[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Kabinetsreactie op het WKR-advies ‘Meeveranderen met het klimaat’ en het WRR-advies ‘Mens en klimaat. De kracht van sociale infrastructuur bij adaptatie’

Brief regering

Nummer: 2026D40271, datum: 2026-09-01, bijgewerkt: 2026-09-01 16:19, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z17600:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte voorzitter,

Het klimaat verandert snel. Weersextremen nemen daardoor toe. De gevolgen van hittegolven, zware regenbuien en droogte zijn steeds duidelijker merkbaar, maar laten zich moeilijker voorspellen. Problemen kunnen zich bijvoorbeeld tegelijkertijd voordoen en elkaar versterken. Om als samenleving klimaatbestendig en weerbaar te worden en te blijven, zijn belangrijke keuzes nodig. Keuzes die niet alleen gaan over onze fysieke bescherming, maar ook over sociale factoren.

Het kabinet verwelkomt daarom het advies ‘Meeveranderen met het klimaat’, dat de Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR) op 19 juni 2025 heeft gepubliceerd. Dit advies is op verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat opgesteld ten behoeve van de nieuwe Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS’26). De WKR geeft aan dat er zowel ruimtelijke als maatschappelijke keuzes nodig zijn om Nederland klimaatbestendig te maken en te houden. Daarnaast heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) op 22 mei 2025 het rapport ‘Mens en klimaat. De kracht van sociale infrastructuur’ uitgebracht. De WRR benadrukt hierin dat Nederland beter klimaatbestendig wordt wanneer de overheid niet alleen fysieke maatregelen neemt, maar ook inzet op sociale infrastructuur.

Met deze brief stuur ik u de kabinetsreactie op het advies van de WKR en het advies van de WRR. Voor een belangrijk deel zijn deze adviezen al verwerkt in de Ontwerp-NAS, die op 29 mei jl. aan de Kamer gestuurd is1. In deze brief geeft het kabinet aan hoe het met de adviezen omgaat. Ook zijn beide adviezen reeds benut voor de herijking van het Deltaprogramma, meer specifiek voor de herijking van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA).

Beide adviezen beperken zich tot het Europese deel van Nederland en geven geen aanbevelingen voor Caribisch Nederland. Daarom richt deze kabinetsreactie zich ook alleen op Europees Nederland. De WRR werkt aan een apart rapport over de Caribische delen van het Koninkrijk en de WKR verkent een dergelijk advies.

  1. Reactie op het advies van de WKR

WKR-advies

Om Nederland veilig en leefbaar te houden, beargumenteert de WKR in haar advies voor de NAS dat er nu richtinggevende keuzes nodig zijn voor klimaatadaptatie. De WKR gaat hierbij in op keuzes in twee domeinen die nodig zijn om Nederland klimaatbestendig te maken en te houden: ruimtelijke en maatschappelijke keuzes. Zo gaan ruimtelijke keuzes over de vraag in welke gebieden we functies en landgebruik moeten transformeren, zodat we in andere gebieden – weliswaar met extra maatregelen – de bestaande functies kunnen behouden. Maatschappelijke keuzes gaan over de gedeelde verantwoordelijkheid van overheid, burgers en bedrijven in de omgang met het veranderende klimaat, zodat de samenleving als geheel weerbaarder wordt. Binnen deze keuzes geeft de WKR acht aanbevelingen aan de overheid.

Algemene reactie

De NAS’26 wordt de rijksbrede strategie om Nederland voor te bereiden op en weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het advies van de WKR is ten behoeve van de NAS opgesteld, en inmiddels ook betrokken bij de Ontwerp-NAS. De Ontwerp-NAS schetst verschillende beleidsscenario’s en de consequenties daarvan. Hiermee maakt het kabinet duidelijk dat er op korte of (middel)lange termijn verdergaande aanpassingen aan de voortschrijdende klimaatverandering nodig zijn dan we tot nu toe gewend zijn. Uiteindelijk zijn er scherpe keuzes nodig. Dat geldt niet alleen voor het Rijk, maar ook voor medeoverheden en andere organisaties. In de Ontwerp-NAS is de basis om die scherpe keuzes te maken uitgewerkt en zijn er zo concreet mogelijke doelstellingen ontwikkeld.

  1. Ruimtelijke keuzes voor adaptatie

Nederland staat voor ruimtelijke keuzes om beschermd te blijven tegen de gevolgen van het veranderende klimaat. De WKR maakt daarbij onderscheid in intensiveren en transformeren. De raad beschrijft dat bij intensiveren de functie van een gebied in principe gelijk blijft, er is dan een intensivering nodig van maatregelen om een gebied te kunnen blijven beschermen tegen klimaatrisico’s. Daartegenover staat de strategie van transformeren, waarbij de functie en het landgebruik van een gebied zodanig worden aangepast dat die beter passen bij het natuurlijke systeem van water en bodem, en meegroeien met het veranderende klimaat. De WKR stelt dat intensiveren, gericht op het behoud van bestaande functies in een gebied, op verschillende plekken niet langer houdbaar is. Daarom geeft de raad aan dat we in steeds meer gebieden moeten transformeren, zodat ruimte ontstaat voor nieuwe functies die passen bij het veranderende klimaat. Dit vraagt om keuzes die op korte termijn ingrijpender kunnen zijn, maar op lange termijn veel opleveren.

Aanbeveling 1: Bepaal op nationaal niveau waar nu moet worden getransformeerd en waar later, en werk dit regionaal uit. Daarbij zijn water, bodem en klimaatrisico’s sturend.

Het kabinet onderschrijft de twee adaptatiestrategieën van intensiveren en transformeren. Ze hebben een belangrijke rol gespeeld bij het opstellen van de Ontwerp-NAS. Zo zijn de twee strategieën als uitgangspunt opgenomen in hoofdstuk 3.1. ‘Een klimaatbestendige ruimtelijke ordening en inrichting’ en onder meer verbonden aan het onderzoek naar toekomstige klimaatrisico’s van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)2. Ook zijn de strategieën gebruikt in de adaptatiepadenkaarten, die voor alle vijftien beleidsopgaven zijn opgesteld. De padenkaarten laten zien welke verschillende beleidsopties we kunnen nemen, op welk moment in de tijd, hoelang we die beleidsoptie kunnen blijven uitvoeren en wanneer we wellicht moeten overstappen.

In de Ontwerp-NAS wordt nu niet op nationaal niveau bepaald waar moet worden getransformeerd. Deze aanbeveling gaat vooral over ruimtelijke keuzes. In de Nota Ruimte maakt het Rijk nationale ruimtelijke keuzes voor 2050 met een doorkijk naar 2100. Zo geeft de Nota Ruimte richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, met als doel een optimale balans tussen het beschermen en benutten van onze fysieke leefomgeving. Eén van de richtingen voor de toekomst die in de Ontwerp-Nota Ruimte wordt geschetst is het meer aansluiten bij de natuurlijke systeemwerking, om daarmee het watersysteem robuuster en toekomstbestendiger te maken. Dit vraagt soms al om keuzes op de kortere termijn. Bijvoorbeeld door het reserveren van voldoende ruimte in en rondom het hoofdwatersysteem. Die ruimte is onder andere nodig voor rivierverruimingen en dijkversterkingen. Daarbij hanteert het kabinet in de Nota Ruimte ‘water en bodem sturend’ als een richtinggevend principe.

Aanbeveling 2: Voer een klimaatadaptatietoets uit bij ruimtelijke plannen die betrekking hebben op investeringen in infrastructuur, woningbouw en industrie. Dit om deze plannen te toetsen op consequenties voor de adaptatieopgave en bovenregionale afwenteling.

Het uitgangspunt in de Ontwerp-NAS is dat we bij nieuwe ontwikkelingen in het ruimtelijke domein gelijk vanaf de start rekening houden met huidige en toekomstige effecten van klimaatverandering. Dit is niet omgezet in een formele klimaatadaptatietoets bij ruimtelijke plannen die betrekking hebben op investeringen in infrastructuur, woningbouw en industrie. Wel onderzoeken we hoe bestaande instrumenten, zoals de milieueffectrapportage en de Weging van het Waterbelang, effectiever kunnen worden gebruikt en of deze aangepast moeten worden. Ook zal worden bezien of de spelregels van de systematiek van het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)3 na publicatie van de definitieve NAS actualisatie behoeven. In de verschillende MIRT-fasen worden klimaatrisico's getoetst.4

Het Rijk heeft eerder al het Ruimtelijk afwegingskader (waar te bouwen)5 en de Landelijke maatlat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving (hoe te bouwen)6 ontwikkeld. Deze instrumenten helpen bij het formuleren van kaders voor locatiekeuze en gebiedsinrichting bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw. We werken aan de verdere uitwerking van een maatlat voor de bestaande gebouwde omgeving. Daarnaast werken we aan uniforme kaders en werkwijzen voor wateroverlast en bodemdaling7, samen met de Unie van Waterschappen (UvW), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Ook in de verschillende opgaven van de Ontwerp-NAS is aandacht voor klimaatbestendigheid bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals in het onderdeel 4.15 Klimaatbestendige energie-, ICT/telecom- en drinkwaterinfrastructuur.

Aanbeveling 3: Creëer meer ruimte voor de financiering van transformatieve adaptatiemaatregelen, door de doelstellingen van de besteding van publieke middelen aan klimaatadaptatie te verbreden.

Het kabinet onderschrijft de analyse van de WKR dat de huidige praktijk nog sterk gericht is op het beschermen van bestaande functies, terwijl transformatieve maatregelen minder vanzelfsprekend tot stand komen. Financiering van klimaatbestendigheid is een gedeelde verantwoordelijkheid van overheden, bedrijven, financiële instellingen en burgers. Het kabinet wil dat adaptatie een structureel en voorspelbaar onderdeel wordt van publieke en private investeringsbeslissingen, zodat klimaatbestendigheid niet langer afhankelijk is van tijdelijke middelen of losse projecten.

Het kabinet wil met medeoverheden verkennen hoe de structurele publieke financiering kan worden versterkt en hoe bestaande, en mogelijk nieuwe, financieringsbronnen en heffingen beter kunnen worden benut. Daarbij wordt gekeken naar belemmeringen die ervoor zorgen dat adaptatiemaatregelen nu niet standaard worden meegenomen in gebiedsontwikkeling of andere meerjarige investeringsprogramma's, en wordt expliciet de koppeling gelegd met de meerjarige investeringsprogramma's van het Rijk en de Regionale Investeringsagenda's (RIA). Aanvullend laat het kabinet onderzoeken hoe de kosten en baten van klimaatadaptatie over de gehele levensduur van projecten meewegen in de investeringsbesluitvorming. Op advies van de Deltacommissaris start daarnaast een verkenning naar de financiële opgave op de lange termijn, waarin de opgave van het Deltaprogramma in samenhang wordt bezien met andere grote maatschappelijke opgaven zoals wonen en energie.

Aanbeveling 4: Zorg dat de voorzienbare meerkosten van waterbeheer en adaptatie bij gebiedsontwikkeling worden begroot en doorberekend binnen die gebiedsontwikkeling zelf, zodat deze niet op de samenleving worden afgewenteld.

Het kabinet deelt de zorg van de WKR dat de meerkosten van klimaatbestendig waterbeheer bij nieuwe gebiedsontwikkeling nu onvoldoende doorwerken in de besluitvorming van initiatiefnemers. Het kabinet zet daarom in op prikkels die klimaatbestendige keuzes bij gebiedsontwikkeling vanzelfsprekender maken als onderdeel van de Ontwerp-NAS. Het Rijk heeft daarom de ambitie uitgesproken om in het kader van de NAS’26 met decentrale overheden in kaart te brengen wat er nodig is om de meerkosten van waterbeheer en adaptatie zichtbaar te maken, hoe partijen die kosten zelf structureler kunnen dragen, en welke rollen en verantwoordelijkheden daarbij horen. Daarnaast onderzoekt het Rijk met medeoverheden welke belemmeringen er zijn om klimaatbestendige maatregelen standaard mee te nemen bij het investeren in en bekostigen van reguliere opgaven.

Het tijdig betrekken van waterschappen bij ruimtelijke planvorming krijgt vorm in de bredere inzet van het kabinet op een klimaatbestendige ruimtelijke ordening en inrichting. Bijvoorbeeld door de ontwikkeling van een interbestuurlijke handreiking voor de Weging Waterbelang. Het Rijk werkt vanuit de integraliteit die in de Ontwerp-Nota Ruimte wordt geschetst samen met provincies, gemeenten en waterschappen aan een integrale beschrijving van, en een strategie voor, de regionale water- en bodemsystemen. Voor de gebouwde omgeving zet het kabinet in op het verruimen van financiële arrangementen door meer duidelijkheid te scheppen over de verdeling van kosten en baten, en stimuleert actief grondbeleid van de gemeenten zodat zij via uitgiftevoorwaarden sturing kunnen geven aan klimaatbestendige gebiedsontwikkeling. Dit biedt in potentie ruimte om op lange termijn risico’s beter op te vangen in plaats van af te wentelen op de samenleving.

  1. Maatschappelijke keuzes voor adaptatie

Het beleid van de overheid zal niet kunnen voorkomen dat we als samenleving vaker te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering. Daarom moeten burgers en bedrijven ook in toenemende mate een rol gaan spelen bij adaptatie. Maatschappelijke keuzes gaan volgens de WKR over die gedeelde verantwoordelijkheid van overheid, burgers en bedrijven en moeten de samenleving in zijn geheel weerbaarder maken bij een veranderend klimaat.

Aanbeveling 5: Ontwikkel als onderdeel van de NAS een strategie voor het stimuleren, faciliteren en bijsturen van klimaatadaptatie door burgers en bedrijven.

Het kabinet vindt dat iedereen zich moet kunnen voorbereiden op de risico’s die het veranderende klimaat veroorzaakt voor bijvoorbeeld een woning, wijk of bedrijf. Waar de overheid de grootste klimaatopgaven voor onze belangrijkste maatschappelijke en economische functies collectief aanpakt, kan de samenleving door een goede voorbereiding een belangrijke bijdrage leveren. Daarbij is het van belang dat alle partijen tijdig weten wat er op hen afkomt, wat hun verantwoordelijkheid is en dat ze hun rol actief kunnen oppakken.

Het kabinet beschrijft in hoofdstuk 3.2. ‘Een samenleving die is voorbereid op klimaatverandering’ van de Ontwerp-NAS wat het doet om klimaatadaptatie door burgers, bedrijven en andere partijen te stimuleren.8 Het Rijk vervult een coördinerende rol door kennis te bundelen en samenwerkingen te stimuleren, zodat maatregelen op verschillende niveaus op elkaar aansluiten en elkaar versterken. Het Rijk zorgt voor informatievoorziening aan diverse doelgroepen over klimaatrisico’s en handelingsperspectief, bijvoorbeeld via het Kennisportaal Klimaatadaptatie, de Klimaateffectatlas en de voor de NAS ontwikkelde communicatiestrategie, die via intermediairs en ambassadeurs diverse groepen bereikt. Ook heeft het kabinet het Dutch Climate Risk Portal9 ontwikkeld als aanvullend instrument binnen de kennisinfrastructuur voor klimaatadaptatie (zie ook de reactie op aanbeveling 6 hieronder).

Aanbeveling 6: Maak als overheid klimaatrisicoinformatie over woningen en andere gebouwen beschikbaar voor burgers en bedrijven, om het bewustzijn over klimaatrisico’s te vergroten, klimaatadaptatie te stimuleren en inprijzing van deze risico’s door te markt te bevorderen. Maak rechtvaardig beleid om kwetsbare groepen tegen de gevolgen van inprijzen te beschermen. Maak afspraken met banken en verzekeraars over de manier waarop klimaatrisico’s worden meegenomen bij onroerend goed-transacties.

Het kabinet werkt stapsgewijs toe naar het vergroten van inzicht in klimaatrisico’s van woningen en andere gebouwen. Nederland beschikt al over een brede kennisbasis en instrumenten om klimaatrisico’s in beeld te brengen. Via het

Kennisportaal Klimaatadaptatie en de Klimaateffectatlas zetten we in op informatievoorziening zodat overheden, burgers en bedrijven beter inzicht krijgen in klimaatrisico’s en mogelijke adaptatiemaatregelen. Het Kennisportaal wordt uitgebreid met een database van adaptatiemaatregelen met informatie over effectiviteit en kosten, en de Klimaateffectatlas wordt aangevuld met fijnmazige kaarten voor onder meer hitte, droogte en wateroverlast.

Ook introduceert het kabinet in 2026 stapsgewijs een Waterwijzer voor gebouwen, met daarin informatie over wateroverlastrisico’s en bijbehorend handelingsperspectief. Verder heeft het Rijk bijgedragen aan de ontwikkeling van het Framework for Climate Adaptative Buildings (FCAB) door de Dutch Green Building Council. Dit is een tool waarmee vastgoedeigenaren, waaronder woningcorporaties, inzicht kunnen verkrijgen in de klimaatbestendigheid van hun gebouwvoorraad en in de gebieds- en gebouwmaatregelen die kunnen helpen om de geconstateerde risico’s tegen te gaan of weg te nemen. Tegelijkertijd is verdere samenhang en transparantie nodig, zodat klimaatrisico’s consistenter kunnen worden meegewogen in keuzes van overheden, bedrijven en burgers.

Het is ook belangrijk dat klimaatrisicoinformatie wordt meegenomen in financierings- en verzekeringsbeslissingen, bijvoorbeeld bij woningen. Het kabinet heeft hiervoor het Dutch Climate Risk Portal ontwikkeld (zie ook de reactie op aanbeveling 5 van de WKR). Dit portal biedt een centraal toegangspunt voor consistente en wetenschappelijk onderbouwde informatie over fysieke klimaatrisico’s in Nederland, gericht op met name financiële instellingen en bedrijven, zowel nationaal als internationaal. Door het ontsluiten van gestandaardiseerde data ondersteunt het portal deze partijen bij het integreren van klimaatrisico’s in risicobeheer, investeringsbeslissingen en verslaglegging, en sluit het aan bij Europese rapportagekaders zoals de EU-taxonomie.

We willen ervoor zorgen dat de aanpassing aan het veranderende klimaat voor iedereen haalbaar en betaalbaar is, zoals beschreven in de Ontwerp-NAS. In de uitwerking hiervan hebben we nadrukkelijk aandacht voor mensen in kwetsbare gebieden en situaties. Met de inspanningen in de Ontwerp-NAS (hoofdstuk 4.12. Klimaatbestendig wonen voor iedereen) doet het kabinet de motie van de leden De Hoop en Bromet af, waarin wordt verzocht te voorkomen dat lage- en middeninkomens achterblijven in de minst toekomstbestendige woningen.10

Aanbeveling 7: Voer een Klimaatschadeladder in die voor alle klimaatrisico’s duidelijk maakt welke schade burgers en bedrijven zelf dragen, en welke schade de overheid dekt. Voor een transparante en consistente Klimaatschadeladder zijn volgens de WKR drie dingen nodig: 1) een duidelijke en consequente toepassing van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen; 2) onderzoek naar nieuwe verzekeringsoplossingen die ervoor zorgen dat klimaatrisico’s beter worden gespreid over verschillende actoren; 3) toetsing of er geen ongewenste effecten zijn voor kwetsbare groepen.

Het kabinet onderschrijft dat er meer duidelijkheid nodig is over hoe kosten, risico's en schade rond klimaatadaptatie zijn verdeeld tussen overheden, bedrijven, financiële instellingen en burgers. Ook het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) heeft hier recent over geadviseerd.11 Die duidelijkheid is niet alleen van belang bij schade en herstel ná extreem weer of een overstroming, maar ook bij de investeringen en bekostiging die daaraan voorafgaan. Wanneer de rolverdeling over de hele keten (investeren, schade, herstel) helder is, ontstaan betere prikkels voor preventie en kan publieke solidariteit gericht worden ingezet waar dat nodig is.

Het kabinet ziet daarom de meerwaarde van het door de WKR voorgestelde concept van een ‘klimaatschadeladder’. In de Ontwerp-NAS is daarom opgenomen dat we inzetten op een ‘klimaatadaptatieladder’, om dit bredere perspectief tot uitdrukking te brengen. De uitwerking gebeurt samen met medeoverheden, de financiële sector en andere relevante sectoren. Wat de beste vorm is (één integraal kader of een meer sectorale uitwerking) werkt het kabinet samen met de betrokken partijen uit. Belangrijk is dat de uitwerking ook goed aansluit bij de verschillende doelgroepen en handelingsperspectieven. Een burger met een koopwoning heeft vaak andere informatie nodig dan een bedrijf of akkerbouwer.

De drie aandachtspunten van de WKR neemt het kabinet bij die uitwerking mee. Voor de Wet tegemoetkoming schade bij rampen wordt aangesloten bij de lopende herziening en de verdere uitwerking van het onderzoek naar een 1-loketfunctie voor schade-afhandeling na (natuur)rampen. Voor verzekeringsoplossingen wordt samen met overheden en verzekeraars gewerkt aan meer duidelijkheid over verzekerbaarheid en verantwoordelijkheidsverdeling tussen burger, verzekeraar en overheid, met bijzondere aandacht voor schade aan woningen en de directe woonomgeving. Het kabinet blijft er op toezien dat beleid rekening houdt met dat risico’s niet onevenredig hard neerslaan bij kwetsbare groepen in de maatschappij, en stemt hierover ook af met de financiële sector.

Aanbeveling 8: Ontwikkel een periodiek verschijnende nationale adaptatiemonitor, die gericht is op de signalering van nieuwe inzichten in klimaatrisico’s, adaptatiemaatregelen, maatschappelijke ontwikkelingen, en de verdeling van kosten en opbrengsten.

Het PBL is samen met andere wetenschappelijke instituten bezig met het opstellen van een systematiek voor een structurele landelijke monitoring. Deze monitoring moet het mogelijk maken de voortgang van het beleid te volgen en waar nodig bij te sturen. Het kabinet sluit daarbij zo veel mogelijk aan bij bestaande systemen (zoals de monitoring van het Deltaprogramma). In 2027 zal deze systematiek worden opgeleverd en geïmplementeerd. Vervolgens informeren we de Tweede Kamer elke twee jaar over de voortgang op het klimaatadaptatiedossier. Informatie voor de landelijke monitor wordt aangevuld door de Regionale Monitor Klimaatadaptatie van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA).

  1. Reactie op het advies van de WRR

WRR-advies

De WRR stelt in haar advies dat klimaatverandering niet alleen een fysieke aangelegenheid is, maar vooral ook een sociaal vraagstuk. Een klimaatgebeurtenis maakt niet alleen slachtoffers en schade, maar heeft ook sociale gevolgen. Mensen kunnen hun vertrouwen verliezen in de overheid en elkaar, of armoede kan toenemen. Andersom bepaalt de sociale context voor een deel hoe goed mensen met een klimaatgebeurtenis om kunnen gaan. De WRR gaat daarbij in op drie sociale factoren die cruciaal zijn in het vormgeven van een klimaatbestendige samenleving: (1) hoe mensen omgaan met onzekerheid, (2) sociale cohesie en (3) sociaaleconomische positie.

Op basis van deze drie sociale factoren concludeert de WRR dat (1) klimaatbestendigheid een fysieke en een sociale component heeft, die elkaar idealiter versterken maar niet noodzakelijkerwijs in elkaars verlengde liggen. Daarnaast stelt de raad dat (2) in een klimaatbestendige samenleving mensen oog hebben voor elkaar, elkaar vertrouwen en beschikken over voldoende doenvermogen. Om die reden adviseert de WRR de overheid om niet alleen te investeren in fysieke beschermingsmaatregelen als dijken en waterbuffers, maar ook in sociale infrastructuur. Sociale infrastructuur is het geheel aan organisaties, voorzieningen en plekken in een buurt of wijk die onderlinge contacten en relaties tussen mensen bevorderen en ondersteunen. Voorbeelden zijn bibliotheken, buurthuizen, theaters, scholen en parken, maar ook burgerinitiatieven en digitale sociale platforms.

De WRR concludeert dat Nederland beter klimaatbestendig wordt wanneer de overheid ook inzet op sociale infrastructuur die mensen naar elkaar laat omkijken, hun onderlinge vertrouwen verhoogt, en handelingsperspectief biedt. Het doet daarbij drie hoofdaanbevelingen, waar hieronder op wordt ingegaan:

  1. Investeer in sociale infrastructuur ten behoeve van maatschappelijke veerkracht

  2. Stuur op krachtenbundeling en onderling vertrouwen

  3. Zorg dat mensen weten wat ze kunnen doen om zich aan te passen aan een veranderend klimaat

Algemene reactie

Het advies van de WRR is van belang voor de NAS’26 en is voor de ontwikkeling van de Ontwerp-NAS gebruikt. De kabinetsreactie gaat echter verder dan de inhoud van de Ontwerp-NAS alleen. Dit is omdat de thematiek van het WRR-advies gaat over de volle breedte van het sociale domein, wat soms verder gaat dan de huidige beleidskaders van klimaatadaptatie.

  1. Aanbevelingen van de WRR

Aanbeveling 1: Investeer in sociale infrastructuur ten behoeve van maatschappelijke veerkracht

In de Ontwerp-NAS beschrijft het kabinet dat sociale infrastructuur een belangrijke bijdrage levert aan de klimaatbestendigheid van Nederland. Sociale infrastructuur kan talloze functies vervullen, van informatiepunt, ontmoetingsplek tot noodopvang. Zo kunnen voorzieningen als bibliotheken een toegankelijke plek bieden voor betrouwbare informatievoorziening ten tijde van een klimaatgebeurtenis. Ook kan een buurtinitiatief gericht op vergroening bijdragen aan verkoeling bij hitte en een betere wateropvang, terwijl het groen zorgt voor een plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Dit bevordert de sociale samenhang en het onderlinge vertrouwen, wat essentieel is voor de weerbaarheid van de maatschappij.

De rijksoverheid zet met de Ontwerp-NAS in op een aanpak waarbij zowel aandacht is voor het fysieke als het sociale domein. De impact van klimaatverandering en het nemen van maatregelen voor klimaatadaptatie vinden namelijk plaats in een sociale context. Dit gaat bijvoorbeeld over de plek waar je woont of over het sociale netwerk waarover je beschikt. De kracht van sociale infrastructuur zit daarom veelal in het lokale karakter. Plekken als buurthuizen en sportverenigingen worden in belangrijke mate gefaciliteerd en gefinancierd door gemeenten. Het Rijk past daarom een faciliterende en stimulerende rol. In de Ontwerp-NAS vraagt het Rijk aan gemeenten om sociale infrastructuur waar mogelijk mee te laten wegen in ruimtelijke plannen. Een goed voorbeeld waar Rijk en gemeenten nadrukkelijk kijken naar de consequenties van de fysieke leefomgeving op het welzijn van mensen, is het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)12.

Het ministerie van VWS zet met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) in op sociale cohesie. Als mensen met elkaar in verbinding staan, is het eenvoudiger om op een netwerk terug te vallen bij een tegenslag of een crisis. Het doel van de Wmo 2015 is om inwoners zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen en volwaardig te laten participeren in de samenleving. De Wmo richt zich daarom op het versterken van de sociale samenhang, zelfredzaamheid en participatie in de wijk. Voorbeelden hiervan zijn het versterken van vrijwillige inzet en mantelzorg. Gemeenten dragen hiervoor de verantwoordelijkheid. Middels het versterken van de sociale infrastructuur kan dit sociale cohesie versterken en daarmee de weerbaarheid in tijden van nood. In het coalitieakkoord 2026–2030 zijn aanvullende financiële middelen beschikbaar gesteld om te investeren in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling. Momenteel worden plannen uitgewerkt voor de inzet van deze middelen.

Een belangrijke stap in het versterken van de maatschappelijke weerbaarheid is de ontwikkeling van een landelijk netwerk van lokale noodsteunpunten13. Noodsteunpunten zijn locaties waar mensen bij bijvoorbeeld langdurige uitval van stroom of drinkwater terecht kunnen voor informatie, als dat via de normale manieren niet meer mogelijk is. Het netwerk heeft daarmee onder meer tot doel om de samenredzaamheid te verhogen. Elke veiligheidsregio voert dit jaar in samenwerking met inliggende gemeenten pilots uit. Bij deze pilots wordt ook de bemensing van de noodsteunpunten, een soort burgerhulp, betrokken. De planning is dat het ministerie van JenV uiterlijk medio 2027, tezamen met het Veiligheidsberaad en de VNG, een besluit neemt over de inrichting en stapsgewijze verdere ontwikkeling van de noodsteunpunten.

Daarnaast investeert het ministerie van BZK (VRO) in initiatieven die de lokale sociale infrastructuur versterken, bijvoorbeeld via de SPUK Aanpak Energiearmoede. Gemeenten hebben sinds 2023 550 miljoen euro ontvangen voor de bestrijding van energiearmoede en in het Energieschokpakket komt ook 80 miljoen beschikbaar voor energiehulp. Gemeenten zetten deze middelen op diverse manieren in, zoals lokale energiecoachorganisaties en fixteams. Naast het verlagen van de energierekening en het verbeteren van het comfort, ziet TNO ook winst op gezondheid en sociaal welzijn.1415 Energiecoaches geven bewoners advies hoe ze efficiënter en prettiger kunnen wonen en daarmee weerbaarder zijn tegen weersextremen en schokken in de energieprijs. Als opvolging van de SPUK Aanpak Energiearmoede werkt het ministerie aan een aanvraag voor het Europese Sociaal Klimaatfonds waarin energiehulp wordt geleverd vanuit het energiehuis.

Aanbeveling 2: Stuur op krachtenbundeling en onderling vertrouwen

De WRR verwijst in deze aanbeveling naar de organisatorische vormgeving van het huidige beleid en de daaraan gerelateerde adaptatieopgave, die breder is dan enkel de fysieke oplossingen. Om sociale factoren in adaptatiemaatregelen mee te nemen, is samenwerking en kennisuitwisseling essentieel. Als voorbeeld van zo’n duurzame krachtenbundeling noemt de WRR het Deltaprogramma met een inmiddels grote, diverse en duurzaam gebleken ‘Deltacommunity’.

De Ontwerp-NAS is in nauwe samenwerking tussen de ministeries van IenW, LVVN, EZK, JenV, OCW, BZK en VWS tot stand gekomen. Daarbij is vanzelfsprekend gekeken naar de onderlinge samenhang van beleid. Denk bijvoorbeeld aan de relaties tussen water, landbouw en energie, of tussen hitte, woningbouw en infrastructuur. De voor de NAS ontwikkelde sociale-impactanalyse (SIA) geeft beleidsmakers een eerste inzicht in de sociale effecten van verschillende adaptatiemaatregelen en kan helpen bij de besluitvorming. De methodiek kan ook door andere organisaties worden gebruikt. Om de NAS ook breder in de samenleving te laten landen, heeft het Rijk een communicatiestrategie voor de NAS ontwikkeld. De strategie is erop gericht om via brancheorganisaties en andere partners de achterban te bereiken (zie ook de reactie op aanbeveling 5 van de WKR).

Het kabinet wil de succesvolle Deltacommunity en andere bestaande netwerken en ambassadeurs ten volle benutten, juist om klimaatbestendigheid in de volle breedte te stimuleren. Zo stimuleren de ministeries van IenW, BZK en VWS de kennisuitwisseling tussen klimaatadaptatieprofessionals in het fysieke én het sociale domein via het platform Samen Klimaatbestendig. Binnen deze netwerkaanpak worden professionals met elkaar verbonden en informatie en praktijkervaringen gedeeld. Daarnaast wordt bij het DPRA naast een klimaatbestendige inrichting, in sommige DPRA-werkregio’s ook aandacht besteed aan een sterke sociale cohesie, als bijdrage aan een weerbaardere samenleving bij weersextremen en crisissituaties.

Aanbeveling 3: Zorg dat mensen weten wat ze kunnen doen om zich aan te passen aan een veranderend klimaat

Met de Ontwerp-NAS zet het kabinet in op het verstrekken van informatie over de gevolgen van klimaatverandering en welke acties de samenleving kan nemen om hier goed mee om te gaan. Hiermee richten we ons op het vergroten van bewustzijn, risicoperceptie én het bieden van handelingsperspectief. De risicoperceptie is op dit moment nog relatief laag. Hoewel Nederland steeds vaker te maken krijgt met extreme weersomstandigheden, ervaren veel mensen deze risico’s niet als een bedreiging voor zichzelf of hun omgeving.16 Duidelijke risico- en crisiscommunicatie helpt en stimuleert mensen om de juiste stappen te zetten om zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden. Ook het DPRA vindt het belangrijk dat mensen en bedrijven weten wat ze kunnen doen, ook in crisissituaties als gevolg van extreem weer of overstromingen. Dit is onder meer opgenomen in de deelbeslissing Wateroverlast.

Het kabinet verstrekt informatie over klimaatrisico’s en handelingsperspectief via platformen zoals Denkvooruit.nl, Overstroomik.nl en Leven met Water. Het programma Leven met Water is gericht op het stimuleren van waterbewust gedrag van inwoners. Samen met onder andere waterschappen, drinkwaterbedrijven, gemeenten en provincies werkt het Ministerie van IenW aan vier wateropgaven, waaronder het verminderen van wateroverlast en voorbereiden op wateroverlast. Over Leven met Water en de aanpak waterweerbaarheid is de Kamer in de Verzamelbrief Water van 25 juni 2026 geïnformeerd.17

Preventieve maatregelen worden ook via Milieu Centraal gedeeld en gestimuleerd. Dit platform, gefinancierd door onder andere het Ministerie van IenW en het Ministerie van BZK, biedt concrete en laagdrempelige informatie over maatregelen die burgers zelf kunnen nemen, zoals het aanleggen van een groene tuin voor wateropvang, het installeren van zonwering tegen hitte of het afkoppelen van de regenpijp zodat water niet het riool instroomt maar naar de tuin of ondergronds wordt opgevangen.

Op het gebied van crisiscommunicatie zet het kabinet in op vroegtijdige en gerichte waarschuwingssystemen, bijvoorbeeld vanuit het Early Warning Centre.18 Op regionaal niveau beschikken de 25 veiligheidsregio’s over een Regionaal Crisisplan. Dit Regionale Crisisplan vormt het kader voor crisisbeheersing binnen de betreffende regio en geeft onder meer invulling aan de lokale processen voor crisiscommunicatie richting burgers in geval van (natuur)rampen en crises. Ook worden er Landelijke Crisisplannen (LCP) gemaakt voor (natuur)rampen en crises, zoals het LCP Hoogwater en overstromingen en het LCP natuurbranden. Beide LCP’s komen met een koepelnotitie risico- en crisiscommunicatie.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,

Vincent Karremans


  1. Kamerstukken 31793, nr. 301↩︎

  2. Voorbij de Risico’s: keuzes voor een klimaatbestendige leefomgeving. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving, 2026. https://www.pbl.nl/publicaties/voorbij-de-risicos-keuzes-voor-een-klimaatbestendige-leefomgeving↩︎

  3. Zie de MIRT Spelregels en de Handreiking Verduurzaming MIRT op https://leerplatformmirt.nl/mirt/.↩︎

  4. Dit is in lijn met artikel 46 (veerkrachtige infrastructuur) van de Europese TEN-T verordening 2024/1679.↩︎

  5. Kamerstukken 27 625, nr. 666.↩︎

  6. Kamerstukken 32 813, nr. 1195.↩︎

  7. Kamerstukken II, 2025/26, 32 847, nr. 1383.↩︎

  8. Zie pagina 40 in de Ontwerp-NAS, Doelen-inspanningennetwerk ‘Een samenleving die voorbereid is op klimaatverandering’↩︎

  9. Zie ook https://www.dutchclimaterisk.nl↩︎

  10. Kamerstukken 27 625, nr. 602.↩︎

  11. Sociaal Cultureel Planbureau, Klimaat en samenleving 2026, Nederlanders over klimaat, energie, natuur en duurzaamheid.↩︎

  12. https://www.leefbaarenveilig.nl/↩︎

  13. Kamerstukken II, 2025/26, 30 821, nr. 326 en II, 2025-2026, 29517 nr. 275↩︎

  14. Zie Overzichtspublicatie Energiehulp: https://publications.tno.nl/publication/34645273/moAMsdg3/TNO-2025-R11107.pdf.↩︎

  15. https://www.tno.nl/nl/newsroom/2025/07/energiehulp-goed-klimaat-portemonnee/.↩︎

  16. NIPV. Lage risicoperceptie, maar wel informatiebehoefte: burgers willen anders geïnformeerd worden over klimaatrisico’s. Arnhem: Nederlands Instituut Publieke Veiligheid, 2025. https://nipv.nl/nieuws/lage-risicoperceptie-maar-wel-informatiebehoefte-burgers-willen-anders-geinformeerd-worden-over-klimaatrisicos/; SCP. Klimaat en samenleving – Burgerperspectieven. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, 2025. https://www.scp.nl/documenten/2025/04/17/klimaat-en-samenleving↩︎

  17. Kamerstuk 27625, nr. 743↩︎

  18. Early Warning Centre (EWC) KNMI https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/early-warning-centre↩︎