Initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief “Lezen voor je leven”
Opening
Verslag van een notaoverleg
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 22 juni 2026 overleg gevoerd met mevrouw Tielen, staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie, over Initiatiefnota-Rooderkerk/Vijlbrief "Lezen voor je leven".
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Koorevaar
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Verhoev
Voorzitter: Moorman
Griffier: Easton
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Armut, De Beer, Biekman, Boomsma, Moorman, Raijer en Rooderkerk,
en mevrouw Tielen, staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie.
Aanvang 10.00 uur.
Initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief “Lezen voor je leven”
Aan de orde is de behandeling van:
- de initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief over "Lezen voor je leven" (36773);
- de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 december 2025 inzake reactie op initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief over "Lezen voor je leven" (36773, nr. 3);
- de brief van de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie d.d. 15 april 2026 inzake beantwoording vragen commissie over de Reactie op initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief over "Lezen voor je leven" (36773, nr. 4);
- de brief van de leden Rooderkerk en Vijlbrief d.d. 13 mei 2026 inzake beantwoording vragen commissie over de over de initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief over "Lezen voor je leven" (36773).
De voorzitter:
Goedemorgen, allemaal. Welkom bij het notaoverleg over de initiatiefnota Lezen voor je leven van het lid Rooderkerk — zij zit rechts van mij — en voormalig Kamerlid, inmiddels minister, Vijlbrief. Ik wil beginnen op deze maandagochtend. We hebben al een mooie ochtend gehad aan de overkant bij het Kinderboekenmuseum. Nu beginnen we hier echt met dit commissiedebat, met een compliment aan mevrouw Rooderkerk voor het opstellen en verdedigen van deze initiatiefnota. Het is altijd bijzonder als een collega van ons het initiatief neemt om eigen ideeën, doelstellingen en ambities te verwoorden in een initiatiefnota. Dat heeft u natuurlijk niet alleen gedaan, maar samen met uw fractiemedewerkers. Hierbij geef ik dus ook een groot compliment aan de heer Koopmans en mevrouw Mortier. Dank allen voor het werk dat en de aandacht die u in deze nota heeft gestoken. Ook van harte welkom aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Tielen, die bij de verdediging van de initiatiefnota in de bijzondere rol van adviseur optreedt. Natuurlijk ook welkom aan haar ondersteuning. Ik verwelkom ook graag de aanwezige Kamerleden. Dat zijn mevrouw Biekman van D66, de heer De Beer van de VVD, mevrouw Armut namens de fractie van het CDA, de heer Boomsma namens de fractie van JA21 en mevrouw Raijer namens de fractie van de PVV.
De spreektijden voor iedere fractie staan vermeld op de convocatie. Dat betreft de spreektijd voor de eerste termijn. Dit notaoverleg duurt tot … Pardon, het betreft de spreektijd voor de eerste en de tweede termijn. Ik word terecht gecorrigeerd door de griffier, die links van mij zit. Dit notaoverleg duurt tot 14.00 uur. Ik zal voor nu nog geen beperkingen opleggen wat betreft het aantal interrupties. Mocht de tijd daartoe aanleiding geven, dan zal ik streng en rechtvaardig ingrijpen. Wat betreft de behandeling van de initiatiefnota beginnen we zo met de eerste termijn van de Kamerleden. Daarna schorsen we, zodat mevrouw Rooderkerk en de staatssecretaris zich kunnen voorbereiden op de beantwoording van de Kamervragen. Daarna gaan we door met de eerste termijn beantwoording, gevolgd door een tweede termijn van de Kamer en de beantwoording. Het staat de leden vrij om in de tweede termijn eventueel, als u dat wilt, moties in te dienen. Dan starten we met de inbreng van … Mevrouw Raijer, heeft u een vraag over de orde?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik wil even iets meedelen, voorzitter. Het is een heel belangrijk onderwerp, ook voor de PVV, maar ik moet het debat helaas wel om 11.30 uur verlaten.
De voorzitter:
Fijn dat u het alvast laat weten. Dan weten wij dat u niet weggaat omdat u het onderwerp niet belangrijk vindt, maar omdat u andere verplichtingen heeft.
We beginnen met de fractie van de initiatiefnemer van deze nota. Dat is de fractie van D66. Ik geef graag het woord aan mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Een kind dat leert lezen, leert niet alleen letters herkennen. Een kind dat leert lezen, leert de wereld begrijpen. Het is de sleutel tot leren en daarmee tot de mogelijkheid je eigen leven vorm te geven, werk te vinden, een bijsluiter te kunnen begrijpen, een stem uit te kunnen brengen en mee te kunnen doen.
Maar goed kunnen lezen, is voor veel mensen in Nederland helemaal niet zo vanzelfsprekend. Ruim 3 miljoen Nederlanders hebben moeite met lezen en schrijven. Maar liefst een op de drie kinderen dreigt laaggeletterd van school te gaan. Nederland is daarmee een van de weinige landen in Europa waar laaggeletterdheid niet afneemt, maar toeneemt. We bungelen helemaal onderaan tussen de vijf slechts scorende landen van Europa. Wie niet goed kan lezen, loopt vast op school, op werk, in de zorg, bij de overheid en in onze democratie. Lezen is van levensbelang.
Daarom ben ik zo blij dat mijn collega Rooderkerk samen met oud-collega Vijlbrief de prachtige initiatiefnota Lezen voor je leven heeft geschreven. Het is een nota waarin staat: lezen en schrijven zijn geen luxe; het is de basis. Wij willen dat die basis er voor iedereen is.
Gelukkig is er al ontzettend veel gebeurd sinds deze nota is geschreven. Toen deze nota op tafel kwam, keken we nog tegen enorme bezuinigingen op het onderwijs aan. D66 heeft keihard tegen die bezuinigingen gestreden. Met deze coalitie investeren we weer 1,5 miljard in het onderwijs, onder andere in basisvaardigheden. We zorgen dat scholen de tijd en expertise hebben om kinderen goed te leren lezen, schrijven en rekenen.
Maar onze ambitie reikt verder. Daarom wil ik vandaag vooruitkijken. Wat is er nu echt nodig om ervoor te zorgen dat de komende generaties goed kunnen blijven lezen? Vandaag zal ik dat bespreken aan de hand van drie punten. Hoe zorgen we dat ieder kind toegang heeft tot boeken? Hoe zorgen we dat kinderen die boeken daadwerkelijk openen? Hoe zorgen we dat ieder kind de hoge verwachtingen krijgt die het verdient?
Voorzitter. Wie wil dat kinderen leren lezen, moet zorgen dat boeken dichtbij zijn. Daarom moet elke basisschool en middelbare school verplicht een bibliotheek krijgen, en zo snel mogelijk. Want nog steeds heeft lang niet iedere school een goede, actuele en diverse schoolbibliotheek. Zo heeft een op de drie basisscholen en twee op de drie middelbare scholen geen goede schoolbibliotheek, terwijl we weten hoe belangrijk het is dat kinderen in aanraking komen met boeken, niet via korte tekstjes en invuloefeningen, maar via rijke verhalen. Het is belangrijk dat ze in aanraking komen met jeugdliteratuur, met boeken over geschiedenis, natuur, techniek, vriendschap en nog zoveel meer. Daarom willen we dat iedere school een eigen bibliotheek heeft, niet als extraatje voor scholen die toevallig wat tijd, geld of een enthousiaste ouder hebben, maar als basisvoorziening. Want een school zonder leesboeken is als een gymzaal zonder ballen.
Voorzitter. We weten dat dit werkt. Een leesrijke leeromgeving maakt lezen aantoonbaar makkelijker. Een goede collectie maakt lezen aantrekkelijker. Een boek dat past bij een kind, kan het verschil maken tussen afhaken en doorlezen. Een school hoeft dit niet alleen te doen. De samenwerking met de lokale bibliotheek is hierbij cruciaal. Daar zit de expertise over de collecties en over het leesplezier. De staatssecretaris schrijft dat het niet de expliciete ambitie is om scholen te bereiken met de Bibliotheek op school, terwijl het door het kabinet ondertekende Bibliotheekconvenant juist uitgaat van een bibliotheek op elke school. Mijn vraag aan de staatssecretaris is daarom welke concrete stappen zij zet om te zorgen dat ieder kind via school wettelijk verplicht toegang heeft tot een bibliotheek. Staat zij nog steeds achter de ambitie in het Bibliotheekconvenant?
Maar een bibliotheek op school is pas het begin. We willen dat boeken niet alleen in de kast staan, maar ook open gaan op tafels, in tassen, in handen, en dat ze mee de klas ingaan, juist omdat één goed boek op het juiste moment een kind kan aanzetten tot een leven lang lezen. Ongeveer een op de drie 15-jarigen is onvoldoende leesvaardig. Toch haalt slechts 16% van de scholen de aanbevolen 60 minuten vrij lezen per week, terwijl je lezen leert door meters te maken, door te dwalen door de mooie verhalen en door personages te ontmoeten die je bijblijven. Als we willen dat jongeren beter gaan lezen, geven we lezen een vaste plek in de schoolweek. Daarom willen wij dat er op elke middelbare school minstens 60 minuten per week begeleid vrij wordt gelezen, met leraren die leerlingen op weg helpen, met boeken die nieuwsgierig maken en met verhalen die passen bij de leefwereld van jongeren en die hun wereld groter maken.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik hoor mevrouw Biekman zeggen dat jongeren in heel Nederland toegang moeten hebben tot boeken. Nou weet ik dat in Nederland alle jongeren tot volgens mij 18 jaar gratis toegang tot bibliotheken hebben. Kunt u dus uitleggen wat u bedoelt als u zegt dat alle jongeren toegang moeten hebben? Volgens mij hebben ze wel toegang tot die boeken.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, mevrouw Raijer, voor deze mooie vraag. Het klopt inderdaad dat alle kinderen toegang hebben tot de bibliotheek, maar hier gaat het om een laagdrempelige manier van toegang, iets waar jongeren dus ook elke dag mee in aanraking komen. Dat is het schoolsysteem. Daarom is het zo belangrijk dat alle jongeren verplicht op school een schoolbibliotheek krijgen. Dan kunnen ze namelijk op een andere manier kennismaken met boeken. Dan kunnen ze op een laagdrempelige manier, in hun vertrouwde schoolomgeving, kijken waar hun interesses liggen.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik snap wat mevrouw Biekman zegt. De PVV zou ook graag willen dat er op iedere school een bibliotheek is, maar we hebben nergens in het voorstel gezien dat er een dekking voor is. Ik vraag me dus wel af hoe u dat dan gaat bekostigen.
Mevrouw Biekman (D66):
Ook bedankt voor deze mooie vraag. De dekking komt uit de 50 miljoen die we al hebben voor de Bibliotheek op school. Het verschil zit 'm erin dat hiermee verplicht op elke school een schoolbibliotheek komt. Er is nu al voldoende geld. We zien wel dat het per leerling per schooljaar €10 of €15 extra kost voor de scholen, maar dat is wel in samenwerking met de schoolbibliotheken.
De voorzitter:
Mevrouw Raijer nog? Nee? U ziet ervan af. Mevrouw Biekman, gaat u verder.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik had nog een vraag aan de staatssecretaris over die 60 minuten per week. Gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat alle scholen in het voortgezet onderwijs minstens 60 minuten per week inruimen voor begeleid vrij lezen?
Voorzitter. Dan misschien wel de meest optimistische boodschap van deze nota: kinderen kunnen vaak meer dan wij soms denken.
De heer Boomsma (JA21):
Even een verhelderende vraag. Gaat het om 60 minuten per week voor het voortgezet onderwijs of het primair onderwijs? Is 60 minuten dan een minimum of een richtlijn?
Mevrouw Biekman (D66):
In dit geval gaat het over het voortgezet onderwijs. 60 minuten per week is een minimum. Dat minimum van 60 minuten per week halen ze nu al niet. Dat moet dus worden doorgevoerd. Wij denken — onderzoek heeft dat ook aangetoond — dat als jongeren vaker in aanraking komen met verschillende boeken met meer variatie, het leesplezier ook toeneemt.
De heer Boomsma (JA21):
Ik vind het een heel interessante gedachte, maar is het niet zo dat je met name in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs ook van leerlingen mag verwachten dat ze zelfstandig lezen? Zijn de lessen op school niet bedoeld voor het lesgeven?
Mevrouw Biekman (D66):
Daar raakt de heer Boomsma de kern. Leren lezen is onderdeel van het lesgeven. Daarom vinden wij het zo belangrijk dat hier extra aandacht aan wordt besteed. Het is natuurlijk anders wanneer je verplicht voor een vak moet lezen dan wanneer je je gedachten in een verhaal kunt kwijtraken, in een genre waar je je als jongere het meest in thuis voelt.
De voorzitter:
Meneer Boomsma, tot slot.
De heer Boomsma (JA21):
Wat D66 betreft gaat het er dus om dat kinderen in het voortgezet onderwijs een uur per week lezen op school, en dan niet zozeer voor vakken, maar voor het plezier? Dat geldt dan voor alle schoolniveaus, dus voor havo, vwo, vmbo-t, het hele voortgezet onderwijs?
Mevrouw Biekman (D66):
Ja. Het gaat om het vrij begeleid lezen. Dat heeft u goed gezien.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Mevrouw Biekman (D66):
Alle kinderen hebben recht op hoge verwachtingen, niet omdat ieder kind hetzelfde startpunt heeft, maar omdat een lager doel nooit een eerlijk antwoord is op een ongelijke start. Wie ervoor wil zorgen dat ieder kind goed kan lezen en schrijven, verlaagt de lat niet, maar zorgt ervoor dat ieder kind de hulp, de tijd en het onderwijs krijgt om die lat te halen. Daarom willen wij dat het niveau van taalonderwijs dat scholen moeten halen overal hetzelfde is. Dat doen we niet zomaar; we hebben in het coalitieakkoord vastgelegd dat we gericht blijven investeren in lezen, schrijven en rekenen, en leerachterstanden vroeg gaan aanpakken.
Dat betekent ook dat we eerlijker moeten toetsen. We moeten niet toetsen op trucjes en strategieën waarmee je een tekst kunt scannen zonder deze echt te begrijpen, maar op de vraag of een kind de taal werkelijk eigen heeft gemaakt. Zelfs de bedenker van begrijpend lezen heeft zich inmiddels tegen zijn eigen erfenis afgekeerd. In plaats daarvan moeten we lezen verweven in alle vakken, zoals geschiedenis, aardrijkskunde en biologie. Daarom vraag ik aan de staatssecretaris of zij deelt dat het streefniveau van taal de norm moet worden voor ieder kind, ongeacht schoolweging of achtergrond. Gaat zij de examens Nederlands hervormen zodat deze echt het lees- en schrijfniveau meten, en niet vooraf aangeleerde trucjes?
Voorzitter. Daarom ben ik benieuwd naar het nieuwe plan van de staatssecretaris. Zij schreef deze week dat zij van alle basisvaardigheden taal op de eerste plaats wil zetten. Ook schreef zij dat taal niet alleen wordt aangepakt in de taallessen, maar in alles verweven is. Dat is echt een interessante koerswijziging. Wat betekent dat concreet voor de staatssecretaris? Wat gaat zij anders doen? Wat betekent dat voor andere basisvaardigheden zoals rekenen? Betekent dit steun voor het plan van mevrouw Rooderkerk om begrijpend lezen af te schaffen en in andere vakken te integreren? En, zo ja, hoe wil de staatssecretaris dat dan doen?
Tot slot, voorzitter. Ik zou graag afsluiten met de passende quote van Dr. Seuss: "The more that you read, the more things you will know. The more that you learn, the more places you will go." Hoe meer je leest, hoe meer je weet. Hoe meer je leert, hoe verder je komt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Biekman. We gaan door met de heer De Beer namens de fractie van de VVD.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik namens mijn fractie de complimenten geven aan collega Rooderkerk voor dit initiatief. We hebben altijd veel waardering voor collega's die de moeite nemen om met nieuwe initiatieven te komen. Bovendien is dit een onderwerp dat de VVD aan het hart gaat. Wij willen ook het allerbeste leesonderwijs. Daarnaast vinden we ook dat de lat omhoog moet wat betreft leesvaardigheid en basisvaardigheden in z'n algemeenheid. Uiteraard hebben we een aantal vragen aan mevrouw Rooderkerk en de staatssecretaris, om te beginnen aan de initiatiefneemster.
Vooropgesteld: deze nota bevat veel goede dingen die de VVD ook wil. Ons belangrijkste uitgangspunt is dat de lat in het leesonderwijs omhoog moet, met integratie van lezen in alle andere vakken. De initiatiefneemster pleit voor meer professionalisering en meer doorgroeimogelijkheden voor leraren. Daar staat mijn fractie helemaal achter. Dat zijn ook zaken die terugkomen in het coalitieakkoord tussen onze partijen. Maar deze nota is natuurlijk geschreven tegen een andere achtergrond en in een andere context dan die van de huidige omstandigheden. Mijn vraag aan mevrouw Rooderkerk is dan ook of ze boven op de ambities uit het regeerakkoord nog meer nodig acht om het leesonderwijs te verbeteren. Zo ja, wat dan precies?
Daarnaast vraagt mevrouw Rooderkerk de Kamer in te stemmen met een aantal beslispunten waar we nog wel een aantal vragen over hebben. Zo stelt ze dat het bestrijden van laaggeletterdheid en het versterken van leesvaardigheid een kernverantwoordelijkheid van de overheid is. Mijn vraag is of de overheid niet alleen de kaders stelt en daar verantwoordelijk voor is, dus wat je moet kunnen en kennen als je van school afkomt en welke meetmomenten daarbij horen. De overheid bepaalt via de lumpsum natuurlijk de budgetten die naar het onderwijs gaan. De overheid start campagnes om meer studenten naar de pabo te krijgen. Maar hoe dit vervolgens wordt ingevuld, is volledig aan het onderwijsveld zelf: welke lesmethodes er worden gebruikt, wat de kwaliteit is van de schoolleider of hoeveel tijd er precies naar basiszaken en naar randzaken gaat. Hoe kijkt mevrouw Rooderkerk hiernaar? Tot hoever heeft de Kamer grip op dat eerste beslispunt? Is dat wat mevrouw Rooderkerk betreft voldoende of heeft ze daar nog andere wensen bij?
Dan de ambitie dat geen kind de basisschool of middelbare school mag verlaten zonder voldoende geletterd te zijn. Mijn fractie vindt dat een hele mooie ambitie en een belangrijk uitgangspunt, maar mogen er dan helemaal geen uitzonderingen zijn? Wat als een leerling niet in staat is om onderwijs te volgen omdat deze langdurig ziek is of omdat er geen passend onderwijs is? En wanneer gaat deze teller lopen? Vindt mevrouw Rooderkerk deze ambitie nu wel passend?
Het aantal scholen dat van de onderwijsinspectie het oordeel "zeer zwak" krijgt, is nog altijd niet aan het verminderen, net als het aantal scholen met een herstelopdracht. Hoe kijkt mevrouw Rooderkerk hiernaar in relatie tot haar initiatiefnota? Moeten we nu eerst keihard aan de slag om het onderwijs te verbeteren voordat we dit soort ambities erbovenop leggen?
Dat maakt ook gelijk een bruggetje naar een ander beslispunt, namelijk de halvering van het aantal laaggeletterde volwassenen, wederom een hele mooie ambitie. Met welk aantal rekent mevrouw Rooderkerk als ze het in haar nota over die halvering heeft? In 2024 was het aantal laaggeletterden 1,8 miljoen. Dit steeg naar 2,5 miljoen in 2025. Onder deze groep vallen ook mensen die digitaal niet meekomen. Wie is er verantwoordelijk voor deze ambitie? Hoe wil mevrouw Rooderkerk deze ambitie verder bereiken? Met alleen maar lezen lossen we het probleem van de digitale laaggeletterdheid niet op.
Wat is de rol van de ouders? Ik hoef mevrouw Rooderkerk uiteraard niet uit te leggen hoe belangrijk hun rol is, maar hoe kijkt ze daar precies naar? Hoe gaan we ook de ouders daar beter bij betrekken? Wat als ouders hun kinderen niet naar de voorschoolse educatie laten gaan terwijl ze daar wel recht op hebben?
Welke rol ziet mevrouw Rooderkerk voor het bedrijfsleven? Dat heeft ook tal van projecten lopen om laaggeletterdheid te voorkomen of weg te halen. Het bedrijfsleven kan daar op z'n minst een belangrijke bijdrage aan leveren.
Zoals ik al eerder aangaf, kunnen we het met heel veel onderwerpen eens zijn. Zo is mijn fractie het helemaal met D66 eens dat toetsen van kwalitatief hoog niveau moeten zijn. Wat ons betreft gaan we de lat dus ook niet lager leggen. Ik ben benieuwd of D66 die mening ook echt deelt. Mevrouw Rooderkerk schrijft namelijk terecht dat het onderwijs te veel uitgaat van lage verwachtingen en dat elk kind geletterd van school zou moeten komen. Ook is er kritiek op toetsen die leerlingen vooral trucjes leren. Maar vindt mevrouw Rooderkerk dan dat doorstromen zonder voldoende beheersing van de Nederlandse taal niet langer mogelijk zou moeten zijn, ongeacht schooltype of niveau? En moet de N-term worden aangepast als er enorm geklaagd wordt dat een examen te moeilijk was? Wat zijn de eventuele consequenties voor scholen of schoolleiders als de inspectie ziet dat leerlingen structureel onder die norm blijven? Daarbij heb ik ook gelijk een vraag aan de staatssecretaris. Zou de onderwijsinspectie niet veel harder moeten kunnen optreden richting een schoolleider als de school zeer zwak blijft presteren? De enige die hierop kan ingrijpen, is het bestuur. Wat zou de staatssecretaris hierin anders willen zien, ook omdat de inspectie recent aangaf dat er geen wettelijk kader is richting de schoolleiders?
Voorzitter. Dan de aandacht voor het Taalhuis in bibliotheken. De VVD vindt het ontzettend waardevol dat bibliotheken een plek vormen waar je heen kan om te lezen en ontmoeten, en waar je ook met steeds meer hulpvragen geholpen kan worden, zo ook met taal en digitalisering. We kijken ook uit naar de behandeling van de gewijzigde Wsob. Er komt dan onder andere een zorgplicht voor gemeenten en meer samenwerking met het onderwijs op het gebied van leesbevordering. Ik zou graag van de staatssecretaris willen weten of het beslispunt rondom een verplicht Taalhuis haalbaar is voor alle bibliotheken in Nederland.
Tot slot, voorzitter, het favoriete onderwerp van mijn collega Kisteman: regeldruk. Die neemt natuurlijk toe door voorstellen zoals een wettelijke taak voor gemeenten rondom de signalering van laaggeletterdheid, een wetsvoorstel recht op begrijpelijke taal, een meldpunt voor onbegrijpelijke taal, een verantwoordelijk bewindspersoon en het recht op terugzending van onbegrijpelijke overheidscommunicatie en noem maar op. Hoe kijkt mevrouw Rooderkerk hier precies naar? Ik vraag het ook omdat we in het regeerakkoord de ambitie hebben opgenomen om de regeldruk te verlagen. Is het echt nodig om dit alles wettelijk vast te leggen of zijn er ook andere manieren? Kunnen we juist voor dit soort problemen — een brief van de overheid die je niet begrijpt — niet de leeshulpfunctie van bibliotheken inzetten? Ten aanzien van gemeenten en laaggeletterdheid: steunt de fractie van mevrouw Rooderkerk het idee van de VVD om voorschoolse educatie te verplichten voor kinderen van inburgerende ouders?
Voorzitter, hier wil ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Beer. Dan gaan wij door met mevrouw Armut namens de fractie van het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. We noemen lezen en schrijven niet zomaar basisvaardigheden. Ze zijn een voorwaarde om mee te kunnen doen, op school, op het werk, bij de dokter, bij de overheid en thuis. Wie een brief niet begrijpt, een formulier niet kan invullen of een bijsluiter niet kan lezen, staat al op achterstand. Daarom begin ik met waardering voor de initiatiefnemers. Zij stellen met deze nota een urgent probleem aan de kaak: de leesvaardigheid van jongeren en volwassenen staat onder druk. Te veel mensen hebben moeite met lezen, rekenen en schrijven. Dat is dus niet alleen een probleem van het onderwijs, maar het is een maatschappelijk probleem. Goed leren lezen en schrijven geeft kinderen vrijheid en toekomst. Juist kinderen die dat niet vanzelfsprekend van huis uit meekrijgen, zijn afhankelijk van goed onderwijs, goede leraren en een rijke leesomgeving. Daarom moeten we de basis centraal zetten, juist omdat er al zo veel op scholen afkomt.
Als we de basis op orde willen krijgen, moeten we ook kijken naar de manier waarop kinderen leren. Digitale middelen zijn op veel plekken vanzelfsprekend geworden. Een laptop, een tablet of een digitaal platform wordt soms ingezet omdat het simpelweg beschikbaar is, en niet omdat het aantoonbaar beter is voor het leren. Uit onderzoek blijkt dat schermen kinderen vaak afleiden en dat leren uit boeken en vanaf papier juist van grote waarde is. Daarom wil het CDA dat boeken, papier en schrijven met de hand weer de standaard worden in het onderwijs en dat het schermgebruik wordt beperkt tot situaties waarin de didactische meerwaarde ervan aangetoond is. Ik ben blij dat onze motie om dat te bereiken unaniem is aangenomen afgelopen week.
Een andere goede stap die recent is gezet, is de herziening van de kerndoelen. Taalonderwijs is namelijk niet alleen iets van de docent Nederlands. Ook bij geschiedenis, biologie en burgerschap leren leerlingen teksten begrijpen, verbanden leggen en nieuwe woorden gebruiken. Kan de initiatiefnemer reflecteren op die bredere verantwoordelijkheid voor het taalonderwijs? Tegelijkertijd is het belangrijk dat er een duidelijke doorlopende leerlijn is op het gebied van taal- en leesonderwijs. Hoe kijkt de initiatiefnemer daarnaar? Hoe zorgen we ervoor dat het schrappen van bijvoorbeeld begrijpend lezen in de praktijk niet betekent dat niemand zich ervoor verantwoordelijk voelt? Aan de staatssecretaris vraag ik hoe deze kerndoelen daadwerkelijk in de klas landen. Wat hebben leraren hiervoor nog nodig?
Voorzitter. Dan ga ik naar de verplichte voldoende voor Nederlands. Het CDA begrijpt de gedachte van de initiatiefnemer daarachter. Een diploma moet waarde hebben. Een leerling die de school verlaat zonder voldoende taalvaardigheid doen we tekort, maar een leerling mag niet de dupe worden van falend onderwijs. Mijn vraag aan de initiatiefnemer is daarom hoe we voorkomen dat een verplichte voldoende voor Nederlands vooral kinderen raakt die al onvoldoende taalonderwijs hebben gekregen. Wat betekent zo'n verplichting uiteindelijk voor leerlingen die Nederlands niet op tijd op orde krijgen? Krijgen zij extra ondersteuning, extra tijd of een herkansingstraject? Of lopen zij het risico om zonder diploma de school te verlaten? Hoe betrekken we hierbij leerlingen in het praktijkonderwijs, leerlingen met dyslexie en leerlingen die de taal thuis niet voldoende meekrijgen?
Voorzitter. Dan wil ik het hebben over de rijke leesomgeving. Het CDA vindt dat elk kind toegang moet hebben tot goede boeken, en niet alleen kinderen van ouders die thuis boekenkasten vol hebben, voorlezen en regelmatig naar de bibliotheek gaan. Juist school kan hierin het verschil maken. Natuurlijk is een bibliotheeklidmaatschap voor kinderen tot 18 jaar gratis, maar daarmee is er nog niet automatisch toegang tot goede boeken in de klas. Het is nog niet zo dat de actuele collectie op school is. Ook maken niet alle kinderen gebruik van dat gratis lidmaatschap. Mijn vraag aan de staatssecretaris is daarom: hoe wil zij binnen de bestaande mogelijkheden beter benutten wat er al is? Hoe zorgen we ervoor dat scholen, bibliotheken en gemeenten elkaar makkelijker vinden, dat goede voorbeelden breder worden gedeeld en dat het gratis lidmaatschap ook daadwerkelijk meer kinderen bereikt? Hoe voorkomen we dat toegang tot goede boeken afhankelijk blijft van de toevallige inzet van de school, een docent of een vrijwilliger?
Voorzitter. Er is nog een groep die moeite heeft met basisvaardigheden: volwassenen. Juist volwassenen die moeite hebben met lezen en schrijven, melden zich vaak niet vanzelf, mede door schaamte. Vaak wordt het pas zichtbaar als iemand vastloopt in de schulden, op het werk, bij een brief van de overheid of bij de gemeente. Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat op deze plekken oog is voor laaggeletterdheid? Kan zij aangeven of in elke gemeente voldoende duidelijk is waar volwassenen terechtkunnen voor taalonderwijs, hulp bij lezen en schrijven en begeleiding naar een passend aanbod? Hoe zorgen we ervoor dat de aanpak van laaggeletterdheid niet afhankelijk blijft van de lokale aanpak? Is de initiatiefnemer het met ons eens dat we niet een nieuw systeem moeten bouwen naast alles wat er al is, maar juist bestaande netwerken moeten versterken?
Voorzitter. Dan heb ik nog een vraag aan de staatssecretaris. Hoe staat het ervoor met de LLO-verkenning naar een publieke opdracht voor onderwijsinstellingen rond laaggeletterdheid? Wanneer krijgt de Kamer de uitkomsten? Hoe wordt daarin de samenwerking met gemeenten, bibliotheken, taalhuizen en non-formeel aanbod geborgd?
Voorzitter. Bij deze nota moeten we ook eerlijk zijn over regeldruk. Vanuit Den Haag is het makkelijk om nieuwe normen, minimumeisen, verplichtingen en plannen te bedenken, maar uiteindelijk moet het gebeuren door de mensen die dit dag in, dag uit waarmaken: leraren voor de klas, bibliotheekmedewerkers, vrijwilligers, schoolleiders, gemeenten en ouders. Heeft de initiatiefnemer een concreet beeld van wat deze voorstellen betekenen voor de werkdruk van leraren en scholen? Welke voorstellen leveren volgens de initiatiefnemer zo aantoonbaar iets op voor de leesvaardigheid dat eventuele extra uitvoeringslast gerechtvaardigd is? Hoe zorgen zowel de initiatiefnemer als het kabinet ervoor dat kwaliteitsborging niet vooral bestaat uit nieuwe eisen en papieren, maar uit praktische ondersteuning, professionele ruimte en zicht op echte resultaten? De basis moet op orde. Dat vraagt niet alleen om nieuwe normen, maar vooral om investeringen in mensen en gemeenschappen die lezen en schrijven elke dag prioriteit maken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Armut. Dan gaan we door met de heer Boomsma. Hij spreekt namens de fractie van JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst ook dank en complimenten aan mevrouw Rooderkerk en haar ondersteuners voor deze initiatiefnota en voor de urgentie die daaruit straalt. Onze hele beschaving is natuurlijk gebaseerd op het geschreven woord en is afhankelijk van het voorbestaan daarvan. Dat begint zo bij de allerkleinste kinderboeken die je voorleest aan kinderen bij het naar bed gaan, tot de grote boeken over de grote vragen van de grote denkers, die onderdeel zijn van de 3.000 jaar oude dialoog van de westerse beschaving, waar iedereen nog steeds aan kan deelnemen. Dat is misschien ook een goede eerste vraag. Daar ben je natuurlijk je hele leven mee bezig, met die canon. Maar hoe kijken de initiatiefnemers, en ook misschien wel de staatssecretaris, eigenlijk naar het idee van de canon? Daarmee bedoel ik dat er een aantal boeken zijn waarvan je met z'n allen veronderstelt dat het behoort tot de algemene ontwikkeling om die te hebben gelezen, zowel voor school, maar ook bijvoorbeeld voor het theoretisch onderwijs. Dat is dan een aantal boeken die iedereen die in ieder geval claimt deel te nemen aan het geestelijk leven, toch op z'n minst gelezen moet hebben.
Het probleem is nu natuurlijk dat prikkels van schermen makkelijker de aandacht vasthouden. Pas als je leest, ben je als het ware zelf aan het roer van je eigen concentratie. Dat is ook niet te vervangen. Ik zag nu dat ze in Noorwegen AI gaan verbieden tot 13 jaar en het sterk gaan beperken in de rest van het voortgezet onderwijs, omdat men tot het inzicht is gekomen dat het echt ten koste gaat van het vermogen om te leren lezen. Ik ben benieuwd hoe de indieners en het kabinet dat nu zien. Veel van deze voorstellen raken natuurlijk aan zaken die al eerder in gang zijn gezet, die al lopen, waar we mee bezig zijn. We hebben bijvoorbeeld de discussie over het LLO gehad, en over laaggeletterdheid. Ik denk dat het goed is dat hier kwantitatieve doelstellingen voor komen. Die moeten dan wel haalbaar zijn. Ik ben zelf iets terughoudend in het introduceren van allemaal nieuwe rechten, bijvoorbeeld het recht om een brief terug te sturen. Ik vraag me af of dat op die manier gaat werken.
Ik denk wel dat het heel goed is dat op elke school gewoon voldoende boeken aanwezig zijn, dus dat er een bibliotheek is op alle scholen en dat in ieder geval de fysieke aanwezigheid daarmee geborgd is. Ten aanzien van het idee om elke week minimaal een uur te lezen, vraag ik me wel het volgende af. Ik denk dat dat goed is, maar zeker in het voortgezet onderwijs moet het niet ten koste gaan van de les. Dat zou ik dan wel willen overwegen, maar dan aanvullend óp, en niet in plaats van het bestaande curriculum.
Dan over het belang van die rijke taalomgeving. Dat wordt gecontrasteerd met begrijpend lezen, en er komt nu steeds meer kritiek op dat begrijpend lezen. Dat lijkt me ook terecht, op basis van wat ik ervan heb meegekregen. Ik vind het op zich ook heel logisch. Je leest altijd íéts. Wat je leest, moet ook interessant zijn en dan ga je het vaker doen. Ik vraag ook wel, misschien aan het kabinet: hoe zit dat nou? Hoe is dat nou eigenlijk zo gekomen? Wie hebben dat allemaal ontwikkeld, die hele introductie van het begrijpend lezen? Dat is toch op een gegeven moment ergens bedacht, waarschijnlijk wetenschappelijk gevalideerd en op een gegeven moment overal geïntroduceerd. Zaten we er dan helemaal naast? Wat is nou eigenlijk de status daarvan? Wordt dat nou weer afgeschaft? In het nieuwe curriculum wordt natuurlijk wel meer gewerkt met die rijke taalomgeving, maar hoe kijken we daar nou op terug? Kunnen we ook nog iets leren van hoe dat zich verder heeft ontwikkeld? In hoeverre wordt er nu nog op getoetst?
Dan is ook de vraag wat wij als overheid nog allemaal kunnen doen om dat zo belangrijke lezen verder te stimuleren. De initiatiefnemers hebben een enorm bedrag voorgesteld voor investeringen in het primair onderwijs, en 234 miljoen euro in het voortgezet onderwijs. Dat gaat dan om het introduceren van die ontwikkeltijd. Dat zijn ongeveer acht fulltimebanen met 40 dagen ontwikkeltijd per jaar. Dat zijn vijf dagen per persoon die fulltime in dienst is. Maar waar zijn die vijf dagen op gebaseerd, en hoe verhouden die zich tot de studiedagen die er nu ook al zijn en die leraren al hebben? Dan is het ook wel een beetje de vraag hoeveel lesdagen er nog overblijven als ze nog vijf dagen extra ontwikkeltijd krijgen. Ik wil ook wel van het kabinet weten of zij dit zien als de beste besteding van deze middelen. Denk ook aan de ervaring die we nu al hebben met de middelen voor het Masterplan basisvaardigheden. Daar was de Rekenkamer ook kritisch over. Je loopt ook het risico dat als je deze middelen reserveert, deze ergens gaan verdwijnen in die Bermudadriehoek van de lumpsum. Hoe zorg je ervoor dat als je zulke middelen ter beschikking stelt, dat ook daadwerkelijk effect gaat hebben? Daar worstelen wij ook nog wel mee.
Het idee dat leraren zich kunnen specialiseren tot taalexpert is ook een hele interessante, maar in hoeverre kan dat nu al en wat gaat dit dan toevoegen? Er wordt een norm voorgesteld voor het terugdringen van niet-lesgevende taken. We zijn natuurlijk al een tijd bezig met het terugdringen van de overhead. Hoe zou dit precies in zijn werk gaan?
Tot slot. Ik zag dat er ook iets stond over een politiek moratorium op goedbedoelde initiatieven. Dat lijkt me heel interessant, maar ik denk dat dat wel enige discipline gaat vergen van velen. Ik hoor graag van de indieners hoe ze dat handen en voeten zouden willen geven.
De heer De Beer (VVD):
Ik heb een vraag aan de heer Boomsma. Hij introduceerde net het idee of het concept van een canon om te bepalen wat voor type boeken tot de kern van de literatuurlijst zou moeten behoren. Maar is hij dan niet bang dat er een hele lange discussie gaat ontstaan over welke boeken wel en niet in die canon moeten? Is hij niet bang dat dat tot een hoop discussie kan leiden? Het zou er toch veel meer om moeten gaan dat leerlingen überhaupt meer aan het lezen geraken? Zou je niet moeten kijken of de onderdelen van de literatuurlijst beter kunnen aansluiten op de vakken, zoals geschiedenis, aardrijkskunde, economie en biologie, in plaats van een hele discussie te beginnen over wat we wel en niet de kern van de canon vinden?
De heer Boomsma (JA21):
De heer De Beer vreest discussie, maar ik ben juist zeer fan van discussie. Ik denk juist dat het heel goed is om die discussie te voeren, maar dat moet natuurlijk niet in de plaats komen van het lezen zelf. Ik wil ook helemaal niet zeggen dat andere dingen het niet waard zijn om te lezen. Uiteraard niet. Het is heel goed als kinderen en jongeren van alles lezen. Dat kunnen ook de Donald Duck zijn of graphic novels en allerlei andere kinderboeken. Ik denk dat het interessant is om na te denken over een bepaalde lijst van boeken die we met z'n allen kunnen delen, maar die hoeft niet in de plaats te komen van boeken over geschiedenis of aardrijkskunde. Die boeken raken sowieso al aan die vakken. Het voordeel is ook dat je dan een soort gedeeld fundament hebt waarover iedereen met elkaar in gesprek kan. Maar goed, het is een vraag die ik graag wil opwerpen. Het hoeft misschien niet in de weg te staan ... Ik stel ook zeker niet voor om die discussie eerst helemaal te beslechten alvorens we andere maatregelen zouden gaan nemen.
De heer De Beer (VVD):
Het gaat mij er niet om dat ik de discussie uit de weg wil gaan, maar de vraag is natuurlijk wel: bij wie moet die discussie op tafel komen? Als experts en mensen die sowieso al heel veel vreugde ontlenen aan lezen en die daarvoor gestudeerd hebben vervolgens gaan bepalen wat kinderen wel en niet moeten lezen, dan ben ik bang dat we juist de aansluiting bij de jeugd kunnen missen. Ik denk inderdaad dat het belangrijk is dat we lezen überhaupt bevorderen en dat we daarbij vooral moeten aansluiten bij de interesses van jongeren zelf.
De heer Boomsma (JA21):
De meeste boeken, ook voor kinderen en jongeren, worden geschreven door volwassenen, dus in die zin zijn we al aan het bepalen wat er wordt gelezen. Het lijkt me niet waar dat het dan per definitie niet aansluit bij de belevingswereld van jongeren. Het is juist een uitgestoken hand om deel te worden van de bredere wereld, de rijkere wereld van ons allemaal, waarmee je die discussie aangaat. Maar goed, ik denk dat dit een interessante discussie waard is.
Mevrouw Biekman (D66):
Ik sluit me aan bij de heer De Beer, want ik had ook een vraag over de canonlijst. Het gaat hierbij ook om keuzevrijheid voor jongeren. We hebben gezien dat het leesplezier juist wordt vergroot wanneer je als jongere aansluiting vindt bij een genre, bij een tieneravonturenboek of een tienerroman, of bij een boek over de wetenschap of de natuur. Ziet de heer De Beer mogelijkheden voor keuzevrijheid voor jongeren of wil hij die inperken? Sorry, ik bedoel de heer Boomsma!
De voorzitter:
U stelt uw vraag aan de heer Boomsma van JA21, die zojuist ook de vraag van de heer De Beer van de VVD-fractie heeft beantwoord. Meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Het ene sluit het andere helemaal niet uit. Natuurlijk kunnen kinderen zelf gaan bepalen wat ze gaan lezen. Daarom heb je een bibliotheek. Ik bedoel: het is niet het idee dat iedereen elk boek uit de bibliotheek leest. Je kunt daarin natuurlijk zelf een keuze maken. Die vrijheid heb je dus sowieso, maar ik denk dat het ook interessant is om in aanvulling daarop te kijken naar welke boeken wij nou zo belangrijk vinden, van zo veel waarde vinden, en welke het mogelijk maken om dat bredere gesprek te voeren. Dan zeggen we daarvan: die behoren wat ons betreft in zekere zin tot de canon. Als iedereen ze leest, wil je natuurlijk niet achterblijven, dus dan wil je dat ook hebben gelezen, want dan kun je daarover met elkaar in gesprek. Ik denk dat het op die manier ook kan bijdragen aan het doel.
De voorzitter:
Gaat u verder. Of was u klaar?
De heer Boomsma (JA21):
Ja, ik ben wel klaar.
De voorzitter:
U was aan het einde van uw termijn. Dan gaan we door met mevrouw Raijer, die spreekt namens de fractie van de PVV.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ook vanuit de PVV allereerst complimenten voor dit voorstel Lezen voor je leven. Wat de PVV betreft zou dat geen titel van een initiatiefnota moeten zijn, maar gewoon de norm in Nederland. Elk kind moet kunnen lezen, schrijven en rekenen. Op dat punt zijn we het dus helemaal eens met de initiatiefnemers. Daar eindigt onze overeenstemming ook wel, want de nota van D66 bevat mooie woorden, maar D66 is zelf onderdeel van het probleem. Jarenlang hebben D66 en andere linkse partijen scholen overladen met klimaatprojecten, diversiteitsprogramma's en de hele wokeagenda, terwijl kinderen steeds slechter gingen lezen, schrijven en rekenen. Om een voorbeeld te noemen: in plaats van de Lentekriebels hadden scholen beter de week van het lezen kunnen organiseren, want daar hebben kinderen tenminste wat aan.
De nota zwijgt ook volledig over de olifant in de Kamer, namelijk de massa-integratie. Steeds meer kinderen komen thuis niet meer met Nederlands in aanraking. Kostbare lestijd gaat verloren aan taalachterstanden die er zonder massale instroom nooit waren geweest. De belastingbetaler mag daar niet eeuwig voor opdraaien. Wij zijn daar heel helder in: in Nederland staat de Nederlandse taal centraal, op school, in de klas en op het schoolplein. Wie hier wil slagen, zal de Nederlandse taal ook moeten leren beheersen.
Dan zijn er de vage voorstellen over taalhuizen en het wettelijk recht op begrijpelijke taal. Mijn vraag aan de initiatiefnemers is of deze taalhuizen betrekking hebben op het versterken van de Nederlandse taal. De PVV wil namelijk geen nieuwe loketten, geen nieuwe bureaucratie en zeker geen nieuwe subsidiecarrousel. Wij willen dat mensen gewoon goed Nederlands leren.
Voorzitter. Dan de rekening, want uiteindelijk betaalt de belastingbetaler de rekening voor alle goede bedoelingen van D66. Alleen al de ontwikkeltijd van leraren kost bijna 400 miljoen euro per jaar. Daar komen kleinere klassen, taalhuizen, bibliotheken en andere plannen nog bovenop. Laat ik wel even duidelijk maken dat de PVV natuurlijk wel voor kleinere klassen en voor bibliotheken is. D66 presenteert een verlanglijstje en hoopt dat de opbrengst ooit vanzelf zal volgen. Dat is geen financieel beleid; dat is wat ons betreft gokken met belastinggeld.
Tot slot, voorzitter. De oplossing is niet méér beleid, meer bureaucratie en meer belastinggeld uitgeven; de oplossing is terug naar de basis, minder woke, minder ideologie, minder papierwerk, meer Nederlands, meer kennis en meer echte lesuren. Onderwijs moet weer gaan over leren en niet over klimaatcampagnes, diversiteitslessen en andere politieke indoctrinatieprogramma's. Een halt aan de import van taalachterst…
De voorzitter:
Mevrouw Raijer, ik hoorde een punt. Die wilde ik gebruiken om een interruptie mogelijk te maken voor mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik schrik eigenlijk van de bewoordingen van mevrouw Raijer. Ze zet het onderwijs nu weg alsof de docenten, die daar echt met heel veel passie staan, de kinderen geen andere dingen laten leren dan maatschappelijke problemen. Ze schetst een onderwijsveld dat zich niet vol passie inzet om kinderen mee te laten draaien in de maatschappij. Dat vind ik zorgelijk, want ik vind dat we hiermee leraren echt tekortdoen. Dat wil ik vanuit D66 echt gezegd hebben.
Mevrouw Raijer (PVV):
Volgens mij heb ik niks gezegd over leraren, maar het is wel steeds de politiek die steeds meer projecten op de scholen erbij zet, waardoor zij niet meer toekomen aan de basis, namelijk: leren lezen, schrijven en rekenen. Het enige wat wij zeggen is: laat de politieke ideologie weg uit de scholen en laten we gewoon bij de basis blijven. Daar doen we de leraren goed mee en daar doen we de kinderen ook zeer zeker goed mee. Dat is ook zeker de kern van het onderwijs.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog. Of was u aan het einde gekomen?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik was aan het einde.
De voorzitter:
Dan zou ik heel graag het voorzitterschap willen overdragen aan mevrouw Biekman, zodat ik ook mijn bijdrage kan leveren aan deze discussie namens de fractie van PRO.
De voorzitter:
Dan geef ik als voorzitter het woord aan mevrouw Moorman namens PRO.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Heel veel dank aan mevrouw Rooderkerk voor deze notitie. Mijn collega's hebben in hun bijdrage het belang van lezen al onderstreept. Ik denk dat dit van links tot rechts in de Kamer geldt. We vinden het allemaal belangrijk dat onze jongeren, onze kinderen goed leren lezen. We maken ons met z'n allen dan ook heel erg veel zorgen over hoe het op dit moment gaat met de leesvaardigheid in Nederland. Het wordt ook in de brief van de staatssecretaris nog eens heel helder uiteengezet: we dalen in de internationale vergelijkingen, we dalen eigenlijk in alle verschillende statistieken die we zien. We dalen niet alleen in de vaardigheden, maar we dalen ook in het leesplezier. Dat heb ik mijn collega's nog niet horen benadrukken. Het leesplezier is een hele belangrijke attitude ten aanzien van lezen, om ook te blijven lezen, een leven lang. Het leesplezier is op dit moment gedaald tot de onderste regionen van de vergelijking. Het is dus ook belangrijk dat we daar veel aandacht aan besteden.
Lezen is immers — mevrouw Biekman zei dat mooi — van levensbelang. Het werkt preventief. Slecht leren lezen betekent dat je meer afhankelijk zal zijn van de overheid, dat je sneller schulden maakt, dat je gezondheid in gevaar komt omdat je bijsluiters niet begrijpt, en überhaupt het leven minder begrijpt. Dus lezen is van levensbelang. Lezen maakt ons rijker. Lezen laat je de wereld begrijpen, geeft kennis en inzicht, laat je de ander begrijpen, en jezelf. Maar we zien dus dat we steeds meer onderaan komen te hangen in allerlei verschillende vergelijkingen en daarom moeten we aan de slag. Mevrouw Rooderkerk zit hier tussen allemaal verschillende boeken in. We hebben vanochtend ook boeken gekregen van de Leescoalitie, voor een hele lange leeslijn, onder de noemer "wie leest heeft een goed verhaal". Ik hoorde heer Boomsma het ook hebben over dat de verhalen die al heel lang zijn opgeschreven, de basis zijn van onze beschaving. Dat deed mij eraan denken dat ik gisteren in mijn leesclub werd gewezen op het alleroudste verhaal dat ooit is opgetekend: het Gilgamesj-epos. Dat is ooit gevonden in een bibliotheek van een oude heerser, overigens niet een hele plezierige heerser als het gaat over "welke verhalen lezen wij nou". Maar het is belangrijk dat wij met elkaar de verhalen optekenen zodat wij ook met elkaar die gezamenlijke basis hebben, het fundament van onze samenleving. Het is dus heel mooi dat deze notitie er ligt, maar ik heb er tegelijkertijd een paar zorgen bij. Die zorgen beginnen eigenlijk bij de brief die wij van de week kregen van de staatssecretaris.
Voorzitter. Ik vind het heel mooi dat de staatssecretaris aangeeft dat zij meer aandacht wil geven aan taal en aan lezen, maar tegelijkertijd is dat natuurlijk niet voor het eerst. We hebben een Masterplan basisvaardigheden gezien, waarin heel veel geld is geïnvesteerd. Mijn eerste vraag is dan ook: hoe wijzigt het beleid van deze staatssecretaris ten aanzien van lezen ten opzichte van wat we al eerder hebben gezien in het Masterplan basisvaardigheden? De staatssecretaris zegt: voor mij komt taal nu op nummer één. Dat roept de vraag op wat er op nummer twee komt en op nummer drie. En wat betekent dit dan voor bijvoorbeeld rekenen, wat betekent dit bijvoorbeeld voor schrijven, waar we zien dat er ook nog heel veel zorgen zijn? Is het niet gevaarlijk om juist een hiërarchie aan te brengen in al die verschillende basisvaardigheden, omdat wij ook hebben geleerd dat juist de samenhang tussen al die verschillende basisvaardigheden enorm van belang is? Het is al door meerdere van mijn collega's gezegd: de methode begrijpend lezen heeft er juist toe geleid dat er versnippering is ontstaan. Het is daardoor juist minder goed gegaan met het daadwerkelijk kunnen begrijpen, omdat het uit de context is gehaald. Is zij daar niet bang voor? Hoe gaat zij hierop sturen? Dat laat de brief nu nog niet zien. We krijgen in het najaar een versterkingsagenda. Mijn vraag is de volgende. Als er geen extra middelen vrij worden gemaakt en er ook niks verandert in de regelgeving, hoe wordt hier dan uiteindelijk op gestuurd?
Voorzitter. We moeten echt oppassen dat we niet weer versnipperd beleid krijgen. Ik heb meerdere van mijn collega's horen zeggen dat we meer moeten stimuleren dat er wordt gelezen, bijvoorbeeld door een uur extra te lezen. Vorige week is er ook door de inspecteur aangegeven dat er misschien een halfuur extra per dag moet worden gelezen, zoals in Ierland. Als je een halfuur extra gaat lezen zonder dat je daar goed in wordt begeleid door een leraar, dan zal je de verschillen tussen degene die al graag leest en degene die dat nog steeds ingewikkeld vindt alleen maar groter maken. Een andere methode zegt niks als je het niet inpast in de verschillende toetsen die gemaakt worden. Hoe wordt daarop gestuurd?
Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris in reactie op de initiatiefnota van mevrouw Rooderkerk graag drie belangrijke punten meegeven. Ten eerste, let op de infrastructuur. In de brief van de staatssecretaris van vorige week is er ook ingegaan op de motie die samen met mevrouw Rooderkerk en de heer Boomsma is ingediend. Er wordt gezegd: hiermee is de motie afgedaan. Eerlijk gezegd vind ik dat de motie niet is afgedaan. In de motie wordt heel duidelijk gesteld dat wij willen dat er een bibliotheek op elke school komt, maar we zien dat dat nu nog niet het geval is. Wat gaat de staatssecretaris extra doen om ervoor te zorgen dat er ook daadwerkelijk een bibliotheek komt op iedere school? In de reactie op de motie wordt daar eigenlijk helemaal niet op ingegaan.
Voorzitter. We zien ook dat er nog niet is ingegaan op de motie die vraagt hoe we ervoor gaan zorgen dat leraren daadwerkelijk goede lezers zijn, die kinderen daar ook zo goed mogelijk bij kunnen begeleiden. In december is er een motie aangenomen die vraagt om voor de Voorjaarsnota in te gaan op wat de staatssecretaris daaraan gaat doen. Ik zie daar geen reflectie op. Ik vraag mij af of zij daar verder op ingaat in het nieuwe plan dat we van de staatssecretaris krijgen. Wat gaan we doen op de verschillende opleidingen? Hoe gaan we ervoor zorgen dat alle leraren zelf ook lezers zijn? We zien inmiddels dat heel veel leraren op de opleiding aangeven zelf nooit iets te lezen. Gaat de staatssecretaris daarop sturen?
Voorzitter. We waren vanochtend niet voor niks bij de Leescoalitie, die op de lange leeslijnen wees. Het begint inderdaad op een vroege leeftijd, maar het moet wel doorgezet worden op latere leeftijd. Hoe gaan we die lange leeslijnen in de gaten houden? We hebben het rapport van IELS gezien. We zien daar een hele korte reflectie op in de brief van de staatssecretaris. Ik hoop niet dat dit de uitgebreide reflectie is die zij heeft beloofd in het debat van vorige week. Zou ze daar ook nog wat over willen zeggen? We zien — de heer De Beer van de VVD zei dat net ook al — dat je er eigenlijk de rest van je leven last van hebt als je niet op jonge leeftijd al leert lezen. Je gaat het later in je leven ook niet leuk vinden, omdat je de vaardigheden eigenlijk te weinig beheerst. Daar heb je dus de rest van je leven last van. Wat doen we dan bijvoorbeeld met de voorschool en de kinderopvang? We zien dat nog steeds een grote groep kinderen daarbuiten valt, omdat we geen basisvoorziening hebben voor alle kinderen, bijvoorbeeld voor kinderen van niet-werkende ouders. Hoe gaat ze daarin die lange lijnen maken?
Voorzitter. We maken ons tegelijkertijd heel erg veel zorgen over de leesvaardigheid op het vmbo. We kijken heel vaak naar de gemiddelden. Als we dieper inzoomen, dan zien we dat een derde van de 15-jarigen niet voldoende kan lezen en schrijven. Dat gemiddelde verspreidt zich natuurlijk heel anders over de verschillende niveaus. Dan hebben we het niet over het gymnasium, maar voor een heel groot deel over het vmbo. Wat gaat de staatssecretaris doen om er juist ook op dat niveau voor te zorgen dat jongeren voldoende kunnen lezen en daar ook voldoende plezier in hebben?
De voorzitter:
Dank u wel voor uw gepassioneerde betoog, mevrouw Moorman, maar ik wil u toch vragen om richting een afronding te gaan. U bent namelijk al bijna door uw tijd heen.
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, dank dat u mij daarop wijst. Ik heb veel vragen gericht aan de staatssecretaris, omdat zij natuurlijk uiteindelijk over de uitvoering gaat. We zien in de reactie op zo'n motie dat de uitvoering echt wel wat aandacht behoeft.
Voorzitter, tot slot heb ik nog een paar korte vragen, ook voor de initiatiefnemer, als u dat mij toestaat.
De voorzitter:
Heel kort.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ja. Een paar korte vragen.
Deze nota is een jaar geleden ingediend. Inmiddels zijn er een aantal ontwikkelingen, zoals Neon. Ik wil mevrouw Rooderkerk vragen hoe zij daarnaar kijkt.
Ik miste een goede reflectie op opleidingen, hoe dat kan bijdragen aan een goede leesvaardigheid van leraren en hoe dat eraan kan bijdragen dat dat ook in de klas wordt gebracht.
De motie over de Bibliotheek op school heb ik samen met mevrouw Rooderkerk ingediend. Hoe kijkt zij naar de uitvoering daarvan?
Voorzitter, tot slot. Ik rond echt af. Hoe kijkt zij naar toetsen die uiteindelijk sturend kunnen zijn als het gaat om de manier waarop leesvaardigheid wordt aangeboden op scholen?
Voorzitter, dank voor uw coulance.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Moorman. Ik draag de voorzittershamer weer over aan u.
De voorzitter:
We geven de tijd aan de initiatiefnemer en natuurlijk aan de staatssecretaris om zich voor te bereiden op de beantwoording. Ik heb begrepen dat er ongeveer 40 minuten nodig zijn voor een goede voorbereiding op de beantwoording. Ik wil de vergadering graag schorsen tot 11.40 uur.
De voorzitter:
Ik heropen het commissiedebat. Aan de orde is de initiatiefnota van mevrouw Rooderkerk. We hebben net in de eerste termijn meerdere Kamerleden met vragen gehoord. Helaas hebben een aantal Kamerleden onze vergadering moeten verlaten. Dat hadden zij ook aangekondigd. Mevrouw Rooderkerk, ik geef u graag als eerste het woord voor de beantwoording.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank. Dank ook aan de aanwezige Kamerleden voor alle vragen die zij hebben gesteld en voor het gehoorde enthousiasme over het verbeteren van het leesonderwijs en de gedeelde boodschap die we daarbij hebben. Dank ook aan degenen die hierbij aanwezig zijn, in het bijzonder de Leescoalitie, die hier een aantal boeken heeft uitgedeeld om te verspreiden, zodat we allemaal het bevorderen van lezen en leesplezier vooropstellen.
Voorzitter. Maandelijks help ik mee op een school in Amsterdam-Zuidoost. De afgelopen keer deelde de juf geen dictees of werkbladen uit, maar haalden de leerlingen hun boeken tevoorschijn. Ik gaf de leerlingen omstebeurt het woord om voor te lezen. Een jongen begon voor te lezen uit het boek Broergeheim. Hij begon eerst stroef en woord voor woord, maar halverwege de bladzijde gebeurde het: hij was niet langer aan het oefenen; hij begon echt te lezen en ging mee in het verhaal. Voor dat ene kind ging op dat moment een deur open, een deur naar verhalen, naar kennis, naar de wereld. Ik heb legio van zulke verhalen, zoals van het meisje dat worstelde met wie ze was totdat ze van de juf precies dat ene boek kreeg aangereikt, van de leerlingen die een moeilijke tekst gingen lezen over fotosynthese en het mij vervolgens helemaal wisten uit te leggen of van het jongetje bij wie ik op bezoek ging met de VoorleesExpress om met een vrijwilliger bij hem thuis voor te lezen over de zee. Voor al deze kinderen ging door lezen een wereld open. Ik vertel deze voorbeelden omdat die precies de reden zijn dat ik deze nota samen met oud-Kamercollega Hans Vijlbrief schreef. Voor te veel kinderen gaat die deur namelijk niet open.
Het gaat namelijk niet goed met ons leesonderwijs. Een op de drie 15-jarigen dreigt van school te komen zonder goed genoeg te kunnen lezen om mee te komen in de samenleving. Internationaal gezien bungelen wij inmiddels onderaan in Europa en wereldwijd ergens tussen Turkije en Vietnam. Het stopt ook nog eens niet op school. Ook na school hebben 3 miljoen Nederlanders moeite met lezen en schrijven. Ik hoorde al wat voorbeelden. Dat betekent dat ze een brief van de gemeente niet durven open te maken of dat ze doen alsof ze hun bril vergeten zijn. Een vrouw die ik sprak, kon haar eigen kinderen niet voorlezen en had daar ontzettend veel schaamte voor. Het zijn mensen die zichzelf elke dag een beetje kleiner maken. Daarmee is het ook een stille crisis. Ik zeg "stil", omdat er zo veel schaamte mee gepaard gaat, maar ik noem het ook een crisis, omdat we echt een generatie dreigen te verliezen als we nu niets doen. Lezen is van levensbelang.
Wij schreven deze nota in een tijd van forse bezuinigingen op het onderwijs en op de kansen van de kinderen die het juist het hardste nodig hebben. Wij weigerden daarin mee te gaan, want een leescrisis los je niet op door af te breken, maar door op te bouwen. Het kan anders. Dat is ook wat we gaan doen. Ik ben blij dat we met dit kabinet het tij gaan keren en dat we 1,5 miljard gaan investeren in het onderwijs, met heldere keuzes voor de kwaliteit. Veel van wat wij opschreven in deze nota, staat inmiddels ook in het regeerakkoord. We gaan zorgen voor minder bureaucratie en meer ruimte voor leraren om hele goede lessen te geven. We leggen de lat hoger voor het leesonderwijs en zorgen daarbij voor hoge verwachtingen van kinderen en voor toegang voor wie later in het leven wil leren lezen en schrijven. Zo zorgen we dat het Nederlandse onderwijs weer onderwijs van wereldniveau wordt. Dat is een opdracht die ik met de hier aanwezige Kamerleden en de staatssecretaris hopelijk samen voel, maar we zijn er nog niet. Met deze nota leg ik het tempo en de lat hoger, want het kan wél. Er zijn ook scholen die laten zien dat het kan. Laten we daarnaar kijken en die voorbeelden en verhalen verder brengen.
Daarmee wil ik overgaan tot het beantwoorden van de vragen. Dat doe ik, zoals het hoort, netjes in blokjes met vragen van de collega's. Ik begin met lezen als basis. Dat gaat over digitaal lezen, schermtijd en een bibliotheek op elke school. Twee: beter leesonderwijs. Dat gaat onder meer over het curriculum, begrijpend lezen, hoge verwachtingen en toetsen. Blok drie gaat over de lezende leraar: werkdruk, vakmanschap en specialisatie. Vier: iedereen kan meedoen. Dat gaat over laaggeletterdheid onder volwassenen en een begrijpelijke overheid. Tot slot heb ik het blokje uitvoering en overig.
De voorzitter:
Ik doe het voorstel aan de commissie om steeds na elk blokje de vragen te stellen. Volgens mij heeft mevrouw Rooderkerk een hele heldere structuur, dus dan blijft het overzichtelijk. Ja? De commissie is het ermee eens. Gaat u verder.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Helemaal goed. Veel dank. Ik zei het al: deze nota is in een andere context geschreven. Ik beantwoord meteen de vraag van de VVD wat deze nota boven op de ambities uit het regeerakkoord doet. Er gaat veel veranderen. Er gaat veel geïnvesteerd worden in onderwijs. We gaan in het onderwijs de focus terugbrengen naar de basis en de basisvaardigheden. Daar ben ik allemaal heel blij mee. Ik voel nog steeds heel veel urgentie om het ook echt voor elkaar te krijgen. Dat betekent dat we niet alleen moeten zeggen dat we dat willen doen, maar ook de resultaten moeten laten zien en heel goed moeten sturen op het verhogen van de kwaliteit, zodat de PISA-scores over een aantal jaar omhooggaan. Laat ik het zo duidelijk stellen.
Lezen als basis. We zien dat in de afgelopen decennia de komst van mobieltjes, met afleiding door schermen, veel impact heeft gehad op het lezen. Het hoeft geen causaal verband te zijn, maar het hangt wel samen. Je ziet dat de schermtijd is gestegen en de leestijd heel erg is gedaald. Dat herkennen we zelf allemaal ook wel, denk ik. Je moet vaker nadenken over lezen en voorlezen aan kinderen, om ervoor te zorgen dat je dat stimuleert. Maryanne Wolf — een van de boeken hier voor mij is van haar — legt uit hoe dat zit: wanneer je echt in een boek zit, kom je tot dieper lezen en tot het je verplaatsen in een ander, met empathie, verbinding en kritisch nadenken. Bij een scherm blijft het toch vaak aan de oppervlakte; het is kort, als het al geen video's zijn, en als het tekst is, glij je er vaak overheen en doet het veel minder met de verbinding in de hersenen. We moeten dus zorgen dat er veel meer boeken op tafel komen.
De heer Boomsma vroeg naar het verbieden van AI voor het basisonderwijs. Wij zijn daar voorstander van. Dan heb ik het over de generatieve taalmodellen; we moeten altijd specifiek zijn. Daarmee zou ik in het basisonderwijs inderdaad heel terughoudend willen zijn. Je kunt het bijvoorbeeld wel inzetten voor de leraar, voor wie AI kan helpen andere taken te verlichten, bijvoorbeeld bij het nakijken en analyseren van werk. Maar bij kinderen zou ik daar heel terughoudend in zijn, zeker in het basisonderwijs. Afgelopen week was ik op een school bij een les van HackShield in digitale vaardigheden. Daarbij zie je wel hoe AI het leren kan ondersteunen als de inzet van digitale middelen door een leraar wordt begeleid. Maar ik zou geen voorstander zijn van het ongebreideld gebruik van AI. Laten we dus zorgen voor minder schermtijd en meer boeken.
Daarbovenop komt het voorstel voor de schoolbibliotheek dat we vandaag hebben gedaan met de collega's Moorman en Boomsma. Als je wilt dat kinderen meer lezen, begint dat bij een actuele, goedgevulde schoolbibliotheek in het hart van de school, met een collectie die aansluit bij de interesses van leerlingen en die goed wordt onderhouden door een professional. Daarmee zorg je ervoor dat het lezen gestimuleerd kan worden en het niet blijft bij een boek bij het vak Nederlands, maar dat overal in de school gebruik wordt gemaakt van boeken. Dat zie je ook op scholen waar dit heel goed gaat; je ziet overal boeken, op het bureau en in de gang, en kinderen kiezen zelf hun boeken uit. Daar willen we naartoe om ervoor te zorgen dat we het leesniveau verbeteren.
Dat is een uitdaging. In het primair onderwijs heeft een derde van de scholen nog geen schoolbibliotheek. Bij de middelbare scholen gaat het om twee derde van de scholen. We zien zelfs dat het aantal mediatheken met een mediathecaris de afgelopen jaren is gedaald. Daar is dus echt veel te doen. Daarom vinden we het ook zo van belang dat we het niet alleen houden bij iets vrijblijvends, maar dat we er echt een verplichting van maken. Vandaag zijn we met ons voorstel dus ook nog een stap verder gegaan, omdat wij zeggen: het moet er gewoon zijn. Het geld is al aanwezig; er gaat 50 miljoen structureel worden geïnvesteerd. Bibliotheken hebben er de taak bij gekregen om samen te werken met scholen, maar wat ons betreft moet een schoolbibliotheek net zo gewoon zijn als een gymzaal of een lerarenkamer op school. Dat is gewoon een basisvoorziening.
Dan ten aanzien van de rol van de ouders; daar werd door de VVD naar gevraagd. Die rol is natuurlijk ook heel erg belangrijk. In de nota kun je het onderscheid maken tussen ouders die zelf al goed kunnen lezen en ouders die dat nog niet kunnen. Voor ouders die dat niet kunnen, hebben we allemaal concrete voorstellen gedaan om die toegang veel structureler en simpeler te maken, dus niet 150 verschillende aanbieders op allerlei verschillende plekken waar je dan heen zou moeten gaan, maar gewoon een heel duidelijke structuur en een duidelijke vindplaats voor mensen, dat je gewoon elke bibliotheek als leeshuis kan binnenlopen om de taal te leren. Ons voorstel is ook dat de roc's daar heel duidelijk de verantwoordelijkheid voor krijgen, zodat je daar altijd in de buurt een opleiding voor kunt volgen.
Aan de ouders die wel kunnen lezen, wil ik ook hier de oproep doen om dat vooral te doen. Uit het laatste IELS-onderzoek over 5-jarigen die met een achterstand aan school beginnen, weten we hoe belangrijk het is. Als je vijf keer per week voorleest, dan loopt je kind die achterstanden in voordat het aan school begint. Dat is dus gewoon heel erg belangrijk. Ik probeer het zelf thuis zo veel mogelijk te doen, met een deel van de boeken die hier voor me liggen — Jip en Janneke wordt nog steeds elke week wel een keer uitgekozen door mijn kinderen — maar soms lukt het ook niet. Het is ook niet altijd makkelijk. Soms ben ik hier in de Kamer. Soms is er een andere reden dat het niet lukt. Maar als je het kunt doen, doe het dan. Of maak gebruik van de vrijwilligers die geweldig werk doen bij de VoorleesExpress. It takes a village to raise a child, wordt weleens gezegd. Ik zou zeggen: it takes a village to read to a child. We moeten met elkaar ervoor zorgen dat kinderen geletterd raken en we moeten leesplezier stimuleren.
Dan het tweede blokje. Dat gaat over beter leesonderwijs. Lezen leer je niet met trucjes, maar met kennis, met goede boeken en met hoge verwachtingen. Daar gingen veel van uw vragen over. Laat ik beginnen met begrijpend lezen. Begrijpend lezen leert je niet lezen, maar leert je vooral trucjes op losse tekstjes. U herkent ze vast nog wel uit de eindtoets van vroeger: wijs het tweede signaalwoord van de derde zin aan. Van dat soort vragen krijg ik altijd een beetje de kriebels als ik terugdenk aan het vak begrijpend lezen. Het blijkt dus ook dat dat leerlingen niet goed leert lezen. Dat is ook waarom wij wat hard hebben gezegd: schaf het af. Daarmee zeggen we dus: zorg dat je overal in het onderwijs aandacht hebt voor lezen en dat je dat doet door ook echt te lezen, dus door echt langere, rijke teksten te lezen. Je ziet bij scholen waar het heel goed gaat, bijvoorbeeld de Alan Turingschool, dat ze ook gedichten gebruiken of verhalen die passen bij een thema. Op manier zorgen ze echt dat het verbetert. Daarbij doodt begrijpend lezen het leesplezier. Voor meer lezen is het heel belangrijk dat het plezier wordt vergroot en dat het weer gewoon wordt om heel veel te lezen. Daarom is dat zo belangrijk. Zeker in het voortgezet onderwijs zien we daar een hele grote uitdaging in.
Het CDA vroeg ook: wie is daar nu verantwoordelijk voor? Dat raakt ook wel de kern van het voorstel. Wat ons betreft zijn dat alle leraren. De professionalisering van leraren zien we dus heel graag in teamverband, zodat je met elkaar die leescultuur creëert. In het basisonderwijs is er bijvoorbeeld binnen het Masterplan basisvaardigheden de mogelijkheid tot een taalcoördinator voor de Bibliotheek op school. Ik ben bij een school geweest waar echt slingers door de school hingen met leesboeken en de favoriete leesboeken van leraren; ik mocht er zelf ook één uitzoeken. Daar hebben ze gezegd: wij schaffen de Week van het lezen gewoon af, want elke dag is de Dag van het lezen. Ze hebben er zo veel aandacht voor dat dat altijd plaatsvindt. In het voortgezet onderwijs kan het de leraar Nederlands zijn, maar ook daar is het echt iets wat je met elkaar moet doen. In elk vak, ook in het vak geschiedenis, kun je boeken lezen.
Er is natuurlijk ook wat gevraagd over de canon. Nu weet ik dat de canon van de geschiedenis ook boekentips heeft. Die zijn ook heel leuk om te bekijken. Die zijn er dus ook al bij geplaatst, zodat je kunt zien: bij dit onderwerp uit de geschiedenis zouden de leerlingen heel goed dit boek met elkaar kunnen lezen en daar vragen over kunnen beantwoorden. Er is ook nog een aparte canon van de letterkunde. Ik denk dus dat het in die zin al wel aanwezig is. Het is vooral van belang dat we daar daadwerkelijk mee aan de slag gaan, zou ik zeggen.
De collega van de PVV is er nu niet meer bij, maar ik wilde haar danken voor de motivatie om door te gaan met dit initiatief, want eigenlijk is dat alles waar zij om vraagt: veel meer focus in het onderwijs, met echt de focus op de basis van lezen en schrijven. Alle voorstellen die erin staan, zijn juist daarop gericht, dus ik denk dat we in dit geval weinig met elkaar van mening verschillen; in andere gevallen is dat wellicht meer het geval. Ik hoop juist dat we heel brede steun in de Kamer kunnen vinden voor onze gezamenlijke opdracht om de onderwijskwaliteit hierbij te verbeteren.
Naar de voorschoolse educatie heeft bijvoorbeeld de VVD gevraagd. Is er een interruptie?
De voorzitter:
Ik vroeg mij af of u daarmee aan het einde van het tweede blokje was gekomen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nog niet. Er zitten nog best wel wat vragen bij.
De voorzitter:
Oké, dus we zitten nog in het blokje beter leesonderwijs.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja. Wat als kinderen niet naar de voorschool gaan? Ik weet dat ook mevrouw Armut, van het CDA, altijd veel aandacht vraagt voor het bereik van de voorschool. We zien helaas dat 20% van de leerlingen die tot de doelgroep behoren, niet wordt bereikt. Dat geldt dus niet alleen voor kinderen van inburgeringsplichtige ouders, zoals de VVD zegt. We willen dat het bereik überhaupt omhooggaat. Er wordt gevraagd of we dan moeten denken aan de wettelijke verplichting, maar ik zou zeggen: laten we er nou eerst voor zorgen dat we het veel makkelijker maken om dat te doen. Laten we ervoor zorgen dat we overal, bij het consultatiebureau en bij de kinderopvang, kinderen goed verwijzen naar de voorschool en dat die goed samenwerkt met het basisonderwijs en de kinderdagverblijven, zodat je ook echt van jongs af aan een doorlopende leerlijn krijgt. Laten we zorgen dat het bijvoorbeeld beter is afgestemd op momenten dat ouders aan het werk zijn of een taalcursus volgen, zodat het ook goed mogelijk is om je kind naar de voorschool te brengen. Daar is echt nog wel een wereld te winnen wat mij betreft. Laten we alles doen wat we kunnen doen om het bereik te verhogen, maar dan denk ik vooral aan het stimuleren daarvan. Ik denk namelijk dat er weinig ouders zijn die hun kind daar per se niet heen willen brengen, maar dat het vooral vaak te moeilijk wordt gemaakt.
Dan ten aanzien van de hoge verwachtingen, waarover de VVD vraagt: bent u ook voor hoge verwachtingen? Ja, daar zijn we dus juist heel erg voor. Ik denk dat voor de manier waarop we dat bijvoorbeeld willen doen, het volgende heel belangrijk is. Nu houden we er feitelijk zo rekening mee dat we voor scholen met kinderen met achterstanden een minder hoog niveau vragen bij de doorstroomtoets of bij de schoolweging waar de inspectie van uitgaat. Daarmee institutionaliseren we feitelijk kansenongelijkheid, want we zeggen: jij hebt een school met meer kinderen met achterstanden, dus dan hoef je alleen maar dit niveau te halen. Maar op bijvoorbeeld de school het Mozaïek in Arnhem laten ze zien dat zij 60% van de leerlingen op het hogere niveau krijgen, terwijl de opdracht van de inspectie 30% is. Wat ons betreft moeten we er gewoon voor zorgen dat alle leerlingen op dat niveau zitten, want dat niveau is feitelijk het basisniveau om mee te komen in het leven en in de samenleving. Dus laten we er vooral voor zorgen dat we de verwachtingen voor scholen hoger leggen, zodat die daarnaartoe kunnen werken en zodat ze daar met elkaar een heel grote slag op maken. Ik denk dat dat heel belangrijk is.
De toetsing, waar mevrouw Moorman naar vroeg, is daarbij ook van belang. De toetsing stuurt namelijk het onderwijs. Waar je op toetst, is dus ook waar leraren op moeten oefenen. Er is een leraar die zei: ik ben prachtig leesonderwijs aan het geven, maar op een gegeven moment moeten we richting de doorstroomtoets, en dan moet ik toch al die trucjes van het begrijpend lezen gaan oefenen; dat vind ik ontzettend zonde. Nou krijgen we natuurlijk een nieuw curriculum. Daar ben ik heel blij mee. Dat gaat heel belangrijk zijn, want heel veel van dat nieuwe curriculum gaat juist over rijke teksten lezen, over lezen in alle vakken en overigens ook over het hebben van een rijke collectie boeken op scholen. Maar de toets moet daar ook op worden aangepast. Dat gaat de komende tijd gebeuren. Wij zien het liefst dat dat een bredere toets wordt, dus dat niet alleen smal wordt getoetst op rekenen en taal met multiple choice, maar ook inderdaad op spreken en schrijven. Er zijn scholen die met porfolio's werken, zodat leerlingen ook op andere manieren kunnen laten zien wat ze kennen en kunnen. Daar ligt nog een hele discussie over de doorstroomtoets aan de basis. Ik geloof dat we die discussie nu niet helemaal gaan voeren, maar die toets is daar heel belangrijk bij. Dat zullen we de komende tijd dus heel goed moeten volgen.
Ten aanzien van de toetsing vroeg de VVD ook naar de N-term. Moet die worden aangepast als er geklaagd wordt dat een examen moeilijk was? Wij maken ons er wel zorgen over dat we de laatste jaren ontzettend gedaald zijn in de PISA-scores, terwijl er toch ongeveer evenveel mensen slagen voor hun eindexamen aan het eind van de middelbare school. Hoe kan dat? Het is dus wel heel belangrijk dat als we toetsen, we toegaan naar wat de doorstroomtoets nu al doet, namelijk feitelijk meer een verdeling maken van leerlingen over niveaus in plaats van echt te toetsen aan een niveau. Dat vinden wij belangrijk. Ook dit is dus iets waar we heel goed naar moeten kijken wanneer die toetsen worden aangepast. Dat geldt ook voor het middelbaar onderwijs.
Dan zijn er ook vragen gesteld over de voldoende voor Nederlands. Dat hebben we erin gezet omdat wij willen dat de lat omhooggaat. Ik heb het LAKS ook horen pleiten voor het tegenovergestelde, namelijk dat je een lager cijfer zou kunnen halen, maar wij zien het in lijn met wat de inspectie een paar jaar geleden heeft gezegd, namelijk dat het onderwijs opleidt tot iets waardoor je echt wat hebt aan je diploma: als je slaagt, dan ben je vaardig om mee te komen in de samenleving en dan kan je goed lezen en schrijven. Daarom hebben wij ook gezegd: minimaal een 5,5, een voldoende, voor Nederlands, maar natuurlijk willen we dat niet nu invoeren. Wij vinden dat eerst het taalonderwijs hervormd moet worden en dat je het onderwijs vervolgens ook daarop moet richten. En natuurlijk zijn uitzonderingen mogelijk, zeg ik tegen de heer De Beer, wanneer kinderen dyslexie hebben of om andere redenen meer tijd nodig hebben bij examens. Dat moet mogelijk blijven. Maar laten we er vooral voor zorgen dat we kinderen echt goed opleiden en dat, als er extra steun of hulp en begeleiding nodig is, we die kunnen bieden.
Voorzitter. Dat was het einde van dit blokje.
De voorzitter:
Zijn er naar aanleiding van dit blokje extra vragen? Ik heb zelf een extra vraag en wil mevrouw Biekman vragen of zij even het voorzitterschap wil overnemen.
De voorzitter:
Prima, dat is goed, mevrouw Moorman. Dan geef ik u nu het woord namens PRO.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik heb een extra vraag naar aanleiding van het resultatenmodel op basis van weging. Ik was blij dat mevrouw Rooderkerk zei dat het eigenlijk al institutioneel ingebakken is dat we van sommige leerlingen minder verwachten op basis van hun achtergrond. Ik zie dat nu niet in de initiatiefnota staan. Is mevrouw Rooderkerk van plan daar nog extra stappen op te zetten? Zou ze willen samenwerken om dat op een andere manier te gaan doen? Dat zou er natuurlijk wel toe leiden dat nog minder kinderen voldoen aan wat we van ze verwachten.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het staat inderdaad ook niet in het voorstel, krijg ik hier toegefluisterd. Wij wilden daar met een extra voorstel op komen en het nog eens duidelijk in een motie zetten. Ik denk namelijk dat het belangrijk is dat we daar echt richting op gaan geven. Je kan zeggen dat dit aan de ene kant betekent dat meer leerlingen het niet halen. Maar aan de andere kant betekent dat wat we nu doen, dat scholen bijvoorbeeld de afgelopen jaren veel te weinig door de inspectie zijn gecontroleerd. Daar gaan we nu heel erg in investeren, zodat er 30 miljoen komt voor de inspectie om echt alle scholen af te gaan. En dan zul je zien dat meer scholen te horen krijgen dat ze hier onvoldoende op scoren, nu al.
Op dit moment worden scholen namelijk helemaal niet een keer in de vier jaar gecontroleerd zoals oorspronkelijk bedoeld. Dat gaat nu vaker gebeuren en volgens steekproeven van de inspectie betekent dat dat een op de vijf scholen hierop waarschijnlijk onvoldoende scoort. Toch denk ik dat het nodig is dat scholen dat weten en dat ze een herstelopdracht krijgen. Dan zorgen wij er namelijk echt voor dat het duidelijk wordt en dan kunnen we het met elkaar verbeteren en daar scholen heel goed in ondersteunen en begeleiden. Dat vraagt ook veel van ons als Kamer, want we moeten er vooral voor zorgen dat de scholen hun focus hierop kunnen houden. Dan moeten wij ze niet steeds overladen met allemaal extra zaken en bureaucratie et cetera. Maar het korte antwoord is dus: daar zouden we graag nog met een voorstel voor komen. Ik heb al een conceptversie liggen. Als u wilt meedoen, heel graag, en dat geldt ook voor de andere Kamerleden. Want ik denk dat dit een hele belangrijke onderliggende is om ervoor te zorgen dat we het niveau in ons onderwijs verhogen.
Mevrouw Moorman (PRO):
PRO gaf natuurlijk vorige week bij het debat over onderwijskansen al aan dat wij institutioneel ingebakken ongelijkheid inderdaad een steen des aanstoots vinden. We vinden het dus heel fijn dat we daar nu gezamenlijk met een voorstel op kunnen komen. Is D66 van plan om dat zo meteen al in te dienen, of doen we dat op een later moment?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is eigenlijk officieel aan mevrouw Biekman, maar dat gaan we inderdaad straks doen. Ja, graag.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik de voorzittershamer weer over aan mevrouw Moorman.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zou mevrouw Rooderkerk nu willen uitnodigen om aan het derde blokje te beginnen. Dat gaat over de lezende leraar.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank, voorzitter. Wie het leesonderwijs op orde wil brengen, begint natuurlijk bij de leraar. Die vragen we nu van alles. Ze komen bijna niet meer toe aan het allerbelangrijkste: lesgeven. Het rapport-Wennink zegt treffend: topleraren verdwijnen naar managementfuncties of adviesbureaus, en wie voor de klas blijft staan, komt om in papierwerk. Dat is wel heel negatief gesteld, want ik weet dat heel veel leraren juist geweldig werk doen voor de klas, maar dit is dus wel het risico dat we lopen als we daar niet veel meer voor gaan staan. Ook de Rekenkamer berekende namelijk dat leraren een dag per week, dus acht uur per week, kwijt zijn aan administratie. Leraren die ik spreek, geven aan dat dat zelfs nog een onderschatting is van de hoeveelheid tijd die ze daaraan kwijt zijn. Dat is toch wel heel erg zorgelijk. Wij willen dat ze bezig kunnen met hele goede lessen geven en wij willen dat ze de wetenschappelijke kennis die er is over hoe je dat nou goed doet, kunnen toeleiden naar de klas. Daar willen wij voor zorgen. Dat vraagt ook iets van de teams zelf. Wij hebben in dit akkoord ook heel veel geld staan voor de professionalisering van leraren in teamverband, zodat ze met elkaar aan de leescultuur en het verbeteren van het leesonderwijs kunnen werken.
De heer Boomsma stelde daar een vraag over, namelijk over de loopbaanpaden. Als leraar begin je als startbekwaam leraar, maar kan je je ontwikkelen naar vakbekwaam leraar en excellente leraar. Er zijn al opleidingen, maar die worden niet altijd gevonden. Dat merkte ik bijvoorbeeld wat betreft de IPABO. Je wil dat leraren de kans krijgen om zich juist binnen het leraarschap te ontwikkelen. Dat past ook heel erg bij deze maatschappij. Op dit moment is het vaak zo dat je niet je hele leven hetzelfde blijft doen wanneer je met een baan start. Je wil daar ook in kunnen groeien. Die kans op ontwikkeling moet wat ons betreft binnen het leraarschap worden geboden, in plaats van daarbuiten. Dat houdt dus in dat je geen coördinator hoeft te worden op een school om vooruit te gaan, maar dat je er ook naar beloond kunt worden wanneer je een excellente leraar bent en extra mogelijkheden kunt krijgen om bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek te betrekken in het onderwijs et cetera.
In de nota doen we ook een voorstel voor academische leraren voor de klas. In landen waar het heel goed gaat met het onderwijs, zoals Estland, zijn heel veel leraren universitair geschoold. Wat ons betreft kunnen we ook op dat punt zorgen voor verbetering van het vakmanschap van leraren. Daar zitten gewoon heel veel mogelijkheden, gezien wat er nu aan geld vrijkomt vanuit dit kabinet. Laten we daar dus ook echt mee aan de slag gaan. Mijn wens daarbij is wel dat we dat heel resultaatgericht doen. We moeten dus niet alleen zeggen dat we het gaan doen, maar we moeten ook meten hoeveel we dat doen. We moeten echt van tevoren vaststellen: we willen dat leraren zoveel kans krijgen om extra ontwikkeling te doen, en zoveel leraren gaan we daarmee bereiken. Dat is ook een vraag voor de staatssecretaris naast mij. In ieder geval is het mijn wens dat we daar hele concrete resultaten mee bereiken.
Mevrouw Moorman vroeg naar de lerarenopleidingen. Die spelen daarbij dus een hele belangrijke rol. Wat betreft de basis van het leraarschap weten we dat 40% van de pabostudenten zelf niet houdt van kinderboeken lezen. Dat is natuurlijk heel zorgelijk. Het voelt toch een beetje als een piloot die zegt: ik hou niet van vliegen. Lezen is namelijk wel de kern van wat zij kinderen onderwijzen. Laten we er dus ook voor zorgen dat we er juist in de lerarenopleiding heel veel aandacht voor hebben en het leesplezier vergroten, want lezende leraren zorgen voor lezende kinderen. Overigens heb ik juist heel veel leraren gezien die daar erg enthousiast over worden, dus laten we ook zorgen dat die dat verspreiden binnen de scholen, zodat dat voor elke leraar geldt.
Dan het volgende. De overheid stelt kaders ten aanzien van de laaggeletterdheid.
De voorzitter:
Is dat het volgende blokje?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het past daar eigenlijk ook wel bij, vind ik. Ik kan ook even hier stoppen, en dan kunnen we in het volgende blokje verdergaan.
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat het goed is als leraren de kans hebben om zich verder te professionaliseren binnen het leraarschap, omdat niet iedereen die verder wil coördinator of manager moet worden. Nog even over die vijf dagen die ze er aan ontwikkeltijd bij krijgen. Wat moeten de leraren dan precies gaan doen in die vijf dagen, en wie bepaalt dat?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik zou zeggen: dat bepalen ze zelf. Maar we moeten ze die kans geven. In het rapport LeerKracht! uit 2007 werd al geconstateerd dat er een onvoldoende professionele schoolcultuur is. Leraren hebben te weinig tijd om aan hun vak te werken. Je maakt het beroep aantrekkelijker door leraren meer tijd te geven om dat te doen. We zien ook dat 71% van de academische leerkrachten die niet meer in het onderwijs werken, aangeeft dat het gebrek aan ontwikkeltijd juist een belangrijke factor is om het onderwijs te verlaten. Je ziet dat leraren zelf aangeven dat ze graag meer willen kunnen werken aan dat vakmanschap en dat ze daar meer aan willen kunnen doen. Als team kunnen ze natuurlijk kiezen waar ze op inzetten, maar het lijkt mij ook verstandig dat we daar wat richting in geven vanuit het programma dat er komt voor de professionalisering van leraren. Zo kun je wel duidelijk maken: dit zijn de goede opleidingen om daarvoor te doen. Daarmee stuur je ook wat meer op waar je de resultaten wil zien, namelijk dat het echt zorgt voor beter leesonderwijs. Dit alles gaat natuurlijk ook samen met het curriculum dat nu wordt ingevoerd. Je ziet dat leraren zich al helemaal aan het voorbereiden zijn om dat goed te kunnen doen. Daar willen we ze ook de tijd en de ruimte voor geven.
De heer Boomsma (JA21):
Dat klinkt goed, maar gaat dat niet ten koste van de lestijd die ze hebben? Dat lijkt me wel belangrijk, want ze moeten natuurlijk niet minder les gaan geven omdat die uren opgaan aan ontwikkeltijd. Dat gaat dan alleen af van de administratieve taken of andere uren die voor ze zijn gepland, neem ik aan.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Jazeker. Ik geloof dat ik nog terugkom op de administratieve taken, maar die moeten we dus heel veel omlaag brengen. Die tijd zou inderdaad heel goed gebruikt kunnen worden voor die ontwikkeling, dus dat vind ik een heel goed idee. Het gaat natuurlijk om het volgende. Die planlastcalculator in het akkoord geeft dat aan. Dat is een manier die ze in Vlaanderen al gebruiken, om te kijken: waar doe ik eigenlijk veel te veel aan administratie met mijn team en waar kan ik dat omlaag brengen? Het is een soort bureaucratieberekenaar, zou ik op z'n Nederlands zeggen. We hopen dat die ook zo snel mogelijk hier kan worden ingevoerd, om te zorgen dat het helder is voor leraren en schoolteams wat ze wel en niet moeten doen en waar ze dus minder kunnen administreren. Een heel belangrijk punt daarbij is overigens ook: kleinere klassen. Meer dan 30 leerlingen in een klas zorgt voor veel meer toetsen, meer nakijkwerk, meer oudergesprekken, meer mails van ouders die moeten worden beantwoord; al dat soort zaken. Kleinere klassen zijn dus ook een heel belangrijk voorstel, waarvoor wij samen met de SP aan een initiatiefwet werken. Dan de vraag van de heer Boomsma. Wij zien dat leraren dan díé tijd kunnen gebruiken voor de ontwikkeling. Maar het moet en-en zijn.
De voorzitter:
Meneer Boomsma, tot slot.
De heer Boomsma (JA21):
Tot slot nog even. Je had natuurlijk de promotiebeurzen voor leraren, volgens mij tot dit jaar of tot volgend jaar. Denkt mevrouw Rooderkerk dan ook dat het goed is om die voort te zetten? Dat is dus de mogelijkheid voor leraren in het voortgezet onderwijs om een promotietraject te volgen, zoals dat de afgelopen jaren bestond.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat lijkt me een zeer goed idee. Ik heb begrepen van opleidingen dat die soms niet worden gevonden. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we dat juist stimuleren en dat we dus dat excellente leraarschap en de verdere verdieping in lezen en schrijven of in het jonge kind heel erg mogelijk maken.
De voorzitter:
Zou mevrouw Biekman het weer even van mij willen overnemen?
De voorzitter:
Ja, dat is goed. Mevrouw Moorman, ik geef u het woord.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik ben heel blij dat mevrouw Rooderkerk aangeeft dat er ook echt wat moet gebeuren in de opleidingen. Ik zag dat nog wat minder terug in de initiatiefnota zelf. Zou mevrouw Rooderkerk kunnen uitleggen wat er zou moeten gebeuren, niet alleen in de nascholing maar juist ook in de opleidingen van de leraren? We zien dat een heel groot deel van de leraren zelf aangeeft dat ze nooit lezen of dat ze in ieder geval niet met plezier lezen. Wat zou er moeten gebeuren? Dat vraag ik mede naar aanleiding van de motie die wij vorig jaar gezamenlijk hebben ingediend en die is aangenomen, maar waar we tot nu toe nog geen reflectie op zien, terwijl we daar wel om hebben gevraagd voor de Voorjaarsnota.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het liefst ziet D66 een rijksopleiding voor leraren, waarbij je veel meer zicht hebt op de kwaliteit. Want nu zijn er 120 routes naar leraarschap. Ik denk dat mevrouw Moorman dat ook vindt. Dat is te veel en te diffuus. Als je het onderwijs op een bepaald punt wilt verbeteren, dan is het lastig om dat snel te doen. Ik vind het vooral belangrijk dat er op korte termijn in gesprek wordt gegaan met de lerarenopleidingen over hoe we dit gaan doen en over hoe we ervoor gaan zorgen dat we het leesonderwijs verbeteren. Dat ligt natuurlijk ten dele bij de staatssecretaris, maar ook bij de minister. Er zijn overigens meer punten in de lerarenopleidingen ten aanzien van de kwaliteit waar we al eerder aandacht voor hebben gevraagd in de Kamer.
Ik sprak afgelopen week nog een leraar, die aangaf: "Ik doe een universitaire pabo met de richting orthopedagogiek naast de gewone pabo. Op de pabo gaat het tempo superlangzaam, maar in het universitaire deel gaat het juist supersnel. Dat sluit niet op elkaar aan." We horen in de praktijk heel vaak dat er grote verbeteringen mogelijk zijn in de opleidingen. Alles wat we kunnen doen om ervoor te zorgen dat leraren heel veel gaan lezen, moeten we doen. Ik denk dat het goed zou zijn als de opleidingen zelf ook met voorstellen komen, zodat ze zelf laten zien dat ze een verbetering voor elkaar kunnen krijgen. Die verbeterslag is namelijk echt heel hard nodig. Toen we ze de vorige keer hadden uitgenodigd in de Kamer, zag ik die reflectie nog niet zo duidelijk.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik heb een hele korte vervolgvraag. We hebben in de motie gevraagd om te onderzoeken hoe de leesbevordering onder leraren in de verschillende lerarenopleidingen op dit moment plaatsvindt en hoe die kan worden gestimuleerd. De gedachte daarachter was ook dat op sommige opleidingen wordt verplicht dat leraren zeker 40 boeken per jaar lezen, zodat ze een goed fundament hebben voordat ze de pabo verlaten. Is mevrouw Rooderkerk het met mij eens dat dat een manier is om de leesbevordering op pabo's te stimuleren?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, dat is een manier. Je zou het liefste willen dat het vanuit de opleidingen en leraren zelf gebeurt. Ik denk dat dit ook iets is wat je intrinsiek moet voelen als je leraar wilt worden en wat veel leraren ook graag doen. Ik denk dat alles wat we kunnen doen om dat nog meer te stimuleren, goed is, ook als je het een beetje verplicht moet stellen. Dat geldt ook voor wat er is gewisseld over het basisonderwijs. We weten dat een halfuur lezen per dag goed werkt. Daarmee zou je kunnen beginnen in de klas. Er zijn scholen die dat al doen, maar het liefst zien we dat nog veel meer. Dat geldt ook voor een uur vrij lezen per week in het middelbaar onderwijs. We weten dat dat heel goed werkt. We denken aan voorstellen om al dat soort zaken wat meer op te leggen, maar wel met als doel om juist de motivatie om te lezen bij leraren en leerlingen zelf te vergroten.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord weer aan de voorzitter, mevrouw Moorman.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Biekman. Ik wil mevrouw Rooderkerk graag vragen om door te gaan met haar vierde blokje: iedereen kan meedoen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Zoals ik al zei: de leescrisis stopt niet bij de schoolpoort. 3 miljoen volwassenen worstelen met lezen en schrijven, vaak in stilte en uit schaamte.
De VVD en het CDA vroegen allebei naar de aanpak van laaggeletterdheid en naar de aantallen, en naar wat wij vinden wat er precies moet veranderen. Er zijn op dit moment 3 miljoen mensen in Nederland laaggeletterd. Formeel worstelen zij met lezen, schrijven en rekenen, waardoor zij vaak ook beperkte digitale vaardigheden hebben. Dit is iets anders dan analfabetisme. Het zijn geen mensen die het niet kunnen, maar die ermee worstelen. Het is een grote onzichtbare groep. De meerderheid heeft het Nederlands als moedertaal, maar heeft heel veel moeite met lezen en schrijven. Uit schaamte kunnen ze daar vaak geen kant mee op. Dat is een persoonlijk drama voor mensen, maar dat brengt ook hoge kosten met zich mee voor de samenleving: 1 miljard per jaar. We zien dat we mensen gewoon niet goed genoeg bereiken. We bereiken ongeveer 23.000 mensen, die we dan nog extra toeleiden naar bijvoorbeeld de Taalhuizen in bibliotheken en opleidingen geven. In Vlaanderen doen ze dat vele malen meer. Dan kunnen we daar ook van leren. Ik zie vooral dat het daarvoor heel erg nodig is dat we drastisch versimpelen voor mensen. Je zou elke bibliotheek binnen moeten kunnen lopen om te leren lezen en schrijven. Maar ook de roc's moeten we echt als punt zien die zorgen voor de verbinding tussen alle organisaties die zich eromheen mee bezighouden, zodat mensen daar terechtkunnen en weten dat ze daar beter kunnen leren lezen en schrijven. De bibliotheken doen daarin overigens al heel mooi werk met de Taalhuizen. Ze doen dat ook door het bieden van digitale hulp aan mensen bij het lezen van brieven van de gemeente, maar ook om hen ook digitaal vaardig te krijgen. Dat is heel belangrijk. Dat moeten we wat ons betreft vooral doorzetten. Verder willen we grote versimpeling, en daarmee het stelsel op de schop gooien.
De VVD vroeg naar de rol van het bedrijfsleven. Het bedrijfsleven is daar voor een groot deel veel mee bezig. Dat steunen wij van harte. Dat heeft natuurlijk ook een grote taak daarin. Onlangs zag ik het verhaal van een lasser, die aangaf dat hij van zijn werkgever de kans kreeg om ook beter de taal te leren. Het is misschien niet meteen het lassen zelf dat daardoor verbetert, maar wel zijn hele vaardigheid daaromheen om mee te komen. Zijn zelfvertrouwen werd daardoor ook heel erg vergroot. Vervolgens ging hij allerlei richtlijnen voor het hele team in zijn bedrijf opstellen en zag je dat hij dus ook echt veel meer kansen kreeg binnen zijn werk. Dat zijn voorbeelden van mensen die laten zien dat het wél kan als je die stap zet. Als je die stap durft te zetten om daarmee aan de slag te gaan, brengt je dat ook heel erg veel. Het is heel erg belangrijk dat bedrijven dat ook heel erg stimuleren. Stichting Lezen en Schrijven moet ik daar natuurlijk ook in noemen, die heel veel doet, bijvoorbeeld gratis via Taal werkt! Dat zijn ook hele mooie initiatieven die er al zijn, die we ook volop moeten benutten.
Dan een begrijpelijke overheid. Dat ging over zelf het goede voorbeeld geven. De VVD vroeg hiernaar in het kader van de regeldruk van onze voorstellen. Ik zou het eigenlijk willen omdraaien: wij stellen geen regels voor mensen voor, maar wij stellen juist voor dat de overheid ervoor zorgt dat alles wat zij doet, begrijpelijk is voor mensen. Dat is juist het makkelijker en eenvoudiger maken voor mensen. Ten aanzien van de versnippering van die hele structuur van een Leven Lang Ontwikkelen gaf ik dat al aan. Maar ook waar het gaat om het sturen van brieven: zorg nou dat die eenvoudig zijn. Er komt dus ook al een wetsvoorstel aan dat gemeenten en overheden verplicht om begrijpelijk te communiceren. Dat juichen wij heel hard toe, want daar begint het wel mee. Een mooi voorbeeld dat ik daar onlangs van zag, is de gemeente Arnhem, die een terugstuurrecht heeft voor mensen. Wanneer zij een brief niet begrijpen, mogen zij die terugsturen naar de overheid. Er wordt ook wel naar gevraagd of dat zomaar overal kan. Nou, ik zou zeggen: laten we beginnen met een pilot. We komen straks ook met een voorstel daarvoor. Een deel van de overheid — dat kan bijvoorbeeld DUO zijn of bij de WW — kan daarbij op hun brieven zetten: als je de brief niet begrijpt, mag je hem terugsturen, want dan leren wij daar zelf ook weer van. We willen daarmee stimuleren om een beetje het goede voorbeeld te geven. Zelf ben ik ook ambtenaar geweest en zie ik het belang ervan in dat wanneer je een brief uitstuurt, je er eerst heel goed op let of die wel B1 is en of die voor iedereen begrijpelijk is.
Dat was wat ik over dit punt wilde zeggen.
De voorzitter:
Gaat u verder met het laatste blokje.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Tot slot het blokje overig; dat hoort er ook altijd bij. Ik wil daarin toch nog even stilstaan bij de kosten van laaggeletterdheid. Dat zou toch de hele samenleving moeten aangaan. Uit onderzoek blijkt dat het de samenleving per jaar zo'n 1,13 miljard kost. Dat is voor ongeveer de helft opgebouwd uit gemiste inkomsten, want laaggeletterden verdienen minder, en voor de andere helft uit extra zorgkosten, armoederegelingen, uitkeringen en gemiste belasting. Dat alleen al zou een hele grote motivatie moeten zijn om veel meer te investeren in de voorkant en de preventie daarvan.
Wat ik zelf ook een hele verontrustende, maar ook belangrijke opmerking vond, is die van Schleicher, het gezicht achter PISA. Hij geeft aan dat als je naar de economische groei van een land kijkt, het verhogen van je PISA-scores het beste is wat je kan doen. Productiviteitsgroei is al tijden niet gelukt, maar als je echt wil zorgen voor een beter opgeleide arbeidsmarkt, dan moet je die PISA-scores verhogen. Zo zorg je ook voor een grotere groei. Op dit moment zijn we daar dus juist heel erg in achteruitgegaan. Dat heeft ook veel impact op ons economische potentieel. Tegen alle partijen die dat ook van belang vinden, zou ik dus willen zeggen: kijk daar heel goed naar en zie deze investering in het onderwijs echt als een grote investering in mensen en onze economie. Elke euro die je in onderwijs investeert, verdien je dubbel en dwars terug, zeg ik nog maar weer eens.
Tot slot had ik nog een vraag van mevrouw Moorman over Neon. Er gebeurt de afgelopen jaren heel veel op de schoolboekenmarkt. We hebben daar in de Kamer natuurlijk ook flink aandacht voor gehad. We hebben met verschillende partijen een voorstel ingediend om de wegwerpboeken een halt toe te roepen. Daarmee zorgen we ervoor dat scholen niet meer elk jaar nieuwe schoolboeken moeten kopen, maar dat die duurzamer en langer te gebruiken zijn. Je ziet inderdaad ook enorme ontwikkelingen bij een uitgever als Neon, die leraren echt de kans geeft om hun eigen methodes te maken op een manier die bij hen past. Dat zorgt hopelijk voor betere methodes, waarmee echt het goede leesonderwijs wordt gegeven, zoals we nu met het nieuwe curriculum willen zien. Er zijn ontzettend veel ontwikkelingen die wij toejuichen. Wij zijn daar ook heel erg benieuwd naar. We vinden het daarbij ook van belang — dat staat ook in de nota — dat er een keurmerk moet komen voor lesmethoden, zodat we niet meer tien, twintig jaar op de verkeerde manier onderwijzen, maar we dat doen op een manier die wetenschappelijk geïnformeerd is, evidence-informed, en waarop het toegepast kan worden in de praktijk.
Tot slot kom ik nog op de vraag van JA21 over het politiek moratorium, zoals meneer Boomsma dat noemde, op allerlei initiatieven vanuit de Kamer. We willen met de nota ook de gezamenlijke oproep doen, waar we elkaar hopelijk scherp op kunnen houden, dat we het onderwijs niet steeds meer overladen met allerlei maatschappelijke opgaven, maar dat we het onderwijs het onderwijs laten zijn. Het is de plek waar kinderen leren lezen en schrijven, maar waar ze ook een goede, brede opleiding krijgen voor deelname aan de samenleving.
Als daar geen vragen meer over zijn, dan wil ik naar de afsluiting gaan. Ik sluit graag af met een citaat uit het boek Brieven aan Miyo van Martin Bootsma, waarin hij brieven schrijft aan zijn stagiaire over leesonderwijs. De passie spreekt daar helemaal uit. Hij zegt in een eerste brief: "Met het lezen en vertellen van verhalen bieden we tegenwicht aan de snelheid. We vertragen de tijd. Als we samen een boek lezen, tillen we onszelf uit de werkelijkheid, veronachtzamen we alles om ons heen en verdwijnen we in een wereld die door het verhaal wordt opgeroepen." Dat beschrijft, denk ik, heel mooi wat boeken kunnen doen. We hebben het vandaag veel gehad over lezen als functie: je komt in deze samenleving niet ver als je niet kunt lezen. Dat klopt, maar waartoe dient die functie? Juist daarin zit het antwoord op de vraag waar dit toe dient, namelijk om te voelen hoe het is om een ander te zijn, om te verdwijnen in een wereld die je zelf opbouwt, om kennis en verhalen door te geven en om cultuur te bewaren. We lezen om deel te worden van de menselijke cultuur en die voort te zetten via kennis, verbeelding en empathie. Het is een unieke menselijke vaardigheid. Lezen maakt ons mens. Lezen is van levensbelang.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Rooderkerk, voor de beantwoording van alle vragen uit de eerste termijn van de Kamer. Dan ga ik graag door naar de staatssecretaris, die hier deelneemt als adviseur. Dat is altijd een mooie manier op het moment dat er een initiatiefnota ligt van een van de Kamerleden. Ik wil graag de staatssecretaris het woord geven.
Staatssecretaris Tielen:
Zeker. Dank u wel, voorzitter. Allereerst inderdaad ook dank aan mevrouw Rooderkerk, meneer Vijlbrief en de ondersteuning vanuit de fractie voor deze initiatiefnota. Ik geef ook een compliment, want de nota ziet er goed uit. Het is ook goed om dit debat zo te agenderen. Ik denk dat mevrouw Rooderkerk met verve de vragen van de fracties heeft kunnen beantwoorden. Er zijn ook wat vragen aan mij gesteld; anders was dit het einde van het debat geweest. Dank en een compliment.
Voorzitter. Wat mevrouw Rooderkerk heeft gedaan, is prioriteit geven aan lezen en taalvaardigheid, en laten zien hoe belangrijk dat is voor mensen zelf en voor ons als samenleving. U heeft ook al kunnen begrijpen dat het vergroten van de taalvaardigheid in ons land ook voor mij een topprioriteit is. Velen van u hebben het al gezegd: als je taalvaardig bent, kun je beter meedoen in deze maatschappij. Als je niet goed kan lezen, sta je snel achter en loop je vast op school, op de arbeidsmarkt en in de digitale wereld. Bovendien helpen lezen en taalvaardigheid bij het begrijpen van anderen, het begrijpen van je docenten en bij het zelf op zoek gaan naar kennis en informatie om zo verder te komen.
Het woord "leesplezier" is gelukkig al een groot aantal keren genoemd. Dat begint natuurlijk al heel jong, met voorlezen, op schoot bij papa of mama. Eigenlijk iedere ouder kan verhalen vertellen en lezen. Voor sommige ouders is dat lastiger, maar in principe is het voor iedereen mogelijk om z'n kind op schoot te nemen en een verhaal te vertellen.
Maar dat is helaas niet voor alle kinderen vanzelfsprekend. Daarom is het belangrijk dat het op scholen de normaalste zaak van de wereld is om in contact te komen met boeken en om ook daar voorgelezen te worden en zelf te kunnen lezen. Ik zou ook graag willen dat geen enkel kind de basisschool verlaat zonder in ieder geval korte, eenvoudige teksten te kunnen lezen. Dan gaat het dus niet over Kamerbrieven, maar gewoon over korte, eenvoudige teksten. Als je van het voortgezet onderwijs afkomt, zou je toch echt het wijkbericht van de gemeente of de bijsluiter die je meekrijgt bij de apotheek, moeten kunnen begrijpen. Daarom is het Masterplan basisvaardigheden versterkt met de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden. Die heb ik vorige week aangekondigd. Na de zomer kom ik daar wat meer inhoudelijk op terug, afgezien van een aantal vragen die mij daarover gesteld is en die ik straks zal beantwoorden.
Ook mijn stip op de horizon is een trendbreuk in de PISA-resultaten voor taal. Waarschijnlijk wordt er in dit najaar weer een nieuw PISA-overzicht gepubliceerd. Ik denk dat we er eerlijk over moeten zijn dat het ons niet in een paar maanden is gelukt om de trend te keren, denk ik. Misschien ook wel; dan hebben we een goede start. Maar laten we in ieder geval proberen te zorgen dat die trend over een paar jaar wel gekeerd is en dat het aantal volwassen dat zich tot de laaggeletterden rekent, fors omlaaggaat.
Voorzitter. Ik heb toch nog een fors aantal vragen gekregen, dus ik ga daar gewoon snel toe over. De vraag van mevrouw Biekman was of een streefniveau voor taal de norm moet worden.
De voorzitter:
Mevrouw Tielen ...
Staatssecretaris Tielen:
Nee, ik heb eigenlijk geen blokjes, voorzitter.
De voorzitter:
Nee, precies. Dat was mijn vraag. Oké. Dan stel ik voor dat we gewoon naar aanleiding van uw beantwoording interrupties doen als die er komen.
Staatssecretaris Tielen:
Dat lijkt me prima.
Mevrouw Biekman vroeg of er een norm moet zijn in het streefniveau voor taal. Ik denk dat ik me heel erg aansluit bij wat enkelen van u eerder hebben gezegd en wat ik net ook heb geprobeerd te duiden. Het is belangrijk dat iedereen die van de basisschool afkomt, gewoon een bepaalde mate van taalvaardigheid heeft in het begrijpen van korte teksten. Als je van het voortgezet onderwijs afkomt, moet je wat langere brieven of teksten kunnen lezen. Overigens geldt dat uiteraard ook voor teksten die op een scherm verschijnen. Met de nieuwe kerndoelen Nederlands hebben we ambitieuzere streefdoelen dan die er waren. We zijn nu aan het kijken wat dat betekent voor het precies inkaderen van de referentieniveaus. Zo zorgen we dat elk kind dat de basisschool of de middelbare school verlaat, ofwel het funderend onderwijs, zoals dat zo mooi heet, een bepaalde mate van taalvaardigheid heeft. Ik erken en bevestig dus wat mevrouw Biekman zegt. We zijn nu bezig om dat echt in te kaderen in specifieke referentieniveaus, zoals die officieel heten.
Mevrouw Biekman vroeg ook of ik het ermee eens ben dat de methodiek van begrijpend lezen eigenlijk afgeschaft zou moeten worden. Dat vind ik wat radicaal. Soms is radicaal goed, maar ik ga daar iets meer woorden aan wijden. We hebben inderdaad gezien dat de methodiek van begrijpend lezen, waarbij het dus niet zozeer om het lezen zelf als wel om leesstrategieën gaat, voor een deel het leesplezier heeft doen afnemen. Dat willen we eigenlijk omdraaien. We willen namelijk zorgen dat lezen leuk is, ook op veel verschillende terreinen. Dat betekent dus een verbreding van het taalonderwijs wat betreft lezen. Helemaal afschaffen is onverstandig, omdat we ook uit onderzoek weten dat leesstrategieën wel onderdeel uitmaken van het daadwerkelijk van teksten, ook in andere vakken. Er zit dus nog wel een deel leesstrategieën in de nieuwe kerndoelen, maar wel in balans met een hele hoop andere zaken, zoals schrijfvaardigheid, spreekvaardigheid en het stimuleren van lezen bij andere vakgebieden. Die balans komt terug in het nieuwe curriculum. Als ik in het najaar mijn brief schrijf over de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden, zal ik daar nog wat dieper op ingaan.
Mevrouw Biekman vroeg ook of het examen dan anders gaat worden. Op basis van de kerndoelen en de wet over de kerndoelen die een aantal weken geleden ook is aangenomen in de Eerste Kamer, zijn we nu bezig de examenprogramma's daarop te laten aansluiten. Dat betekent dat die programma's ook aangepast worden. Het centraal examen is daar onderdeel van, maar wat er op schoolexamens gebeurt, is dat natuurlijk ook. Met alle partijen waarmee we hierover nu in gesprek zijn, is er wel brede overeenstemming dat de methodiek van begrijpend lezen wat te veel de nadruk heeft gekregen en dat we dus een balans moeten hebben, ook in aansluiting op de kerndoelen die we hebben vastgesteld. Dat sluit aan bij wat ik net zei. Na de zomer komt het definitieve voorstel voor de examenprogramma's, op basis waarvan het College voor Toetsen en Examens en het Cito de nieuwe examens gaan maken. Daarbij kijken we met name voor het vmbo hoe ook schrijfvaardigheid meer een onderdeel kan zijn van het centraal examen, maar die is soms gewoon minder makkelijk objectief te meten, wat maakt dat we er wat langer over na moeten denken hoe je dat goed vormgeeft in het centraal examen.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank aan de staatssecretaris voor deze beantwoording. Ik heb nog een aanvullende vraag over het begrijpend lezen. U geeft aan dat u niet bent van het radicaal afschaffen, maar wel aan het kijken bent of daarin een balans gevonden kan worden. In mijn betoog heb ik gezegd dat de bedenker van het begrijpend lezen eigenlijk ook niet meer achter deze methodiek staat. Staat de staatssecretaris er wel voor open om te kijken hoe deze langzaam kan worden afgebouwd? In principe hoor ik u twee dingen zeggen: we willen het integreren in het vakonderwijs, maar ik kan me ook indenken dat we op een gegeven moment op een langzame manier richting afbouw gaan.
Staatssecretaris Tielen:
Nogmaals, we hebben die kerndoelen opnieuw vastgesteld in de twee Kamers; daar zitten ook leesstrategieën in. We hebben net vastgesteld dat die onderdeel zijn van het bredere geheel. Daarbij is het evidence-informed: we moeten wel weten of het werkt. In de versterkingsagenda zal ik daar wat verder op ingaan. Mevrouw Biekman verwees hier ook naar. We moeten weten welke methodieken daarbij passen. Op die manier kijken we nu ook naar aan de ene kant de kerndoelen en aan de andere kant of de evidence-informed, oftewel de uitgeprobeerde en effectief gebleken, lesmethodes daarbij aansluiten. Op die manier zoeken we naar een betere balans waarin de nadruk op en de hoeveelheid van dat type methodiek minder wordt in het totaal van het taalonderwijs.
De heer Boomsma (JA21):
Kan de staatssecretaris dat nog wat nader toelichten? Het ene verhaal is dat die strategie eigenlijk niet goed werkt om te leren lezen. Dat is in ieder geval wat ik hier en daar heb gehoord. Nu wordt er gezegd dat we iets minder de nadruk daarop gaan leggen. Maar wat is nou precies de inzet, met name in het primair onderwijs? Is het alleen "iets meer doen", of is het ook "iets anders een stuk minder doen"? Wat is de verhouding precies?
Staatssecretaris Tielen:
Het gaat dus om die verhouding. Dat betekent niet dat de methodiek totaal zinloos is, maar dat hier te veel nadruk op lag. Daardoor zijn een aantal andere elementen die belangrijk zijn in het opdoen van taalvaardigheden in de verdrukking gekomen, waaronder het leesplezier, maar ook nog een aantal andere. Het gaat over de methodiek en de strategie, om het maar even over de woordenschat te hebben. Over de methodiek van begrijpend lezen is gezegd: daar ligt te veel nadruk op. Daardoor zijn leesstrategieën ook een te groot onderdeel geworden van het taalonderwijs. Maar leesstrategieën blijven nog steeds belangrijk. Het blijft nog steeds belangrijk om naar teksten te kunnen kijken en aan de hand van trucjes begrip voor teksten te krijgen, maar het gaat niet alleen daarom. Je hebt meer nodig om een tekst goed te kunnen begrijpen. Die andere elementen krijgen dus meer nadruk ten koste van de methodiek rondom de leesstrategieën. Ik zie meneer Boomsma enigszins …
De voorzitter:
Gaat uw gang, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik begrijp het nog niet zo goed, maar ik ga er nog een keer verder in duiken wat dat precies betekent voor de praktijk van het onderwijs. Dat kan ik nu niet helemaal overzien. Dat komt dan wel.
De voorzitter:
We krijgen in het najaar sowieso de brief en de uitwerking van de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Het is toch goed dit even met elkaar te benoemen. We hebben in Nederland afgesproken dat wij uiteindelijk niet bepalen wat er precies in de klas gebeurt, maar tegelijkertijd willen we sturen. Ik snap dus wel wat meneer Boomsma zegt, maar dat is de essentie van mijn werk. Aan de ene kant kan ik met uw Kamer vaststellen — dat hebben we ook gedaan — wat leerlingen aan het eind van de basisschool en aan het eind van het voortgezet onderwijs geleerd moeten hebben. Dat noemen we de kerndoelen. De Stichting Leerplanontwikkeling is bezig om dat vorm te geven in handvatten voor scholen, om te helpen bij keuzes over vragen als: hoe bouwen we ons rooster op, hoe gaan we om met de verhouding tussen verschillende vakken en hoe zorgen we ervoor dat de kerndoelen rondom taalvaardigheid ook bij andere vakken aan de orde komen. Daar geven we dus handreikingen voor. Uiteindelijk gaan we niet over de keuzes voor de lesmethodes, voor de taalcombinaties, voor wat er in die klas gebeurt. Daar gaan we ook niet op sturen. We kunnen alleen sturen op het wat en zorgen dat er voldoende handreikingen zijn. Rondom die handreikingen zullen wij er heel erg op gaan duwen, volgens mij met goedkeuring van bijna uw hele Kamer, dat het evidence-informed is. We gaan dus niet maar wat uitproberen, maar kijken naar methoden en methodieken die daadwerkelijk bijdragen aan verbeterde taal- en leesvaardigheid in de brede zin van het woord. Ik kan daar uiteraard nog wel een wat concretere toelichting op geven in die brief die ik in het najaar stuur, want dan zal het ook gaan over evidence-informed lesmethodieken.
Meneer Boomsma vroeg ook: hoe wordt er nu dan getoetst op begrijpend lezen? In de doorstroomtoets, dus aan het eind van de basisschool, wordt de taal getoetst op een aantal dingen, onder andere begrijpend lezen, maar ook taaltechniek, woordenschat en taalverzorging. Die bredere basis van taal zit dus in de doorstroomtoets verwerkt. We zijn nu bezig, ook na een aantal vragen van uw Kamer, met zowel de vorm, de functie als de inhoud van de doorstroomtoets. Samen met het College voor Toetsen en Examens, Stichting Leerplanontwikkeling en Stichting Cito kijken we ook hoe we de nieuwe kerndoelen, die dus recent zijn vastgesteld, goed door de toetsen kunnen laten verwerken.
Dat sluit misschien een beetje aan bij wat mevrouw Armut vroeg over de kerndoelen: leuk dat het een wet is, maar hoe komt het in de klas? Ik zeg het maar even zo. Wij hebben dus altijd een slag om de arm moeten houden omdat het voor een deel aan docenten, schoolleiders en lerarenteams zelf is om daar keuzes in te maken, maar uiteraard geven we er wel richting op. We zien al dat scholen dit schooljaar zijn begonnen met kijken hoe die kerndoelen naar het schooleigen curriculum doorvertaald kunnen worden. Hopelijk gaat dat zo veel mogelijk met handige handreikingen vanuit bijvoorbeeld Stichting Leerplanontwikkeling of de onderwijspartijen die daar een rol in hebben. Uiteraard proberen ook wij als ministerie zo veel mogelijk hulp te bieden op aanvraag. Vanaf 2031 gaat de inspectie ook toezien of aan die kerndoelen daadwerkelijk voldaan wordt. We monitoren de komende jaren wel. We wachten niet tot 2031 totdat we daar een beeld van krijgen. De komende jaren monitoren we dat.
Mevrouw Biekman vroeg hoe ik ga zorgen dat ook in het voortgezet onderwijs minstens 60 minuten per week wordt ingeruimd voor begeleid vrij lezen. Dan kom ik weer even een beetje terug op dat dilemma. Uiteindelijk is het aan scholen zelf om daar een keuze in te maken, maar we weten uit bewijs, uit onderzoek — je zou het "evidence-informed" kunnen noemen — dat veel lezen en begeleid vrij lezen bijdraagt aan het verbeteren van de taalvaardigheid. Ik denk dat mevrouw Biekman dat ook al een beetje aangaf in haar inbreng daarover. Het zou dus een hele slimme invulling van het curriculum kunnen zijn als je het hebt over de kerndoelen rondom taal. Zeker als je het kan combineren met andere leergebieden hoeft het ook niet extra roostertijd te kosten. Scholen moeten daar zelf keuzes in maken. Zoals ik net al zei, proberen we ze daarbij te ondersteunen via bijvoorbeeld Stichting Leerplanontwikkeling. Ook bij ons zijn er mensen die daarover meedenken. Maar uiteindelijk kunnen wij niet bepalen hoeveel tijd daaraan wordt besteed. Er is één vak waarvan we als wetgevers hebben vastgesteld hoeveel tijd daar ten minste aan besteed moet worden; dat is gymnastiek, oftewel lichamelijk opvoeding. Voor alle andere vakken mogen scholen zelf kiezen hoeveel uren ze inroosteren elke week.
Mevrouw Biekman vroeg ook wat die versterkingsagenda precies betekent. Het Masterplan basisvaardigheden loopt al een tijdje. Zoals een aantal van uw leden ook al aangaf, schieten we met name op het gebied van taal echt tekort. De trend is omlaag. Aan het begin van deze eeuw stond Nederland nog aan de top van de landen als het gaat om de leesvaardigheid onder 15-jarigen. In twintig jaar tijd zijn we gezakt naar de staart. Dat vergt dus gewoon urgentie. Dat betekent dat er echt nog meer focus op taal moet liggen. Het mooie van taal is dat het voor alles een fundament is. Als je de taal niet goed begrijpt of kan duiden, begrijp je namelijk ook niet wat je rekendocent of je wiskundedocent je wil vertellen, of wat de maatschappijleerdocent bedoelt met de dialoog in de klas. Taal ligt daar dus zogezegd als fundament onder en er is een hogere urgentie om die te verbeteren. Op twee, drie en vier staan de andere drie basisvaardigheden, namelijk rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid.
Wat betekent het voor rekenen? Rekenen is nog steeds een belangrijke basisvaardigheid, maar om rekenen goed te begrijpen, heb je ook de taal nodig. We gaan ervoor zorgen dat dat zo veel mogelijk hand in hand gaat. Dat is ook zo mooi van de kerndoelen zoals die zijn vastgesteld, omdat dat daar ook in verweven zit.
Mevrouw Moorman vroeg naar de lange leeslijnen. Ik zei in de inleiding al dat het al jong begint. Ook daarbij weten we uit wetenschappelijk onderzoek dat vroeg taalbegrip helpt bij de taalontwikkeling op de lange termijn. Ik heb in het debat van twee weken geleden volgens mij aangegeven dat we in ieder geval voor het jonge kind kijken hoe we samen met de kinderopvang, de voorschoolse educatie en de jeugdgezondheidszorg kunnen kijken wat we daar aan lezen, taal en voorlezen kunnen coördineren, en hoe we dat neer kunnen zetten in aansluiting op de overgang naar de basisschool. Afgelopen woensdag heeft mevrouw Moorman daar nog een mooie motie over ingediend, dus daar gaan we graag op door.
Mevrouw Moorman vroeg ook of de reflectie op de IELS die in de brief van vorige week stond, alles is. Nee, ook daar zal ik nader op doorgaan. Omdat het zo'n fundament is onder heel veel, zal ik proberen om dat zo compact mogelijk te doen. Ik zou er eigenlijk in de versterkingsagenda op terugkomen, maar ook als het gaat om het jonge kind. Dat is misschien wel wat we bedoelen als we zeggen dat taal verweven is in alles; u zult in heel veel brieven van mij terugzien hoe belangrijk die taalontwikkeling is.
Mevrouw Moorman vroeg ook nog specifiek naar het vmbo. Dat was volgens mij een cri de coeur, die ik heel goed herken. Mevrouw Moorman zei: we hebben het over 15-jarigen en dat is dan gemiddeld, maar als je er dieper op ingaat, zie je dat bij scholieren op het vmbo het risico op het gebrek aan taalontwikkeling of op — hoe noem je dat? — te weinig voortgang in de taalontwikkeling veel groter is. Daar heeft ze gelijk in. Dat is waarom ik met name met extra aandacht ga kijken naar de grote groep vmbo-leerlingen. Daarover ga ik dus ook in gesprek met docenten, scholen enzovoort: wat is nodig om, zeker bij die doelgroep jongeren, echt verbetering voor elkaar te krijgen? Volgens mij benadrukt mevrouw Moorman namelijk heel goed dat de verwachtingen ook bij die groep heel belangrijk zijn. Ook voor vmbo-leerlingen is het ontzettend belangrijk dat ze enigszins geletterd in de maatschappij kunnen beginnen als ze van school komen. Ik denk dus dat we daarbij echt aan dezelfde kant van de lijn staan om dat te verbeteren.
Een andere vraag was of we dan een voldoende voor Nederlands als absolute voorwaarde voor een diploma moeten hebben. Daar zitten twee aspecten in waar ik even wat langer bij stil wil staan. Kijkend naar de referentieniveaus, de examenprogramma's en de combinatie daarvan op dit moment, moeten we constateren dat daar nog niet helemaal goed in geborgd zit dat goed is gemeten dat je daadwerkelijk dat basisniveau Nederlands hebt bereikt als je je examen hebt gedaan. We zijn nu dus aan het onderzoeken hoe we de referentieniveaus en examenprogramma's moeten herzien om te zorgen dat dat wel geborgd is, zodat als je je eindexamen hebt gedaan, je inderdaad een bepaalde lat over bent op het gebied van taalvaardigheid. Ik zou willen wachten met de vraag of je dan een voldoende of een 5,6 moet halen. Dat is eigenlijk een andere discussie, die volgens mij ook iets breder moet. Het moment om daarmee door te gaan, lijkt mij gekomen zodra we de referentieniveaus hebben herzien, en nog niet nu. Die referentieniveaus verwacht ik in het eerste kwartaal 2027 uitgebreid toegelicht naar uw Kamer te kunnen sturen.
De voorzitter:
Dat leidt tot vragen. Ik weet niet precies wie eerder was, dus ik begin maar gewoon bij mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Nee, ik had geen vraag. Ik dacht dat u een vraag had en wilde het voorzittershamertje overnemen.
De voorzitter:
Nee, dank u wel voor uw alertheid. Dan zie ik wel een vraag bij de heer De Beer.
De heer De Beer (VVD):
Ik vroeg me af of de overweging anders is op het moment dat leerlingen door willen stromen naar de pabo of naar een lerarenopleiding. Als je zegt dat we moeten bekijken of leesvaardigheid of het vak Nederlands de zwaarte moet krijgen dat iedereen daarvoor moet slagen, kijken we daar dan anders naar als leerlingen leraar willen worden?
Staatssecretaris Tielen:
We hebben dat nu niet gekoppeld aan ... Als ik het goed zeg tenminste, want ik ben iets minder goed thuis in alle eisen en regels en kerndoelen rondom de hogere en wo-opleidingen. Maar als ik het goed zeg, is het nu niet zo dat je je cijferlijst moet overleggen bij de pabo en dat er dan wordt gekeken wat je cijfer voor Nederlands was. Er zitten in de toelating en in het eerste jaar van de pabo wel een aantal taaltoetsen om ervoor te zorgen dat studenten daar voldoende taalvaardig zijn om basisschooldocent te worden.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik ben zo gewend aan die blokjes, dat ik in mijn hoofd een blokje heb gecreëerd, want ik wilde nog even ingaan op de kerndoelen waar de staatssecretaris ook al even kort bij stilstond, naar aanleiding van mijn vraag. Het lijkt mij heel goed dat taal ook als sleutel voor andere vakken wordt gezien. Tegelijkertijd moet het ook niet zo begrepen worden dat het feit dat we taal willen versterken, minder ruimte geeft voor andere vakken. Ik was benieuwd of de staatssecretaris zou willen bevestigen dat taalonderwijs niet ten koste hoeft te gaan van vakinhoud. Sterker nog, de vakinhoud kan volgens mij het taalonderwijs juist versterken. Omdat we het wel terugzagen — ik zag er een tijdje geleden een artikel over — is mijn vraag: hoe voorkomt de staatssecretaris de opvatting dat taalversterking ten koste gaat van ... Laat ik 'm zo stellen: hoe voorkomt de staatssecretaris de opvatting dat taalonderwijs zeg maar ten koste moet gaan van, of dat vakinhoud ten koste moet gaan van taalonderwijs? Jeetje, ik kom er niet uit! Ik raak helemaal in de war. Maar volgens mij begrijpt de staatssecretaris me wel.
De voorzitter:
Dat laat zien hoe complex het is.
Staatssecretaris Tielen:
Precies. Ik begrijp mevrouw Armut niet alleen, maar ik ben het ook helemaal met haar eens. Het is precies wat zij zei in haar vijfde zin, geloof ik, dat het juist elkaar versterkt. Het idee van het kerndoel op taal is juist dat het niet alleen op taalonderwijs zit, niet alleen op de lesjes Nederlands of "we gaan nu taal doen", maar juist overal. Daarmee kun je, zoals mevrouw Armut terecht zegt, de andere vakken juist versterken. Denk aan rekenen en burgerschap, die ik als voorbeeld noemde. Ook daarin speelt taal natuurlijk een rol. Het is ook aan docenten om dat daarin te verwerken. Dat is natuurlijk voor sommige docenten wel iets nieuws. De komende jaren is er ook ruimte, aandacht en ondersteuning beschikbaar voor docenten en docententeams om daar met elkaar handvatten aan te geven. Het is makkelijk gezegd hier in een debat, maar hoe doe je dat dan daadwerkelijk in je klas? Je kan je best voorstellen dat dat voor sommige leraren geen probleem is, omdat ze dat van nature al doen, terwijl het voor andere leraren wel een stap betekent. Daar is bijvoorbeeld de Stichting Leerplanontwikkeling voor, maar ook wat we aan professionaliseringsaanbod en aan ondersteuning op basisvaardigheden überhaupt ter beschikking hebben voor docenten, zodat zij daar zelf beter in kunnen worden en er zelf vaardigheid in kunnen ontwikkelen, om vervolgens ook hun scholieren vaardiger te krijgen.
De heer De Beer (VVD):
De staatssecretaris zei: leraren moeten daarin geholpen worden et cetera. Dat is helemaal waar. Ik dacht ook wel een beetje terug aan de tijd dat ik zelf docent was, inmiddels alweer twaalf jaar geleden. Toen was het heel normaal dat leraren of docenten een boek op de lijst zetten. Ik gaf zelf economie. Toen was er ook heel sterk de volgende discussie, en die is de afgelopen jaren natuurlijk veel pregnanter geworden. Leerlingen en studenten lezen niet meer of heel weinig, dus er werd altijd nagedacht over: moeten we het dan bijvoorbeeld met kleine videoclips doen? In het onderwijs zijn we dus ook mee gaan schuiven om het veel passender te maken naar de behoefte van de leerling en de student. Voor een deel zou je dus ook kunnen zeggen: moeten we dat niet weer een beetje terugdraaien, ervoor zorgen dat er wel degelijk boeken op de lijst staan en dat er ook echt in de les samen wordt gekeken naar hoe we de leerling en de student aan het lezen krijgen?
Staatssecretaris Tielen:
Dat herken ik. Deze kerndoelen zijn nu na ongeveer twintig jaar opnieuw vastgesteld. Er zit meer richting in, dus dat geeft meer houvast voor docenten, scholen en docententeams. Daarbij speelt het rijkere taalgebruik een grotere rol in de kerndoelen. Hopelijk kan dat de docententeams helpen om ook weer niet te snel te grijpen naar filmpjes, en helpt dat voor het meedenken over hoe je daar goede rijke tekst, boekentips of wat dan ook bij kan geven. Volgens mij gaan er de komende tijd heel veel docenten — een heleboel zijn daar al mee begonnen — aan de slag om dat echt concreet handvatten te geven. Het moet leuk zijn, maar het moet ook vooral helpen. Tenminste, ik denk dat dat een belangrijke leidraad zou moeten zijn.
Als je het dan hebt over een rijke taalomgeving …
Voorzitter: Biekman
De voorzitter:
Sorry, staatssecretaris. Ik geef het woord aan mevrouw Moorman. Zij heeft namelijk een interruptie.
Mevrouw Moorman (PRO):
Volgens mij was de staatssecretaris hiervoor nog gebleven bij de leesbevordering onder docenten. Ik vroeg mij af wat er gebeurd is met de motie die in december is ingediend door PRO, samen met D66 en JA21, waarin is gezegd: we willen daar voor de Voorjaarsnota graag een reactie op. Ik miste dat punt in de brief die afgelopen donderdag werd gestuurd. Wordt dat dan wel meegenomen in de versterkingsagenda?
Staatssecretaris Tielen:
Het makkelijkste antwoord zou natuurlijk "ja" zijn, maar misschien wil mevrouw Moorman daar iets meer woorden bij. Er zitten een aantal aspecten in wat betreft de leesbevordering op de lerarenopleiding. Laat mij zeggen dat ik ook verrast ben. Ik zit regelmatig met groepjes leraren. Tegenwoordig heb ik als introductievraag: welk boek bent u nu aan het lezen? Je bent namelijk verrast als leraren dat zelf niet doen. We zien nu dat een hoop lerarenopleidingen al bezig zijn om daar zelf initiatief in te nemen, om er zo voor te zorgen dat hun studenten ook lezen. De minister en ik hebben daar veel gesprekken over met de lerarenopleidingen. Wij zijn nu bezig om op een rijtje te zetten wat er nodig is voor lerarenopleidingen. Daar hoort onder andere een nieuwe norm bij. In de nieuwe conceptkennisbasis is de lezende leraar steviger verankerd, om het zo maar te zeggen. Dat sluit ook aan op hoe lezen is verwerkt in de kerndoelen. Daar zitten zowel de vakinhoudelijke als de didactische kennis en vaardigheden aan. Dus: wat heb je nou nodig als startbekwame leerkracht wat betreft lezen, zowel vakinhoudelijk als didactisch? Daar wordt nu aan gewerkt. Het wordt ook uitgelijnd met het basisonderwijs, om zo te kijken of het goed op elkaar aansluit. Dat loopt dus nu. Daarnaast hebben we de Kennistafel Effectief Leesonderwijs, die onderzoek doet naar hoe leesbevordering op de lerarenopleiding verder vorm krijgt. Die werkgroep is bezig met een kader voor de curriculumcommissies op de lerarenopleidingen. Een aantal dingen zijn dus in gang gezet. In die brief over de versterkingsagenda kan ik inderdaad nog wat woorden wijden aan een reactie op uw motie.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dat is fijn, want in die motie ging het inderdaad over wat we kunnen leren van de opleidingen waar het al goed gebeurt. Er was ook nog een tweede dictum, namelijk: laten we alle leraren een bibliotheekabonnement geven, zodat het eenvoudig is voor leraren om gebruik te maken van de infrastructuur die er is. Ik verwacht dat dat ook in de versterkingsagenda terugkomt.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, ik kan toezeggen dat dit daarin terugkomt.
De voorzitter:
Ik hoor een toezegging, mevrouw Moorman. Nu geef ik het woord weer aan u als voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Wat een goede samenwerking. Dan geef ik het woord weer door aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is een mooi bruggetje. U sprak over bibliotheken. Als je het hebt over scholen met een schoolbibliotheek … Ik heb de oproep gelezen en ook gehoord. Het is nu nog niet goed bekend hoeveel scholen een schoolbibliotheek hebben. Er zijn een aantal cijfers langsgekomen, zag ik. We weten bijvoorbeeld wel hoeveel scholen deelnemen aan het programma de Bibliotheek op school. Daarvan zie je dat meer dan 4.000 basisscholen samenwerken met de Bibliotheek op school. Dat wordt verzorgd door bijna alle bibliotheken. Het aantal voortgezetonderwijsscholen die dat hebben, is wat lager. Er zijn ook veel scholen die zelf een schoolbibliotheek hebben opgezet, samen met de lokale boekhandel of op een andere manier. Dat aantal weten we niet. Ik denk dat de cijfers enigszins een onderschatting zijn van de praktijk. Niettemin is het belangrijk dat kinderen in aanraking komen met een rijke leesomgeving.
Vorige week was ik op een bibliotheekcongres, waar ik heel enthousiast werd van een aantal initiatieven dat door bibliotheken werd genomen. Ik ga daarover even uitweiden; dat vind ik leuk. Als ik vroeger naar de bieb ging, ging ik ongeveer elke keer naar de B van Beckman, om te kijken of Thea Beckman al een nieuw boek had geschreven, want ik was echt dol op haar boeken. Maar ja, ze kan niet elke twee weken een nieuw boek schrijven, en dan wist je eigenlijk niet wat je moest kiezen. In de omgeving Dordrecht heeft de bibliotheek een hele mooie tool gemaakt, waarbij je eigenlijk met een aantal vragen heel snel bij een hele serie boeken komt die aansluiten bij welke schrijfstijl en genre jij leuk vindt. Dat soort dingen zijn natuurlijk gewoon … Dat is dan weer het voordeel van artificiële intelligentie: daarmee komen ook boeken op een hele aansprekende manier dicht bij leerlingen. Dat was even een zijstapje, voorzitter. Sorry.
Mevrouw Moorman en mevrouw Biekman vroegen: wat doen we nou om ervoor te zorgen dat kinderen ook daadwerkelijk via de schoolbibliotheek met boeken in aanraking komen en om dat wettelijk verplicht te stellen? Daar ga ik even wat meer over zeggen. Er is een investering gedaan van 74 miljoen in de Bibliotheek op school. Ik noemde net al wat cijfers rondom scholen die daaraan meedoen. Daarnaast staat er dus in de nieuwe kerndoelen dat scholen een rijke leesomgeving moeten bieden. Ook zijn we bezig met de herziening van de Bibliotheekwet. Die drie dingen naast elkaar moeten zorgen dat er op scholen een rijke leesomgeving is. Of dat dan is met een echte bibliotheek of met een bibliotheekvoorziening ... Daarover twijfel ik of we dat nou weer in een wet moeten vastleggen. Ik denk het niet. Ik denk namelijk dat deze drie routes er met elkaar voor zorgen dat we wat we uiteindelijk willen, namelijk dat leerlingen op school met allerlei rijke boeken in aanraking komen, voor elkaar gaan krijgen. Als we écht …
De voorzitter:
Staatssecretaris, was u aan het eind van dit deel van de beantwoording? Als u die afmaakt, gaan we daarna naar de interruptie van mevrouw Biekman.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb nog één zin. Als we echt willen dat elke schoolvestiging een volwaardige schoolbibliotheek heeft, dus meer dan één plank boeken, echt een volwaardige schoolbibliotheek met een leesconsulent die leerlingen helpt om boeken te kiezen — daar is onderzoek naar gedaan in 2023 — zou dat betekenen dat er nog veel meer bij moet, namelijk 190 miljoen euro in totaal.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, staatssecretaris, voor deze beantwoording. D66 is van mening dat het verplicht zou moeten zijn, omdat het een onderdeel is van het basisonderwijs en het onderwijs daar ook echt voor bedoeld is. Ik hoorde de staatssecretaris ook iets zeggen over een volwaardige bibliotheekvoorziening. Ik ben heel erg benieuwd hoe zij dat voor zich ziet.
Staatssecretaris Tielen:
Die vraag zou ik bijna terug willen stellen. Ik verwijs even naar het onderzoek uit 2023. Daarin staat een precieze definitie van wat men met een volwaardige schoolbibliotheek bedoelt. Zo'n voorziening kan ook betekenen dat er pakketten boeken heen en weer naar school gaan op het moment dat leerlingen daar behoefte aan hebben, zich daarvoor inschrijven, boeken reserveren enzovoorts. Bij de bespreking van de Bibliotheekwet zullen we het daar ook nog uitgebreid over hebben.
De voorzitter:
Mevrouw Biekman, ik geloof dat de staatssecretaris echt midden in een zin zat.
Staatssecretaris Tielen:
Nee, ik was klaar met de beantwoording.
Mevrouw Biekman (D66):
Ik wil nogmaals benadrukken dat wij het echt belangrijk vinden dat het een wettelijke verplichting wordt voor scholen. Ik hoor de staatssecretaris iets zeggen over boekenpakketten die heen en weer gaan, maar dat zien we nu al op scholen. De ene school heeft een boekenkast met verouderde boeken en de andere school heeft helemaal geen voorziening. We willen juist het leesplezier van kinderen verhogen. Ik wil als opmerking meegeven dat een boekenkast of het heen en weer schuiven van een aantal boeken voor ons echt niet volstaat.
Staatssecretaris Tielen:
Het is een beetje flauw om te zeggen, maar ik denk dat een bibliotheek letterlijk het heen en weer schuiven van boeken is. Dat is ook het mooie en duurzame van bibliotheken. In de kerndoelen staat dat elke school een rijke leesomgeving moet bieden. De manier waarop scholen dat precies doen, of er nu drie of veel meer planken staan met boeken in alle genres voor alle leeftijden, een mediatheek, zoals ik vorige week op een school zag, of allerlei leeshoekjes met ruilbiebjes die je ook in de straten ziet, is echt aan de school zelf. De inspectie gaat wettelijk toetsen op het bieden van een rijke leesomgeving. Ik vind dat we daarmee al een wettelijke plicht hebben. Ik vind het een te vroege conclusie om te zeggen dat een aparte wet extra gaat bijdragen aan het doel. Dat staat nog even los van de tijd en de capaciteit die dat gaat kosten. We weten immers dat het bieden van een rijke leesomgeving op basisscholen en scholen in het voortgezet onderwijs al een onderdeel is van de onlangs vastgestelde kerndoelen, waar de inspectie op toeziet.
De voorzitter:
Mevrouw Biekman, ik geef u nog één interruptie, maar ik wil er ook op wijzen dat we dit commissiedebat om 14.00 uur moeten afronden en dat we straks ook nog een tweede termijn hebben, zowel van de kant van de Kamer als van de kant van de staatssecretaris en mevrouw Rooderkerk. Dit is echt de allerlaatste interruptie die ik toesta.
Mevrouw Biekman (D66):
Dit is de allerlaatste korte interruptie, voorzitter. Ik hoor echt wat de staatssecretaris zegt, maar het probleem is juist dat niet alle scholen in de wijk een schoolbibliotheek of een volwaardige voorziening hebben. Als jij je als leerling, als kindje, zelf wilt ontwikkelen, dan zou het niet moeten uitmaken of je school in een achterstandsbuurt staat of minder middelen heeft. Vandaar het belang van een wettelijke schoolbibliotheek.
Staatssecretaris Tielen:
Dat zijn we natuurlijk helemaal met elkaar eens, maar de vraag is of dat het grootste probleem is. Dat is vraag één. Punt twee is dat we de kerndoelen hebben. Daarin hebben we wettelijk vastgelegd dat elke school verplicht is om een rijke leesomgeving te bieden. We gaan het nog met elkaar hebben over de algemene wet over bibliotheekvoorzieningen, waarin we elke bibliotheek verplicht stellen om scholen te helpen bij leesbevordering. Daar hebben we ook nog weer geld voor. Op de vraag of er daarmee wettelijk is geregeld dat er een voldoende rijke leesomgeving voor kinderen op scholen is, is het antwoord, denk ik: ja. Maar mijn gevoel is dat mevrouw Biekman nog iets anders wil, namelijk gewoon echt in elke school op dezelfde manier een bibliotheek. Ik denk dat dit onnodig is omdat we het bereiken van het uiteindelijke doel dat wij allebei hebben, namelijk leesplezier en rijke taal aanbieden aan kinderen, met deze verschillende wetten al in gang hebben gezet.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter. Dan is er ook veel gezegd over laaggeletterdheid bij volwassenen. Dit is iets wat mij aan het hart gaat, en dat weet ook iedereen die in maart bij het debat over laaggeletterdheid was. Ik heb toen toegezegd om met ambitieuze en meetbare doelstellingen te komen. Ik zag in de initiatiefnota een halvering van het aantal laaggeletterden in een x-aantal jaren tijd. Ik denk dat dit ambitieus is, dus laat mij kijken of het ook haalbaar is. Ik vind het wel belangrijk dat we een stip op de horizon zetten, maar dat moeten we wel kunnen halen. Het onderzoek waarin we dat kunnen afmeten, wordt veel minder vaak gedaan. Dit betekent dat we er op een andere manier achter moeten komen dan alleen via het PISA-onderzoek. Ik kom daar bij het leer- en ontwikkelplan basisvaardigheden, oftewel taal en rekenen voor volwassen, in het najaar op terug. Dat doe ik ook omdat — dat wil ik wel even gezegd hebben — een heel groot deel van de laaggeletterden zich best weet te redden, maar niet per se ertoe genegen is om naar de bibliotheek of naar het buurthuis te lopen voor taallessen. Er zit ook een heleboel verhulde schaamte, het ermee leren leven terwijl dat best wel ingewikkeld is, onder. Een aantal van uw leden zeiden dat al. Daar moeten we dus wat mee, maar het betekent ook dat het niet makkelijk is om die mensen zich — hoe noem je dat? — uit te laten spreken daarvoor. Ik ga in gesprek met een heel groot deel van de doelgroep om daar antwoord op te vinden. Daarbij is het belangrijk dat de gemeenten daar hun rol in gaan spelen, want die hebben de wettelijke taak om daaraan bij te dragen. Zij zijn over het algemeen ook het dichtst bij de mensen die het betreft.
Meneer De Beer vroeg daarom ook: kunnen we een Taalhuis verplicht maken in alle bibliotheken? Er zijn nu ongeveer 200 Taalhuizen in Nederland. Die vallen onder de verantwoordelijkheid van gemeenten. Dat zijn inderdaad hele fijne plekken omdat ze laagdrempelig zijn en volwassenen echt helpen om hun taal- en regenvaardigheden te verbeteren. Soms zijn ze aan een bibliotheek verbonden, soms aan een welzijnsorganisatie. Ik zou niet bovenaf willen zeggen: het moet hier of hier. Daar kunnen gemeentes heel goed een rol in spelen. Op die manier zou ik dat willen laten aan de gemeentes.
Voorzitter, ik probeer vaart te maken.
De voorzitter:
Dank u wel.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Armut vroeg hoe het gaat met de LLO-verkenning, de Leven Lang Ontwikkelen-verkenning, in relatie tot de basisvaardigheden voor volwassenen. Ik moet hiervoor deels doorverwijzen naar de minister van SZW en die van OCW, die bezig zijn met de LLO-verkenning. Zij komen daar voor de zomer op terug. Ik zal erop letten dat daarin ook de verbinding wordt gelegd met de basisvaardigheden, want ik vind juist die koppeling heel belangrijk. Aan de rol voor werkgevers is door uw Kamer al gerefereerd.
Meneer Boomsma vroeg naar de canon. Ik vond het een superleuk idee. Ik ben natuurlijk als eerste heel erg benieuwd welke boeken meneer Boomsma in die canon terug zou willen zien komen. Ik heb gezien dat er in 2006 al een roep was om een canon van de kinder- en jeugdliteratuur te maken. Mijn vraag is dan of dat een overheidsding moet zijn of niet. Ik denk het niet. Ik zag er ook al een interruptiedebatje over, van: komt er discussie? Ik denk juist dat het mooi is om een dialoog te hebben over de vraag welke boeken rijke taal bieden aan kinderen en de jeugd. Ik kan zelf wel zo een top tien noemen. Maar goed, ik denk dus niet dat het aan mij is om dat in te zetten, maar als ik mee mag aanjagen, doe ik dat natuurlijk graag. Het leuke is dat het Kinderboekenmuseum naar het prachtige Utrecht gaat verhuizen, dus wellicht is dat een mooie aanleiding om een maatschappelijke discussie te gaan voeren over wat die canon zou moeten zijn.
Meneer De Beer vroeg naar het handelingsperspectief van de inspectie bij het oordeel "zeer zwak" als het gaat over schoolleiders. We hebben het zo ingericht dat de inspectie zich bij de oordelen over de scholen richt op het bevoegd gezag, dus op het schoolbestuur. Uiteindelijk heeft het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid. Zij moeten er ook voor zorgen dat die scholen beter worden. De inspectie kan dan herstelopdrachten uitvaardigen. Het bestuur gaat dan aan de slag met de vraag hoe dat wordt ingevuld. Uiteindelijk is het schoolbestuur de werkgever van de schoolleiding en dus degene die randvoorwaarden voor de schoolleiding creëert. Ik denk dat dat echt het beste niveau is om dat op te doen. We hebben inderdaad geen specifiek instrumentarium gericht op schoolleiders, maar dat past bij hoe ik het net heb uitgelegd.
Meneer Boomsma vroeg: hoe weet je nou of geld dat je ergens beschikbaar voor stelt, gebruikt wordt? Het gaat dan, denk ik, met name over bijvoorbeeld de basisvaardigheden, zoals taal. We hebben nu verschillende vormen van bekostiging in ons stelsel. We hebben de basisbekostiging die alle scholen krijgen, de lumpsum. We hebben aanvullende bekostiging. Die is soms gerelateerd aan bepaalde posities van scholen die daar extra geld voor krijgen. Zij hoeven daarbij, afgezien van de reguliere bedrijfsmatige verantwoording, niet te laten zien wat ze er precies wel en niet mee kopen. Bij subsidies kan je dat wel vragen. Als je dus inderdaad geld wil oormerken en verplichtingen op wil leggen, kan dat alleen via subsidies. Ik heb ook heel veel gehoord dat het aantal subsidies te groot is en dat er veel onzekerheid is, enzovoorts. Ik ben nu, bijna letterlijk, de laatste hand aan het leggen aan het wetsvoorstel Gerichte bekostiging, waarmee we dus langduriger geld voor een bepaald onderwerp — wat ons betreft is het eerste onderwerp de verbetering van basisvaardigheden — aan scholen kunnen geven. Daarbij laten we ze wel verantwoording afleggen over wat ze van het geld gekocht hebben en wat voor effect dat heeft gehad. Dat wetsvoorstel zult u dus binnenkort ontvangen.
Meneer Boomsma was geïnteresseerd in de specialisatie tot taalexpert als onderdeel van de loopbaan voor docenten. Dat kan nu al. Leraren die dat willen, kunnen dat al.
Meneer Boomsma vroeg naar de norm voor lesgevende taken. Het is aan werkgevers en werknemers om afspraken te maken over hoe ze omgaan met de ureninvulling en de norm. We hebben het eerder gehad — dat kwam hier ook even langs — over de administratieve last en de planlastcalculator. Idealiter kunnen docenten zo veel mogelijk tijd besteden aan het daadwerkelijk onderwijs geven in contact met de klas, maar soms heb je daar ook wel voorbereidingstijd en dergelijke voor nodig. In het initiatiefvoorstel van mevrouw Rooderkerk staat vijf dagen extra ontwikkeltijd. Wat mij betreft is het dus echt aan scholen om met hun docenten af te spreken wat er nodig is en waar dat aan besteed moet worden.
Dan kom ik op de laatste vraag. Die was ook van meneer Boomsma en ging over het verbieden van artificiële intelligentie. Er is veel gaande als het gaat om artificiële intelligentie. Het gaat ook veel kanten op. Zoals ik net al zei, is zo'n device waarmee je erachter komt welke boeken je moet gaan opzoeken om te lezen omdat die bij je passen, natuurlijk hartstikke goed. Tegelijkertijd hebben we ook wel wat zorgen over schermtijd. We hebben daar ook meerdere moties over langs zien komen die door uw Kamer zijn aangenomen. Ik wil daarop ingaan in het regieplan digitalisering, waar we nu mee bezig zijn. Dat komt in het najaar naar u toe.
Dat was het.
De voorzitter:
Dank u wel, staatssecretaris. Eigenlijk is iedereen al door z'n spreektijd heen voor de tweede termijn. Maar ja, dat zou een beetje een gek einde zijn van dit debat, want dan kunnen er ook geen moties meer worden ingediend. Ik wil in ieder geval D66 wel de ruimte geven om iets in te brengen, omdat er na het initiatiefvoorstel vast moties komen die tot de uitwerking daarvan leiden. Ik kan me ook voorstellen dat de andere Kamerleden zich een beetje hebben ingehouden in de interrupties. Ik wil hun dus ook toch nog even heel kort de ruimte geven om een motie in te dienen, een korte vraag te stellen of het af te concluderen. Ik stel dus voor dat iedereen nog twee minuten krijgt. Dan geef ik als eerste het woord aan mevrouw Biekman.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dat is ruimhartig van u. Maar alsnog moet ik heel snel spreken.
Voorzitter. Dank aan de initiatiefnemer, mijn collega Rooderkerk, en aan de staatssecretaris voor de beantwoording en de toelichting. Ik ben blij met de duidelijke interesse van de meerderheid van de Kamer en van de staatssecretaris in het bevorderen van de leesvaardigheid en daarmee ook het leesplezier van kinderen.
We hebben drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat lezen van levensbelang is;
constaterende dat een op de drie 15-jarigen school verlaat zonder goed te kunnen lezen;
constaterende dat een op de drie scholen geen schoolbibliotheek heeft;
overwegende dat Nederlandse kinderen slechter kunnen lezen dan kinderen in bijna alle andere landen in Europa;
overwegende dat lezen een basisvaardigheid is die mensen in staat stelt zichzelf te informeren met betrekking tot hun gezondheid en zorg, over hun financiën en over de politiek en maatschappij in brede zin;
overwegende dat we de drempel om te lezen zo laag mogelijk moeten maken;
verzoekt de regering een bibliotheek op alle instellingen binnen het funderend onderwijs verplicht te stellen;
verzoekt de regering dit zo snel mogelijk te regelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman, Rooderkerk, Moorman en Boomsma.
Zij krijgt nr. 5 (36773) (#1).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de leesvaardigheid en leesmotivatie van Nederlandse jongeren al jaren dalen en ongeveer een op de drie 15-jarigen onvoldoende leesvaardig is;
constaterende dat slechts 16% van de scholen de aanbevolen 60 minuten vrij lezen per week haalt;
constaterende dat het leesonderwijs in het voortgezet onderwijs nog te vaak beperkt blijft tot het vak Nederlands en een schoolbrede aanpak vaak ontbreekt;
overwegende dat leerlingen die op school structureel en onder begeleiding tijd krijgen om vrij te lezen, gemiddeld vaker én beter gaan lezen;
verzoekt de regering te stimuleren dat alle scholen in het voortgezet onderwijs minstens 60 minuten per week inruimen voor begeleid vrij lezen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman en Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 6 (36773) (#2).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de inspectie voor het streefniveau (1S/2F) in het primair onderwijs een signaleringswaarde hanteert die per school afhangt van de schoolweging en uiteenloopt van 30,3% tot 68,3%, waardoor een school een voldoende kan hebben terwijl minder dan een derde van de leerlingen het streefniveau haalt;
overwegende dat de referentieniveaus beschrijven wat elke leerling zou moeten beheersen en geen relatieve maat zijn en dat een norm die gekoppeld is aan de achtergrond van de leerlingenpopulatie lagere verwachtingen institutionaliseert en de kansengelijkheid ondermijnt;
verzoekt de regering uit te gaan van hoge verwachtingen van alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond, te onderzoeken hoe voor alle scholen dezelfde signaleringswaarde kan gelden en dit uitgangspunt leidend te laten zijn in de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Biekman, Rooderkerk en Moorman.
Zij krijgt nr. 7 (36773) (#3).
Dank u wel, mevrouw Biekman. Dan ga ik door met de heer De Beer.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal het heel kort houden. Ik heb geen moties. Ik wil nogmaals de initiatiefnemer en de staatssecretaris bedanken voor de beantwoording. Ik denk dat we het over een heel belangrijk onderwerp hebben gehad, dat we het wat betreft de doelen heel erg met elkaar eens zijn en dat er goede afspraken en plannen liggen. We wachten op de verdere uitwerking van het regeerakkoord. Ik denk dat het goed is om de vinger aan de pols te houden en te kijken of we inderdaad op resultaat gaan sturen en resultaten gaan bereiken, zoals zowel de initiatiefnemer als de staatssecretaris heeft benadrukt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank je wel. Dan mevrouw Armut.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Vanuit mij ook geen nieuwe vragen in de tweede termijn. Wel wil ik nogmaals mijn waardering uitspreken aan de initiatiefnemers voor het feit dat zij vandaag dit belangrijke onderwerp ter sprake hebben gebracht. Het is goed dat we er zo lang over hebben kunnen praten. Dank aan staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording en dank aan de ondersteuning.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Armut. Tot slot de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Nogmaals dank aan mevrouw Rooderkerk en dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik denk dat het ongelofelijk belangrijk is dat we het hier met z'n allen nog veel over hebben om de trend te keren en kinderen, en eigenlijk ook volwassenen, weer aan het lezen te krijgen.
Ik ben het wel met de staatssecretaris eens: het is natuurlijk niet alleen aan de overheid om te bepalen wat tot de canon behoort. Het is wel belangrijk om die discussie te blijven voeren. Stichting Lezen heeft voor jeugdboeken al een canon opgesteld met vooral historische jeugdboeken. Dat kan een ontzettende bijdrage leveren aan het leren over de geschiedenis. Overigens zou Thea Beckman daar absoluut een prominente rol in moeten spelen, met Het rad van fortuin en Triomf van de verschroeide aarde. Het boek Kruistocht in spijkerbroek zou daar wat mij betreft zeker bij horen, maar goed.
Ik ga nog even goed naar de motie over die 60 minuten kijken. Dan hoort u het nog.
Voorzitter: Biekman
De voorzitter:
Tot slot mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dank u, voorzitter. Ik zou daar zeker het boek Kinderen van Moeder Aarde aan willen toevoegen, als het gaat om vrouwelijk leiderschap, hoe je om moet gaat met je klimaat en oorlog moet voorkomen.
Voorzitter. Ik vond dit een heel interessante bespreking. We hebben het er uitgebreid over gehad. Dat laat ook zien hoe belangrijk wij dit allemaal vinden. PRO heeft geen moties omdat ik dat wat ongepast vind bij een initiatiefnota van een collega, maar het is duidelijk dat we hier allemaal verder mee willen. Gelukkig wil de staatssecretaris dat ook. Zij komt met een versterkingsagenda. Ik heb aangegeven waar we op moeten letten: de lange lijn en het vroeg beginnen. We moeten ook zeker kijken naar de infrastructuur en naar leraren, en naar de manier waarop zij worden gestimuleerd en gefaciliteerd om het zo goed mogelijk te doen.
Voorzitter. Ik heb nog best wel wat vragen over hoe dat dan gaat in de uitvoering en hoe we dat gaan sturen. Dat is uiteindelijk de kern. Het moet niet weer een nieuwe naam zijn. We komen van een masterplan en we gaan naar een versterkingsagenda. Gaat dat dan ook daadwerkelijk wat veranderen? Daar gaat het om. Ik begrijp dat we dat in het najaar met elkaar gaan bespreken. Nogmaals veel dank aan D66, mevrouw Rooderkerk en haar ondersteuners voor dit plan. Ook dank voor de ingediende moties, die het hopelijk nog een stuk verder brengen.
Tot slot, voorzitter. Laten we vooral voorkomen dat het allemaal versnipperd raakt. We hebben allemaal goede ideeën gehoord, maar het gaat vooral om de samenhang tussen de ideeën. We weten inmiddels dat het gaat om contextrijk en kennisrijk onderwijs, en dat we dat niet moeten losknippen. Als we dat niet goed in ogenschouw nemen, gaan we weer de verkeerde kant op. Ik kijk uit naar het vervolg hierop.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het voorzitterschap weer terug.
De voorzitter:
Dank u wel, voorzitter; nee, dank u wel, mevrouw Biekman. Ik kijk even in de richting van de staatssecretaris. Heeft u nog tijd nodig om de moties van een appreciatie te voorzien of kunnen we meteen door naar de tweede termijn?
Staatssecretaris Tielen:
Ik kan op zich door. Ik kijk even naar mevrouw Rooderkerk. Ik kan me zomaar voorstellen dat zij …
De voorzitter:
De gewoonte is om eerst u als staatssecretaris het woord te geven en vervolgens af te sluiten met de initiatiefnemer, die vast nog wel wat afsluitende woorden wil spreken. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ga ervan uit dat mevrouw Rooderkerk driemaal een positief advies heeft op de moties van mevrouw Biekman.
Voorzitter. Ook ik vond het een hele mooie bespreking, debat, dialoog, over hoe belangrijk taal is voor alle dingen in ons leven. Ik denk dat u dat mooi zei, voorzitter. Dank nogmaals en complimenten aan mevrouw Rooderkerk daarvoor.
Ik had geen aanvullende vragen, meer wat bespiegelingen van onder anderen meneer De Beer over het daadwerkelijk bereiken van resultaten als we die lat ook hoog leggen. Ik denk dat we elkaar daar allemaal in herkennen.
Mevrouw Armut gaf aan dat lezen onderdeel is van de gemeenschap of samenleving op school; volgens mij zei ze het zo. Ik denk dat ook daar taal heel belangrijk is tussen mensen.
De canon. Ik hoorde van meneer Boomsma ook Thea Beckman. Ik wil toch graag ook nog even Hasse Simonsdochter noemen. Dat is een van de boeken die ik letterlijk met een traan over de wangen heb gelezen.
Mevrouw Moorman zei iets over de samenhang. Dat is een oproep die mij ook na aan het hart gaat. Ik zei het daarstraks al: soms zult u dingen in verschillende brieven terugzien. Dat is inderdaad juist omdat dit zo'n verbindend element is over alles heen. Ik hoop dus dat we elkaar daar ook in blijven herkennen.
Mevrouw Biekman, dank voor de moties. Wij hadden nog niet eerder gedebatteerd, maar ik kan zeggen dat het een plezierige eerste ervaring was. Dank u wel daarvoor.
Dan zal ik de moties ook even appreciëren. De motie op stuk nr. 5 gaat over het verplichten van een schoolbibliotheek. Ik heb daar in het beantwoorden van de vragen al iets over gezegd. Ik denk dus dat we op een aantal manieren eigenlijk al wettelijk vastleggen hoe belangrijk de Bibliotheek op school of de schoolbibliotheek of in ieder geval een rijke leesomgeving is. Ik leg het als volgt uit, als dat mag. We hebben geïnvesteerd in de Bibliotheek op school, zodat het aantal scholen met een volwaardige boekencollectie ook daadwerkelijk groter is. Dit krijgt nog een extra impuls door de nieuwe kerndoelen, waar ik naar verwees. Ook de herziening van de Bibliotheekwet, waar we, denk ik, na het zomerreces met elkaar over in debat gaan, zal daaraan bijdragen, omdat de bibliotheken daarmee worden verplicht om op scholen leesbevordering te ondersteunen. Ik verwacht dus ook dat iedere school binnen drie jaar een volwaardige collectie boeken heeft. Ik ga daar ook op monitoren. Als dat aansluit bij wat mevrouw Biekman bedoelt met de motie, dan zou ik deze oordeel Kamer willen geven. Ik zie mevrouw Biekman knikken.
Dan de motie van mevrouw Biekman op stuk nr. 6 over 60 minuten begeleid vrij lezen. Ik denk dat het enorm belangrijk is dat scholen ermee aan de slag gaan om evidence-informed invulling te gaan geven aan de manier waarop de kerndoelen, waaronder het leesonderwijs maar eigenlijk de brede taalvaardigheid, tot uiting komen. Het NKO, het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs, heeft daar ook allerlei evidence-informed methoden voor ter beschikking en onderzocht. Begeleid vrij lezen is daar onderdeel van, dus dat lijkt me ook een van de evidence-informed manieren om de taalvaardigheid te verbeteren. Of het dan 60 minuten zijn of 55 minuten of 65 minuten … Ik denk ook niet dat dat is wat mevrouw Biekman precies bedoelt. Wat dat betreft kan ik deze motie om dat te stimuleren ook oordeel Kamer geven.
Dan de laatste motie van mevrouw Biekman, de motie op stuk nr. 7 over hoge verwachtingen. Ik denk dat dat een heel goed uitgangspunt is, ook omdat we weten, of toch in ieder geval het sterke vermoeden hebben, dat een van de oorzaken dat het niet zo goed gaat met onze taalontwikkeling, is dat de verwachtingen niet hoog genoeg zijn. Ik kom daar graag uitgebreid op terug bij de versterkingsagenda. Oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dan hebben alle drie de moties oordeel Kamer gekregen. Volgens mij waren er geen nadere vragen, alleen maar wat opmerkingen. Daarmee sluiten we de bijdrage van de staatssecretaris dus af en komen we tot slot bij de tweede termijn van de initiatiefnemer, mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank. Aan de genoemde boeken wilde ik dan nog Oorlogswinter van Jan Terlouw toevoegen, die zeker niet mag ontbreken. Dank ook aan de staatssecretaris voor de appreciaties van de drie moties, waar ik me helemaal in kan vinden. Die hebben we hierover nog ingediend als toevoeging, om te zorgen dat we de lat, de verwachtingen en het tempo hoger leggen ten aanzien van ons leesonderwijs.
Ik wil afsluiten met het danken van mijn geweldige team van medewerkers, want politiek is teamwerk. Naast mij zit Jente Koopmans, maar ook tegen de collega's die verderop zitten, zeg ik: heel veel dank voor jullie harde werk aan deze initiatiefnota. Natuurlijk dank ik ook oud-Kamercollega Hans Vijlbrief en het team. Alleen met elkaar zorgen we namelijk voor verandering. Dan gaat het natuurlijk ook over de collega's die vandaag hier aanwezig zijn en waren. Voor jullie allen is ook een leestas van de Leescoalitie te vinden, om daaruit te lezen, die door te geven en deze zomer nog wat nieuwe reflectie op te doen voor het komende politieke jaar.
Ik hoop vooral dat we nu echt met elkaar gaan zorgen voor verbetering. Ik hoorde het volgende ook in de antwoorden van de staatssecretaris, maar ik zou dat ook zeggen. Laten we overal waar staat "het is aan de scholen zelf" daarvan maken: we gaan ervoor zorgen dat het ook echt gebeurt en de regie daarin pakken, zodat we met "taal op één" niet alleen een taalkundige naamswijziging aanbrengen, maar ook een andere aanpak neerzetten. Zoals ik de staatssecretaris regelmatig hoor zeggen, moet het PISA-niveau echt omhoog. We moeten er vooral echt voor zorgen dat geen kind meer ongeletterd van school gaat, dat elk kind leert lezen en schrijven, en dat ook elke volwassene die kans krijgt.
Ik vond het een mooie dag. We begonnen bij het Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum aan de overkant. We hebben het hier de hele dag met elkaar over lezen gehad. Ik zou zeggen: laten we dat vaker doen. Laten we daar heel veel aandacht voor houden. Ik begin graag een boekenclub met de collega's hier om dat verder te stimuleren. Ik hoorde al dat er een boek werd aangedragen dat zich hiervoor leent. Laten we zorgen voor een brede politieke samenwerking. Het is namelijk een gezamenlijke opgave die we met elkaar hebben. Tot slot wil ik afsluiten met de woorden: lezen, lezen, lezen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dat waren mooie woorden van mevrouw Rooderkerk. Ik kan me voorstellen dat dit inderdaad een feestelijke dag is geweest voor haar, maar eigenlijk geldt dat voor ons allemaal, omdat we het zo uitgebreid over lezen hebben gehad. Overigens was ondertussen een van de bodes de hele tijd haar boek aan het lezen. Dat vond ik heel mooi symbolisch.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van de initiatiefnota. Dan zou ik graag de verschillende toezeggingen voorlezen die zijn gedaan. Het valt mee; het zijn er drie.
- Ten eerste ontvangt de Kamer in het najaar van 2026 een brief over de nieuwe referentieniveaus.
Staatssecretaris Tielen:
Begin 2027 is dat.
De voorzitter:
In het voorjaar van 2027 komt er dus een brief over de nieuwe referentieniveaus.
- Twee. De Kamer ontvangt in het najaar van 2026 een brief over de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden. In die brief wordt ook ingegaan op de motie over leesbevordering in de lerarenopleiding en onder leraren. Dat is dus naar aanleiding van de motie.
- De Kamer ontvangt in het najaar van 2026 het regieplan voor digitalisering in het funderend onderwijs. In die brief wordt onder andere ingegaan op de motie over richtlijnen voor het terugdringen van schermgebruik in klaslokalen.
Ben ik daarmee volledig? Ja. Dank ook aan de griffier. Ik wil de leden bedanken voor hun inbreng. Ik dank mevrouw Rooderkerk, en ongetwijfeld ook haar medewerkers op de achtergrond — we hebben het gezien — voor de verdediging, de uitleg en de reactie op de inbreng van de collega's. Ik dank de staatssecretaris en haar ondersteuning voor de beantwoording van de vragen. Ik dank de mensen op de publieke tribune, met name de Leescoalitie, die er inderdaad vanochtend al bij was aan de overkant, bij het Kinderboekenmuseum. Wij kregen als Kamerleden mooie tassen met een doorgaande leeslijn. Ik bedank ook alle mensen thuis voor het meekijken.
Voor de helderheid: we stemmen dinsdag 30 juni over de hier ingediende moties, die alle drie "oordeel Kamer" hebben gekregen als appreciatie van de staatssecretaris. Dan sluit ik hierbij het notaoverleg.