bijvoorbeeld een goed
ventilatiesysteem nodig. We kunnen dan samen kijken welke standaarden er
zijn en het zo makkelijker maken voor scholen om die meteen uit te
kiezen en daarmee te ontwerpen, bouwen en onderhouden. Is de
staatssecretaris bereid om werk te maken van meer standaardisatie,
bijvoorbeeld met een bouwcatalogus, zodat we sneller en
kostenefficiënter kunnen bouwen? Kan zij aangeven welke stappen zij kan
zetten om die standaardisatie echt van de grond te krijgen?
Daarnaast blijft voor ons een belangrijke vraag of we goed zicht hebben
op het geld dat er nu is. Informatie over de staat van schoolgebouwen en
investeringsbehoeften is zowel landelijk als lokaal versnipperd. Daarom
is het lastig om daar goed op te sturen. Er zijn verschillende
geldstromen, bijvoorbeeld via het gemeentefonds, gelden die naar
schoolbesturen gaan, losse verduurzamingssubsidies en het
Groeifondsproject, maar hoe verhouden die zich tot elkaar? Is het
mogelijk om ten eerste eens een goed overzicht te krijgen van al die
verschillende middelen? Is de staatssecretaris bereid om, naar advies
van het ibo, te onderzoeken of deze slimmer kunnen worden ingezet,
bijvoorbeeld door het gericht oormerken daarvan? En zou dat nodig zijn?
Als ik het ibo-rapport goed bestudeer, zie ik ook dat het geld dat
gemeenten en scholen ten tijde van het ibo-rapport tot hun beschikking
hadden, ongeveer 2,5 miljard, ook wordt besteed aan schoolgebouwen. In
die zin lijkt er een match te bestaan, maar ik hoor ook dat scholen
zeggen dat er meer nodig is.
Een ander punt dat verduidelijking behoeft, zijn de
verantwoordelijkheden rondom nieuwbouw en renovatie. Ik ben bang dat nu
dezelfde situatie gaat ontstaan voor groot onderhoud en renovatie. Het
schoolbestuur blijft na de wet verantwoordelijk voor het onderhoud en
het groot onderhoud. Renovatie wordt gedefinieerd als "alternatief voor
nieuwbouw, bestaande uit vernieuwing of grootschalige verandering van
een gebouw of een gedeelte daarvan door een samenhangend geheel van
maatregelen, dat gericht is op het verlengen van de levensduur van het
gebouw of het gedeelte daarvan". Maar hoe werkt dit in de praktijk? Neem
een schoolgebouw uit de jaren zeventig. Het dak moet worden vervangen,
de installaties zijn verouderd, de isolatie is slecht en ook de kozijnen
zijn aan vervanging toe. Als een school alleen de kozijnen vervangt, is
dat dan onderhoud? Als deze ingrepen tegelijk worden gedaan, spreken we
dan van onderhoud of van renovatie? Waar ligt die scheidslijn? Ik denk
dat het van belang is om dat in dit debat te verduidelijken. Hoe
voorkomen we dat hier opnieuw discussie over ontstaat tussen gemeenten
en schoolbesturen? Dat kan namelijk tot vertraging leiden.
Een meer algemene vraag is wat de staatssecretaris vindt van de gedeelde
bevoegdheid. Ik heb meerdere Kamerleden daarnaar horen vragen en zich
daarop horen richten. Dat aan de ene kant gemeenten voor een deel
verantwoordelijk zijn en aan de andere kant de schoolbesturen, is een
uniek systeem. In bijvoorbeeld Duitsland en België wordt dat door
gemeenten geregeld.
Daarnaast nog het punt dat met dit wetsvoorstel schoolbesturen meer
ruimte krijgen om de exploitatieoverschotten te investeren in
schoolgebouwen. Dat biedt kansen, maar levert ook een vraag op ten
aanzien van ongelijkheid, want niet alle scholen hebben dezelfde
financiële ruimte. Sommige bouwen meer overschotten op dan andere. Ziet
de staatssecretaris niet ook het risico dat dit kan leiden tot grotere
verschillen in de kwaliteit van schoolgebouwen en tot ongelijkheid
tussen scholen en leerlingen? Hoe voorkomt zij dat geld dat bedoeld is
voor onderwijskwaliteit wordt besteed aan nieuwbouw of renovatie? Die
vraag heb ik al eerder voorbij horen komen. Graag een reflectie
hierop.
Daarnaast vind ik het ook van belang dat bij nieuwbouw gebouwen duurzaam
worden gebouwd. Denk aan goede isolatie en zonnepanelen. Dat is niet
alleen goed voor het klimaat en het onderwijs, maar kan ook weer
goedkoper zijn, bijvoorbeeld als het gaat om de energierekening. Wordt
er, met de nieuwe regels die erop gericht zijn om het hele kostenplaatje
van zo'n gebouw in kaart te brengen, ook goed gekeken naar de
klimaateisen, met het oog op de toekomst? Kan de staatssecretaris
toelichten in hoeverre gemeenten en scholen gebruik kunnen maken van de
verduurzamingssubsidies? SUVIS voor ventilatie bestaat niet meer, maar
ik meen dat scholen nog wel van de ISDE en de SDE++ gebruik kunnen
maken. Wellicht is het goed om daar ook nog even een overzicht van te
krijgen.
Dan kom ik bij mijn laatste punt. Laten we voor ogen houden waarvoor
deze wet is bedoeld: een goed schoolgebouw voor kinderen om in te leren.
Gezien de crisis in de leerprestaties van lezen en schrijven is het een
logisch moment om ook te kijken naar de positie van de schoolbibliotheek
en -mediatheek in de planvorming voor schoolgebouwen. Is de
staatssecretaris bereid om te onderzoeken hoe de schoolbibliotheek en
-mediatheek als herkenbare onderwijsvoorziening kan worden meegenomen in
de verdere uitwerking van het integraal huisvestingsplan, de handreiking
daarbij en de monitoring van deze wet?
Ook viel mij op dat de zorgplicht die eerder was ingesteld, uit het
wetsvoorstel is gehaald. Als we allemaal erkennen dat een gezond
binnenklimaat van belang is, is het nodig dat we daar ook zorg aan
besteden. Je zou kunnen zeggen dat dat al moet op grond van het
Bouwbesluit, maar we zien dat het in heel veel scholen nog niet het
geval is dat er een gezond binnenklimaat is. Hoe kunnen we daarin voor
verbetering zorgen? Welke instrumenten heeft de staatssecretaris om
hierop te sturen, zeker bij nieuwbouw of renovatie, maar ook juist bij
bestaande bouw? Verwacht zij daarvoor wellicht een nieuwe SUVIS-regeling
nodig te hebben?
We kunnen het vandaag hebben over het wetsvoorstel, de plannen en de
structuren, maar uiteindelijk gaat het om de leerlingen, die niet in een
benauwd lokaal, maar in een frisse leeromgeving moeten zitten. Als we
het onderwijs serieus nemen, moeten we ook de omgeving waarin dat plaats
moet vinden, serieus nemen. Deze wet is daarin een stap, maar wat mij
betreft is er meer nodig. Ik hoop dus dat we hier als Kamer samen in
kunnen optrekken. Schoolgebouwen zijn misschien niet sexy, maar ze zijn
wel heel hard nodig. Laten we dus zorgen voor beter toegankelijke
gebouwen, gezondere klaslokalen en een plek waar ieder kind goed kan
leren. Uiteindelijk is dat namelijk waar het om gaat.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Ergin (DENK):
We hebben de analyse van mevrouw Rooderkerk van dit wetsvoorstel
gehoord. Zij heeft goede vragen gesteld en de zorgen die de D66-fractie
uit, zijn terecht. Ik ben benieuwd wat de plannen van D66 zijn om ervoor
te zorgen dat we de enorme achterstanden gaan inhalen. Is dit
wetsvoorstel voldoende? Zo nee, wat moet er dan nog meer gebeuren?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Zoals ik in mijn bijdrage heb aangegeven, is er wat mij betreft meer
nodig dan dit wetsvoorstel. Dit optimaliseert eigenlijk het bestaande
systeem. Wat is er volgens mij dan nodig? Ten eerste moeten we kijken
naar meer geldstromen. Nou hebben wij dat altijd in ons
verkiezingsprogramma staan, en andere partijen hier wellicht ook, maar
we zien dat er nu een tekort is. Wij zouden graag onderzoeken wat er
mogelijk is met meer publiek-private samenwerking. Wanneer het gaat om
maatschappelijk vastgoed, schoolgebouwen, zouden we daar niet alleen
vanuit het Rijk in moeten investeren; er kunnen ook veel private
partijen zijn die dat ook willen doen. Het voorbeeld van Vlaanderen laat
concreet zien hoe dat kan, dus wat mij betreft moeten we dat zo snel
mogelijk gaan onderzoeken en moeten we daar zo snel mogelijk mee aan de
slag. Je ziet daar dat tientallen schoolgebouwen tegelijkertijd worden
aangepakt en dat er heel veel wordt samengewerkt en gestandaardiseerd
voor het ontwerpen, bouwen en neerzetten daarvan. Ze werken daar met
30-jarige onderhoudscontracten, waardoor ook investeerders willen
instappen. Dat zijn wat mij betreft de manieren om hiermee aan de slag
te gaan: echt meer regie, een landelijke aanpak en meer publiek-private
samenwerking.
De heer Ergin (DENK):
Meer regie en meer samenwerking; daar is volgens mij niemand op tegen.
Wat je daarbij wel nodig hebt, is geld. Eigenlijk zitten we weer in
hetzelfde filmpje, zoals ik het maar even noem. We hadden Rutte IV. Bij
Rutte IV werd er heel veel geld in het onderwijs geïnvesteerd. Ik kan me
nog goed herinneren dat iemand van de PO-Raad of VO-raad zei: prima dat
er heel veel geld wordt vrijgemaakt voor onderwijs, maar eigenlijk
constateren we dat we de schoolgebouwen weer zijn vergeten. Het vorige
kabinet was een sloopkabinet wat betreft onderwijs. We hebben nu weer
een nieuwe coalitie, een nieuw kabinet. Ook daarbij zien we weer dat er
gerepareerd wordt. Er komt meer geld vrij voor onderwijs, maar weer zijn
de schoolgebouwen vergeten. Ik zou aan mevrouw Rooderkerk willen vragen
of ze die analyse deelt.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nou, ze zijn zeker niet vergeten, want ze staan dus juist ook in het
akkoord. Ik denk oprecht niet dat we alleen naar de overheid moeten
kijken voor geld. We kunnen er ook marktpartijen voor interesseren om
ervoor te zorgen dat we meer budget hebben. Ik zeg helemaal eerlijk dat
wij het als D66 ook van belang vinden om in die gebouwen te investeren.
Het helpt heel erg als meer partijen dat ook vinden en daar meer geld
voor vrijmaken. We gaan structureel 1,5 miljard investeren in het
onderwijs. Ik denk dat het heel mooi en belangrijk is dat we dat doen.
We moeten natuurlijk ook goed bekijken waar je dat in investeert. Heel
veel van dit geld gaat echt naar de kwaliteit van het onderwijs. We
willen het heel gericht doen. Als er voorstellen zijn om het te
verleggen, zie ik die graag tegemoet. Ik zie dat er ook ten aanzien van
de kwaliteit heel veel nodig is. Ik vind het zelf dus een goede afweging
om het zo te doen. Daarom zeg ik dus: laten we ten eerste zorgen voor
meer regie en snelheid. Die ontbreken wel echt. Daarnaast moeten we
kijken naar geld vanuit de markt om het aan te vullen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Ergin (DENK):
Ja, er gaat meer geld naar het onderwijs. Die conclusie kunnen we op
basis van het akkoord trekken. Alleen, je kan investeren in de kwaliteit
van onderwijs, maar als de kwaliteit van de schoolgebouwen dermate
slecht is dat goed onderwijs bijna niet meer mogelijk is — dat is bij in
ieder geval duizenden schoolgebouwen het geval — dan is de vraag
natuurlijk of het niet een open kraan is. Moeten we niet eerst de
lekkage daar fiksen voordat we daadwerkelijk over kunnen gaan tot andere
investeringen? Als eerlijke conclusie ga ik met de collega van D66 delen
dat ik er altijd op uitkom dat we schoolgebouwen allemaal belangrijk
vinden, dat iedereen regie, snelheid en publiek-private samenwerking
belangrijk vindt — dat is prima — maar dat als puntje bij paaltje komt,
het erop neerkomt dat schoolgebouwen belangrijk zijn, maar niet
belangrijk genoeg.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nou, wat mij betreft niet. Als ik de heer Ergin goed hoor, zegt hij ook
dat hij het even belangrijk vindt. Ik zou zeggen: laten we elkaar daar
dan in vinden. Laten we daarbij een beetje de "het kan wél"-mentaliteit
hanteren. Er gaat veel geld naar schoolgebouwen. Ik heb ook gevraagd of
er nog extra regelingen nodig zijn, bijvoorbeeld voor de verduurzaming,
maar ook daar zijn al veel regelingen voor. We hebben ook de
mogelijkheid, die ik graag zou onderzoeken, om er ook meer geld vanuit
de markt naartoe te kunnen krijgen. Wat mij betreft is het dus gewoon
van belang dat we daar echt een plan voor gaan maken. In het verleden
lieten we het heel erg over aan individuele gemeenten en individuele
schoolbesturen, die elke keer per plek gingen bekijken wat er nodig was
en hoe we dat gingen aanpakken. Voor dat tempo, om die achterstanden in
te gaan halen, is het vooral van belang dat we veel meer regie gaan
nemen. Dat is natuurlijk iets wat ook echt vanuit het ministerie kan
komen en, hoop ik, vanuit het kabinet. Zo kunnen we voor versnelling
gaan zorgen met het geld dat er nu is. We kunnen dan aan de slag met het
plan zoals we dat hebben voorgesteld in het akkoord.
De voorzitter:
De antwoorden mogen iets korter.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik geloof echt dat mevrouw Rooderkerk onderwijshuisvesting heel
belangrijk vindt. Dat heeft ze laten zien, ook in haar tijd als
raadslid. Dat gold zeker voor de binnenluchtkwaliteit. Het stond
natuurlijk uitgebreid in het verkiezingsprogramma van D66. Ik geloof dat
dus echt. Tegelijkertijd hoor ik nu ook wel dat mevrouw Rooderkerk een
soort verhaal houdt alsof nu alles door de markt kan worden opgelost. Ik
zou daar wat realisme in willen brengen. Ik zie haar al nee schudden;
dat is fijn. We hebben het voor een heel groot deel over bestaande
schoolgebouwen. Daarin is een pps-constructie niet per definitie zomaar
de oplossing. Dat zien we vooral vaak bij nieuwe schoolgebouwen.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag aan mevrouw Rooderkerk is of zij het met mij eens is dat
pps-constructies voor bijvoorbeeld nieuwbouw misschien een oplossing
kunnen zijn, maar dat we ons ook vooral moeten richten op de bestaande
schoolgebouwen en dat daar uiteindelijk extra geld voor nodig is. Dat is
misschien lastig te vinden — dat snap ik — maar we moeten wel met elkaar
erkennen dat het eigenlijk niet zonder dat geld kan. "Het kan wél"
betekent wel: met geld.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Zeker. Ik denk gewoon dat er meer nodig is voor de schoolgebouwen. Wij
zien daar ook graag meer geld naartoe gaan. Het helpt als een
meerderheid van de Kamer dat dan ook vindt. Ik denk dat het wel van
belang is dat we ook zicht krijgen op hoe het nou staat met die
schoolgebouwen. Dat zit ten dele ook in deze wet. Welke middelen zijn
daar al voor beschikbaar? Er zijn natuurlijk de ISDE en de SDE++; daar
kunnen scholen ook gewoon aan meedoen. We moeten ook goed kijken hoe we
met het bestaande geld echt gaan zorgen voor verbetering. Als er meer
nodig is, werken we daar graag ook in samen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel blij met dit antwoord, want als er een meerderheid te vinden
is in deze Kamer, maken we inderdaad meer geld vrij voor de
schoolgebouwen. Dan hoop ik wel dat D66 daar dan inderdaad ook aan
meedoet.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nou, dat hangt helemaal van het voorstel af. Ik stel mevrouw Moorman dan
wel de volgende vraag. Het betekent dat er dan dus ergens anders op
onderwijs iets vanaf moet. Dat vind ik lastig. We hebben een begroting
waarmee we gaan investeren in het onderwijs; ik weet dat mevrouw Moorman
dat ook heel erg van belang vindt. We zien ook de grote problemen met de
kwaliteit van het onderwijs en de grote problemen met de dalende
leerprestaties en de lerarentekorten. Dat zijn ook allemaal zaken waarin
wij willen investeren. Dat maakt ook dat we de keuze op deze manier
hebben gemaakt in het akkoord. Daar sta ik ook echt achter. Ik ben
echter te allen tijde zeer bereid om te kijken naar mogelijkheden om ook
meer voor die schoolgebouwen te doen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dit vind ik toch teleurstellend van een partij die zegt "het kan wél".
Het moet dan van iets anders van onderwijs af. Dat hoeft toch niet? We
hebben een enorme rijksbegroting. We hebben ook allerlei andere
mogelijkheden om het geld misschien bij mensen die wat meer verdienen te
halen. Dat is ook een manier om te zorgen dat er eerlijk wordt gedeeld.
Ik vind het een beetje te krap denken van een partij die "het kan wél"
zegt, dat het dan van iets anders van onderwijs af moet. Ik hoop dat we
niet die weg op gaan.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik ga over de Onderwijsbegroting. Als ik kijk naar de voorstellen die
zijn gedaan om de bezuinigingen van het vorige kabinet te herstellen,
dan zouden er bijvoorbeeld hele nieuwe belastingen moeten worden
opgetuigd voor rijke Nederlanders of voor bedrijven. Die zijn natuurlijk
niet binnen een begrotingsjaar geregeld, dus dat is dan een dekking waar
ik niet serieus voor kan stemmen. Dan is het wel echt nodig dat er een
alternatief komt waar we ook daadwerkelijk op een verantwoordelijke
manier met elkaar voor kunnen zijn.
De heer Kisteman (VVD):
Van de "het kan wél"-mentaliteit naar volgens mij een ander motto dat
wij hebben, en dat is "Aan de slag". In Aan de slag staat dat de
bewindspersonen een plan willen maken voor onderwijshuisvesting en is er
bewust geen geld vrijgemaakt voor onderwijshuisvesting, onder andere
omdat er bij de gemeenten heel veel geld op de plank ligt. Is mevrouw
Rooderkerk het met mij eens dat we gewoon aan de slag moeten gaan en de
bewindspersonen hier de tijd voor moeten geven, voordat wij nu al
Kamerleden gaan vragen met meerderheden te komen om middelen te vinden
voor onderwijshuisvesting? We moeten eerst gewoon aan de slag gaan.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nou, "Aan de slag" is ook een motto dat ik helemaal omarm. Dat is ook de
oproep die ik doe. Laten we er met elkaar vooral meer regie op pakken.
Als we allemaal zeggen "we vinden die gebouwen zo belangrijk", laten we
er dan meer aandacht aan besteden en de focus erop leggen. We moeten
niet alles aan de gemeenten en de schoolbesturen elk voor zich overlaten
en verwachten dat het dan beter wordt. Ik denk echt dat we daar veel
meer regie en een aanpak vanuit hier voor nodig hebben, dus inderdaad:
aan de slag.
De heer Kisteman (VVD):
Ik kreeg het idee dat mevrouw Rooderkerk en mevrouw Moorman het idee
wekten: als u met een goed idee komt, kunnen wij dat wel steunen.
Volgens mij houden wij ons gewoon aan het regeerakkoord en gaan we dat
eerst doen. Dan gaan we daarna kijken naar andere ideeën, mocht blijken
dat de ideeën die wij hebben over onderwijshuisvesting in Aan de slag
niet werken. Volgens mij is dat de stap die we moeten zetten.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het wordt een gezellig gesprek zo. We houden ons zeker aan het
regeerakkoord, maar D66 heeft ook altijd gezegd: we zien de zorgen die
er zijn over onze schoolgebouwen. We zien ook dat er meer nodig is, wil
je de klimaatdoelstellingen halen in 2050. Dus dat is nog steeds hoe ik
erin sta. Ik denk echt dat het kan met wat er in het akkoord ligt en met
de plannen die er zijn, maar als er meer nodig is, moeten we daar wel
degelijk over nadenken.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, excuus. Ik had verwacht dat de heer Kisteman mij zou
interrumperen, maar dat deed hij niet en dus moet het even op deze
manier. Ik hoorde wel een suggestie in de vraag van de heer Kisteman,
namelijk dat op de onderhandelingstafel heeft gelegen dat er geld op de
plank ligt bij schoolbesturen en dat het daarom niet noodzakelijk geacht
werd dat er nu extra geld werd vrijgemaakt. Herkent mevrouw Rooderkerk
deze informatie en, zo ja, kan deze informatie dan ook gedeeld worden?
Want ik ken deze informatie absoluut niet.
De voorzitter:
U spreekt de heer Kisteman daar impliciet op aan, dus ik geef hem ruimte
voor een persoonlijk feit.
De heer Kisteman (VVD):
Ik zei bij eerdere interrupties dat er bij de gemeenten 43 miljard op de
plank ligt. Ik heb niet gezegd: bij onderwijsbesturen.
De voorzitter:
Volgens mij is daarmee de interruptie afgedaan.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Als ik niet helder was: het ging mij inderdaad om de gemeenten. Dan heb
ik dat niet goed geciteerd. Er blijft dus geld op de plank liggen bij
gemeenten voor onderwijshuisvesting en dat is de reden waarom deze
coalitie van mening is dat er niet in hoeft te worden geïnvesteerd. Is
die informatie er inderdaad?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Er wordt nu via mij een debat met de VVD gevoerd. Ik denk dat u dat even
met elkaar moet doen; dat lijkt me makkelijker.
De voorzitter:
Nou, het was ook echt wel een vraag aan u, mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nee, want de vraag ging over een stelling van de VVD. Dat is niet iets
wat ik heb gezegd.
De voorzitter:
U gaat zelf over uw eigen antwoorden.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Anders zou het ingewikkeld worden.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Het was echt een vraag aan mevrouw Rooderkerk. De heer Kisteman verwijst
naar informatie die op de onderhandelingstafel van de coalitie heeft
gelegen. Ik neem aan dat mevrouw Rooderkerk daar dan ook van op de
hoogte is. Ik vraag dus aan mevrouw Rooderkerk of zij herkent dat deze
informatie inderdaad, zoals gesuggereerd door de heer Kisteman, op tafel
heeft gelegen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nee. Ten eerste zat ik niet aan tafel en ten tweede weet ik niets van
deze informatie. Wat ik aangaf, is dat wij in ons coalitieakkoord en in
onze doorrekening als bijna enige partij van deze Kamer hadden staan dat
wij meer geld voor schoolgebouwen willen. De heer Kisteman van de VVD
hoor ik verwijzen naar geld en budget dat gewoon bij gemeenten op de
plank ligt. Dat heeft volgens mij niets met elkaar te maken.
De heer Ergin (DENK):
Volgens mij kunnen we heel snel de conclusie trekken dat eventueel extra
geld, ook binnen de coalitieverhoudingen, er ergens anders vanaf moet.
Die 1,5 miljard die beschikbaar is gesteld voor onderwijshuisvesting
moet er ergens anders vanaf. Ik zou daar niet in mee willen gaan, maar
goed, ik begrijp dat het een duivels dilemma is voor D66. Maar wat nou
als we de discussie verleggen naar een slimmere inzet van middelen? De
gemeenten hebben immers al 43 miljard, zegt de heer Kisteman. Dat is
voor mij nieuwe informatie. Maar stel dat het zo is, kunnen wij er dan
niet voor kiezen om die middelen slimmer in te zetten, bijvoorbeeld door
ze te oormerken? Dan kunnen we al bij voorbaat zeggen: beste gemeenten,
dit geld gaat niet naar een rotonde of naar straatmeubilair, maar naar
schoolgebouwen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoop dat de staatssecretaris wat licht in het duister kan laten
schijnen. Ik lees namelijk in het ibo, en ik heb dat goed gelezen, dat
als gemeenten en scholen ongeveer 2,5 miljard krijgen, of allebei de
helft daarvan, voor onderwijshuisvesting, dit dan ook het budget is dat
zij uitgeven. Als dat zo is, dan gaat het redelijk vanzelf daarnaartoe.
Dan zou oormerken niet eens nodig zijn. Ik vraag me alleen af of de
vertraging die we zien in de bouw van schoolhuisvesting niet ook komt
door de gedeelde verantwoordelijkheden van gemeenten en scholen. Daar
heb ik ook vragen over gesteld. Ik heb ook gevraagd naar meer inzicht in
de budgetten die er zijn. Naast dit geld zijn er immers ook nog allerlei
verduurzamingspotjes waar scholen al dan niet gebruik van kunnen maken.
We zouden ons er ook op kunnen richten dat scholen betere toegang
daartoe krijgen of er eerder gebruik van maken. In die zin dus
inderdaad: slimmer omgaan met dat geld.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Armut voor haar inbreng namens het
CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het nieuwe schoolgebouw van school De Brug in
Nieuwerbrug is verkozen tot schoolgebouw van het jaar 2025. De jury
prijst het gebouw, omdat het laat zien wat de kern van het
basisonderwijs is. "Een plek waar kinderen zich veilig, gezien en
nieuwsgierig mogen voelen. De architectuur draagt bij aan leren, spelen
en groeien", aldus het juryrapport. Het wetsvoorstel dat wij vandaag
bespreken, beoogt de eerste stappen te zetten om te komen tot een meer
planmatige en doelmatige aanpak van de bouw en het onderhoud van
onderwijshuisvesting.
De afgelopen jaren hebben de nodige onderzoeken aangetoond dat veel
schoolgebouwen in Nederland aan vernieuwing toe zijn, met name
schoolgebouwen die vlak na de Tweede Wereldoorlog zijn gebouwd. Ook het
ibo-rapport uit 2021 "Een vak apart, een toekomstbestendig
onderwijshuisvestingsstelsel" benadrukt deze noodzaak. Zowel de VNG, de
PO-Raad als de VO-raad vragen om deze wet. Het is een eerste stap in de
goede richting. Gemeenten worden verplicht om samen met het
schoolbestuur een integraal huisvestingsplan, een IHP, op te stellen, en
schoolbesturen maken een meerjarenonderhoudsplan, een MJOP. Renovatie
wordt wettelijk erkend als alternatief voor nieuwbouw en schoolbesturen
kunnen investeren in het primair onderwijs.
Voorzitter. Deze wetsbehandeling legt ook een aantal problemen bloot
waar dit wetsvoorstel niet direct over gaat. De vraag is of wij met deze
wet nu verder bouwen aan een betere onderwijshuisvesting of dat we dat
juist niet doen. De grote vervangingsopgave van naoorlogse
schoolgebouwen leidt tot een financiële piekbelasting in gemeentelijke
investeringsprogramma's. Zeker bij kleinere gemeenten is dit een
uitdaging. Dat regelt dit wetsvoorstel niet. Kan de staatssecretaris
hier eens op reageren, met name omdat wij in het coalitieakkoord hebben
opgenomen scholen beter te willen ondersteunen bij de verbetering van
schoolgebouwen, bijvoorbeeld via het Groeifonds? Ik begrijp, en kan me
voorstellen, dat het ministerie meer behoefte heeft aan inzicht in al
deze huisvestingsplannen en dat het een landelijk beeld wil hebben dat
aan bepaalde eisen voldoet. Maar ondertussen storten wij wel extra
administratieve lasten uit over gemeenten en schoolbesturen. Hoe kijkt
de staatssecretaris hiernaar en vindt zij dit proportioneel? Is zij er
niet huiverig voor dat het IHP een papieren tijger blijkt omdat het
bouwen van een nieuwe school uiteindelijk financieel onhaalbaar
blijkt?
De regering stelt dat dit wetsvoorstel over de aanpak van
onderwijshuisvesting transparantie en samenwerking tussen schoolbesturen
en gemeenten kan stimuleren. Het CDA is altijd voorstander van goed
overleg en samen eigenaar zijn, maar kan de staatssecretaris wat meer
woorden wijden aan hoe dit voorstel de total cost of ownership
stimuleert? In de praktijk gebeurt dit gelukkig al vaak, bijvoorbeeld
bij De Brug in Nieuwerbrug. Veel gemeenten werken al met een integraal
huisvestingsplan. Investeringen in onderwijshuisvesting zijn meerjarig
verankerd in begrotingen. Renovatie wordt vaker ingezet als alternatief
voor nieuwbouw om oude schoolgebouwen technisch en functioneel weer bij
de tijd te brengen.
Mijn punt is: een wet die formaliseert, gaat mensen niet per se beter
laten samenwerken. Veel gemeenten en schoolbesturen kampen met een
tekort aan capaciteit en hebben bijvoorbeeld onvoldoende
huisvestingsmanagers, projectleiders en technische expertise. Hoe beziet
de staatssecretaris dit capaciteitsprobleem? Er loopt een landelijk
Programma Onderwijshuisvesting, het POHV. Hoe verhoudt dit programma
zich tot deze wet? In hoeverre vullen ze elkaar aan of is er juist
overlap? Ik stel deze vragen omdat het belangrijk is om te begrijpen hoe
beleid en wetgeving op dit vlak op elkaar aansluiten, zodat scholen en
gemeenten weten waar ze aan toe zijn en geen dubbel werk hoeven te
doen.
Voorzitter. Wat is precies de juridische status van het IHP? Hoe
verhoudt de Verordening Onderwijshuisvesting zich tot het IHP? Is het
IHP een onderdeel van de verordening of staat het er juist los van? Het
CDA wil hier graag iets meer duidelijkheid over, want de juridische
status van het IHP is van belang om de samenwerking tussen gemeenten en
schoolbesturen te laten slagen. Kunnen we ervan uitgaan dat er
flexibiliteit blijft bij gemeenten om, als dat echt nodig blijkt, af te
wijken?
Hoewel dit wetsvoorstel stappen zet richting meer transparantie en
betere samenwerking, zijn er nog wel wezenlijke knelpunten. Die zijn
volgens mij ook breed benoemd in het debat. Het CDA vindt het van belang
dat de staatssecretaris oog heeft voor deze uitdagingen in relatie tot
de wet en de dagelijkse praktijk en samen met gemeenten en
schoolbesturen werkt aan duurzame oplossingen, zodat wij echt bouwen aan
toekomstbestendige scholen waar elk kind profijt van heeft.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Boomsma van JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Stel je komt als ouder op een school en je
denkt: "Wat is dit voor aftands, sleets en muf gebouw? Dit kan echt
niet. Hoe kan dit? Waar betaal ik al deze belasting dan voor?" Wie is
daar verantwoordelijk voor? Kun je dan het schoolbestuur tot de orde
roepen, moet je naar de gemeente of moet je naar de Rijksoverheid? Het
ministerie verwijst naar de gemeenten. Gemeenten zeggen: er is te weinig
geld. Scholen doen het onderwijs. Gemeenten doen groot onderhoud en de
nieuwbouw. De Rijksoverheid stelt de budgetten vast. Scholen zijn
juridisch eigenaar. Sinds 1997 zijn gemeenten economisch eigenaar. De
Rijksoverheid is systeemverantwoordelijk. Iedereen wijst dus al heel
snel naar elkaar.
Dat leidt — dat lezen wij ook in de stukken — tot verkeerde prikkels.
Komen er nu dan betere prikkels? Komen er nu dan betere schoolgebouwen?
Nog niet echt. Deze wet doet vier dingen: renovatie wordt een
gemeentelijke taak, gemeenten moeten een integraal huisvestingsplan
maken, schoolbesturen moeten een meerjarenonderhoudsplan maken en
basisscholen mogen overschotten investeren in hun gebouw.
Om te beginnen met renovatie. Het lijkt ons op zich goed dat gemeenten
dat kunnen gaan doen. De mooiste schoolgebouwen zijn vaak de
alleroudste, vind ik. Dat komt ook omdat we vergeleken met een eeuw
geleden wel technologische vooruitgang hebben geboekt, maar geen
esthetische vooruitgang — we zijn op dat vlak juist achteruitgegaan. Ik
zit liever in een oud en klassiek, maar aftands gebouw dat wel nog onze
beschaving en menselijke waardigheid uitstraalt, dan in een heel
glanzend en steriel modern bouwwerk dat eigenlijk niet te onderscheiden
is van alle duizenden anonieme kantoorgebouwen die op elke plek van de
aarde zouden kunnen staan. Dan denk ik dus: renoveren is beter dan
slopen. Daar staat tegenover dat heel veel schoolgebouwen in Nederland
zijn gebouwd in de jaren zeventig en tachtig. Dat is nou juist een tijd
waarin eigenlijk zowel lelijk werd gebouwd als van matige kwaliteit. Het
beste zou zijn om die draad weer op te pakken en weer klassieker te gaan
bouwen, maar dat valt een beetje buiten dit wetsvoorstel. Ik overwoog
nog even een motie in te dienen om alle nieuwe schoolgebouwen in
neogotische stijl op te trekken, maar ik vrees dat de geesten daar nog
niet echt rijp voor zijn, dus dat laat ik maar even.
Voorzitter. Het ibo-onderzoek, waar dit allemaal deels uit voortkomt,
komt uit 2019. Dat is zeven jaar geleden. We hebben dus zeven jaar gehad
om die enkele kleine governance-stappen te zetten. Je ziet rondom het
onderwijs steeds wetgevingstrajecten van acht tot tien jaar. Vindt de
minister ook niet dat dit wel heel erg stroperig gaat? Volgens dat
rapport is er 1,3 miljard nodig. Dat bedrag is al vaak genoemd. Het zijn
gigantische bedragen. We hebben ook 9.000 schoolgebouwen, maar wat is nu
de huidige stand van zaken? Vindt de staatssecretaris ook dat dit nodig
is? Welk bedrag gaat daar nu naartoe? Klopt het ook dat de hoeveelheid
nieuwbouw sinds 2006 met meer dan 50% is gedaald? Ik las dat in een
ander rapport. Komt dat doordat de bouwkosten zo sterk zijn
toegenomen?
Mevrouw Rooderkerk stelde ook al vragen naar aanleiding van andere
aanbevelingen uit het ibo-rapport. Een van de aanbevelingen is om de
bedragen aan te passen aan de hoge bouwkosten. Hoeveel geld is er nu
eigenlijk beschikbaar op al die verschillende plekken? De heer Kisteman
zegt dat er meer dan genoeg geld is. De heer Ergin zegt dat er absoluut
niet genoeg geld is. Ik vind het lastig om te overzien hoe het zit.
Misschien kan de staatssecretaris dat ophelderen. Is het zo dat tot 2015
in de circulaire van het gemeentefonds ook een specifiek bedrag voor
onderwijshuisvesting werd opgenomen, dus geoormerkt? Waarom is dat tien
jaar geleden losgelaten? Moet dat niet eigenlijk weer worden
ingevoerd?
Het coalitieakkoord noemt ook publiek-private samenwerking, naar Vlaams
voorbeeld. Hoe ziet dat eruit? Ik denk dat daar kansen liggen, maar ik
begrijp niet goed hoe dat in de praktijk werkt. Is het dan zo dat een
private partij alles overneemt, dus de aanbesteding en de hele bouw, of
levert die partij alleen de financiering? Welke concrete stappen worden
daarvoor gezet?
Binnenkort wordt de Energy Performance of Buildings Directive van
kracht. Gezien de sterk gestegen energiekosten en de onzekerheid op dat
vlak, is het buitengewoon zinvol om scholen beter te isoleren. Daarmee
kun je ook echt besparen op de exploitatie. Laten we daar dan ook geld
voor gebruiken uit het Klimaatfonds. Er is de DUMAVA-regeling voor de
verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. In evaluaties heb ik gezien
dat scholen hier maar heel beperkt gebruik van maken. Als je dat leest,
zie je ook de obstakels waar zij tegenaan lopen. Het moet juist voor
scholen veel makkelijker worden om daarvan gebruik te maken. Scholen
zijn niet altijd gebonden aan één kadastraal object, maar hebben
meerdere gebouwen, en dat levert problemen op. Het kost, met name bij
kleine scholen, veel tijd. Het is niet altijd duidelijk wie de aanvraag
moet doen. Ik denk dat daar kansen liggen om dit te verbeteren en te
stimuleren dat scholen hier gebruik van maken.
Voorzitter. Veel gemeenten maken al een IHP en scholen maken vaak al een
meerjarenonderhoudsplan. Het is logisch dat gemeenten weten welke
gebouwen zij hebben en welke aanvragen er worden gedaan, zodat zij
kunnen bepalen wat nodig is. Het is ook logisch dat je meerjarig
onderhoud plant. Maar in hoeverre is die informatie er al? Wordt die
niet ook gewoon in de gemeentelijke begrotingen bijgehouden,
bijvoorbeeld in verplichte paragrafen vanuit het BBV voor
kapitaalgoederen? Gaan we niet heel veel nieuw papierwerk optuigen?
Moeten al die ambtenaren bij het ministerie al die onderhoudsplannen
gaan bekijken, en gaan zij dat ook echt doen? Ik vrees dat dit veel
mensen veel tijd gaat kosten. Er wordt dan veel informatie verzameld en
verplaatst, maar dat leidt niet meteen tot iets.
Mevrouw Moorman zei al dat de wetenschapstoets echt vernietigend is.
Daaruit blijkt dat deze wet die perverse prikkels, die voortkomen uit
dubbele verantwoordelijkheden, niet oplost. Zou je dan niet beter de
volledige verantwoordelijkheid, dus zowel voor investeringen als voor
onderhoud, bij één partij kunnen leggen, hetzij de scholen, hetzij de
gemeente? De heer Ergin zegt dat het juist goed is dat er meerdere
partijen betrokken zijn en dat dit leidt tot kruisbestuiving. Hoe ziet
de staatssecretaris dat?
Ik lees ook dat gemeenten en schoolbesturen met het IHP een instrument
in handen krijgen dat op eigen initiatief kan worden vormgegeven. Er kan
beleid worden ontwikkeld om de kwaliteit van huisvesting te verbeteren.
Onderwerpen als onderwijsadaptiviteit en inclusief onderwijs kunnen
hierin een plek krijgen. Inclusief onderwijs in de zin van
toegankelijkheid voor mensen met een beperking begrijp ik. Maar ik
begrijp niet goed wat met "onderwijsadaptiviteit" wordt bedoeld. Wat
moet een gebouw kunnen om onderwijsadaptief te zijn? Het wegwerken van
achterstallig onderhoud lijkt mij cruciaal en lijkt mij een prioriteit.
Ik denk dat het onderwijsadaptiever maken van een gebouw minder
prioriteit verdient dan het wegwerken van versleten vloeren en
dergelijke, waar de heer Ergin het over had. Daar moet dus wel goed op
gestuurd worden, met name op het binnenklimaat. De regering wilde juist
niet de zorgplicht. Die is eruit gehaald, omdat het op andere manieren
beter kan worden georganiseerd. Ik wil dan wel graag een toelichting op
hoe het kabinet dat ziet.
Ik ga afronden. Ik ga naar het opheffen van het investeringsverbod. Wij
zijn er nog niet helemaal van overtuigd dat dat nou verstandig is.
Scholen kunnen dan dus gaan sparen voor investeringen in het gebouw,
terwijl dat eigenlijk een taak is van de gemeente. Die verhouding wordt
dan toch juist nog veel onduidelijker? Scholen mogen dan investeren,
maar het is de verantwoordelijkheid van de gemeente. Scholen mogen ook
altijd nee zeggen, maar dan kan de gemeente hun aanvraag nog afkeuren.
Dat leidt dan toch juist tot een veel diffuser beeld?
Tot slot, nog één vraag. Er is in veel gemeenten natuurlijk ook behoefte
aan meer maatschappelijk vastgoed dat breder gaat dan onderwijs om juist
tot voorzieningen te komen die meerdere functies onder één dak
samenbrengen. Schoolgebouwen, bibliotheken, kindcentra en
sportvoorzieningen kunnen breder worden gebruikt, maar dat stuit op
allemaal regelgeving en problemen die dat belemmeren. Hoe ziet de
staatssecretaris dat?
Het zijn veel vragen. Ik zie uit naar de antwoorden.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Boomsma. Tot slot is het woord aan mevrouw Raijer,
als laatste spreker van de zijde van de Kamer. Dat doet zij namens de
PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank je wel, voorzitter. Laat ik beginnen met waar het echt om draait:
kinderen. Meer dan de helft van de schoolgebouwen in Nederland voldoet
niet aan de basisnormen. Dat betekent dat kinderen dagelijks les krijgen
in gebouwen die onveilig en slecht onderhouden zijn of simpelweg niet
geschikt zijn om in te leren. Dat zijn geen uitzonderingen. Dit is de
huidige realiteit. Kinderen zitten in de winter met hun jas aan in de
klas, omdat de verwarming het niet doet. Ze worden ziek door schimmel op
de muren. Regenwater druppelt naar binnen tijdens de les. In de zomer
veranderen klaslokalen in sauna's.
Voorzitter. Is dit de schoolomgeving die wij onze kinderen gunnen? Laten
we eerlijk zijn: het probleem is al jaren bekend. Honderden miljoenen
die bedoeld zijn voor schoolgebouwen verdwijnen via het gemeentefonds
naar andere projecten, zoals lantaarnpalen of in sommige gemeentes zelfs
het dichten van gaten in de begroting. Dat geld is er dus wel, maar komt
niet terecht waar het hoort. Ondertussen zitten kinderen in tochtige,
beschimmelde lokalen.
Voorzitter. Nu ligt deze wet voor, en wat doet die wet? De gemeenten
moeten een integraal huisvestingsplan maken. Schoolbesturen moeten een
meerjarig onderhoudsplan opstellen. Dat zijn dus meer plannen, meer
papier en meer overleg. Dit lost het probleem niet op. Het probleem is
niet dat er te weinig plannen zijn. Het probleem is dat niemand écht
verantwoordelijkheid neemt en dat er geen enkele garantie bestaat dat
het geld ook daadwerkelijk bij de huisvesting van scholen
terechtkomt.
Laat ik dit met een voorbeeld concreet maken. Ik ben jarenlang
gemeenteraadslid geweest in Almere. Daar zijn we in 2018 — in 2018! —
begonnen met een integraal onderwijshuisvestingsplan. Er is zelfs nog
een uitvoeringsplan gekomen. We zijn nu acht jaar verder en de problemen
zijn alleen maar groter geworden. Er is nog helemaal niets opgelost. Dat
is precies wat er misgaat; er is geen gebrek aan plannen, maar een
gebrek aan verantwoordelijkheid en regie.
Voorzitter. Zolang geld via het gemeentefonds vrij besteedbaar blijft,
zal het probleem blijven bestaan. Dan blijft geld weglekken en blijven
kinderen in slechte schoolgebouwen zitten. Het geld voor
onderwijshuisvesting moet geoormerkt worden — meneer Ergin refereerde er
ook al aan — en terechtkomen waar het hoort: bij de scholen. Zo
verdwijnt het niet meer, maar wordt het besteed aan veilige, gezonde en
goede schoolgebouwen. Dit voorbeeld laat precies zien wat er mis is met
de onderwijshuisvesting in Nederland. Het gaat niet om een gebrek aan
plannen, maar om een gebrek aan verantwoordelijkheid en duidelijkheid
over waar het geld terechtkomt.
Ondertussen blijven kinderen wel de dupe. Zolang geld via het
gemeentefonds vrij besteedbaar blijft, zal het probleem blijven bestaan.
Dan blijft geld weglekken en blijven kinderen in slechte schoolgebouwen
zitten. Daarom pleiten wij ervoor om het geld voor onderwijshuisvesting
te oormerken en rechtstreeks bij de schoolbesturen neer te leggen, zodat
het niet meer verdwijnt naar gemeentelijke projecten, maar wordt besteed
waarvoor het is bedoeld: veilige, goede schoolgebouwen. Graag een
reactie van de staatssecretaris hierop.
Dan nog een ander punt, voorzitter. In dit voorstel wordt het mogelijk
gemaakt dat schoolbesturen investeren in gebouwen met geld dat bedoeld
is voor onderwijs. Geld voor onderwijs moet naar onderwijs gaan. Deelt
de staatssecretaris de opvatting dat dit een verkeerde ontwikkeling is?
Hoe gaat zij voorkomen dat onderwijsgeld verdwijnt in stenen in plaats
van in onderwijs?
Voorzitter, ik ga afronden. Het is tijd om te stoppen met papieren
oplossingen voor échte problemen. Kinderen hebben geen plannen nodig,
maar veilige scholen. Zolang dit kabinet niet regelt dat het geld op de
juiste plek terechtkomt en de verantwoordelijkheid helder wordt belegd,
verandert er helemaal niets. We laten kinderen daarmee letterlijk in de
kou staan. Dat kan en mag nooit de uitkomst zijn. Ik zal in de tweede
termijn dan ook een motie indienen om het geld toch geoormerkt naar de
gemeenten toe te laten gaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Raijer. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de
eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 13.10 uur voor
de lunch, waarna de staatssecretaris zal antwoorden. De vergadering is
tot 13.10 uur geschorst.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De vergadering wordt van 12.38 uur tot 13.10 uur geschorst.
Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting
Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van diverse onderwijswetten voor een meer planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting in het primair en het voortgezet onderwijs (Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting) (36692).
De voorzitter:
Aan de orde is de eerste termijn van de zijde van het kabinet bij de
behandeling van de Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter. Een van uw leden zei het al mooi: als je je ogen dichtdoet
en terugdenkt aan toen je 10 of 16 jaar was, dan weet je nog precies in
wat voor soort schoolgebouw je rondliep. Het is een belangrijk onderdeel
van het opgroeien. In mijn geval staan beide schoolgebouwen er overigens
niet meer, maar dat terzijde.
Ook ouders met schoolgaande kinderen zien zowel mooie, inspirerende
plekken waar hun kinderen naar school gaan als schoolgebouwen die
dringend aan onderhoud of vervanging toe zijn, omdat ze uit hun voegen
barsten. Schoolgebouwen zijn een belangrijke plek om te leren, te
spelen, te ontwikkelen, samen te zijn met leeftijdsgenoten én om te
werken als docent of conciërge. Het is dus een belangrijk onderdeel van
onze debatten over onderwijs. Een ander lid van uw Kamer zei al: maak
die schoolgebouwen nou eens sexy. Dat lijkt mij een mooie oproep. Ik
werk daar graag samen met uw Kamer en met alle andere betrokkenen aan.
Het belang van schoolgebouwen staat namelijk buiten kijf. We moeten daar
ook aan bijdragen en voor zorgen.
De vraag is alleen: wie is "we"? Ik heb een aantal keren horen verwijzen
naar "we". Ik ga bij het beantwoorden van de vragen af en toe even in op
wie "we" dan is. De Rijksoverheid heeft namelijk zeker een rol daarin,
maar geen alomvattende. Op basis van eerdere onderzoeken, de aanpak
onderwijshuisvesting en bijvoorbeeld het interdepartementaal
beleidsonderzoek ligt nu een wet voor. Die wet is namelijk het derde
onderdeel van de aanpak onderwijshuisvesting. Die bestaat uit het
Programma Onderwijshuisvesting, het Innovatieprogramma
Onderwijshuisvesting en deze wet, die ingaat op een aantal belangrijke
aanbevelingen van het interdepartementaal beleidsonderzoek uit 2021,
waar eerder naar is verwezen door uw Kamer.
Deze wet verbetert het bestaande stelsel als het gaat om
onderwijshuisvesting. Als eerste verplicht het gemeenten om een
integraal huisvestingsplan te maken en schoolbesturen om een meerjarig
onderhoudsprogramma te maken, en het verplicht hen dat ook met elkaar af
te stemmen. Als tweede verandert het de manier waarop we naar renovatie
kijken, waarbij renovatie ook als alternatief voor nieuwbouw mag worden
ingezet door gemeenten. Als derde veranderen we hoe binnen het primair
onderwijs investeringen kunnen worden aangewend door schoolbesturen. Dat
alles hebben we samengesteld in nauw overleg met de sectorraden van
schoolbesturen en de gemeenten.
Voorzitter, dat was mijn hele korte inleiding. Ik wil graag verdeeld
over vijf onderwerpen de vragen beantwoorden. Als eerste doe ik dat
onder het kopje wet algemeen, dan onder het kopje wet specifiek, daarna
gaat het over de kosten, dan over de administratieve last en vervolgens
heb ik, zoals er altijd is, een mapje overig. Ik denk na het
beantwoorden van de vragen ook de amendementen te kunnen
appreciëren.
De voorzitter:
Om enige structuur in het debat te houden, stel ik voor om interrupties
na afronding van ieder blok toe te staan. Om 14.30 uur staat er namelijk
een volgend debat geagendeerd. Gaat uw gang, staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
Als eerste de vraag van de heer Boomsma: duurt het niet lang voordat het
wetsvoorstel er eindelijk ligt, terwijl het interdepartementaal
beleidsonderzoek er al in 2021 lag? Ja, dat is lang, maar meneer Boomsma
zal zich ook wel kunnen voorstellen dat onder andere door de
covidpandemie, waar we ook binnen Onderwijs natuurlijk veel mee te maken
hebben gehad rondom schoolgebouwen en binnenklimaat, het wetsvoorstel
niet meteen bovenaan ons to-dolijstje hadden staan. We hebben het in
2023, toen covid weer enigszins voorbij was, ook meteen hervat, zodat
het er nu ligt.
Meneer Ergin vroeg of we van het wetsvoorstel IHP niet alleen een
planningsinstrument, maar ook een kwaliteitsinstrument zouden moeten
maken. In mijn ogen is het dat ook. Het integraal huisvestingsprogramma
— ik zal proberen om weg te blijven bij afkortingen, voorzitter — dat
gemeenten maken, is ook een kwaliteitsinstrument, want het gaat over
kwaliteitscriteria als de bouwtechnische staat, het energieverbruik en
de duurzaamheid van schoolgebouwen. Die worden in het integrale
programma opgenomen. Daarmee krijgen we dus ook overzicht over de
kwaliteit van onderwijshuisvesting.
Meneer Ergin vroeg ook hoe het zover heeft kunnen komen dat zo veel
gebouwen achterstallig onderhoud hebben. Ik herken, en noemde het ook in
mijn inleiding, dat heel veel schoolgebouwen inderdaad verouderd zijn en
niet helemaal zijn meegekomen met de eisen en wensen van deze tijd.
Daarnaast hebben we natuurlijk aanvullende eisen als het gaat om
duurzaamheid van de gebouwde omgeving, wat betekent dat dat ook hogere
eisen stelt. Dit heeft dus heel veel verschillende oorzaken en daar
hebben we niet altijd zicht op. Soms gaat het heel goed, soms wat
minder. Er zijn veel verschillen te zien tussen gemeenten,
schoolbesturen, en ook in de debatten die we hier in de Kamer daarover
hebben gevoerd de afgelopen jaren en waar die dan heen gaan. Daarnaast
moeten er gewoon keuzes gemaakt worden, ook in gemeenten, als het gaat
over al het geld dat besteed moet worden aan bestedingen binnen de
gemeentegrenzen, en zijn de bouwkosten gestegen. Dit is dus mijn
antwoord; ik kan niet in één zin zeggen hoe het is gekomen. Dat geldt
vaak voor meer dingen.
Mevrouw Moorman vroeg, en ik zeg het even in mijn eigen woorden: wat
heeft het wetsvoorstel eigenlijk voor zin; wat voor effect heeft het als
er geen extra middelen worden vrijgemaakt? Ik zeg nadrukkelijk "extra",
want er gaat zowel via de lumpsum naar de schoolbesturen als via het
gemeentefonds al heel veel geld naar gemeenten dat bestemd is voor
schoolgebouwen. Maar we moeten dus keuzes maken en we hebben nu niet
zomaar heel veel extra geld liggen. Bovendien is een van de
belangrijkste aanbevelingen uit het interdepartementaal beleidsonderzoek
uit 2021 dat we eerst de basis op orde moeten krijgen voordat we verder
kunnen. De basis op orde brengen, dat is wat we met deze wet doen. Samen
met de betrokken partijen — dan heb ik het over de gemeenten en de
sectorraden van het primair en voortgezet onderwijs — zorgen we ook dat
die basis op orde is gekomen, of in ieder geval gaat komen, met dit
voorstel. Zij zijn ook allemaal positief over dit wetsvoorstel.
Leidt dat dan direct tot betere schoolgebouwen? Tja, dat is natuurlijk
heel vaak zo met wetten: je moet een aantal dingen afbreken en dan moet
het in de praktijk zijn uitwerking gaan vinden. Dus nee. Als u straks
vóór deze wet gaat stemmen en de Eerste Kamer dat ook doet, zien we niet
meteen dat de schoolgebouwen ineens veranderd zijn. Maar het is wel een
belangrijke basis, zoals ik al zei toen ik refereerde aan de
aanbevelingen uit het interdepartementaal beleidsonderzoek.
Een paar van uw leden verwezen ook naar de wetenschapstoets, een
prachtig instrument dat uw Kamer tot haar beschikking heeft. Maar heel
eerlijk was ik best wel verrast over de uitkomsten van deze
wetenschapstoets, vooral ook omdat als je in gesprek gaat met de
gemeenten, met een aantal gemeenteraden, met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, wat wij hebben gedaan in de hele voorbereiding
van deze wet, blijkt dat het gewoon heel erg nodig is. Ik was dus ook
wel verrast. Ik ben er echt van overtuigd dat we met deze wet een betere
basis leggen, die uiteindelijk ook tot betere schoolgebouwen gaat
leiden.
Mevrouw Moorman vroeg specifiek naar het meerjarenonderhoudsprogramma en
of dat tot betere sturing leidt, want er kan al heel veel. Ja, er kan al
heel veel, maar er moeten ook wel een aantal dingen beter in die basis.
Schoolbesturen en gemeenten moeten namelijk ook verplicht in gesprek
over dat meerjarenonderhoudsprogramma en het moet ook gerelateerd worden
aan het integraal huisvestingsprogramma, zodat gemeenten en
schoolbesturen samen vooruit kunnen kijken naar hoe ze omgaan met hun
onderhoud, eventuele nieuwbouw, renovatie et cetera. Dat is iets waar ze
samen belang bij hebben en samen zeggenschap over zouden moeten hebben.
Op deze manier regelen we dat. Als een school structureel weinig
onderhoud pleegt, heeft dat natuurlijk invloed op het toewijzen van
bepaalde voorzieningen. Daarnaast hebben de raad van toezicht en de
medezeggenschapsraad binnen schoolbesturen een rol in het meekijken naar
hoe de toekomst van de school eruitziet. Dan bedoel ik dus het
schoolgebouw.
Zowel de fractie van JA21 als de fractie van het CDA vroeg: het is nu én
de schoolbesturen én de gemeenten; zou je er niet voor moeten kiezen om
het bij een van beide te leggen? Ik zie dat echt anders. In de basis is
het natuurlijk niet zo gek dat deze twee partijen erbij betrokken zijn
en ook beide inspraak en zeggenschap hebben. Aan de ene kant is de
gemeente de plek waar mensen wonen en soms ook werken, en waar de school
in ieder geval moet staan. Dat moet dus ingepast worden in alle andere
voorzieningen waar een gemeente ook verantwoordelijk voor is. Aan de
andere kant hebben schoolbesturen natuurlijk wel graag inspraak in hoe
ze hun onderwijs willen geven en in welk soort gebouw. Je kunt je
voorstellen dat een montessorischool toch andere wensen heeft voor de
gebouwinrichting dan een openbare school. Dus ik vind het niet zo gek
dat beide aan tafel zitten en er ook beide invloed op hebben. Sterker
nog, met deze wet zorgen we dat dit daadwerkelijk gebeurt.
Mevrouw Armut vroeg door op die gedeelde bevoegdheid. Wat mij betreft
staan die uitgangspunten dus nog steeds overeind. Overigens lag dat
gedeelte van de onderwijshuisvesting— dat is wel leuk om te vertellen —
voor 1997 niet bij de gemeenten maar bij de Rijksoverheid. Dat betekende
dus letterlijk dat, als 's ochtends bleek dat de cv-ketel het niet deed,
de conciërge met het ministerie moest bellen over hoe het verder moest.
Daarom hebben we het veranderd. Dat soort dingen is natuurlijk gewoon
bizar. Ik denk dat het heel goed is dat we dat veel dichter bij de
scholen en de mensen die daar de hele dag in doorbrengen, hebben
gebracht dan voor die tijd. Er zijn natuurlijk wel dingen veranderd,
bijvoorbeeld wat we verwachten van schoolgebouwen rondom duurzaamheid en
de invulling van zo'n gebouw. Ook daarom denk ik dat het goed is dat
schoolbesturen en gemeenten daar met elkaar over overleggen, er plannen
over maken en die uiteraard ook uitvoeren.
Over duurzaamheid gesproken: mevrouw Moorman vroeg naar energielabels.
Zij heeft een motie in haar achterzak, niet letterlijk, weet ik, maar
waarschijnlijk ligt die op haar bureau. Bij verkoop, verhuur of
oplevering van schoolgebouwen is een energielabel reeds verplicht. Mocht
dat uitgebreid moeten worden, dan is het niet logisch om dat in deze wet
te zetten. Het zou veel logischer zijn om dat op te nemen in het Besluit
bouwwerken leefomgeving, waarin we eigenlijk alles afspreken over waar
gebouwen aan moeten voldoen. Dat besluit wordt elke twee jaar geüpdatet.
Om even een voorbeeld te geven: de CO2-meter, waar we naar
aanleiding van de covidpandemie over hebben gesproken in het kader van
de schoolinrichting, is in dat besluit geregeld. Ik ben er niet per se
voor om dat energielabel op te nemen, maar ik zou het in ieder geval al
helemaal niet in dit wetsvoorstel willen opnemen.
De heer Boomsma vroeg of multifunctionele accommodaties kunnen leiden
tot meer regelgeving. Ik vind het wel goed dat schoolgebouwen voor
meerdere dingen worden ingezet. Denk bijvoorbeeld aan buitenschoolse
opvang of jongerenwerk, en dat soort zaken. Het is ook beleid om te
steunen dat het meer kan worden gebruikt dan alleen tijdens de
onderwijsuren. Daarom is het ook belangrijk dat gemeenten daarover aan
tafel zitten. Het is soms wel lastig om dat goed juridisch in te
regelen: wie is de eigenaar? Wie gaat over wat? Hoe gaat het met
verhuurconstructies? Enzovoorts. Dus ik zie de ingewikkeldheid die de
heer Boomsma opvoert. Omdat wij dat ook al zagen, zijn wij al bezig om
daarvoor een handreiking te geven. Zo noem ik het maar eventjes. In het
Programma Onderwijshuisvesting, dat onderdeel is van de aanpak
onderwijshuisvesting, ontwikkelen we bijvoorbeeld contractvormen, zodat
de betrokken partijen goede afspraken met elkaar kunnen maken. Daar
helpen we dus bij, om het maar zo te zeggen.
Meneer Boomsma vroeg nog waarom de zorgplicht voor het binnenklimaat uit
de wet is gehaald. In een van de eerdere versies zat die er namelijk wel
in. We waren er eigenlijk redelijk van overtuigd dat we alle input, van
onder andere het ATR, het Adviescollege toetsing regeldruk, de
sectorraden en de inspectie, hadden meegenomen. Die zeiden allemaal dat
we het uit de wet moesten halen. Het ATR zei dat het een
disproportionele toename van de administratieve lasten is. De inspectie
zei dat ze het niet kunnen handhaven en dat het onuitvoerbaar is. Ook de
sectorraden hadden grote zorgen over de haalbaarheid. Tegelijkertijd
gaat het er natuurlijk over dat het binnenklimaat goed is. Maar dat zit
al in de bouwregelgeving. Dat zit dus niet in deze onderwijswet, maar
wel in bouwbesluiten die schetsen of gebouwen wel of niet voldoen aan de
normen. Binnenklimaat is ook zeker een van die normen.
Dat waren mijn antwoorden op de gestelde vragen die ik heb gevat onder
het kopje wet algemeen.
Mevrouw Armut (CDA):
Misschien komt de staatssecretaris er zo meteen nog op, maar ik begreep
dat de staatssecretaris heeft begrepen dat D66 en CDA hebben gevraagd of
de verantwoordelijkheid niet bij één partij zou moeten liggen, dus óf
bij gemeenten, óf bij schoolbesturen. Ik kan me niet herinneren dat ik
dat punt heb gemaakt, want als CDA'er sta ik natuurlijk voor gespreide
verantwoordelijkheid. Daar kan ik dus alleen maar enthousiast over zijn.
Dat wou ik dus nog even verduidelijken. Maar als de staatssecretaris
daarmee antwoord gaf op de vraag hoe je die … Wat was nou ook alweer de
Engelse term die ik net noemde?
Staatssecretaris Tielen:
Total cost of ownership.
Mevrouw Armut (CDA):
Total cost of ownership, ja. Als zij daarmee antwoord gaf op de vraag
hoe je die total cost of ownership stimuleert, vraag ik me af of ze daar
misschien meer over kan vertellen. Maar misschien komt dat nog.
Staatssecretaris Tielen:
Dat komt nog. Die heb ik gezien in de stapel. Ik denk dat het goed is
dat mevrouw Armut nog even bevestigt dat zij er op een andere manier
naar kijkt dan ik suggereerde. Het spijt me dat ik dat verkeerd heb
geïnterpreteerd.
De heer Boomsma (JA21):
Dan nog even over het binnenklimaat. Ik heb ook de reacties gezien van
het Adviescollege toetsing regeldruk. Ik dacht dat daar wel wat in zat.
De minister verwijst nu naar het Bouwbesluit, maar het punt is
natuurlijk dat heel veel schoolgebouwen oud zijn. Als je nieuwbouw
overigens heel goed isoleert, kan dat juist leiden tot slechtere
binnenluchtkwaliteit, want dan is er minder tocht. Maar goed, ervan
uitgaande dat het bij moderne gebouwen mechanisch geregeld is: wat gaat
er dan gebeuren met al die oude gebouwen waar dat binnenklimaat nu nog
niet goed is?
Staatssecretaris Tielen:
Dat is een goede aanvulling van meneer Boomsma. Daar wilde ik straks op
terugkomen, maar misschien is het dan niet zo logisch. Meneer Boomsma
heeft gelijk dat het Bouwbesluit niet geldt voor gebouwen die er gewoon
staan en waar verder niks gebeurt. Maar daar geldt de zorgplicht ook
niet voor. Daarmee heb je dat dus niet opgelost.
De heer Boomsma (JA21):
Ik dacht dat die zorgplicht een algemene zorgplicht zou worden voor alle
scholen, onafhankelijk van de leeftijd van het gebouw. Maar goed,
volgens mij gaat het erom dat er voldoende prioriteit wordt gegeven aan
een schone binnenlucht, omdat dat gezonder is en leidt tot betere
leerresultaten en dergelijke. Zijn er niet andere stappen die je nog
moet zetten om daar de prioriteit aan te geven die het verdient?
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij zei ik net ook al dat het integraal huisvestingsplan meer
bevat dan alleen kadasternummers, het adres dat erbij hoort, het
schoolbestuur dat er zit en het aantal leerlingen. Dat gaat ook over de
kwaliteit van de gebouwen. Dat valt daar eigenlijk onder. Er oog voor
hebben en opschrijven dat het binnenklimaat in scholen goed is, is dus
onderdeel van deze wet. Als je daar een zorgplicht tegenover zet … Nou,
goed, daarover heb ik gezegd wat ik daarover gezegd heb.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Het was al een heel uitgebreid blok. Ik zit dus een beetje te worstelen,
omdat ik heel veel dingen aan de orde wilde stellen. De staatssecretaris
zegt: "Dit is het instrument voor de kwaliteit. De basis moet op orde
zijn. Alle sectorraden zijn het ermee eens dat dit helpt." Dat is niet
zo. De sectorraden zeggen namelijk heel duidelijk dat dit niet helpt als
er geen extra geld bij komt. Het punt in mijn inbreng was dat er
misschien wat meer inzicht komt door de IHP's en MJOP's, al vraag ik me
dat af. Dat leidt echter nog niet tot sturing daarop, want wat gaan we
dan doen? Dit papier leidt niet tot een extra kwaliteitsimpuls. Ik ga
het toch maar samenvatten in één vraag, want ik snap dat u door wilt. We
gaan de wet nu niet evalueren. Ik vind het echt heel raar om een wet
niet te evalueren. Mijn vraag is of de staatssecretaris bereid is om de
wet op korte termijn te evalueren en te kijken of die inderdaad alles
beter maakt, dus ook de kwaliteit.
Staatssecretaris Tielen:
Ik neem aan dat mevrouw Moorman doelt op de wet die nu voorligt. Er zit
nu volgens mij een evaluatiebepaling in de wet of er ligt een
amendement. Ik vind evalueren altijd goed. De vraag is of je dat moet
vastleggen. Laat ik daarop terugkomen bij de appreciatie van het
amendement, zodra dat door de heer Ergin volgens mij — ja, hij knikt —
is ingediend.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel. De evaluatie was inderdaad geschrapt, dus dan moet die
gewoon terug.
Dan nog heel kort over de zorgplicht. Ik hoorde de staatssecretaris
zeggen dat het niks toevoegt, maar op welke manier kun je dan sturen op
het binnenklimaat en de luchtkwaliteit, die in heel veel schoolgebouwen
gewoon niet op orde zijn? Daar zullen we dan toch een andere manier voor
moeten vinden? Nu zien we namelijk dat heel veel schoolgebouwen niet
voldoen.
Staatssecretaris Tielen:
Dan kom ik bij wat ik in de inleiding zei: wie is dan "we"? Uiteindelijk
zijn gemeenten hoofdverantwoordelijk voor de onderwijshuisvesting in hun
gemeente. Daar krijgen ze geld voor via het gemeentefonds.
Schoolbesturen hebben daar ook een belangrijke rol in; zij krijgen daar
geld voor via de lumpsum. Dat zijn de twee partijen. Daarom regelen we
deze basis, want wat moet welke van de twee doen en hoe gaan ze daarmee
om? In het integraal huisvestingsprogramma zitten ook aspecten als
luchtkwaliteit. De gemeente is dus aan zet om dat in kaart te brengen en
daar vervolgens samen met de schoolbesturen actie op te ondernemen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar hier wreekt het zich meteen. De schoolbesturen zijn
verantwoordelijk voor de binnenluchtkwaliteit. We zien dat het allemaal
niet op orde is en dat het Bouwbesluit daar dus geen sturing op geeft.
Straks hebben de gemeentes dat in handen, maar hebben ze geen enkel
instrument om daar daadwerkelijk iets aan te doen. Ze krijgen er ook
geen geld voor, dus hoe moeten gemeentes dat dan doen? Ik vind het te
makkelijk van de staatssecretaris, die verantwoordelijk is voor goede
schoolgebouwen in ons hele land, om te zeggen dat het bij de gemeentes
ligt, terwijl ze de gemeentes vervolgens niks in handen geeft om daar
daadwerkelijk op te sturen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is volgens mij niet het geval. Volgens mij zijn gemeentes daar
verantwoordelijk voor en krijgen de gemeentes daar sinds jaar en dag ook
al geld voor overgemaakt vanuit het gemeentefonds. Sommige gemeentes
zijn er ook heel goed in. Die hebben al een integraal
huisvestingsprogramma, zoals ook door een aantal leden is gezegd, leggen
dat ook al voor aan hun gemeenteraden en bespreken met hun gemeenteraden
hoeveel geld er wel en niet naartoe gaat. Ik sluit mijn ogen er niet
voor dat heel veel schoolgebouwen nog echt niet op het niveau zijn dat
we willen, maar ik denk dat "we" meer is dan alleen wat hier in de Kamer
gebeurt.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik denk dat we hiermee opnieuw uitkomen bij .... Een groot deel van
zorgen voor goede ventilatie in verband met CO2 ligt ook weer
bij de schoolbesturen, en dus niet alleen bij de gemeente. Met deze wet
komt er een integraal huisvestingsplan. Daar staan ook normen voor het
binnenklimaat in, volgens mij. Klopt het dat de staatssecretaris daar
dan een overzicht van gaat maken en op die manier in beeld krijgt hoe
het daarmee staat, zodat we daar mogelijk meer sturing in kunnen geven?
Anders blijft het probleem namelijk bestaan.
Staatssecretaris Tielen:
Dan komen we bij het dilemma dat ik ook in het vorige debat voorlegde.
We kunnen heel veel informatie ophalen. We kunnen heel veel
schoolbesturen, gemeentes en schoolleiders vragen om allemaal lijsten in
te vullen en die naar Den Haag te sturen. Dan gaan we daar, zoals meneer
Van Houwelingen in het vorige debat zei, Excelsheetjes van maken, en
vervolgens gaan we dan iets doen. Ik weet niet of dat de goede volgorde
is. Met deze wet spreken we het volgende af. "Gemeentes, maakt u een
integraal huisvestingsplan. Daar horen binnenklimaat en onderhoudsplan
bij. Hoe staat het met de prognoses en voldoet uw gebouw dan nog? U
stuurt dat integraal huisvestingsplan naar ons toe." Ik was echter niet
van plan om van alle factoren waar we naar vragen, een totaaloverzicht
te maken en tot in de details te bepalen welke school in welke gemeente
moet worden aangepast.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Niet tot in de details. Ik vind dit toch wel gek. Het voelt toch een
beetje als een gebrek aan ambitie om echt iets voor de schoolgebouwen te
doen. Er ligt nu een wet waarin staat dat schoolgebouwen dit allemaal
moeten gaan bijhouden en dat ze het naar het ministerie moeten sturen,
maar nu hoor ik de staatssecretaris zeggen dat ze er vervolgens niets
mee gaat doen.
Staatssecretaris Tielen:
Nou, niets? Wij gaan er natuurlijk van alles mee doen, maar wij zitten
niet aan het stuur. Dat wil ik ook niet. Ik vind echt dat de gemeentes
aan het stuur zitten. Wij kunnen hen daarbij helpen. Op basis van het
ibo gaan we hen nu helpen om de basis op orde te brengen. Ik wil ook
best helpen, zoals ik net al zei, om van schoolgebouwen een sexy
onderwerp te maken en het hier daarover te hebben met u. Maar ik wil er
vooral voor zorgen dat het in de gemeenteraden en aan de tafels tussen
schoolbesturen en gemeentes een goed onderwerp van gesprek is, want het
is belangrijk. Ik denk echter niet dat wij vanuit hier moeten gaan
sturen op wat alle gemeentes en schoolbesturen precies moeten gaan doen
met de specifieke scholen in de specifieke gemeentes. Ik denk dat dat
echt een brug te ver is.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Misschien helpt het wel als wij überhaupt goed zicht hebben op wat er
mogelijk is. Wellicht komt de staatssecretaris daar nog op, want ik heb
natuurlijk ook vragen gesteld over de SUVIS-regeling, die is afgeschaft,
en over andere mogelijke subsidies voor verduurzaming. Ook heb ik
gevraagd of het goed bekend is dat scholen daar gebruik van kunnen maken
en of we daarin misschien vereenvoudiging mogelijk kunnen maken, zodat
het ook daadwerkelijk gebeurt. Dat zijn bijvoorbeeld ook manieren waarop
we wel degelijk een bijdrage kunnen leveren aan de opgave die er voor
schoolgebouwen ligt.
Staatssecretaris Tielen:
Maar dat vind ik heel goed. Iemand vroeg specifiek naar het volgende.
Volgens mij is onze rol: mogelijk maken, helder maken en helpen waar
nodig. Ik denk dat dat een goed voorbeeld is van mevrouw Rooderkerk. Ik
vind zeker dat wij een rol hebben daar waar hulp nodig is, bijvoorbeeld
wat betreft de toegankelijkheid van bepaalde regelingen of in het aan
gemeentes laten zien hoe het in bepaalde gemeentes al heel goed
gaat.
De heer Ergin (DENK):
De staatssecretaris zei net in reactie op de vraag van de collega's dat
het IHP in principe al een kwaliteitsinstrument is en dat kwaliteit daar
al in terugkomt. In de letterlijke wettekst staat wat er verplicht in de
inhoud van het IHP moet voorkomen. Dan heb je het over bouwjaar, bruto
vloeroppervlakte, functionaliteit, energieverbruik, exploitatielasten en
de technische levensduur. Ik noem niet alles op, want "bouwtechnische
staat" staat daar natuurlijk ook in. Dat alleen is toch onvoldoende?
Deze opsomming is toch onvoldoende om het als een kwaliteitsinstrument
in te zetten?
Staatssecretaris Tielen:
Mijn lezing is dat het wel voldoende is. Als een gemeenteraad of
gemeentebestuur uiteindelijk zelf voor aanvullingen kiest, dan kan dat
natuurlijk ook, maar dit is in ieder geval wat er volgens de wet in
moet. Kwaliteit is natuurlijk bijna een containerbergrip. Je kunt niet
zeggen: dit is zo veel kwaliteit. Er zitten onderdelen onder. Volgens
mij is een aantal onderdelen die de heer Ergin opnoemt onderdeel van
kwaliteit.
De heer Ergin (DENK):
Dat is dus precies wat er in de afgelopen decennia verkeerd is gegaan.
De gedecentraliseerde verdeling van taken is een risico. Ik zie dat niet
als de oorzaak van het probleem, maar wel als een risico. We hebben uit
mijn hoofd in 2019 een ibo gehad. In het ibo staat heel duidelijk dat er
geen eenduidige integrale eisen zijn. Volgens mij was dat een van de
vier aanbevelingen die niet in het wetsvoorstel werden overgenomen. Is
het dan niet verstandig om juist te zeggen: we gaan dat IHP al
verplichten? In de praktijk geldt al een NEN-norm. Het departement van
de staatssecretaris is bezig met het opstellen van een kwaliteitsnorm
die gelijkstaat aan een NEN-norm. Is nu dan niet het juiste moment om te
zeggen: we gaan niet alleen nu een planningsinstrument maken van het
IHP, maar we gaan gemeenten stimuleren en eigenlijk een beetje dwingen
om ook naar de kwaliteit van de schoolgebouwen te kijken? Is dit niet
het juiste moment daarvoor, zou ik aan de staatssecretaris willen
vragen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ben geneigd om mijn antwoord van daarnet te herhalen. Volgens mij is
kwaliteit onderdeel van de elementen die onder andere in het overzicht
staan van wat we verwachten van het integraal huisvestingsprogramma. Een
NEN-norm … Dat zit allemaal weer in andere wetgeving. Ik weet niet of
dat nou precies de plek is om het in op te nemen, moet ik heel eerlijk
zeggen. Ik ben daar een beetje huiverig voor. Dat soort dingen vatten we
precies weer in andere bouwkundige besluiten of besluiten rondom de
leefomgeving enzovoort enzovoort. Of dat integraal huisvestingsprogramma
dan nog expliciet in de wet moet worden opgenomen; daar ben ik niet
gelijk enthousiast over.
De voorzitter:
Kort en bondig, meneer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Ja, kort en bondig. De staatssecretaris is het dus met mij eens dat de
discussie zou moeten gaan over welke norm er in de wet zou moeten staan.
De staatssecretaris is het dus wel met mij eens dat er een norm in de
wet moet staan en dat we juist middels een IHP de kwaliteit van een
schoolgebouw kunnen opkrikken.
Staatssecretaris Tielen:
Wat ik belangrijk vind, is dat gemeentes, die verantwoordelijk zijn voor
onderwijshuisvesting, met deze wet een integraal huisvestingsprogramma
of plan opleveren, waarin een aantal elementen zitten om vanuit ons
duidelijk te maken wat wij vinden dat er minimaal in moet zitten.
Vervolgens kunnen ze met hun schoolbesturen in gesprek, die ook weer
verantwoordelijk zijn voor het meerjarenonderhoudsplan. Wat mij betreft
zitten er al behoorlijk wat kwaliteitselementen in. Daarmee is er ook
een basis voor kwaliteit.
De voorzitter:
Mevrouw Raijer en daarna zou ik eigenlijk verder willen gaan met de
beantwoording van de staatssecretaris. Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik hoorde de staatssecretaris zeggen: we gaan gemeentes toch verplichten
om een plan te gaan maken. Maar wat gaat u nou concreet doen bij de
gemeentes die al sinds 2018 of eerder zo'n plan hebben liggen en waarbij
de situatie verslechterd is? Hoe gaat u daarmee om?
Staatssecretaris Tielen:
Ik voel heel veel neiging in uw Kamer om te treden in de ruimtes, de
vrijheden en de verantwoordelijkheden die gemeentes hebben. Gemeentes
zijn verantwoordelijk voor onderwijshuisvesting. Heel veel gemeentes
maken daar nu al een huisvestingsplan voor. Welke scholen hebben we
nodig? Hoeveel leerlingen komen erbij enzovoort enzovoort? Ze leggen dat
voor aan de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft uiteindelijk het
democratische recht om vast te stellen dat dat plan er ligt en welke
financiële paragraaf daarbij hoort. Als wij vanuit hier daar nog
strakker op gaan sturen, maken we van gemeenten een
uitvoeringsorganisatie. Dan halen we de hele democratie op gemeentelijk
niveau weg. Daar ben ik helemaal niet voor. Ik vind het belangrijk dat
wij hier een aantal richtingen geven en tegen gemeentes zeggen: lever
zo'n huisvestingsplan op. De meeste doen dat al; een aantal van uw leden
zei dat al. Vervolgens is het ook aan gemeentes en gemeenteraden zelf om
te controleren of daar ook naar wordt gehandeld.
De voorzitter:
Mevrouw Raijer ziet af van een tweede interruptie. Heel kort, mevrouw
Moorman, en dan gaat de staatssecretaris verder.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik werd door de staatssecretaris even op het verkeerde been gezet omdat
zij zei dat die zorgplicht eigenlijk alleen maar over nieuwe gebouwen
ging. Maar dat is niet waar. Ik heb nog even de oude tekst erbij gepakt.
Die zorgplicht ging echt over álle gebouwen. Dat is ook belangrijk,
omdat het dan dus losstaat van de bouwbesluiten die gaan over de nieuwe
gebouwen. Als we het dan hebben over gemeentes en sturen … Die
luchtventilatie en die binnenluchtkwaliteit is de verantwoordelijkheid
van de schoolbesturen. Dat is zo besloten in 2014. Toch moet de gemeente
er straks in het MJOP wat mee doen. Hoe moeten ze dat nou doen als er
vervolgens geen zorgplicht is? Dit is echt een grote zorg.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb gezegd dat die zorgplicht niets toevoegt aan de wet, in de zin
dat we daar iets op kunnen doen. Hij is eruit gehaald omdat het opnemen
van een zorgplicht in de wet te weinig effect gaat hebben en er te
weinig handhavingsmogelijkheden zijn ten opzichte van de
proportionaliteit van alle lasten die erbij zitten, dus vanwege de
onuitvoerbaarheid en de haalbaarheid ervan. Wat ons betreft ligt het
binnenklimaat vast in bouwregelgeving onder BZK. Daarbij bevestigde ik
dat die bouwregelgeving vooral voor ver- en nieuwbouw geldt en minder
voor bestaande bouw waar niks aan gebeurt. Ik snap dat het zo is, maar
de zorgplicht is niet meer dan "maak een plan". Die voegt weinig
toe.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
De zorgplicht geeft vooral aan dat je de plicht hebt om ervoor te
zorgen. Als die gewoon wegvalt omdat we hem niet hierin hebben staan,
dan is er dus geen sturingsinstrument. Het effect daarvan zien we in de
praktijk. Er verandert dan dus eigenlijk niks. Daarmee vinden we het dus
blijkbaar prima dat heel veel schoolgebouwen niet op orde zijn, dat
leraren daardoor ziek worden en kinderen niet goed genoeg kunnen leren.
Dat lijkt me echt de verkeerde weg.
Staatssecretaris Tielen:
Als dat de realiteit blijkt, dan zou mevrouw Moorman daarin gelijk
kunnen hebben. Het punt is natuurlijk dat er met een integraal
huisvestingsplan en een meerjarenonderhoudsprogramma voortdurend wordt
gewerkt aan de ver- en nieuwbouw en renovatie van onderwijsgebouwen.
Eens in de zoveel tijd zijn ze dus onderhevig aan de bouwbesluiten die
we via de regelgeving vanuit BZK hebben geregeld. Ik denk dat de
praktijk dus anders is dan mevrouw Moorman schetst.
De voorzitter:
De heer Ergin, kort.
De heer Ergin (DENK):
Ik weet niet of het een uitschieter was, maar ik wil even terug naar het
feit dat de staatssecretaris aangaf dat ze merkt dat de Kamer de
democratische ruimte van de gemeenteraad wil inpikken. Dat is hier
natuurlijk totaal niet aan de orde.
Staatssecretaris Tielen:
Nou, gelukkig.
De heer Ergin (DENK):
Wat hier wel aan de orde is, is dat als er bijvoorbeeld speeltoestellen
zijn in een gemeente, daar een norm voor is. Voor straatstenen hebben we
allemaal landelijke normen waaraan we de kwaliteit afmeten en op basis
waarvan minimale technische vereisten worden vastgesteld. Het is toch
niet gek dat de Kamer dan zegt: we willen eigenlijk iets soortgelijks
voor schoolgebouwen, gezien de problematiek? Vindt de staatssecretaris
het niet gek dat dat op dit moment niet in de wet staat?
Staatssecretaris Tielen:
In het Besluit bouwwerken leefomgeving staan dat soort normen al. Wat ik
zei, was zeker geen uitschieter, want ik vind het echt heel belangrijk.
Een aantal leden zei: wij willen graag bepalen wat gemeenten uitgeven
aan onderwijshuisvesting en we willen dat oormerken en het terughoren.
Dat vind ik voor een deel treden in de democratische
verantwoordelijkheid van gemeenten. Maar goed, daar komen we straks bij
een ander kopje over te spreken. Maar dat was daarop gericht, en de
normen rondom schoolgebouwen zitten dus al in het besluit.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt, en ik wijs eenieder op de klok. Gaat uw
gang, staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Over het algemeen wordt mij niet verweten te langzaam te praten, dus ik
probeer het goed te doen.
De voorzitter:
Ik zei "eenieder".
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Armut vroeg wat de juridische status van het integraal
huisvestingsplan is, als je het vergelijkt met bijvoorbeeld de
verordening onderwijshuisvesting. Het integraal huisvestingsplan is een
strategisch plan zoals we dat in artikel 110 van de Gemeentewet
bedoelen, ter voorbereiding op de besluitvorming over aanvragen van
voorzieningen in de huisvesting. De verordening is een gemeentelijk
juridisch kader voor de concrete toewijzing en afwijzing van
voorzieningen in de huisvesting. Ze hebben dus een verschillende rol ten
aanzien van de onderwijshuisvesting. Het integraal huisvestingsplan
wordt vastgesteld door de gemeenteraad, inclusief een financiële
paragraaf.
Meneer Ergin vroeg naar het versnellen van de termijn. Hij heeft
daarover een amendement ingediend. Daar kom ik straks bij de
amendementen op terug.
Mevrouw Rooderkerk vroeg waarin nou het verschil zit tussen groot
onderhoud, onderhoud, renovatie en nieuwbouw. Bij groot onderhoud zijn
de werkzaamheden gericht op het in stand houden van het bestaande
gebouw. Bij renovatie is het van belang dat er sprake is van vernieuwing
of grootschalige verandering en het verlengen van de levensduur. Vaak
wordt dat ingezet in plaats van nieuwbouw. Vervangende nieuwbouw is dan
wanneer een schoolgebouw waarin een school is gehuisvest, geheel of
gedeeltelijk wordt vervangen, al dan niet op dezelfde locatie. In
tegenstelling tot renovatie wordt het oude gebouw tot op de fundering
gesloopt en daarna opnieuw opgebouwd. Dat zijn de definities waar
mevrouw Rooderkerk naar vroeg.
Mevrouw Rooderkerk vroeg ook of ik bereid ben om werk te maken van de
centrale bouwcatalogus waar in het ibo-rapport aan wordt gerefereerd.
Ja, ik stimuleer dat graag, maar ik wil het eigenlijk niet verplichten.
Dat vind ik namelijk niet mijn rol. Maar die centrale bouwcatalogus gaat
uit van standaardisering van zowel elementen van bouw als processen van
bouw. Binnen het Programma Onderwijshuisvesting werken we aan het
standaardiseren van bouwprocessen en aanbestedingsprocedures. Maar ik
vind het wel fijn en ook goed als daar op vrijwillige basis gebruik van
kan worden gemaakt. Als wij dat gaan verplichten, dan raakt het weer een
beetje aan de beleids- en bestedingsvrijheid van gemeenten en daar wil
ik eigenlijk niet in treden. We gaan dat dus wat mij betreft niet
verplicht maken.
De heer Ergin vroeg naar een landelijke monitor, dus het structureel
monitoren van de voortgang en de staat van onze onderwijshuisvesting.
Het Programma Onderwijshuisvesting loopt en om de impact daarvan te
meten, wordt een landelijke monitor opgezet. Daarbij krijgen we een
beeld van de kwaliteit van schoolgebouwen in het algemeen. Daarbij
zullen we vooral kijken hoe we gebruik kunnen maken van de integrale
huisvestingsprogramma's die op grond van dit wetsvoorstel met ons worden
gedeeld. Dan kunnen we in een jaarlijkse brief terugkomen op een soort
van blik, inzicht, overzicht van de onderwijshuisvesting in z'n
algemeenheid.
Mevrouw Rooderkerk vroeg of het mogelijk is om mediatheken en
bibliotheken als herkenbare onderwijsvoorzieningen mee te nemen in die
integrale huisvestingsplannen. Mevrouw Moorman heeft daar eerder een
motie over ingediend, om te onderzoeken hoe elke school in het basis- of
middelbaar onderwijs kan beschikken over toegankelijke
bibliotheekvoorzieningen. In het verlengde van die motie onderzoek ik
ook hoe scholen kunnen worden voorzien van een goede schoolbibliotheek.
Daarbij nemen we uiteraard ook mee wat voor ruimte daarvoor nodig is,
maar we kunnen ook nog op andere manieren zorgen voor een rijke
leesomgeving. Dan moet je denken aan leeshoeken, boekenkasten et cetera.
Ik vind het belangrijk dat scholen daarin zelf een keuze kunnen maken.
Maar ook hier geldt dat wij ze natuurlijk wel kunnen helpen met
inzichten op basis van het onderzoek waartoe mevrouw Moorman heeft
opgeroepen.
Mevrouw Armut vroeg naar de capaciteitsproblemen bij gemeenten en in
schoolbesturen, terwijl hier tegelijkertijd weer werk uit voortkomt.
Zowel gemeenten als schoolbesturen wilden zelf ook wat meer
concretisering als het gaat over onderwijshuisvesting. Ze hebben daartoe
zelf het initiatief genomen. Het meerjarenonderhoudsplan en het
integraal huisvestingsplan zijn daar een onderdeel van. Ze worden
daartoe verplicht, maar heel vaak hebben ze dat al in verre mate
ontwikkeld. We hebben gemeenten drie jaar de tijd gegeven om een
integraal huisvestingsplan vast te stellen dat voldoet aan die eisen, en
er is ook wat capaciteit beschikbaar om gemeenten daarbij te helpen. Dat
over de wet specifiek.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Even terug naar het verschil tussen onderhoud, groot onderhoud en
renovatie. De uitleg die de staatssecretaris gaf, kon ik ook zo lezen in
de tekst, maar dat riep bij mij juist vragen op. Neem een schoolgebouw
uit de jaren zeventig. Het dak moet vervangen worden, de installaties
zijn verouderd, de isolatie is slecht. De kozijnen zijn ook aan
vervanging toe. Als een school alleen de kozijnen vervangt, is dat dan
onderhoud of groot onderhoud? En wanneer is er dan sprake van
renovatie?
Staatssecretaris Tielen:
Volgens deze definitie gaat het dus om grootschalige verandering en
verlenging van de levensduur. Alleen de kozijnen vervangen — dit is een
beetje ingewikkeld, het voelt een beetje als een quiz — zou ik als
onderhoud zien. Het dak en de kozijnen vervangen zou ik als groot
onderhoud zien. Ik weet wel wat mevrouw Rooderkerk denkt, want dat denk
ik ook, namelijk: maar dat is ook om de levensduur te verlengen. Ja, dat
is ook zo, maar het is geen grootschalige verandering, tenzij de school
besluit, zoals een school bij mij in de buurt deed, om het dak te
verhogen en een extra verdieping te creëren. Ik kan me voorstellen — ik
hou wel een slag om de arm, want ik ben natuurlijk een beetje aan het
improviseren — dat dat een renovatie is.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik waardeer de poging tot improviseren om antwoord te geven op deze
vraag, maar ik vrees wel een beetje dat we dit gesprek tussen
schoolbesturen en gemeenten niet heel veel makkelijker maken door de
aanpassingen in deze wet. Het onderscheid is namelijk nog best lastig te
maken. Het kan nog steeds tot discussie leiden: is dit iets wat het
schoolbestuur of de gemeente moet betalen? Ik ben dus bang dat het
alsnog voor vertraging zorgt, wat we in de praktijk al veel zien
gebeuren. Deelt de staatssecretaris die zorg?
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap wel wat mevrouw Rooderkerk voor zich ziet. Ik ben altijd meer
van "het glas is halfvol". Ik denk dus: ga daarover met elkaar in
gesprek. Uiteindelijk heb je beide baat bij een goed onderwijsgebouw. Ik
denk dat het wel iets helpt om het iets nauwer af te bakenen, maar ik
denk dat je het nooit 100% kan afbakenen. Daarover moet je dan met
elkaar in gesprek op basis van een duidelijk integraal huisvestingsplan
van de gemeente en een meerjarenonderhoudsprogramma van schoolbesturen.
Ik denk dat daar wel bepaalde elementen in zitten waardoor je echt wel
goed in gesprek kan gaan over dit soort afspraken. Maar mevrouw
Rooderkerk heeft gelijk: je krijgt het nooit 100% gedefinieerd. Ik denk
ook niet dat het, als we het nog scherper doen, alsnog 100% kan
worden.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat laatste deel ik, inderdaad. Dan nog een vraag over de bouwcatalogus,
waar de staatssecretaris ook op inging. Zij gaf aan: we zijn bezig met
het onderzoeken van standaardisatie. Ik denk dat dat goed is. Ik ben
overigens ook benieuwd of er nog wat te delen is over het
Groeifondsproject, of daar nog wat interessants uit komt en of we dat
ook kunnen betrekken bij de voortgang op de verbetering van de
schoolgebouwen. Zou zij ook — daar was ze een beetje voorzichtig in —
willen stimuleren dat die bouwcatalogus tot stand komt? Ik ben het er
helemaal mee eens dat we gemeenten niet dingen willen voorschrijven,
maar ik denk het gemeenten wel degelijk heel erg kan helpen als we heel
duidelijk laten zien uit welke opties ze kunnen kiezen, zoals het ibo
ook aanraadt.
Staatssecretaris Tielen:
Eens. Ik noemde het ook "stimuleren". Dan bedoel ik zowel zorgen dat die
er komt als zorgen dat die onder de aandacht komt van de betrokken
partners, en dan heb ik het met name over gemeenten. Het wanneer vind ik
lastig. Mag ik daar in tweede termijn op terugkomen?
De voorzitter:
U vervolgt met het blokje kosten.
Staatssecretaris Tielen:
Dat klopt, voorzitter. Dat is best een dik mapje, zie ik. Mevrouw
Rooderkerk vroeg: wat is er beschikbaar aan middelen? Ik kan daar geen
eenduidig antwoord op geven, omdat er voor zowel gemeenten als
schoolbesturen geld komt vanuit het Rijk, maar niet geoormerkt.
Schoolbesturen ontvangen bekostiging — we noemen dat ook wel een
"lumpsum" — voor personeel en exploitatie. Daar hoort ook het onderhoud
van de gebouwen bij. Vervolgens is het aan schoolbesturen zelf om te
kiezen hoeveel ze aan exploitatie uitgeven. Er is overigens wel een
wettelijke onderhoudsplicht.
Gemeenten hebben dan weer de wettelijke zorgplicht voor
onderwijshuisvesting. Die ontvangen middelen uit het gemeentefonds en
eigen belastingen en heffingen. Die middelen zijn vrij besteedbaar,
waarbij de gemeente zelf prioriteert.
Meneer Ergin vroeg naar het bedrag van 1,3 miljard, net als een paar
anderen. Hij verwees naar een bedrag dat genoemd is op basis van het
interdepartementaal beleidsonderzoek, dat een bedrag heeft berekend dat
extra nodig zou zijn om de klimaatdoelen voor 2050 te halen op het
gebied van onderwijshuisvesting. Dat zou 730 miljoen extra per jaar zijn
ten opzichte van het prijspeil van 2019. Daarover is geïndexeerd met het
prijspeil van 2025. Dat is dus nog relatief recent. We komen dan uit op
een bedrag van 930 miljoen. Vervolgens hebben de sectorraden dat bedrag
gespecificeerd naar 1,3 miljard, omdat zij ook een inschatting hebben
gemaakt op basis van bouwkosten die sneller zijn gestegen dan het
algemene prijspeil. Zij hebben dat dus doorgerekend. Daar komt dat
bedrag vandaan.
De heer Ergin vroeg of we dat moeten oormerken. Ik denk dat dat geen
oplossing is om het vervangingstempo te versnellen. Het past ook niet
bij de afspraken die we in het stelsel hebben gemaakt.
De heer Kisteman vroeg naar mijn rol als het gaat om middelen voor
onderwijshuisvesting die mogelijk, zoals hij zegt, op de plank blijven
liggen. Hij vroeg waarom die niet worden besteed en wat de
staatssecretaris kan doen. De staatssecretaris kan vooral aanmoedigen en
een aantal dingen in wetgeving vastleggen. Wat we nu in de wet
vastleggen, is dat we zorgen dat de basis op orde komt, zodat gemeenten
en onderwijsbesturen daar met elkaar afspraken over kunnen maken en dus
ook die investeringen gaan vrijmaken om achterstallig onderhoud, klein
en groot onderhoud, renovatie of nieuwbouw te realiseren. Dat is nodig
om voor de populatie van scholen en gemeenten goede huisvesting te
hebben. Het Programma Onderwijshuisvesting, zoals wij dat hebben
ingericht, ondersteunt daarbij en zorgt ervoor dat gemeenten dit
makkelijk kunnen doen. Het zou mooi zijn als we samen met uw Kamer
onderwijsgebouwen weer een sexy onderwerp kunnen maken, zodat het ook op
de agenda's komt.
Zowel D66 als DENK en de PVV vroegen of we als regering kunnen voorkomen
dat er druk ontstaat om middelen die voor het ene doel bedoeld zijn,
voor een ander doel te gebruiken, oftewel middelen die bedoeld zijn voor
onderwijs in te zetten voor het schoolgebouw. Ik begrijp die vraag heel
goed en tegelijkertijd worstel ik er ook mee. Uw Kamer gaf ook duidelijk
aan dat een onderwijsgebouw van belang is voor het onderwijs. Het is
niet het belangrijkste, maar de omgeving waarin je leert — dat blijkt
ook uit wetenschappelijk onderzoek, waar enkelen van u al aan
refereerden — heeft invloed op de leerprestaties. Je kunt dat niet met
een heel fijn schaartje knippen. Dat gezegd hebbende, de gemeente is
verantwoordelijk voor de nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen. Dat
blijft ook zo. Er zijn wettelijke waarborgen om dat goed te doen: een
gemeente mag een aanvraag van een school voor nieuwbouw of renovatie
niet zomaar weigeren. Gemeenten mogen ook niet van scholen eisen dat zij
meebetalen aan nieuwbouw of renovatie. Tegelijkertijd hebben wij geen
signalen dat dit nu misgaat. De gemeente is bij de uitvoering van haar
taken gehouden aan de Algemene wet bestuursrecht en de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Schoolbesturen mogen alleen
overschotten op hun begroting uitgeven. Volgens mij is wettelijk goed
geregeld hoe dit wordt verdeeld. Met deze wet maken we daarvoor een nog
stevigere basis.
De heer Kisteman vroeg hoe het zit met middelen die scholen zelf kunnen
inzetten voor onderwijshuisvesting. Gemeenten blijven verantwoordelijk
en een schoolbestuur kan vrijwillig investeren of meefinancieren, maar
alleen met het overschot aan middelen dat resteert nadat het
schoolbestuur de eerste bestedingsdoelen, waarvoor het volgens de wet
verantwoordelijk is, heeft gefinancierd. Dat bestaat al in het
voortgezet onderwijs. Met deze wet maken we dat ook mogelijk voor het
primair onderwijs, dus voor de basisscholen. Het wetsvoorstel wijzigt
niets aan de verantwoordelijkheid van samenwerkingsverbanden als het
gaat om passend onderwijs, waar de heer Kisteman naar verwees. De
middelen van samenwerkingsverbanden zijn echt bedoeld voor
maatwerkoplossingen en dus niet voor algemene veranderingen aan
gebouwen.
Mevrouw Moorman en mevrouw Rooderkerk vroegen naar de
exploitatieoverschotten en of verschillen tussen scholen kunnen leiden
tot verschillen in kwaliteit. Dat is nooit helemaal te vermijden, maar
de kans dat deze wet een toename van verschillen veroorzaakt, lijkt ons
heel erg klein. Schoolbesturen houden de ruimte om te investeren, maar
alleen vanuit een overschot. Die ruimte is ook niet heel groot. Bij een
deel van de scholen kan het zelfs helpen om meer invloed te hebben op
vierkante meters, ruimte voor maatwerk, lagere exploitatielasten,
oftewel allemaal dingen waar scholen bij gebaat zijn. Het is goed voor
die scholen om daarover in gesprek te zijn met gemeentes.
Mevrouw Moorman en mevrouw Rooderkerk vroegen ook of bij het opheffen
van het investeringsverbod, zoals we dat voorstellen in deze wet, rijke
scholen zichzelf niet nog mooier maken en arme scholen dat dan niet
kunnen. Deze wetswijziging geldt dus alleen voor het basisonderwijs,
omdat het in het voortgezet onderwijs al zover is. Een schoolbestuur kan
alleen het overschot aanwenden. Dat is nou ook weer niet zo groot dat we
verwachten dat het zal leiden tot wat mevrouw Moorman suggereerde.
Mevrouw Rooderkerk en meneer Ergin vroegen of ik wil onderzoeken of
middelen slimmer en gerichter kunnen worden ingezet. "Slimmer en
gerichter inzetten" klinkt mij altijd goed in de oren. Uit het ibo
blijkt dat we eerst de basis op orde moeten hebben. Dit wetsvoorstel is
onderdeel van het verstevigen van die basis. Ik zou dus zeggen: laten we
eerst deze wet goed behandelen. Ik ben echter zeker bereid te kijken hoe
we budgetten in ieder geval kunnen bundelen. Ik denk dat dat dus een
toezegging is, voorzitter.
Mevrouw Rooderkerk vroeg ook in hoeverre verduurzamingssubsidies kunnen
worden gebruikt door scholen en/of gemeentes. Daar verwees ze net ook al
naar. Ook verwees ze naar een subsidie die niet meer bestaat, maar er is
een andere die wel bestaat. Dat is de Subsidieregeling duurzaam
maatschappelijk vastgoed, de DUMAVA. Dat is een subsidie voor eigenaren
van maatschappelijk vastgoed. Je kunt je voorstellen dat scholen
daaronder vallen. Ik kan me dat niet alleen voorstellen; het is ook
gebeurd. De DUMAVA gaat eens in de zoveel tijd "open", om het maar zo te
zeggen. Als je kijkt naar de afgelopen vier jaar, waren er vanuit het
onderwijs 752 aanvragen voor DUMAVA, met een totaal toegekend bedrag van
240 miljoen. Dat is echt gericht op verduurzaming van scholen. Ik geloof
dat er in juni weer een nieuwe ronde DUMAVA opengaat.
Mevrouw Armut vroeg naar de total cost of ownership, oftewel: hoe zorg
je ervoor dat er volledig zicht is op de totale kosten van aankoop,
verbouw en onderhoud van gebouwen in het onderwijs? Hoe zorgt dit
wetsvoorstel ervoor dat dit gestimuleerd wordt? Wat mij betreft is dat
omdat er in het integraal huisvestingsplan beschreven wordt wat er nodig
is qua huisvesting en hoe de meerjarige onderhoudsprogramma's worden
afgestemd met de schoolbesturen. Op die manier maken we van het
vergroten, het vernieuwen en het onderhoud van onderwijsgebouwen een
gezamenlijke verantwoordelijkheid. Met de verruiming van de
investeringsmogelijkheden stellen we schoolbesturen in staat om daaraan
bij te dragen, als ze dat zouden willen. De gemeente is natuurlijk
primair verantwoordelijk.
Over het oormerken van geld heb ik het eigenlijk al gehad.
Mevrouw Rooderkerk vroeg nog naar het bundelen van aanbestedingen.
Binnen het Programma Onderwijshuisvesting werken we samen met de sector
aan het ontwikkelen van een integrale aanpak die schoolbesturen,
gemeenten en andere samenwerkingspartners handvatten biedt om sneller en
kostenefficiënter scholen te bouwen. De bouwcatalogus is daar onder
andere een onderdeel van. Dit programma is bij het Kenniscentrum
Ruimte-OK belegd. Daarin worden standaarden, instrumenten en andere
ondersteuning beschikbaar gesteld, zodat partijen die hiermee te maken
hebben, daarmee aan de slag kunnen. Het gebundeld aanbesteden van
bouwprojecten is daar een belangrijk thema bij. Voor een deel zit dat in
Vlaanderen, zei mevrouw Rooderkerk. We houden uiteraard rekening met de
context van de Nederlandse onderwijshuisvesting, die in sommige gevallen
anders is dan die in Vlaanderen. Maar dit is dus onderdeel van dat
programma.
Ik heb al genoeg gezegd over oormerken. Dat is wat ik hierover wilde
zeggen.
De voorzitter:
Meneer Ergin en meneer Kisteman hebben een interruptie voor u. Eerst
meneer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Erkent de staatssecretaris dat er onvoldoende middelen beschikbaar zijn
en dat er onvoldoende geld is om de achterstanden bij 4.500
schoolgebouwen in Nederland in te halen?
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb het volgende gelezen in het interdepartementaal beleidsonderzoek.
Daarin is op een rijtje gezet wat er nodig is om alle schoolgebouwen in
Nederland te laten voldoen aan de klimaatdoelen van 2050. Dat gaat niet
alleen om achterstallig onderhoud, maar ook om vooruitkijken. Zoals ik
net al zei, is dat bedrag duidelijk. We hebben niet in kaart wat nu de
kosten zijn van het achterstallig onderhoud.
De heer Ergin (DENK):
Dat klopt. De vraag gaat niet om of het nou 1,3 of 1,7 is. Er is een
achterstand en daar is extra geld voor nodig. Dat geld is er, want dat
geld wordt via het gemeentefonds berekend en gaat richting de gemeenten.
Alleen kunnen gemeenten dat voor andere doeleinden inzetten, omdat het
niet geoormerkt is.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Ergin (DENK):
Het is dan toch juist een hele logische stap om ervoor te zorgen dat het
geld, dat er dus wel is, op de juiste plek terechtkomt? Ik begrijp niet
waarom de staatssecretaris daar zo terughoudend in is.
Staatssecretaris Tielen:
Misschien moeten meneer Ergin en ik het hier nog eens apart over hebben,
want wij hebben natuurlijk allebei lokaal politiek bedreven. Ik vind het
gewoon heel belangrijk dat gemeenteraden zelf keuzes kunnen maken in wat
ze doen met het geld dat vanuit het gemeentefonds naar de gemeente wordt
gestort en dat er is om allerlei doelen van de gemeente te
bewerkstelligen. Daarom vind ik het ook zo belangrijk dat het integraal
huisvestingsplan onderdeel is van deze wet, zodat gemeenteraden, in elke
gemeente, daar daadwerkelijk zicht op krijgen.
De voorzitter:
Afrondend, meneer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Ik ben het zeker eens met het uitgangspunt, maar de uitleg van de
staatssecretaris is natuurlijk raar. Landelijk wordt een basis voor
kwaliteit bepaald. Dat doen we voor stoeptegels, speeltuinen en tal van
andere zaken. Gemeenteraden mogen daar op basis van hun beleidsvrijheid
een plus op doen. Daar gaat de discussie niet om. De discussie gaat erom
dat de basis niet op orde is. Die basis is niet op orde, omdat de
middelen die bedoeld zijn voor schoolgebouwen al decennialang voor
andere dingen worden ingezet. Als je zegt dat die gelden daadwerkelijk
naar schoolgebouwen moeten gaan, dan is het geen inperking van de lokale
beleidsvrijheid maar juist een handeling om de basis op orde te krijgen.
De staatssecretaris moet het toch met me eens zijn dat dit de oplossing
is?
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij vervlechten meneer Ergin en ik twee onderwerpen met elkaar
die zeker wel met elkaar te maken hebben, maar tot andere oplossingen
leiden. Ik heb daarom het gevoel dat we een beetje langs elkaar heen
praten. Het gaat ten eerste over kwaliteit en minimumnormen. Meneer
Ergin had het over "een plusje erbovenop". Het tweede punt gaat over de
vraag waar je al je geld aan besteedt. Meneer Ergin verwees naar
stoeptegels, maar het is toch echt aan gemeenten zelf of ze die ene
zandweg wel of niet willen verharden. We hebben geen landelijke wet die
zegt dat alle zandwegen in Nederland verhard moeten worden, bij wijze
van spreken. Die twee dingen hebben met elkaar te maken, maar zijn niet
per se precies hetzelfde. Volgens mij praten we daarom een beetje langs
elkaar heen.
De voorzitter:
Ik wil eigenlijk weer terug naar de wet. Ik wil van lantaarnpalen en
zandpaden naar de Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting.
De heer Kisteman (VVD):
Ik heb twee verschillende onderwerpen. Het eerste gaat over dat de
staatssecretaris aangeeft de gemeenten aan te willen moedigen. Dat is
hartstikke mooi. Mijn vraag gaat over wat de gemeenten op de plank
hebben liggen; dat was 41 miljard en is gegroeid naar 43 miljard. Er is
een mogelijkheid dat dat kan doorgroeien naar nog meer geld. Hoe kan de
staatssecretaris de gemeenten nou helpen om ervoor te zorgen dat die
middelen bijvoorbeeld wel worden ingezet voor onderwijshuisvesting en
dat de reserves dus niet nog groter worden dan ze nu al zijn?
Staatssecretaris Tielen:
Naar aanleiding van de opmerking van meneer Kisteman heb ik gezocht naar
het rapport waarnaar hij verwees, maar dat heb ik nog niet gevonden. Dat
vind ik dus lastig. Daarnaast gaat het om een algemeen cijfer voor 342
gemeenten. Daar zullen ook hele grote verschillen tussen zitten. Volgens
mij moeten wij vanuit hier vooral duidelijk maken wat we wettelijk
verwachten van gemeenten als het gaat om het integrale huisvestingsplan,
moeten we het onderwerp sexy maken, moeten we gemeenteraden ook oproepen
om daar in overleg met hun wethouder Onderwijs over in gesprek te gaan
en moeten we dit soort afspraken in de wet vastleggen. Dat is volgens
mij het belangrijkste dat we moeten doen. Vervolgens zit ik regelmatig
met gemeenten om tafel, waarbij ik natuurlijk vind dat ze dit gewoon
bespreekbaar moeten maken.
De heer Kisteman (VVD):
Ik heb nog een andere vraag, over een ander onderwerp. Het gaat even
over de middelen die scholen mogen inzetten voor schoolgebouwen. Ik had
een voorbeeld uit de samenwerkingsverbanden, maar we hebben natuurlijk
ook de lumpsum die naar scholen gaat. Waar ligt dan de scheidslijn voor
wat scholen straks mogen gaan inzetten om bij te dragen aan
onderwijshuisvesting? Hoe kunnen wij dat hier in de Kamer in de gaten
houden? Hoe kunnen wij controleren dat er geen middelen die eigenlijk
waren bedoeld voor onderwijs of leraren worden opgepot voor
onderwijshuisvesting?
Staatssecretaris Tielen:
Het gaat erom wat er aan overschot is als ze hun wettelijke
verantwoordelijkheid rondom onderwijs verder hebben ingevuld. Hoe we dat
precies meten, kan ik op een rijtje zetten, maar daar moet ik dan in de
tweede termijn op terugkomen.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Kisteman (VVD):
Als samenwerkingsverbanden aan hun wettelijke verplichting hebben
voldaan en er blijft geld over, dan zou dat dus wel ingezet kunnen
worden voor onderwijshuisvesting. Dat is volgens mij juist wat we net
niet willen hebben. Misschien zou de staatssecretaris voor de tweede
termijn dus ook even daarnaar willen kijken. Waar ligt dan die
grens?
Staatssecretaris Tielen:
Samenwerkingsverbanden hebben echt andere wetten en regels te volgen dan
schoolbesturen. Dat is dus echt een andere vraag.
De voorzitter:
Neeneenee, meneer Kisteman. We gaan verder. Mevrouw Moorman is aan de
beurt.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben echt benieuwd hoe de 342 gemeentes naar dit debat kijken, want er
wordt hier, zonder dat er duidelijke cijfers zijn, meermaals
gesuggereerd dat er geld op de plank blijft liggen bij gemeentes. Alle
onderzoeken laten zien dat er een tekort is. Zelf weet ik ook uit het
verleden dat er altijd wordt bijgeplust door gemeentes. Mijn vraag aan
de staatssecretaris is om hier helder te maken dat er geen geld op de
plank blijft liggen en dat er eerder sprake is van een tekort bij
gemeentes dan van een overschot.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zei net al: volgens mij heb ik deze suggestie ook niet gedaan. Ik kan
ook niet bevestigen welke referenties er vanuit uw Kamer worden
gebruikt. Ik kan er dus gewoon geen uitsluitsel over geven nu. Ik vind
het belangrijk dat we het hier hebben over wat wel de wettelijke plicht
is van gemeentes rondom het integrale huisvestingsplan. Ik vind het
belangrijk dat we spreken over hoe wij ze opdragen om samen met
schoolbesturen om tafel te gaan in verband met het
meerjarenonderhoudsplan om samen te kijken hoe de onderwijshuisvesting
eruitziet in de komende vier, acht of twaalf jaar in relatie tot
leerlingenaantallen en allerlei andere ontwikkelingen in de gemeente.
Dat vind ik belangrijk.
De voorzitter:
Ik wil eigenlijk verder met de beantwoording. Ik zeg erbij dat hier om
14.30 uur een regeling van werkzaamheden plaatsvindt. Daar zal u zich
toe moeten verhouden. Eén korte interruptie, meneer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ja, voorzitter. De staatssecretaris heeft meerdere van mijn vragen
beantwoord in dit blokje, maar in vorige blokjes heb ik geen vragen
gesteld.
De voorzitter:
Tja, zo gaat het. Kiezen in schaarste; ook dat is politiek.
De heer Kisteman (VVD):
Dan zal ik de volgende keer wat minder ...
De voorzitter:
Het hoort bij dit vak. Ga uw gang.
De heer Kisteman (VVD):
Dat weet ik. De samenwerkingsverbanden: uit de praktijk blijkt dat als
zij bij hun wettelijke taken wel geld overhouden, dit wordt verdeeld
over de scholen. Dan zou er dus de mogelijkheid zijn om het in te kunnen
zetten voor onderwijshuisvesting. Maar dat is de vraag; de praktijk is
anders dan de theorie, die de staatssecretaris kent. Misschien wil ze
dat meenemen in haar overwegingen in tweede termijn.
Staatssecretaris Tielen:
Daar kom ik in tweede termijn op terug.
De heer Boomsma (JA21):
Is er nou voldoende rekening gehouden met de gestegen bouwkosten? Want
die zijn natuurlijk heel erg toegenomen. Ik vind dat op dit moment
lastig te zien in de gemeentefondsen. Wat is de indruk van de
staatssecretaris?
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind het lastig om daar een antwoord op te geven. Ik weet inderdaad
dat de sectorraden ... Als we kijken naar het bedrag dat in het
interdepartementaal beleidsonderzoek is genoemd, dat het wordt
geïndexeerd en hoe ze die bouwkosten doorberekenen, en het geld voor het
gemeentefonds ... Heel eerlijk, dat gaat echt een beetje buiten mijn
expertisegebied.
De voorzitter:
In elk geval ligt dat buiten deze wet, denk ik.
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
De heer Boomsma (JA21):
Dat denk ik niet, want dit gaat natuurlijk ook om de financiering van
onderwijshuisvesting en hoe je het organiseert. En een deel daarvan
loopt via het gemeentefonds, dus het is wel belangrijk om daar inzicht
in te hebben. Ik snap ook dat de staatssecretaris dat nu niet paraat
heeft, maar ...
Staatssecretaris Tielen:
Wat betreft het gemeentefonds: ik ben nooit woordvoerder gemeentefonds
geweest. Dat is natuurlijk een enorme bak aan data, zeg maar, op basis
waarvan jaarlijks de miljarden worden verdeeld over de 342 gemeenten.
Dus ja ...
De voorzitter:
En het is een Binnenlandse Zakenaangelegenheid.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is een Binnenlandse Zakenaangelegenheid.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u de beantwoording vervolgt tot aan de
amendementen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat is goed. Ik had één vraag over de administratieve lasten,
namelijk van de heer Claassen. Die zegt: het lijkt wel of er weer extra
regeldruk is in plaats van minder. Het punt is dat de betrokken partijen
dit wetsvoorstel zelf willen, dus zowel de sectorraden, en daarmee de
schoolbesturen, alsook de gemeenten, omdat het gaat bijdragen aan een
planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting. Heel veel
gemeenten en schoolbesturen zijn al bezig met die
huisvestingsprogramma's en onderhoudsprogramma's, dus het valt best wel
mee. En als je kijkt hoe er is gereageerd op het wetsvoorstel, zie je
nauwelijks aanvullende regeldruk. Om in ieder geval een handreiking te
doen naar gemeenten die hun integraal huisvestingsplan nog verder moeten
aanvullen, hebben we via het gemeentefonds ook voor die taakverzwaring
gecompenseerd. Er wordt dus jaarlijks geld toegevoegd aan de algemene
uitkering, zodat gemeenten daar daadwerkelijk uitvoering aan kunnen
geven. Ik zie meneer Claassen knikken.
Ik heb nog een aantal overige vragen, van onder anderen ook weer de heer
Claassen, over alles op alles zetten om de Nederlandse vlag op de
schoolgebouwen te krijgen. Ik wil echt gewoon aan schoolbesturen zelf
laten wat ze wel en niet doen met die uitingen op en in hun
schoolgebouwen. Ik hecht grote waarde aan die autonomie.
De heer Claassen vroeg ook om te voorkomen dat klimaat- en
duurzaamheidsdoelen ten koste gaan van andere doelen. Hij noemde dat
eigenlijk de "echte onderwijsprioriteiten". Ik heb al gezegd dat ook een
goed gebouw natuurlijk bijdraagt aan de kwaliteit van onderwijs, onder
andere aan de leerprestaties. Dat staat dus niet haaks op elkaar; het
heeft met elkaar te maken. De verduurzaming en het integraal aanpakken
van gebouwen biedt juist ook kansen om de onderwijsomstandigheden voor
zowel scholieren als personeel te verbeteren.
Meneer Kisteman vroeg naar de subsidie kleinescholentoeslag en de
aanpassing naar de dunbevolktheidstoeslag. Nu wordt die toeslag
uitgekeerd aan alle scholen met minder dan 150 leerlingen. We gaan dit
omvormen, en dan wordt deze uitgekeerd aan scholen in gemeenten met een
opheffingsnorm van minder dan 150. Het gaat dan over de
"leerlingdichtheid", wat ik eigenlijk een heel kil woord vind. Minder
leerlingen per school, zeg ik daarmee. Op die manier zorgen we dat
scholen die dat echt nodig hebben, extra geld krijgen. Ik ben bezig met
die update. Ik verwacht dat u voor de zomer daar nog even een update
over krijgt van mij.
De heer Kisteman vroeg ook naar de herziening van de Wet meer ruimte
voor nieuwe scholen. Dat is eigenlijk een heel ander onderwerp, maar als
we het hebben over huisvesting, denk je ook aan ruimte, dus ik snap ook
wel dat de heer Kisteman ernaar vraagt. Ook hierbij vraag ik nog even om
uw geduld. We zijn een beleidsbrief aan het voorbereiden waarin we
beschrijven hoe we aankijken tegen de Wet meer ruimte voor nieuwe
scholen en wat we daarmee willen doen. Daar komen we dus op terug.
Dan nog de vraag van de heer Ergin over De Binck in de Binckhorst, hier
vlakbij. Ik heb daar ook wat berichten over gezien. Als een school te
weinig leerlingen heeft, kan het inderdaad zo zijn dat een school geen
bekostiging meer krijgt. Dat heeft te maken met de verhouding tussen aan
de ene kant het aantal leerlingen en aan de andere kant de kwaliteit van
het onderwijs. Daar hebben we het wel vaker over gehad. Ik neem aan dat
we daar allemaal hetzelfde in zitten. Maar zoals de heer Ergin aanhaalt:
het moment nu en het moment over een jaar of twee zijn natuurlijk
allebei van belang voor dat soort regels. Als dat aan de hand is, kunnen
scholen een uitzondering krijgen op de regel door een verzoek in te
dienen bij DUO. Dat heeft De Binck ook gedaan, naar ik weet. Deze maand
krijgt de school daar een reactie op. Daar kan ik niet op vooruitlopen.
De heer Ergin vraagt om niet alleen naar de letter van de wet maar ook
naar de geest van de wet te kijken. Dan zijn dit typisch van die
gevallen waar DUO aandacht aan besteedt, om het goed te doen.
De voorzitter:
De amendementen.
Staatssecretaris Tielen:
De amendementen. Even kijken of ik dat op een ordentelijke wijze kan
doen. Als eerste het amendement op stuk nr. 8 van mevrouw Moorman, over
een zorgplicht voor schoolbesturen voor een gezond binnenklimaat. We
hebben daar net in de antwoorden al wat over gezegd. Ik ontraad dit
amendement. Ik snap wel wat mevrouw Moorman wil, maar zoals gezegd, een
zorgplicht zorgt echt voor grotere regeldruk. Het is onuitvoerbaar en
niet te halen. Dan voegt het weinig toe aan de bestaande wetgeving. In
de bouwregelgeving van Binnenlandse Zaken is al heel veel geregeld over
binnenklimaat, dus dan voegt het niks toe.
Het amendement op stuk nr. 9 is van meneer Ergin. "Een beetje haast
maken" zou de titel van dit amendement kunnen zijn. Toen de heer Ergin
daaraan refereerde in zijn inbreng, dacht ik: ja, ik snap wel wat hij
bedoelt. Ik vind het niet zo gek en volgens mij is het ook mogelijk, dus
dat amendement zou ik oordeel Kamer willen geven.
Ook het amendement op stuk nr. 10 is van de heer Ergin, over de
evaluatietermijn. Daarbij moet ik nog wat aanvullen. We hadden het net
al even over de evaluatie, maar er ligt een nota van wijziging om de
evaluatiebepaling in te voeren na vijf jaar. De heer Ergin zegt: doe het
na drie jaar, na zes jaar en daarna elke vijf jaar. Dat wil ik ontraden.
Volgens mij is drie jaar net te kort. Ik heb net gezegd dat ik het prima
vind om het IHP en ook het MJOP wat te versnellen. Dan doe ik het toch
weer met afkortingen. Maar dan heb je na drie jaar gewoon nog geen goed
beeld. Volgens mij moet je dat na vijf jaar doen. Dat amendement ontraad
ik dus.
Dan heeft de heer Ergin nog een amendement op …
De voorzitter:
Nog twee amendementen.
Staatssecretaris Tielen:
11 en 12. Het amendement op stuk nr. 11 gaat over een aantal aanvullende
normen in het integraal huisvestingsplan. In de antwoorden en net in het
interruptiedebatje zijn we daar natuurlijk al nader op ingegaan. Dat wil
ik ontraden. Ik vind het gewoon geen goed idee om in onderwijswetten
allerlei normen voor gebouwen op te nemen. Punt één, het past daar
eigenlijk niet. En punt twee, het is ook in andere wetgeving geregeld
hoe gebouwen er kwalitatief bij staan. Als het in een andere wet zit,
krijg je rechtsonzekerheid. Dan wordt het voor de mensen niet
overzichtelijker. Dat amendement ontraad ik dus.
De voorzitter:
Tot slot.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 12, over de landelijke monitoring, ontraad ik
ook. Ik heb natuurlijk net in de antwoorden wel toegezegd dat we op een
andere wijze dan het amendement nu precies voorschrijft, maar wel op
basis van de IHP's, kunnen terugkoppelen. Dat is op een andere manier
dan meneer Ergin voorstelt.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording in de eerste
termijn.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Let goed op. Ik stel voor om te schorsen tot 14.30 uur. Dan vindt er een
korte regeling van werkzaamheden plaats. Na de regeling van
werkzaamheden vindt de tweede termijn van de zijde van de Kamer plaats
bij de behandeling van deze wet. De vergadering is geschorst tot 14.30
uur.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting
Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Wijziging van diverse onderwijswetten voor een meer planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting in het primair en het voortgezet onderwijs (Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting) (36692).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Kisteman voor zijn tweede termijn, namens
de VVD.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Ik zal het heel kort houden omwille van de tijd. Ik wil de
staatssecretaris bedanken voor de beantwoording.
Middelen die bedoeld zijn voor het onderwijs, voor de kinderen, voor de
leraren, moeten niet besteed worden aan onderwijshuisvesting. Daar maken
wij ons zorgen over, maar daar komt de staatssecretaris in de tweede
termijn op terug. Wij zijn heel benieuwd hoe zij hiervoor gaat zorgen en
willen graag dat hierover duidelijkheid ontstaat.
Daar wil ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Claassen van de Groep
Markuszower.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. Ik heb drie moties, maar ik hou het zo kort mogelijk.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering bij de uitvoering, financiering en monitoring van
deze wet te zorgen dat minder rijksmiddelen en gemeentelijke middelen
worden ingezet voor (bovenwettelijke) klimaat- en duurzaamheidsdoelen in
onderwijshuisvesting en deze middelen in plaats daarvan te heralloceren
naar professionalisering en opleiding van leraren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 13 (36692) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering te bevorderen dat publieke kennis- en
onderwijsinstellingen structureel aandacht geven aan Nederlandse
voorbeeldfiguren op het gebied van wetenschap, innovatie en
ondernemerschap via zichtbare presentaties in gebouwen en
onderwijsprogramma's, dat nationale iconografie een zichtbare plaats
krijgt binnen publieke instellingen en dat excellente Nederlandse
prestaties structureel zichtbaarder worden gemaakt in het publieke
domein, en de Kamer hierover binnen een jaar te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 14 (36692) (#2).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering te bewerkstelligen dat iedere hogeschool en/of
universiteit de Nederlandse vlag hijst op en/of bij hun gebouwen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 15 (36692) (#3).
Dank u wel, meneer Claassen. Het woord is aan de heer Ergin van DENK.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank je wel. Ik dank de staatssecretaris voor haar
antwoorden en voor het goede debat dat we vandaag hebben gevoerd. Ik
denk dat we vandaag goed hebben beetgepakt waar het nou misgaat in het
onderwijshuisvestingsbeleid. Om dat te verbeteren heb ik al vier
amendementen ingediend. Ik wil daar nog drie moties aan toevoegen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er momenteel geen volledig en eenduidig beeld bestaat
van de kwaliteit van schoolgebouwen in Nederland;
constaterende dat het wetsvoorstel inzet op een meer planmatige aanpak
via het IHP, het integraal huisvestingsplan, maar dat inzicht in de
huidige kwaliteit van schoolgebouwen ontbreekt;
verzoekt de regering om voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet
een nulmeting uit te voeren van de kwaliteit van schoolgebouwen,
inclusief aspecten als bouwkundige staat, binnenklimaat en
energieprestatie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 16 (36692) (#4).
De heer Ergin (DENK):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er momenteel geen eenduidige en landelijke systematiek
bestaat om de kwaliteit van schoolgebouwen inzichtelijk te maken;
overwegende dat het ontbreken van uniforme indicatoren en meetmethoden,
terwijl het ibo onderwijshuisvesting juist het belang van systematische
monitoring benadrukt, gerichte verbetering bemoeilijkt;
verzoekt de regering om:
bij de ontwikkeling van de landelijke monitor onderwijshuisvesting te werken met uniforme en meetbare indicatoren, waaronder in ieder geval het binnenklimaat, de energieprestatie en de onderhoudsstaat van schoolgebouwen;
deze indicatoren te baseren op eenduidige, landelijk vastgestelde normen en meetmethoden;
in de monitor expliciet inzicht te geven in de voortgang van renovatie en nieuwbouw en de ontwikkeling van de kwaliteit van de gebouwenvoorraad,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 17 (36692) (#5).
De heer Ergin (DENK):
Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de
onderwijshuisvesting en hiervoor middelen ontvangen via het
gemeentefonds;
constaterende dat deze middelen niet geoormerkt zijn, waardoor gemeenten
beleidsvrijheid hebben in de besteding;
overwegende dat hierdoor onduidelijk is in hoeverre beschikbare middelen
daadwerkelijk worden ingezet voor de verbetering van schoolgebouwen,
waardoor ongelijkheid tussen gemeenten kan ontstaan;
verzoekt de regering om inzichtelijk te maken:
welke middelen gemeenten ontvangen voor onderwijshuisvesting via het gemeentefonds;
in hoeverre deze middelen daadwerkelijk worden besteed aan onderwijshuisvesting;
welke verschillen er bestaan tussen gemeenten in investeringen en kwaliteit van schoolgebouwen;
verzoekt de regering voorts om dit inzicht voor de volgende begroting
van het gemeentefonds aan de Kamer te doen toekomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 18 (36692) (#6).
De heer Ergin (DENK):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ergin. Dan is het woord aan mevrouw Moorman van
GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ook ik dank de staatssecretaris voor de antwoorden op de
vragen.
Toch ben ik teleurgesteld. Ik ben niet teleurgesteld in de
staatssecretaris, want zij kan er ook niet zo veel aan doen. Het is een
wet uit de vorige kabinetsperiode. Het is gewoon een wet die heel erg
weinig gaat verbeteren. Mijn zorg is echt dat we nu denken: o, we hebben
weer een nieuwe wet en dan laten we het hier even bij. Maar de staat van
onze onderwijshuisvesting verdient echt aandacht. Daarom zal ik zeer
zorgvuldig kijken naar het evaluatieamendement van de heer Ergin. Ik
denk echt dat we op korte termijn moeten evalueren en verdere stappen
moeten zetten.
Voorzitter. Ondanks de appreciatie breng ik het amendement over een goed
binnenklimaat in stemming. Dat is namelijk nu niet goed geregeld. Ik kan
me voorstellen dat die zorgplicht veel gedoe is, maar het is wel heel
erg noodzakelijk dat we zorgdragen voor het binnenklimaat in
scholen.
Ik heb vier moties, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat leerlingen met een beperking nog steeds veel obstakels
tegenkomen in het onderwijs, waaronder de toegankelijkheid van
schoolgebouwen;
overwegende dat het wenselijk is dat leerlingen met en zonder handicap
zo veel mogelijk samen naar school gaan in de eigen buurt;
van mening dat het schoolgebouw nooit de reden mag zijn dat een leerling
niet naar school kan;
constaterende dat Nederland zich in 2016 heeft gecommitteerd aan het
VN-verdrag Handicap, waarin staat dat mensen met een beperking
volwaardig mee moeten kunnen doen aan de samenleving, wat dus ook
toegang van schoolgebouwen betreft;
verzoekt de regering dat wettelijk wordt geregeld dat renovatie- en
nieuwbouwprojecten voldoen aan Europese normen voor toegankelijkheid en
dat bij tussentijds onderhoud toegankelijkheid altijd moet worden
meegenomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Westerveld.
Zij krijgt nr. 19 (36692) (#7).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat alle nieuwe publieke gebouwen vanaf 2028 emissieloos
moeten zijn en de bestaande voorraad publieke gebouwen in 2050 aan deze
norm moet voldoen;
overwegende dat een groot deel van de onderwijsgebouwen over verouderde
en energie-onzuinige labels beschikt of zelfs helemaal geen
geregistreerd label heeft;
overwegende dat er tussen scholen grote verschillen bestaan rondom
verduurzaming, wat leidt tot grote verschillen in luchtkwaliteit en de
hoogte van energierekeningen;
overwegende dat een verplicht energielabel scholen de noodzakelijke
transparantie biedt over de staat van het schoolgebouw, en
schoolbesturen en gemeenten stimuleert om te verduurzamen, wat leidt tot
een gezond leer- en werkklimaat en het behalen van klimaatdoelen;
verzoekt de regering om wettelijke maatregelen voor te bereiden waarmee
alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs uiterlijk vanaf 2030
verplicht over een geldig energielabel moeten beschikken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 20 (36692) (#8).
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Dan heb ik een motie over het omgaan met vierkante
meters.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de strikte omgang met de vierkante meters in het
onderwijs door schaarste in geld en ruimte ervoor kan zorgen dat de
belangrijkste functies voor goed en inclusief onderwijs, die echter niet
vallen onder de strikte definitie van onderwijs, zoals ruimte voor zorg,
brede talentontwikkeling en maatschappelijke ondersteuning, kunnen
worden weggedrukt;
verzoekt de regering om te stimuleren dat er in de integrale
huisvestingsplannen ruimte kan worden gegeven aan functies die scholen
beter en inclusiever maken, zoals bibliotheken, ruimte voor
maatschappelijke partners voor familieschoolconcepten, extra ruimte voor
inclusief onderwijs en brede talentontwikkeling en opvang,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Boomsma.
Zij krijgt nr. 21 (36692) (#9).
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Tot slot heb ik een motie over toiletten in schoolgebouwen, ook namens
mevrouw Van Brenk en de heer Boomsma.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting tot doel
heeft om schoolgebouwen toekomstbestendig, veilig en gezond te
maken;
constaterende dat uit onderzoek van het MDL Fonds blijkt dat bijna de
helft van de leerlingen niet of weinig naar het toilet gaat vanwege
gebrekkige hygiëne en onvoldoende privacy, wat leidt tot
gezondheidsklachten zoals buikpijn en verstopping;
overwegende dat er op dit moment geen landelijk beeld is van de staat
van en toezicht op schooltoiletten en dat de verantwoordelijkheden voor
de toiletten tussen scholen, schoolbesturen en gemeenten verdeeld
zijn;
verzoekt de regering een onderzoek uit te voeren naar de staat van
schooltoiletten, waarbij er onder andere wordt gekeken naar hygiëne en
onderhoud, privacy en afsluitbaarheid, sociale veiligheid en de
verdeling van verantwoordelijkheden tussen betrokken partijen, en de
Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling van 2027 te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Van Brenk en
Boomsma.
Zij krijgt nr. 22 (36692) (#10).
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank voor de coulance, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Kunt u voor de Handelingen bevestigen dat de motie op stuk
nr. 19 mede is ingediend door mevrouw Westerveld? Dat stond namelijk wel
op de motie, maar dat had u niet gezegd.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ja.
De voorzitter:
Dat is dan bij dezen bevestigd. Het woord is aan mevrouw Rooderkerk voor
haar inbreng namens D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan allen voor dit debat en aan de
staatssecretaris voor de beantwoording.
Ik denk dat het goed is dat we zowel dieper op de wet zijn ingegaan als
hebben nagedacht over wat er nog meer nodig is om te zorgen voor goede
en gezonde schoolgebouwen en betere leerplekken voor kinderen en
leraren. Ik ben blij met de toezeggingen die er zijn gedaan door de
staatssecretaris ten aanzien van het aan de slag gaan met de
publiek-private samenwerkingen, een landelijke aanpak naar voorbeeld van
Vlaanderen. Ook noem ik het doorgaan met de standaardisatie en het
ontwerpen van een bouwcatalogus, zodat we ook voor snelheid zorgen.
Daarnaast noem ik het stimuleren van de schoolbibliotheken. Daarop
verwachten we nog nader onderzoek. Ik denk ook dat het goed is dat we
deze wet spoedig evalueren, zodat we mogelijk nieuwe stappen kunnen
zetten. Ik zie een amendement op dat punt ook positief tegemoet.
Daarnaast had ik nog een vraag gesteld aan de staatssecretaris. Kan zij
wat meer inzicht geven dan tot nu toe in de beantwoording in de
budgetten die er naar schoolgebouwen gaan? We hebben ons nu namelijk
gebaseerd op cijfers uit 2019, uit het ibo dat toen is gedaan. Ik hoop
dat het mogelijk is om ook een actuele stand te krijgen van 2025, een
indicatie van wat gemeenten en scholen aan onderwijshuisvesting hebben
uitgegeven, evenals een overzicht van overige rijksmiddelen die daarvoor
beschikbaar zijn. De staatssecretaris noemde al de DUMAVA-gelden van 240
miljoen, waar scholen dus gelukkig goed gebruik van maken. Wellicht zijn
er nog andere middelen. Ik wil gewoon dat overzicht goed hebben.
Tot slot heb ik nog een motie ten aanzien van meer overzicht over
verduurzaming en het gezonde binnenklimaat. Dit is om te stimuleren dat
gemeenten en scholen daar echt gebruik van maken.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat schoolgebouwen een belangrijke bijdrage kunnen leveren
aan het behalen van klimaatdoelen;
overwegende dat duurzame schoolgebouwen, bijvoorbeeld door goede
isolatie en het gebruik van zonnepanelen, niet alleen bijdragen aan het
klimaat, maar ook leiden tot lagere energiekosten;
overwegende dat lagere energiekosten meer financiële ruimte creëren voor
de kwaliteit van het onderwijs en de ontwikkeling van leerlingen;
overwegende dat een gezond binnenklimaat van groot belang is voor het
welzijn, de concentratie en de leerprestaties van leerlingen en
leraren;
overwegende dat voor gemeenten en schoolbesturen het overzicht van
bestaande subsidies voor verduurzaming en een gezond binnenklimaat niet
overzichtelijk is;
verzoekt de regering te onderzoeken welke (aanvullende) mogelijkheden en
regelingen er zijn om de verduurzaming en de verbetering van het
binnenklimaat van nieuwbouw en bestaande schoolgebouwen te stimuleren,
en deze mogelijkheden en bestaande regelingen actief en breed bekend te
maken bij gemeenten en schoolbesturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 23 (36692) (#11).
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Boomsma namens JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de
beantwoording.
Ik had een aantal vragen en zorgen over deze wet. Gaat dit niet leiden
tot te veel administratieve lasten? Ik wil in ieder geval aan de
staatssecretaris vragen om, als er nadere zaken worden uitgewerkt, zoals
ministeriële regelingen over gegevensverzameling en dergelijke, ervoor
te zorgen dat die echt zo beperkt mogelijk blijven. Daar willen we graag
een toezegging op, want het wordt al snel te veel.
Ik wil me wel aansluiten bij het verzoek van mevrouw Rooderkerk om
duidelijker inzicht te krijgen in die verschillende vormen van
financiering. Ik heb het idee dat die DUMAVA-regeling juist nog niet
goed genoeg wordt gebruik en dat daar juist kansen liggen. Van wat ik
begrijp uit de evaluatie, lopen scholen en met name kleinere
schoolbesturen tegen drempels aan. Daarom heb ik ook de volgende
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat verduurzaming van schoolgebouwen leidt tot lagere
energiekosten, een beter binnenklimaat en doelmatigere inzet van
publieke middelen, en zeker gezien de stijgende energiekosten hogere
prioriteit verdient;
overwegende dat uit de evaluaties van de tranches van de DUMAVA-regeling
blijkt dat (kleine) scholen vaak tegen knelpunten aanlopen, waaronder
bureaucratische rompslomp, hoge kosten, advieskosten en
voorbereidingstijd;
verzoekt de regering te bevorderen dat middelen uit het Klimaatfonds,
zoals de DUMAVA-regeling, sneller, eenvoudiger en laagdrempeliger
beschikbaar worden gesteld voor de verduurzaming van schoolgebouwen en
daarbij in ieder geval de aanvraagprocedure voor scholen te
vereenvoudigen door bestaande belemmeringen voor scholen zo veel
mogelijk weg te nemen, en de Kamer hierover voor de
begrotingsbehandeling van OCW te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Moorman.
Zij krijgt nr. 24 (36692) (#12).
Dank u wel, meneer Boomsma. Tot slot is het woord aan mevrouw Raijer namens de PVV.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Wij blijven van mening dat als het geld nog
steeds naar het gemeentefonds gaat, dat het probleem niet oplost.
Sterker nog, het zal erger worden. Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ruim een kwart van de schoolgebouwen toe is aan
renovatie of nieuwbouw en dat volgens de PO-Raad circa 50% van de
schoolgebouwen verouderd is;
overwegende dat de middelen voor de onderwijshuisvesting niet geoormerkt
zijn en daardoor niet altijd bij de schoolgebouwen terechtkomen;
verzoekt de regering om de middelen voor onderwijshuisvesting voortaan
geoormerkt beschikbaar te stellen, zodat deze daadwerkelijk worden
ingezet voor de verbetering en vernieuwing van schoolgebouwen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 25 (36692) (#13).
Dank u wel. Ik schors tot 15.00 uur voor de beantwoording van de vragen en de appreciatie van de ingediende moties.
De vergadering wordt van 14.50 uur tot 14.57 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zie dat het volgende debat om ongeveer 15.00 uur is gepland, dus ik
denk dat u uw Kamerleden en mij zo meteen een compliment mag geven. Ik
denk namelijk dat ik redelijk rap door de appreciaties heen zal
gaan.
De voorzitter:
O, wat fijn, wat fijn. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Dank aan uw Kamer voor het goede debat. Ik denk dat we over heel veel
inhoudelijke techniek hebben gesproken, maar ook over het algemene
belang van schoolgebouwen voor leerprestaties en voor een veilige
onderwijsomgeving. De toezegging om met uw Kamer en alle gemeenteraden
die dat ook interessant vinden onderwijshuisvesting weer een sexy
onderwerp te maken, is gedaan.
Ik had nog een paar vragen openstaan in de eerste termijn waarvan ik heb
gezegd dat ik ze in de tweede termijn zou beantwoorden, dus bij dezen.
Dat waren er twee, waaronder de vraag van meneer Kisteman van de VVD.
Hij vroeg: hoe weten we nou zeker dat geld wel wordt besteed aan
onderwijs en niet aan onderwijshuisvesting als dat niet kan? Ik zei al
dat het over overschotten gaat. Het mooie is: wij hebben daar een
toezichthoudende instantie voor, de Inspectie van het Onderwijs, die nog
wat dieper kijkt in de — ik zeg het maar even huiselijk — boekhouding
van onderwijs. De inspectie kijkt dus ook of de bestedingen van scholen
daadwerkelijk naar het goede gaan. Via de Inspectie van het Onderwijs,
die daarop toezicht houdt, hebben wij grip op het doel en kunnen wij de
zorgen hopelijk in ieder geval tijdig signaleren als die er zijn, want
dan geeft de inspectie dat aan.
Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de voortgang van de Groeifondsprojecten in
relatie tot standaardisatie van de bouw van onderwijshuisvesting. De
aanpak onderwijshuisvesting bestaat uit drie delen: het Programma
Onderwijshuisvesting, het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting en "de
basis op orde", oftewel dit wetsvoorstel. Naar het innovatieprogramma
gaat bijna een half miljard euro. Mevrouw Rooderkerk vroeg: onderzoeken
jullie dat dan? Nou, eigenlijk doen we dat best wel modern. Er worden
gewoon een aantal dingen gemaakt en direct getest. Dan moet je denken
aan het gebundeld aanbesteden, waar we het al over hadden, of aan een
standaardprogramma van eisen, zodat het veel makkelijker is snel te
komen tot een programma van eisen. Op die manier willen we
standaardiseren en een hoop extra werk vereenvoudigen. In de volgende
reguliere jaarlijkse huisvestingsbrief, die in het derde kwartaal naar u
wordt gestuurd, zal ik daar nog wat meer woorden aan wijden.
Meneer Boomsma heeft een vraag gesteld over de administratieve lasten.
Wij hebben het vandaag een paar keer gehad over de proportionaliteit van
aan de ene kant heel veel opschrijven en aan de andere kant de vraag of
het ook een doel dient. Hij vroeg eigenlijk aan mij om zo beperkt
mogelijk extra administratieve lasten op te leggen. Dat kan ik
natuurlijk toezeggen. Ik wil graag toezeggen om toe te zien op een zo
slank mogelijke administratie, maar wel altijd doelmatig.
Voorzitter, de moties. De motie op stuk nr. 13 van meneer Claassen over
klimaat- en duurzaamheidsdoelen ontraad ik met verwijzing naar het debat
en de wet zelf. Ik denk dat we ook daarmee weer de administratieve
lasten zouden vergroten, maar dat is niet mijn belangrijkste reden om
die motie te ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 13: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 14: ook ontraden. Ik vind het sympathiek wat de
heer Claassen wil, maar ik denk niet dat het aan de regering is om daar
zo'n rol in te nemen. Daarom ontraad ik die motie.
Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 15 over de vlag, met
verwijzing naar het debat.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 16.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 16 van de heer Ergin over een nulmeting. Er is
recent een nulmeting uitgevoerd op bestaande onderzoeken. Die geeft een
algemeen inzicht in de kwaliteit van onderwijshuisvesting. Daaruit
krijgen we een best goed beeld. Als de heer Ergin ermee akkoord is om
dat algemene inzicht op die kwaliteit in beeld te brengen met behulp van
de nulmeting van het onderzoeksbureau SEO, dan kan die motie oordeel
Kamer krijgen.
De voorzitter:
Ik kijk of dat kan. Ja, meneer Ergin knikt. Daarmee krijgt de motie op
stuk nr. 16 met die interpretatie oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 17 gaat over de ontwikkeling van een landelijke
monitor. Ik herken heel goed wat meneer Ergin daarmee zou willen. We
zijn bezig om de impact van het Programma Onderwijshuisvesting te kunnen
beoordelen, ook met een monitor. Daar hebben we een aantal uniforme
indicatoren en gestandaardiseerde meetmethoden voor in ontwikkeling.
Daarmee kunnen we de kwaliteit van de gebouwenvoorraad en de voortgang
daarop inzichtelijk maken. Die motie krijgt dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 17: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 18 ontraad ik met verwijzing naar het debat. Het
lijkt me wel leuk om met meneer Ergin gewoon nog eens even te mijmeren
over de lokale politiek, maar dat terzijde.
De voorzitter:
Wij ontvangen daar graag een verslag van.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 19 van de leden Moorman en Westerveld over de
nieuwbouwprojecten en toegankelijkheid. In 2022 is een dergelijke motie
al ingediend. Die is afgedaan in 2025. Het is niet haalbaar om die extra
eisen aan de bouwregelgeving toe te voegen, omdat het hogere eisen zijn
en ze tot extra kosten leiden. Daar is op dit moment geen dekking voor.
Er zijn ten aanzien van onderhoud geen eisen met betrekking tot
toegankelijkheid. Doorlopende eisen zijn ook niet zo heel erg wenselijk,
omdat dit een uitzondering zou creëren voor schoolgebouwen ten opzichte
van andere gebouwen. Dat lijkt ons niet opportuun. Die motie ontraad ik
dus.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 19: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 20 ...
De voorzitter:
Ik stel voor om interrupties helemaal aan het einde van de beantwoording
van de staatssecretaris te doen. U vervolgt.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 20 over wettelijke maatregelen voor het
energielabel. Daar hebben we in het debat ook al bij stilgestaan,
waarbij ik ook verwees naar de Energy Performance of Buildings
Directive, een Europese richtlijn over duurzaamheidsmaatregelen. We zijn
nu bezig om die uit te werken voor maatschappelijk vastgoed in
Nederland, waaronder ook scholen. Ik zou die motie dus eigenlijk
"ontijdig" willen geven. De vraag is of mevrouw Moorman die motie kan
aanhouden, omdat we nu bezig zijn — ik niet, maar andere leden van het
kabinet wel — om die Energy Performance of Buildings Directive uit te
werken; dan kunnen we dat daarin meenemen.
De voorzitter:
Is mevrouw Moorman daartoe bereid? Ja?
Op verzoek van mevrouw Moorman stel ik voor haar motie (36692, nr.
20) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 21.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 21 van de leden Moorman en Boomsma over het
stimuleren van bibliotheken en dergelijke. Ik vind die motie eigenlijk
overbodig en zou 'm willen overnemen. Van bibliotheken ben ik sowieso
fan en die zitten ook in mijn portefeuille, dus dat is niet zo moeilijk.
Maar ik kan me ook die andere aspecten voorstellen en wil die motie
eigenlijk overnemen.
De voorzitter:
Ik kijk of er bezwaar is in de Kamer tegen het overnemen van de motie op
stuk nr. 21. Dat is niet het geval.
De motie-Moorman/Boomsma (36692, nr. 21) is overgenomen.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 22 over toiletten. Voorzitter, daar sta ik ietsje
langer bij stil, want het is vandaag 1 april. Het leuke is dat het
jeugdjournaal elk jaar een hele goede 1 aprilgrap heeft. Ik ben benieuwd
wat het dit jaar wordt. Tenminste, over het algemeen creëert die aardig
wat reuring. Maar liefst drie keer in het verleden, in de afgelopen 25
jaar, heeft het jeugdjournaal dat over toiletten gedaan. Het probleem
dat hier op tafel werd gelegd en dat ook door de Maag Lever Darm
Stichting is aangehaald, is heel herkenbaar voor heel veel scholen en
leerlingen. In 2002 was de grap dat het jeugdjournaal opende met het
bericht dat er camera's zouden worden geplaatst op toiletten in scholen
om te voorkomen dat ze kapot en vies werden gemaakt. In 2011 ging het
over een wereldrecordpoging en in 2014 ging het erover dat elke klas één
wc kreeg. Kortom, het onderwerp leeft, dus ik snap deze motie heel erg
goed. Ik voel er ook heel veel bij; dat begrijpt u al. De vraag is om
een onderzoek uit te voeren. Ik denk niet dat ik een heel Excelsheetje
ga maken, maar volgens mij is het goed om samen met het MDL Fonds en de
scholen een beetje in beeld te krijgen hoe erg het nou is. Ik ga geen
onderzoek doen, maar ik wil wel in gesprek om een soort van
inventarisatie te doen.
De voorzitter:
Wat betekent dat voor de appreciatie?
Staatssecretaris Tielen:
Dan wordt het oordeel Kamer, met deze lezing.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 22: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 23.
Interrupties doen we op het eind.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 23 van mevrouw Rooderkerk. In het debat hebben we
er al even bij stilgestaan. Ik heb gezegd dat het kenniscentrum
Ruimte-OK er is voor schoolbesturen en ruimten om ondersteuning te
krijgen bij de verduurzamingsopgave. Maar inderdaad, zoals door enkele
leden is genoemd: misschien weet niet iedereen die route te vinden.
Datzelfde geldt misschien wel voor de subsidie DUMAVA. Ook daar zou ik
niet een heel onderzoek naar willen doen, maar wel wil ik in gesprek met
gemeenten en schoolbesturen inventariseren welke belemmeringen er zijn
en wat er nodig is om beter de wegen en de route te vinden. In het
najaar kan ik daar in de brief waar ik eerder naar verwees wat nader op
ingaan, zodat ik ook met uw Kamer in overleg kan over wat er eventueel
extra nodig is.
De voorzitter:
Kan met die interpretatie worden geleefd? Dat is het geval.
Staatssecretaris Tielen:
Oordeel Kamer.
De voorzitter:
Daarmee krijgt de motie oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 24.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 24 van meneer Boomsma, ook over de DUMAVA-regeling.
De evaluatie van die regeling over de periode 2022 tot 2025 is eind
februari gepubliceerd. Die evaluatie zegt dat de schoolbesturen de weg
goed weten te vinden. Maar goed, in het verlengde van wat ik net deelde
in de reactie op de motie van mevrouw Rooderkerk, ben ik zeker wel
bereid om een aantal aandachtspunten die de heer Boomsma benoemt over de
aanvraagprocedure mee te nemen. Overigens ligt de verantwoordelijkheid
voor die regeling bij het ministerie van BZK, maar dat ontslaat ons niet
van de verantwoordelijkheid om de linkjes bij elkaar te leggen. Dit
betekent dat ik deze motie oordeel Kamer geef.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 24: oordeel Kamer. Tot slot.
Staatssecretaris Tielen:
Onder verwijzing naar het debat ontraad ik de motie van mevrouw Raijer
op stuk nr. 25.
De voorzitter:
Dank u wel. Er was nog een aantal vervolgvragen. Ik stel maximaal twee
vervolgvragen voor.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik heb ook gevraagd om een mogelijke toezegging over het in beeld
brengen van de middelen van gemeenten en scholen en ook de rijkspotjes
die naar schoolgebouwen gaan, en om die te actualiseren naar 2025. Onze
laatste overzichten zijn namelijk uit 2019.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, ik zal even kijken wat daar redelijk pragmatisch bij elkaar te halen
is, want er zijn natuurlijk diverse bronnen. Maar als het goed is dat ik
dit in de najaarsbrief meeneem, dan kan ik dat toezeggen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik sla niet gauw aan op moties van anderen, maar als het verzoek in de
motie op stuk nr. 22 is om onderzoek uit te voeren en dit helemaal wordt
omgebogen naar "ik ga geen onderzoek doen", zou de minister 'm eigenlijk
moeten ontraden. Nu krijgt de motie echter oordeel Kamer, terwijl het
dictum totaal overboord wordt gegooid. Ten tweede. Bij heel veel moties
wordt gezegd "daar gaan we niet over als overheid", en nu gaan we ons
bemoeien met dit onderwerp. Ik vind dat echt heel raar. We hebben
inspectie, we hebben ouderraden, we hebben de gemeentes die toezicht
houden en nu gaat de minister een onderzoek uitvoeren. Ik vind het echt
heel apart dat hier oordeel Kamer op wordt gegeven.
De voorzitter:
Dit gaat om de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
De staatssecretaris had al expliciet gemaakt dat het geen onderzoek werd
en dat stuitte meneer Claassen tegen de borst. Dat heb ik zelf ook
weleens gehad als Kamerlid. Dat snap ik best wel. Maar daarom maken we
expliciet dát — als ik de motie zo mag lezen. Volgens mij hebben we
dezelfde mening daarover. Maar met deze interpretatie geef ik de motie
oordeel Kamer.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, tot slot, voorzitter. Ik heb vorige week, na heel veel overleg met
het ministerie, een dictum omgebogen omdat het niet zo klonk als de
minister wilde. Mijn voorstel zou dus zijn: maak het dictum nu zo. Ik
denk namelijk dat het superbelangrijk is dat een dictum klopt met waar
we over gaan stemmen. Mijn verzoek aan de indiener, mevrouw Moorman, is
dus: schrijf het herziene dictum op en stuur de motie opnieuw in. Dan
kunnen we er gewoon netjes naar kijken.
De voorzitter:
Het laatste woord is uiteindelijk altijd aan de Kamer. Mevrouw Moorman,
wenst u hier nog op te reageren?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Het is een beetje verwarrend, want ineens ging meneer Claassen mij ook
vragen stellen.
De voorzitter:
U weet elkaar in de wandelgangen vast te vinden.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Precies. Heel veel dank voor de appreciaties van de staatssecretaris.
Wat fijn dat de toiletten eens geen 1 aprilgrap zijn, maar dat we die
echt serieus gaan nemen. Dat is hoogst noodzakelijk.
Ik heb nog een vraag over de motie op stuk nr. 19. Ik herken natuurlijk
dat het steeds niet gebeurt omdat er geen geld is, maar daardoor komen
we ook in een soort kip-eidiscussie. Ik heb dus meteen een
informatieverzoek voor de staatssecretaris: zou zij ons willen
informeren over wat precies de beperkingen zijn, zowel financieel als
misschien juridisch, zodat we kunnen kijken hoe we daar een mouw aan
kunnen passen?
Staatssecretaris Tielen:
Op informatieverzoeken moet ik altijd ja zeggen. De kans bestaat
natuurlijk dat die voor een groot deel terugverwijst naar de brief die
we daar in 2025 over hebben geschreven. Dat is dus een voorwaarschuwing.
Maar soms kan dat ook heel fijn zijn.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit debat over de Wet
planmatige aanpak onderwijshuisvesting. Ik dank de staatssecretaris voor
haar beantwoording in de tweede termijn en haar aanwezigheid.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Over de ingediende moties en het wetsvoorstel zal 14 april worden
gestemd. Ik schors een enkel ogenblik, waarna we verdergaan met het
debat over de vervolging van christenen wereldwijd.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.