[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

VOG afgifte en de verhouding tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en andere departementen

Brief regering

Nummer: 2026D17372, datum: 2026-04-13, bijgewerkt: 2026-04-13 13:23, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z07737:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


In het commissiedebat Staats- en bestuursrecht van 11 december 2025 zegde mijn ambtsvoorganger toe uw Kamer te informeren over de verhouding tussen enerzijds de afgifte van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en anderzijds de beleidsruimte van andere departementen dan het ministerie van Justitie en Veiligheid. Toegezegd is in het bijzonder in te gaan op de taxibranche waarvoor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) verantwoordelijk is.1 De aanleiding voor deze toezegging was de vraag van het lid Straatman naar de reden dat personen in de continue screening in de kinderopvang in afwachting van een nieuwe VOG op non-actief gesteld worden en personen in de taxibranche niet. Met deze brief doe ik de toezegging gestand.

Als staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ben ik verantwoordelijk voor het regelgevend kader voor de werking van de VOG en voor de uitvoering daarvan door Justis. Deze vindt plaats binnen de kaders van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.2 Het is aan vakministers om regels (voor) te stellen ter bescherming van de integriteit in hun sectoren, zoals een verplichting om voor de uitoefening van het beroep een VOG te overleggen. Ook cao’s kunnen aanvullende afspraken en verplichtingen bevatten. In de kinderopvang en de taxibranche geldt een aanvullende verplichting van continue screening.

Dit betekent het volgende voor wat betreft de continue screening in de kinderopvang en taxibranche. In beide processen van continue screening geeft de Justitiële Informatiedienst (Justid) een melding af aan screeningsautoriteit Justis bij een wijziging in de justitiële documentatie over een persoon in de continue screening. Wanneer Justis naar aanleiding van deze wijziging inschat dat een nieuwe VOG-screening nodig is, geeft Justis een kennisgeving af aan de toezichthouder in de betreffende sector. Mijn ambtsvoorganger gaf tijdens het commissiedebat al aan dat mijn collega’s van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en van IenW de opdrachtgevers van de continue screening in de kinderopvang respectievelijk de taxibranche zijn, dat de te beschermen belangen en risico’s in beide sectoren niet gelijk zijn en het daarmee ook niet vreemd is dat mijn collega’s van SZW en IenW andere keuzes hebben gemaakt in de inrichting van het proces met betrekking tot de continue screening.3 In de kinderopvang wordt na een kennisgeving van Justis een nieuwe VOG aangevraagd en wordt de betrokkene op non-actief gesteld totdat Justis op de aanvraag heeft besloten. In de taxibranche wordt in dat geval eveneens een nieuwe VOG aangevraagd en blijft de betrokkene werkzaam totdat Justis op de aanvraag heeft besloten. In het verleden werd de chauffeurskaart van chauffeurs over wie Justis had geoordeeld dat een nieuwe screening nodig was, namens de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) na een melding van Justis onmiddellijk geschorst. Sinds een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven schorst de ILT een chauffeurskaart niet meer direct na een melding van Justis.4 Omdat de ILT na een kennisgeving van Justis niet zelf op basis van de ernst van de gepleegde feiten een afweging kan maken of schorsing nodig is, zal een dergelijke schorsing niet rechtsgeldig zijn. Op grond van de huidige regelgeving zal een melding in het kader van de continue screening een vermoeden opleveren dat door een taxichauffeur niet langer wordt voldaan aan de eisen voor het afgeven van een VOG. De ILT kan wel van de taxichauffeur verlangen dat deze binnen een door de ILT gestelde termijn een nieuwe VOG overlegt. De ILT kan de chauffeurskaart intrekken als niet of niet tijdig een nieuwe VOG wordt ingediend.

Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het regelgevend kader voor de werking van de VOG en voor de uitvoering daarvan door Justis houd ik oog voor de uitvoerbaarheid en streef ik naar samenhang in de toepassing van de VOG. Op dit moment gebeurt dit onder meer door middel van advisering bij de invoering of wijziging van VOG-verplichtingen.5 Ik werk aan een consistente en uniforme toepassing van de VOG gebaseerd op risico’s binnen functies, wat vraagt om bestendiging van die advisering in het streven naar samenhang. Hierbij let ik op dat er geen extra complexiteit in het VOG-stelsel ontstaat.

Zoals mijn ambtsvoorganger schreef aan uw Kamer, bereid ik een risicomethodiek voor de VOG voor.6 Deze methodiek wordt ondersteunend bij het afwegen of een VOG-screening verplicht dient te worden gesteld voor bepaalde functies en hoe deze verplichting het beste vormgegeven kan worden. Op basis hiervan worden keuzes gemaakt in de toepassing van de VOG. Het gaat onder meer om de frequentie van de screening, te hanteren terugkijktermijn in justitiële documentatie, te betrekken bronnen en het al dan niet toepassen van een verscherpt toetsingskader. Deze risicomethodiek wordt in samenwerking met TNO gerealiseerd. Daarbij zijn ook andere departementen en sectoren betrokken.

Ik verwacht voor het einde van dit jaar een conceptmethodiek gereed te hebben. Vervolgens zal ik bezien hoe deze waar mogelijk en passend kan worden toegepast in de praktijk.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Claudia van Bruggen


  1. Kamerstukken II 2025/26, 29 362, nr. 396.↩︎

  2. Voor de VOG politiegegevens (VOG P) zijn verder de Regeling aanwijzing functies VOG politiegegevens en het Benoemingsbesluit Adviescommissie VOG-Politiegegevens relevant.↩︎

  3. Kamerstukken II 2025/26, 29 362, nr. 396.↩︎

  4. CBb 25 februari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:250.↩︎

  5. Dit ligt anders bij de VOG P. Dit instrument is sterker risicogestuurd ingericht en gereguleerd doordat alleen functies die binnen een wettelijke kader vallen, op basis van een voordracht van de vakminister, door mij per ministeriële regeling kunnen worden aangewezen voor screening met de VOG P.↩︎

  6. Kamerstukken II 2025/26, 36 600 VI, nr. 160.↩︎