Verslag van een schriftelijk overleg over het verslag van de IMF jaarvergadering G20 en CFMCA (Kamerstuk 26234-315) en de geannoteerde agenda voor de voorjaarsvergadering van het IMF (Kamerstuk 26234-317)
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D17166, datum: 2026-04-10, bijgewerkt: 2026-04-10 17:19, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën (PVV)
- Mede ondertekenaar: R.A. van der Steur, adjunct-griffier
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij het Verslag van een schriftelijk overleg over het verslag van de IMF jaarvergadering G20 en CFMCA (Kamerstuk 26234-315) en de geannoteerde agenda voor de voorjaarsvergadering van het IMF (Kamerstuk 26234-317)
Onderdeel van zaak 2026Z07660:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
II Reactie van de minister van Financiën
Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, VVD, PVV, CDA en BBB inzake de geannoteerde agenda voor de Voorjaarsvergadering van het International Monetair Fonds 2026. Bij de beantwoording is de volgorde van het schriftelijk overleg aangehouden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de voorjaarsvergadering van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), alsmede de inzet van Nederland bij de G20 en de Coalition of Finance Ministers for Climate Action. Deze leden ondersteunen de inzet om in turbulente geopolitieke periodes actief bij te dragen aan de internationale financiële architectuur, duurzame groei en klimaatactie. Ze hebben hierover enkele vragen.
De leden van de D66-fractie constateren dat Nederland tijdens de CFMCA-bijeenkomst het co-voorzitterschap overdraagt aan Kroatië en Oeganda. Deze bijeenkomst is een van de weinige multilaterale platforms waar ministers van Financiën direct samenwerken aan klimaatambities. Deze leden hechten hieraan groot belang, zeker gezien het toenemende belang van, en druk op, het klimaatbeleid. Hoe zorgt de minister dat de huidige geopolitieke spanningen niet leiden tot verlies van ambitie of momentum binnen de CFMCA? Welke mogelijkheden ziet hij voor de EU om weerbaarder te worden tegen schommelende energieprijzen?
De CFMCA is een niet-bindend forum waar ministers en vertegenwoordigers van ministeries van Financiën kennis en ervaringen uitwisselen over verschillende aspecten van klimaatactie, inclusief macro-economische, financiële en fiscale beleidsonderwerpen. Tijdens de ministeriële bijeenkomsten en marge van de IMF/Wereldbank voorjaars- en jaarvergaderingen, kunnen de ministers in besloten gezelschap uitwisselen over relevante klimaatonderwerpen zoals economische groei, werkgelegenheid, en concurrentievermogen. Als co-voorzitter heb ik mij ingespannen voor een open en constructieve discussie tussen ministers. Tijdens de openingsceremonie van de 15e ministeriële bijeenkomst zal Nederland het driejarige co-voorzitterschap aan Kroatië overdragen. Ik ben ervan overtuigd dat Kroatië een sterke opvolger is die deze praktijk van een constructieve uitwisseling van ervaringen tussen ministers zal voortzetten. In aanvulling op ministeriële uitwisseling, vinden er op technisch niveau kennisdeling, capaciteitsopbouw en uitwisseling van praktische ervaringen plaats op relevante onderwerpen, aangedragen door de leden, zoals de impact van adaptatiefinanciering op schuldhoudbaarheid. Als forum dat wordt gedreven door de leden, draagt de CFMCA bij aan constructieve uitwisseling tussen landen, en daarmee aan het aanjagen van momentum voor klimaatactie en de ondersteunende rol van ministeries van Financiën daarbij.
De EU is als netto-importeur van energie kwetsbaar voor prijsschommelingen op de mondiale energiemarkt. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om hier weerbaarder op te worden. In lijn met het coalitieakkoord zet het kabinet in op schone energie van eigen bodem. Het kabinet neemt hiervoor meerdere maatregelen. Ten eerste investeert het kabinet fors in de opschaling van schone energie, waaronder wind op zee en kernenergie. Om gebruik te kunnen maken van deze nieuwe capaciteit in plaats van geïmporteerde fossiele energie, zet het kabinet in op elektrificatie van eindverbruikers en heeft het aanpakken van netcongestie de allerhoogste prioriteit. Daarnaast zet het kabinet in op energiebesparing. Immers, we hoeven energie die we niet gebruiken, ook niet te produceren, importeren, transporteren of betalen. Ook wordt ingezet op diversificatie van energiebronnen, onder meer door inzet op voldoende LNG-importcapaciteit.
In de EU zet Nederland in op maatregelen waardoor de energieprijzen structureel lager worden, onder meer door het versterken van de interne energiemarkt via betere energieverbindingen tussen lidstaten waarover nu onderhandelingen lopen in het Grids Package. Ook wordt ingezet op het versterken van prikkels voor flexibele vraag, zodat pieken in elektriciteitsprijzen kunnen worden gedempt. Verder ondersteunt Nederland instrumenten die de vraag naar hernieuwbare energie stimuleren door middel van langetermijncontracten tussen producenten en gebruikers via Power Purchase Agreements (PPA’s) en Contracts for Difference (CfD’s). Daarnaast draagt een goed functionerende markt, waarin vraag en aanbod samenkomen, bij aan leveringszekerheid en een efficiënte prijs. Verregaande ingrepen op de werking van de energiemarkt, bijvoorbeeld door aanpassingen aan het elektriciteitsmarktontwerp, het instellen van prijslimieten, het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit of een infra-marginale elektriciteitsheffing beziet Nederland kritisch.
De leden van de D66-fractie lezen dat ministers ervaringen uitwisselen over raakvlakken tussen klimaatactie, economische groei en concurrentievermogen. Kan de minister concretiseren welke resultaten hij beoogt te bereiken met betrekking tot groene investeringen en klimaatfinanciering voor kwetsbare landen? Kan de minister aangeven welke concrete stappen hij binnen de CFMCA gaat zetten om financiële prikkels voor fossiele brandstoffen af te bouwen en hoe deze zich verhouden tot de stappen die hij gaat zetten binnen de EU?
De CFMCA is een niet-bindend forum van ministers van Financiën. Er zullen tijdens de ministeriële bijeenkomsten geen concrete financiële toezeggingen worden gedaan. Door de uitwisseling tussen ministers van Financiën met verschillende economische, regionale en geografische achtergronden, kan geleerd worden van elkaars ervaringen. Tijdens de komende 15e ministeriële bijeenkomst zal het strategisch werkprogramma 2026-2028 naar verwachting worden aangenomen. Hierin is er specifieke aandacht voor klimaatfinanciering door inzet op onder andere het verbeteren van schuldhoudbaarheid, beleidshervormingen voor het aantrekken van privaat kapitaal, en het creëren van fiscale ruimte door het herbestemmen van fossiele voordelen ten bate van de duurzame transitie.
Tijdens deze ministeriële bijeenkomst zal ik het co-voorzitterschap overdragen aan Kroatië. Ik zal constructief blijven bijdragen aan de ministeriële bijeenkomsten van het forum, die tweemaal per jaar plaatsvinden en marge van de IMF/Wereldbank vergaderingen. Het thema van ministeriële bijeenkomsten is aan de opvolger(s). In eventuele toekomstige discussies over fiscale voordelen voor fossiele brandstoffen is de Nederlandse ervaring relevant met onder andere het nauwkeurig in kaart brengen van fossiele voordelen bij de Miljoenennota en het opstellen van een initieel uitfaseerplan voor fossiele voordelen.
Onder het Nederlandse co-voorzitterschap heeft in 2024 een informele sessie plaatsgevonden waar verschillende landen hun ervaringen met het uitfaseren van fossiele voordelen hebben gedeeld. Als uitkomst van deze sessie is een policy note ontwikkeld met beleidsaanbevelingen en concrete casussen.1 Het kabinet blijft zich inzetten voor het afbouwen van financiële prikkels voor fossiele brandstoffen, en doet dit zoveel mogelijk in Europees verband.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat klimaatverandering en fossiele afhankelijkheid structurele uitdagingen vormen voor macro-economische en financiële stabiliteit. Ze zijn enthousiast over de inzet op het behoud van klimaatsurveillance binnen het IMF, maar vragen zich af of dit voldoende is gezien de druk van onder andere de VS om vooral naar financiële stabiliteit te kijken. Hoe verhoudt de Nederlandse inzet om klimaatrisico’s binnen de IMF-surveillance te behouden zich tot de positie van de VS?
Het mandaat van het IMF is om de mondiale financiële stabiliteit en economische groei te bevorderen. In het kader van de Comprehensive Surveillance Review (CSR) wordt momenteel gesproken over welke thema’s voldoende macro-relevant zijn om blijvende aandacht van het IMF te verdienen. Nederland steunt deze exercitie, onder andere omdat een alsmaar uitdijend mandaat tot onnodige bureaucratie en onvoldoende focus op de kerntaken kan leiden.
Nederland vindt, net als veel andere leden, dat klimaatverandering significante en groeiende gevolgen heeft voor de vier kernthema’s van het IMF: begrotingsbeleid, monetair beleid, wisselkoersen en de financiële stabiliteit. Dat is ook waarom het IMF sinds de vorige CSR klimaatverandering als macro-critical beschouwt. Aangezien er geen wezenlijke veranderingen zijn in de ernst van de klimaatproblematiek of de economische gevolgen daarvan, ligt het voor de hand dat het IMF relevante klimaatontwikkelingen blijft verwerken in onder andere de surveillance. Sommige leden, waaronder de Verenigde Staten (VS), zijn hier minder van overtuigd.
Uiteindelijk moet het IMF toewerken naar een overeenkomst die bevredigend is voor het merendeel van het lidmaatschap. Alhoewel de VS over veel stemgewicht beschikt, vormen de landen die voor het behoud van klimaatsurveillance pleiten ook een groot en invloedrijk blok. Nederland zal — in bilateraal en multilateraal verband — blijven beargumenteren dat klimaatverandering binnen het mandaat van het IMF valt.
De leden van de D66-fractie constateren dat de Caribische landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint-Maarten) bijzonder kwetsbaar zijn voor klimaatverandering. Op welke wijze wordt de specifieke klimaatagenda van het Caribisch deel van het Koninkrijk ingebracht tijdens de vergaderingen van het IMF en de CFMCA?
Nederland vraagt binnen het IMF aandacht voor de financieel-economische noodzaak van klimaatweerbaarheid in kwetsbare landen. Nederland benadrukt bijvoorbeeld dat klimaat een dusdanige financieel-economische impact heeft die relevant is voor de macro-economische en financiële stabiliteit in veel landen, dat het onderdeel moet blijven van de surveillance-functie van het IMF. Bij bilaterale surveillance doet het IMF via zogenaamde Artikel-4 rapporten beleidsaanbevelingen aan landen op basis van een diepgaande analyse van economische en financiële ontwikkelingen in het land. De Nederlandse vertegenwoordiger bij het IMF behartigt ook de belangen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, bijvoorbeeld in de context van de regelmatige Artikel-4 rapporten met analyses en aanbevelingen uit voor de Caribische landen van het Koninkrijk, en bij technische assistentie die onder meer door het regionale centrum voor het Caribische gebied (CARTAC) verleend wordt.2 Specifiek voor Aruba heeft het IMF als bijlage van het recente Artikel IV rapport een analyse geschreven over zeespiegelstijging en klimaatadaptatie in Aruba.3
Ook wonen ministers van Financiën en centralebankpresidenten van de
Caribische landen van het Koninkrijk zelf de voorjaars- en
jaarvergaderingen van het IMF regelmatig bij.
Aruba is sinds september 2025 lid van de CFMCA en is uitgenodigd om deel te nemen en te interveniëren tijdens de ministeriële bijeenkomst van de CFMCA en marge van de voorjaarsvergadering om de klimaatagenda van Aruba onder de aandacht te brengen. De duurzame transitie en het versterken van adaptatiemaatregelen en weerbaarheid is een uitdaging voor de eilanden. De CFMCA is een waardevol forum voor Aruba en de andere eilanden om met verschillende landen kennis en ervaringen te delen.
Het IMF verstrekt momenteel tegelijkertijd grote programma's aan Oekraïne én Argentinië. Beide landen vergen enorme financiële middelen van het Fonds. Heeft het IMF voldoende buffers om ook toekomstige crises op te vangen, zo vragen de leden van de D66-fractie. Wat doet Nederland om de kapitaalpositie van het fonds te versterken?
Het IMF heeft voldoende buffers om toekomstige crises op te vangen. Naast het permanente kapitaal (quota), beschikt het IMF ook over tijdelijke leenovereenkomsten die worden gefinancierd door een subgroep van met name ontwikkelde economieën waar Nederland onderdeel van uitmaakt. De totale middelen van het IMF bedragen bijna een biljoen SDR’s (ruim EUR 1.150 miljard) en de totale leencapaciteit van het IMF bedraagt ongeveer SDR 690-695 miljard (ruim EUR 800 miljard). Ter vergelijking, het IMF heeft momenteel bij veruit de grootste debiteur Argentinië SDR 41,8 miljard uitstaan, gevolgd door Oekraïne met SDR 10,9 miljard. In totaal heeft het IMF SDR 121 miljard aan leningen uitstaan.4
Om de kapitaalpositie van het IMF te versterken, neemt Nederland deel aan de verschillende tijdelijke leenovereenkomsten van het IMF: de zogenaamde New Arrangements to Borrow en de Bilateral Borrowing Agreements. Bovendien heeft Nederland in het kader van de 16e quotaherziening in 2024 ingestemd met een verhoging van 50% van het permanente kapitaal van het IMF, die wordt gecompenseerd door een afbouw van de tijdelijke leenovereenkomsten. De 16e quotaherziening wordt pas geïmplementeerd als voldoende lidstaten hebben ingestemd, maar tot die tijd worden tijdelijke leenovereenkomsten op peil gehouden.5
De financiële positie en de reserves van het IMF worden regelmatig besproken in de Raad van Bewind van het IMF.
De leden van de D66-fractie constateren dat artificiële intelligentie een prominente plek inneemt in de economische analyses van het IMF. Enerzijds stimuleert AI de groei, anderzijds waarschuwt IMF voor overwaardering van AI-aandelen en groeiende schuldenfinanciering van AI-investeringen. Hoe zorgt Nederland dat de EU-aanpak van AI-regulering en verantwoorde technologieontwikkeling op de agenda blijft?
Een technologie kan alleen goed ingebed raken in de economie als de
randvoorwaarden op orde zijn en er publiek vertrouwen is in het gebruik
van de technologie. AI-regulering, specifiek de Europese AI-verordening,
is een belangrijk middel om te garanderen dat AI veilig en betrouwbaar
is.
Het kabinet werkt op dit moment aan de inrichting van het toezicht op de
AI-verordening, zodat de eisen effectief gehandhaafd kunnen worden. Op
nationaal en Europees niveau worden de ontwikkelingen op het gebied van
AI gemonitord om snel in te kunnen spelen op onwenselijke
ontwikkelingen. Het AI Bureau van de Europese Commissie speelt hier een
belangrijke rol in.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de voorjaarsvergadering van het IMF van 13 -18 april 2026 en hebben daarover de volgende vragen.
De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over het wereldwijde begrotingslandschap. Het IMF zelf wijst op aanhoudend hoge tekorten bij grote economieën. Zo hebben de VS een tekort van circa 5 à 6 procent BBP en ook binnen Europa lopen de schulden op door aanzienlijke tekorten. Tegelijk staan overheden voor dringende extra uitgaven op het terrein van defensie, klimaat en vergrijzing. Deze leden delen de analyse van het IMF dat landen zich minstens moeten committeren aan consolidatie op de middellange termijn en willen graag van de minister weten hoe hij de ontstane realiteit met hoge begrotingstekorten van vele landen beoordeelt vanuit het perspectief van begrotingsdiscipline. Ook willen deze leden de minister vragen of hij ervan overtuigd is dat de leden van het IMF en van het IMFC werkelijk bereid zijn om begrotingsdiscipline serieus na te streven of dat het bij vrijblijvende verklaringen blijft? Daarnaast: welke consequenties kan het IMF aan lidstaten die, ondanks de aanbevelingen van het IMF structureel tekort schieten, opleggen en in hoeverre gebeurt dat dan ook?
Het IMF voorziet voor de VS begrotingstekorten voor de VS van 7,5%, 7,3% en 7,5% van het bbp voor respectievelijk 2026, 2027 en 2028, na een tekort van 6,8% in 20256. Ook diverse andere landen kampen met aanhoudende tekorten boven de 3% bbp, terwijl er dringende begrotingsuitdagingen zijn voor de langere termijn op het terrein van defensie, klimaat en vergrijzing. In lijn met het IMF onderstreep ik het belang van het versterken van begrotingsbuffers en het waarborgen van schuldhoudbaarheid. Dit betekent dat politieke keuzes nodig zijn, bijvoorbeeld door herprioritering van uitgaven of grondslagverbreding van belastingen, en door structurele hervormingen die de uitgavengroei op lange termijn in toom houden.
De bereidheid van de leden van het IMF om begrotingsdiscipline serieus na te streven verschilt in de praktijk per land. Tijdens bijeenkomsten van het IMFC wordt doorgaans het belang van begrotingsdiscipline onderstreept. Desondanks zijn de concrete gevolgen van deze verklaringen afhankelijk van de politieke en economische situatie van de betrokken leden. IMF-aanbevelingen in het kader van de analyse van mondiale en nationale economische en financiële ontwikkelingen (de surveillance-functie van het IMF) zijn vrijblijvend.
Aan landen met een IMF-programma worden voorwaarden gesteld (conditionaliteiten). Typische voorwaarden bij een programma-land met een te hoog begrotingstekort zijn het versterken van de begrotingsdiscipline en het terugdringen van het begrotingstekort. Als een programma-land niet aan alle voorwaarden voldoet kan de Raad van Bewind van het IMF besluiten om verdere uitkeringen van de lening op te schorten. Bij aanhoudend niet voldoen aan de voorwaarden kan een programma worden stopgezet.
De leden van de VVD-fractie zien graag dat Nederland in Washington geen passieve rol vervult, maar juist een actieve, leidende rol op zich neemt in een kopgroep van gelijkgezinde landen, bij voorkeur met andere westerse middelgrote open economieën, om zodoende via het IMFC begrotingsdiscipline expliciet en stevig op de agenda van het IMF te zetten en te houden. In hoeverre ziet de minister daar mogelijkheden toe?
De crises van de afgelopen jaren — van de coronapandemie tot de Russische invasie van Oekraïne en de oorlog in het Midden-Oosten — hebben aangetoond dat grote schokken nu vaker voorkomen. In de context van al hoge mondiale schulden, pleit dit voor het waarborgen van schuldhoudbaarheid en het opbouwen van buffers. Overheden moeten alleen steunmaatregelen invoeren als deze noodzakelijk zijn, en deze zo efficiënt mogelijk vormgeven.
Ik deel het belang dat de VVD-fractie hecht aan begrotingsdiscipline. Tijdens de IMFC-vergaderingen zal ik daarom blijven benadrukken dat begrotingsdiscipline een prominent agendapunt moet zijn en blijven voor het IMF.
Nederland werkt hierin in IMF-verband nauw samen met gelijkgezinde landen, waaronder andere open economieën als België, Zwitserland en Zweden. Onder meer met deze landen zoekt Nederland actief de samenwerking om gezamenlijk onze positie te versterken en meer invloed uit te oefenen. Ik zie hierin dan ook mogelijkheden om onder Nederlandse inzet een leidende rol te pakken en zal dat actief blijven doen binnen de relevante IMF-verbanden.
De leden van de VVD-fractie zien dat energieprijzen oplopen door het conflict in het Midden-Oosten en de afsluiting van de Straat van Hormuz. Amerikaanse importheffingen verstoren mondiale handelsketens en drijven de kosten op. Tegelijk voeren grote economieën, met de VS aan kop, ruim begrotingsbeleid dat de vraagzijde van de economie kunstmatig aanjaagt. De combinatie van aanbodschokken én vraagstimulering is, volgens de leden van de VVD-fractie, een klassiek recept voor een inflatieschok en zij maken zich hier ernstig zorgen over. Het IMF heeft hier een belangrijke rol; als onafhankelijke instelling moet het zijn leden juist confronteren met financiële keuzes die de inflatie aanjagen. Hoe duidt de minister de effectiviteit van de IMF-adviezen op het terrein van financieel en monetair beleid om de inflatie te beteugelen? In hoeverre vindt het IMF in zijn aanbevelingen gehoor bij centrale banken en ministeries van Financiën? Wat is de Nederlandse inzet om te zorgen dat de aanbevelingen van het IMF ook daadwerkelijk ter harte worden genomen door die centrale banken en ministeries van financiën?
Het IMF benadrukt het belang van passende en gerichte maatregelen, op basis van de behoefte van landen, ook in de context van beperkte begrotingsruimte en al hoge schuldniveaus. Daarnaast adviseert het IMF centrale banken over afwegingen bij de beleidsreactie op een tijdelijke aanbodschok die mogelijk wel kan doorwerken in inflatieverwachtingen. Veel centrale banken en ministeries van Financiën herkennen zich in deze adviezen. Desondanks kan politieke druk ontstaan om mogelijk koopkrachtverlies voor huishoudens te compenseren en geraakte bedrijven te ondersteunen. Nederland zal het belang onderschrijven van prudent begrotingsbeleid en gericht, tijdelijk, tijdig en transformatief begrotingsbeleid, waarbij prikkels voor afbouw van fossiele brandstoffen overeind blijven.
In bredere zin pleit Nederland, onder andere in het kader van de Comprehensive Surveillance Review (CSR), voor hervormingen die ervoor zullen zorgen dat de tractie van IMF-beleidsadviezen wordt verbeterd. Dit zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er meer aandacht wordt besteed aan de lokale omstandigheden, zonder dat het IMF haar rol als onpartijdig en eerlijke adviseur loslaat.
De leden van de VVD-fractie zien een toenemend risico op een combinatie van stagnerende groei en hoge inflatie; de zogenaamde stagflatie. De jaren zeventig hebben laten zien wat er gebeurt als overheden te lang wachten met reageren: een pijnlijke recessie die veel schade aanricht. De huidige cocktail van geopolitieke schokken, handelsverstoring, hoge schulden en expansief beleid vertoont zorgwekkende gelijkenissen met die periode. De leden van de VVD-fractie willen dat Nederland in het IMFC actief vraagt welke scenario's het IMF uitwerkt voor een stagflatoire omgeving en welke beleidsopties lidstaten dan ter beschikking staan. Is het IMF voldoende uitgerust om dit risico tijdig te signaleren? De Comprehensive Surveillance Review die op dit moment loopt biedt daarvoor een opening.
De leden van de VVD-fractie vragen de minister ook om bij zijn collega's en bij de IMF-staf te polsen hoe groot zij het risico op stagflatie inschatten en of er consensus bestaat over de urgentie. Gezien de politieke druk op centrale bankiers in met name de VS om rentes eerder te verlagen, vinden deze leden het belangrijk dat het IMF publiekelijk de onafhankelijkheid van centrale banken verdedigt.
Het IMF beschikt over een omvangrijke en kundige economische staf. Ook zijn bijna alle landen lid van het Fonds, waardoor de instelling een wereldwijd bereik heeft. Het IMF is daarom bij uitstek in staat om stagflatoire en andere risico’s te signaleren, en om de leden te adviseren over de benodigde beleidsrespons.
Het IMF adviseert landen ook om te gaan met negatieve aanbodschokken, zoals een olieprijsschok en handelstarieven. Daarbij geldt dat deze schokken ook vraageffecten hebben: zo kunnen tarieven de vraag voor importgoederen verlagen en kan een olieprijsschok tot vraagaanpassing leiden.
Een les van de stagflatie in de jaren ’70 en de energiecrisis in 2022 is dat het risicovol is als een negatieve aanbodschok gecombineerd wordt met een positieve vraagschok. In de jaren ’70 leidde stimuleringsbeleid tot langdurig hoge inflatie, hoge nominale rentes, en hoge schulden. De energiecrisis ging gepaard met de positieve vraagschok van de heropening van economieën na de pandemie, wat ook tot langdurig verhoogde inflatie leidde. Het IMF adviseert lidstaten nu om terughoudend te zijn met stimuleringsmaatregelen, mede gezien de al hoge publieke schuldniveaus, en stelt dat eventuele maatregelen tijdelijk en gericht moeten zijn.
In o.a. de vergaderingen van het International Monetary and Financial Committee (IMFC), het hoogste politieke adviesorgaan van het IMF, zullen de leden stilstaan bij de belangrijkste economische ontwikkelingen en risico’s. Een belangrijke basis voor deze gesprekken zijn de scenario’s die het IMF heeft uitgewerkt.
Het IMF is ook uitgesproken over het belang van onafhankelijke centrale banken — ook in de VS. Zo heeft het Fonds bijvoorbeeld recent in haar jaarlijkse analyse van de Amerikaanse economie, het zogenaamde Artikel IV-rapport7, gerefereerd aan de potentieel negatieve gevolgen van ontwikkelingen die de onafhankelijkheid van de centrale bank (en andere relevante instellingen) zouden kunnen ondermijnen. Nederland vindt het belangrijk dat het IMF zonder vrees of voorkeur de wereldeconomie blijft surveilleren.
Nederland zit de kiesgroep voor waar Oekraïne deel van uitmaakt. De leden van de VVD-fractie vinden dat dit de minister een verantwoordelijkheid geeft om de Russische agressieoorlog en de effecten daarvan op de Europese en mondiale financiële stabiliteit expliciet te benoemen in het IMFC. De leden van de VVD-fractie willen graag van de minister weten of hij die verantwoordelijkheid voelt en, zo ja, welke mogelijkheden hij ziet om via het IMF die effecten te laten onderzoeken en het IMF met aanbevelingen te laten komen. In hoeverre denkt de minister gehoor voor deze lijn bij andere kiesgroepen en IMFC-leden te vinden?
Sinds het uitbreken van de oorlog vraagt Nederland, samen met andere landen, bij de Raad van het Bewind van het IMF en het IMFC, het hoogste politieke adviesorgaan van de instelling, aandacht voor de mondiale macro-economische gevolgen van Russische agressieoorlog in Oekraïne. Het blijft een grote rem op economische groei en financiële stabiliteit, en verergert bijvoorbeeld de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten. Zonder de oorlog zouden bijvoorbeeld de energie- en kunstmestmarkten veerkrachtiger zijn geweest, zouden de ODA-stromen sterker zijn geweest en zouden beleidsmakers meer begrotingsruimte hebben gehad.
Net als tijdens voorgaande vergaderingen van het IMFC, zal het Koninkrijk zich, als onderdeel van de kiesgroep waar Oekraïne ook deel van uitmaakt, inzetten voor een adequate verwijzing naar de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de mondiale economische impact daarvan in de gezamenlijke slotverklaring van het IMFC.
Het IMF brengt in het kader van de surveillancetaak de economische effecten van de oorlog voor de mondiale economie, Europa én voor Oekraïne zelf, in kaart. Zo heeft het IMF consequent in haar rapporten gesteld dat de oorlog in Oekraïne de wereldeconomie afremt en heeft geleid tot hogere inflatie, vooral door duurdere energie en voedsel. Ook de tweede orde effecten, zoals de hogere rentes en defensie-uitgaven, hebben mondiale gevolgen. Dit komt bovenop de aanzienlijke en blijvende economische onzekerheid. Hoewel de economische gevolgen vlak na het uitbreken van de oorlog uitgebreider werden meegenomen in de analyses, neemt het IMF nog altijd oorlogen en conflicten mee in de economische ramingen. Zo bracht het IMF op 8 april jl. een analytisch hoofdstuk uit van de nieuwste World Economic Outlook over de economische verliezen die oorlogen en conflicten veroorzaken, constaterend dat die moeizaam te herstellen zijn. Dit hoofdstuk bevat een analyse van de economische impact van de oorlog in Oekraïne.8
De leden van de VVD-fractie constateren dat de 17e quotaherziening op de agenda staat. Opkomende economieën, zoals China, kunnen hierdoor meer stemrecht krijgen in het IMF ten koste van Europese en Nederlandse stemrechten. Met welke insteek benadert de minister dit agendapunt en is hij bereid op te brengen dat een groter aandeel voor China gepaard moet gaan met meer Chinese transparantie en conformiteit aan IMF-beleid?
De Nederlandse positie is dat het quota-aandeel van ondervertegenwoordigde opkomende economieën zoals China beperkt zou mogen stijgen, zolang dit plaatsvindt op basis van een eerlijke verdeling onder oververtegenwoordigde landen.
Nederland is inderdaad van mening dat een eventuele verhoging van quota gepaard zou moeten gaan met het nemen van verantwoordelijkheid binnen het multilaterale systeem en specifiek binnen het IMF. Nederland zet zich hier samen met andere gelijkgezinde landen voor in, bijvoorbeeld bij de onderhandelingen over de zogenaamde Diriyah Guiding Principles. Deze principes worden opgesteld om richting te geven aan toekomstige besprekingen over IMF-governance en quota. De uiteindelijke versie van de Diriyah Guiding Principles zullen in het verslag van de voorjaarsvergadering worden bijgevoegd, na goedkeuring door het IMFC tijdens de voorjaarsvergadering.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de voorjaarsvergadering van het IMF 2026. Naar aanleiding hiervan hebben ze nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het IMF verwacht dat door de geopolitieke spanningen de voorgenomen hogere defensie-uitgaven geleidelijk worden opgebouwd. Deze leden willen weten hoe het kabinet hier tegenover staat. Deze leden vragen tevens naar een reactie op het Telegraafartikel, waarin gesteld wordt dat een jaarlijkse miljardeninvestering in belangrijke en kwetsbare infrastructuur en maatschappelijke weerbaarheid door het kabinet omringd wordt met een rookgordijn. Kan het kabinet weer inzicht geven in de besteding van de Defensiemiljarden?
Zoals door het kabinet gemeld in de Kamerbrief over de Weerbaarheid tegen Militaire en Hybride Dreigingen (Kamerstuk 30821, nr. 326) is er op de NAVO-top van juni 2025 afgesproken om, naast de 3,5%, een aanvullende 1,5% van het bbp aan te wenden voor defensie- en veiligheidsgerelateerde uitgaven. Hierbij gaat het onder meer om uitgaven ter bevordering van uitvoering van NAVO’s defensieplannen en nationale plannen, het versterken van weerbaarheid en civiele paraatheid, infrastructuur en het tegengaan van hybride acties. Zoals ook gesteld in het genoemde artikel in De Telegraaf werkt het huidige kabinet aan afspraken omtrent de nationale doorvertaling en rapportage van de 1,5%-norm en komt hier in de volgende Kamerbrief over de Weerbaarheid tegen Militaire en Hybride Dreigingen op terug.
Ten aanzien van het nieuwe IMF-programma voor Oekraïne van 8,1 miljard dollar, vragen de leden van de PVV-fractie naar een overzicht van de voorwaarden waar Oekraïne aan moet voldoen. Waarom heeft Oekraïne de IMF-deadline van 31 maart 2026 gemist en over welke punten van het IMF-programma was er onenigheid? Kan de minister meer inzicht geven in de beschreven situatie?
De afgelopen jaren heeft Oekraïne onder moeilijke omstandigheden hervormingen doorgevoerd, waaronder een groot aantal hervormingsstappen die onderdeel waren van het IMF-programma en de EU Oekraïne-faciliteit. Oekraïne heeft ook voldaan aan alle prior actions (voorwaarden) alvorens het IMF-programma kon worden gestart. Hoewel Oekraïne de deadline van 31 maart 2026 heeft gemist voor implementatie van een pakket aan belastingmaatregelen, is inmiddels de verlenging van de militaire belasting op 7 april jl. wel door het parlement aangenomen. Momenteel moeten nog drie hervormingen geïmplementeerd worden alvorens de volgende betaling onder het IMF-programma kan plaatsvinden in juni 2026. Oekraïne blijft doorwerken aan het implementeren van nieuwe hervormingen. Nederland moedigt dit aan en ondersteunt Oekraïne waar mogelijk. Uitbetaling van steun onder het IMF-programma en de EU Oekraïne-faciliteit is conditioneel aan het doorvoeren van hervormingsstappen door Oekraïne. Nederland onderstreept het belang van deze hervormingen, onder meer op het gebied van rechtsstaat en corruptiebestrijding, en steunt in dit licht het principe van conditionaliteit.
De voorwaarden waaraan Oekraïne gedurende het IMF-programma moet voldoen worden periodiek vastgesteld tijdens de reviews, die ongeveer iedere drie maanden plaatsvinden. Het meest actuele overzicht9 van voorwaarden loopt t/m eind 2026. Oekraïne moet onder meer een nieuw hoofd van de douane benoemen, belastingwetgeving aanpassen en nieuwe belastingmaatregelen presenteren. Daarnaast houdt Oekraïne zelf een hervormingsmatrix bij waarin de voortgang met implementatie van hervormingen wordt bijgehouden.10
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan de rapporten van het IMF die geagendeerd staan voor de voorjaarsvergadering van het Internationaal Monetair Fonds (World Economic Outlook en Global Financial Stability report). Gegeven de geopolitieke spanningen en het effect van deze spanningen op de wereldeconomie, zijn deze rapporten van grote waarde om de economische impact verder te duiden. Juist nu is het van belang om te weten wat de inflatie en groeiverwachtingen zijn van het IMF. Omdat deze rapporten en cijfers op dit moment nog ontbreken, voelt het wat prematuur om nu een schriftelijk overleg te voeren. Wel willen zij alvast een aantal punten meegeven.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat in IMF-verband gekeken wordt naar de economische impact van de recente mondiale ontwikkelingen. Zij vragen zich af hoe de minister aankijkt tegen de recente geopolitieke ontwikkelingen en hoe dit een effect heeft op de wereldeconomie in het algemeen en Nederland specifiek. Hoe kijkt hij naar de huidige macro-economische uitgangspositie van Nederland als het gaat om inflatie, begrotingsruimte en groeiverwachtingen? Hoe verhoudt de Nederlandse macro economische uitgangspositie zich ten opzichte van andere landen in de wereld (bijv. VS, China, India) en lidstaten van de Europese Unie? En voorziet de minister dat structurele economische onevenwichtigheden tussen landen weer zullen opspelen in de komende periode? Hoe is de minister voornemens om hiermee om te gaan?
De Nederlandse economie staat er vooralsnog goed voor en groeit gestaag. Het macro-economisch beeld is omgeven door enorme internationale onzekerheid, waaronder het conflict in het Midden-Oosten. Het CPB heeft op 12 maart het Centraal Economisch Plan (CEP) gepubliceerd met vooruitzichten voor de economie en de overheidsfinanciën. Het bbp groeit in 2026 met 1,4% en in 2027 met 1,1%. Hogere uitgaven aan defensie, sociale zekerheid en zorg zorgen ervoor dat het EMU-saldo verslechtert van -1,6% bbp in 2025 tot -1,9% bbp in 2027.
Het overkoepelende beeld is dat de Nederlandse economie ruim op capaciteit opereert (hoogconjunctuur). Dit blijkt onder andere uit hogere bbp-groei en inflatie vergeleken met het gemiddelde in de eurozone. De Nederlandse inflatie ligt al enkele tijd boven het gemiddelde in de eurozone en was sinds 2025 op een dalend pad.
DNB heeft eind maart een geactualiseerde doorrekening gepubliceerd van de economische impact van het conflict in het Midden-Oosten. Hogere olie- en gasprijzen werken direct door in de inflatie via benzineprijzen en de energierekening. Daardoor kan de inflatie volgens DNB in 2026 0,7-1,6 procentpunt hoger uitvallen en in 2027 0,6-2,8 procentpunt.
De wereldeconomie heeft veerkracht getoond na opeenvolgende schokken, maar het IMF geeft aan dat het conflict in het Midden-Oosten tot hogere prijzen en lagere groei leidt.11 In de update van de World Economic Outlook (januari 2026) raamde het IMF voor dit jaar 3,3% bbp-groei wereldwijd, 2,4% voor de VS, 1,3% voor de eurozone, 4,5% voor China en 6,4% voor India12. De publieke schuld als percentage van het bbp is in 2026 naar schatting 96,7% wereldwijd, 123,7% voor de VS, 89,7% voor de eurozone, 102,7% voor China en 79,6% voor India13. Voorafgaand aan de voorjaarsvergadering zal het IMF in de World Economic Outlook nieuwe ramingen publiceren.
Onevenwichtigheden als gevolg van met name de begrotingstekorten in de VS en de exportafhankelijkheid en lage binnenlandse consumptie van China staan hoog op de internationale agenda. Nederland draagt bij aan de discussie door te benadrukken dat landen hun binnenlandse onevenwichtigheden adresseren, waar ook een belangrijke adviserende rol is weggelegd voor het IMF.
De leden van de CDA-fractie vragen zich daarnaast af wat de inzet is van het kabinet met betrekking tot de Caribische delen van het koninkrijk. De geannoteerde agenda spreekt over ‘bijzondere aandacht voor de noden van Aruba, Curaçao en Sint Maarten’, maar wat betekent dit concreet?
Zie het antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie met betrekking tot de inzet van het kabinet voor de Caribische delen van het Koninkrijk.
De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat de precieze inzet is van het kabinet met betrekking tot deze IMF-vergadering. Met welke uitkomst van het overleg is de minister tevreden, en waarom? Welke elementen moeten wat de minister betreft opgenomen worden in de slotverklaring?
De geannoteerde agenda die uw Kamer heeft ontvangen, beschrijft de inzet van het Koninkrijk der Nederlanden bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF) tijdens de voorjaarsvergadering van 13-18 april 2026.14 Deze is gericht op het versterken van multilaterale samenwerking en het IMF, het waarborgen van macro-economische en financiële stabiliteit, en het bevorderen van schuldhoudbaarheid, met speciale aandacht voor actuele mondiale uitdagingen zoals geopolitieke spanningen, klimaatverandering en schuldenproblematiek. Ik zou tevreden zijn wanneer de IMFC de belangrijkste ambities van Nederland onderschrijft op het gebied van onder meer structurele hervormingen en groeibevorderende investeringen, het herstel van begrotingsbuffers, toezicht op verwevenheid tussen banken en niet-bancaire financiële instellingen, en schuldtransparantie. Daarnaast streeft Nederland naar een eerlijke en evenwichtige herziening van quota, en naar effectieve en realistische IMF-programma’s en surveillance.
Het Koninkrijk zal zich inzetten om deze elementen opgenomen te krijgen in de slotverklaring van het IMFC. Net als tijdens voorgaande vergaderingen zal het Koninkrijk zich, als onderdeel van de kiesgroep waar ook Oekraïne deel van uitmaakt, inzetten voor een adequate verwijzing naar de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne en de mondiale economische impact daarvan in de gezamenlijke slotverklaring van het IMFC.
De leden van de CDA-fractie zien dat diverse landen reeds steunmaatregelen hebben genomen voor inwoners en ondernemers. De effectiviteit en de doelmatigheid van de genomen maatregelen is echter niet altijd evident. Wat deze leden betreft zouden lange termijn schuldhoudbaarheid en doelmatigheid van maatregelen daarom expliciet onderdeel moeten zijn bij de uitwerking van eventuele maatregelen. Steunmaatregelen moeten tijdelijk, gericht en toekomstbestendig zijn. Ook op mondiaal niveau. In hoeverre is financiële prudentie onderdeel van de discussies bij het IMF? En is de minister bereid om dit perspectief in zijn inbreng te benadrukken?
Financiële prudentie is voor het IMF altijd een belangrijke overweging, omdat een gebrek hieraan de stabiliteit van het internationaal monetair stelsel kan ondermijnen. Het Fonds pleit daarom consequent voor steunmaatregelen die (i) tijdig worden ingevoerd, (ii) gericht zijn, en (iii) een tijdelijke aard hebben. Zo wordt het beslag op schaarse begrotingsruimte beperkt én wordt voorkomen dat beleidsinstrumenten het prijssignaal verstoren, met onwenselijke gedragsprikkels als gevolg. Het IMF benadrukt deze boodschap ook nu in het kader van de wereldwijd stijgende energieprijzen.
Ik verwelkom deze adviezen van het IMF. De crises van de afgelopen jaren — van de coronapandemie tot de Russische invasie van Oekraïne en de oorlog in het Midden-Oosten — hebben aangetoond dat grote schokken nu vaker voorkomen. In de context van al hoge mondiale schulden, pleit dit voor het waarborgen van schuldhoudbaarheid en het opbouwen van buffers. Overheden moet alleen steunmaatregelen invoeren als deze noodzakelijk zijn, en deze zo efficiënt mogelijk vormgeven. Ik zal dit perspectief in mijn inbreng bij het IMF benadrukken.
De leden van de CDA-fractie observeren daarnaast dat er veel onduidelijkheid is over handelstarieven nu het Amerikaanse hooggerechtshof recent heeft aangekondigd dat de wederkerige importheffingen van de Amerikaanse regering niet rechtsgeldig zijn. Deze onduidelijkheid verhoogt de onzekerheid in mondiale economie. Hoe duidt de minister dit en wanneer kunnen we deze duiding ontvangen?
Het Kabinet deelt de zorgen van de leden over de volatiliteit van het Amerikaanse handelsbeleid. De heffingen en voortdurende onzekerheid die daarmee gepaard gaat, zijn ongunstig voor het Nederlandse bedrijfsleven. Tegelijkertijd blijven de Verenigde Staten een belangrijke handelspartner. Juist daarom blijft het kabinet vasthouden aan de Turnberry-deal van augustus vorig jaar.
De nieuwe heffingen na de Supreme Court uitspraak van eind-februari zijn op basis van sectie 122 voorlopig vastgesteld op 10 procent, waar bovenop nog de al bestaande in de WTO afgesproken heffingen komen, het zogenaamde MFN-tarief. Op dit moment lijkt het erop dat dit een tussenoplossing is, want we hebben gezien dat de VS ook is begonnen met een aantal nieuwe onderzoeken naar handelsverstoringen, die bedoeld zijn om nieuwe heffingen in te stellen tegen handelspartners van de VS. Daarmee beoogt de VS de door het Supreme Court onrechtmatig verklaarde heffingen op een meer definitieve basis te vervangen.
De Europese Commissie wil vasthouden aan de deal tussen VS en EU die vorig jaar in Schotland tot stand is gekomen. Nederland steunt die lijn, want die deal biedt een anker voor de lange termijn. Hoewel algemene tariefverlaging van de VS-zijde momenteel onrealistisch is, ziet het kabinet middels de gezamenlijke verklaring wel kansen voor individuele sectoren en Nederlandse exportbelangen. Het kabinet zal zich dus ook blijven inzetten voor nieuwe tariefverlagingen en het versterken van de relatie met de VS. De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is hiervoor primair verantwoordelijk en heeft de Kamer meest recentelijk geïnformeerd tijdens het Commissiedebat van 19 maart jl. in voorbereiding op de Raad Buitenlandse Zaken Handel.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed om te lezen dat Nederland aandacht vraagt voor de verschillen in het pensioenstelsel bij de het verbeteren van het EBA-model. De Nederlandse situatie is namelijk anders dan andere Europese landen. Ook binnen de EU zien we dat dit onvoldoende gebeurt waardoor we onredelijke kapitaaleisen opgelegd krijgen met betrekking tot bijvoorbeeld onze hypotheken. Lopen we bij dit EBA-model vergelijkbare risico’s? Voorziet de minister aanvullende eisen die voor ons minder relevant zijn juist door ons pensioenstelsel?
Het IMF gebruikt het EBA-model om te bepalen of tekorten of overschotten op de lopende rekening excessief zijn. Met behulp van het EBA-model kan het IMF aanbevelingen doen in het kader van de analyse van mondiale en nationale economische en financiële ontwikkelingen (de surveillance-functie van het IMF). Deze aanbevelingen zijn vrijblijvend, waardoor er geen aanvullende eisen uit volgen. Desalniettemin kunnen andere landen Nederland aanspreken op haar overschot op de lopende rekening. Het is belangrijk dat de internationale gemeenschap begrijpt dat een groot deel van het Nederlandse overschot het resultaat is van structurele karakteristieken, zoals ons sterke pensioensysteem, en niet van buitensporig beleid. Ook is het van belang dat IMF-aanbevelingen die voortkomen uit het EBA-model gebaseerd zijn op een solide analyse die rekening houdt met relevante landenspecifieke omstandigheden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de mondiale bijeenkomst van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). De leden benadrukken dat het IMF een cruciale rol speelt in het waarborgen van internationale financiële stabiliteit en monetaire samenwerking, zeker in een tijd van geopolitieke disruptie en handelsconflicten. Tegelijkertijd maken de leden zich zorgen over de effectiviteit van het fonds en de verschuiving naar een meer politiek gedreven agenda.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de implementatie van de 16e quotaherziening is vertraagd en dat de deadline is verschoven naar mei 2026, mede door politieke terughoudendheid in de Verenigde Staten. Deze leden willen weten wat het 'plan B' van Nederland en de EU is, indien de VS de kapitaalverhoging definitief blokkeren. Acht de minister het IMF in dat scenario nog wel voldoende slagvaardig om toekomstige grote crises op te vangen?
Hoe beoordeelt de minister het voornemen om volgens de Diriyah Guiding Principles stemrecht te verleggen naar het 'opkomende oosten', waarbij met name China fors aan invloed zou winnen?
De verwachting is dat de VS uiteindelijk zal instemmen met de 16 quotaherziening. Tot die tijd blijft het IMF voldoende slagvaardig, ook zonder de implementatie van de 16e quotaherziening. De totale leencapaciteit van het IMF blijft namelijk nagenoeg gelijk na implementatie van de 16e quotaherziening: de verhoging van quota (permanent kapitaal van het IMF) wordt gecompenseerd door het verlagen van tijdelijke leenovereenkomsten. Deze tijdelijke leenovereenkomsten zijn een aanvulling op het permanente kapitaal van het IMF die worden gefinancierd door een subgroep van met name ontwikkelde economieën waar Nederland onderdeel van uitmaakt.15 Tot de implementatie van de 16e quotaherziening zullen de tijdelijke leenovereenkomsten worden verlengd en behouden ze hun omvang van voor het akkoord over de 16e quotaherziening.
Het voordeel van implementatie van de 16e quotaherziening is dat het IMF over meer permanent kapitaal kan beschikken en daardoor minder afhankelijk wordt van tijdelijke leenovereenkomsten met een deel van de lidstaten, inclusief Nederland. Besluitvorming over de inzet van permanent kapitaal is eenvoudiger dan over de inzet van de tijdelijke middelen.
De Nederlandse positie met betrekking tot quota is dat het quota-aandeel van ondervertegenwoordigde opkomende economieën zoals China beperkt zou mogen stijgen, zolang dit plaatsvindt op basis van een eerlijke verdeling onder oververtegenwoordigde landen. De Board of Governors van het IMF nam zich in het akkoord over de 16e quotaherziening van december 2023 al voor om opties uit te werken voor een toekomstige verschuiving van quota. De Diriyah Guiding Principles zijn niet bedoeld om de omvang van een eventuele verschuiving van quota vast te stellen, maar gelden als uitgangspunt voor de verdere discussie over herzieningen van quota en bestuur van het IMF.
De minister benoemt in zijn brief dat het Chinese handelsoverschot wordt gedreven door industriebeleid en lage consumptie, wat leidt tot mondiale onevenwichtigheden. De leden van de BBB-fractie merken op dat de EU en de VS inmiddels zelf ook bewegen naar een actiever industriebeleid. Hoe voorkomt de minister dat het IMF met twee maten meet in haar beoordelingen van lidstaten, wanneer zowel oosterse als westerse machten interveniëren in hun industrie?
Het monitoren van mondiale economische ontwikkelingen en uitbrengen van economisch beleidsadvies aan lidstaten is onderdeel van het mandaat van het IMF. Dat doet het IMF onafhankelijk, objectief en onpartijdig. Nederland steunt en benadrukt deze onafhankelijke rol van het IMF als economisch adviseur.
In het meest recent artikel IV-rapport over China adviseerde het IMF bijvoorbeeld om het omvangrijke industriebeleid te verminderen, omdat het binnen China zorgt voor een inefficiënte allocatie van middelen en vanwege de negatieve mondiale impact.
De World Economic Outlook oktober 2025 bevat een hoofdstuk dat ingaat in op afruilen die gepaard gaan met industriebeleid.16 Dat hoofdstuk richt zich bijvoorbeeld ook op de afruilen bij inzet van industriebeleid gericht op elektrische voertuigen in de EU. Alhoewel industriebeleid onder bepaalde omstandigheden kan helpen om binnenlandse productie te beschermen en technologische vooruitgang te boeken, is het IMF in het algemeen kritisch over de inzet van industriebeleid. Het gaat namelijk vaak gepaard met hogere consumentenprijzen, substantiële publieke uitgaven en mogelijke negatieve effecten op de productiviteit.
De leden van de BBB-fractie hebben vragen bij het Memorandum of Understanding voor de opschorting van de schuld van Oekraïne tot 2030. Wat is de huidige inschatting van de minister over de uiteindelijke terugbetaalcapaciteit van Oekraïne? Wordt hier feitelijk toegewerkt naar een volledige kwijtschelding? Zo ja, wat zijn de langetermijngevolgen hiervan voor de Nederlandse begroting? Hoeveel bedraagt de totale potentiële afschrijving op zowel IMF-leningen als EU-leningen aan Oekraïne indien het geleende geld niet wordt terugbetaald?
Op dit moment is kwijtschelding van de uitstaande hoofdsom niet aan de orde. Zolang de onzekerheid over het verloop van de Russische agressieoorlog voortduurt is het namelijk niet mogelijk om te bepalen of schuldverlichting nodig is om de schuldhoudbaarheid van Oekraïne te herstellen. Pas aan het einde van het nieuwe IMF-programma en de daaraan gekoppelde betalingsstop wordt bezien of een verdere herstructurering nodig is. De bilaterale crediteuren zullen daarvoor de schuldhoudbaarheidsanalyse van het IMF volgen. Met de tijdelijke betalingsstop tot 2030 is voor Nederland een bedrag van EUR 113,7 mln. aan rente en aflossing gemoeid. Dit bedrag wordt niet kwijtgescholden maar uitgesteld naar latere jaren.
Nederland heeft met een grote groep internationale partners, waaronder de G7, financing assurances afgegeven voor het IMF-programma. De financing assurances houden in dat landen toezeggen om Oekraïne financieel te blijven steunen, zodat Oekraïne in staat is het IMF terug te betalen, en t.a.v. bilaterale leningen om te doen wat nodig is om de Oekraïense schuldhoudbaarheid te waarborgen. Nederland heeft eerder ook financing assurances afgegeven voor het vorige IMF-programma. Dit is in lijn met de kabinetspositie om Oekraïne onverminderd te blijven steunen. Dit betreft een politiek commitment en heeft geen directe gevolgen voor de begroting. Beleidsvoorstellen die volgen uit de financing assurances zullen aan uw Kamer worden voorgelegd.
Via verschillende instrumenten heeft de EU steun geleverd aan Oekraïne. Hieronder worden de verschillende steunpakketten uiteengezet:
In 2022 en 2023 is via Macro Financiële Bijstand (MFB) in totaal 6 miljard euro aan concessionele leningen verstrekt. De aflossing- en rentebetaling hiervan worden verzekerd door een bestaand garantiefonds binnen de EU-begroting, welke lidstaten hebben aangevuld met bilaterale garanties. Nederland heeft hiervoor een bilaterale garantie van 215,4 miljoen euro afgegeven.
Daarnaast heeft de EU in 2023 vanuit MFB+ 18 miljard euro aan leningen verstrekt. Door de omvang en financieringstechniek wijkt deze MFB+ af van de eerdere MFB. Hiervoor is een Nederlandse garantie van 1,1 miljard euro opgenomen. De rentelasten worden met een rentesubsidie gefinancierd, waarbij de rentebijdrage voor Nederland maximaal 165 miljoen euro is tot en met 2027.
In februari 2024 is voor de jaren 2024-2027 de Europese Oekraïne-faciliteit van 50 miljard euro opgericht, bestaande uit 17 miljard euro aan giften en 33 miljard euro aan leningen. De rentelasten worden gefinancierd binnen het giftendeel. Voor het leningendeel in de Oekraïne-faciliteit heeft Nederland een garantie afgegeven van 2,1 miljard euro.
In 2024 zijn verder de G7 Extraordinary Revenue Acceleration (ERA) leningen ingegaan, waarbij het EU-aandeel 18,1 miljard euro bedraagt. De hoofdsom en rente van deze lening wordt betaald via de buitengewone inkomsten op de geïmmobiliseerde Russische centralebanktegoeden. Het EU-aandeel is in 2025 volledig uitbetaald aan Oekraïne. Nederland heeft hiervoor een garantie van 1,8 miljard euro afgegeven.
In december 2025 heeft de Europese Raad een akkoord bereikt over de EU Steunlening t.w.v. 90 miljard euro. Uw Kamer is hierover geïnformeerd.17 Aangezien de leningen vanuit de headroom gegarandeerd zal worden, ontstaat voor Nederland een garantie uit hoofde van de headroom t.w.v. 5,94 miljard euro die verwerkt is op artikel 4 (internationale financiële betrekkingen) van de begroting van het Ministerie van Financiën18. Op 20 februari heeft Hongarije een blokkade opgeworpen t.a.v. de aanpassing van de MFK-verordening, hetgeen een vereiste is om de Steunlening aan Oekraïne ter beschikking te kunnen stellen. Hongarije heeft eerder wel ingestemd met het besluit van de Europese Raad van december jl. Zolang Hongarije blijft blokkeren, is implementatie van de Steunlening niet mogelijk.
De leden van de BBB-fractie zien met zorg een trend waarbij monetaire organisaties zich steeds vaker richten op een politieke agenda. In het statement van het voorzitterschap van de mondiale bijeenkomst van 2023 werd al gesproken over het mainstreamen van klimaat- en genderdoelen, waaronder genderdiversiteit in financial boards. Is de minister van mening dat een monetaire organisatie zich dient bezig te houden met dergelijke brede en maatschappelijk omstreden thema's?
Hoe verhoudt het promoten van gelijkheidsquota en sociale inclusie zich tot het oorspronkelijke mandaat van het IMF? Wat is de positie van de minister ten aanzien van The Coalition of Finance Ministers for Climate Action? Vindt de minister het gepast dat een vanuit het IMF voortgekomen organisatie adviseert over de uitgifte van green bonds aan centrale banken, terwijl klimaatbeleid naar de mening van de BBB-fractie uitsluitend een nationale aangelegenheid hoort te zijn?
Het mandaat van het IMF is om mondiale financiële stabiliteit en economische groei te bevorderen. Het IMF houdt zich met klimaatverandering en genderongelijkheid bezig omdat dit directe financiële en macro-economische gevolgen heeft en daarmee ‘macro-critical’ is.
Momenteel vindt een evaluatie plaats van de surveillance-activiteiten
van het IMF: de Comprehensive Surveillance Review. Daarbij zal
ook gekeken worden naar de thema’s die het IMF in zijn surveillance
activiteiten behandelt. Het huidige beleid ten aanzien van gender is
vastgelegd in de Interim Guidance Note uit 202419.
Deze stelt vast dat landen met kleinere genderkloven aantoonbaar betere
macro-economische uitkomsten hebben, zoals hogere groei en meer
stabiliteit. De Guidance Note beschrijft ook wanneer gender
macro-critical is. Het kabinet steunt deze gerichte benadering
van het IMF. Vrouwen vormen ongeveer de helft van de wereldbevolking,
dus wanneer zij minder deelnemen aan de arbeidsmarkt of minder kansen
krijgen, gaat er veel economisch potentieel verloren. Meer
gendergelijkheid leidt daarom tot meer productiviteit, hogere groei en
een veerkrachtige economie.
Het IMF heeft op basis van de vorige Comprehensive Surveillance Review
uit 2021 ook vastgesteld wanneer klimaatverandering binnen het mandaat
van het IMF valt. De raad van bewind van het IMF heeft in juli een
klimaatstrategie goedgekeurd, die richting geeft aan de activiteiten van
het IMF op dit terrein.20 Klimaatverandering heeft gevolgen
voor groei, inflatie, overheidsfinanciën en financiële stabiliteit.
Fysieke risico’s (zoals natuurrampen) en transitierisico’s (zoals hogere
CO₂-prijzen) kunnen economieën destabiliseren en begrotingen onder druk
zetten, terwijl goed klimaatbeleid juist kan bijdragen aan stabielere en
duurzamere groei. Het kabinet steunt de inzet van het IMF op financiële
en macro-economische aspecten van klimaatbeleid.
Tegelijkertijd benadrukt het IMF dat beide thema’s alleen worden meegenomen in het IMF werk wanneer het relevant is voor macro-economische stabiliteit en het functioneren van het internationale monetaire systeem, dus binnen het bestaande mandaat en niet als hoofdthema op zichzelf.
Ik draag tijdens de 15e ministeriële bijeenkomst het co-voorzitterschap over aan de opvolger Kroatië, en sluit dan de driejarige Nederlandse termijn als covoorzitter af. De CFMCA is een niet-bindend, niet-normatief forum waar ministers en vertegenwoordigers van ministeries van Financiën kennis en ervaringen uitwisselen over verschillende relevante aspecten van klimaatbeleid vanuit financieel, fiscaal en economisch perspectief. Elk land blijft op nationaal niveau verantwoordelijk voor beleidskeuzes en daarop heeft dit forum geen invloed. Het forum is tot stand gekomen vanuit een groep van 20+ landen, tot op heden uitgegroeid tot een lidmaatschap van 100+ landen, waarin het IMF en de Wereldbank een faciliterende rol spelen als hostorganisaties voor het kleinschalige ondersteunende Secretariaat. Al het inhoudelijke werk van de CFMCA, zoals het organiseren van technische workshops en concrete kennisuitwisseling in regio’s, wordt aangestuurd door de landen die als covoorzitters zijn aangesteld en door de landen die lid zijn.
September 2024, Fossil Fuel Subsidy Reform: Removing harmful incentives and appropriately pricing fossil fuel products, CFMCA.↩︎
De meest recente rapporten voor de drie landen zijn hier te vinden: Kingdom of the Netherlands-Aruba: 2025 Article IV Consultation Discussions-Press Release; and Staff Report; Kingdom of the Netherland-Curaçao and Sint Maarten: 2025 Article IV Consultation Discussions-Press Release; and Staff Report↩︎
Op 7 april 2026: Member Financial Data.↩︎
Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2024 (36 550 IX).↩︎
United States: 2026 Article IV Consultation-Press Release; Staff Report; and Statement by the Executive Director for the United States↩︎
IMF (2026), United States: 2026 Article IV Consultation, https://www.imf.org/-/media/files/publications/cr/2026/english/1usaea2026001.pdf↩︎
Ukraine: Request for an Extended Arrangement Under the Extended Fund Facility and Cancellation of the Current Arrangement-Press Release, tabel 12, p. 141-142.↩︎
How the War in the Middle East Is Affecting Energy, Trade, and Finance↩︎
IMF, 2026, World Economic Outlook Update↩︎
IMF, 2025, Fiscal Monitor, Fiscal Policy under Uncertainty↩︎
Geannoteerde agenda voorjaarsvergadering IMF 2026 | Vergaderstuk | Rijksoverheid.nl↩︎
Toetsingskader Risicoregelingen Rijksoverheid: Staatsgarantie DNB inzake IMF van 15-04-2024.↩︎
World Economic Outlook, October 2025; Chapter 3: Industrial Policy: Managing Trade-Offs to Promote Growth and Resilience↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36 045, nr. 2361; en Kamerstukken II 2025/26, 36 045, nr. 267.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 36 915 IX, nr 2.↩︎
IMF Strategy to Help Members Address Climate Change Related Policy Challenges: Priorities, Modes of Delivery, and Budget Implications ; IMF policy paper, July 2021↩︎