Kabinetsreactie op onderzoek Importing Occupation van Global Echo
Brief regering
Nummer: 2026D39886, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-08-31 14:08, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Ooit D66 kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z17466:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
- 2026-09-10 13:30: Procedurevergadering Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Procedurevergadering), vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
Middels deze Kamerbrief gaat het kabinet in op het verzoek van de vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking om te reageren op het onderzoek Importing Occupation dat in juni 2026 is gepubliceerd door Global Echo.1 In deze brief zal ingegaan worden op de in het onderzoek genoemde onjuiste herkomst- en oorsprongsaanduiding, vermeende subsidies van exporteurs, de strijdigheid met het EU recht en gevolgen voor het nederzettingenbeleid.
Vooropgesteld: het kabinet maakt zich grote zorgen over de steeds verder verslechterende situatie in de Westelijke Jordaanoever. Als bekend veroordeelt het kabinet de onrechtmatige Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden, inclusief de uitbreiding van nederzettingen, vernielingen en uithuisplaatsingen. Deze positie draagt Nederland uit in relevante internationale fora en in bilateraal verband. Het kabinet zal zich hierover blijven uitspreken.
Inhoud rapport
Het onderzoek van Global Echo, dat meerdere jaren bestrijkt, betreft meer dan 30.000 exportdocumenten, waaronder die bij meer dan 6.800 zendingen van landbouwgoederen vanuit Israël. Het onderzoek wijst uit dat van de 5.900 zendingen met EU als bestemming meer dan 17% producten betrof met als oorsprong de onrechtmatige nederzettingen.
Daarnaast wordt in het onderzoeksrapport geschreven over bewuste en terugkerende praktijken gericht op het verhullen van de ware herkomst van producten afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen - praktijken die in strijd zouden zijn met het EU-recht. Een voorbeeld daarvan dat in het onderzoeksrapport wordt genoemd is het incorrect aanduiden van de plaats van productie, waarbij wordt aangegeven dat deze zich in Israël bevindt in plaats van in een onrechtmatige nederzetting. Een ander voorbeeld is het vermelden van een nepadres, dat niet gerelateerd is aan de ware oorsprong van het goed. Een derde voorbeeld is het mengen van een goed uit een onrechtmatige nederzetting met goederen uit Israël. De incorrecte herkomstaanduiding wordt zodoende gebruikt om onterecht aanspraak te maken op preferentiële behandeling (d.w.z. lagere invoertarieven) onder het EU-Israël Associatieakkoord. Het rapport concludeert dat gebrek aan goed ontwerp en handhaving van Europese herkomstaanduidingsverplichtingen bijdragen aan economische normalisatie van een onrechtmatige situatie. Bovendien ondermijnen deze tekortkomingen de mogelijkheid om te voldoen aan de internationaalrechtelijke verplichting om economische activiteiten te voorkomen die bijdragen aan de instandhouding van de onrechtmatige situatie die door Israël in het bezette Palestijnse gebied is gecreëerd, alsook aan de verplichtingen onder het EU-recht over oorsprong en herkomst van producten. Tot slot wijst het rapport op vergoedingen die de Israëlische overheid aan exporteurs van producten uit de onrechtmatige nederzettingen zou aanbieden, om zo de financiële tekorten die voortvloeien uit het mislopen van handelspreferenties te compenseren.
Reactie kabinet
Het kabinet keurt omzeiling van de EU-rechtelijke verplichtingen die zien op het vermelden van de juiste oorsprong en herkomst van producten ten zeerste af. Omzeiling van de oorsprongsregels onder het EU-Israël Associatieakkoord leidt tot misbruik van tariefpreferenties onder dat akkoord. Voorts moeten consumenten op grond van het EU-recht juist geïnformeerd worden over de oorsprong en herkomst van producten om consumentenmisleiding te voorkomen. Voor producten afkomstig uit onrechtmatige nederzettingen moet deze herkomst vermeld worden, naast vermelding van het gebied van oorsprong. Dit om te voorkomen dat consumenten worden misleid ten aanzien van het feit dat de Staat Israël in die gebieden aanwezig is als bezettingsmacht en om consumenten in staat te stellen bij hun aankoopbeslissing rekening te houden met het feit dat het product afkomstig is uit een onrechtmatige nederzetting.2
Ook zijn de bevoegde autoriteiten in de EU verplicht regelmatig officiële controles uit te voeren en daarbij rekening te houden met informatie die erop wijst dat consumenten waarschijnlijk worden misleid, ook met name wat betreft de plaats van herkomst.3 Het kabinet heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juni jl. de Europese Commissie verzocht om een analyse van de naleving van het beleid met betrekking tot de export van goederen uit illegale nederzettingen uit de bezette gebieden, inclusief een analyse van de problematiek en de handhaving van correcte herkomstaanduiding en correcte toepassing van de oorsprongsregels onder het Associatieakkoord.4 Deze analyse is ook van belang in het licht van het onderzoek van Global Echo. Na aanleiding van dit verzoek van het kabinet, heeft de Commissie opties gepresenteerd om de handhaving van de juiste herkomstaanduiding aan te scherpen. Nederland is samen met andere landen voorstander van deze aanscherpingen.
Het is de internationaalrechtelijke verplichting van Staten om niet bij te dragen aan het in stand houden van de door Israël gecreëerde onrechtmatige situatie in de bezette gebieden. Het kabinet geeft invulling aan deze internationaalrechtelijke verplichting, onder meer door het actiever uitdragen van het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van activiteiten die Nederlandse bedrijven ontplooien in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen in bezette gebieden en het beleid ten aanzien van implementatie van bilaterale verdragen tussen Israël en Nederland in de bezette gebieden.5 Ook met het Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden geeft het kabinet nadere invulling aan deze verplichting.6 Dit sanctiebesluit omvat een invoer-, verkoop- en aankoopverbod van goederen afkomstig uit onrechtmatige nederzettingen in door Israël bezette gebieden alsmede een verbod op het verlenen van tussenhandeldiensten7 en een verbod op het omzeilen van deze verboden.
Een dergelijk verbod is effectiever op EU-niveau. Het kabinet roept daarom op tot handelsmaatregelen in EU-verband tegen de onrechtmatige nederzettingen. Mede naar aanleiding van deze Nederlandse inzet, heeft de Raad Buitenlandse Zaken de Europese Commissie op 15 juni jl. opgeroepen om te komen met voorstellen voor mogelijke EU-maatregelen, waaronder maatregelen om de invoer van goederen uit illegale nederzettingen te voorkomen. De EU Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid Kallas zegde toe de Commissie te verzoeken de opties daartoe in aanloop naar de volgende Raad Buitenlandse Zaken van 13 juli te presenteren.8 Deze oproep is tevens gereflecteerd in de conclusies van de Europese Raad van 18-19 juni 2026.9 Bij de Raad Buitenlandse Zaken van 13 juli jl. is deze discussie voortgezet, mede op basis van de door de Commissie gepresenteerde opties voor mogelijke EU-handelsmaatregelen. Het kabinet heeft wederom onderstreept dat het belangrijk is dat de EU een dergelijke maatregel aanneemt om aan haar verplichtingen onder het internationaal recht te voldoen. Hoewel deze oproep steun kreeg van meerdere EU-lidstaten, bestaat voor geen van de besproken opties op dit moment voldoende draagvlak.10 Het kabinet blijft er voorstander van om dergelijke stappen op EU-niveau te zetten, omdat deze effectiever zijn dan nationale maatregelen, en zal dit ook uitdragen in de informele Raad Buitenlandse Zaken van 1 en 2 september aanstaande.11
De minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.W. Sjoerdsma |
|---|
Zie verordening 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten, zoals uitgelegd in het arrest van 12 november 2019 in de zaak C-363/18, Organisation juive Européenne en Vignoble Psagot, punten 37 en 50.↩︎
Artikel 9, lid 1, onder b, en artikel 14 van verordening2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, PB EU van 7.4.2017, L 95/11↩︎
Verslag Raad Buitenlandse Zaken d.d. 15 juni 2026 (Kamerstuk 21501-02 nr. 3451).↩︎
Kamerstuk 23 432, nr. 544.↩︎
Kamerstuk 23 432, nr. 749.↩︎
Tussenhandeldiensten zien op het onderhandelen over of regelen van transacties met het oog op de invoer, aankoop of verkoop van goederen afkomstig uit een onrechtmatige nederzetting in de door Israël bezette gebieden.↩︎
Verslag Raad Buitenlandse Zaken d.d. 15 juni 2026 (Kamerstuk 21501-02 nr. 3451).↩︎
Verslag Europese Raad d.d. 18 en 19 juni 2026 (Kamerstuk 21501-20 nr. 2432).↩︎
Verslag Raad Buitenlandse Zaken d.d. 13 juli 2026 (Kamerstuk 21501-02 nr. 3461).↩︎
Geannoteerde Agenda Informele Raad Buitenlandse Zaken Gymnich van 1 en 2 september 2026 (Kamerstuk 21501-02 nr. 3465).↩︎