Lijst van vragen en antwoorden over de Reactie op initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief over “Lezen voor je leven” (Kamerstuk 36773-3)
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D17960, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-15 16:39, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z07966:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 15 april 2026 |
|---|---|
| Betreft | Reactie op feitelijke vragen n.a.v. antwoord initiatiefnota 'Lezen voor je Leven' van de leden Rooderkerk en Vijlbrief (D66) |
Onderwijspersoneel en Primair Onderwijs Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon |
Onze referentie 62017878 |
| Uw brief |
Uw referentie 36773 |
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen over de brief van 4 december 20251 met daarin een reactie op de Initiatiefnota “Lezen voor je leven” van de leden Rooderkerk en Vijlbrief, beiden D66.2
Hoogachtend,
de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie,
Judith Zs.C.M. Tielen
Vraag 1
Hoe wordt voorkomen dat de voorgestelde maatregelen leiden tot extra administratieve druk voor leraren en schoolteams?
Antwoord 1
De Initiatiefnota van de leden Rooderkerk en Vijlbrief, beiden D66, noemt twintig concrete maatregelen om de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren en laaggeletterdheid tegen te gaan. De maatregelen hebben betrekking op het onderwijs, overheidstaal en volwassenen die laaggeletterd zijn. De reactie op de Initiatiefnota laat zien hoe we de voorgestelde maatregelen voor het onderwijs al uitvoeren met onder andere het Masterplan basisvaardigheden, de doorontwikkeling van de doorstroomtoets en de structurele financiering van de Bibliotheek op school. Omdat dit lopend beleid is, leidt dit niet tot extra administratie.
Vraag 2
Hoe worden de komende jaren kleinere klassen bevorderd vanuit het ministerie?
Antwoord 2
Het ministerie bevordert kleinere klassen niet expliciet. De manier waarop scholen leerlingen indelen in klassen of groepen moet passen bij de pedagogische visie van de school.
Daar komt bij dat voor kleinere klassen veel extra leraren nodig zijn. Dit zorgt voor een groter lerarentekort. Bovendien kosten kleinere klassen meer geld: zowel voor salarissen, als voor voldoende lokalen en schoolgebouwen. Hiervoor zijn geen middelen beschikbaar op de Rijksbegroting.
In algemene zin hebben scholen keuze uit een breed palet aan maatregelen om het werken in het onderwijs aantrekkelijker te maken. Dat kan via kleinere klassen, maar ook door meer en divers personeel, zoals klassenassistenten en orthopedagogen, in wat grotere groepen in te zetten om leraren en lerarenteams te ondersteunen.
Vraag 3
Hoe worden de resultaten en de effectiviteit van de bestaande maatregelen om basisvaardigheden te verbeteren gemeten en gemonitord?
Antwoord 3
Het Centraal Planbureau (CPB) onderzoekt in opdracht van OCW welk effect de subsidie Verbetering basisvaardigheden heeft. Hiervoor vergelijkt het CPB de leerprestaties van leerlingen op scholen met en zonder subsidie. Daarnaast vullen scholen die de subsidie ontvingen een vragenlijst in over hun ervaringen. Dit onderzoek brengt in kaart hoe scholen het geld besteden en wat zij daarvan merken in de praktijk.
In 2026 komt er bovendien een monitoringsinstrument dat de impact van de begeleide leernetwerken (uit het Masterplan basisvaardigheden) meet. Dit instrument laat zien hoe deelnemers de opgedane kennis verspreiden binnen hun eigen schoolteams. Naast deze specifieke onderzoeken naar de subsidie, blijft de overheid de landelijke leerprestaties nauw volgen. De jaarlijkse Monitor basisvaardigheden bundelt hiervoor (inter)nationale onderzoeken om een compleet beeld te geven van de vaardigheden op het gebied van taal, rekenen-wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid.
Vraag 4
In hoeverre wordt gemeten of studenten aan het einde van de opleidingen tot docent in het primair of voortgezet onderwijs goed Nederlands kunnen spellen?
Antwoord 4
In de uitwerking van de landelijke kennisbasis voor de pabo voor het vak Nederlands staat de eis dat de startbekwame leerkracht de kennis en vaardigheden moet hebben om woorden te allen tijde correct te spellen. Opleidingen moeten via hun onderwijsaanbod, toetsing en beoordeling zorgdragen dat studenten dit beheersen. Voor het meten hiervan gebruiken zij diverse instrumenten, passend bij het type opleiding en studenten. Dat kan bijv. via speciale toetsen op één moment, maar ook door correcte spelling doorlopend te toetsen bij schriftelijke opdrachten in de opleiding. Studenten aan tweedegraads lerarenopleidingen maken een verplichte Landelijke Kennistoets Nederlands. Spelling is hierin opgenomen als onderdeel van de inhoudelijke en didactische bekwaamheid van leraren. Studenten aan eerstegraads lerarenopleidingen moeten aan het eind van hun studie aantonen dat zij Nederlands op het hoogste niveau (4F-niveau) beheersen.
Vraag 5
Wat is de reden dat een verkenning naar de invoering van een verplichte voldoende voor het vak Nederlands, waar de Kamer in mei 2023 om heeft gevraagd, pas aan het einde van dit jaar wordt verwacht?
Antwoord 5
We hebben ervoor gekozen de verkenning in 2025 uit te voeren, zodat we die in samenhang met de curriculumherziening van het vak Nederlands konden bekijken. De verkenning is met uw Kamer gedeeld in de Voortgangsbrief examens voortgezet onderwijs van december 2025.3
Vraag 6
Wat is de plaats van schrijfvaardigheid en stelopdrachten die helder denken en redeneren stimuleren in de huidige lopende trajecten om het curriculum Nederlands te herzien?
Antwoord 6
Goed kunnen schrijven is een belangrijke basisvaardigheid. In het vernieuwde curriculum komt de schrijfvaardigheid van leerlingen dan ook bij verschillende kerndoelen aan bod. De kerndoelen schrijven voor dat er aandacht moet zijn voor schrijfvaardigheid bij andere vakken, zodat leerlingen niet alleen tijdens de les Nederlands schrijven. Ook moeten leerlingen creatief leren schrijven en schrijven gebruiken als middel om te leren. Correct spellen en formuleren en een goede beheersing van grammatica is ook in de kerndoelen opgenomen. Ten slotte moeten leerlingen leren om kritisch naar hun eigen schrijfwerk en dat van anderen te kijken. Dit stimuleert leerlingen om helder te denken en redeneren.
Vraag 7
Kunt u (voorbeelden of een indicatie) aangeven welke vormen van administratie “voor het geval dat” zullen worden geschrapt?
Antwoord 7
Met administratie “voor het geval dat” bedoelen we administratie die niet wettelijk verplicht is, maar die scholen op eigen initiatief bijhouden voor het geval dat bijvoorbeeld de Inspectie van het Onderwijs ernaar vraagt. Dit komt omdat de wettelijke verplichtingen niet altijd duidelijk zijn voor scholen. 4,5 De Rekenkamer adviseert daarom om niet zozeer wetgeving te schrappen, maar om samen met de Inspectie van het Onderwijs scholen meer duidelijkheid te geven over wat zij verplicht moeten administreren en wat niet.
Vraag 8
Welke administratieve taken (‘rompslomp’) houden leraren en leerkrachten van hun eigenlijke werk?
Antwoord 8
Leraren in het po besteden gemiddeld zes tot acht uur per week aan administratieve taken. De Algemene rekenkamer (ARK) heeft onderzocht welke taken leraren als administratie beschouwen. Vervolgens heeft de ARK een selectie gemaakt van administratieve taken waar leraren minimaal 15 minuten per week aan kwijt zijn, en die ze als zwaar ervaren. Voorbeelden hiervan zijn: het schrijven van rapporten, gespreksverslagen, contacten met externen en het bijhouden van leerlingdossiers. Ook zien we dat een leraar in het po per leerling met een extra ondersteuningsbehoefte 15 minuten extra aan administratie besteedt. In de onderzoeken is niet gevraagd naar wat leraren een administratieve last vinden, maar welke taken ze als administratie beschouwen, of ze de taken als nuttig ervaren, en hoeveel tijd ze kosten.
Ondanks het feit dat deze administratieve taken relatief veel tijd in beslag nemen en leraren ze als zwaar ervaren, zien zowel leraren in het po als in het vo wel het nut en het belang ervan in.6, 7 Administratieve taken zijn een onderdeel van het eigenlijke werk. Net als bij andere bronnen van werkdruk is de ervaren werkdruk als gevolg van administratieve taken contextafhankelijk. Het verschilt dan ook sterk per individu en school hoe dit wordt ervaren.
Vraag 9
Welke inventarisaties onder leraren zijn er gedaan om hen te vragen van welke regels of taken zij vinden dat die hen afleiden van hun werk en/of die niet zinvol effectief zijn?
Antwoord 9
In 2025 zijn twee onderzoeken gedaan in het funderend onderwijs naar de administratieve last voor leraren. Hierin is onderzocht wat leraren als administratieve taken zien, wat zij van de taken vinden, hoeveel tijd zij eraan besteden en wat het doel is van de administratie. Het gaat over het onderzoek “Hoeveel tijd mag het kosten?” van de Algemene Rekenkamer onder leraren primair onderwijs en een onderzoek van ResearchNed onder leraren voortgezet en gespecialiseerd onderwijs.8 In totaal hebben 1.073 leraren in het po meegedaan aan het onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Het onderzoek van ResearchNed is in totaal ingevuld door 795 leraren in het voortgezet en gespecialiseerd onderwijs.
Vraag 10
Kunt u t.a.v. de inzet om per acht fulltimebanen 40 dagen ontwikkeltijd te bieden aangeven of dit impact zou hebben op het lerarentekort en zo ja, welke?
Antwoord 10
Het plan om leraren extra ontwikkeltijd te geven vergroot de vraag naar personeel, maar zorgt niet noodzakelijk voor een evenredige toename van het lerarentekort. Veel leraren die in deeltijd werken willen namelijk graag meer uren werken als zij die tijd aan hun eigen ontwikkeling mogen besteden. Dit geldt vooral voor leraren met een academische achtergrond.9 Daarnaast kan het werken, maar ook het leren in teams zorgen voor flexibiliteit in de organisatie en het gedeeltelijk onderling opvangen van afwezigheid.
Vraag 11
Hoe schat u de juridische gevolgen in van de invoering van een ‘recht’ op begrijpelijke taal?
Antwoord 11
De overheid wil dat haar teksten voor iedereen begrijpelijk zijn. In het conceptwetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb staat dat overheidsinstanties hun besluiten voortaan duidelijk moeten uitleggen. Als dat niet het geval is, dan blijft het besluit geldig en moet de tekst begrijpelijk worden gemaakt.
Wat we precies moeten verstaan onder 'recht op begrijpelijke taal' is nog onduidelijk. Het recht geldt namelijk niet alleen voor officiële besluiten, maar voor alle brieven van de overheid. Het is nog niet duidelijk wat de rechtsgevolgen zouden moeten zijn als een gewone brief onbegrijpelijk is. Ministeries moeten hierin in ieder geval het goede voorbeeld geven. In de Werkagenda VN-Verdrag Handicap 2025-2030 is opgenomen dat ministeries de Direct Duidelijk Deal ondertekenen.10 Dit is een intentieverklaring, waarmee ministeries laten zien dat zij duidelijke taal belangrijk vinden en hiermee aan de slag gaan.
Op het ministerie van OCW is duidelijke taal een aandachtspunt. Alle informatie op Rijksoverheid.nl is zoveel mogelijk op B1-niveau geschreven. Ook kijken er altijd meerdere mensen naar een tekst voordat de redactie de tekst plaatst. Voor officiële documenten, zoals Kamerbrieven, is er een taalcoach in dienst, die teksten in begrijpelijke taal herschrijft. Binnenkort gaat de taalcoach een speciaal taalteam leiden dat ervoor gaat zorgen dat alle teksten van OCW nog duidelijker en makkelijker te lezen zijn.
Vraag 12
Zou na invoering van dit recht op begrijpelijke taal het mogelijk worden om de schrijvers van onbegrijpelijke taal aan te klagen?
Antwoord 12
Zie hiervoor het antwoord bij vraag 11.
Vraag 13
Klopt het dat sommige gemeenten beschikken over een ‘terugzendservice’ die burgers uitnodigt onduidelijke boodschappen terug te sturen, waarna ambtenaren twee weken de tijd krijgen voor een nieuwe, begrijpelijke brief? Welke gemeenten doen dit en wat zijn de ervaringen daarmee?
Antwoord 13
Verschillende gemeenten, zoals Arnhem, Den Haag, Geertruidenberg en Soest, hebben een service waarbij burgers en ondernemers onduidelijke brieven kunnen terugsturen. Elke gemeente pakt dit op haar eigen manier aan. Dit initiatief zorgt ervoor dat ambtenaren zich bewuster worden van hun taalgebruik. Ook passen gemeenten hun standaardbrieven hierdoor soms aan. Toch verbetert er in de praktijk nog te weinig. Dat komt omdat er maar weinig brieven teruggestuurd worden.
Om overheidscommunicatie echt te verbeteren is meer nodig. Bijvoorbeeld door brieven en overheidscommunicatie vooraf te testen en een norm op te stellen die alle overheidsinstanties consequent gebruiken.
Vraag 14
Hoe en in welke mate is leesbevordering, jeugdliteratuur en leesdidactiek momenteel onderdeel van de curricula van pabo’s en tweedegraads lerarenopleidingen Nederlands?
Antwoord 14
Leesbevordering, jeugdliteratuur en leesdidactiek zijn onderdeel van de landelijke eisen die opgenomen zijn in de kennisbases voor de pabo en de tweedegraads opleiding Nederlands. Pabo’s werken op diverse manieren aan leesbevordering bij hun studenten en aan de kennis en vaardigheden van studenten om lezen te bevorderen bij leerlingen. Ze doen dit onder andere door specifieke opdrachten, leesclubs, leeslijsten, schrijversbezoeken, leesevents en wedstrijden. De kennisbases worden momenteel herzien op basis van de definitieve conceptkerndoelen voor het funderend onderwijs en de herijkte bekwaamheidseisen voor leraren. Uit de eerste concepten is op te maken dat de aandacht voor leesbevordering in de kennisbases zal toenemen. De nieuwe kennisbases worden naar verwachting in het najaar in het Opleidingsberaad Leraren besproken en zullen vervolgens na vaststelling geïmplementeerd worden in de curricula van de pabo’s en tweedegraads lerarenopleidingen.
Vraag 15
Wordt binnen de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren expliciet aandacht besteed aan het versterken van leesexpertise bij aanstaande leraren en zo ja, hoe wordt dit ingevuld?
Antwoord 15
De Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) heeft als doel om de doorlopende professionalisering van leraren in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs te structureren en te stimuleren. Hierbij richt de NAPL zich op zittende leraren en niet op de lerarenopleidingen.
Vraag 16
In hoeverre wordt bij de verkenning naar de verplichte voldoende voor het vak Nederlands ook de motie van het lid Haage betrokken over verkennen hoe schrijfvaardigheid beter valt te toetsen in centrale examens (Kamerstuk 31 293, nr. 838), die immers beoogt dat een voldoende voor het centraal examen Nederlands voortaan ook meer en andere vaardigheden behelst dan alleen begrijpend lezen?
Antwoord 16
De motie van het lid Haage is niet opgenomen in de brief over de verkenning naar de verplichte voldoende die mijn ambtsvoorganger op 18 december 2025 naar uw Kamer stuurde.11 Wel onderzoeken we binnen de vakvernieuwing of schrijfvaardigheid een grotere rol kan krijgen in het centraal examen van het vmbo. Ook kijken we in het programma Digitaal examineren hoe technologie kan helpen om schrijfvaardigheid te toetsen en hoe we ervoor kunnen zorgen dat leraren minder tijd kwijt zijn met nakijken. De eerste resultaten van dit onderzoek zal ik voor de zomer van 2026 met uw Kamer delen.
Vraag 17
Is bekend hoeveel jongeren van de middelbare school gaan met een onvoldoende voor het vak Nederlands?
Antwoord 17
In de Examenmonitor12 wordt jaarlijks gerapporteerd over onder meer de gemiddelde cijfers en het aandeel onvoldoendes voor Nederlands (en andere vakken). Het aandeel leerlingen met een onvoldoende voor Nederlands verschilt per schoolsoort/leerweg. In 2025 was dit het laagst bij vmbo-bb (4,6%) en het hoogst bij havo (8,2%). Een deel van deze leerlingen is gezakt en zal opnieuw voor het diploma opgaan en daarmee ook de kans hebben om hun cijfer voor Nederlands te verbeteren. Nederlands is voor alle leerlingen onderdeel van de zogeheten kernvakkenregel. Dit betekent dat het eindcijfer een vijf of hoger moet zijn om te kunnen slagen.
Vraag 18
Welke aandeel van de scholen beschikt momenteel over een structureel ingerichte schoolbibliotheek, uitgesplitst tussen het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo?
Antwoord 18
Volgens het DUO Onderwijsonderzoek 2025 heeft 70% van de voortgezet onderwijs-locaties een mediatheek, 40% heeft een mediathecaris in dienst. Het aantal po-scholen en mbo-opleidingen dat beschikt over een structureel ingerichte schoolbibliotheek is niet onderzocht. Wel is bekend hoeveel scholen deelnemen aan de Bibliotheek op school of een vergelijkbaar programma. Het gaat om 65% van de basisscholen, 41% van de scholen voor speciaal onderwijs (sbo en (v)so), 37% van de scholen uit het voortgezet onderwijs13, 26% van de mbo-opleidingen en 50% van de pabo’s.14
Vraag 19
Welke kwalitatieve criteria hanteert het kabinet om te bepalen of sprake is van een volwaardige schoolbibliotheek?
Antwoord 19
Een schoolbibliotheek is meer dan een kast met boeken. Om effectief bij te kunnen dragen aan leesplezier en taalontwikkeling van leerlingen en studenten moet een bibliotheek aan drie criteria voldoen:
er moet een actuele en gevarieerde collectie aanwezig zijn met minimaal vijf boeken per leerling of student;
de bibliotheek moet goed toegankelijk en aantrekkelijk zijn;
er moet deskundige begeleiding in het schoolgebouw aanwezig zijn om alle leerlingen van een passend boek te voorzien en leesbevorderende activiteiten te organiseren.
Deze criteria zijn mede gebaseerd op de kwaliteitscriteria (‘bouwstenen’) van de Bibliotheek op school.15
Vraag 20
Hoe verhoudt de voorgenomen opschaling naar een structurele investering van € 50 miljoen per jaar vanaf 2028 zich tot de ambitie om alle scholen te bereiken?
Antwoord 20
Met de structurele financiering van de Bibliotheek op school (dBos), die met ingang van 2027 beschikbaar is, kunnen we niet alle scholen bereiken. Dit is ook niet de expliciete ambitie van het kabinet. DBos is een middel voor scholen om een rijke leesomgeving in te richten door leerlingen laagdrempelig toegang te geven tot een actuele en gevarieerde collectie boeken en professionele ondersteuning van een lees-mediaconsulent. Scholen kunnen er ook voor kiezen om dit op een andere manier te doen, bijvoorbeeld door een schoolbibliotheek op te zetten zonder ondersteuning van de lokale bibliotheek, leeshoeken in te richten in de klas, boekenkasten op de gang te plaatsen of een digitale leesomgeving in te richten. De vrijheid die scholen hierin hebben, stelt hen in staat om aan te sluiten bij de omgeving, leerlingpopulatie en onderwijsvisie van de school.
Vraag 21
Wat gaat de kwaliteitsalliantie leermiddelen voor het funderend onderwijs betekenen bij de uitvoering van de motie van het lid Haage over duurzame alternatieven voor wegwerpboeken stimuleren (Kamerstuk 32 034, nr. 61)?
Antwoord 21
De kwaliteitsalliantie richt zich op het borgen van de kwaliteit van leermiddelen en het stimuleren van kwalitatief gebruik. De alliantie onderschrijft het belang van duurzaamheid, maar dit thema valt niet binnen haar directe doelstelling. Duurzaamheid wordt via andere initiatieven bevorderd, zoals de duurzaamheidshandleiding van coöperatie SIVON. Daarnaast heeft de brancheorganisatie voor uitgevers (MEVW) recent aanbevelingen gedaan aan al haar leden als het gaat om het terugdringen van verspilling door meer flexibiliteit, transparantie en het afschaffen van overstapboetes.
Vraag 22
In hoeverre volstaat het structureel maken van de middelen voor het landelijke bewezen effectieve programma de Bibliotheek op school (dBos) om uitvoering te geven aan de motie van het lid Moorman c.s. over een toegankelijke bibliotheekvoorziening in elke school in het funderend onderwijs (Kamerstuk 36 699, nr. 27) en in hoeverre zijn er aanvullende maatregelen nodig om deze motie uit te voeren?
Antwoord 22
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 20 schreef is de structurele financiering van de Bibliotheek op school niet toereikend om alle scholen van een bibliotheek te voorzien. Dit zou jaarlijks € 190 miljoen kosten en dat is niet beschikbaar op de Rijksbegroting.16 Ik zie een schoolbibliotheek ook niet als een doel op zich, maar als een middel om een rijke leesomgeving in te richten, zodat alle leerlingen een gevarieerde, actuele collectie boeken onder handbereik hebben. Dit wordt met de invoering van de geactualiseerde kerndoelen Nederlands begin volgend schooljaar verplicht voor alle scholen.
De rijke leesomgeving kan op verschillende manieren worden ingericht. Ik vind het belangrijk dat scholen hierin een eigen keuze hebben. Als de school kiest voor een schoolbibliotheek, dan kan de school hierbij desgewenst ondersteuning krijgen van de bibliotheek. Scholen krijgen met ingang van volgend jaar ook de gerichte bekostiging basisvaardigheden waarmee zij een schoolbibliotheek kunnen inrichten en onderhouden. Goede communicatie over de mogelijkheden die scholen hebben is van belang. Ik zal uw Kamer hierover conform het dictum van de motie voor de voorjaarsnota verder informeren.
Vraag 23
Hoe kijkt u naar de status van het Kwaliteitskader Taal voor leermiddelen in relatie tot de voorgestelde keuring van leermiddelen in de initiatiefnota?
Antwoord 23
Het Kwaliteitskader taal/Nederlands biedt schoolteams en vaksecties Nederlands concrete handreikingen om onderbouwde keuzes te maken uit het aanbod van leermiddelen op basis van wetenschappelijke onderbouwing, aansluiting bij het curriculum en vakinhoudelijke en didactische criteria. Het schoolteam kijkt daarbij naar de kwaliteit van een leermiddel en hoe het aansluit bij hun visie en populatie. Daarnaast kunnen leermiddelenmakers hun aanbod met behulp van het kader verbeteren en beter afstemmen op de vraag van scholen. Momenteel werken de partijen die betrokken zijn bij de kwaliteitsalliantie voor leermiddelen aan vraagstukken rondom de implementatie van kwaliteitskaders. De voorgestelde keuring van leermiddelen is onderdeel van dit gesprek.
Vraag 24
Hoe kunnen de initiatiefnemers ervoor zorgen dat de beoogde keuring van lesmethodes zoveel mogelijk aansluit bij bestaande initiatieven?
Antwoord 24
Op dit moment werkt een brede coalitie van onderwijspartijen die betrokken zijn bij de kwaliteitsalliantie voor leermiddelen aan een plan voor de implementatie van een generiek kader voor leermiddelen. Dit kader is complementair aan het kwaliteitskader voor taal. De betrokken partijen houden daarbij aandacht voor samenhang en bestaande initiatieven en kijken zorgvuldig naar de gewenste mate van sturing van een kader. De mogelijke keuring van leermiddelen is ook onderdeel van dit gesprek.
Vraag 25
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de oprichting van een kwaliteitsalliantie leermiddelen voor het funderend onderwijs?
Antwoord 25
In vervolg op het adviesrapport van ABDTopConsult is een brede coalitie van onderwijspartijen gestart met de oprichting van een kwaliteitsalliantie voor leermiddelen. Het doel is om de kwaliteit en toegankelijkheid van leermiddelen structureel te verbeteren. Het ministerie van OCW heeft opdracht gegeven aan het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs en SLO voor de ontwikkeling van een generiek kwaliteitskader voor leermiddelen. Dit kader kunnen scholen en leermiddelenmakers vanaf schooljaar 2026-2027 gebruiken. Momenteel werken de partijen aan een plan voor de praktische toepassing van dit kwaliteitskader en aan de inrichting van de organisatie en taakverdeling binnen de alliantie.
Vraag 26
Kan het kabinet goede voorbeelden geven van hoe gemeenten leesvaardigheid onder volwassenen willen bevorderen?
Antwoord 26
Gemeenten ontvangen jaarlijks middelen van het ministerie van OCW voor het bieden van ondersteuning en opleiding aan inwoners met beperkte basisvaardigheden, waaronder taal. De stichting Lezen en Schrijven ondersteunt met subsidie van OCW gemeenten met het maken van het juiste ondersteunings- en cursusaanbod. Doel is dat het aanbod laagdrempelig is en aansluit bij de leerbehoefte van volwassenen. Gemeenten zijn - in regionale samenwerking - hard aan de slag om de basisvaardigheden van volwassenen te verbeteren. Een voorbeeld hiervan is Rotterdam-Rijnmond.17 De regio koppelt taalcursussen aan vier leefgebieden: werk, ontwikkeling, geld en gezondheid, om zo dicht bij de leerbehoefte van inwoners te blijven. De regio werkt daarin nauw samen met educatieaanbieders en bijvoorbeeld bedrijven in de regio.
Vraag 27
Welke van de "domme en asociale bezuinigingen", die kinderen met de grootste achterstanden op het vmbo raken, maar ook bibliotheken en opleidingen voor volwassenen, waarover beide initiatiefnemers schrijven (Kamerstuk 36 773, nr. 2, blz. 3) gaat u vooralsnog onverminderd doorzetten?
Antwoord 27
Per 2026 is het budget dat gemeenten ontvangen voor de aanpak van
basisvaardigheden van volwassenen met 10 procent verlaagd vanwege het
afschaffen van de Specifieke Uitkering als financieel instrument. Het
totaalbedrag is € 85 miljoen per jaar. De openbare bibliotheken worden
bekostigd door de gemeenten. In totaal besteden gemeenten circa € 500
miljoen per jaar aan de bibliotheken. Vanuit het Rijk is er geen sprake
van een bezuiniging op de bibliotheken. Gemeenten krijgen door een
wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen een
zorgplicht ten aanzien van de bibliotheken. Daarvoor ontvangen gemeenten
vanaf 2027 via het gemeentefonds structureel aanvullende financiering.
Hiervoor is een bedrag van circa € 60 miljoen per jaar
beschikbaar.
De bezuinigingen op het onderwijs van het afgelopen jaar waren breder
dan het vmbo alleen. Het was met name de bezuiniging op de
onderwijskansenregeling. De onderwijskansenregeling geeft extra
financiering aan scholen met kwetsbare leerlingen. Deze bezuinigingen
zijn uiteindelijk deels teruggedraaid.
Vraag 28
Kunt u puntsgewijs en gemotiveerd uiteenzetten welke van de vijf aanbevelingen van de initiatiefnota "Heerlijk, helder Hollands. Nederlanders hebben recht op duidelijke taal" van het toenmalige lid Van Gent (Kamerstuk 30 470, nr. 2) worden waargemaakt met de steun van het ministerie van BZK voor begrijpelijke overheidscommunicatie en de wettelijke verplichting voor bestuursorganen om besluiten op een begrijpelijke manier toe te lichten?
Antwoord 28
Zie het antwoord bij vraag 11.
Kamerstukken II, 2024/2025, 36 733, nr. 3↩︎
Kamerstukken II, 2024/2025, 36 733, nr. 2↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 31289, nr. 607.↩︎
Algemene Rekenkamer (2025), Hoeveel tijd mag het kosten? Administratieve lasten voor leraren in het primair onderwijs, 2025, Den Haag.↩︎
Oberon (2023), Van werkdruk naar werkplezier? Onderzoek naar het Werkdrukakkoord primair onderwijs: meting 2023, Utrecht.↩︎
Algemene rekenkamer (2025), Hoeveel tijd mag het kosten? Administratieve lasten voor leraren in het primair onderwijs, 2025, Den Haag↩︎
Mensvoort, C. van, Casteren, W. van, Leest, B. (2025). Administratieve lastendruk leraren voortgezet en gespecialiseerd onderwijs↩︎
Algemene Rekenkamer (2025); Hoeveel tijd mag het kosten? en Carly van Mensvoort, Wouter van Casteren & Bianca Leest (2025); Administratieve lastendruk leraren voortgezet en gespecialiseerd onderwijs, ResearchNed.↩︎
De positie van academische opgeleide leerkrachten in het primair onderwijs: inzet, benutting, waardering en loopbaanmogelijkheden.↩︎
Kamerstukken II 2024/2025, 24170, nr. 362.↩︎
Tweede Kamer, vergaderjaar 2025 – 2026, 31289, nr. 607↩︎
Examenmonitor Voortgezet Onderwijs 2025, Kamerstuk 31289-604.↩︎
Dit zijn vmbo- en pro-scholen, conform de subsidievoorwaarden van de regeling Bibliotheek op school 2023-2025.↩︎
Bibliotheekmonitor 2024-2025↩︎
Onderzoek voorwaarden duurzame verankering de Bibliotheek op school. KWINK groep, 2023.↩︎