Voortgang energiebeleid gebouwde omgeving
Integrale visie op de woningmarkt
Brief regering
Nummer: 2026D35728, datum: 2026-07-06, bijgewerkt: 2026-10-05 10:50, versie: 3 (versie 1, versie 2)
Directe link naar document (.pdf), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kst-32847-1498).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- KPMG Eindrapport onderzoek ‘Gebouwgebonden Financiering’
- Beslisnota bij Kamerbrief Voortgang energiebeleid gebouwde omgeving
Onderdeel van kamerstukdossier 32847 -1498 Integrale visie op de woningmarkt.
Onderdeel van zaak 2026Z15879:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-09-08 16:30 ⇒ Agenderen voor het commissiedebat Klimaatbeleid gebouwde omgeving op 14 oktober 2026. (Besluit)
- 2026-09-01 15:10 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-09-01 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-08 16:30: Procedurevergadering Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2026-10-14 10:00: Klimaatbeleid gebouwde omgeving (Commissiedebat), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 |
32 847 Integrale visie op de woningmarkt
30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid
Nr. 1498 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 juli 2026
Uw Kamer heb ik de afgelopen periode via meerdere brieven geïnformeerd over een aantal prioritaire onderwerpen op het gebied van de verduurzaming van de gebouwde omgeving; onder andere de Kamerbrief Isolatieoffensief/Energiehuis.1 In deze brief ga ik graag in op een aantal toezeggingen en moties, en op de voortgang van enkele belangrijke instrumenten die voor de verduurzaming van woningen en utiliteitsbouw worden ingezet.
Het gaat hierbij om:
– de voortgang en evaluatie van de subsidieregeling voor de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed (DUMAVA);
– een aantal toezeggingen rondom Nationaal Warmtefonds;
– gebouwgebonden financiering;
– de evaluatie van de Energie Prestatie Vergoeding (EPV);
– een meting van de energielabels in woningen private verhuur;
– verduurzaming van Verenigingen van Eigenaren (VvE’s);
– de impact voor woningbouw in Utrecht van de pauzeknop voor aansluiting op het stroomnet (Toezegging Z202605–043);
– de motie Klos inzake lokale energiehulporganisaties.
Subsidie duurzaam maatschappelijk vastgoed steeds belangrijker
Sinds 2022 zijn er met de Subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA) tot en met 2025 ruim 6.000 aanvragen gedaan, waarmee vele scholen, ziekenhuizen, buurthuizen, sportclubs en gebouwen van gemeenten verduurzaamd worden. Hiermee maken deze eigenaren hun gebouw energiezuiniger, hebben ze een lagere energierekening en wordt Nederland minder afhankelijk van energie uit het buitenland. Voor vastgoed met een belangrijke maatschappelijke functie, zoals onderwijs, zorg en overheden is dit van des te groter belang. Ook met het oog op de voorbeeldrol van publieke gebouwen en de Europese verplichtingen voor deze doelgroep is het nodig dat de regeling hen blijft ondersteunen.2 Voor de periode 2024 tot en met 2030 is vanuit het Klimaatfonds € 1,9 miljard beschikbaar gesteld, waarvan inmiddels circa € 750 miljoen is besteed. Na die tijd zijn geen middelen gereserveerd.
In 2025 heb ik uw Kamer toegezegd de DUMAVA te evalueren en u te informeren over de resultaten. Bijgevoegd vindt u het evaluatierapport van CE Delft.3 De aanbevelingen uit het rapport heb ik grotendeels overgenomen en verwerkt in de wijzigingsregeling van de DUMAVA. De nieuwe regeling is onlangs gepubliceerd ter voorbereiding op de nieuwe openstelling per 1 juni.4 In het onderstaande informeer ik u over de resultaten van de evaluatie en hoe ik met de aanbevelingen ben omgegaan. Ook wil ik u de actuele financiële situatie schetsen nu een deel van de Klimaatfondsmiddelen, waarmee de DUMAVA bekostigd wordt, besteed is.
DUMAVA heeft een belangrijke bijdrage aan de verduurzamingsdoelen
Het evaluatierapport van CE Delft toont aan dat de regeling doeltreffend is. Dat stemt mij positief en is voor mij aanleiding om de kern van de regeling te behouden. Veel gebruikers zijn tevreden over de regeling en geven aan dat de DUMAVA hen stimuleert om verder te verduurzamen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Dit sluit aan bij het doel van de regeling: eigenaren stimuleren om gebouwen naar een hoog energieprestatieniveau te brengen.
De projecten die tot en met 2025 met de DUMAVA zijn gefinancierd, zorgen cumulatief voor een bruto CO2-reductie van tot 209 kton per jaar. Dat is een aanzienlijke impact. CE Delft benadrukt wel dat dit een prognose is, omdat veel projecten nog in uitvoering zijn. Bovendien neemt de reductie toe met elke nieuwe subsidieronde; dit zal ik dan ook blijven monitoren.
Naast CO2-reductie draagt de DUMAVA bij aan de renovatieverplichting die voortvloeit uit de Europese Energy Efficiency Directive. Het onderzoeksbureau concludeert dat de DUMAVA in 2024 verantwoordelijk was voor 46% van de jaarlijkse renovatiedoelstelling van 3% van het totale vloeroppervlak van gebouwen van overheidsinstanties.
Doelmatigheid DUMAVA past bij de hoge doelen en blijvende inzet op ontzorging
Naast doeltreffendheid is ook gekeken naar doelmatigheid en het doenvermogen van gebruikers van de regeling. Over de doelmatigheid wordt opgemerkt dat deze iets lager is dan bijvoorbeeld bij de ISDE. Dit komt doordat de regeling inzet op vergaande verduurzaming van complexe gebouwen, waar relatief hoge kosten aan verbonden zijn. Juist die vergaande verduurzaming is belangrijk, omdat het doel van de Europese richtlijnen is om emissievrije gebouwen (ZEB) te realiseren. Bovendien is het voor een zorginstelling of schoolgebouw meestal efficiënter om het gebouw in één keer goed aan te pakken, in plaats van iedere tien jaar kleine aanpassingen te doen.
De uitvoeringskosten van de DUMAVA zijn relatief laag. CE Delft geeft wel aan dat een DUMAVA-aanvraag veel doenvermogen kan vragen van organisaties die nog niet bekend zijn met de regeling en die gerund worden door vrijwilligers. De belemmeringen zitten dan niet zozeer in het aanvraagproces zelf, maar vooral in onvoldoende overzicht over welke maatregelen het meest passend zijn. Ik zal de komende tijd blijven inzetten op het ontzorgen van dergelijke organisaties.
Voor de meeste aanvragers zijn de administratieve lasten die bij een DUMAVA-aanvraag komen kijken acceptabel en vergelijkbaar met die van andere subsidieregelingen.
Aanpassingen van de DUMAVA op basis van de evaluatie
De evaluatie laat zien dat de regeling doeltreffend en doelmatig is. Hoewel de conclusies overwegend positief zijn, laat de evaluatie ook zien dat de regeling op een aantal onderdelen toegankelijker kan. De aanbevelingen van CE Delft hierover heb ik grotendeels verwerkt in de onlangs gepubliceerde wijzigingsregeling. Zo is het minimum subsidiebedrag per aanvraag omlaaggegaan, zodat ook kleinere projecten in aanmerking komen voor subsidie. Daarnaast zijn de voorwaarden voor isolerend glas en zonnepanelen eenvoudiger en is de voorwaarde die in bepaalde gevallen van toepassing is om van het gas af te gaan, versoepeld. Dit geldt wanneer het elektriciteitsnet nog geen ruimte biedt om meer elektriciteit te gaan gebruiken of opwekken. In dat geval kun je subsidie aanvragen voor voorbereidende maatregelen om de gasaansluiting later te verwijderen. Ik blijf kijken wat binnen de regeling mogelijk is om enerzijds de impact op netcongestie te beperken en anderzijds zoveel mogelijk ruimte te behouden voor verduurzamingsmaatregelen die wel uitvoerbaar zijn. Voor een overzicht van alle aanpassingen verwijs ik u naar de toelichting op de wijzigingsregeling 2026.5
Nationaal Warmtefonds en gebouwgebonden financiering
Mogelijkheden Nationaal Warmtefonds voor woningeigenaren in schuldhulp
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer toegezegd te verkennen welke mogelijkheden er zijn bij Nationaal Warmtefonds voor financiering aan woningeigenaren in een schuldhulptraject.6 Nagenoeg alle woningeigenaren kunnen lenen bij Nationaal Warmtefonds. Een lening is echter niet mogelijk als een woningeigenaar in het verleden onbereikbaar was voor schuldeisers, een achterstand heeft bij een zakelijke verplichting of een schuldregeling heeft. Heeft een woningeigenaar een betalingsachterstand op een lening of krediet? Dan moet deze achterstand eerst worden ingehaald. Nationaal Warmtefonds hanteert geen wachttijd, dus na het inlopen van de achterstand kan de eigenaar direct de energiebespaarlening aanvragen.
Voor woningeigenaren in een schuldtraject geldt als uitgangspunt dat men geen nieuwe schulden aangaat. Aan de andere kant is het ook wenselijk om hen de mogelijkheid te bieden hun woning te verduurzamen en daarmee de energielasten direct te verlagen. Of financiering mogelijk is, hangt af van het type traject. In alle gevallen is toestemming van de verantwoordelijke partij doorslaggevend:
• Bij mensen onder bewind is er ruimte, mits de bewindvoerder instemt en de investering leidt tot lagere maandlasten.
• Voor mensen in een minnelijk schuldhulptraject is dit complexer en alleen soms mogelijk als de gemeente en de betrokken kredietbank akkoord gaan en de afgesproken regeling niet wordt verstoord.
• Voor mensen in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) is de ruimte vrijwel nihil, omdat een nieuwe lening al snel in strijd is met de wettelijke verplichtingen en het risico bestaat dat de schuldsanering mislukt.
Onderzoek gebouwgebonden financiering
Het idee van een gebouwgebonden financiering voor verduurzaming van een koopwoning is op het eerste gezicht interessant. Tegelijk bleek het maken van een juridische basis voor gebouwgebonden financiering en een praktische uitwerking die de mensen echt helpt, in het verleden erg lastig. Samengevat is het idee dat de lening «gebouw gebonden» is, dus bij verkoop in principe meegaat naar de volgende eigenaar. Daarnaast is het idee om kostenneutraal te financieren, waarbij de energierekening gegarandeerd lager is waarmee de lening afgelost zou moeten worden. Dat zou mogelijk maken dat de kredietverstrekker bij het geven van de lening niet hoeft te toetsen op inkomen. Afgelopen periode is dit idee uitgewerkt en ik heb hierover advies ontvangen van KMPG (zie bijlage 1). Ik zal dit najaar inhoudelijk reageren op dit advies.
Modernisering energieprestatievergoeding woningcorporaties
De energieprestatievergoeding (EPV) is een wettelijke vergoeding die een woningcorporatie aan een huurder mag vragen wanneer de woning door verduurzaming energie opwekt, mits de corporatie een gegarandeerde, zeer energiezuinige prestatie van de woning levert. Bij het Besluit modernisering Energieprestatievergoeding in 2023 is aangekondigd dat de EPV geëvalueerd zou worden. Daarbij is ook aangekondigd dat de wettelijk vastgelegde tarieven zo nodig worden herijkt in verband met wijzigingen in de salderingsregeling.
Evaluatie EPV door Sijpheer Energie
Uit de kwalitatieve evaluatie van de EPV door Sijpheer Energie blijkt een sterke waardering voor het principe van de EPV.7 Enerzijds bevestigt de evaluatie dat het principe van de EPV werkt: het biedt een oplossing voor de split-incentive8 en stimuleert energiebesparing. Anderzijds achten veel verhuurders de EPV-complex, administratief belastend en financieel onzeker. Daarbij geven woningcorporaties aan dat toekomstbestendigheid van de EPV vraagt om meer ruimte voor collectieve opwek, gedeelde installaties en toepassing in meergezinscomplexen. Huurders geven aan behoefte te hebben aan duidelijke en herhaalde instructies over energiezuinig handelen, een laagdrempelig aanspreekpunt en beter inzicht in de prestaties van de woning via app of rapportage. Ook blijkt uit de evaluatie dat het verwachte, maar versnelde wegvallen van de salderingsregeling de continuïteit onder druk zet: woningcorporaties heroverwegen lopende projecten en zetten nieuwe EPV-projecten grotendeels stil. Een deel van de huurders maakt zich zorgen over stijgende woonlasten.
Onderzoek EPV door adviesbureau BDH: collectieve opwek
Over de door verhuurders genoemde mogelijkheden voor collectieve opwek, gedeelde installaties en toepassing in meergezinscomplexen is een onderzoek uitgevoerd door BDH.9 Uit dit onderzoek en gesprekken met de markt bleek dat een EPV voor collectieve systemen niet doelmatig is. Dit komt door de hoge technische complexiteit, de grote variatie aan collectieve systemen, onzekerheid over de te realiseren schaal, afhankelijkheid van de salderingsregeling bij de EPV en de ervaringen van verhuurders met de huidige EPV.
Onderzoek DGMR: herijking EPV-tarieven vanwege afschaffen salderingsregeling
Voor de huidige EPV is bezien hoe sterk de EPV-tarieven moeten worden herzien met het oog op het belang van zowel verhuurders als huurders, vanwege het afschaffen van de salderingsregeling.10 Bij verhuurders speelt het belang dat deze tarieven bijdragen aan de exploitatiemogelijkheden van de woning. Voor huurders gaat het om de maandelijkse woonlasten. De herijking betekent een aanpassing van de EPV-tarieven, afwijkend van de jaarlijkse indexering op basis van de consumentenprijsindex. DGMR heeft onderzocht hoe ver de EPV-tarieven moeten dalen om woonlastenneutraliteit voor huurders te behouden na afschaffing van de salderingsregeling. Uit dit onderzoek blijkt dat de tarieven moeten dalen. Een verlaging verlaagt de woonlasten voor huurders, maar leidt wel tot lagere inkomsten voor verhuurders. Uit een eerdere raming van Aedes en de Woonbond blijkt dat woonlastenneutrale tarieven een inkomstenderving van circa € 10 miljoen per jaar zouden betekenen. Dit creëert een financieel verdelingsvraagstuk. Ik zal de huidige EPV-tarieven herzien in het licht van de afschaffing van de salderingsregeling. Een wijziging van de tarieven vereist een aanpassing van de regelgeving. De internetconsultatie hiertoe start deze zomer.
Vervolg EPV: instrument behouden, maar beperkt schaalbaar
Ik stel vast dat de meerwaarde van de EPV voor de verduurzamingsopgave beperkt is geweest. Ook constateert het kabinet dat de modernisering naar EPV 2.0, de knelpunten op het gebied van complexiteit en administratieve lasten niet in voldoende mate heeft weggenomen. Daarbij zet het kabinet in de huursector in op andere instrumenten voor verduurzaming, zoals binnen het Woningwaarderingsstelsel, de Nationale Prestatieafspraken, het uitfaseren van energielabels E, F en G bij huurwoningen en financiële regelingen. De EPV in haar huidige vorm is hiermee geen breed schaalbaar instrument meer voor verduurzaming.
Tegelijkertijd zie ik dat er verhuurders zijn die met de EPV goede ervaringen hebben en de regeling ook in de toekomst willen blijven toepassen. Daarom wil ik de EPV als instrument in stand laten. Verhuurders van bestaande EPV-woningen behouden zo de mogelijkheid deze woningen onder de huidige systematiek te blijven verhuren, en de regeling blijft beschikbaar voor verhuurders die in nieuwe projecten bewust voor toepassing van de EPV kiezen.
Op dit moment kies ik er niet voor om de technische eisen en kwalificaties van de EPV aan te passen. De verwachting is dat een aanpassing van het EPV-concept onvoldoende extra toepassing zal opleveren gezien de hierboven beschreven beperkte meerwaarde voor de verduurzamingsopgave. Wel houd ik, samen met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en marktpartijen, oog op mogelijkheden en initiatieven die de gevolgen voor het beëindigen van de salderingsregeling kunnen dempen en de EPV rendabeler maken. Gedacht kan worden aan het monitoren van de effecten van opslag en het inzetten op slimme sturing. Ook zal ik bezien of behoefte bestaat aan een eenvoudiger en breder toepasbaar instrument dat een oplossing kan bieden voor de split incentive, minder afhankelijk is van salderen en beter aansluit bij wensen uit de markt, zoals bij collectieve systemen.
Meting energielabels in woningen private verhuur
Om inzicht te krijgen in de voortgang van de verduurzaming in de private huursector, is een onderzoek uitgevoerd naar de energielabels in die sector. Daarbij is specifiek gekeken naar de resterende opgave voor het uitfaseren van energielabels E, F en G per 2029, waar regelgeving toe in de maak is11. Het rapport van ABF Research laat zien dat er circa 244.000 huurwoningen zijn met energielabel E, F of G (peildatum 01-01-2025).12 Exclusief monumenten zijn dat er circa 220.000. Dit zijn de woningen die vanaf 2029 onder de nieuwe normering voor energielabels E, F en G vallen. Verhuurders moeten hier de komende jaren mee aan de slag. Om hen te helpen, is er subsidie beschikbaar via de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH). Tot 2030 is er nog ongeveer € 113 miljoen aan subsidie beschikbaar.
Verduurzaming door Vereniging van Eigenaren (VvE)
Als onderdeel van de VvE-versnellingsagenda13 wordt er in samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid gewerkt aan het wetsvoorstel versnelling verduurzaming en onderhoud verenigingen van eigenaars. Met het wetsvoorstel kunnen VvE’s sneller en eenvoudiger overgaan tot het verduurzamen van het VvE-gebouw en het verrichten van noodzakelijk onderhoud. In het wetsvoorstel worden in de kern drie wijzigingen opgenomen:
1) besluiten voor verduurzaming en onderhoud van het VvE-gebouw en financiering daarvan kunnen worden genomen met een meerderheid van ten minste vijftig procent van de aanwezige stemmen;
2) de looptijd van een meerjarenonderhoudsplan wordt van 10 naar 30 jaar verlengd met een verplichte duurzaamheidsparagraaf. Op deze wijze houdt de VvE vroegtijdig rekening met uitgaven, die ingezet kunnen worden voor groot onderhoud in combinatie met verduurzaming;
3) opstalrecht; er wordt voorgesteld om sneller en eenvoudiger een opstalrecht te kunnen vestigen op VvE-gebouwen.
Het wetsvoorstel gaat in de zomer in internetconsultatie.
Notificatieregeling voor oplaadpunten
Het wordt voor appartementseigenaren eenvoudiger om een oplaadpunt voor een elektrische auto op een privé of gezamenlijke parkeerplaats binnen het beheer van de VvE te plaatsen. Dit gebeurt met een afzonderlijk wetsvoorstel tot wijziging van het appartementsrecht, ten behoeve van de implementatie van artikel 14, achtste lid van de Energy Performance of Buildings Directive IV (EPBD IV). Appartementseigenaren die een laadpaal willen plaatsen kunnen zich op basis van dit wetsvoorstel melden bij het VvE-bestuur met een concreet werkplan dat voldoet aan de voorwaarden die hiervoor worden opgenomen in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In tegenstelling tot eerdere communicatie dat het wetsvoorstel op 29 mei 2026 geïmplementeerd zou zijn, heeft dit helaas vertraging opgelopen. Het wetsvoorstel zal na de zomer worden aangeboden aan de Raad van State. De AMvB zal dit najaar geconsulteerd worden.
Impact pauzeknop op woningbouw in Utrecht
Op 12 maart jongstleden heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de gezamenlijke aanpak met TenneT en de regionale netbeheerders en overheden om een volledige aansluitstop in de Flevopolder, Gelderland en Utrecht (de «FGU-regio») te voorkomen. Aanleiding daarvoor was het signaal van TenneT medio februari dat zonder aanvullende maatregelen in deze regio geen nieuwe of zwaardere kleinverbruikaansluitingen meer mogelijk zouden zijn vanaf aankomende zomer. Om dit in het gehele FGU-gebied af te wenden, hebben de netbeheerders en overheden afspraken gemaakt, maatregelen getroffen en het gebied verdeeld in 5 deelgebieden. Daarop kon de aansluitstop beperkt blijven tot één gebied. Het getroffen gebied omvat het grootste deel van de provincie Utrecht.
Komende drie jaar voldoende ruimte voor woningbouw Utrecht
Ik heb toegezegd om de Kamer via de woonmonitor nader te informeren over de concrete gevolgen van de pauzeknop voor woningbouw in Utrecht.14 De afgesproken maatregelen geven voldoende zekerheid aan de netbeheerders dat de geplande woningen in de provincie komende jaren toch aangesloten kunnen worden. Het gaat in totaal om transportcapaciteit voor 50.000 woningen die bij de netbeheerders bekend zijn als «onder handen werk». Dit zijn projecten die voldoende concreet zijn uitgewerkt en waarvan de bouw de komende drie jaar start (uiterlijk 1 april 2029). Stedin heeft de lijst met projecten gecontroleerd en aangepast in overleg met vertegenwoordigers van de gemeenten Utrecht en Amersfoort, provincie Utrecht en de woondealregio’s MRU West, Amersfoort en Foodvalley. Projecten die bij Stedin nog niet bekend waren maar die zich al wel in vergevorderd stadium van ontwikkeling bevinden, zijn ook aan de lijst toegevoegd en kunnen ook komende jaren worden aangesloten.
Hierdoor zou er voldoende ruimte op het net moeten zijn om woningbouw-projecten die bij de netbeheerders bekend zijn en die de komende drie jaar starten met bouw toch aan te sluiten. In de periode na deze drie jaar (vanaf 2029) lopen jaarlijks circa 7.250 woningen het risico dat er niet op tijd transportcapaciteit beschikbaar is. Dit aantal is een schatting op basis van de jaarlijkse woningbouwproductie in de provincie. Samen met de netbeheerders werken we -op basis van de in de FGU gemaakte afspraken- aan oplossingen om meer transportcapaciteit te realiseren en om netbewust en congestieneutraal te bouwen. Daarmee zetten we erop in ook vanaf 2029 de impact op de woningbouw te minimaliseren.
Motie Klos over lokale energiehulporganisaties
In de motie van het lid Klos15 wordt de regering verzocht om met de VNG en het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) in gesprek te gaan, met als doel dat lokale energiehulporganisaties vaker worden geselecteerd bij de ondersteuning van de verduurzaming van huishoudens met een lager inkomen, door het opnemen van voorwaarden in aanbestedingen.
Een aantal initiatieven bestaat al. Zo is er door RVO en NPLW een handreiking inschakelen energieklusdiensten geschreven waarin gemeenten verschillende methoden worden voorgelegd hoe ze lokaal initiatief kunnen inzetten. Ook is met subsidie vanuit mijn ministerie, het Actienetwerk Energiearmoede opgericht door de Energiebank en Fixbrigade dat lokale energiehulporganisaties kan ondersteunen. Een volgend aangrijpingspunt hiervoor is de uitwerkingsfase van het Energiehuis.16 Daarin ga ik met NPLW en VNG aan de slag om gemeenten te faciliteren in het vormgeven van hun lokale energiehulp. Hier hoop ik u op een later moment nader over te informeren.
Maatregelen voor klimaatadaptatie in bestaande financiële regelingen
In de kamerbrief «Hitte aanpak 2025» van 2 juni 2025 hebben we u bericht over de start van een onderzoek naar de mogelijkheden om bestaande financiële regelingen uit te breiden met maatregelen gericht op klimaatadaptatie. Uit onderzoek blijkt namelijk dat zonwering een effectieve maatregel is om hitteproblematiek tegen te gaan. Adviesbureau Berenschot heeft daarom voor ons onderzocht of de uitbreiding van bestaande financiële regelingen voor isolatie en energietransitie haalbaar is en voor welke doelgroepen dit het meest geschikt zou zijn.17 Het rapport beveelt aan om zonwering als maatregel toegankelijker te maken voor huishoudens die het meest te maken hebben met hitteproblematiek. Uit het onderzoek blijkt dat dit vooral geldt voor bewoners van appartementen en huurwoningen. De resultaten van dit onderzoek zullen worden meegenomen in het lopende traject «IBO Energietransitie Woningvoorraad».
Tot slot
In deze brief ben ik ingegaan op een aantal toezeggingen aan en vragen van Uw Kamer over belangrijke instrumenten die huurders, verhuurders, woningeigenaren, VvE’s en eigenaren van utiliteitsgebouwen helpen bij de verduurzaming van hun gebouwen. Daarnaast heb ik u geïnformeerd over de impact van de pauzeknop op de voortgang van de woningbouw in Utrecht.
Nauwe samenwerking met alle stakeholders om de woningproductie te versnellen en het verbeteren van de instrumenten voor verduurzaming van woningen en utiliteitsgebouwen blijft ook de komende periode hard nodig voor de grote ruimtelijke en volkshuisvestelijke opgaven waar we voor staan.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O'Sullivan
Kamerstuk 32 847, nr. 1490: Brief aan Parlement – Isolatieoffensief en Energiehuis↩︎
Kamerbrief EPBD IV: Brief aan Parlement – Stand van zaken implementatie EPBD IV↩︎
Evaluatierapport DUMAVA 2022–2025↩︎
Stcrt. 2026, nr. 16962↩︎
Stcrt. 2026, nr. 16962↩︎
Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 32 847, nr. 1014↩︎
https://open.overheid.nl/details/da801242–285a-43e8–8c3d-4fe3cbfb46d7↩︎
De split-incentive betekent dat de directe voordelen van de investering in verduurzaming worden gedaan door de verhuurder, maar (grotendeels) ten gunste van de huurder komen in de vorm van een lagere energierekening. De verhuurder heeft zo niet altijd een prikkel om te verduurzamen.↩︎
https://open.overheid.nl/details/8e1c973c-c6b1–4ba2–9147-be11b5ed6ec0↩︎
https://open.overheid.nl/details/d4ced425-a355-4527-897f-e62438ff8ca4↩︎
Kamerbrief januari 2026↩︎
Rapport nulmeting energielabels private huurwoningen↩︎
Versnellingsagenda verduurzaming gebouwen in beheer van Verenigingen van Eigenaars (VvE's) | Rijksoverheid.nl↩︎
Toezegging Z202605–043↩︎
Kamerstuk II 2025/26, 29 023, nr. 607↩︎
Kamerstuk 32 847, nr. 1490: Brief aan Parlement – Isolatieoffensief en Energiehuis↩︎
Onderzoek Berenschot klimaatadaptatie in bestaande financiële regelingen↩︎