Fiche: Wijziging Verordening gegevensbescherming voor Europese instellingen (EUVG)
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Brief regering
Nummer: 2026D39721, datum: 2026-08-28, bijgewerkt: 2026-09-03 13:56, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4420 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.
Onderdeel van zaak 2026Z17402:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-09-03 14:19 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-09-03 14:19: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-09 14:30: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (đź”— origineel)
22112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4420 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 augustus 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 7 fiches die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche: mededeling Stop Destroying Videogames (Kamerstuk 22112, nr. 4417).
Fiche: Omnibus XII energieproducten en bandenlabelling (Kamerstuk 22112, nr. 4418).
Fiche: Herziening van de richtlijn betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken(Kamerstuk 22112, nr. 4419).
Fiche: Wijziging Verordening gegevensbescherming voor Europese instellingen (EUVG).
Fiche: Omnibusrichtlijn directe belastingen (Kamerstuk 22112, nr. 4421).
Fiche: Herziening van de Administratieve samenwerkingsrichtlijn op het gebied van belastingen (Kamerstuk 22112, nr. 4422).
Fiche: Mededeling OceanEye: EU-initiatief voor oceaanobservatie (Kamerstuk 22112, nr. 4423).
De minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Fiche: Wijziging Verordening gegevensbescherming voor Europese instellingen (EUVG)
Algemene gegevens
Titel voorstel
Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.
Datum ontvangst Commissiedocument
23 juni 2026
Nr. Commissiedocument
COM(2026) 314 final 2026/0173(COD)
EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=COM:2026:0314:FIN
Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
Behandelingstraject Raad
Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)
Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Justitie en Veiligheid
Rechtsbasis
Artikel 16 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU)
Besluitvormingsprocedure Raad
Gekwalificeerde meerderheid
Rol Europees Parlement
Medebeslissing
Essentie voorstel
Inhoud voorstel
Op 23 juni 2026 heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) een voorstel gepubliceerd tot wijziging van de Verordening (EU) 2018/1725 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de EU (hierna: EUVG). Dit voorstel maakt onderdeel uit van het bredere Law Enforcement and Criminal Justice pakket van de Commissie. In dit fiche wordt ingegaan op het EUVG-voorstel. De overige voorstellen uit dit pakket worden in een afzonderlijk BNC-fiche beoordeeld.
Het grondrecht op gegevensbescherming is in de EU vastgelegd in Artikel 8 van het Handvest van de grondrechten. Het belangrijkste juridische instrument dat invulling geeft aan dit grondrecht is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (2016/679), de AVG. De AVG is niet van toepassing op gegevensverwerking met het oog op de opsporing en vervolging van strafbare feiten; daarvoor geldt de EU-richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (2016/680). Daarnaast gelden de AVG en Richtlijn 2016/680 niet voor gegevensverwerkingen door Europese instellingen, organen en instanties. Daarop ziet de EUVG.
Het voorstel tot aanpassing van de EUVG vindt zijn oorsprong in een evaluatie door de Commissie van deze verordening.1 Daaruit kwam het voornemen voort om de EUVG te wijzigen om de rechtszekerheid te verbeteren door de algemene bepalingen van de EUVG waar mogelijk ook van toepassing te laten zijn op de verwerking van operationele persoonsgegevens, zodat een geharmoniseerd kader wordt geboden voor zowel bestaande als toekomstige instanties op het gebied van justitiële samenwerking in strafzaken en politiële samenwerking.
Het voorstel voorziet in een herziening van Hoofdstuk IX van de EUVG, dat betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens die worden verwerkt door EU-instanties en -organen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (JBZ). Door de wijzigingen van de EUVG wordt het in de evaluatie uit 2022 voorgenomen gelijkluidender kader gecreëerd voor de verwerking van operationele persoonsgegevens door JBZ-instellingen, organen en instanties (thans zijn dit Europol, Eurojust, Frontex en het Europees Openbaar Ministerie). De huidige regels verschillen nog per organisatie; Europol en Eurojust hebben regels in de oprichtingsverordeningen, Frontex mist specifieke operationele regels en het Europees OM (EOM) heeft een eigen regime.
De voorgestelde wijzigingen zien op de volgende vier hoofdthema’s: (I) reikwijdte; (II) aansluiting op Omnibus Digitaal2; (III) consistentie en harmonisatiebepalingen (waaronder European Data Protection Supervisor (EDPS)-bevoegdheden en doorgifte); en (IV) interactie/wisselwerking met Europol/Eurojust voorstellen.
De reikwijdte van de EUVG wordt aangepast zodat de regels (o.a. art. 43–45, hoofdstukken VII en VIII) ook gelden voor de verwerking van operationele persoonsgegevens door JBZ‑organen en ‑instanties en de uitsluiting van het EOM vervalt.
Diverse bepalingen worden afgestemd op het Digitale Omnibusvoorstel. Zo wordt art. 77 EUVG gewijzigd met betrekking tot geautomatiseerde besluitvorming, zodat besluiten die uitsluitend berusten op geautomatiseerde verwerking van operationele persoonsgegevens zijn toegestaan onder specifieke voorwaarden. Ook wordt bij het Omnibusvoorstel aangeknoopt waar het gaat om het tegengaan van misbruik van verzoeken van betrokkenen: art. 78 verduidelijkt wanneer een verzoek kennelijk ongegrond of buitensporig is (bij misbruik voor andere dan gegevensbeschermingsdoeleinden) en legt de bewijslast bij de verwerkingsverantwoordelijke. Voor datalekken wordt – naar analogie van het Omnibusvoorstel – de termijn voor melding aan de EDPS op 96 uur (i.p.v. 72) gesteld, en alleen als het datalek waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van betrokkenen.
De gegevensbeschermingsregels die van toepassing zijn op Europol en Eurojust worden samengebracht in de EUVG. De toezichthoudende taak van de EDPS (European Data Protection Supervisor, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming) wordt uitgebreid naar de verwerking van operationele persoonsgegevens door alle relevante organen, in lijn met het regime dat sinds 2022 voor Europol geldt. Hierdoor worden de bevoegdheden van de EDPS ten aanzien van deze organen en instanties geharmoniseerd met de bevoegdheden die de EDPS al heeft ten aanzien van de andere EU-instellingen en -organen waarop zij reeds toezicht houdt. Verder komen er in het voorstel gelijkluidende bepalingen over de rol van functionarissen voor gegevensbescherming en over samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten. Het kader voor doorgiften van operationele persoonsgegevens aan derde landen en internationale organisaties wordt afgestemd op Richtlijn (EU) 2016/680. Dit betekent: doorgifte is mogelijk zonder additionele waarborgen bij een adequaatheidsbesluit, zonder adequaatheidsbesluit kan doorgifte met passende waarborgen via een juridisch bindend instrument of gemotiveerde beoordeling door de verwerkingsverantwoordelijke. Specifieke afwijkingen gelden als geen van beide beschikbaar is; onder voorwaarden is ook doorgifte aan ontvangers mogelijk die geen bevoegde autoriteit zijn in derde landen, als contact met een bevoegde autoriteit ondoeltreffend/ongeschikt is en de doorgifte strikt noodzakelijk is voor de taken.
De gegevensbeschermingsregels die van toepassing zijn op Europol en Eurojust, het EOM en Frontex worden samengebracht in de EUVG. In de oprichtingshandelingen van EU-organen en -instanties die actief zijn op het gebied van rechtshandhaving en strafrecht kunnen daardoor uitsluitend de gegevensbeschermingsregels worden behouden die specifiek zijn ontwikkeld om recht te doen aan hun respectieve specifieke operationele behoeften en aard. Parallel aan de onderhavige ontwerpverordening wordt gewerkt aan herzieningen van de Europol- en Eurojust-verordeningen. Daarnaast wordt geanticipeerd op de aanstaande herziening van de oprichtingshandeling van het EOM (Verordening (EU) 2017/1939).
Impact assessment Commissie
Voor dit voorstel is geen impact assessment verricht. De Commissie heeft in het voorstel toegelicht dat dit niet nodig is, vanwege de beperkte reikwijdte ervan en het grotendeels technische karakter van de voorgestelde wijzigingen. . Bovendien heeft de Commissie aangegeven dat de betrokken instanties al worden onderworpen aan afzonderlijke evaluaties en effectbeoordelingen, onder meer met betrekking tot de gegevensbeschermingsregels die op hen van toepassing zijn. De Commissie komt daarom tot de slotsom dat een afzonderlijke beoordeling in het kader van de EUVG daarmee een overlapping zou vormen.
Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het Nederlands beleid op dit gebied is in het algemeen erop gericht om de juiste balans te vinden tussen de bescherming van de grondrechten van het individu enerzijds en de veiligheid anderzijds. Nederland is altijd voorstander geweest van de totstandkoming van eenvormige regels op het gebied van de gegevensbescherming binnen de EU, geldend ook voor de instellingen. Nederland steunt dan ook al veel jaren het idee dat ook de EU-instellingen in beginsel aan dezelfde regels worden onderworpen als de lidstaten, de nationale overheden, bedrijven en burgers. Nederland hecht in het kader van een goede werking van het gegevensbeschermingsrecht ook aan effectief functionerend toezicht.
Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Met het voorstel wordt een verdere stap gezet naar een in de gehele EU volledig geharmoniseerd stelsel van regels op het gebied van het gegevensbeschermingsrecht. Het kabinet is daarvan voorstander en kan zich dan ook in beginsel achter het voorstel scharen.
De reikwijdte van de EUVG wordt aangepast zodat de regels (o.a. art. 43–45, hoofdstukken VII en VIII) ook gelden voor de verwerking van operationele persoonsgegevens door JBZ‑organen en ‑instanties (waaronder Europol en Eurojust) en de uitsluiting van het EOM vervalt. Het voorstel beoogt daarmee meer coherente kaders te creëren voor gegevensbescherming door het verbeteren van de harmonisatie en consistentie ervan. Nederland staat daar positief tegenover, te meer nu het voorstel ruimte laat om (elders) afwijkingen te kunnen blijven regelen voor specifieke verwerkingen die samenhangen met de specifieke aard van de instelling.
In het voorstel krijgen bepalingen uit de Omnibus Digitaal ook gelding in de EUVG. Deze bepalingen zien met name op geautomatiseerde besluitvorming, het tegengaan van misbruik van verzoeken van betrokkenen en het melden van datalekken. Nederland stelt als voorwaarden voor de Omnibus Digitaal dat de voorstellen bijdragen aan versimpeling, verduidelijking en stroomlijning van wetgeving en dat het niveau van gegevensbescherming daardoor niet wezenlijk verminderd wordt. Dit geldt ook voor de voorziene aanpassingen aan de EUVG. Nu de onderhandelingen over de Omnibus nog gaande zijn, is het belangrijk dat er geen inconsistenties ontstaan tussen de Omnibus en de EUVG. Dit vergt een zorgvuldige afstemming van beide trajecten om te voorkomen dat deze asynchroon gaan lopen.
Verder wordt het toezicht versterkt, door een taakomschrijving van de functionarissen voor gegevensbescherming en door de regeling van de toezichthoudende taak van de EDPS. Daarnaast komen er eenduidige criteria voor de doorgifte aan derde landen.
Nederland staat daar positief tegenover, aangezien deze doelen passen in het streven van het kabinet om de eenduidigheid en de rechtszekerheid van het gegevensbeschermingsrecht te bevorderen. Wel hecht Nederland er belang aan dat het kader omtrent doorgifte aan derde landen door de instanties waarop de EUVG betrekking heeft, hetzelfde materiële beschermingsniveau blijft kennen als thans het geval is. Ook dient goed te worden bezien welke gevolgen de doorgiftebepalingen hebben voor de gevallen waarin de in de EUVG genoemde organisaties - eigenstandig en zonder tussenkomst van nationale autoriteiten - operationele persoonsgegevens kunnen doorgeven aan (autoriteiten in) derde landen. Nederland zal het onderhavige voorstel ook in nauwe samenhang bekijken met de andere Commissievoorstellen in het kader van het “Criminal Law Package” met betrekking tot Europol en Eurojust. Verder is het voor Nederland belangrijk dat de operationele onafhankelijkheid van het EOM voldoende gewaarborgd blijft.
Uit het vervolgtraject zal moeten blijken in hoeverre de voorgestelde wijzigingen van de door de Commissie geformuleerde doelen in de Omnibus Digitaal daadwerkelijk dichterbij brengen. Ook Nederland zal hierop kritisch zijn. Bezien zal worden of het voorstel daadwerkelijk leidt tot een vereenvoudigd, verduidelijkt raamwerk voor operationele gegevensverwerking en het wegnemen van onzekerheden en inconsistenties, zonder het niveau van gegevensbescherming wezenlijk te verminderen.
Eerste inschatting van krachtenveld
De meeste lidstaten staan positief tegenover het voorstel: harmonisatie, consistentie en stroomlijning van de verwerking van operationele data bij JBZ-agentschappen en het EOM wordt als doel breed omarmd. Tegelijkertijd bestaat er behoefte aan duidelijkheid over vooral de coördinatie en consistentie tussen EUVG en de Omnibus Digitaal en de daarvoor nog lopende onderhandelingen. Ook bestaan nog vragen over de balans tussen EDPS-bevoegdheden en die van de functionaris voor gegevensbescherming en over de regels met betrekking tot internationale doorgifte, en over de samenloop tussen dit voorstel en de aangepaste Europol- en Eurojust-verordeningen.
Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel is gebaseerd op artikel 16, tweede lid, VWEU. Artikel 16, tweede lid, VWEU, geeft de EU de bevoegdheid voorschriften vast te stellen betreffende de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie, alsook door de lidstaten, bij de uitoefening van activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie vallen en betreffende het vrij verkeer van die gegevens. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag, nu het gaat om regels over gegevensbescherming bij verwerking door EU‑instellingen en ‑organen. Als zodanig is artikel 16, VWEU, de passende rechtsgrondslag voor het voorstel. Op het terrein van gegevensbescherming, is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten op grond van artikel 4, eerste lid, VWEU.
Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. Het voorstel heeft tot doel het harmoniseren en bundelen van regels die uitsluitend gelden voor EU-instellingen, -organen en -agentschappen, waaronder Europol, Eurojust, het EOM en Frontex. Gezien het feit dat dit regels voor EU-instellingen betreft, kan dit niet door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt. Daarom is een EU-aanpak nodig. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd. Verder betreft dit een wijziging van een verordening, wat enkel op Unieniveau kan gebeuren.
Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief. Het voorstel heeft tot doel het harmoniseren en bundelen van regels die uitsluitend gelden voor EU-instellingen, organen en -agentschappen, waaronder Europol, Eurojust, het EOM en Frontex. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken, nu de voorgestelde wijzigingen zoals het actualiseren, verwijderen en updaten van verscheidene artikelen van verordening 2018/1725 allemaal wezenlijk bijdragen aan het harmoniseren en bundelen van de desbetreffende regels voor EU-instellingen, organen en -agentschappen. Daarnaast gaat het voorstel niet verder dan noodzakelijk, nu het voorstel gerichte, voornamelijk technische wijzigingen bevat ter vermindering van fragmentatie en verhoging van rechtszekerheid, zonder wijziging van beleidsdoelen of uitbreiding van taken.
Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Consequenties EU-begroting
Het kabinet is van mening dat indien het voorstel financiële consequenties heeft, de daarvoor benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021-2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027. Daarnaast moet de ontwikkeling van de administratieve uitgaven in lijn zijn met de ER-conclusies van juli 2020 over het MFK-akkoord.
Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden
Het voorstel betreft de instellingen, agentschappen en organen van de EU. Rechtstreekse financiële gevolgen voor de rijksoverheid en decentrale overheden worden daarom niet voorzien. Financiële gevolgen voor Nederlandse ketenpartners worden vooralsnog niet voorzien. Eventuele budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement conform de regels van de budgetdiscipline.
Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
Het voorstel betreft de instellingen, agentschappen en organen van de EU. Er worden daarom geen financiële of personele consequenties voor bedrijven en burgers voorzien.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) constateert dat het voorstel geen regeldrukgevolgen voor Nederland heeft. Het college heeft daarom besloten om geen formeel advies uit te brengen over het BNC-fiche.
Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Niet van toepassing.
Implicaties juridisch
Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
Geen.
Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Niet van toepassing.
Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
Nog niet bekend.
Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
Niet wenselijk.
Constitutionele toets
Het voorstel past in de ontwikkeling dat aan de grondwettelijke opdracht om regels te stellen met
betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, hoofdzakelijk invulling wordt gegeven in de
vorm van regelingen en verdragen vastgesteld in de EU en de Raad van Europa. Dit hangt samen
met de mondialisering van deze materie. Het voorstel in overeenstemming is met de Europese
Verdragen en het Grondrechtenhandvest, alsook de Nederlandse grondwet.
Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
De Commissie heeft blijkens het voorstel gerichte raadplegingen gehouden met Europol, Eurojust, het EOM en Frontex en met de EDPS, die belast is met het toezicht op de naleving. Het kabinet zou nu er geen impact assessment is in ieder geval graag een nadere toelichting van de Commissie zien op de uitvoeringsconsequenties voor de betrokken JBZ-agentschappen en met name het EOM.
Implicaties voor ontwikkelingslanden
Het voorstel heeft geen specifieke implicaties voor ontwikkelingslanden.
Eerste verslag over de toepassing van de verordening gegevensbescherming voor de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie (Verordening (EU) 2018/1725), 14 oktober 2022, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52022DC0530↩︎
Fiche 2 - Omnibus AI en Omnibus Digitaal | Rijksoverheid.nl↩︎