Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het Jaarverslag Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 (Kamerstuk 36945-VII-1)
Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D32791, datum: 2026-06-25, bijgewerkt: 2026-07-01 17:07, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: D.L. de Keijzer, adjunct-griffier
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij het verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het Jaarverslag Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 (Kamerstuk 36945-VII-1)
Onderdeel van kamerstukdossier 36945 VII-17 Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 .
Onderdeel van zaak 2026Z14665:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-07-02 11:30 ā Voor kennisgeving aangenomen. (Besluit)
- 2026-06-30 16:00 ā Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-06-30 16:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-07-02 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (š origineel)
36 945 VII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025
Nr. 17 Verslag van een schriftelijk overleg
Vastgesteld 25 juni 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 20 mei 2026 over de brieven inzake Jaarverslag en Slotwet Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2025 (Kamerstuk 36 945 VII, nr. 1), Jaarverslag en Slotwet overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten van de Gouverneurs en de Kiesraad 2025 (Kamerstuk 36 945 IIB, nr. 1), Jaarverslag en slotwet gemeentefonds 2025 (Kamerstuk 36 945 B, nr. 1) en Jaarverslag en slotwet provinciefonds 2025 (Kamerstuk 36 945 C, nr. 1).
De vragen en opmerkingen zijn op 16 juni 2026 aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 25 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie,
Kisteman
Adjunct-griffier van de commissie,
De Keijzer
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de rapporteur
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen namens de rapporteur
Positief beeld over besteding van middelen, maar verlies van inzicht in moties en toezeggingen
Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft in 2025 ruim ⬠4,4 miljard uitgegeven. Dat is 1,22% van de totale rijksuitgaven over 2025. De Algemene Rekenkamer is in haar verantwoordingsonderzoek redelijk positief over de besteding van deze middelen.
Wat opvalt is dat het jaarverslag geen bijlage meer bevat met een overzicht van (afgedane en nog openstaande) moties en toezeggingen. Tot voor kort was dat gebruikelijk bij de begroting en het jaarverslag. Deze bijlage is voor veel Kamerleden nuttig en inzichtelijk. De rapporteur vraagt de minister daarom waarom deze bijlage niet langer in de begroting en de verantwoordingsstukken wordt opgenomen en of de minister de Kamer kan toezeggen deze bijlage met ingang van de begroting 2027 opnieuw toe te voegen.
Antwoord:
De informatievoorziening aan uw Kamer heeft de voortdurende aandacht van dit kabinet. Zoals met uw Kamer is gedeeld (Kamerstukken II 2024/25, 36725, nr. 1) wordt het overzicht van moties en toezeggingen niet meer opgenomen in de begrotingsstukken, omdat de Kamer dit inmiddels ook zelf bijhoudt. Het niet meer opnemen van deze bijlage is ook relevant in het licht van de taakstellingen op het ambtenarenapparaat en het bouwen aan een slanke en slagvaardige overheid waarbij er voortdurend wordt bekeken op welke wijze processen efficiƫnter kunnen worden ingericht.
Duidelijk vooruitgang in resultaten herstel- en versterkingsoperatie Groningen, maar dit leidt nog niet tot meer tevredenheid en vertrouwen onder Groningers
De herstel- en versterkingsoperatie in Groningen is qua uitgaven verreweg het grootste begrotingsartikel van de begroting van het ministerie van BZK. De Rekenkamer concludeert dat er in 2025 duidelijk voortgang is geboekt in de schadeafhandeling Ć©n in de versterking van woningen in het aardbevingsgebied (pagina 17). Er is in 2025 bijna twee keer zoveel schade afgehandeld als in 2024. En eind 2025 was ongeveer twee derde van de huizen versterkt. Ook ziet de Rekenkamer dat er werk is gemaakt van het āmilder, menselijker en makkelijkerā werken. De rapporteur moedigt de minister aan om deze lijn voort te zetten in 2026. Overigens wijst de Rekenkamer erop dat er nog geen grotere tevredenheid en meer vertrouwen is van de Groningers (pagina 23). Daar is dus nog werk aan de winkel. De rapporteur vraagt de minister om een reflectie.
Antwoord:
Ik herken de conclusies van de Rekenkamer dat er vooruitgang is geboekt, maar dat er tegelijkertijd nog veel werk te doen is. Zoals de Rekenkamer ook aangeeft, is er in de uitvoering bewust voor gekozen om zorgvuldigheid zwaarder te laten wegen dan snelheid. Deze keuze acht ik, mede gezien de lessen uit het verleden, noodzakelijk om te komen tot een aanpak die recht doet aan de problemen waar een deel van de gedupeerden nog steeds mee te maken heeft.
Ten aanzien van het vertrouwen en de tevredenheid van bewoners ben ik het ermee eens dat hier verdere verbetering nodig is. Dat geldt in het bijzonder voor de versterkingsoperatie. In 2025 is het begrip van bewoners voor besluiten van de NCG weliswaar toegenomen, en wordt het persoonlijke contact met bewonersbegeleiders gewaardeerd, maar het overkoepelende beeld is niet verbeterd. De ACVG heeft in zijn recente advies over de beoordelingsrapporten ook geconstateerd dat er bij de beoordelingen nog te veel situaties zijn waarin bewoners onvoldoende worden betrokken en zich niet gehoord voelen. Ik neem de conclusies en aanbevelingen uit dit rapport volledig over en heb uw Kamer hierover op 24 juni jl. geĆÆnformeerd (Kamerstukken II 2025/26. 33529, nr. 1382). Hierbij kies ik voor een gefaseerde aanpak, waarbij de opvolging van de aanbevelingen hand in hand moet gaan met bredere verbetering van de uitvoeringskwaliteit en het voortzetten van de versterkingsoperatie.
In de schadeafhandeling zien we ondertussen dat het vertrouwen in het IMG geleidelijk toeneemt. Het IMG bevraagt sinds enige jaren mensen die een aanvraag hebben gedaan. De gemiddelde tevredenheid over alle regelingen is volgens de meest recente monitor āBouwen aan herstelā sinds de start van de meting in de tweede helft van 2024 gestegen van een 6,4 naar een 6,9 eind 2025. Tegelijk zien we dat er substantiĆ«le verschillen bestaan tussen de ervaringen van bewoners met de schadeafhandeling. Dit kwam ook onlangs terug in de rapporten van de Nationale ombudsman. Daarom zet het IMG onder andere in op betere begeleiding van bewoners, begrijpelijkere communicatie, met prioriteit afhandelen van langlopende dossiers en het gericht oplossen van complexe en vastgelopen dossiers. Verder zijn dit jaar nieuwe mogelijkheden beschikbaar gekomen om mensen makkelijker te helpen, zoals een vaste herhaalvergoeding bij nieuwe schades. Ook gaat het IMG alle inwoners die geen schade (meer) melden, maar mogelijk wel voor herstel of een vergoeding in aanmerking komen, proactief benaderen.
De ontwikkelingen in het vertrouwen en de tevredenheid worden ook door de NCG nauw gevolgd. In aanvulling op zijn jaarlijkse tevredenheidsonderzoek, voert NCG op dit moment een proef uit met kort cyclisch meten. Daarbij worden bewoners veel regelmatiger op adresniveau gevraagd naar een oordeel over de dienstverlening.
Ook de maatschappelijke organisaties houden een vinger aan de pols. Zo vraagt de Groninger Bodembeweging in āde Staat van het Kerngebiedā naar de ervaringen van inwoners in de gemeenten waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden, en houdt het Groninger Gasberaad een jaarlijkse enquĆŖte onder een grote steekproef van inwoners van Groningen en Noord-Drenthe. Ik zal de ontwikkeling van de tevredenheid en het vertrouwen de komende jaren nauwgezet blijven volgen, onder andere via de jaarlijkse Staat van Groningen & Noord-Drenthe, waarin elk jaar de verschillende resultaten en onderzoeken bij elkaar worden gebracht en van een onafhankelijk oordeel worden voorzien. Dit moet helpen om te volgen wat het effect is van de verschillende verbetermaatregelen die NCG en het IMG doorvoeren.
Jaarverslag weinig inzichtelijk, meetbare doelen zijn nodig om goed te kunnen evalueren
De rapporteur vraagt verder aandacht voor het belang van meetbare doelen in begrotingsstukken. Het jaarverslag is een lange opsomming van het beleid dat per begrotingsartikel heeft plaatsgevonden. Het geeft weinig inzicht in welke meetbare doelstellingen er waren bij die uitgaven en in hoeverre die behaald zijn. Dat zou je wel verwachten bij een jaarverslag.
Het dashboard Blik op Nederland: doelen en resultaten dat de Rekenkamer in maart 2026 publiceerde, laat zien dat dit ook anders kan. Rondom tien beleidsthemaās worden een aantal indicatoren en de score van de afgelopen jaren weergegeven. Dat geeft inzicht in hoe Nederland scoort op een aantal terreinen.
Ook de factsheet Brede Welvaart die het CBS publiceerde bij het jaarverslag doet dit, en dan breder kijkend naar de kwaliteit van leven.
De rapporteur daagt de minister uit om met de bril van deze initiatieven naar zijn jaarverslag te kijken. Kan de minister toezeggen om het jaarverslag meer op deze manier vorm te geven, waardoor het inzicht geeft in de meetbare doelen die met uitgaven beoogd waren en in hoeverre deze doelen behaald zijn? Is de minister het met de rapporteur eens dat dat het doel van het jaarverslag zou moeten zijn? Kan de minister toezeggen om in de begroting voor 2027 zo veel mogelijk meetbare doelen op te nemen?
Wanneer er meetbare doelen worden geformuleerd, kunnen bij evaluatieonderzoek conclusies worden getrokken of beleid heeft bereikt wat het beoogde. Een voorbereidingsgroep, bestaande uit de leden Sneller (D66) en Meulenkamp (VVD), is bezig om te kijken hoe de commissie aan evaluatieonderzoek meer aandacht kan besteden. Ook daarvoor is het dus belangrijk om zo veel mogelijk meetbare doelen te formuleren.
Antwoord:
Ik onderschrijf het belang van concrete en meetbare doelen ten zeerste en zorg ervoor dat deze zoveel mogelijk en goed vindbaar in de begrotingsstukken worden opgenomen. Om de doelen van mijn beleid goed in de begroting te verankeren, doe ik dit vanaf de Ontwerpbegroting 2027 op drie verschillende plekken:
1. In de beleidsagenda: departementale hoofddoelen en prioriteiten
Vanaf de Ontwerpbegroting 2027 zal ik jaarlijks in de beleidsagenda beter inzichtelijk maken wat mijn prioriteiten en de hoofddoelen voor het betreffende jaar zijn. Hierbij volg ik de instructies uit de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV), die recentelijk zijn aangepast om invulling te geven aan de moties Van der Lee (PRO) c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 7), Hoogeveen (JA21) (Kamerstuk 36945, nr. 17) en Van der Lee (PRO) c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risicoās in begrotingsstukken.
2. In de beleidsartikelen: op het niveau van de algemene doelstelling
Elk afzonderlijk beleidsartikel in mijn begroting start met een beschrijving van de algemene doelstelling. Om ervoor te zorgen dat deze algemene doelstellingen in de tijd relevant blijven, bekijk ik na de afronding van elke Periodieke Rapportage opnieuw of de formulering van deze algemene doelstelling nog goed aansluit bij de actuele beleidstheorie. Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) wordt in elke Periodieke Rapportage een beleidstheorie opgenomen. Waar nodig pas ik de algemene doelstelling daarop vervolgens aan. In de Ontwerpbegroting 2026 heb ik dit voor het eerst gedaan voor begrotingsartikel 7. In de Ontwerpbegroting 2027 zal ik dit doen voor de recent afgeronde Periodieke Rapportage over begrotingsartikel 6.5. Alle beleidsartikelen zijn afgedekt door Periodieke Rapportages dus deze werkwijze geldt voor alle beleidsartikelen.
3. In de beleidsartikelen: op het niveau van concrete beleidsdossiers:
Naast de algemene doelstellingen heb ik ook concrete doelstellingen op specifieke beleidsdossiers. Voor beleidsdossiers met een grote financiĆ«le impact, van meer dan ⬠20 mln., geef ik hierover meer inzicht via de rijksbrede werkwijze "Beleidskeuzes uitgelegd". Hiermee maak ik op het niveau van concrete beleidsmaatregelen de directe koppeling tussen de beleidsdoelen en ingezette middelen inzichtelijk. Omdat informatie over deze doelen nu nog via aparte Kamerbrieven verloopt, heb ik de Tweede Kamer eerder toegezegd om vanaf de begroting van 2027 ā in de beleidsartikelen - direct te gaan verwijzen naar deze eerder verstuurde kaders. Zo heeft uw Kamer direct in het begrotingsartikel zelf het benodigde inzicht in de onderbouwing van beleidsmaatregelen waarover ik een kader āBeleidskeuzes Uitgelegdā heb verstuurd.
Tot slot, binnen het ministerie zet ik in de fase van beleidsvoorbereiding actief in op het gebruik van het beleidskompas. Het beleidskompas heeft specifieke aandacht heeft voor de formulering van doelstellingen. Na de beleidsvoorbereiding is het van belang te blijven toetsen of lopend beleid daadwerkelijk bijdraagt aan de gestelde doelen en of de ingezette middelen doelmatig zijn besteed. Ik deel daarom de opmerking van de rapporteurs dat beleidsevaluaties daarin een belangrijk instrument vormen. De ontwerpbegroting 2027 zal een geactualiseerde Strategische Evaluatie Agenda (SEA) bevatten waarin zichtbaar wordt welke evaluatieonderzoeken ik de komende jaren wil uitvoeren. Sinds vorig jaar ontvangt de Tweede Kamer, jaarlijks rond Verantwoordingsdag, van mij de zogenaamde kamerbrief āOpvolging in Beeldā. Hierin informeer ik de Tweede Kamer over de opvolging van aanbevelingen uit afgeronde evaluaties. Naast inhoudelijke aanbevelingen bevat deze brief ook aanbevelingen die gaan over verbeteringen die ik op verschillende beleidsdossiers zet op het gebied van beleidskwaliteit, zoals het formuleren van beleidstheorieĆ«n, concrete doelstellingen en passende evaluatiemethodes.
Minister heeft voor taakstelling geen concrete doelen en coƶrdinerende taken geformuleerd
Het laatste onderwerp waar de rapporteur aandacht voor vraagt, en wat een illustratie is van het vorige punt, is de aangekondigde taakstelling. Het kabinet-Schoof wilde bezuinigen door minder ambtenaren en minder externe inhuur. De minister van BZK coƶrdineert deze taakstelling. Hieraan zijn geen concrete doelen gekoppeld, zo concludeert de Rekenkamer (p. 28). Uit de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk blijkt dat het aantal rijksambtenaren in 2025 minder sterk is gestegen dan in eerdere jaren. In die Jaarrapportage is de doelstelling als volgt geformuleerd (p. 106): āHet rijksbreed monitoren en rapporteren over de realisatie van de budgettaire taakstelling op de apparaatsuitgaven oplopend tot een structurele bezuiniging van bijna ƩƩn miljard euro vanaf 2029.ā
Dat is in de ogen van de rapporteur geen meetbare doelstelling. Een doelstelling zou moeten beschrijven op welke wijze minder ambtenaren nodig zijn (Welke taken worden niet of anders ingevuld? Welke prioriteiten worden gesteld?). In reactie op het verantwoordingsonderzoek van de Rekenkamer geeft de minister aan concrete doelen te gaan formuleren (p. 49). De bezuinigingen zijn echter al wel ingeboekt. Deelt de minister de conclusie van de rapporteur dat dit niet de goede volgorde is? En dat het juist met zoān grote operatie om de Rijksoverheid beter te laten functioneren belangrijk is om doelen te formuleren, zodat de voortgang kan worden bijgehouden?
Ook vraagt de rapporteur de minister hoe hij zijn coƶrdinerende rol op dit terrein wil vormgeven. Gaat hij alleen āmonitoren en rapporterenā, zoals de doelstelling uit de Jaarrapportage stelt, of omvat zijn coƶrdinerende rol meer dan dat?
Antwoord:
De observatie van de rapporteur, dat er geen concrete doelstellingen aan de taakstelling kabinet-Schoof rond aantallen ambtenaren en externe inhuur zijn verbonden, deel ik. Er is voor gekozen om het te beschouwen als een budgettaire taakstelling die departementen zelf moeten invullen. Het kabinet heeft wel richting gegeven voor het invullen van de taakstelling door de departementen. Uw Kamer is hierover per brief op 14 maart 2025 geĆÆnformeerd.
Met betrekking tot de monitoring en verantwoording is in het kabinet afgesproken dat departementen zelf, in hun begroting en jaarstukken, de Kamer informeren over de voortgang en invulling van de taakstelling. De rol van de staatssecretaris van BZK voor de taakstelling van het kabinet-Schoof is daarom ook beperkt en daarom kan ik mij enkel richten op het inzichtelijk maken van de ontwikkeling van het aantal ambtenaren en de externe inhuur. Daarnaast kan ik, vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de rijksbrede bedrijfsvoering, wel kaders en richting geven op dit deel via bijvoorbeeld de rijkshuisvesting.
De taakstelling is enkel budgettair ingestoken. Na het verwerken hiervan in de administratie zijn er financiƫle ontwikkelingen en inhoudelijke keuzes die gemaakt moeten worden. Per saldo telt dit op tot de in het kader van de taakstelling te realiseren bedragen. Zoals aangegeven rapporteren de departementen zelf over de inhoud van die keuzes. Dit heb ik ook aangegeven in mijn brief van 3 oktober 2025.
De voorzet van de rapporteur voor een doelstelling in de vorm van een beschrijving op welke wijze minder ambtenaren nodig zijn impliceert wĆØl een expliciete krimpdoelstelling in fteās; maar daar heeft het kabinet-Schoof zoals gezegd niet voor gekozen.
In reactie op het verantwoordingsonderzoek van de Rekenkamer heb ik aangegeven wel concrete doelstellingen te willen formuleren voor de taakstellingen van het huidige kabinet. In navolging van de moties lid van Dijck (PVV) (Kamerstuk 36945, nr. 14) en de motie van lid Van der Maas (VVD) c.s. (Kamerstuk 36945, nr. 16) in het verantwoordingsdebat ben ik van plan om expliciet te sturen op de omvang van het aantal fteās. Over de wijze waarop dit vorm zal worden gegeven, zal ik, na bespreking hiervan in het Kabinet, de Kamer na de zomer informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Jaarverslagen en Slotwetten van de minister van BZK over het jaar 2025 en danken rapporteur Boelsma-Hoekstra voor haar voorbereidend werk en inbreng. Deze leden zijn na het lezen van de stukken gesterkt in hun opvatting dat er veel kansen liggen voor het kabinet om te werken aan een rijksoverheid die resultaten boekt en naast burgers staat, niet boven hen. Daarover hebben zij enkele vragen.
Algemeen
De leden van de D66-fractie hechten grote waarde aan een overheid die betrouwbaar, dienstbaar en nabij is, en zijn verheugd dat het kabinet werkt aan een actieagenda voor een slagvaardige overheid. Deze leden constateren dat groeiende bestuurlijke complexiteit en regeldruk niet alleen nadelige gevolgen heeft voor de overheid en ondernemers, maar ook burgers in toenemende mate confronteert met administratieve lasten wanneer zij aanspraak willen maken op publieke dienstverlening. Hierbij valt te denken aan uitgebreide formulieren en complexe voorwaarden. Deelt de minister de mening dat het terugdringen van administratieve lasten voor burgers om meer actie vraagt, zo vragen zij.
Antwoord:
Er wordt op verschillende plekken al veel gewerkt aan het terugdringen van administratieve lasten voor burgers. Ik deel dat dit niet voldoende is en dat er meer actie nodig is. Burgers, bedrijven en uitvoerders ervaren dagelijks de complexiteit: regels sluiten soms niet goed op elkaar aan, worden door instanties verschillend geĆÆnterpreteerd en zijn niet altijd logisch in samenhang. De overheid moet slagvaardiger worden en maatschappelijke opgaven sneller oplossen. Onderdeel daarvan is het vereenvoudigen van wet- en regelgeving. Als staatssecretaris zet ik mij samen met ministeries, publieke dienstverleners en inspecties in om met een eerste tranche van een Vereenvoudigingswet te komen. Dit wordt na de zomer aan uw Kamer verstuurd. Daarnaast wordt ook met hetzelfde netwerk gewerkt aan een aanpak om vereenvoudigingsdilemmaās volgens een vaste wijze en ritmiek op te halen en uit te werken en jaarlijks via de vereenvoudigingswet te agenderen voor politieke besluitvorming. Verder gaan we vanuit de slagvaardige overheid inzetten op vereenvoudiging voor burgers. Hier wordt een aanpak op ontwikkeld zodat we overheidsbreed zorgen voor doorbraken hierop. We zetten in op doen, dus geen overdaad aan analyses en langdurige trajecten, maar resultaten.
De leden van de D66-fractie lezen in de beantwoording van feitelijke vragen over het jaarverslag dat het kabinet op dit moment niet beschikt over concrete indicatoren om de administratieve lasten voor burgers structureel te meten en te monitoren. Deze leden zijn van mening dat dergelijke indicatoren een belangrijke bijdrage kunnen leveren bij het formuleren en evalueren van beleid. Zij vragen de minister inzichtelijk te maken op welke wijze het perspectief en de administratieve lastendruk van de burger desalniettemin effectief worden betrokken bij de verdere uitwerking van regeringsvoorstellen in het kader van een slagvaardige overheid, waaronder de actieagenda en de jaarlijkse vereenvoudigingswet.
Antwoord:
Ik onderschrijf het belang om doelstellingen te definiƫren en administratieve lasten meetbaar te maken en te monitoren. Departementen zullen hier zelf mee aan de slag moeten. Wij werken uit wat er helpend is om op het gebied van vereenvoudiging te monitoren en meetbaar te maken, met als doel om de lastendruk voor burgers, bedrijven en uitvoering te verminderen. Waar mogelijk maken wij daarbij gebruik van bestaande metingen en instrumenten, zoals de resultaten van de monitoring door de Algemene Rekenkamer. Wij informeren uw Kamer hier dit jaar over.
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat wel degelijk gegevens worden opgehaald met betrekking tot regeldruk van ondernemers, bijvoorbeeld in het midden- en kleinbedrijf (mkb)-indicatorbedrijvenonderzoek. Waarom ontbreekt een vergelijkbare benadering voor de burger, zo vragen deze leden. Is de minister bereid te onderzoeken hoe vergelijkbare indicatoren voor de administratieve lasten van burgers kunnen worden ontwikkeld en ingevoerd, zodat de effecten van beleid gemeten kunnen worden?
Antwoord:
De vraag of vergelijkbare indicatoren voor de administratieve lasten van burgers kunnen worden ontwikkeld en ingevoerd, zal onderdeel zijn van de uitwerking hiervan zoals genoemd in bovenstaand antwoord op de vraag hierover van uw fractie. Graag verwijs ik daarom ook naar dit antwoord.
De leden van de D66-fractie constateren dat in de recente publicatie Ombudsvisie proactieve overheid ook de Nationale Ombudsman pleit voor meer actie voor het terugdringen van administratieve lasten. Hij signaleert dat juist kwetsbare burgers het meeste te maken krijgen met dergelijke lasten wegens hun afhankelijkheid van de overheid. Hoe beoordeelt de minister deze publicatie, zo vragen deze leden. Is hij bereid de inzichten uit de ombudsvisie te betrekken bij de verdere uitwerking van regeringsvoorstellen in het kader van een slagvaardige overheid?
Antwoord:
Ik onderschrijf en waardeer de Ombudsvisie Proactieve Overheid van de Nationale Ombudsman. De visie benadrukt dat een behoorlijke overheid proactief handelt om administratieve lasten voor burgers te verminderen en het niet-gebruik van regelingen tegen te gaan. Zo wordt gewerkt aan het versterken van vertrouwen in de overheid.
Daarmee bevestigt de Ombudsvisie de overheidsbrede Visie Proactieve Dienstverlening , die met publieke dienstverleners, medeoverheden en departementen tot stand is gekomen, en spoort het de overheid aan om aan de slag te gaan.
Deze visie is ontwikkeld vanuit de constatering dat burgers vaak te maken hebben met complexe wet- en regelgeving, ingewikkelde aanvraagprocedures en onzekerheid over hun rechten en plichten. Hierdoor kunnen burgers niet altijd gebruik maken van de voorzieningen waarop zij recht hebben of ervaren zij onnodige administratieve lasten. In de overheidsbrede visie staat daarom de leefwereld van burgers centraal in dienstverlening. Het uitgangspunt is dat de overheid tijdig zelf actie onderneemt om mensen te informeren, te helpen of de juiste diensten aan te bieden, zodat zij met zo min mogelijk inspanning krijgen waar zij recht op hebben en kunnen voldoen aan verplichtingen. Hierbij kan proactieve dienstverlening verschillende vormen aannemen: eerder aanbieden van dienstverlening, verbreden van de vraag en initiatiefverschuiving van mensen naar de overheid. Of en in welke vorm het waarde toevoegt voor mensen, hangt af van de specifieke situatie.
Proactieve dienstverlening vraagt om gedeeld eigenaarschap. Als overheidsinstanties delen we met elkaar dezelfde opdracht om mensen op tijd te informeren, te helpen en de juiste diensten aan te bieden. Proactieve dienstverlening vraagt om passende waarborgen en randvoorwaarden. Daarbij gaat het onder meer om zorgvuldige gegevensdeling, bescherming van privacy, transparantie over overheidshandelen en het behoud van regie en keuzevrijheid voor burgers. Deze inzichten komen in beide visies naar voren en zullen centraal staan bij de verdere uitwerking van proactieve dienstverlening binnen de actielijn āuitstekende (digitale) publieke dienstverleningā van de slagvaardige overheid.
De leden van de D66-fractie wijzen op de constatering van de Raad van State in haar jaarverslag dat de overheid te weinig oog heeft voor het perspectief van toekomstige generaties. Ook wijzen deze leden op de constatering van de Algemene Rekenkamer (Rekenkamer) dat veel lange termijndoelen van de overheid uit zicht zijn. Zij zijn van mening dat de grote verantwoordelijkheid die de overheid heeft over de langere termijn en toekomstige generaties het nog te vaak verliest van belangen van de korte termijn. Zij zien in het borgen van dat perspectief een belangrijke rol weggelegd voor het ministerie van BZK, in het kader van de democratische rechtsstaat en slagvaardig bestuur.
De leden van de D66-fractie merken op dat het kabinet zich hiervoor inspant middels de āLeidraad Toekomstgericht beleidā waarnaar sinds eind 2025 wordt verwezen in het beleidskompas. Kan de minister aangeven hoe vaak de Leidraad inmiddels gehanteerd is in een beleidsproces, zo vragen deze leden. Hoe weegt de minister de kritiek van de Raad van State en de Rekenkamer, ondanks de bestaande inspanningen, de totstandkoming van de Leidraad en eerdere instrumenten die daar deel van uitmaken, waaronder de generatietoets?
Antwoord:
Eind 2025 is het Beleidskompas, de verplichte werkwijze voor beleidsontwikkeling binnen de Rijksoverheid, inderdaad uitgebreid met een verwijzing naar de nieuw ontwikkelde āLeidraad Toekomstgericht Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheidā. Deze leidraad helpt beleidsmakers om langetermijneffecten en intergenerationele impact explicieter mee te wegen in de ontwikkeling van beleid. Ter ondersteuning daarvan biedt de Toolbox Toekomstgericht Beleid een praktische verzameling methoden, trainingen en voorbeelden.
De beleidsmakers bij de verschillende departementen hebben zelf de regie over mogelijk gebruik en de toepassing van de Leidraad. De Leidraad valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, maar het gebruik ervan door beleidsmakers is niet centraal belegd binnen de Rijksoverheid. Hoe vaak de Leidraad is gehanteerd in beleidsontwikkeling wordt dan ook niet bijgehouden.
De maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat, vragen om beleid dat niet alleen inspeelt op actuele vraagstukken, maar ook rekening houdt met ontwikkelingen die zich over langere tijd voltrekken en met de gevolgen van keuzes voor toekomstige generaties. Binnen de rijksdienst is er aandacht voor het belang van een stevige lange termijn oriƫntatie in beleid en besluitvorming, ik onderschrijf daarmee de aandacht die langetermijndenken krijgt van de Raad van State en de Algemene Rekenkamer. Het SGO (Overleg van Secretarissen-Generaal) heeft deze ambitie nadrukkelijk ook opgepakt. In zijn laatste brief aan de informateur stelt het SGO dat het de komende jaren actief wil investeren in tijd en ruimte om lange termijn ontwikkelingen structureel te agenderen en te betrekken bij beleidsvorming. Het doel is dat lange termijnperspectieven niet incidenteel, maar vanzelfsprekend onderdeel zijn van beleidsontwikkeling, prioritering en besluitvorming. Mede om die reden is ABDTOPConsult gevraagd om een advies dat op een praktische en uitvoerbare manier helpt om deze beweging te versnellen en duurzaam te verankeren.
Het aankomende ABDTOPConsult advies wordt in samenhang gezien met het WRR-project De toekomst in beleid, dat zekerheden voor 2050 onderzoekt zodat beleidsmakers meer grip kunnen krijgen op de keuzes van nu. Het gaat dan over gegevenheden of ontwikkelingen waarmee ons land onherroepelijk wordt geconfronteerd.
De bovenstaande acties laten zien dat het integreren van het de belangen van toekomstige generaties in beleidsontwikkeling niet uitsluitend via de Leidraad plaatsvindt en dat hiervoor al verschillende acties zijn ondernomen.
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat in een democratie iedere stem gehoord dient te worden en dus ook die van de toekomstige generaties. Deze leden constateren echter dat er momenteel geen natuurlijke vertegenwoordiger van dit geluid is aangewezen. Deelt de minister het uitgangspunt dat ook de stem van de toekomst gehoord moet worden bij de totstandkoming van beleid, zo vragen zij. Deelt hij de mening dat een functionaris die toekomstige generaties vertegenwoordigt, zoals in Wales en Hongarije al bestaat, zou kunnen bijdragen aan effectiever lange termijnbeleid?
Antwoord:
Binnen elke politieke besluitvorming is er sprake van een belangenafweging, naast de belangen van de huidige generaties worden ook de belangen van de toekomstige generaties hierin meegenomen. In juli 2025 hebben de leden Sneller (D66) en Chakor (GL-PVDA) een motie ingediend die zag op het verkennen van de mogelijkheden voor het aanstellen van een nationale ombudsman voor toekomstige generaties. In reactie op die motie heeft het kabinet toen onder meer aangegeven dat gewerkt wordt aan een instrumentarium dat ook het belang van toekomstige generaties zou moeten borgen. Inmiddels is de āLeidraad Toekomstgericht beleidā onderdeel van het Beleidskompas geworden en daarmee in werking getreden. Ook wijs ik naar het eerdere benoemde WRR-project en het onderzoek van ABDTOPConsult in het antwoord hiervoor.
Naast de Leidraad en de acties uit bovenstaande antwoord zijn interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO) en langjarige beleidsprogrammaās bestaande instrumenten die de belangen van toekomstige generaties meewegen in beleidsvorming. IBOās bieden onafhankelijke ambtelijke analyses van complexe, langlopende maatschappelijke vraagstukken. Zo onderzoeken het IBO Vereenvoudiging sociale zekerheid en het IBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur hoe beleid toekomstbestendig kan worden ingericht. Het Nationaal Deltaprogramma is een voorbeeld van een langjarig beleidsprogramma en legt vast hoe de overheid Nederland nu en in de toekomst beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoet water en werkt aan een klimaatbestendige inrichting van het land.
Ik ben van mening dat al deze inspanningen toereikend zouden moeten zijn om een effectiever lange termijn beleid te kunnen voeren. Het uitbreiden van dit instrumentarium met een functionaris zoals de leden van de D66 fractie beschrijven, vind ik niet noodzakelijk.
3.3 Betrouwbare, dienstbare en rechtvaardige Rijksdienst
De leden van de D66-fractie hebben een terugkerend aandachtspunt betreft de wijze van sturing op het ambtelijk apparaat en de apparaatskosten. Het vorige kabinet stelde ambities met betrekking tot het terugdringen van het aantal ambtenaren. De Rekenkamer signaleerde over het jaar 2025 desondanks een toename van het aantal rijksambtenaren en gebrek aan zicht op een afname in de toekomst. Deze leden zijn van mening dat een taakstelling op het apparaat succesvol is wanneer zij gericht wordt ingezet daar waar productiviteitsruimte te behalen valt. Zij wijzen op de vele adviezen van het Instituut voor Publieke Sector Efficiƫntie Studies (IPSE). Hoe gaat de minister de inzichten uit IPSE-rapporten betrekken bij de verdere uitwerking van de taakstelling, ook in de coƶrdinerende rol van het ministerie van BZK ten opzichte van andere ministeries, zo vragen zij. Welke lessen trekt de minister uit het uitblijven van resultaten op dit beleidsdoel in 2025?
Antwoord:
IPSE-studies becijfert sinds 2017 de productiviteitsontwikkeling van uitvoeringsorganisaties en de productiviteitsontwikkeling van de beleidsdepartementen. Op verzoek van de Tweede Kamer is ook de Algemene Rekenkamer (AR) actief met analyses van uitvoeringsorganisaties. Insteek van de AR daarbij is ook de organisaties zelf aan te zetten tot het beter in kaart brengen hiervan, hetgeen de sturing van de betreffende organisaties kan verbeteren.
Om de productiviteitsgroei te ondersteunen is het Kabinet Jetten overgegaan tot een efficiencytaakstelling en een additionele taakstelling gericht op een slagvaardige overheid. In reactie op het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer heb ik aangegeven concrete doelstellingen te willen formuleren en, in navolging van de moties lid van Dijck (PVV) (Kamerstuk 36945, nr. 14) en de motie van lid Van der Maas (VVD) c.s. (Kamerstuk 36945, nr. 16) in het verantwoordingsdebat, daarmee ook expliciet te sturen op de omvang van het aantal fteās. Over de wijze waarop dit vorm zal worden gegeven, inclusief de rol van het ministerie van BZK daarbij, zal ik, na bespreking hiervan in het Kabinet, de Kamer na de zomer informeren.
De leden van de D66-fractie zijn daarnaast van mening dat een overheid die resultaten boekt er ƩƩn is die doelen stelt. Deze leden onderstrepen de reeds door de rapporteur gestelde vragen over het gebrek aan concrete doelstellingen in het jaarverslag. Is de ambitie om aan een slagvaardige overheid te werken aanleiding om in toekomstige jaarverslagen te werken met meetbare doelstellingen, zo vragen zij.
Antwoord:
Over het opnemen van concrete doelstellingen in het jaarverslag verwijs ik u graag naar de antwoorden op de door de rapporteur gestelde vragen. De ambitie om aan een slagvaardige overheid te werken staat hier los van, maar sluit hier zeker op aan: het werken aan een efficiƫntere en effectievere overheid gaat gepaard met duidelijke doelen en inzicht hierin.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het jaarverslag van het ministerie van BZK 2025. Graag willen deze leden daarover een paar vragen stellen. Allereerst merken zij op dat het een goede zaak is dat de minister van BZK de tien onvolkomenheden, die de Rekenkamer enkele jaren geleden constateerde, geleidelijk heeft opgelost. Er is nu sprake van twee onvolkomenheden.
De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor het aspect āmeetbare doelenā in begrotingsstukken. Het jaarverslag geeft weinig inzicht in de meetbare doelen die er waren bij de uitgaven en in hoeverre die behaald zijn. Is het mogelijk om bij het jaarverslag van het ministerie van BZK daar meer inzicht in te geven? Graag krijgen deze leden een reactie.
Antwoord:
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u graag naar de antwoorden op de door de rapporteur gestelde vragen. Het jaarverslag reflecteert op de inhoud van de begroting van het betreffende begrotingsjaar. Op de doelen uit de begroting kom ik dus in het jaarverslag terug.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het ministerie van BZK de taakstelling om tot een slagvaardiger overheid te komen, coƶrdineert. In het algemene verantwoordingsdebat de datum 3 juni 2026 is daar ook aandacht voor gevraagd. Deze leden wachten de concrete doelen, die bij deze taakstelling zullen worden geformuleerd, af. De vraag is wel hoe de minister casu quo de staatssecretaris van BZK de coƶrdinerende rol van het ministerie hierbij vorm zal geven. Ook meer in het algemeen vragen zij aandacht voor de integraliteit van het overheidsapparaat. Het ministerie van BZK is bij veel zaken betrokken, maar gaat er vaak niet over. Hoe kan in het algemeen de coƶrdinerende rol van het ministerie bij de diverse beleidsterreinen waar het bij betrokken is, beter vorm worden gegeven?
Antwoord:
In de brief bij de actieagenda Slagvaardige Overheid die naar verwachting op 26 juni aan u wordt verzonden, staat op welke manier uw Kamer na de zomer nader wordt geïnformeerd over Slagvaardige Overheid. Als onderdeel van dit laatste zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de wijze waarop de coördinerende rol van het ministerie van BZK met betrekking tot de taakstelling vorm zal worden gegeven. Daarbij zal ook worden betrokken de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aangenomen moties Van der Maas (VVD) (Kamerstuk 36945, nr. 16) en Van Dijck (PVV) (Kamerstuk 36945, nr. 14), die beide oproepen tot concrete doelstellingen voor een kleiner ambtenarenapparaat voor ieder departement.
De leden van de VVD-fractie vragen ook hoe in het algemeen de coƶrdinerende rol van het ministerie van BZK beter kan worden vormgegeven. Het is lastig hier in het algemeen iets over te zeggen vanwege de diversiteit aan beleidsterreinen met ieder hun eigen coƶrdinerende instrumentarium, de verschillende spelers op die terreinen, en (mede door dit alles) de verschillende onderlinge verhoudingen. Allereerst merk ik op dat coƶrdineren betekent zorgen dat alle eindverantwoordelijken deze verantwoordelijkheid op een bepaald beleidsterrein in onderlinge samenhang invullen, zonder de eindverantwoordelijkheid van hen over te nemen. Daarmee ligt de basis van succesvolle coƶrdinatie in het met alle betrokken partijen in goed overleg komen tot een gezamenlijk doel en het bepalen van de globale route daar naartoe. Dit gedeelde beeld is het vertrekpunt voor het handelen van alle partners, indien nodig ondersteund door coƶrdinerend instrumentarium. Denk daarbij aan de kaderstellende bevoegdheid voor BZK uit het Coƶrdinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst of de mede-ondertekening door BZK uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bij regelgeving die taken belegt bij zelfstandige bestuursorganen. Deze voorbeelden tonen dat coƶrdinerende instrumenten verbonden zijn met een specifiek domein. Voor het werken aan een slagvaardige overheid betekent dit concreet dat ik voor de rijksdienst (ministeries inclusief agentschappen) kaders kan stellen op bedrijfsvoeringsgebied, terwijl de samenwerking en coƶrdinatie voor andere onderdelen van de overheid op een andere leest geschoeid zal worden. Wat ook logisch is, gelet op de autonome positie van de mede-overheden. Uiteraard omvat coƶrdineren ook het monitoren van de voortgang en het zo nodig aanspreken van āachterblijversā. Ook hier verschillen de mogelijkheden per beleidsterrein, maar minimaal is nodig dat BZK met partners het gesprek aangaat. De staatssecretaris en ikzelf voelen die urgentie zeker.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de jaarverslagen van het ministerie van BZK, het gemeentefonds en het provinciefonds. Deze leden hebben over deze jaarverslagen nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PRO-fractie hechten veel waarde aan goede decentrale voorzieningen en leefbare steden, dorpen en buurten. In dit kader maken deze leden zich zorgen over het feit dat de financiƫn van decentrale overheden steeds verder onder druk komen te staan. Gemeenten hebben moeite om hun begroting rond te krijgen en noodzakelijk onderhoud van de openbare ruimte wordt uitgesteld met als gevolg dat de kosten in de toekomst alleen maar verder oplopen. Herkent het kabinet deze zorg? In het verlengde hiervan ontvangen deze leden graag een reflectie van het kabinet op de eenzijdige kortingen op middelen voor decentrale overheden in 2025 (specifieke uitkeringen). Wat zijn de feitelijke gevolgen hiervan voor de specifieke voorzieningen die met deze kortingen te maken hebben gehad?
Antwoord:
Het kabinet heeft oog voor de financiële positie van gemeenten en is zich ervan bewust dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is van Rijk en gemeenten om samen aan de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te werken. Het belang van goede lokale voorzieningen deelt het kabinet. Daarbij is ook van belang dat gemeenten daar eigen keuzes in kunnen maken die passen bij de lokale situatie en opgave. Er ligt een gezamenlijke opgave. Het is aan het kabinet om rondom onzekerheden, zoals in het sociaal domein, in goede interbestuurlijke verhoudingen duidelijkheid en voorspelbaarheid voor betrokken partijen te bieden. En aan gemeenten, om in het gesprek tussen colleges en gemeenteraden en met de financieel toezichthouder, te werken aan realistische begrotingen. Relevant is in dit opzicht om te benoemen dat de toezichthouders ook constateren dat, ondanks de destijds begrote tekorten, 81% van de gemeenten in de laatste jaarrekening (2024) een positief resultaat. 1Het betreft het resultaat voor bestemming aan de reserves. Reserves kunnen onder voorwaarden worden ingezet om toekomstige uitgaven te dekken. Eerder zijn er de afgelopen tijd afspraken onder andere gespraken gemaakt over bestemmingsreserve en inzetten deel surplus algemene reserves om te voorkomen dat onzekerheden leiden tot onnodige bezuinigingen. Uw vraagt verder naar of het gemeenten lukt om hun begroting rond te krijgen. Zoals in de Kamerbrief over de verslagen van het provinciaal toezicht 2026 (8 juni jl.) is gemeld, geven de toezichthouders aan dat circa 90% van de gemeenten erin is geslaagd om een structureel sluitende begroting 2026 vast te stellen. Er staan geen gemeenten vanwege de financiële situatie onder preventief toezicht. De meerjarenraming 2027-2029 is bij ongeveer de helft van de gemeenten niet structureel sluitend. Dit beeld zien we bij de gemeenten gezamenlijk al meerdere jaren. Investeringsuitgaven worden vaak te hoog geraamd, net als de personeelsuitgaven. Het uitgangspunt van het kabinet bij de overheveling van specifieke uitkeringen is dat medeoverheden niet met minder budget dezelfde taken moeten uitvoeren. In het geval een specifieke uitkering waar een korting aan gekoppeld was, is blijven bestaan en niet is overgeheveld, heeft het betreffende vakdepartement nadere keuzes gemaakt om te voldoen aan dit uitgangspunt. Het departement kon de volgende keuzes maken: het evenredig verlagen van de prestatie-eisen aan medeoverheden, het komen tot een afspraak met koepels die bijdraagt aan een meer doelmatige uitvoering of het zoeken van een alternatieve dekking op de eigen begroting. In mei en december heeft mijn ambtsvoorganger de Kamer geïnformeerd over de invulling van de 10 procent-korting van de specifieke uitkeringen die behouden blijven.
De leden van de PRO-fractie constateren dat het kabinet voor het jaar 2025 bezuinigingen heeft ingeboekt op de rijksdienst, terwijl er in het geheel geen deugdelijke analyse en concrete doelstelling aan ten gronde liggen. Ook de Rekenkamer en de rapporteur vanuit de commissie wijzen hier in hun rapportages op. Graag ontvangen de aan het woord zijnde leden van het kabinet een reflectie op deze werkwijze. Kan het kabinet hierbij ingaan op zowel de taakstelling als op de nullijn? Vindt het kabinet het een verrassing dat de bezuiniging niet gehaald is? Deelt het kabinet het uitgangspunt dat de ambtelijke organisatie een grote en waardevolle bijdragen levert aan het werk van de rijksoverheid en dat de rijksdienst geen sluitpost op de rijksbegroting zou mogen zijn waar omwille van een sluitende begroting getalsmatige kortingen op kunnen worden geplakt?
Antwoord:
In mijn antwoord op de vraag hierover van de rapporteur heb ik al een reflectie gegeven op het proces van de taakstelling kabinet Schoof. Specifiek op de nullijn heb ook ik kunnen constateren dat dit als resultaatsdoelstelling niet haalbaar bleek. Dit is inherent aan het model waarin een CAO tot stand komt in onderhandeling tussen werkgever en bonden en niet eenzijdig bepaald kan worden vanuit de politiek. Uiteindelijk zal de loonontwikkeling bij de Rijksoverheid min of meer gelijke trend moeten houden met de ontwikkelingen in de markt, zonder uitschieters naar boven of beneden. Middels de referentiesystematiek wordt hier ook op gestuurd. Wanneer langjarig hier naar gekeken wordt, is dit ook het feitelijke patroon. Met de laatste CAO heb ik de ambtenaren wel koopkrachtbehoud kunnen bieden en dit doet in mijn ogen recht aan de waardevolle bijdrage die de ambtelijke organisaties leveren aan het werk van de Rijksoverheid. Ik wil dan ook niet spreken van een sluitpost voor de begroting.
De leden van de PRO-fractie vinden het tot slot van belang om goed te kunnen volgen hoe het kabinet omgegaan is met aangenomen Kamermoties en toezeggingen. Wat is de reden dat dit overzicht uit het jaarverslag verdwenen is? Kan het kabinet alsnog per aangenomen motie en toezegging uit het jaar 2025 aangeven wat de stand van zaken is?
Antwoord:
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik u graag naar de antwoorden op de door de rapporteur gestelde vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de jaarverslagen met interesse gelezen en hebben momenteel geen aanvullende vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende stukken en hebben nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben een aantal vragen over de taakstelling op het apparaat. Deze leden merken op dat de Rekenkamer concludeerde dat hier geen meetbare doelstellingen voor zijn, maar dat er eigenlijk alleen maar een budgettaire doelstelling ligt. Is dit naar oordeel van het kabinet voldoende, zo vragen deze leden. Zij merken voorts op dat de minister een coƶrdinerende verantwoordelijkheid heeft, maar de departementen zijn zelf verantwoordelijk voor het nemen van de benodigde maatregelen. De Kamer heeft vorige week de motie-Van der Maas (Kamerstuk 36945, nr. 16) aangenomen waarin gevraagd werd om concrete doelstellingen ter vermindering van het aantal ambtenaren met ook de vraag naar maatregelen en een tijdspad. Hoe gaat ervoor gezorgd worden dat alle ministeries daadwerkelijk met dit soort plannen gaat komen? In hoeverre heeft de minister daar als coƶrdinerend minister zicht op? Hoe kijkt het kabinet aan tegen het formuleren van concrete sturingsdoelen voor de omvang van de Rijksoverheid?
Antwoord:
Deze vraag heeft ruime overlap met vragen hierover van de rapporteur en van de PRO-fractie. In lijn met mijn beantwoording van die vragen wil ik nogmaals aangeven dat het kabinet, in navolging van de betreffende moties, nadrukkelijker wil gaan sturen op de fte ontwikkeling. Dit kan en wil ik echter niet zonder de inbreng van de departementen die zelf het best zicht hebben op de haalbaarheid van een tijdpad en de impact van keuzes. Hoe dit proces vorm krijgt zal uiteen gezet worden in een brief die de Kamer na de zomer tegemoet kan zien.
De leden van de CDA-fractie merken op dat er naast de taakstelling op het apparaat ook nog de efficiencytaakstelling en de post slagvaardige overheid uit het coalitieakkoord zijn. Deze leden vragen om een reflectie hoe deze drie taakstellingen zich tot elkaar verhouden. Zij vragen voorts wanneer de eerste concrete plannen voor de twee nieuwe taakstellingen verwacht kunnen worden.
Antwoord:
Deze vraag heeft ruime overlap met vragen hierover van de rapporteur en van de PRO-fractie. In lijn met mijn beantwoording van die vragen wil ik nogmaals aangeven dat het kabinet, in navolging van de betreffende moties, nadrukkelijker wil gaan sturen op de fte ontwikkeling. Dit kan en wil ik echter niet zonder de inbreng van de departementen die zelf het best zicht hebben op de haalbaarheid van een tijdpad en de impact van keuzes. Hoe dit proces vorm krijgt zal uiteen gezet worden in een brief die de Kamer na de zomer tegemoet kan zien.
De leden van de CDA-fractie zijn ook benieuwd naar de indicatoren voor brede welvaart. Deze leden constateren dat binnen de jaarlijkse brede welvaart factsheets die per ministerie door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gepubliceerd worden, de indicatoren van het ministerie van BZK zich richten op āOpenbaar bestuur en democratieā en op āOverheidsdienstverlening en informatiesamenlevingā. Deze leden vragen hoe indicatoren die samenhangen met de brede welvaartsaspecten van onder andere āElke regio teltā daarin terugkomen. Hoe zijn doelstellingen die betrekking hebben op de leefbaarheid van regioās geformuleerd en hoe worden die bijgehouden?
Antwoord:
In de factsheets bij de diverse departementale begrotingen zijn alleen landelijke cijfers opgenomen. Zo ook bij BZK. BZK financiert de regionale Monitor Brede Welvaart (rMBW) die voor dit soort inzichten een veel vollediger beeld geeft en wordt jaarlijks door het CBS in december opgeleverd. Bij de factsheet van BZK is onder het kopje āverdiepingā een koppeling naar de rMBW opgenomen. Met de Regiodeals en het Nationaal Programma Vitale Regioās (kabinetsreactie op Elke regio telt) wordt met medeoverheden ingezet op verbetering van brede welvaart in de regioās.
De leden van de CDA-fractie lezen dat in 2025 de Towndeal krachtige kernen is opgezet. Deze leden vragen of de Kamer nader geĆÆnformeerd kan worden over de omvang en de doelen van dit project.
Antwoord:
In de Town Deal Krachtige Kernen werken elf gemeenten, drie ministeries en twee kennispartners samen. Het doel van deze Town Deal is om te leren over de achterliggende mechanismen die zorgen voor maatschappelijke onrust en ongenoegen en hoe daar preventief mee om te gaan, zodat de betrokken partijen beter in staat zijn om met gebeurtenissen om te gaan die mogelijk leiden tot maatschappelijke onrust en ongenoegen. Twee vragen staan hierin centraal:
Hoe versterk je beleidsontwikkeling en besluitvorming omtrent complexe maatschappelijke opgaven in kleinere en middelgrote gemeenten met hechte gemeenschappen, waarbij maatschappelijke onrust en ongenoegen op de loer ligt?
Hoe kan het samenspel tussen de lokale overheid en de gemeenschap daarbij worden verbeterd, ook in het licht van landelijke en provinciale opgaven en beleid?
In deze Town Deal voeden de kleine en middelgrote gemeenten het rijk met inzichten vanuit de praktijk. Het rijk ondersteunt deze gemeenten in hun lokale opgave. Zo wordt er wederzijds van elkaar geleerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Inleidend
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het Jaarverslag van het ministerie van BZK 2025, het Jaarverslag van het Gemeentefonds 2025, het Jaarverslag van het Provinciefonds 2025, het Jaarverslag van de overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten van de Gouverneurs en de Kiesraad 2025 en de inbreng van de rapporteur. Deze leden hebben daarover de volgende vragen.
Verantwoordingskwaliteit, meetbare doelen en moties
De leden van de JA21-fractie sluiten zich aan bij de constatering van de rapporteur dat het jaarverslag op onderdelen te veel het karakter heeft van een beleidsopsomming en te weinig inzicht geeft in meetbare doelstellingen, realisatie en effectiviteit. Deze leden vragen de minister of hij erkent dat een jaarverslag niet primair bedoeld is om activiteiten te beschrijven, maar om de Kamer in staat te stellen te beoordelen of publiek geld rechtmatig, doelmatig en doeltreffend is besteed. Kan de minister toezeggen dat de begroting 2027 per beleidsartikel duidelijker onderscheid maakt tussen doelen, indicatoren, streefwaarden, realisatie en verklaringen voor afwijkingen?
Antwoord:
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik u graag naar de antwoorden op de door de rapporteur gestelde vragen.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de bijlage met moties en toezeggingen niet meer is opgenomen in het jaarverslag. Het jaarverslag bevestigt dat deze bijlage niet meer is opgenomen, terwijl de rapporteur erop wijst dat dit ten koste gaat van inzichtelijkheid voor de Kamer. Kan de minister toelichten waarom deze bijlage is geschrapt? Acht de minister het wenselijk dat Kamerleden minder eenvoudig kunnen controleren welke moties en toezeggingen zijn afgedaan en welke nog openstaan? Is de minister bereid deze bijlage vanaf de begroting 2027 en het jaarverslag 2026 weer structureel op te nemen?
Antwoord:
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik u graag naar de antwoorden op de door de rapporteur gestelde vragen.
Externe inhuur
De leden van de JA21-fractie constateren dat BZK/VRO in 2025 ⬠376,8 miljoen uitgaf aan externe inhuur, met een totaal inhuurpercentage van 20,0%, een percentage van 48,3% bij kasdiensten en 18,2% bij agentschappen. Zonder Nationaal Coƶrdinator Groningen (NCG) zou het percentage 16,5% bedragen, nog altijd ruim boven de Roemernorm. Kan de minister per organisatieonderdeel aangeven wanneer de Roemernorm wordt gehaald? Welke concrete inhuurplafonds gelden in 2026? Hoe wordt voorkomen dat externe inhuur slechts boekhoudkundig verschuift naar opdrachten, shared service organisaties (SSOās) of andere constructies?
Antwoord:
Binnen BZK wil ik de externe inhuur in de periode naar 2029 substantieel terugbrengen richting de Roemernorm, met ruimte voor differentiatie per organisatie. Hiervoor bepaalt ieder organisatieonderdeel per jaar een inhuurplafond voor de uitgaven aan externe inhuur. Vanwege specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld ten aanzien van de versterkingsoperatie Groningen en voor de benodigde ICT-expertise, acht BZK het niet waarschijnlijk dat in die periode onder de Roemernorm wordt uitgekomen. Op basis van de inhuurplafonds 2026 zal de externe inhuur door de kasdiensten en agentschappen naar verwachting afnemen ten opzichte van 2025 (respectievelijk 5 en 0,4 procentpunt). Het kerndepartement blijft net als afgelopen jaar onder de Roemernorm.
Van de organisaties wordt verwacht dat zij kritisch kijken naar de mogelijkheden voor reductie van de kosten aan externe inhuur. Dit kan inhouden dat zij (versneld) afscheid nemen van inhuurkrachten, bijvoorbeeld door het temperen van ambities, het stoppen van bepaalde werkzaamheden, het efficiƫnter organiseren van het werk of het omzetten van externe inhuur naar interne functies (verambtelijking). Daarnaast kan de capaciteitsbehoefte juist ook worden ingevuld door inzet van shared service organisaties of resultaatopdrachten. BZK verkent ook waar zij mogelijk kan sturen op het terugdringen van de kosten voor externe inhuur, door bijvoorbeeld te kijken naar uurtarieven bij nieuwe inhuuropdrachten.
| Tabel 1 De inhuurplafonds voor 2026 | |
|---|---|
| Organisatie(onderdeel) | Plafond 2026 |
| Kern | 9% |
| Kasdiensten | |
| Rijksinkoopsamenwerking (RIS) | 20% |
| Organisatie Bedrijfsvoering en Financiƫn (OBF) | 13% |
| Rijksorganisatie voor Informatiehuishouding (RvIHH) | 30% |
| Nationaal Coƶrdinator Groningen (NCG) | 57% |
| Agentschappen | |
| Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) | 48% |
| Logius | 32% |
| Organisatie en Personeel Rijk (O&P Rijk) | 11% |
| Rijksorganisatie ODI (ODI) | 2% |
| FM Haaglanden (FMH) | 4% |
| SSC-ICT | 25% |
| Rijksorganisatie Beveiliging en Logistiek (RBL) | 3% |
| Rijksvastgoedbedrijf (RVB) | 17% |
| Dienst Huurcommissie (DHC) | 10% |
De minister schrijft dat alle organisatieonderdelen werken aan āGrip op inhuurā en dat per onderdeel jaarlijks een inhuurplafond wordt bepaald. Kan de minister deze plafonds aan de Kamer sturen? Worden managers afgerekend op overschrijding daarvan? Welke sancties of bijsturingsmechanismen gelden wanneer onderdelen opnieuw boven de norm uitkomen?
Antwoord:
Met behulp van inhuurplafonds als sturingsinstrument wordt de externe inhuur binnen het ministerie stapsgewijs en gecontroleerd teruggebracht, zodat operationele verstoringen of discontinuĆÆteit in de uitvoering van werkzaamheden worden voorkomen. Het is aan een organisatie om keuzes te maken waar externe inhuur nodig is om de (beleids)prioriteiten te kunnen behalen. Een organisatie stuurt zelf op het opereren binnen het vastgestelde inhuurplafond.
In de gesprekken rondom de planning- en controlcyclus van het ministerie wordt de voortgang besproken indien daar aanleiding toe is. Dit is bijvoorbeeld als een overschrijding van het inhuurplafond ontstaat of kan ontstaan. Er is dan ook de mogelijkheid om bij te sturen of in uitzonderlijke gevallen te besluiten dat er meer mag worden ingehuurd door dat organisatieonderdeel. Externe inhuur is namelijk een middel om te voorzien in de noodzakelijke personele capaciteit, bijvoorbeeld bij noodzakelijk specifieke kennis en/of vaardigheden die een organisatie niet zelf in huis heeft.
De inhuurplafonds voor 2026 zijn opgenomen in tabel 1 onder vraag 24.
Onderuitputting en Groningen
De leden van de JA21-fractie constateren dat de onderuitputting bij BZK in 2025 zeer fors is, met een totaal van circa ⬠899,9 miljoen. Grote posten zijn onder meer Duurzaam herstel, vergoeding fysieke schade, de versterkingsoperatie, vergoeding waardedaling en bijdragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Uit het jaarverslag blijkt dat dit mede samenhangt met minder woningen die duurzaam zijn hersteld, lagere schadevergoedingen dan geraamd en latere uitgaven in de versterkingsoperatie. Kan de minister aangeven welk deel van deze onderuitputting louter kasritme is en welk deel duidt op achterblijvende uitvoering?
Antwoord:
Het feit dat er minder geld is uitgegeven voor de schadeafhandeling, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niets aan af. Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geĆÆnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen (Kamerstuk 33529, nr. 1370).
Bij de versterkingsoperatie gaat het om vertraagde uitgaven. Het blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven uit die begroting waren gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028 (Kamerstuk 33529, nr. 1246), maar die planning bleek later niet realistisch. Daarom zijn middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen veelal doorgeschoven naar latere jaren en daarmee beschikbaar gebleven voor de hersteloperatie in Groningen.
Overigens moet hierbij de kanttekening worden gemaakt dat de onderuitputting van ⬠899 mln. een brutobedrag is. Dit bedrag moet nog gecorrigeerd worden voor lagere ontvangsten waardoor de feitelijke onderuitputting ⬠715 mln. bedraagt.
De rapporteur wijst erop dat er vooruitgang is geboekt in schadeafhandeling en versterking, maar dat dit nog niet heeft geleid tot meer tevredenheid en vertrouwen onder Groningers. Welke concrete indicatoren gebruikt de minister om herstel van vertrouwen te meten? Wat zijn de streefwaarden voor 2026 en 2027? Wanneer is de operatie volgens de minister niet alleen financieel en procedureel, maar ook maatschappelijk geslaagd?
Antwoord:
De Kamer wordt, mede naar aanleiding van de motie Beckerman (SP) en Bushoff (PRO) (Kamerstuk 36836, nr. 39), bij de kabinetsreactie op de Staat van Groningen en Noord-Drenthe 2026, geïnformeerd over de indicatoren die worden gebruikt om het herstel van vertrouwen te meten. Het onderzoeksconsortium gebruikt hiervoor verschillende bronnen, waaronder de onderzoeken van Gronings Perspectief, en de resultaten van onderzoeken van het IMG en NCG. De inzet is dat een goede uitvoering van alle maatregelen uit Nij Begun, en resultaten op het gebied van het verhogen van de brede welvaart, zich uiteindelijk ook zullen vertalen in een herstel van vertrouwen. Dat is een zaak van lange adem. Het kabinet heeft zich met het PEGA-wetsvoorstel erop vastgelegd om te bevorderen dat de brede welvaart in Groningen en Noord-Drenthe binnen één generatie tenminste het landelijk gemiddelde bereikt. Later dit jaar ontvangt de Kamer een Uitvoeringsprogramma waarin het kabinet aangeeft welke tussentijdse mijlpalen en streefwaarden hiervoor worden gehanteerd.
Gemeentefonds en Provinciefonds
De leden van de JA21-fractie lezen dat bij veel integratie- en decentralisatie-uitkeringen het beleidsdepartement vooraf bepaalt welke bedragen aan welke begunstigden worden uitbetaald, terwijl gemeenten geen verantwoording hoeven af te leggen over de besteding en het Gemeentefonds slechts als loket fungeert. Acht de minister dit vanuit begrotingsrechtelijk en controleperspectief wenselijk? Hoe voorkomt de minister dat het Gemeentefonds wordt gebruikt als doorgeefluik om reguliere verantwoordingsvereisten te ontwijken?
Antwoord:
Voor integratie- en decentralisatie uitkeringen geldt dat deze middelen beleids- en bestedingsvrij zijn en gemeenten over de besteding van deze middelen dan ook geen verantwoording aan het Rijk hoeven af te leggen. De toekenning van de middelen wordt toegelicht in de circulaires van het gemeentefonds behorend bij de desbetreffende begrotingsstukken. De toekenning van de middelen wordt door het vakdepartement in overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) bepaald en gebeurt op basis van objectieve gronden. Over de verantwoording van de bestedingen, zowel ten aanzien van de rechtmatigheid als ten aanzien van de doelmatigheid en doeltreffendheid, wordt lokaal verantwoording afgelegd. Dus in het geval van gemeenten door het college aan de raad. Het is bij toepassing van deze uitkering immers niet de minister die zich over de besteding verantwoordt aan het parlement. Het is dus niet zo dat het gemeentefonds gebruikt wordt als doorgeefluik om reguliere verantwoordingsvereisten te ontwijken.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de openstaande voorschotten in het Gemeentefonds oplopen tot ⬠208,6 miljard per 31 december 2025. Kan de minister uitleggen waarom dit bedrag zo hoog is, hoe lang voorschotten gemiddeld openstaan en welke risicoās dit oplevert voor transparantie en controle?
Antwoord:
De algemene uitkering, decentralisatie-uitkeringen en integratie-uitkeringen uit het gemeentefonds worden als voorschot aan gemeenten uitgekeerd. De uitkeringen blijven als voorschot openstaan tot aan het moment waarop de uitkeringen definitief worden vastgesteld door middel van beschikkingen. Het beschikken van deze uitkeringen kan pas vanaf drie jaar na afloop van het desbetreffende uitkeringsjaar. De oorzaak hiervan is dat de data over de maatstaven behorend bij bijvoorbeeld de belastingcapaciteit van de gemeente pas na twee jaar beschikbaar komt om de uitkeringen vast te stellen. De Auditdienst Rijk en Algemene Rekenkamer controleren jaarlijks de uitgaven en het financieel beheer van het gemeentefonds, hierbij wordt ook specifiek gekeken naar de afgerekende voorschotten.
De leden van de JA21-fractie constateren ten aanzien van het Provinciefonds dat de verplichtingen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting met ⬠565,8 miljoen opwaarts zijn bijgesteld en de algemene uitkering met ⬠361,3 miljoen. Kan de minister toelichten wat deze mutaties concreet betekenen voor de financiële ruimte van provincies? Hoe wordt bij de herziening van het verdeelmodel geborgd dat provincies met specifieke ruimtelijke, infrastructurele, agrarische, waterstaatkundige en grensregio-opgaven niet onevenredig worden geraakt?
Antwoord:
De verplichtingen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting zijn met ⬠565,8 miljoen opwaarts bijgesteld. De bijstelling van de algemene uitkering is ⬠361,3 miljoen (waarvan ⬠36,4 miljoen bijstelling accrestranche 2025, ā¬172,8 miljoen afrekening ruimte onder het plafond van het Btw-compensatiefonds 2024 en ⬠142,2 miljoen ruimte onder het plafond van het Btw-compensatiefonds 2025) en van de decentralisatie-uitkeringen ⬠204,5 miljoen (totaal 68 verschillende mutaties).
Het grootste deel van de bijstelling van de algemene uitkering is het gevolg van de afrekeningen van de ruimte onder het plafond van het Btw-compensatiefonds (BCF) van 2024 en 2025. Het Btw-compensatiefonds (BCF) is in 2003 ingevoerd. Uit dit fonds kunnen gemeenten en provincies betaalde belasting over de toegevoegde waarde (btw) onder voorwaarden terugvragen. Met de oprichting van het BCF heeft het Rijk de beoogd de verstoringen, veroorzaakt door btw, tussen het uitbesteden en het zelf uitvoeren van taken door medeoverheden te verhelpen. De btw verhoogt namelijk de kostprijs van uitbesteding en kan daarmee de afweging van de gemeente of provincie beĆÆnvloeden.
Het plafond van het BCF is sinds 2015 gekoppeld aan de accrespercentages zoals die volgen uit de normeringssystematiek voor het gemeentefonds en het provinciefonds. Het plafond van het BCF wordt daarnaast aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met toevoegingen of onttrekkingen aan het BCF. Hierdoor hebben decentralisaties geen effect op de ruimte onder het plafond van het BCF. Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het gemeentefonds dan wel het provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond komt het verschil ten gunste van het gemeentefonds dan wel het provinciefonds.
De wijzigingen als gevolg van de decentralisatie-uitkeringen houden verband met gewijzigde taken en hebben dus geen impact op de financiƫle ruimte voor provincies.
Het accres tenslotte is in het voorjaar 2025 vastgesteld voor het jaar 2025. Het accres volgt de ontwikkeling van het bruto binnenlands product.
De leden van de JA21-fractie lezen dat voor nieuwe taken de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) in kaart moet brengen wat de financiĆ«le, uitvoerings- en effectiviteitsgevolgen voor medeoverheden zijn. Kan de minister aangeven hoe vaak in 2025 een UDO is uitgevoerd, bij welke dossiers dit niet is gebeurd en waarom niet? Is de minister bereid jaarlijks een overzicht op te nemen van nieuwe taken voor gemeenten en provincies, inclusief structurele dekking, uitvoeringslast en bestuurlijke risicoās?
Antwoord:
In juli 2025 is een overzicht van UDOās met uw Kamer is gedeeld. Dat overzicht geeft inzicht in de UDO trajecten die bekend zijn sinds de invoering van de UDO in 2023. Hierin is geen specifieke startdatum per UDO bij mij bekend. Ik heb geen overzicht van alle wetgevingstrajecten die in voorbereiding zijn en derhalve ook niet van het aantal trajecten waarbij geen UDOās zijn uitgevoerd. De UDO is verplicht om uit te voeren bij nieuw beleid en wetgeving, welke decentrale overheden raakt. Wanneer een departement, gezamenlijk met de koepel(s) van de medeoverheden, de afweging maakt dat een UDO niet nodig is, is het van belang dat deze afweging kenbaar wordt gemaakt. Bij de UDO is het betreffende departement ook de penvoerder. Daarbij is het van wezenlijk belang dat de uitkomsten van doorlopen UDO trajecten openbaar worden gemaakt, bij voorkeur in de Algemene Memorie van Toelichting bij een wetsvoorstel. De openbaarmaking van deze uitkomsten kan ook de wetgever inzicht bieden in de gesignaleerde risicoās en de naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen gedurende het UDO traject. Uit de ambtelijke gesprekken die in de achterliggende periode met departementen en de koepels van medeoverheden hebben plaatsgevonden blijkt dat de medeoverheden vaker, eerder en beter in het beleidsvormingsproces worden betrokken door toedoen van de introductie van de UDO, maar er is ruimte voor verbetering. Momenteel wordt aan de hand van een onderzoeksmodel voor de evaluatie van de UDO gewerkt aan een ānulmetingā voor de UDO die eind van dit jaar zal worden opgeleverd. Naast verbetersuggesties legt deze nulmeting de basis voor een omstreeks 2030 uit te voeren evaluatie van de UDO.
Kiesraad, verkiezingsintegriteit en verkiezingssoftware
De leden van de JA21-fractie hechten sterk aan een eerlijk, transparant en controleerbaar verkiezingsproces. In het jaarverslag staat dat de Kiesraad zich ontwikkelt tot verkiezingsautoriteit, dat de Wet programmatuur verkiezingsuitslagen in 2025 in werking is getreden en dat de Wet kwaliteitsbevordering uitvoering verkiezingsproces per 1 januari 2026 in werking treedt. De Kiesraad krijgt daarmee verantwoordelijkheid voor betrouwbare werking en beveiliging van programmatuur in de verkiezingsketen. Welke concrete eisen stelt de minister aan beveiliging, auditbaarheid, broncodebeheer, logging, back-ups en noodscenarioās bij verkiezingssoftware?
Antwoord:
Met de Wet programmatuur verkiezingsuitslagen is vastgelegd dat de Kiesraad zorg draagt voor de beschikbaarstelling, instandhouding, betrouwbare werking en beveiliging van de uitslagprogrammatuur (Artikel Ea2 Kieswet). Eisen omtrent de werking, het ontwerp, de betrouwbaarheid en de beveiliging van de uitslagprogrammatuur zijn nader uitgewerkt in het Kiesbesluit (hoofdstuk Ea). Hierin staat bijvoorbeeld omschreven dat de uitslagprogrammatuur open source wordt ontwikkeld en gebruik maakt van open standaarden. Met betrekking tot het aansluiten en het gebruik van de uitslagprogrammatuur zijn afspraken vastgelegd in het samenwerkingsprotocol2 en in de aansluit- en gebruiksvoorschriften.3 In het samenwerkingsprotocol staat ook omschreven wat er moet worden gedaan wanneer de uitslagprogrammatuur wordt onderbroken om risicoās voor de betrouwbare en veilige werking van de uitslagprogrammatuur weg te nemen, zie de beantwoording op uw eerste vraag hierover. In het Kiesbesluit is vastgelegd waar de aansluit- en gebruiksvoorschriften op kunnen zien.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Kiesraad nieuwe software ontwikkelt voor de uitslagvaststelling, Abacus, en dat enkele gemeenten bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026 in een pilot gebruikmaken van deze software. Ook blijkt dat het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) onderzoek heeft gedaan en dat de Kiesraad de aanbevelingen overneemt. Kan de minister toezeggen dat Abacus pas breder wordt uitgerold wanneer onafhankelijke toetsing uitwijst dat de software veilig, controleerbaar en robuust is? Worden de uitkomsten van de pilot en de AcICT-aanbevelingen volledig met de Kamer gedeeld?
Antwoord:
Uitslagprogrammatuur die door de Kiesraad ter beschikking wordt gesteld, wordt voorafgaand aan deze inzet altijd door een roulerende, deskundige en onafhankelijke instantie getest en getoetst (zoals vastgelegd in artikel Ea 5, eerste lid, van de Kieswet). Dit geldt voor zowel de huidige (OSV2020) als voor nieuwe programmatuur (Abacus). De rapporten naar aanleiding van deze toetsing worden uiterlijk op de dag van de kandidaatstelling openbaar gemaakt en gepubliceerd op de website van de Kiesraad (Artikel Ea5, eerste lid, Kiesbesluit). Het adviesrapport van AcICT, de bestuurlijke reactie en de reactie van de Kiesraad op het advies rapport zijn reeds gedeeld met de Kamer en zijn dus al openbaar (Kamerstukken II, 2025/25, 35165 nr. 103).
Bij de verdere ontwikkeling van Abacus worden de ervaringen van het gebruik tijdens de gemeenteraadsverkiezingen meegenomen, de ontwikkeling is volledig open source en daarmee voor iedereen inzichtelijk en transparant. De toetsing is wettelijk verplicht gesteld. Zonder plaatsvinden van een toets of bij een negatieve toets houdt de Kieswet gebruik van de programmatuur tegen. Bij de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart van de Kiesraad gaat de Kiesraad verder in op de ervaringen met het gebruik van Abacus.
De leden van de JA21-fractie vragen welke fallback-procedure geldt wanneer verkiezingssoftware uitvalt, wordt gecompromitteerd of twijfel ontstaat over de juistheid van de berekening. Kan de minister bevestigen dat het verkiezingsproces altijd volledig controleerbaar blijft op basis van papieren processen-verbaal en hertellingen?
Antwoord:
Het papieren proces is altijd leidend in het verkiezingsproces. Procedures voor hertellingen en regels over de publicatie van papieren processen-verbaal zijn vastgelegd in de Kieswet. In het samenwerkingsprotocol zijn afspraken en regels opgenomen over verbetermaatregelen, beheersaanwijzingen en indien noodzakelijk het onderbreken van de uitslagprogrammatuur door de Kiesraad (zie pagina 14 en 15 van het samenwerkingsprotocol Kiesraad4). Ook zijn er afspraken gemaakt over de terugvaloptie waardoor het verkiezingsproces alsnog doorgang kan vinden als de uitslagenprogrammatuur niet gebruikt kan worden. De Kiesraad heeft in dit soort gevallen altijd overleg met de partijen die betrokken zijn bij het samenwerkingsprotocol. Indien het nodig is om de uitslag handmatig te berekenen, dan geeft de Kiesraad instructies over het gebruik van deze terugvaloptie. Wanneer een onderbreking van de uitslagprogrammatuur plaatsvindt wordt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd direct geĆÆnformeerd door de Kiesraad.
Overige Hoge Colleges van Staat en Kiesraad
De leden van de JA21-fractie constateren dat de begroting van de overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten van de Gouverneurs en de Kiesraad geen apart centraal apparaatsartikel kent en dat apparaatsuitgaven per beleidsartikel worden uitgesplitst. Acht de minister de huidige presentatie voldoende vergelijkbaar en controleerbaar? Is hij bereid bij toekomstige jaarverslagen een compact totaaloverzicht op te nemen van personele uitgaven, externe inhuur, ICT-uitgaven en materiƫle uitgaven per college of instelling?
Antwoord:
Ik acht de huidige presentatie voldoende vergelijkbaar en controleerbaar. In de huidige jaarverslagen is al een compact totaaloverzicht opgenomen van de personele uitgaven, te weten eigen personeel, externe inhuur, overig personeel en materiƫle uitgaven per college of instelling.
De Raad van State had in 2025 ⬠5,972 miljoen aan externe inhuur, bij personele uitgaven van ⬠79,027 miljoen. Kan de minister toelichten of bij de Hoge Colleges dezelfde normen en definities voor externe inhuur worden toegepast als bij departementen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
De Raad van State rapporteert in het jaarverslag over de externe inhuur. De Raad hanteert dezelfde definities als voor de departementen. Ook voor de Raad van State geldt dat de externe inhuur maximaal 10% van de totale personeelsuitgaven mag zijn; de zogeheten Roemernorm. De uitgaven aan externe inhuur zijn in 2025 gedaald ten opzichte van 2024 en de Raad voldoet in 2025 net als in 2024 aan de Roemernorm. De Raad is al een tijd bezig om de externe inhuur terug te brengen door het āverambtelijkenā van extern personeel.
Het betreft het resultaat voor bestemming aan de reserves. Reserves kunnen onder voorwaarden worden ingezet om toekomstige uitgaven te dekken.ā©ļø
https://www.kiesraad.nl/documenten/2025/10/23/samenwerkingsprotocol-wet-programmatuur-verkiezingsuitslagen.ā©ļø
https://www.kiesraad.nl/documenten/2025/08/21/aansluit--en-gebruiksvoorschriftenā©ļø
https://www.kiesraad.nl/documenten/2025/10/23/samenwerkingsprotocol-wet-programmatuur-verkiezingsuitslagen.ā©ļø