Welzijn en onderwijs
Primair Onderwijs
Brief regering
Nummer: 2026D25398, datum: 2026-05-28, bijgewerkt: 2026-06-02 16:32, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Mede ondertekenaar: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Ooit VVD kamerlid)
- Tussenevaluatie landelijk kader studentenwelzijn
- Inventarisatie Studentenvoorzieningen eindrapport
- Verkenning welzijn en onderwijs
- Beslisnota bij Kamerbrief Welzijn en onderwijs
Onderdeel van kamerstukdossier 31293 -874 Primair Onderwijs.
Onderdeel van zaak 2026Z11170:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-06-04 10:15 ⇒ Agenderen voor het commissiedebat Mentale gezondheid scholieren en studenten d.d. 24 juni 2026. (Besluit)
- 2026-06-02 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-02 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-06-04 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-06-24 10:00: Mentale gezondheid scholieren en studenten (Commissiedebat), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
31293 Primair Onderwijs
31 289 Voortgezet Onderwijs
31288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 874 Brief van de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 mei 2026
Nederlandse jongeren horen tot de gelukkigste ter wereld.1 Toch groeien de zorgen over hun mentale gezondheid. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de mentale gezondheid van jongeren onder druk staat. Die druk wordt in de hele samenleving ervaren en is ook zichtbaar in het onderwijs.2 De afgelopen periode is er, mede met de inzet van de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs, flink ingezet op het verbeteren van het welzijn van jongeren. We zien gelukkig een stabilisering van de cijfers.3 Dat neemt niet weg dat de zorgen over het welzijn van scholieren en studenten urgent blijven.
In het licht van deze ontwikkeling heeft de Onderwijsraad een verkenning uitgebracht over de vraag wat het onderwijs te bieden heeft voor het welzijn van jongeren.4 Conform het verzoek van uw Kamer aan de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvangt u hierbij onze reactie op deze verkenning.5 Tevens bied ik u met deze brief de evaluatie naar het Kader Studentenwelzijn aan en de verkenning naar de studentvoorzieningen in relatie tot de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten. Ook informeren wij uw Kamer over de uitvoering van een aantal moties en toezeggingen over het welzijn van scholieren en studenten. Ten slotte merken we op dat eind vorig jaar het IBO Mentale gezondheid en ggz is verschenen. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zullen in het najaar de beleidsreactie daarop naar uw Kamer versturen. Daarin zal de in deze brief gepresenteerde visie in de bredere maatschappelijke aanpak worden ingebed.
Onderwijsraad: verschuif het perspectief
In zijn verkenning benoemt de Onderwijsraad dat in onderzoek en beleid het afnemend welzijn vaak benaderd wordt als individueel mentaal gezondheidsprobleem. Die duiding zet in het onderwijs aan tot een zorggerichte en individuele aanpak, waardoor het onderwijs wordt overvraagd. Tegelijkertijd wordt de preventieve en onderwijseigen bijdrage aan het welzijn van jongeren niet ten volle benut.
De raad pleit voor een bredere duiding van de oorzaken van het afnemend welzijn. Volgens de raad heeft het afnemende welzijn te maken met de zoektocht naar betekenis en de zin van het leven (zingevingsduiding). Ook de geïndividualiseerde prestatiesamenleving speelt een rol door grote druk op jonge mensen te leggen zonder daarbij kaders of houvast te bieden (maatschappelijke duiding). Deze brede benadering geeft inzicht in andere mogelijkheden waarmee het onderwijs van betekenis kan zijn voor het welzijn van jongeren.
Het onderwijs kan volgens de raad niet alleen worden gezien als plek waar welzijnsproblemen worden gesignaleerd, maar juist ook als een vormende omgeving waarin jongeren betekenis kunnen geven aan hun ervaringen en leren samenleven. De raad benadrukt daarbij dat het, in een samenleving waar individualisme steeds meer de norm lijkt, belangrijker dan ooit is om te investeren in sociale samenhang. Onderwijsinstellingen kunnen hieraan bijdragen door een veilige en sociale schoolcultuur te bieden aan jongeren. Op deze manier is welzijn niet alleen een voorwaarde voor deelname aan onderwijs, maar ook een opbrengst van onderwijs.
Kabinet: goed onderwijs is de basis, ook voor welzijn
Het onderwijs heeft een drieledige taak richting jongeren:
socialisatie, kwalificatie en persoonsvorming. Als scholen en
instellingen daarin slagen, beheersen leerlingen de basisvaardigheden,
zoals lezen, schrijven en rekenen, hebben ze zichzelf beter leren kennen
en weten ze hoe de maatschappij werkt en hoe ze daar een bijdrage aan
kunnen leveren. In het vervolgonderwijs worden kennis en vaardigheden
verbreed en verdiept en leren studenten verder hoe ze hun plek in de
maatschappij kunnen vinden.
Ongemak en een zoektocht naar identiteit horen bij het leven van jongeren, en zijn om die reden nooit geheel weg te nemen. Maar een te sterk verminderd welzijn van jongeren is onwenselijk. Daarbij ziet het kabinet dat onderwijsinstellingen vaak op een individuele, zorggerichte manier werken aan welzijn van jongeren. Dat overvraagt het onderwijs en past ook niet bij de kracht van de onderwijsinstellingen: het leren en ontwikkelen als onderdeel van een collectief.
Het kabinet is het eens met de Onderwijsraad dat een ander perspectief op welzijn in het onderwijs nodig is. Een perspectief dat veel meer de kracht van het onderwijs zelf en de socialiserende functie van ons onderwijs centraal stelt. Leerlingen en studenten die goed onderwijs krijgen waarbij zij vaardigheden opdoen zoals lezen, rekenen en digitale geletterdheid en waarbij zij zelfvertrouwen opbouwen en succeservaringen beleven, zijn namelijk weerbaarder en beter in staat hun weg te vinden op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. In het funderend onderwijs wordt met het verbeterde curriculum voor burgerschap en digitale geletterdheid dagelijks gewerkt aan vragen die direct raken aan wie je bent en in welke maatschappij je leeft. Leerlingen krijgen daarbij de kennis en vaardigheden aangereikt om zich in die maatschappij staande te houden. Ook het werken aan een veilige schoolcultuur met een sterke pedagogische basis levert een belangrijke bijdrage aan het welzijn van jongeren. Schoolleiders werken daarbij samen met docenten aan een schoolcultuur waarin duidelijk is wat er van jongeren verwacht wordt en waar jongeren zichzelf kunnen zijn. Hier wordt extra op ingezet met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs. In het mbo, hbo en wo wordt onder andere vanuit het Landelijk Kader Studentenwelzijn en het programma studentenwelzijn (Stijn) op instellingen gewerkt aan een integrale aanpak van studentenwelzijn.6
Het bevorderen van welzijn vraagt ook om goede samenwerking van scholen en instellingen met lokale partners, waaronder de zorg. Doordat scholen en instellingen de jongeren dagelijks zien, kunnen zij signalen tijdig herkennen en waar mogelijk binnen de onderwijscontext passende ondersteuning organiseren of doorverwijzen naar een passende partner. Het kabinet moedigt scholen en instellingen daarbij aan om waar mogelijk weg te bewegen van een individuele, zorggerichte benadering en ook ‘nee’ te durven zeggen als zij echt worden overvraagd, en door te verwijzen naar passende ondersteuning. Tegelijkertijd kunnen scholen en instellingen soms met kleine aanpassingen al veel betekenen voor leerlingen en studenten die het moeilijk hebben. Een beetje flexibiliteit in roostering, wat speling in het moment waarop een toets wordt afgenomen – dat soort aanpassingen kunnen soms echt helpen om te zorgen dat een leerling of student niet uitvalt.
Tot slot vraagt dit ook wat van de omgeving van het kind. In de eerste plaats van de ouders. Zij hebben een belangrijke rol in het weerbaar maken van hun kinderen, en in het leren omgaan met de druk en stress die horen bij het leven. Ook wil het kabinet inzetten op een verantwoorde digitale omgeving. Zo gaat het kabinet in gesprek met het onderwijsveld over de aanscherping van de mobieltjesrichtlijn (thuis of in de kluis)7, in het kader van het recent aangekondigde regieplan digitalisering funderend onderwijs.8 Ook wordt er gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie voor jongeren.9 Deze filosofie willen we ook zo veel mogelijk toepassen bij het voornemen van dit kabinet in het coalitieakkoord dat we investeren in het mentaal welzijn en de weerbaarheid van studenten.10
Deze gezamenlijke inzet komt bovenop eerder ingezette maatregelen. Zo wordt er al gewerkt aan het verminderen van toetsdruk in het voortgezet onderwijs, werken veel scholen aan een zorgvuldige inzet van leerlingadministratiesystemen, zoals Magister en Somtoday en is er ondersteuning beschikbaar via de programma’s Welbevinden op School en Gezonde School. Daarnaast dragen maatschappelijke organisaties, vaak in samenwerking met scholen, met de Maatschappelijke Diensttijd bij aan de veerkracht en mentale gezondheid van jongeren tussen de 12 en 30 jaar. In het mbo zijn bestuurlijke afspraken over studentenwelzijn vastgelegd in de Werkagenda mbo (2023-2027),11 waarvoor mbo-instellingen kwaliteitsmiddelen kunnen inzetten. Hogescholen en universiteiten ontvangen structureel € 15 miljoen voor de implementatie van het Landelijk Kader Studentenwelzijn.12 Het Trimbosinstituut, het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO) en Pharos ondersteunen instellingen in het vervolgonderwijs bij de vormgeving van hun aanpak met kennis en praktische tools vanuit het programma Stijn, waarvoor nog eens € 1 miljoen per jaar beschikbaar is.13 Onderwijsinstellingen behouden de ruimte om goede ondersteuning te bieden en studentpsychologen in te zetten en we gaan ervan uit dat ze die ruimte pakken.
De Onderwijsraad geeft richting en inspiratie aan beleidsmakers en politiek om het beleid de komende jaren te herijken en te verbeteren. Dat doen we uiteraard samen met al onze partners in en om het onderwijs, maar vooral ook met jongeren zelf. Zo trok het LAKS recent naar aanleiding van de Staat van het Onderwijs aan de bel over prestatiedruk en mentaal welzijn en kaarten ook JOBmbo, ISO en LSVb hun zorgen aan. We blijven met hen in gesprek over wat er nodig is om met goed onderwijs bij te dragen aan het welzijn van jongeren.
Tussenevaluatie Landelijk Kader Studentenwelzijn
Vanuit het Landelijke Kader Studentenwelzijn (2023-2030)14 zetten hbo- en wo-instellingen zich, samen met studenten, in op het bevorderen van welzijn vanuit het brede perspectief, zoals de Onderwijsraad in zijn advies schetst. Het kader is opgezet vanuit het vertrekpunt dat studentenwelzijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, waarbij de student zoveel mogelijk regie houdt over het eigen leven en de instelling zorg draagt voor een inclusief studieklimaat. Naast aandacht voor preventie en thuisgevoel van studenten wordt met het kader ook ingezet op het versterken van de samenwerking tussen instellingen en de zorgketen. Recent heeft een tussenevaluatie van het Kader plaatsgevonden. Het rapport treft u in de bijlage aan.
Uit de tussenevaluatie blijkt dat bijna alle instellingen bij aanvang van het kader al beleid hadden rond welzijn. Het kader en de middelen hebben ervoor gezorgd dat het thema op de agenda bleef en dat er meer samenhang kwam in het beleid. Verder blijkt dat er ingezet wordt op zichtbare en extra-curriculaire activiteiten. Deze hebben vaak als valkuil dat ze kortdurend van aard zijn. De aanpak zou meer onderdeel van de reguliere onderwijstaak moeten zijn. En hoewel alle instellingen studenten betrekken bij de implementatie van het kader, blijkt het in de praktijk lastiger om studenten als doelgroep van het welzijnsbeleid te bereiken, met name waar het gaat om minder zichtbare groepen studenten. Wij verwachten van instellingen dat zij deze aandachtspunten meenemen. We gaan met hen in gesprek over hoe de beweging richting duurzame verankering en samenwerking met en doorverwijzing naar de zorgketen kan worden gemaakt, en hoe een meer diverse groep studenten betrokken kan worden.
Wij zien ten slotte dat instellingen vaak nog onvoldoende kennis hebben van de producten van Stijn. Samen met Stijn en de onderwijskoepels wordt bezien hoe het praktische materiaal de komende tijd meer onder de aandacht gebracht kan worden.
Verkenning studentenvoorzieningen
Instellingen in het vervolgonderwijs investeren met publieke middelen in studentenvoorzieningen die het welzijn en de sociale verbondenheid bevorderen, zoals sport- en cultuurvoorzieningen. Dit sluit aan bij het Onderwijsraadadvies om welzijn meer preventief te benaderen en in te zetten op ontmoeting en zingeving.
Instellingen mogen investeren in voorzieningen die niet vallen onder hun wettelijke taak, mits zij zich houden aan de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten. Afgelopen jaren is gebleken dat dit in sommige gevallen tot knelpunten leidde. Conform de toezegging aan uw Kamer is onderzocht in welke studentenvoorzieningen het vervolgonderwijs met publieke middelen investeert en hoe dit zich verhoudt tot de Beleidsregel.15
Uit de verkenning blijkt dat instellingen met publiek geld investeren in een breed palet aan studentenvoorzieningen en dat dit niet altijd kostendekkend is ingericht.16 Het toepassen van de Beleidsregel op deze voorzieningen kan volgens de onderzoekers leiden tot verschraling of beëindiging van het aanbod. Ook het aanbod van sport- en cultuurvoorzieningen wordt daarin als kwetsbaar gezien. Dit vinden wij onwenselijk, omdat deze voorzieningen bijdragen aan het welzijn, sociale binding en de zelfontplooiing van studenten. Het onderzoeksrapport legt bloot dat het onderscheid tussen wat publiek en wat privaat is met betrekking tot studentenvoorzieningen vaak lastig te maken is. Instellingen interpreteren dit verschillend en hanteren niet altijd een kostendekkend tarief, om voorzieningen toegankelijk te houden. Ze werken daarnaast vaak samen met private partijen en gemeenten om voorzieningen in stand te kunnen houden. Dat vinden wij positief en daar willen wij ook ruimte voor geven. Tegelijkertijd hebben wij ook de verantwoordelijkheid voor een doelmatige besteding van onderwijsgeld en het voorkomen van concurrentievervalsing.
De komende periode verkennen wij nader hoe we een juridische grondslag kunnen creëren voor het aanbieden van sport- en cultuurvoorzieningen door onderwijsinstellingen. Daarbij kijken we ook breder naar voorzieningen die zouden moeten vallen onder de publieke taak van het onderwijs. Dit vraagt om een nadere analyse per categorie voorzieningen en zorgvuldige afwegingen in de afbakening en verankering ervan. Daarbij zoeken we steeds de balans tussen het scheppen van heldere kaders, zonder in een onwerkbare detailaanpak te vervallen. En de balans tussen ruimte voor instellingen om hierin zonder drempels te kunnen investeren en scherpe keuzes met betrekking tot het rechtmatig besteden van publieke bekostiging.
Dit alles kost tijd. Totdat de grondslag in werking is getreden, blijft de uitzondering op de controle van de accountant voor investeringen met publieke middelen in sport- en cultuurvoorzieningen van kracht.17 De huidige uitzondering breiden wij uit met een uitzondering op studentenkantines en restauratieve voorzieningen die voornamelijk bedoeld zijn voor studenten en medewerkers. Het niet uitzonderen van deze voorzieningen zou kunnen leiden tot terugvordering
van bekostiging, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Beleidsregel. Dat vinden wij onwenselijk in dit stadium. Wij zullen uw Kamer op de hoogte houden van de verdere uitwerking en hierover met instellingen en studenten in gesprek gaan. De motie van het lid Stultiens (GroenLinks-PvdA) over gelijkwaardige toegang tot studentenvoorzieningen voor mbo-studenten zullen wij bij de uitwerking meenemen.18
Overige moties en toezeggingen
Toezegging Ceder over geestelijke verzorging
Naar aanleiding van de toezegging aan het lid Ceder (CU)19 heeft mijn ministerie gesproken met de beroepsvereniging van geestelijk verzorgers over de bijdrage die geestelijke verzorging in het onderwijs kan hebben. Er is geconstateerd dat er mogelijkheden zijn om geestelijke verzorgers in te zetten bij het bevorderen van zingeving in het onderwijs. Die mogelijkheid is niet altijd bekend. Scholen en instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij hun onderwijs inrichten. Ook wordt er door het Expertisecentrum Levensbeschouwing en Religie in het Voortgezet Onderwijs een landelijk kerncurriculum voor het vakgebied levensbeschouwing en religie ontwikkeld dat scholen kunnen gebruiken als inspiratiebron. In het mbo, ho en wo werkt het programma Stijn aan het thema zingeving en heeft daarbij onder andere ook contact met geestelijk verzorgers.
Motie Ceder/Westerveld over suïcidepreventie
De leden Ceder en Westerveld (GroenLinks-PvdA) hebben een motie over suïcidepreventie ingediend.20 Deze motie verzocht om de belemmeringen voor passende suïcidepreventie in het onderwijs te inventariseren. Experts benadrukten het belang van een sterke preventieve pedagogische basis. Dit sluit goed aan bij de gedachte van de Onderwijsraad en het kabinet. Daarbij blijft het van belang dat scholen in situaties waarin sprake kan zijn van suïcidale gedachten weten hoe zij adequaat kunnen handelen. Vertrouwenspersonen en intern begeleiders worden hierbij gezien als een belangrijke en laagdrempelige ingang. Docenten en vertrouwenspersonen geven aan dat er vooral behoefte is aan duidelijke protocollen, concrete handvatten en stappenplannen voor het omgaan met leerlingen met (mogelijk) suïcidale gedachten. De aanpak STORM is daar een goed voorbeeld van, maar er zijn ook andere initiatieven. Wij gaan daarom de komende tijd inzetten op het beter ontsluiten van dit aanbod voor scholen. Ook in het vervolgonderwijs blijft aandacht voor suïcidepreventie. Tweejaarlijks wordt de monitor Mentale gezondheid en middelengebruik voor het hbo en wo afgenomen en aan de Kamer aangeboden. De uitkomsten bespreken we met het veld, waarbij we expliciet stil staan bij het onderwerp suïcidepreventie.21
Tot slot
We hebben allemaal een taak als het gaat om het welzijn van onze jongeren. Het kabinet gaat de komende periode aan de slag met verbetering van de kwaliteit van onderwijs voor alle jongeren, met oog voor het welzijn van leerlingen en studenten op een manier die past bij de kracht van het onderwijs.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
De staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie,
J.Z.C.M. Tielen
Unicef, Innocenti Report Card 19. Child Well-Being in an Unpredictable World, 2025. WHR, Happiness and Social Media, 2026.↩︎
Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, Op de rem – Voorbij de hypernerveuze samenleving, 2023.↩︎
Centraal Bureau voor de Statistiek, Jeugdmonitor 2025: Welzijn, 2025.↩︎
Onderwijsraad, Verkenning Welzijn en onderwijs, 2026.↩︎
Commissiebrief, kenmerk 2026Z01119.↩︎
Kamerstukken II, 2022-2023, 31 288/31.524, nr. 1067; Kamerstukken II, 2024-2025, 31↩︎
Rijksoverheid, Aan de slag 2026–2030. Coalitieakkoord (Den Haag: Rijksoverheid, 2026), p. 60.↩︎
Kamerstukken II, 2025/2026, 32 034, nr. 72↩︎
Rijksoverheid, Aan de slag 2026–2030. Coalitieakkoord (Den Haag: Rijksoverheid, 2026), p. 59.↩︎
Rijksoverheid, Aan de slag 2026–2030. Coalitieakkoord (Den Haag: Rijksoverheid, 2026), p. 49.↩︎
Kamerstukken II, 2025-2026, 31 524, nr. 690. ↩︎
Kamerstukken II, 2022-2023, 31 288/31 524, nr. 1067.↩︎
Kamerstukken II, 2025-2026, 31 288, nr. 1224.↩︎
Landelijk Kader Studentenwelzijn 2023-2030 | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎
TZ202505-036.↩︎
Uit het onderzoek komen de volgende categorieën: sport en recreatie, studentenorganisaties en verenigingen, loopbaan- en netwerkvoorzieningen, internationale en uitwisselingsfaciliteiten, kunst en cultuur, educatieve extra’s, horeca en restauratie, huisvesting en kort verblijf, mobiliteit en vervoer, zorg/welzijn en begeleiding, digitale- en hybride voorzieningen.↩︎
Een afschrift van de brief die aan de instellingen is gestuurd: Kamerstukken II, 2024-2025, 36 341, nr. 11. Daarbij zeg ik toe deze jaren ook niet te zullen laten handhaven op eventuele investeringen van publieke middelen in sport en cultuur, die niet aan de voorwaarden uit de beleidsregel voldoen.↩︎
Kamerstukken II, 2024-2025, 31 288, nr. 1192.↩︎
Kamerstukken II, 2025-2026, 31 288, nr. 1224.↩︎
Kamerstukken II, 2024-2025, 31 524, nr. 659.↩︎
Hiermee geef ik invulling aan de volgende toezegging: TZ202406-023.↩︎