Aanpassing van de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren
Reikwijdte van artikel 68 Grondwet
Brief regering
Nummer: 2026D19145, datum: 2026-04-21, bijgewerkt: 2026-04-22 11:53, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Ooit CDA kamerlid)
- Aanpassing Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren
- Beslisnota bij Kamerbrief over aanpassing van de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren
Onderdeel van kamerstukdossier 28362 -87 Reikwijdte van artikel 68 Grondwet.
Onderdeel van zaak 2026Z08530:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-04-23 00:00: Aansluitend: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-05-21 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
28362 Reikwijdte van artikel 68 Grondwet
Nr. 87 Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 april 2026
Hierbij bied ik uw Kamer de aangepaste Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren (hierna: de Aanwijzingen) aan.
Met deze aanpassing van de Aanwijzingen wordt uitvoering gegeven aan de toezegging die in de kabinetsreactie op het rapport ‘Grip op informatie’ van 10 januari 2025 is gedaan door mijn ambtsvoorganger dat bij een volgende herziening in de Aanwijzingen zal worden verduidelijkt dat rijksambtenaren ook op eigen initiatief, via de parlementair contactpersoon, contact kunnen opnemen met Kamerleden.1 Deze verduidelijking is nu opgenomen in de toelichting bij de nieuwe aanwijzing 4, tweede lid. Daarnaast is in het debat van 23 januari 2025 over werk- en informatieafspraken met de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken door een aantal Kamerleden naar voren gebracht dat er nog ruimte voor verbetering is in de mogelijkheden voor direct contact tussen rijksambtenaren en Kamerleden (Kamerstuk 28362, nr. 73). De regering is het daarmee eens en ziet daarbij vooral ruimte binnen de bestaande kaders, zoals ook in de brief van 19 februari 2025 is benadrukt.2 Verder is van deze gelegenheid gebruikgemaakt om een aantal teksten van de paragrafen 1 en 2 van de Aanwijzingen te herformuleren. Hierin is een aantal elementen uit de staande praktijk opgenomen en is geprobeerd om meer duidelijkheid te verschaffen in de betekenis van bestaande aanwijzingen en de teksten toegankelijker te formuleren. De nadruk ligt daarbij op wat wél kan.
Bij deze actualisatie is verduidelijkt dat de bewindspersoon vanuit de ministeriële verantwoordelijkheid afspraken kan maken om in de meeste gevallen verzoeken om informatie of contact zelfstandig af te laten doen door de parlementair contactpersoon, in plaats van dat de bewindspersoon in elk concreet geval expliciet toestemming dient te verlenen. Verder is verduidelijkt dat een parlementair contactpersoon weliswaar het contact tussen rijksambtenaren en Kamerleden faciliteert, maar dat het niet noodzakelijk is dat hij vervolgens ook bij het uiteindelijke contactmoment aanwezig is. Daarnaast zijn de definities van ‘feitelijke informatie’ en ‘persoonlijke beleidsopvattingen’ nader beschreven en is op sommige plaatsen de volgorde van aanwijzingen aangepast en zijn twee aanwijzingen samengevoegd. Bovendien is verduidelijkt dat een verzoek om informatie of contact zowel op initiatief van een Kamerlid als op initiatief van een medewerker of bestuurder van een zelfstandig bestuursorgaan gedaan kan worden, zonder tussenkomst van de betrokken bewindspersoon. Het is daarbij wel wenselijk dat de betrokken bewindspersoon ten tijde van het verzoek over het verzoek wordt geïnformeerd. Bovendien is opgenomen dat met inwerkingtreding van de Wet regels integriteit en vervolgfuncties bewindspersonen een verbod geldt voor oud-bewindspersonen om binnen 2 jaar na ontslag zakelijk contact te hebben met de ambtenaren van het vorige ministerie of met ambtenaren op een ander ministerie voor zover sprake is van aanpalende beleidsterreinen.3 Daar dienen ambtenaren zich in het contact met derden rekenschap van te geven.
Mijn ambtsvoorganger heeft in de brief van 19 februari 2025 toegezegd deze aanpassing in het najaar van 2025 door te kunnen voeren. Omdat van de gelegenheid gebruik is gemaakt om meerdere aanwijzingen te actualiseren, is dat begin 2026 geworden.
Het kabinet streeft met deze herziening naar een steeds meer ontspannen contact tussen rijksambtenaren en Kamerleden – binnen ministeriële verantwoordelijkheid – als een normaal onderdeel van een professioneel samenspel.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Kamerstukken II 2024/25, 28362, nr. 72.↩︎
Kamerstukken II 2024/25, 28362, nr. 74.↩︎
De wet is per 20 februari 2026 in werking getreden.↩︎