Reactie op verzoek commissie over publicaties van Stat-Gent en NRC inzake geitenhouderijen en gezondheid omwonenden
Brief regering
Nummer: 2026D41084, datum: 2026-09-04, bijgewerkt: 2026-09-04 15:08, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ooit VVD kamerlid)
- Mede ondertekenaar: S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z18022:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft op 19 juni jl.1 verzocht om een reactie op het rapport ‘Bespreking VGO – Geiten en Pneumonie’ van Stat-Gent. Ook heeft de commissie op 14 juli jl.2 verzocht om een reactie op het artikel ‘Heeft de geit het weer gedaan?’ van NRC. Met deze brief voldoet het kabinet aan beide verzoeken.
Inhoud publicaties Stat-Gent en NRC
De twee publicaties gaan over het onderzoeksprogramma ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ (VGO), waarvan het derde en laatste onderzoeksrapport begin 2025 met de Kamer werd gedeeld.3 Deze zijn gepubliceerd voorafgaand aan de recente besluiten van het kabinet om, naar aanleiding van de adviezen van de Gezondheidsraad, maatregelen uit te werken om de gezondheid van omwonenden van geitenhouderijen te beschermen.4 Zowel de opstellers van het rapport van Stat-Gent als het artikel van NRC bekijken de resultaten van het VGO-onderzoeksprogramma kritisch en stellen de vraag of het onderzoek voldoende is om de aangekondigde maatregelen op te baseren.
NRC heeft hiertoe een aantal wetenschappers aan het woord gelaten die, vanuit hun expertise of vakgebied, hun mening geven over (onderdelen van) het VGO-III-onderzoek en het Gezondheidsraadadvies. Zo wordt onder meer ingegaan op de onzekerheden in het onderzoek, het relatief kleine aantal deelnemers aan de patiëntenstudie5, en de betekenis van de statistische uitkomsten van een groot aantal analyses op uiteenlopende datasets.
De onderzoekers van Stat-Gent, een kenniscentrum gelieerd aan de Universiteit Gent, hebben in opdracht van het Platform Melkgeitenhouderij een rapport geschreven dat reflecteert op de inhoud van de VGO-onderzoeksrapporten die in de loop der jaren zijn verschenen, maar hebben zelf geen nieuwe analyses gedaan. De review van Stat-Gent bevestigt wat de VGO-onderzoekers en de Gezondheidsraad ook stellen: namelijk dat de gevonden associaties consistent zijn over tijd en ruimte, maar dat er niet één ziekteverwekker als oorzaak voor de longontstekingen is gevonden. Stat-Gent plaatst dezelfde kanttekeningen als de Gezondheidsraad bij het VGO-III-onderzoek, maar weegt de beschikbare informatie anders en noemt de conclusie van de Gezondheidsraad dat het verband waarschijnlijk oorzakelijk is “een brug te ver”.
Reactie
Het is een kernonderdeel van de wetenschap dat onderzoeksmethodes, analyses en resultaten getoetst worden (peer review) en dat hier debat over plaatsvindt. Dit leidt tot betere, gevalideerde informatie, op basis waarvan vervolgens ook gehandeld kan worden. Het kabinet hecht dan ook grote waarde aan het wetenschappelijk debat. In dit verband merkt het kabinet nogmaals op dat uit het VGO-onderzoek meerdere publicaties in wetenschappelijke tijdschriften zijn verschenen6, waarop peer review heeft plaatsgevonden.
Het kabinet is geen wetenschappelijke onderzoeksinstelling en dus ook geen deelnemer aan het wetenschappelijk debat. Het is dan ook niet aan het kabinet om individuele punten van kritiek op het VGO-onderzoek zelf technisch-inhoudelijk te beoordelen en te wegen. Zoals gebruikelijk is hiervoor advies gevraagd van experts. Na de oplevering van het VGO-III-onderzoek hebben de toenmalige ministers van VWS en LVVN de Gezondheidsraad gevraagd na te gaan hoe sterk de bewijskracht is voor een oorzakelijk verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen. De Gezondheidsraad is een onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad met als wettelijke taak regering en parlement te adviseren op het brede terrein van de volksgezondheid en gezondheidszorg.
De raad concludeert dat er volgens aanvaarde wetenschappelijke inzichten voldoende bewijs is voor een verhoogd risico op longontsteking onder direct omwonenden van geitenhouderijen, en dat het verband “waarschijnlijk oorzakelijk” is (de een-na-hoogste trede van bewezen causaliteit). Als onderdeel van de beoordeling van causaliteit heeft de raad een plausibel biologisch werkingsmechanisme geïdentificeerd dat de associatie tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen kan verklaren. Dit geheel vormt volgens de raad voldoende aanleiding om, op grond van het voorzorgsbeginsel, maatregelen te nemen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken.
Alle in de publicaties benoemde kanttekeningen zijn ook door de onderzoekers zelf in het VGO-III-rapport en/of door de Gezondheidsraad tijdens het adviestraject aan de orde gebracht. De Gezondheidsraad heeft uitgebreid stilgestaan bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die de raad tot zijn beschikking had.7 Deze punten zijn derhalve meegewogen bij het uiteindelijke advies van de Gezondheidsraad. Vervolgens is het aan het kabinet om te komen tot een proportioneel maatregelenpakket, onder andere in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten.
Uit het advies van de Gezondheidsraad en het VGO-III-rapport zelf komt duidelijk naar voren dat er geen absolute zekerheid is over het oorzakelijk verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er vanuit sommige experts (en in de media) commentaar is op het onderzoek. Dat neemt niet weg dat er op enig moment ook tot handelen overgegaan moet worden. Er is inmiddels meer dan tien jaar onderzoek verricht naar de relatie tussen geitenhouderijen en gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Het VGO-III-onderzoek heeft bevindingen opgeleverd die de consistentie van de eerder gevonden associatie versterken. De associatie is gevonden over de jaren heen, in verschillende provincies en seizoenen en hangt samen met de afstand tot een geitenhouderij. Dit vormt voldoende aanleiding om maatregelen te nemen, zoals de Gezondheidsraad ook adviseert. Dat is niet uniek: er zijn tal van onderwerpen waarop maatregelen worden genomen op basis van beschikbare wetenschappelijke kennis, terwijl ondertussen ook verder onderzoek en wetenschappelijk debat plaatsvindt.
Zoals hierboven aangegeven, is ruimte voor wetenschappelijke discussie en peer review essentieel voor het functioneren van het wetenschappelijke proces. Het is dan ook belangrijk dat data, zeker als die met publieke financiering zijn verzameld, ook beschikbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek door andere onderzoekers. Zodoende kunnen deze worden gebruikt voor nader onderzoek of nieuwe analyses, bijvoorbeeld in de vorm van reviews en meta-analyses. Naar aanleiding van de recente motie van de leden Den Hollander en Grinwis (Kamerstuk 28 973, nr. 303) hebben de VGO-onderzoekers aangegeven dat zij natuurlijk bereid zijn toegang te verlenen tot data uit het VGO-onderzoek voor onafhankelijke wetenschappelijke onderzoekers. De procedure hiervoor is, zoals gebruikelijk bij het RIVM, dat een verzoek tot datalevering ingediend kan worden met uitleg over de aard en het doel van het onderzoek. Dit wordt vervolgens beoordeeld door de (voormalige) stuurgroepleden van het VGO-consortium. In geval van specifieke datasets ligt de beoordeling en bevoegdheid tot datalevering echter bij de eigenaar van de data (bijvoorbeeld bij Nivel als het gaat om data uit de vragenlijsten).
Indien het verzoek passend en haalbaar is, uiteraard rekening houdend met de privacy van de deelnemers aan het onderzoek, kunnen onderzoekers toegang krijgen tot data uit het VGO-onderzoek. Tevens wordt monitoring van het gezondheidseffect geborgd door middel van epidemiologische vervolgstudies, zoals omschreven in de brief van 10 juli jl.8 Daarmee beschouwen wij de motie-Den Hollander/Grinwis als afgedaan.
Hoogachtend,
de minister van Volksgezondheid, de staatssecretaris van Landbouw, Visserij,
Welzijn en Sport, Voedselzekerheid en Natuur,
Sophie Hermans Silvio P.A. Erkens
Kenmerk 2026Z13065/2026D31129, gericht aan de ministers van LVVN en VWS.↩︎
Kenmerk 2026D36653, gericht aan de minister van VWS en de staatssecretaris van LVVN.↩︎
Kamerstukken II 2024/2025, 28 973, nr. 259.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 304.↩︎
Voor wat betreft de kanttekeningen over het aantal patiënten verwijzen wij naar het eerder gegeven antwoord op Kamervragen: Aanhangsel Handelingen II 2024/2025, nr. 2408.↩︎
RIVM. Publicaties Veehouderij en gezondheid (onder “Wetenschappelijke publicaties VGO”). https://www.rivm.nl/veehouderij-en-gezondheid/publicaties↩︎
Gezondheidsraad (3 juli 2025). Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel I, hoofdstuk 3 “Evaluatie bewijskracht voor oorzakelijk verband”. Bijlage bij Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 280.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 304.↩︎