Versterking decentraal bestuur
Opening
Verslag van een commissiedebat
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft op 9 september 2026 overleg gevoerd met de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over Versterking decentraal bestuur.
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,
Kisteman
De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,
Honsbeek
Voorzitter: Boelsma-Hoekstra
Griffier: De Keijzer
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Boelsma-Hoekstra, Clemminck, Van Houwelingen, Huizenga, Meulenkamp, Struijs, Tseggai en Vermeer,
en de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Aanvang 13.01 uur.
Versterking decentraal bestuur
Aan de orde is de behandeling van:
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 31 augustus 2026 inzake voortgang Actieagenda Goed Bestuur 2026 (33047, nr. 46);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 3 juli 2026 inzake beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur (33047, nr. 45);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 17 februari 2026 inzake advies van het Adviescollege Rechtspositie Politieke Ambtsdragers met de titel "Advies herijking arbeidsvoorwaarden politieke ambtsdragers. 'Een gewaardeerd ambt'" (28479, nr. 98);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 februari 2026 inzake maatregelenpakket versterking lokale democratie (36800-VII, nr. 66);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 28 november 2025 inzake rapport Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen (29362, nr. 391);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 26 november 2025 inzake toezending rapport Behandeling van bezwaarschriften door gemeenten anno 2025 (29362, nr. 390);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 27 juni 2025 inzake Actieagenda Goed Bestuur (33047, nr. 40);
- de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 31 maart 2025 inzake voortgang Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (33047, nr. 32).
De voorzitter:
Ik open de vergadering. We voeren vandaag het commissiedebat Versterking decentraal bestuur. Van harte welkom bij dit commissiedebat van de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken. Hartelijk welkom, zou ik willen zeggen, aan de mensen op de publieke tribune, maar eigenlijk is daar niemand aanwezig. Ook hartelijk welkom aan de mensen die het debat via onze livestream volgen. Uiteraard ook van harte welkom aan de minister van BZK en aan zijn ondersteuning, en natuurlijk aan de leden van deze commissie. We hebben vier uur voor dit commissiedebat staan. Die hoeven we niet vol te maken, maar dat mag wel. Er is een spreektijd van vijf minuten per fractie. Ik stel voor om gewoon een aantal van vier interrupties te hanteren. De eindtijd is wel strak. Om 17.00 uur moet dit debat afgelopen zijn, want er is om 17.10 uur ook nog een tweeminutendebat op het terrein van deze commissie, waar ook leden en de griffie naartoe moeten. De eindtijd is dus 17.00 uur.
Van harte welkom aan wie net nog binnenkomt. Ik heb net aangegeven, zeg ik er misschien nog even bij, dat wij om 13.25 uur schorsen om naar de herdenking in de plenaire zaal te gaan. We beginnen het debat wel gewoon. We hanteren een aantal van vier interrupties, een spreektijd van vijf minuten en een strakke eindtijd van 17.00 uur. Ik wil snel van start gaan en daarom wil ik …
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik moet iets eerder weg bij het debat, omdat ik om 16.30 uur een ander, plenair, debat heb. Dat wilde ik even aangeven.
De voorzitter:
Prima. Dan wil ik mevrouw Huizenga nu het woord geven voor haar eerste termijn.
Mevrouw Huizenga (D66):
Voorzitter, dank u wel. Vorig jaar werd een Statenlid uit Brabant thuis opgezocht. Op de stoep stond een deurwaarder met een dreigbrief namens Farmers Defence Force. Dit was een regelrechte intimidatie op zijn thuisadres. Nu zegt hij zich niet nogmaals verkiesbaar te stellen. Eerlijk gezegd kan ik hem dat niet kwalijk nemen. De afgelopen weken zagen we in de media veel van dit soort verhalen over mensen die zich inzetten voor hun gemeente of provincie. Daarbij zijn intimidatie en bedreigingen inmiddels aan de orde van de dag. Ik heb dit als Statenlid zelf ook ervaren. Ik wil de minister straks heus vragen stellen over de belangrijke brieven over interbestuurlijke verhoudingen en over actieagenda's, maar we zitten hier nu wel met een megagroot probleem. Vier op de tien volksvertegenwoordigers hebben te maken gehad met agressie of bedreigingen. Bij burgemeesters is dat zelfs 70%. In de gemeenten die ik heb bezocht, ook de afgelopen zomer, hoor ik hoe moeilijk het kan zijn om een goede wethouder te vinden. Als het lokale politici onmogelijk wordt gemaakt om hun werk veilig te doen, gaat dat ons allemaal aan.
Die politici zijn namelijk ook onze buren en de vrijwilligers op de sportvereniging. Ik weet dat dit de minister ook aan het hart gaat. Ik wil hem dus vragen wat lokale politici de komende periode van deze minister mogen verwachten. Hoe gaat hij hen beschermen en hoe gaat hij zorgen dat zij hun werk veilig kunnen doen? Hoe gaat de minister zorgen dat een aangifte goed en snel wordt verwerkt en opgevolgd? Ik krijg namelijk signalen dat dat soms misgaat. Dat zou niet zo mogen zijn. Voor bestuurders bestaat al enige jaren een regelgeving voor beveiliging, maar voor lokale volksvertegenwoordigers is er nog heel weinig geregeld, terwijl de dreigingen even ernstig kunnen zijn. Ik vraag de minister of het niet tijd is voor meer ondersteuning voor raadsleden en Statenleden.
Voorzitter. Het is bekend dat vrouwelijke politici bovengemiddeld veel te maken hebben met bedreiging en agressie. Deze zomer hoorden we dat het aantal vrouwelijke wethouders voor het eerst in lange tijd niet meer groeit. Ik maak me daar echt zorgen over. Hoe wil de minister het tij keren en voorkomen dat deze trend van intimidatie alleen maar versterkt wordt? Juist nu de lokale politiek onder druk staat, is het belangrijk dat we goed samenwerken. Ik ben tevreden met de inzet van het kabinet. De ambities staan duidelijk in het coalitieakkoord en in de actieagenda die de minister ons heeft gestuurd, maar het is de uitvoering die telt. Het beleidskader kan helpen om aan de voorkant de vraag te stellen bij welke overheid een taak het beste past, maar ik vraag me wel af hoe dit kader voldoende toegepast gaat worden. De minister overweegt om het net als de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden deel uit te laten maken van het Beleidskompas. Maar we weten uit onderzoek dat het Beleidskompas zelden gebruikt wordt. Hoe gaat de minister tot die tijd ervoor zorgen dat het beleidskader toch voldoende gebruikt wordt?
Voorzitter. Sterke politiek vraagt om een gewaardeerd politiek ambt. Ik hoop dat we de kabinetsreactie op het ARPA-advies snel ontvangen. Ik ben benieuwd of de minister het advies als een totaalpakket ziet of als losse aanbevelingen. Is er ook een mogelijkheid om een aantal onderwerpen daaruit wel te benutten en andere onderwerpen niet?
Ik wil de minister ook nog bevragen op een andere ontwikkeling. In steeds meer gemeenten wordt gekozen voor parttimewethouderschap, van 0,95 fte. In de praktijk is dat natuurlijk onzin. Die wethouders werken gewoon fulltime. Soms is dat een politieke reden, zoals ruimte creëren om een extra wethouder aan te kunnen stellen, maar het heeft ook financiële consequenties. Een wethouder die 0,95 fte werkt, hoeft geen neveninkomsten te verrekenen. Laat ik vooropstellen: ik heb er het volste vertrouwen in dat wethouders deze constructie zonder slechte intenties gebruiken. Tegelijkertijd kan het een sluiproute zijn, en dat vind ik een onwenselijk beeld geven van het lokale bestuur aan de inwoners. Is de minister dat met D66 eens? Ziet hij ook dat er geen overtuigende inhoudelijke redenen zijn om ...
De voorzitter:
Mevrouw Huizenga, wilt u afronden?
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik ga naar een afronding. Ziet de minister dus ook dat er geen redenen zijn om voor 0,95 fte te gaan, en is de wetgeving op dit vlak duidelijk genoeg? Ik heb begrepen dat de minister bezig is met onderzoek naar parttimewethouderschap, en ik wil hem vragen om de uitkomsten zodra die er zijn, met de Kamer te delen.
Daar laat ik het bij. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ook namens JA21 de waardering voor al onze decentrale volksvertegenwoordigers en bestuurders in soms moeilijke tijden en omstandigheden.
Voorzitter. Gemeenschap en gemeente vallen steeds vaker niet meer met elkaar samen. Dit komt door de doorgeslagen opschaling. We zullen terug moeten naar de menselijke maat, zo zei Pim Fortuyn dat al 30 jaar geleden. Het draagvlak, zoals vereist conform het beleidskader uit de Wet ARHI, de wet op de gemeentelijke herindelingen, is een wassen neus. Eerder dit jaar kondigde ik al een initiatiefwet aan die het referendum introduceert om het maatschappelijk draagvlak te kunnen vaststellen. Ik hoop dit najaar de initiatiefwet ook vrij te kunnen geven voor behandeling in de Kamer.
Voorzitter. De minister werkt aan een visie op regionale samenwerking en informeert de Kamer eind dit jaar daarover. De fractie van JA21 wil de minister alvast een paar zaken meegeven over deze visie. Gemeenten namen in 2017 gemiddeld deel aan 27 samenwerkingsverbanden en in 2024 waren dat maar liefst 42; dat zijn dus 42 samenwerkingsverbanden gemiddeld per gemeente. Die hebben allemaal een logo nodig, een directeur en niet zelden een afgezwaaide bestuurder en natuurlijk een website, want anders doe je er niet toe in Nederland. Het eerste doel van iedere samenwerkingsorganisatie is haar eigen voortbestaan garanderen. Dat zien we ook terug in het aantal uittredingsvoorwaarden bij diverse gemeenschappelijke regelingen. Ik heb er een paar meegenomen en eens gekeken hoe je nou eigenlijk uít een gemeenschappelijke regeling komt. Zo kan een gemeente alleen een gemeenschappelijke regeling verlaten als een meerderheid van andere gemeenten dat toestaat. Weg lokale democratie en zeggenschap. "You can check out any time you like, but you can never leave". Vindt de minister zulke bepalingen passend in een gemeenschappelijke regeling?
Het budgetrecht is een van de belangrijkste rechten van een gemeenteraad. Althans, ik neem aan dat de minister dat ook vindt. Maar nu is het dus een beetje standaard geworden in gemeenschappelijke regelingen dat de afdracht van gemeenten voor die regeling bij meerderheid van stemmen wordt bepaald. Dat betekent dus dat de meerderheid een lokaal besluit van een gemeenteraad over dat budget kan overrulen — de provincie handhaaft daar ook op. Daar zijn allerlei voorbeelden van. Acht de minister het acceptabel dat het budgetrecht van de gemeenteraad wordt overruled door gemeenschappelijke regelingen?
Voorzitter. De fractie van JA21 is en blijft een voorstander van de rechtstreeks gekozen burgemeester. Tot die tijd is mijn fractie in principe tegen het toekennen van nieuwe taken en verantwoordelijkheden aan de burgemeester. Voor de bestaande taken is het goed om te kijken of deze niet beter bij een wethouder belegd kunnen worden. De minister komt nog met een afwegingskader wat betreft de taken en verantwoordelijkheden van de burgemeester. Is de minister bereid om de Kamer een notitie te sturen waarin de taken van de burgemeester worden opgesomd en wordt uitgelegd welke alternatieve scenario's er zijn om deze taken eventueel op een andere plek neer te leggen, bijvoorbeeld een wethouder? Ik hoor het graag van de minister.
Ten slotte, voorzitter, het advies van het ARPA ten aanzien van vergoedingen en arbeidsvoorwaarden van politieke ambtsdragers. Het kabinet komt nog met een reactie dit jaar, maar laat ik namens de fractie van JA21 alvast iets meegeven aan de minister. De vergoeding van burgemeester en raadsleden is gedifferentieerd naar aantal inwoners, naar de grootte van de gemeente. Voor de provinciebestuurders en de commissaris van de Koning en Provinciale Statenleden wordt dat niet gedaan. Het adviescollege stelt dat "blijkbaar de werklast niet zo sterk afhankelijk wordt geacht van inwonersaantallen als bij gemeenten het geval is." Maar de adviescommissie zegt ook dat daar eigenlijk geen onderzoek naar is gedaan. Er is geen feitelijke maatstaf om te kijken of er gedifferentieerd zou moeten worden en kunnen worden, omdat het takenpakket en de zwaarte daarvan misschien per provincie verschillen. Dan mijn laatste vraag aan de minister. Dat komt vreemd op mij over. Kan de minister toezeggen dit te laten onderzoeken en mee te nemen in het vervolgproces naar aanleiding van het adviesrapport van ARPA?
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Fijn te horen dat ook JA21 net als wij kritisch is op herindelingen en het samenvoegen van gemeenten. Zou het wat JA21 betreft wellicht een goed idee zijn dat een referendum voortaan verplicht wordt om aan te tonen dat er maatschappelijk draagvlak voor een herindeling is?
De heer Clemminck (JA21):
Dat is inderdaad mijn intentie met het initiatiefwetsvoorstel dat ik nu uitwerk. Daarbij moet ik wel meteen tegen de collega zeggen dat ik er wel aan hecht dat de uiteindelijke beslissing wordt genomen door de gemeenteraad en het gemeentebestuur, maar zoals het nu gaat vind ik de definitie van wanneer er draagvlak is ontstaan voor een herindeling, onvoldoende, en daarom wil ik inderdaad een referendum invoeren. Maar uiteindelijk is het aan het gemeentebestuur om de keuze te maken, en wat mij betreft aan minister en Kamer om een procesrol te hanteren.
De voorzitter:
Is dat voldoende? Of heeft u nog een vervolgvraag?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Duidelijk antwoord.
De voorzitter:
Prima. Dan is het woord aan u, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. We spreken vandaag met elkaar over de versterking van het lokale bestuur en de lokale democratie. Ik kan me goed vinden in veel van wat er in de brieven staat. Over zaken waar het kabinet zich zorgen over maakt, maken wij ons ook heel veel zorgen: het verdwijnen van de lokale autonomie en beleidsvrijheid. Daar staat of valt alles mee, want het heeft natuurlijk geen zin om een lokale, regionale of provinciale democratie te hebben als je niet de beleidsvrijheid hebt om besluiten te nemen op die niveaus. Daarover wil ik toch even een algemeen punt maken. Dat staat onder druk. Dat staat eigenlijk ook in die brief, en dat is een goede zaak, maar — en dat is de eerste vraag die ik heb — komt dat niet ook doordat heel veel al vastligt in internationale verdragen en regelgeving van de Europese Unie. Dat zien we ook in de Kamer dagelijks, wekelijks; we merken dat heel vaak op. Daardoor begint al het probleem met die beleidsvrijheid. We hebben bijvoorbeeld dat Parijsakkoord ondertekend, zitten aan de Klimaatwet vast en de Europese verplichtingen, en dat sijpelt zo door. De provincie moet windmolens plaatsen. Ze kunnen dan nog wel kiezen waar precies, maar in principe moet dat gebeuren in die RES-regio's en uiteindelijk komt die windmolen dan in een gemeente te staan. Wij noemen dat globalisme, en dat probleem begint hier eigenlijk in de Tweede Kamer: we zijn zo veel beleidsvrijheid en autonomie kwijtgeraakt dat de verplichtingen die daaruit volgen doorsijpelen naar de provincie en vervolgens ook de gemeenten. Dat geeft ook allerlei spanningen tussen die bestuurslagen. Neem migratie. We zijn natuurlijk heel erg tegen de massamigratie, maar oké, daar hebben we ons toe verplicht en dat zit in Europese verdragen en het Vluchtelingenverdrag. En dat moeten we dan uitvoeren. Nu hebben we ook nog die dwangwet, wat straks de gemeenten onder druk gaat zetten. Mijn algemene vraag aan de minister is dus: zit in al die internationale verdragen en verplichtingen niet een hele grote bedreiging voor onze democratie? Dat geldt dus voor alle niveaus, omdat het de autonomie uitholt en omdat het spanning tussen al die bestuurslagen oplevert. Dat is mijn eerste algemene vraag, want dat vind ik de essentie.
Dan meer concreet: in de brief staat dat die verplichte samenwerkingsverbanden voor gemeenten de autonomie uithollen. Het is fijn dat dat probleem in ieder geval wordt opgemerkt. Het probleem begint al met het feit dat ze verplicht zijn. De gemeenten moeten erin zitten. Die samenwerkingsverbanden worden ook niet gekozen, dus ze berusten niet op een democratisch mandaat. Het is dus allemaal heel problematisch. Op zich is het mooi dat het wel in die brief wordt gesignaleerd, maar wat gaat de minister daar dan aan doen? Want dan zou je wellicht kunnen overwegen om in ieder geval de verplichting van samenwerkingsverbanden eraf te halen. Dat zou ik dan heel logisch vinden, maar dat lees ik dan weer niet.
Tot slot. We hebben een uitvoerig debat gehad over de herindeling van Wijdemeren. De heer Clemminck zei er net ook al iets over. Wat ons betreft zou een herindeling pas na een referendum moeten kunnen. Het gaat over het voortbestaan van een gemeente. De minister denkt daar, zo hebben we in het debat gezien, anders over. Die is niet per se tegen een referendum, maar het mag niet verplicht worden opgelegd.
Maar dan iets anders waar ik me zorgen over maak, want ik zie dat er bij herindelingen vaak een waarnemend burgemeester is. Dat zagen we ook in Wijdemeren. Die staat heel zwak, want die kan — ik heb dat in het debat ook opgemerkt — ook heel snel ontslagen worden door de commissaris van de Koning. Dat is natuurlijk niet goed, hè. Op dat moment staat het voortbestaan van de gemeente op het spel en dan moet je een hele sterke burgemeester hebben, die helemaal geworteld is in die gemeente. Dat was bij Haren ook anders. Gewoon een algemene vraag: zou het niet zo moeten zijn dat als je dan al op een herindeling aanstuurt … Wij zijn daartegen. Die burgemeester zou in ieder geval natuurlijk heel sterk moeten staan. Is het dan wenselijk dat dat een waarnemend burgemeester is? Want dat is vaak zo. Hoe kijkt de minister daartegen aan?
We zijn natuurlijk ...
De voorzitter:
Meneer Van Houwelingen, er is een interruptie van de heer Clemminck.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, ik zie het.
De heer Clemminck (JA21):
In het debat over Wijdemeren en Hilversum heb ik het inderdaad ook gehad over het feit dat het mij opviel dat er vaak waarnemend burgemeesters zijn op het moment dat een gemeente uiteindelijk heringedeeld wordt. Dan bedoel ik niet zozeer het herindelingsbesluit zelf, maar het traject daarvoor. Is het überhaupt wenselijk dat je een gemeente gaat herindelen op het moment dat daar geen permanente, volwaardige burgemeester zit? Zou het niet veel beter zijn om te zeggen: nee, op het moment dat er een waarnemend burgemeester zit — dat kan om allerlei redenen zijn: vanwege pensioen of gezondheid — is het eigenlijk niet het juiste moment om zo'n gemeente aan een herindeling te onderwerpen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank voor de vraag. Dat is precies wat ik wil betogen. Ik ben het er helemaal mee eens. Dat zou niet moeten gebeuren. Dan zou je eigenlijk je handen even van die gemeente af moeten trekken. Die gemeente — ik heb dat in het debat uitvoerig betoogd — wordt vervolgens vaak onder druk gezet door de provincie. En wie is de baas van de provincie? De commissaris van de Koning, en dat is degene die op elk moment de burgemeester kan ontslaan. Dat is natuurlijk een hele, hele vreemde situatie, dus dat zou je niet moeten willen; dat ben ik helemaal met u eens. Dat zou eigenlijk nooit mogen plaatsvinden. Net zoals u zijn we dus … Ik vervolg mijn betoog, voorzitter, tenzij …
De voorzitter:
Dat zou heel mooi zijn, meneer Van Houwelingen, maar u hebt nog een interruptie van mevrouw Huizenga.
Mevrouw Huizenga (D66):
U heeft het vooral over herindelingen. Daar hebben we voor de zomer een heel mooi debat over gehad. U heeft het over de burgemeesters. Nou noemde ik daarnet dat 70% van de burgemeesters geïntimideerd en bedreigd wordt, waardoor het steeds moeilijker is om voor het ambt van burgemeester en wethouder goede mensen te vinden. Hoe kijkt u daar dan tegen aan? Kunt u daar nog wat over zeggen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat vindt iedereen hier, en wij natuurlijk ook, zeer zorgelijk. Bedreigingen zouden nooit moeten plaatsvinden. Ik wil daaraan toevoegen dat ik trouwens wel een keer aan het kabinet heb gevraagd hoe ernstig dit probleem is. Je hoort dat heel vaak en ik ga het zeker niet bagatelliseren, maar dan zou je verwachten dat ook ooit een keer … En dat moet ook zeker gebeuren. Als mensen geweld plegen, moeten ze veroordeeld worden tot een straf. Dan moet er ook een openbaar vonnis zijn. Ik heb daar weleens Kamervragen over gesteld. Het kabinet kon geen enkel vonnis van een rechter produceren waarin iemand veroordeeld is voor geweld tegen een politicus. Gelukkig is dat niet gebeurd. Intimidatie is niet goed. Dat moet nooit gebeuren. Maar uitmonden in geweld, wat natuurlijk al helemaal niet moet gebeuren: daar is niet eens een vonnis over. Er is dus blijkbaar een probleem met intimidatie, maar ik heb af en toe de indruk, om toch even een tegenwoord te bieden, dat het buiten alle proporties wordt opgeblazen. Er ligt natuurlijk een grens. Intimidatie mag al niet, maar bij geweld wordt het pas echt gevaarlijk. Dat hebben we niet … Tenminste, er is niet eens een vonnis bekend bij de regering — dat hebben we gevraagd — waarbij iemand veroordeeld is omdat hij geweld pleegde. Je moet natuurlijk voor zo'n veroordeling zijn, maar ik vraag me af: in hoeverre wordt dit … Want dit verhaal circuleert maar de hele tijd: iedereen wordt bedreigd en er is heel veel geweld. Dat mag nooit plaatsvinden. Maar hoe groot het probleem is, is mij dus niet helemaal duidelijk als het om geweld gaat. Dat mag natuurlijk nooit plaatsvinden.
Ik vervolg mijn betoog, als dat kan.
De voorzitter:
Is er nog een vervolgvraag?
Mevrouw Huizenga (D66):
Nou, het gaat niet alleen om geweld. Het gaat om intimidatie, bedreigingen, online en offline, waardoor heel veel mensen zich niet beschikbaar stellen. U had het erover dat we willen dat er goede burgemeesters aan de slag gaan. Hoe verhoudt goede mensen krijgen en het ambt waarderen zich tot die intimidatie en bedreigingen? Daar moeten we met z'n allen voor gaan staan als we het hebben over versterking van het lokaal bestuur.
De heer Van Houwelingen (FVD):
We zijn het er natuurlijk over eens dat bedreigingen nooit goed zijn. Dat zorgt er inderdaad voor, en dat is heel kwalijk, dat er mensen zijn die zich misschien zouden willen kandideren als waarnemend burgemeester of als burgemeester en die dat dan niet doen. Dat is een hele slechte zaak. Ja, dat spreekt voor zich. Daar zijn we het helemaal over eens.
De voorzitter:
U kunt uw betoog vervolgen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot. Ik ga naar een afronding toe. De burgemeester zou natuurlijk gekozen moeten worden. Dat is al niet het geval. Maar ook het ontslag van de burgemeester — ik heb er net al wat over gezegd — gaat nu via de commissaris van de Koning als het een waarnemend burgemeester is of via de minister als het een permanente burgemeester is. Dat vind ik dus ook onwenselijk als het om lokale autonomie gaat. Zou dat niet … De enige instantie die een burgemeester zou moeten kunnen ontslaan, is natuurlijk de gemeenteraad. Die is democratisch gelegitimeerd. Dus waarom kunnen de minister en de commissaris van de Koning een burgemeester ontslaan? Een gemeenteraad kan dat eigenlijk niet eens direct; dat moet ook via de minister. Ik vind dat heel … Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt vanuit het principe waar we het vandaag over hebben, lokale autonomie.
Dan helemaal tot slot. In Amerika is het zo dat je gezagsdragers, bijvoorbeeld een governor, soms … Dat heet een "recall". Dan kan er een referendum komen …
De voorzitter:
Meneer Van Houwelingen, er is nog kort tijd, dus u moet afronden.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, ik heb het gemeten. Ik heb nog twintig seconden, volgens mij.
De voorzitter:
Goed zo.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik houd het helemaal bij. Bij een recall kunnen inwoners zeggen: we houden een referendum. Als de meerderheid dat wil, dan moet die burgemeester in ieder geval vervangen worden. Om dat recht in een verordening vast te leggen … Dat kan nu natuurlijk niet, maar zou dat niet ook een goede zaak zijn? Dat is gewoon een suggestie die ik hier opwerp.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Houwelingen. Prima timemanagement. Er is geen voorzitter voor nodig. Keurig! Ja, zelfsturend, zoals ik de heer Vermeer hoor zeggen. Ik zit even met de tijd, want we zouden om 13.25 uur schorsen. Ik kijk even naar mevrouw Tseggai. U bent nu aan de beurt en uw bijdrage zal ook vijf minuten zijn. We kunnen ook afspreken dat de interrupties dan daarna plaatsvinden of dat we nu schorsen. Zullen we nu maar schorsen? Dat geeft wel wat meer rust. Ja? Helemaal goed. Dan stel ik voor dat we nu schorsen, en even voor de publieke tribune en de mensen thuis: we komen weer terug nadat wij in de plenaire zaal hebben stilgestaan bij het overlijden van de heer Wallage.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Het woord is aan mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Voorzitter, dank u wel. We spreken vandaag over een belangrijk thema: de versterking van het decentraal bestuur. We zien dat het decentraal bestuur steeds verder onder druk komt te staan, of het nu burgemeesters zijn die geconfronteerd worden met georganiseerde criminaliteit, zoals in Overasselt, of met onrust over de opvang van vluchtelingen, of simpelweg met de bezuinigingen op belangrijke voorzieningen die ze in gemeenten moeten doorvoeren, maar die ze eigenlijk ook niet goed kunnen uitleggen. We vragen veel van gemeenten, provincies en waterschappen. We moeten hen dan ook in staat stellen om hun werk goed uit te kunnen voeren en we moeten achter hen staan wanneer dat nodig is.
Voorzitter. Om de medeoverheden hun werk goed te laten doen, moeten zij natuurlijk voldoende middelen hebben. De afgelopen jaren hebben veel fracties hier in de Kamer daar zorgen over uitgesproken. Zonder voldoende financiën kunnen belangrijke sociale voorzieningen niet overeind blijven, maar kan ook cruciaal onderhoud van bijvoorbeeld wegen en bruggen niet goed worden uitgevoerd. De afgelopen jaren zagen we steeds dat gemeenten lieten weten dat de middelen onvoldoende zijn. Het kabinet — "vorige", moet ik erbij zeggen — zei dat het allemaal wel meeviel, maar onderzoeken en rapporten laten zien dat er wel degelijk grote zorgen zijn. Dit kabinet heeft gelukkig aangegeven dat het de financiële zorgen van medeoverheden begrijpt, maar ik vraag me af wat deze warme woorden concreet betekenen. Ik zou graag van de minister horen wat het tijdpad is voor verdere afspraken met medeoverheden wat betreft de financiële middelen.
Voorzitter. Sterk decentraal bestuur moet ook goed ondersteunde volksvertegenwoordigers kennen. Op dit vlak zie ik nog wel een aantal belangrijke punten van aandacht. Allereerst de verlofregeling. In het recente advies van het ARPA wordt hier ook opnieuw aandacht voor gevraagd. Op dit moment is de verlofregeling er alleen voor zwangerschap en bevalling en voor ziekte. Het moet steeds in een vaste verlofperiode van zestien weken. Dit is qua verlofgronden heel beperkt en qua duur heel star. Mijn fractie zou het goed vinden als er meer mogelijkheden komen. Wij hebben dan ook een initiatiefwet ingediend, want het is belangrijk dat volksvertegenwoordigers hiervan gebruik kunnen maken wanneer dat gewenst is. Zo maken we de politiek ook toegankelijker voor verschillende mensen.
Een ander belangrijk punt uit het advies van het ARPA zijn de vergoedingen voor decentrale politieke ambtsdragers. De vergoedingen zijn geïndexeerd, maar ze zijn nooit meegegroeid met de structurele verzwaringen van het ambt. Het is wat mij betreft belangrijk dat er stappen worden gezet, ook in het algemeen, om de decentrale politieke ambtsdragers en hun rechtspositie te versterken, omdat we anders steeds minder mensen bereid zullen vinden om het werk te doen of minder mensen kunnen vinden die het werk financieel kunnen dragen. Ik zou het fijn vinden als de minister zou kunnen toezeggen dat er nog dit jaar een kabinetsreactie op het advies van het ARPA komt. Ik hoor ook graag hoe hij hiernaar kijkt.
Verder kan ik me aansluiten bij de vragen van D66 op het punt van bedreigingen. We weten dat dit niet alleen vrouwen overmatig vaak overkomt, maar ook politici met een migratieachtergrond. Zou de minister daar eens op kunnen reflecteren en misschien ook een update kunnen geven van waar hij in dat licht mee bezig is?
Voorzitter. Dan kom ik ook nog bij het zogenoemde verlengde decentraal bestuur, een technisch verhaal over gemeenschappelijke regelingen. Heel veel medeoverheden werken in regionaal verband samen om met elkaar taken uit te voeren. Op zich is dat natuurlijk goed, maar de democratische controle is daardoor wel problematisch, want je kunt als volksvertegenwoordiger, zeg ik ook uit eigen ervaring, de besluitvorming in de regio vaak moeilijk volgen. Je kunt ook niet als enige gemeente ergens voor gaan liggen, want dat heeft effect op de hele regio. Ik vraag me af hoe de minister hiernaar kijkt.
Een ander punt waar ik me in het licht van democratische controle zorgen over maak, is de aandacht van regionale media voor al die verschillende gemeenteraden die je in één regio kunt hebben. Het is …
De voorzitter:
Mevrouw Tseggai, u heeft ondertussen een interruptie van de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Mevrouw Tseggai was bij het punt van de gemeenschappelijke regelingen. De collega zei dat het eigenlijk niet de bedoeling kan zijn — ik parafraseer een beetje — dat één gemeente een besluit van zo'n regionale samenwerking kan blokkeren, maar ik redeneerde in mijn bijdrage precies andersom. Is het eigenlijk wenselijk dat een gemeenteraad met budgetrecht geen democratisch lokaal besluit over een gemeenschappelijke regeling kan nemen, omdat een meerderheid in de regio dat niet toelaat? Ik ben wel benieuwd naar de reactie van de collega.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Misschien heb ik me verkeerd uitgedrukt, want dat was precies wat ik bedoelde. Mijn ervaring als gemeenteraadslid was als volgt. Wij zaten met tien andere gemeenten in een samenwerkingsverband. Als je iets wilde veranderen aan bijvoorbeeld de inkoop van jeugdzorg, was dat heel lastig, want die tien andere gemeenten hadden misschien al akkoord gegeven of hadden weer andere wensen et cetera. Volgens mij zijn we het dus met elkaar eens, zeg ik tegen de heer Clemminck.
Voorzitter. Voor die gemeenschappelijke regelingen is het belangrijk dat regionale journalisten die goed kunnen volgen. Ik heb net uitgelegd dat ik me daar zorgen over maak. Herkent hij dit? Welke concrete mogelijkheden ziet hij voor zich om gemeenschappelijke regelingen verder transparant te maken en de democratische controle te versterken, zowel vanuit de volksvertegenwoordiging als vanuit de media?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort op dit punt. Mevrouw Tseggai is gemeenteraadslid geweest. Zou het wellicht goed zijn — wij pleiten hiervoor — om gemeenten in ieder geval niet te verplichten om in een aantal van de regelingen van jeugdzorg te zitten? Dat is nu vaak verplicht. Als dat niet zo is, dan kun je in ieder geval zelf besluiten om je eruit terug te trekken.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik niet zo'n groot probleem zie in het verplichtende karakter. Heel veel gemeenten willen juist samenwerken. Het is best lastig om als kleine gemeente in je eentje allerlei soorten jeugdzorg in te kopen. Alleen, we moeten gewoon veel meer oog hebben voor de democratische controle ervan.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort. Het kan toch ook voorkomen — die gemeentes zijn er volgens mij ook wel; misschien was het bij u zelfs ook wel het geval — dat je als gemeente op een gegeven moment denkt: "Dit lukt niet in het samenwerkingsverband. Laten we het maar alleen doen. Dan hebben we 100% democratische controle. We willen er dus uit." Dat kan nu niet.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik denk dat je ook echt wel 100% democratische controle kunt bereiken in een samenwerkingsverband. We moeten dat gewoon beter vormgeven en waarborgen. Ik zie dus niet zozeer een probleem in het verplichtende karakter. Ik zie meer het probleem in de democratische controle ervan.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vraag me af of mevrouw Tseggai weet dat we in '21 of '22 al een wetswijziging hebben gehad die het juist mogelijk maakt om via raadscommissies meer democratische controle toe te passen op die gemeenschappelijke regelingen. Het is aan de gemeenteraad zelf of ze dat initiatief nemen. Zij kunnen ook binnen hun gemeente overleggen hoe de procesvorming plaats moet vinden en ervoor zorgen dat ze van tevoren op de hoogte zijn van de agenda's rond de gemeenschappelijke regeling. Ze kunnen er dan over praten en hun college ook echt iets meegeven.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik ben me bewust van de wetswijziging, maar daarin zit misschien juist wel precies het probleem. Er zijn mogelijkheden, maar niet elke gemeente is bekend met die mogelijkheden of maakt er gebruik van. Intussen zit je met wel tien of vijftien verschillende gemeenten in een samenwerkingsverband die er allemaal anders mee omgaan. Ik denk dat je dat veel beter moet stroomlijnen, juist ook met al die gemeenten die tegelijkertijd in de gemeenschappelijke regelingen zitten. Daarmee zeg ik trouwens niet dat de wetswijziging een verkeerde stap was — ik denk dat de wetswijziging met hele goede intenties en redenen is gemaakt — maar ik zeg dat het nog beter kan. Er zijn te veel raadsleden die het best wel lastig en ondoorzichtig vinden.
De voorzitter:
U mag de laatste halve minuut van uw betoog vervolgen.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Een van die gemeenschappelijke regelingen is de VTH: het vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingsbeleid. De financiering daarvan is al best wel lang een punt van zorg. Wat mijn fractie betreft is daar onafhankelijke financiering voor nodig. Ik vroeg me af hoe de minister daarnaar kijkt.
Als laatste: veel taken zijn bij gemeenten, provincies en waterschappen belegd, maar de wetgeving om hen ook de juiste bevoegdheden te geven is niet altijd adequaat. Neem bijvoorbeeld de waterschappen die vroegtijdig aan tafel zouden moeten zitten bij woningbouwplannen. Herkent de minister dit? Hoe gaat hij dit samen met medeoverheden beter regelen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is nog een interruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
In een tussenzinnetje gaf mevrouw Tseggai even een sneer naar kabinet-Schoof, terwijl we in dat kabinet met onze fractie 3 miljard extra voor het gemeentefonds geregeld hebben. De rest van de partijen was daar niet zo in geïnteresseerd. Het gat is ontstaan door de kabinetten daarvoor. Mevrouw Tseggai zegt dat dit kabinet er goed mee bezig is. Heeft zij de eerste begroting van dit kabinet gezien? Hoeveel extra staat er dan in voor gemeentes?
Mevrouw Tseggai (PRO):
Nee, ik heb niet gezegd dat het kabinet goed bezig is. Dat zou veel te aardig zijn van de grootste oppositiepartij! Ik heb laten weten dat ik het idee heb dat het kabinet deze zorgen herkent, maar dat ik er nog concrete stappen in mis. Als de heer Vermeer zegt dat de financiën van het gemeentefonds veel beter geregeld moeten worden en er wat bij moet, dan vindt hij mij aan zijn zijde.
De voorzitter:
Volgens mij wil de heer Vermeer nog een interruptie plegen.
De heer Vermeer (BBB):
Dan ben ik gerustgesteld, maar ook weer niet, want dan is er dus nog geen extra geld. Mevrouw Tseggai heeft het in ieder geval nog niet gevonden. Ik neem aan dat ze dat aan de heer Klaver wil doorgeven en we daar volgende week over spreken.
De voorzitter:
Wilt u een reactie geven, mevrouw Tseggai?
Mevrouw Tseggai (PRO):
De lijntjes met de heer Klaver zijn uiteraard heel kort.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. BBB heeft met waardering kennisgenomen van de Kamerbrief die de minister vorige week naar de Kamer heeft gestuurd. In de brief staan veel zaken waarvoor BBB zich al langer inzet: sterke en vitale regio's, aandacht voor kleinere gemeentes, betere samenwerking tussen overheden en een betere balans tussen taken, bevoegdheden en financiële middelen. Daarvoor verdient de minister een compliment. Uit de brief spreekt het besef dat Nederland niet ophoudt bij de grenzen van de Randstad. Inwoners moeten kunnen rekenen op een overheid die begrijpelijk, bereikbaar en uitvoerbaar beleid maakt, ongeacht of zij in Amsterdam, de Achterhoek, op de Wadden of in Zuid-Limburg wonen.
BBB is ook positief over de inzet om het Rijk en de regio als gelijkwaardige partners te laten samenwerken. Te vaak bedenkt het Rijk plannen en mogen gemeenten en provincies vervolgens uitzoeken hoe ze die moeten uitvoeren en betalen. Daardoor dreigen Haagse hobby's ervoor te zorgen dat dorpshuizen en kleine verenigingen hun deuren moeten sluiten.
Tijdens een plenair debat enkele maanden geleden hebben wij met de minister gesproken over de manier waarop hij invulling geeft aan de Gemeentewet en de Financiële-verhoudingswet. BBB vreesde dat de uitleg in een eerdere Kamerbrief ertoe zou leiden dat nieuwe taken niet langer standaard gepaard zouden gaan met voldoende financiële middelen voor decentrale overheden. Gelukkig komt de minister daar in zijn brief van vorige week op terug en bevestigt hij dat nieuwe taken ook financieel goed moeten worden onderbouwd en getackeld. In simpele BBB-taal: geen taken zonder knaken.
BBB heeft hierover nog een aangehouden motie liggen, die we nog wat aangescherpt hebben en volgende week in stemming komt. Gemeentes, provincies en waterschappen ervaren namelijk nog steeds dat zij wel nieuwe taken krijgen, maar niet de middelen. Kan de minister de motie in dat licht als ondersteuning van zijn eigen inzet beschouwen? Vandaag is de motie weer in het systeem gekomen. U kunt 'm ook bij mij even opvragen.
BBB steunt daarnaast de extra aandacht voor de bestuurskracht van kleinere gemeentes. Kleinere gemeenten behoeven wat BBB betreft niet automatisch te fuseren of onderdeel te worden van steeds grotere samenwerkingsverbanden, zoals bijvoorbeeld in Hilversum en Wijdemeren gebeurt. Zij verdienen eerst voldoende ruimte en middelen om zelfstandig hun werk goed te doen. Welke concrete maatregelen gaat de minister nemen om kleinere gemeenten hierin beter te ondersteunen en zo fusies zonder maatschappelijk draagvlak te voorkomen?
Voorzitter. Hoewel de brief veel goede voornemens bevat, mag er van BBB op sommige punten nog wel een tandje bij. We hebben ook nog een aangehouden motie over de invoering van de plattelandstoets bij nieuwe wet- en regelgeving. We hebben die aangehouden omdat de minister met een brief zou komen. Wanneer kunnen we die verwachten?
Voorzitter. Dan nog iets over de Nederlandse waterschapsbestuurders. De taken en verantwoordelijkheden van dijkgraven, heemraden en algemeen bestuursleden zijn de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. De opgaven rond waterveiligheid, klimaat, zoet water, waterkwaliteit en ruimtelijke ordening vragen steeds meer van onze bestuurders. Tegelijkertijd lijkt de systematiek van hun vergoedingen daar niet altijd voldoende op aan te sluiten. Is de minister bereid om bij zijn reactie op het ARPA-advies ook de rechtspositie en vergoedingen van dijkgraven, heemraden en algemeen bestuursleden integraal te bezien in samenhang met de ontwikkelingen in andere bestuurslagen?
Daarnaast gaat het mij ook om de toerusting van deze bestuurders. Het kabinet investeert terecht in de kennis, opleiding en ondersteuning van politieke ambtsdragers en noemt daarbij zelf het belang van een sterk, goed toegerust decentraal bestuur. Maar de huidige subsidieregeling voor de beroeps- en belangenverenigingen is beperkt tot een aantal verenigingen binnen gemeenten en provincies. Waterschapsbestuurders vallen daarbuiten. Dat roept de vraag op welk uitgangspunt hier wordt gehanteerd. Waterschappen zijn volwaardige, decentrale overheden. Hun bestuurders staan voor complexe en steeds belangrijker wordende publieke opgaven. Mijn vraag aan de minister is dan ook: waarom wordt de kennisinfrastructuur voor deze bestuurders niet op vergelijkbare manier ondersteund? Is de minister bereid de subsidieregeling daarom ook open te stellen voor representatieve beroeps- en belangenverenigingen van dijkgraven, heemraden en algemeenbestuursleden?
Voorzitter, tot slot. De richting is goed; de minister verdient onze complimenten. Nu nog een tandje erbij en volgende week geld erbij om deze mooie woorden om te zetten in concrete resultaten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vermeer. Dan ga ik naar de heer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik zit nog even bij te komen. Henk ... Sorry, de heer Vermeer die een compliment geeft aan dit kabinet! Dat is uniek.
Nee, om even met de deur in huis te vallen: sinds ik dit mooie ambt uitvoer en me bemoei met de versterking van decentraal bestuur, krijg ik hier — ik heb even zitten turven — de meeste mailtjes over. Ieder Kamerlid krijgt veel mailtjes, maar hier krijg ik er veel over, met name van gemeenteraadsleden en burgemeesters.
Ik probeer nu toch even de kern te vinden: alles valt en staat met voldoende financiële middelen, maar ook met duidelijkheid in de spelregels. Versterking van het lokale bestuur begint echt met een houdbaar en realistisch financieel kader. Daarover zitten mensen nog te veel in de mist. We hebben de minister een handje geholpen met onze motie van voor de zomer inzake inflatiecorrectie op basis van nacalculatie voor gemeenten; die is aangenomen. Die gaat om iets dat ongelofelijk belangrijk is. Voor ons is de kern die duidelijkheid: waar kan ik financieel wel en niet op sturen en waar ligt mijn ruimte? De vraag is natuurlijk duidelijk. Kan de minister aangeven hoe en wanneer hij deze motie uit gaat voeren?
Het is uitstekend dat de minister het lokale bestuur probeert te versterken met beleidskaders, uitvoeringstoetsen enzovoort, maar als de basis niet op orde is — dat komen we helaas toch ook tegen — leidt het beleidskader niet tot het gewenste resultaat. Daar zit veel spanning op. Toetsingskaders, criteria, verantwoordelijkheidsdeling: het is allemaal belangrijk en het moet er zijn, maar als er structureel onvoldoende financiële middelen zijn om al die getoetste taken en verantwoordelijkheden uit te voeren, of er onduidelijkheden zijn rond die middelen, dan mist er iets cruciaals, en dat is toch vertrouwen. Daar worstelen veel gemeenteraadsleden en burgemeesters mee: hoe leg ik mijn mensen uit dat sommige dingen niet of wel kunnen en wat zijn dan de criteria? Dat is hinderlijk en ik benijd sommige gemeenteraadsleden en burgemeesters niet.
Het is al eerder gezegd, onder andere ook weer door de Raad voor het Openbaar Bestuur in een publicatie van afgelopen zomer: er is disbalans tussen taken, middelen en bevoegdheden. Waar staan we nu? Dat is echt een oprechte vraag naar aanleiding van dit rapport. Het uitgangspunt voor toekomstige decentralisatie zou echt moeten zijn: eerst moet de financiering in relatie tot betreffende taken op orde zijn. Ik hoorde het hier al meer zeggen, dat is heel populair geworden: geen taken zonder knaken. Dan bij dezen ook vanuit 50PLUS. Er moet dus een passend bestuurlijk financieel arrangement zijn. Waar staan we daar nu in, en waarmee kunnen wij vanuit de Kamer de minister nog helpen om daar echt goed op te sturen en beleidsrust te krijgen rondom de gemeentes? Het is namelijk woelig in de gemeentes.
De beleidsvrijheid is echt een groot goed en daar staan we achter, maar waar ligt nou de grens? Wanneer gaat de minister sturen, en wanneer gaat de Kamer sturen? Die grens vervaagt. Je ziet natuurlijk dat de ene gemeente de andere niet is. Mijn gemeente, Rotterdam, heeft een van de grootste havens van Europa, met zijn eigen dynamiek. Maar neem bijvoorbeeld ook Baarn, met een enorme vergrijzing. Hoe zoek je met elkaar de ruimte waarin je kunt ... Ik doe het even aan de hand van uitersten, maar ik wil de visie van de minister weten: hoe kijkt hij naar de omstandigheden, die per gemeente echt anders kunnen zijn?
Kortom: we zien veel papier, moeilijke woorden, lange zinnen en goedbedoelde plannen, maar hoe helpt het beleidskader ons nu concreet in de praktijk? En, als we over drie jaar terugkijken, welke verbeteringen heeft het ons dan gebracht? Is er dan geen ravijnjaar geweest? Zijn de gemeentefinanciën op orde gebracht? Kortom: ik krijg veel toegenomen bureaucratische toestanden terug. Graag een reactie van de minister over hoe we die administratieve druk, die bureaucratie, toch een beetje terug gaan brengen, zodat iedereen ook beleidsruimte voelt.
Het is belangrijk dat BZK zijn stelselverantwoordelijkheid neemt, zonder top-downgedrag maar met veel vertrouwen. Kijk naar een passend bestuurlijk financieel arrangement. Dat is de kern die wij nastreven, en waar wij ook graag — dan sluit ik me toch maar aan bij de heer Vermeer — de minister mee willen helpen. Ik zit hier oppositie te voeren, maar tegelijk heel veel handreikingen te doen.
Daar sluit ik mee af. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Struijs. U heeft een interruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dat was natuurlijk een beetje uitlokking van de heer Struijs. Mijn vraag is of hij hier zit om oppositie te voeren of om volksvertegenwoordiger te zijn.
De heer Struijs (50PLUS):
Meneer Vermeer, u kent mijn antwoord: beide.
De voorzitter:
Dit was uw laatste interruptie, meneer Vermeer. Ik wil zelf ook graag het woord voeren. De heer Clemminck heeft aangeboden om het voorzitterschap over te nemen, dus bij dezen.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Boelsma-Hoekstra voor haar bijdrage.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Zoals inmiddels bekend is bij deze commissie, was ik tot 1 oktober vorig jaar wethouder of, zoals we hier zeggen, een decentraal bestuurder. Als bestuurder heb ik me vaak afgevraagd: wat verzinnen ze nu weer in Den Haag en hoe moeten we dit nu weer uitvoeren? Ik denk dat dat in deze zaal herkenbaar is. De laatste maanden is daar nog wat bij gekomen. Dat is dat we als Kamer veel vaker iets vinden van het handelen van bestuurders in de lokale politiek. Dat heb ik in recente debatten meegemaakt. Dat is toch veranderd. We vragen veel van het lokale bestuur en we vinden er ook nog iets van. Dat is op zijn zachts gezegd bijzonder. Een van de uitgangspunten van het CDA is dat verantwoordelijkheden belegd worden op het juiste niveau van besturen. Wij zijn ervan overtuigd dat je in eerste instantie moet kijken wat je zo dicht mogelijk bij de burgers kunt organiseren. Een lokale overheid die dicht bij de inwoners staat en waar de mensen zich in het bestuur herkennen, is een groot goed. Laat die besturen dan gewoon besturen zonder ons er vanuit Den Haag mee te bemoeien. Het is dus belangrijk om die verantwoordelijkheden te laten waar ze horen, medeoverheden het vertrouwen te geven en ze op tijd te betrekken. In het coalitieakkoord staat dat we op basis van de aanbevelingen van het rapport-Polman de samenwerking tussen overheden willen bevorderen, maar daar zitten ook een aantal aanbevelingen in die eerder om een verandering van houding vragen; niet om concrete acties, maar om een verandering van houding. Kan de minister schetsen hoe hij dit wil oppakken?
Dan een andere vraag. Ik heb 'm al veel vaker gesteld. Wordt de UDO, de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, nu consequent toegepast? Ik heb het idee dat we vorige week nog een wet behandeld hebben over decentraal bestuur waarbij er geen UDO was. Kamerleden, dus ook collega's van mij, blijven hier aandacht voor vragen. Wat is er nodig om dit voor elkaar te krijgen?
Op de agenda staat ook het onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar de behandeling van bezwaarschriften door gemeenten. Er ligt ook een wetsvoorstel voor dat al in 2024 in consultatie is gegaan. In het coalitieakkoord staat dat dit wetsvoorstel wordt doorgezet, maar voor zover wij weten is het nog niet naar de Raad van State. Zijn de uitkomsten van dit onderzoek meegenomen in het wetsvoorstel? Kan de minister aangeven wanneer de Kamer het wetsvoorstel kan verwachten?
Het ARPA-advies is hier al heel vaak benoemd. Ook onze vraag is: wanneer komt er een kabinetsreactie?
Voorzitter. Dan een vraag van een andere orde, een meer beschouwende vraag. Ik zou de minister willen vragen om te reflecteren op de vraag: wordt ons openbaar bestuur niet steeds ingewikkelder? Ik denk dan aan meer toezichthouders en instanties, meer interbestuurlijke rapportageverplichtingen en meer juridisering. Laat ik met regeldruk beginnen. Daarmee bedoel ik bijvoorbeeld de regeldruk die verschillende overheden elkaar opleggen: de enorme hoeveelheid interbestuurlijke rapportageverplichtingen. Wordt ook in het kader van een slagvaardige overheid — dat is wel een collega, maar ik stel de vraag hier toch — ingezet op het verminderen van rapportageverplichtingen tussen overheden? Volgens mij kun je je bij veel rapportageverplichtingen namelijk afvragen of het echt nodig is en het vraagt heel veel ambtelijke capaciteit. Naast regeldruk zien we ook een toenemende juridisering van het openbaar bestuur. Gemeenten moeten aan de lopende band beslissingen nemen die ze ook juridisch weer moeten onderbouwen. Als die niet helemaal juridisch deugen, kunnen ze aangevochten worden tot aan de Raad van State. Ook dit vraagt weer veel capaciteit van medeoverheden. De decentralisatie, de regeldruk en de juridisering van het openbaar bestuur drukken allemaal op de decentrale overheden. Bij kleine overheden is dat nog lastiger op te vangen dan bij overheden die veel meer middelen en meer ambtelijke capaciteit hebben. Deze zomer was ik in gesprek met de burgemeester van een van de Waddeneilanden. Dan hoor je dus dat er naast een afwijkende financiële situatie ook aandacht moet zijn voor gebrek aan uitvoeringscapaciteit. Dat is voor het CDA echt wel een zorg. Welke maatregelen gaat deze regering nemen om ook die kleine gemeenten veerkrachtig te houden, zodat ze zelfstandig kunnen blijven functioneren? Daar hebben meerdere collega's al vragen over gesteld. Misschien is het goed dat de minister ons daarvan op de hoogte brengt.
Voorzitter. Ik rond af. In Noord-Holland is men voortvarend aan de slag gegaan om het gesprek over de veerkracht van de lokale gemeenten aan te gaan. Dat zijn mooie voorbeelden. De veerkracht van gemeenten is groot, maar het is aan ons om die veerkracht niet af te remmen.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan draag ik het voorzitterschap weer aan u over.
De voorzitter:
Prima. Dan kijk ik even naar rechts en vraag ik de minister hoeveel tijd hij nodig heeft om de vragen te beantwoorden.
Minister Heerma:
Er zijn vrij veel vragen, over verschillende onderwerpen. Ik twijfel tussen een halfuur en 35 minuten. Het kan dus om tien over half of kwart voor. Wat u wilt, voorzitter.
De voorzitter:
Doe maar tien over half. In Friesland is dat twintig voor, dus ik moet in mijn hoofd altijd heel hard rekenen. Voor mij is het twintig voor drie en voor jullie is het tien over half drie. Dan doen we dat. Ik schors de vergadering tot twintig voor drie.
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. We gaan de vergadering voortzetten. Het woord is aan de minister voor zijn eerste termijn. Ik stel voor dat we weer vier interrupties toestaan. Ik denk dat de minister wel zal aangeven welke onderwerpen in de blokjes behandeld worden.
Minister Heerma:
Dank, voorzitter. Dat klopt. Dat was nog best een uitdaging, omdat het heel veel vragen over verschillende onderwerpen zijn. Ik heb uiteindelijk twee blokken. Het ene is goed bestuur en het andere het politieke ambt, dus bestuurders. Het is niet helemaal met een schaartje te knippen, dus excuses als er hier en daar een vraag ook in het andere blok had gekund. Het was even zoeken.
Allereerst mijn waardering voor het feit dat we zo snel na het reces met elkaar van gedachten kunnen wisselen over het belangrijke onderwerp versterking van het decentraal bestuur. Het decentraal bestuur is voor deze Kamer en voor deze minister belangrijk. Dat merk je in alle bijdragen. Dat is ook onderdeel van het brede besef dat voor de grote maatschappelijke opgaven waar we voor staan, de decentrale overheden cruciale partners zijn om mee samen te werken. Ik dank de commissieleden dus ook voor hun inbreng in eerste termijn.
Ik ga de twee blokken kort inleiden. Daarna ga ik mijn best doen om alle gestelde vragen te beantwoorden. Ik begin met de Actieagenda goed bestuur. Dank aan de heer Vermeer voor de complimenten over de brief van vorige week. Ik weet hoe scherp hij is, dus ik zal dit moment vieren. Ik weet namelijk dat dat niet elk debat zal gebeuren, gegeven zijn scherpte.
Nederland kent een sterke democratische rechtsstaat en een lange traditie als gedecentraliseerde eenheidsstaat. De kracht hiervan zit niet alleen in instituties en in wetten, maar vooral ook in mensen. We moeten echter onder ogen zien dat de gedecentraliseerde eenheidsstaat onder druk staat, onder andere vanwege de disbalans tussen sommige taken en verantwoordelijkheden van decentrale overheden. Het is dan ook niet voor niks dat een van mijn belangrijkste prioriteiten bij het ministerschap een goed functionerend en slagvaardig decentraal bestuur is. Voorafgaand aan het debat heb ik daarom mijn prioriteiten voor een goed functionerend bestuur via de Kamerbrief Actieagenda goed bestuur aan u doen toekomen. Mijn inzet richt zich op goede en gezonde interbestuurlijke verhoudingen, robuuste toedeling van taken en bevoegdheden, goede uitvoerbaarheid van decentraal beleid, een visie op de plek van de regio in ons bestel en een sterke lokale democratie. Zoals gezegd vragen de opgaven van deze tijd om een slagvaardige overheid en een uitstekende interbestuurlijke samenwerking. Dat is essentieel om grote maatschappelijke vraagstukken gezamenlijk en effectief op te kunnen pakken. Daarom werk ik met gemeenten, provincies en waterschappen aan een bestendiging en verbetering van de heldere afspraken over de onderlinge samenwerking. De adviezen van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen, in het vorige debat veelvuldig "de commissie-Polman" genoemd, naar aanleiding van de voorzitter, onder de titel "Samen bouwen aan resultaten" staan hierbij centraal. Ik kom hierop terug naar aanleiding van concrete vragen die hierover gesteld zijn, onder andere door de fractie van het CDA.
Goed bestuur vergt ook uitvoerbaar beleid, een heldere inrichting en goede wetgeving. De Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden draagt daaraan bij. U heeft in dat kader onlangs ook het beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur ontvangen. Daarmee wordt een passende taaktoedeling aan medeoverheden mogelijk gemaakt. Ik rond daarnaast binnen enkele weken een verkenning af over verbeterd inzicht in medebewindtaken, waar onder andere de BBB-fractie volgens mij nadrukkelijk naar vroeg. Op basis van die verkenning zal ik voorstellen doen over hoe de balans geborgd kan blijven. Vervolgens kan er een beter oordeel worden gegeven over de omvang van het gemeente- en provinciefonds in relatie tot het takenpakket van medeoverheden. Tot slot werk ik vanuit de actieagenda aan een rijksbrede visie op de rol van regio's en regionale samenwerking. Zoals ik u voor de zomer heb toegezegd, zal ik die voor het einde van het jaar toesturen. Die visie moet richting geven aan de plaats van de regio in het openbaar bestuur en aan de wijze waarop regie wordt gevoerd op de regionalisering. Daar zijn in dit debat verschillende vragen over gesteld. Ik kom daar zo op terug, maar dit is het kader waarbinnen dit valt.
Ik zal in dit blok dus onder andere ingaan op regiovorming, opschaling, bestuurskracht en de WGR, waar vrij veel over gezegd is. Daarna zal ik ook iets zeggen over financiële middelen van medeoverheden. Tot slot het kopje overig, of "varia", zoals sommige voorzitters dat noemen. Daarna ga ik over tot het tweede blok, dat meer gaat over de bestuurders zelf en hun weerbaarheid, waar onder andere de D66-fractie een groot deel van de inbreng aan besteedde.
Zowel de heer Van Houwelingen als mevrouw Tseggai vroegen: "Is er sprake van een democratisch tekort? Is er voldoende legitimatie bij gemeenschappelijke regelingen?" Bij gemeenschappelijke regelingen is inherent sprake van een afstand tussen de volksvertegenwoordiging en het bestuur van het samenwerkingsverband. Volgens mij refereerde de heer Vermeer al aan de laatste wijziging van de Wgr; hij had het over 2022. Zijn kennis klopt; volgens mij is de vormgeving in 2021 gedaan en is deze wet ingegaan per 2022. Bij deze laatste wijziging hebben we geprobeerd om deze afstand te verkleinen door de raad meer wettelijke mogelijkheden te geven om invloed en controle uit te oefenen op de besluitvorming door een gemeenschappelijke regeling. We zijn ons daarbij ervan bewust dat het legitimiteitsprobleem niet volledig zal worden opgelost; er blijft sprake van een verlengd lokaal bestuur.
De wijzigingen van de Wgr worden binnenkort geëvalueerd om te kijken of ze in de praktijk ertoe hebben geleid dat er meer grip en controle is voor de lokale volksvertegenwoordigers. Verder is het van belang je te realiseren dat we als Rijk ook een belangrijke rol spelen in de opkomst van gemeenschappelijke regelingen en andere samenwerkingsverbanden. Door steeds meer taken neer te leggen bij gemeenten, zien zij zich genoodzaakt om die onderlinge samenwerking op te pakken, want zelfstandig lukt het niet altijd. Ook worden er samenwerkingsverbanden als veiligheidsregio's, omgevingsdiensten en RES-regio's verplicht of semiverplicht opgelegd.
Maar er komt dus een evaluatie van de laatste wetswijziging, die er destijds juist op gericht was — de heer Vermeer verwees ernaar — om die democratische invloed lokaal te vergroten.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Goed om te horen dat er een evaluatie komt. Om daar alvast een beetje op vooruit te lopen het volgende. Ik denk dat heel veel raadsleden, Statenleden en waterschapleden niet altijd bekend zijn met de wettelijke mogelijkheden. Het lijkt mij goed als we hen daar beter over gaan voorlichten. Hoe kijkt de minister daarnaar? Is hij dat misschien al van plan, naar aanleiding van de evaluatie die nog uitkomt?
De voorzitter:
De minis…
Minister Heerma:
Het is niet ondenkbaar …
De voorzitter:
De minister.
Minister Heerma:
Excuus, voorzitter. De minister was iets te enthousiast. Hij heeft nu het woord. Het is niet ondenkbaar dat met de nieuwe raadsperiode niet alle nieuwe raadsleden er even goed van op de hoogte zijn, zoals mevrouw Tseggai al zei in haar bijdrage. Ik denk dat het goed is als we daar in de evaluatie aandacht aan besteden, maar ook kijken op welke wijze wij dit bij hen onder de aandacht kunnen brengen. Dat is een goede suggestie, waarvoor dank.
De heer Clemminck had het in dit kader in zijn bijdrage erover dat de bijdrage van gemeenten aan een gemeenschappelijke regeling bij meerderheid wordt bepaald. Ook hiervoor geldt dat als er afspraken over worden gemaakt, een individuele gemeenteraad het budgetrecht van de gemeenschappelijke regeling niet eenzijdig kan overrulen of blokkeren. Hoewel de gemeenteraad volgens de Gemeentewet het hoogste budgetrecht binnen de gemeente heeft, ligt het formele budgetrecht bij de gemeenschappelijke regeling bij het algemeen bestuur van die regeling. Zodra taken en bevoegdheden zijn overgedragen aan de gr, beslist het algemeen bestuur over de eigen begroting. Voordat een begroting van een gr wordt vastgesteld, krijgt de gemeenteraad de kans om een zienswijze in te dienen. Het dagelijks bestuur van de gr moet hierop reageren en motiveren wat ermee is gedaan.
Het algemeen bestuur kán echter, zoals de heer Clemminck ook zegt, de zienswijze naast zich neerleggen en de begroting alsnog ongewijzigd vaststellen. De heer Clemminck had het in dat kader over de toename van het aantal samenwerkingsverbanden. Ook had hij het, even los van het budgetrecht, over uittreedmogelijkheden; daar refereerde hij aan in zijn termijn. Artikel 9 van de Wgr verplicht deelnemers om afspraken te maken over de gevolgen van uittreding. Tot voor kort was dat geheel vormvrij. Daarmee bepaalde het ab van de gr de uittredingsvoorwaarden. Bij de laatste wijziging van de Wgr, waar de heer Vermeer eerder al aan refereerde, is toegevoegd dat in de regeling expliciet afspraken moeten worden opgenomen over de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen. Dit moet het voor een deelnemer aan de regeling makkelijker maken om te kunnen uittreden. Zoals ik zojuist heb aangegeven, worden de laatste wijzigingen van de Wgr binnenkort geëvalueerd. Dan kunnen we ook nagaan of deze wijzigingen het gewenste effect in de praktijk hebben. Als ik de heer Clemminck goed interpreteer, zit daar juist zijn zorg in. We kunnen in de evaluatie meenemen of zijn zorg daarmee verkleind kan worden.
De heer Clemminck (JA21):
Dat is helder wat betreft de uittreding. We wachten de evaluatie af. Ik maak mij er zorgen over dat als een gemeenteraad een democratisch besluit neemt en zegt graag te willen uittreden, zij in feite daar niet toe kunnen besluiten omdat een meerderheid in zo'n algemeen bestuur dat blokkeert of hoge eisen stelt aan die uittreding. Maar op dit punt wachten we de evaluatie af.
Als het gaat om het budgetrecht: wat de minister noemde, is de feitelijke beschrijving zoals ik die ook ken. De vraag was natuurlijk of de minister het passend vindt, gezien het budgetrecht van de raad. Het betekent immers feitelijk dat als een meerderheid in een algemeen bestuur zegt "we gaan de inwonerbijdrage van €4 naar €8 brengen" en de lokale gemeenteraad zegt "dat vinden wij geen goed idee, want wij gaan over het budgetrecht" of de raad heeft het geld simpelweg niet of heeft andere prioriteiten — het is zijn democratische legitieme verantwoording, zou ik zeggen — bewoners dan toch die €8 moeten gaan betalen. Mijn vraag was of de minister dit vindt passen bij het budgetrecht, dat bij de gemeenteraad ligt.
Minister Heerma:
Ik heb in mijn antwoord willen schetsen hoe dit werkt. Hoe daar lokaal mee wordt omgegaan, en dus ook welke keuzes daarin worden gemaakt, is in eerste instantie een aangelegenheid van het lokale bestuur. De laatste wetswijziging heeft op een aantal punten juist de mogelijkheden voor democratische legitimiteit voor het lokale bestuur vergroot, ook rondom uittreden. Voor de vraag hoe het in de praktijk gaat, verwijs ik toch naar de evaluatie. Dit is hoe het werkt. De laatste wetswijziging heeft geprobeerd om er een aantal dingen in te verbeteren die gaan over de legitimiteit. Laten we na de evaluatie dit debat verder met elkaar voeren en kijken hoe het in de praktijk heeft uitgepakt.
Mevrouw Tseggai stelde een vraag over omgevingsdiensten, die ergens juist weer een spanningspunt hebben met de vragen die zojuist gesteld zijn rondom gemeenschappelijke regelingen en de Wgr. Haar specifieke punt was dat de VTH er bekaaid van afkomt — zo zei ze het, geloof ik. Haar fractie vindt namelijk dat er sprake moet zijn van onafhankelijke financiering. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu bereidt in goed overleg met mijn departement een wetsvoorstel voor ter versterking van het VTH-stelsel. Uw Kamer wordt hier halfjaarlijks over geïnformeerd. In het interbestuurlijk programma Versterking VTH-stelsel is in een samenwerking tussen alle partijen de laatste jaren veel tot stand gebracht. Natuurlijk zal in dit verband ook worden gekeken naar de financiële aspecten, de bekostiging en de uitkeringsvorm.
Mevrouw Huizenga vroeg hoe we er in de praktijk voor gaan zorgen dat het beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur voldoende wordt gebruikt. Ik ga het beleidskader in samenhang met de UDO de komende periode proactief onder de aandacht brengen bij de verschillende onderdelen van de rijksoverheid. Daarbij wordt ook bezien of het beleidskader onderdeel kan vormen van het Beleidskompas. Met de koepels blijf ik in gesprek over het belang van een goede samenwerking bij het proces van taaktoedeling en ieders rol daarbij. Het voornemen is bovendien om het beleidskader elke vier jaar te evalueren en eventueel aan te passen.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ik las in de stukken dat het het idee is om eerst het beleidskader toe te passen en dan pas de UDO, maar dat er ook een overweging kan zijn om het andersom te doen. Kunt u daar nog iets over zeggen? We hebben nu het beleidskader, het Beleidskompas en de UDO. De instrumenten die we allemaal hebben, kunnen wat verwarring opleveren. Ik vind het belangrijk om het volgordelijk te doen en te bezien wat werkelijk bijdraagt aan beter beleid. Kunt u daar nog iets over zeggen?
Minister Heerma:
De volgtijdelijkheid zit 'm erin dat je eerst een afweging moet maken of het bij de gemeente of de provincie thuishoort. Indien dat het geval is, is er sprake van de UDO. Daar zit dus een volgtijdelijkheid in. Of begrijp ik de vraag verkeerd?
Mevrouw Huizenga (D66):
Dat is dus precies de vraag: waarom is die volgorde zo gekozen? Waarom kiezen we er niet voor om te kijken of iets überhaupt uitvoerbaar is voordat we een beleidskader toepassen? Dat heb ik nog niet scherp, dus misschien kunt u daar nog iets over zeggen.
Minister Heerma:
Ik kom in tweede termijn even terug op deze specifieke vraag. Ik wil het even heel goed wegen.
De heer Clemminck … Dit is zo'n voorbeeld van een vraag waarvan ik denk: hoort die nou hier thuis of in het laatste blok? De heer Clemminck vraagt naar het afwegingskader rondom burgemeesters en scenario's rondom taken. De taak van de burgemeester moet in balans zijn. Zie hiervoor ook het rapport getiteld "Teveel van het goede?" waarin daar al aandacht aan is besteed. De afgelopen decennia is het geheel van taken en bevoegdheden van burgemeesters aanmerkelijk toegenomen. Deze toename kan uitdagingen teweegbrengen in het ten uitvoer brengen van verschillende rollen en taken van burgemeesters. In samenwerking met het ministerie van JenV, en met betrokkenheid van de VNG, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en de Wethoudersvereniging is het afwegingskader burgemeestersbevoegdheden opgesteld. Dit kader biedt afwegingen die toezien op de toepasselijkheid van nieuwe burgemeestersbevoegdheden, met oog voor de uitvoer van al bestaande rollen en taken. Het expliciet afwegen van een nieuwe burgemeestersbevoegdheid draagt bij aan een zorgvuldige onderbouwing van toekomstige beslissingen. Dit kader heeft als doel het burgemeestersambt niet onnodig te verzwaren. Voor het einde van dit jaar komt er een Kamerbrief over dit afwegingskader. Hierin wordt de inhoud, de publicatie en de implementatie van het afwegingskader verder toegelicht.
De heer Clemminck (JA21):
Het gaat mij niet alleen om de zwaarte van het ambt; dat is zeer zeker zo. Mij gaat het er ook om dat een burgemeester vergaande bevoegdheden heeft en diep kan ingrijpen in het leven van burgers. Wat mij betreft heeft hij daar eigenlijk een democratisch mandaat voor nodig. Dat heeft een burgemeester niet. Ik merk ook in de praktijk dat raadsleden of zij die aan de formatietafel zitten bij gemeenten vaak niet scherp hebben welke taak je bijvoorbeeld bij een wethouder kan plaatsen. We zien voorbeelden uit het verleden, bijvoorbeeld na de Pim Fortuynrevolte, dat veel wethouders de taak van veiligheid hebben overgenomen van de burgemeester maar dat niet kunnen doen voor de wettelijke taken. Ik denk dus dat het zowel deze commissie als onze collega's in gemeenteraden zou helpen als we een goede en heldere uiteenzetting hebben van de taken en verantwoordelijkheden van de burgemeester, van wat nu wettelijk verplicht is aan het ambt van de burgemeester en waar je eventueel andere keuzes zou kunnen maken. Zit dat in het afwegingskader dat u nog naar de Kamer gaat sturen, vraag ik de minister.
Minister Heerma:
Sowieso geldt dat we kritisch kijken naar alle nieuwe bevoegdheden. Het zal voor de heer Clemminck geen verrassing zijn dat ik iets anders kijk naar het ambt van het burgemeesterschap en de link die hij legt. Hij zegt: zolang er geen gekozen burgemeester is, vind ik dit. Daar kijk ik echt anders naar. Er is een oproep gedaan in dit debat om op te letten en voor onze bestuurders te gaan staan in een klimaat waarin ze steeds meer onder druk staan. Ik weet dat de heer Clemminck zijn woorden altijd zorgvuldig weegt en geen bijdrage zegt te leveren aan het onder druk zetten van onze bestuurders, maar hij raakt hier ook aan een aantal wettelijke taken die in de wet staan en dus gewoon wettelijk daar belegd zijn. Ik zou ook zeggen: dat is bekend. Ik weet niet of daar een nieuw overzicht van maken een bijdrage levert.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Een aanvulling hierop, als dat kan. Er wordt dus in de gemeente bepaald wat de burgemeester kan doen, begrijp ik. Maar zou het niet mooi zijn, in het kader van lokale autonomie en democratie, als de gemeenteraad van een aantal taken kan zeggen: wij bepalen wie dat hier doet. Misschien wil de gemeenteraad zelf bevoegdheid hebben. Het wordt allemaal weer landelijk opgelegd. Dat is mijn punt. Waarom wordt er nou niet een keer gekeken of we dat misschien aan de gemeenten kunnen laten, zodat de gemeenteraad kan bepalen waar binnen die gemeente die taak wordt belegd? Misschien doen ze dat dan niet bij de burgemeester maar bij de wethouder of bij de gemeenteraad zelf. Is deze gedachte iets waar misschien weleens over wordt nagedacht? Dat is mijn vraag eigenlijk.
Minister Heerma:
Volgens mij geldt dat er allerlei autonome bevoegdheden zijn die sowieso bij de raad liggen. Als de heer Van Houwelingen zijn vraag nu stelt in reactie op mijn antwoord op de heer Clemminck, dan ben ik niet direct enthousiast over de gedachte dat voor allerlei wettelijke taken die bij de burgemeester zijn neergelegd, bijvoorbeeld in het kader van de openbare orde, allerlei gemeenteraden individueel de mogelijkheid krijgen om te zeggen: dat gaan wij hier anders doen. Daar ben ik niet heel enthousiast over. Ik zie aan de uitdrukking van de heer Van Houwelingen dat dit niet tot hele grote verbazing leidt.
De voorzitter:
Meneer Van Houwelingen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Nee, ik heb geen vervolgvraag.
Minister Heerma:
50PLUS refereerde aan een motie die volgens mij ergens in juni is aangenomen, aangaande de inflatiecorrectie. De heer Struijs vroeg naar de stand van zaken rond die motie, die de regering verzoekt om de mogelijkheid tot compensatie voor inflatie binnen het gemeentefonds plaats te laten vinden op basis van nacalculatie. Dat is een punt waar 50PLUS volgens mij al langer om vraagt. Ik ben me bewust van deze door de Kamer aangenomen motie aangaande de compensatie van de inflatie binnen het gemeentefonds. Ik heb uw Kamer in het debat van 10 juni — dat was het debat waarin de heer Struijs deze motie indiende — toegezegd dat ik hierop terugkom bij de evaluatie van de bbp-systematiek. Deze motie van uw Kamer zal ik daar heel expliciet bij betrekken. Ik heb, geloof ik, vlak voor het zomerreces een nadere toelichting gegeven op de voorgenomen evaluatie. Een onderdeel van de evaluatie is het toepassen van nacalculatie binnen de BBB … bbp-systematiek. Ik deed het weer, hè, meneer Vermeer? "BBB" zeggen in plaats van "bbp". Het komt ooit goed. Andersom zou u de heer Vermeer misschien erger vinden.
De heer Vermeer van de BBB vroeg ook naar de motie over de bekostiging van medebewind. Volgens mij zijn de heer Vermeer en ik het eens over hoe de wet gelezen moet worden. Als wij als Rijk taken aan provincies en gemeenten geven, dan moeten we de kosten daarvan goed in beeld brengen en ook vergoeden. Ik heb eerder al aangegeven daar nog eens nader op in te gaan in een brief. Ik neem dit mee in een brief over de opvolging van de ROB-adviezen. Die kunt u heel snel verwachten. Ik geloof dat de heer Vermeer aankondigde een aangepaste motie volgende week in stemming te brengen. Ik verwacht in de komende weken deze brief te sturen. Ik ben blij dat we het eens zijn. Ik kan een motie uiteraard zien als ondersteuning van mijn inzet, maar dat maakt niet dat ik 'm niet nog steeds enigszins overbodig vind. Dat was volgens mij voor de zomer ook mijn oordeel. Ik vrees dus dat dat oordeel blijft staan als u de motie opnieuw indient. De brief waarin ik hierop inga komt dus in de maand september nog, denk ik.
De heer Vermeer (BBB):
Het verhaal klopt niet helemaal met die appreciatie, want dan zou de motie gewoon overgenomen kunnen worden. Dat is ook een optie, maar misschien was die niet in beeld. We gaan volgende week niet stemmen, want dat doen we dan alleen over moties van wantrouwen, bedenk ik me opeens. Dus de minister heeft nog een week extra om de brief te sturen.
Minister Heerma:
Ik begrijp dus dat de motie volgende week wel aan de orde komt, maar dat er de week daarna over gestemd wordt. Ik dacht dat de heer Vermeer van plan was om 'm in de Algemene Politieke Beschouwingen te bespreken en dan mogelijk in stemming te brengen aan het einde van die week. Ik ga niet over welke aangehouden moties de heer Vermeer in stemming wil brengen. Dat is zijn eigen afweging. Wij gaan ons beraden op de beoordeling daarvan. Dat is weer onze afweging.
De heer Struijs vroeg ook naar de ROB-publicatie over disbalans en waar we staan naar aanleiding van dit rapport. Eind deze maand komt er een brief met de uitwerking van deze adviezen en het aangekondigde traject.
Mevrouw Tseggai had een betoog in algemene zin over de financiële zorgen bij medeoverheden. Daarbij kwam er een interruptiedebat over extra geld dat er in de vorige periode bij is gekomen. Dat herken ik uit eerdere debatten. Het antwoord is dat dit kabinet oog heeft voor de financiële positie van medeoverheden en zich ervan bewust is dat er een gedeelde verantwoordelijkheid is tussen rijke gemeenten en provincies om samen te werken aan een balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. De heer Vermeer verwees daar al naar: de vier onderwerpen die ook in het rapport van de commissie-Polman zitten. Daartoe werken we op dit moment hard gezamenlijk aan een samenwerkingsagenda. Daarin zullen we nader ingaan op belangrijke vraagstukken. Ik hoop dat we tot een positief resultaat kunnen komen en dat we op korte termijn met elkaar door kunnen praten over die samenwerkingsagenda, die volgt uit het rapport-Polman en het coalitieakkoord. Maar daarin zitten de belangrijke afspraken over de bredere zorgen waar mevrouw Tseggai het over had.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Een samenwerkingsagenda is natuurlijk wel iets anders dan extra financiële middelen, dus ik hoop dat wij dinsdag heel blij worden van de begroting van Binnenlandse Zaken. Ik vraag me af wanneer wij de volgende stappen hierop kunnen verwachten. Is dat voor of na de begrotingsbehandeling?
Minister Heerma:
Ik kan hier niet met u in debat gaan over de begroting; dat begrijpt u ook. De oproep tot de samenwerkingsagenda volgt uit het rapport van de commissie-Polman. Dat gaat ook over de balans tussen die vier zaken: ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Daarmee is het meer dan alleen "taken en knaken". Dat heb ik eerder in een debat in de Eerste Kamer ook gezegd. Ik snap dat ie lekker klinkt, maar het gaat echt over meer dan dat. Er wordt tussen ons en medeoverheden op dit moment heel hard gewerkt aan het vormgeven van deze samenwerkingsagenda. Ik kan nu niet zeggen op welk moment dat helemaal rond is. Ik realiseer me terdege dat als daar geen vorderingen in zijn bij de begrotingsbehandeling, dat nadrukkelijk onderdeel van het debat zal worden, niet alleen vanuit de fractie van PRO maar ook vanuit andere fracties.
Zowel de BBB-fractie als de CDA-fractie vroeg volgens mij aandacht voor de positie van kleine gemeenten. Om beter zicht te krijgen op de specifieke problematiek van kleine gemeenten ga ik met gemeenten en provincies in overleg. Ik kijk daarbij naar hoe landelijk meer inzicht te krijgen in de bestuurskracht van het lokale bestuur. Met de UDO en het Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur wil ik scherper toezien op een goede balans tussen wat we van gemeenten vragen en hun draagkracht. Daarnaast zet ik in op versterking van de decentrale volksvertegenwoordigers door te werken aan goede effectieve ondersteuning en goed samenspel tussen volksvertegenwoordigers en het dagelijks bestuur. Eerder, voor de zomer, heb ik u toegezegd hierop terug te komen voor het einde van 2026 als onderdeel van een beschouwing over de positie en de regie op het vraagstuk van kleinere gemeenten en die daar dus in te betrekken.
De BBB-fractie had een vraag naar aanleiding van een aangehouden motie met betrekking tot de plattelandstoets en de overweging om die mogelijk alsnog in stemming te brengen. Ook hierover ga ik zeggen: dat is uiteindelijk de afweging die elke fractie individueel maakt. Ik deel het uitgangspunt dat rijksbeleid rekening moet houden met specifieke regio- en gebiedsgerichte kenmerken. Daar ga ik ook op in in de brief van vorige week, waar de heer Vermeer aan refereerde. Ik heb in het debat van 25 maart, waarin de heer Vermeer het ook over die plattelandstoets had, aangegeven dat ik niet wil inzetten op nieuwe instrumenten maar dat we beter gaan toepassen wat er al is: concreet het Beleidskompas en de UDO. Op ons verzoek is daarom inmiddels in de handreiking bij het Beleidskompas opgenomen dat rekening gehouden wordt met effecten van het beleid op het platteland en verschillende regio's in Nederland.
Daarnaast heb ik toegezegd de NPVR-regio's vroegtijdig en actief te betrekken bij de ontwikkeling van rijksbeleid. BZK en het ministerie van LVVN trekken samen op als het gaat om het bewaken van rijksbeleid en of dat rekening houdt met de noden van het platteland. Maar ik heb dus ook in het debat van maart gezegd dat ik eigenlijk dit erbij wil betrekken en aandacht heb voor bestaande middelen, in plaats van weer een nieuwe toets in te voeren. De heer Vermeer kan daar een andere mening over hebben. Dan staat het hem dus ook vrij om daar dan een motie over in te dienen.
De heer Vermeer (BBB):
Ik ben blij dat ik er dus toch weer over begonnen ben in deze inbreng, want ik zie hier nu een soort toepassing van die wens, maar een toepassing die eigenlijk niet zichtbaar wordt voor de Kamer op het moment dat er wetsteksten, voornemens, van een kabinet naar de Kamer komen. Daar is het juist om te doen, om dat continu naar voren te brengen in de hersenkwab van ons allemaal, zodat we dat niet vergeten.
Minister Heerma:
Ik ga kijken of het antwoord dat ik gegeven heb op de vraag die het CDA gesteld heeft naar aanleiding van de wetsbehandeling van vorige week, voldoende is om de zorg van de heer Vermeer weg te nemen, want deze hangen met elkaar samen. Ik snap zijn intentie, want dit raakt aan de UDO. Het CDA stelde de vraag of het wel toegepast wordt en of het al was gebeurd bij het wetsvoorstel dat we vorige week met elkaar bespraken, volgens mij op wetgevingswoensdag. Dat was de indruk.
De goede toepassing van UDO blijft een punt van aandacht. Voor een verandering in de werkwijze is tijd nodig. We spannen ons ervoor in een goede toepassing van UDO onder de aandacht te brengen bij alle departementen en bij de koepels van decentrale overheden. Ook neemt BZK waar nodig een actieve rol in bij de UDO-trajecten. Als het wetsvoorstel Bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur, tweede tranche, de aanleiding was voor de vraag van de CDA-fractie — en dat vermoed ik — dan kan ik melden dat het wetsvoorstel de UDO wel is gevolgd en dat dit ook is genoemd in de memorie van toelichting. Hierbij is het UDO-proces wel gevolgd, maar naar huidig inzicht had dat explicieter kunnen worden gemeld in de memorie van toelichting. Mijn streven is erop gericht om in de toekomst het proces, de uitkomsten en de resultaten van UDO op wetgeving explicieter in de memorie van toelichting te beschrijven en op te nemen. Dat zou dan wellicht ook de zorg kunnen wegnemen die de heer Vermeer heeft over specifiek de regio en het platteland, omdat dit onderdeel is van hoe we daar explicieter mee om willen gaan.
De heer Vermeer (BBB):
Hier komt nu toch wel de kern van de zaak boven tafel, want de UDO brengt de uitvoeringsgevallen voor de decentrale overheden in zicht, maar niet de gevallen voor het platteland zelf. Het platteland is meer dan alleen de decentrale overheden. Die UDO krijgen we wel te zien, maar we krijgen niet te zien wat de gevolgen zijn voor het platteland, de economie, cultuur, tradities, in het geval van de energietransitie ook het landschap, noem het allemaal maar op wat met het platteland te maken heeft. Ik wil de minister dus vragen of hij echt geen onderscheid ziet tussen de gevolgen voor het platteland en de gevolgen voor de decentrale overheden.
Minister Heerma:
Wij hebben dit debat eind maart met elkaar gevoerd. Toen heb ik ook aangegeven dat ik er niet steeds een nieuwe toets aan toe zou willen voegen, maar dat ik daar — dat ging over meer dan het platteland; het ging ook over grensregio's, als mijn herinnering me niet in de steek laat — binnen de UDO wel heel expliciet rekening mee wil houden en aandacht aan wil besteden. Ik moet zeggen dat als de heer Vermeer zegt dat hij dat niet voldoende vindt en toch een extra toets wil, het hem vrijstaat om deze motie alsnog in te dienen. Ik zou daar zelf dus geen voorstander van zijn omdat je de toets en de middelen dan op elkaar gaat stapelen, terwijl het al toegezegd is en er opvolging aan is gegeven om het expliciet mee te nemen in de UDO. In antwoord op de vraag van het CDA heb ik het zojuist ook aangegeven: ja, het goed toepassen van de UDO en daar expliciet aandacht aan besteden in de memorie van toelichting van wetgeving is — ik weet dat ik hier geen Engels moet praten — work in progress, vanuit de gedachte dat dit belangrijk is.
De voorzitter:
De heer Struijs heeft nog een interruptie.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb toch nog even een vraag in relatie tot de UDO, maar ik had deze ook in een ander blokje kunnen vragen. Waar wij een beetje mee worstelen als het over de versterking van decentraal bestuur gaat, is wat we deze zomer hebben gezien: wisselende omstandigheden. Ik noem bijvoorbeeld het hitteplan. Dat heeft veel invloed op de waterschappen. Ook in steden moesten er vanuit de GRIP, het gecoördineerd overleg, versneld koelteplekken worden gemaakt voor kwetsbare mensen zoals ouderen. Ik heb ontzettend veel vragen gehad van lokaal bestuur, van gemeentes: vallen wij onder de GRIP, hoe moeten we dit aanpakken en doen we dat via de ggz-kolom? Daar hoef ik nu geen antwoord op, maar als het gaat om het onderhouden van het kennisniveau bij wisselende omstandigheden die we elke keer terugzien, past dit dan in het beleid van de minister en hoe gaan we dat ergens inbedden? Dit is een voorbeeld van iets waar het hele land mee geconfronteerd wordt.
Minister Heerma:
Met het risico dat ik dit nu een tweede keer zeg: de vraag in deze interruptie loopt eigenlijk vooruit op een antwoord waar ik net aan toegekomen was. De heer Struijs en mevrouw Boelsma-Hoekstra van het CDA hebben beiden vragen gesteld over de complexiteit van het openbaar bestuur. Daar gaat deze interruptie ook over. In het kader van een slagvaardige overheid — daar was de vraag van het CDA specifiek op gericht — gaat het over het verminderen van rapportageverplichtingen tussen overheden, maar dat ging over een analyse over de vraag of het niet steeds ingewikkelder werd. Ik zie de vraag van de heer Struijs ook in dat kader.
Mijn inzet, als ik goed luister naar de wens van de Kamer, is er juist op gericht om zaken eenvoudiger te maken. Bij de lokale inbedding en democratische legitimatie van provincie en gemeente hoort dat wij daar als Rijk niet van alles bij optuigen: geen dichtgeregelde wetgeving, minder SPUK's —- dat is ook een wens die deze commissie al langer heeft, en die in de vorige periode ingezette lijn, zeg ik met een schuin oog kijkend naar de heer Vermeer, trekken wij nu door — simpelere verantwoording, geen overbodig toezicht en geen overdreven rapportageverplichting. Laat de uitvoering lokaal controleren door lokale volksvertegenwoordigers.
De Gemeentewet bevat al regels hierover. Het beleidskader, de UDO, de IBI-spelregels en het voorstel voor de nieuwe Financiële-verhoudingswet helpen hierbij, maar het werkt alleen als deze ook worden toegepast. Dat vraagt dus iets van ons allemaal. Dat vraagt van mijn collega-ministers om ruimte te bieden wanneer een wetsvoorstel wordt voorbereid, om los te durven laten wanneer de uitvoering bij gemeenten en provincies is belegd, en om niet alles nauwgezet te blijven volgen. Als het ingewikkeld wordt, is het voor de Kamer in de praktijk soms moeilijk om daar begrip voor te hebben. Ik geloof dat dat besef er in deze commissie bovengemiddeld is, omdat hier woordvoerders Binnenlandse Zaken zitten. Ik weet dat woordvoerders Binnenlandse Zaken in verschillende fracties bij de voorbereiding van debatten daar vaak aandacht voor vragen bij hun collega's, omdat die kunst van het loslaten en niet dichtregelen in de praktijk toch vaak moeilijker is als er dingen misgaan. Daarmee ligt er een opdracht bij mij — die voel ik ook — bij het kabinet, maar ook bij de Kamer.
Dan over de positie van kleine gemeentes, in antwoord op de vraag van de heer Struijs. Ik zit nu heel even te twijfelen over voor wanneer ik hierover een brief kan toezeggen. Als er heel veel op ze afkomt, is het voor kleinere gemeenten vaak ingewikkeld. In de praktijk zien we de laatste maanden dus ook dat centrumgemeentes vaak inspringen om te assisteren, om te helpen met kennis en expertise, zonder dat er dan gelijk een gemeenschappelijke regeling wordt opgetuigd, zeg ik tegen de heer Clemminck. Daar ligt soms ook een antwoord, juist ook voor het type vragen dat de heer Struijs stelt. Wij zetten ons in — dat is eigenlijk het vervolg op de vraag die mevrouw Tseggai stelde — om ook nieuwe gemeenteraden hierover proactief te informeren. We komen voor het einde van het jaar ook terug op de positie van kleine gemeenten. Ik keek even naar mijn ambtelijke ondersteuning, want dat wist ik even niet meer zeker.
Ik heb al het nodige gezegd over de studiegroep-Polman en het rapport over interbestuurlijke verhoudingen. De vraag die het CDA daarover stelde, heb ik net eigenlijk al beantwoord bij een interruptie.
Mevrouw Tseggai had ook nog vragen gesteld over de Uitvoeringstoets Decentrale Overheden. Ik zit even te kijken of ik die niet al heb beantwoord. Nou, volgens mij heb ik die sowieso al beantwoord.
Ik heb hier nog de vraag van de heer Struijs over de gemeentes, maar die heb ik ook al gehad.
Dan ga ik door naar het andere blok.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het is een klein beetje een rappelleervraag, maar toch. Heel fijn om te horen dat het in de toekomst voor gemeenten hopelijk makkelijker wordt om uit zo'n gemeenschappelijke regeling te stappen. Het is fijn dat de minister daar in ieder geval aan denkt. Maar er zijn ook een aantal verplichte regelingen, bijvoorbeeld rond de omgevingsdienst en de jeugdzorg. Ik heb eigenlijk een open vraag. Wordt er ook weleens gedacht dat die verplichting er misschien afgehaald moet worden en dat die gemeentes — u gaf zelf het voorbeeld van de centrumgemeentes — dingen ook bilateraal of alleen kunnen regelen? Die verplichting is namelijk ook ondermijnend voor de lokale autonomie en democratie, vind ik. Die kan er dus wellicht af worden gehaald. Daarover kan worden nagedacht.
Minister Heerma:
Nu ga ik toch heel even ... Waar ik naar verwezen heb — dat is net wat anders dan wat de heer Van Houwelingen zegt — is dat er bij de laatste wetswijziging, waarnaar de heer Vermeer als eerste verwees, een aantal wijzigingen zijn geweest. Die werden behandeld in 2021 en zijn ingegaan in 2022. Er zijn een aantal zaken geregeld die de legitimiteit van het lokale bestuur, waar het spanningsveld zit, vergroten. Die zaken verplichten dus ook tot duidelijkere afspraken voor als je eruit wil stappen en voor mogelijke beëindiging. Het doel was om dat te vergemakkelijken. Er komt een evaluatie aan om te bekijken hoe dat in de praktijk heeft uitgepakt. Blijkbaar ben ik daarin niet expliciet genoeg geweest, terwijl ik dacht dat ik dat wel was. Ik ben niet van mening dat het verstandig is om dat terug te draaien voor bijvoorbeeld veiligheidsregio's. Dat lijkt de heer Van Houwelingen te suggereren. Ik zie aan zijn gezicht dat mijn antwoord hem niet geheel verbaast. Ik dacht dat ik daar al duidelijk over was geweest. Ik vind dat dus niet zo'n goed idee.
Over de aantrekkelijkheid van het decentrale ambt, in die breedte, zijn verschillende dingen door verschillende woordvoerders gezegd. Ik ga proberen om die gestructureerd langs te lopen.
Mensen maken ons decentraal bestuur. Duizenden bestuurders en volksvertegenwoordigers zetten zich dag en nacht in voor onze provincies, gemeenten en waterschappen. Zonder hen is er geen democratie. Het decentrale politieke ambt is prachtig. Je kan zorgen van de straat direct vertalen in politieke acties die ook in de wijk, in de buurt, in de regio en in de provincie effect hebben. Politieke ambtsdragers waarderen hun werkplezier hoog. Zij verdienen de waardering en steun van ons als overheid en samenleving, en dat mogen we ook best hardop zeggen. Dat hebben verschillende woordvoerders in dit debat ook heel expliciet gedaan. Daar sluit ik me van harte bij aan.
Toch moeten we ook oog hebben voor ontwikkelingen die op het politieke ambt drukken. Ik benoem er drie. Mevrouw Huizenga was daarover heel expliciet in de eerste helft van haar inbreng: agressie en intimidatie. Deze horen niet thuis in het debat, maar toch wil ik ook hier de onacceptabele belaging van onze … Het hoort nu dus eigenlijk niet thuis in dit debat, maar ik wil het toch ook hier benoemen. Ik ga daar ook het volgende bij zeggen. Ik zal zo op de specifieke vraag ingaan. Ik weet dat de heer Van Houwelingen dat waarschijnlijk niet bedoelde, maar in zijn beantwoording leek hij op een gegeven moment te zeggen: als er geen daadwerkelijke veroordeling voor geweld is, dan valt het misschien wel mee. Dat is echt niet zo. Ik vermoed dat hij dat niet bedoelde. We zien een toename van intimidatie en bedreiging. Dat heeft een negatief effect op de vrijheid van mensen die zich vaak naast een baan inzetten voor ons algemeen belang, voor de democratie in de haarvaten van onze samenleving. Dat is erg, ook als dat niet overslaat richting geweld. Dat wil ik toch even benoemd hebben.
De voorzitter:
Ik denk dat de heer Van Houwelingen daar even op wil reageren.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, daar ben ik het natuurlijk mee eens. Waarom zei ik dat zojuist? Wanneer er steeds meer aangiftes komen, wordt er soms gezegd: misschien is de aangiftebereidheid toegenomen. Hier wordt natuurlijk heel veel over gesproken. Dat kan ook een verklaring zijn. Ik vermoed dat dat een deel van de verklaring is. Als er echt veel meer geweld en intimidatie zou zijn, dan zou je ook verwachten dat er meer mensen veroordeeld worden voor geweld tegen politieke ambtsdragers. Daar heb ik een vraag over. Dat zie je niet. Ik vermoed dus dat een deel van de verklaring is dat er misschien sneller aangiftes gedaan worden of in ieder geval dat mensen zich sneller bedreigd voelen. Dat is natuurlijk iets anders. Dat mag ook benoemd worden. Dat wilde ik benoemen. Vanzelfsprekend zei ik dat niet om het te bagatelliseren. Tot slot wil ik nog opmerken dat ik maar twee gevallen ken van fysiek geweld tegen politieke ambtsdragers. Die waren tegen onze partijleider. Wij hebben er dus het meeste last van. Die is twee keer echt fysiek belaagd. In het verleden hebben we natuurlijk andere vreselijke voorbeelden gehad. Die kwamen vaak uit één bepaalde hoek. Dat wil ik ook even opgemerkt hebben. Fortuyn, Janmaat en natuurlijk ook Aad Kosto, de actie van RaRa. Er wordt altijd een beetje naar ons gekeken. Zo ervaar ik het. Maar fysiek geweld zie ik altijd uit dezelfde hoek komen. Dat wil ik ook maar even opgemerkt hebben. Daarmee bagatelliseer ik natuurlijk niks. Ik vind het juist vreselijk dat het gebeurt. Wij hebben er ook heel veel last van.
Minister Heerma:
De minister is nu in dubio. De heer Van Houwelingen geeft recensies over wanneer het daadwerkelijk politiek geweld is geworden. Daar zijn meer voorbeelden van, uit verschillende hoeken. Daarmee gaat hij eigenlijk voorbij aan het punt dat mevrouw Huizenga maakte. Er vindt steeds meer intimidatie en bedreiging plaats. Iedereen hier aan tafel weet wat ik daarmee bedoel. Iedereen hier aan tafel die ook in lokale zaaltjes van zijn of haar partij komt, weet dat lokale raadsleden en wethouders hier echt meer mee te maken hebben dan in het verleden. Als de aangiftebereidheid toeneemt, is dat een goede zaak. Het is niet zo dat het hetzelfde is gebleven, maar mensen sneller aangifte doen. Er is echt een probleem. Dat probleem moeten we niet koppelen aan wanneer er daadwerkelijk sprake is van fysiek geweld. Dat is echt het omdraaien van de realiteit. Dan zou de redenatie zijn dat we pas een probleem zien als het daadwerkelijk ontspoort in geweld. Dit is voor onze democratie niet goed. Het is op landelijk niveau niet goed, maar het is vooral op lokaal niveau niet goed. Het voorbeeld van mevrouw Huizenga ging over een Statenlid voor wie dit ten minste een deel van de afweging was om niet door te willen gaan. Dan wordt intimidatie dus een manier om politieke tegenstanders kopschuw te maken en het werkplezier te ontnemen. Daarmee is het schadelijk voor onze democratie. Ik zou dus toch tegen de heer Van Houwelingen willen zeggen dat er geen enkele link gemaakt moet worden met het idee dat het pas serieus is als het geweld wordt. Dat is niet alleen om het niet te bagatelliseren. Ik zou dat echt willen voorkomen. Het is erg genoeg van zichzelf. Daar kom ik zo op terug bij onder andere de beantwoording van de vraag van mevrouw Huizenga.
Dan zijn er daarnaast vragen gesteld over werkdruk en ondersteuning. Verschillende Kamerleden hebben een reflectie gegeven op het ARPA-advies. Er werd vooral gevraagd wanneer de reactie te verwachten is. De heer Clemminck stelde wanneer die te verwachten is. Mevrouw Tseggai vroeg ernaar. Ik zal op beiden ingaan. Terug naar het begin: we moeten ons allemaal inspannen voor de aantrekkelijkheid van het decentrale politieke ambt. We moeten de waardering uitspreken, maar mevrouw Huizenga begon er terecht mee dat we er wat aan moeten doen als de aard van het debat dat wij in dit huis met elkaar voeren hen het werk in de praktijk moeilijker maakt in plaats van dat ze zich gesteund voelen.
Mevrouw Huizenga had het over aangifte doen. Daar kwam ik net in het interruptiedebat met de heer Van Houwelingen al even op. Zij zei volgens mij dat zij signalen had dat dat niet altijd even goed in de praktijk wordt opgevolgd. We moeten zorgen dat daders van intimidatie en bedreiging er niet ongestraft mee wegkomen. Samen met politie, OM, beroepsverenigingen en de minister van Justitie gaan we verder in gesprek om te zien waar kansen zijn om daders stevig aan te pakken. De Eenduidige Landelijke Afspraken, waar mevrouw Huizinga al naar verwees, waarmee geweld tegen personen met een publieke taak strenger en effectief kan worden bestraft, helpen hierbij. Op dit moment worden deze afspraken door de minister van Justitie en Veiligheid herzien. Daar staan ook ik en mijn ministerie van BZK nauw mee in contact. Zo is er een VPT-code, Veilige Publieke Taak-code, bij aangifte, waarmee politie en OM een zaak sneller moeten behandelen. Wanneer de bedreiging bewezen wordt, is er ook een hogere strafmaat mogelijk. Ik verwacht dat dit najaar de nieuwe Eenduidige Landelijke Afspraken herzien worden. Daar komt dit najaar dus een vervolg op.
Mevrouw Huizenga (D66):
Dan ben ik vooral benieuwd naar het volgende. "Najaar" is nu al eigenlijk, dus kunt u daar nog wat specifieker in zijn? Dat is een. Mag ik er meteen een tweede vraag achteraan doen? We hebben het er heel vaak over dat je makkelijker aangifte moet kunnen doen en allemaal dat soort dingen. Dan kijken we naar degene die het overkomt. We willen dan het slachtoffer weerbaarder maken en ervoor zorgen dat die makkelijker aangifte kan doen. Maar wat gaan we nou werkelijk aan de andere kant doen? Hoe gaan we hard optreden tegen degene die het doet? Dat vind ik wel belangrijk.
Minister Heerma:
Op het eerste deel van de vraag van mevrouw Huizenga kom ik terug. Dat moet ik even checken. In de tweede termijn zal ik zeggen in welke mate ik "najaar" nader kan preciseren. Ik heb geprobeerd in mijn antwoord juist ook op die andere kant in te gaan. We moeten mensen sneller oppakken en zwaarder bestraffen. Dat is onderdeel van die Eenduidige Landelijke Afspraken, de ELA. Die worden op dit moment herzien. Dat is daar juist onderdeel van. Ik zie zelf iets in de praktijk wat mevrouw Huizenga ook aangeeft. In de individuele gevallen van bedreiging die ik de afgelopen maanden heb gezien, speelt ook mee dat dat heel eenzaam kan voelen. Met de enorme toename van bewustzijn, ook in de lokale en regionale politiek, binnen de Staten, zie je steeds meer dat er bijvoorbeeld raadsbreed een statement gemaakt wordt. Er wordt raadsbreed aangifte gedaan. Er wordt door de gemeente aangifte gedaan. Dat is volgens mij een hele goede ontwikkeling in het bewustzijn aan de kant van wat mevrouw Huizenga het slachtoffer noemt. In die eenzaamheid zit namelijk een deel van het gevaar voor de democratie. Daar is gelukkig lokaal veel bewustzijn. Er is inderdaad ondersteuning. Ik had het al over het team Weerbaar Bestuur. We zijn ook bezig met de dader die er niet mee weg mag komen. Daar zat mijn antwoord op. Op de precieze termijn kom ik terug in tweede termijn.
De heer Struijs (50PLUS):
Even een verduidelijking. Ik weet niet of de minister het met mij eens is. Wij hebben ons verdiept in de getallen. Wat nou zo interessant is, is de strafbaarheid. We zitten hier bij lokaal bestuur en versterking. Maar dat bekende berichtje van "het gaat goed met je kinderen op de Prinses Margrietschool" is geen rechtstreekse bedreiging, maar die kinderen zitten wel op de Prinses Margrietschool. Daarom vind ik het belangrijk. Daar gaan de meeste meldingen over, want ook de daders worden slimmer. Ik zeg het maar even plat. Het gaat om weerbaarheid op persoonlijk niveau. We moeten die weerbaarheidstrajecten blijven stimuleren. Er moet saamhorigheid zijn en we moeten daar samen in optrekken. We moeten een raadslid dat dit regelmatig overkomt begeleiden. Daar moeten we oog voor blijven hebben. We kunnen helaas niet alles in het strafrecht kwijt, omdat ze ook dit soort dingen doen. Herkent u dit?
Minister Heerma:
Ik kan zeggen: helaas herken ik het. Er is ook oog voor de zaken die de heer Struijs aangeeft. Gelukkig groeit dat besef, ook vanuit die ondersteuning op het gebied van weerbaarheid. In het afgelopen halfjaar heb ik, los van deze vorm van intimidatie, die inderdaad niet altijd strafbaar is, echt nog veel ernstigere dingen gezien. In een vorig debat heb ik iets gezegd over posters van raadsleden met kogelgaten in hun hoofd en over de meest gruwelijke homohaat. Het is in sommige gevallen echt wel erger dan de indirecte intimidatie. Ik herken ook wat de heer Struijs zegt.
De heer Struijs (50PLUS):
Hier wordt belangrijk dat wij commissiebreed vanuit de Kamer optreden, maar ook dat het kabinet gezamenlijk optrekt. Ik heb dat ook tegen uw collega Van Weel gezegd. Mij valt op dat het aantal vervolgingen op dit punt echt laag is. Dat is niet aan u geadresseerd, maar ik heb dat tegen de minister gezegd. Ik heb daar ook met het College van pg's over gesproken. Er zijn voorbeelden te over van rechtstreekse bedreigingen. U geeft zelf een voorbeeld. Ik maak me daar zorgen over. Ik weet dat er drukte is in het strafrecht. Die geldt voor iedereen. Maar je komt aan de wortel van de democratie. Ik doe dus een oproep aan de minister om hierin samen te werken en ook aan alle Kamerleden, ondanks alle drukte. We raken aan de wortel van onze democratie. Dit is meer een oproep aan ons allen om te blijven drukken, in alle commissies waar we in zitten, en om dit nooit te tolereren. Uiteindelijk moeten we terechtkomen in een systeem waarin er echt vervolg wordt. Dat is het enige waar je de daders echt mee raakt.
Minister Heerma:
De hartenkreet van de heer Struijs is mij uit het hart gegrepen. Ik refereerde er net al aan: elke parlementariër die in een lokaal zaaltje komt en daar hoort waar lokale politici in toenemende mate mee geconfronteerd worden, zal dit herkennen.
Ik wil enige nuance aanbrengen in wat de heer Struijs in zijn laatste zin zegt, namelijk dat vervolging uiteindelijk echt het enige is. Ik denk dat het ontzettend belangrijk is dat we dit hier met z'n allen veroordelen, dat uitspreken, en dat we ons ervan bewust zijn dat we in debatten elkaar aanspreken wanneer er olie op het vuur wordt gegooid in plaats van olie op de golven. Ik zie dat de heer Struijs dat ook vindt. Die stappen zijn ontzettend belangrijk. Het ondersteunen van mensen die hier slachtoffer van zijn, wat wij vanuit Binnenlandse Zaken doen, is ook heel erg belangrijk. Er wordt met voorrang vervolgd. Daar wordt opvolging aan gegeven en er zijn hoge straffen. Dat is onderdeel van waar ik net in antwoord op mevrouw Huizenga naar verwees. Daar zijn we druk mee bezig, ook met de minister van JenV. Ik verwacht dus dit najaar te kunnen ingaan op de stappen die daarin worden gezet.
Nogmaals, ik ben er heel blij mee hoe breed in deze commissie hier elke keer aandacht voor is. Ik heb het eerder gezegd: ik ben van niks zo geschrokken in het afgelopen halfjaar als van wat er op dit punt gebeurt, met name in de lokale politiek.
De voorzitter:
De heer Vermeer voor zijn laatste interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Als de minister hier verdere stappen in onderneemt, zou hij dat dan ook binnen het kabinet willen doen? We hebben natuurlijk eerder politici gehad die in een campagne van Oxfam Novib min of meer publiek terechtgesteld werden via foto's. Dat draagt hier ook aan bij. Dat soort clubs krijgt ook nog rijkssubsidie. Ik hoop dat de minister dat meeneemt als dit onderwerp ergens in het kabinet weer op tafel komt.
Minister Heerma:
Ik weet niet of ik direct een link zie in wat de heer Vermeer zegt, maar we gaan hier opvolging aan geven wanneer er daadwerkelijk intimidatie of bedreiging is, ook met vervolging via het strafrecht.
Mevrouw Huizenga had het er ook over dat er voor bestuurders meer ondersteuning is dan voor raadsleden en Statenleden, en of er voor hen niet meer ondersteuning zou moeten zijn. Zo hoorde ik de vraag. Wanneer er sprake is van dreiging richting een politiek ambtsdrager vind ik dat er geen onderscheid gemaakt moet worden tussen een bestuurder en een volksvertegenwoordiger. Alle politieke ambtsdragers moeten veilig en zonder vormen van oneigenlijke druk het politieke ambt kunnen uitoefenen. Daarom kunnen decentrale volksvertegenwoordigers een veiligheidsscan aanvragen bij het CCV. Deze veiligheidsscans worden door het ministerie van Binnenlandse Zaken gefinancierd en zijn dus niet alleen bedoeld voor bestuurders.
Decentrale volksvertegenwoordigers trekken soms pas bij concrete dreigingen aan de bel. Dan is het te laat voor preventieve maatregelen. Daarom zet ik in op bewustwording van het belang van weerbaarheid en de benodigde voorzorgsmaatregelen. Daarnaast verken ik hoe volksvertegenwoordigers na intimidatie en bedreiging passende veiligheidsadviezen kunnen krijgen. Dit vergt in dat geval ook een investering van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarbij vind ik dat de lokale overheid als werkgever ook een rol heeft. Daar gaan we over in gesprek. Daar zijn dus nog stappen in te zetten.
Mevrouw Huizenga had het ook over de cijfers.
De voorzitter:
De minister heeft nog een interruptie van mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ja, maar ik twijfel of de minister nu iets gaat zeggen over vrouwen en politici met een migratieachtergrond.
De voorzitter:
Dat vragen we even aan de minister.
Minister Heerma:
Het antwoord is ja.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Oké.
Minister Heerma:
Dit is volgens mij wel de derde keer. Drie keer is scheepsrecht. U stelt de vraag net als ik daar ben.
Ik zet mij in voor het verbeteren van de representativiteit van decentrale volksvertegenwoordigingen. De vertegenwoordiging van vrouwen in het decentrale bestuur blijft op alle onderdelen achter. Dat is niet goed voor de kwaliteit van het bestuur. Uit verschillende onderzoeken blijkt inderdaad dat vrouwelijke politieke ambtsdragers in hogere mate, namelijk voor 55%, met agressie en intimidatie te maken krijgen dan hun mannelijke collega's, waar het percentage onder de 40% ligt. Daar is het 37%.
Binnen het Netwerk Weerbaar Bestuur, waar ik net al naar verwees, werk ik onder andere samen met de stichting Stem op een Vrouw. Ik heb met hen samengewerkt aan het agressieprotocol dat zij vorig jaar publiceerden. Zij onderhouden ook een mentornetwerk voor vrouwelijke politieke ambtsdragers. Breder zet ik mij als minister in voor divers en inclusief bestuur; zie mijn beleidsinzet ter bevordering van ondervertegenwoordigde groepen in de politiek in de brief die ik eind maart aan uw Kamer stuurde.
De voorzitter:
Ik weet niet zo goed wie eerst is. Ik denk dat ik mevrouw Tseggai even het woord geef, want zij probeerde het zonet ook. Dan de heer Van Houwelingen.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Bedankt, voorzitter. Dank aan de minister. Ik zie zeker zijn inzet hierop. Ik vind het heel goed dat er al een aantal stappen zijn gezet. Ik stak net mijn hand op bij het vorige blokje. De minister zei namelijk: er zijn allerlei mogelijkheden voor raadsleden en alle andere lokale volksvertegenwoordigers om aangifte te doen. Heeft hij bij de aanpak waar hij het in het eerste blokje over had dan ook speciaal oog voor bijvoorbeeld vrouwen in de politiek, mensen met een migratieachtergrond en mensen van andere minderheden, zodat zij beter weten wat ze kunnen doen als het hen overkomt? Zij hebben dus meer te maken met bedreigingen en intimidatie.
Minister Heerma:
Hier lijken twee elementen in te zitten. Juist in het geval van de samenwerking met Stem op een Vrouw is er absoluut aandacht voor het bewustwordingsproces. Er zijn afspraken gemaakt over strafbare bedreiging. Daarbinnen ben ik niet voornemens om te differentiëren. Ik denk ook niet dat mevrouw Tseggai dat suggereerde. Het bewustzijn moet er zijn, omdat er een chillingeffect kan optreden. Dat willen we koste wat het kost voorkomen. Wanneer er sprake is van bedreiging gelden de ELA waar ik het net over had in alle gevallen. Ze gelden voor de ene specifieke doelgroep niet meer dan voor de andere.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Nee, dat is absoluut niet wat ik bedoelde. Laat dat duidelijk zijn. Elke politicus moet kunnen rekenen op veiligheid en kunnen weten wat hij of zij moet doen in het geval dit hem of haar overkomt. Mijn vraag is de volgende. We weten dat dit vaker voorkomt bij bepaalde groepen. Kun je daar het een met het ander combineren? De minister zegt dat we al een agressieprotocol hebben met Stem op een Vrouw. Dat vind ik een heel goed voorbeeld van hoe je die groepen net wat beter kunt voorlichten over wat zij kunnen doen in het geval van bedreiging en intimidatie, omdat het hen nu eenmaal vaker overkomt.
Minister Heerma:
Laat ik het volgende zeggen. De Monitor Integriteit en Veiligheid wordt elke twee jaar uitgevoerd. Daarin staan steeds de nieuwe feiten en cijfers als het gaat over agressie en intimidatie. De laatste editie komt uit 2024. Een deel van de differentiatie komt daaruit. Dit najaar komt de nieuwe Monitor Integriteit en Veiligheid uit. Die zal ik met de Kamer delen. Hierin staan de meest recente cijfers ten aanzien van agressie en intimidatie. Ik wil toezeggen dat we daarin expliciet ingaan op juist die groepen en daarbij ook bezien of er iets aanvullends gedaan kan worden, onder andere in het kader van bewustwording. Daar lijkt mevrouw Tseggai, en eerder mevrouw Huizenga, ook naar te vragen. Dat kunnen we dan combineren. Nu gaat mevrouw Huizenga vast weer zeggen: u zegt "najaar" en dat is breed. Het komt dit najaar. Dan kunnen we daar expliciet op ingaan, onder andere wat betreft de samenwerking met Stem op een Vrouw en de koepels en beroepsverenigingen. Wellicht — dat zal ik alvast toezeggen — dat ik in de tweede termijn een nadere duiding probeer te geven aan wat ik met "najaar" bedoel.
De voorzitter:
Dan is de beurt eerst nog aan meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, een aanvulling op de vraag van mevrouw Tseggai. Ik kan het niet nalaten om deze vraag nog even te stellen. Als het over diversiteit van ambtsdragers gaat, in dit geval de burgemeester, is het zo dat we inmiddels 50 zetels ter rechterzijde van de VVD hebben. Er zitten hier ook drie partijen. Wij hebben gezamenlijk geen enkele burgemeester, voor zover ik weet. Dat vinden wij heel belangrijk: ideologische diversiteit. Dat zou eigenlijk het allerbelangrijkst moeten zijn, want daar gaat het vooral om. Ik ben gewoon benieuwd naar hoe de minister daar dan tegen aankijkt. Hij is verantwoordelijk voor de burgemeestersbenoemingen. Zou daar ook niet een keer wat aan moeten gebeuren, want het is toch niet echt representatief meer?
Minister Heerma:
Dit is een heel creatief bruggetje van de heer Van Houwelingen. Ik dacht dat u nog even ging zeggen dat bepaalde burgemeesters van een bepaalde politieke kleur vaker met intimidatie en bedreiging te maken zouden hebben dan anderen. Ik heb de heer Clemminck al iets gezegd over burgemeestersbenoemingen. We hebben het in een eerder debat, waarin overigens de heer Vermeer het hoogste woord had, gehad over herindelingen en ook daarin waren er referenties aan wat burgemeesters wel en niet … Toen zijn door Forum voor Democratie en ook door de PVV allerlei dingen gezegd over de kleur van het burgemeesterschap. Ik vind dat echt een ander debat dan dit en al helemaal niet gekoppeld — nogmaals compliment voor de creativiteit — aan het onderwerp bedreigingen. Ik vermoed dat we hier op verschillende …
De voorzitter:
Meneer Van Houwelingen. Momentje, momentje. Spreekt u via de voorzitter. Nu komt eerst de minister en als u dan nog een interruptie heeft dan mag u die doen.
Minister Heerma:
Alleen al op basis van de toezeggingen die ik heb gedaan, is dit een onderwerp waar we nog veelvuldig met elkaar over zullen spreken, vermoed ik.
Dan ga ik naar mevrouw Huizenga, die veel vragen stelde in haar termijn, waarvoor complimenten. Ze stelde ook vragen over parttime wethouderschap en eventuele onwenselijke aspecten daarvan. In opdracht van mijn ministerie wordt op dit moment een onderzoek uitgevoerd naar het deeltijdwethouderschap. Als ik het definitieve rapport heb ontvangen, zal ik dat aan uw Kamer aanbieden en voorzien van een beleidsreactie, in overleg met de Wethoudersvereniging.
In het onderzoek wordt gekeken naar het aspect bijna-voltijdwethouder, die een aanstelling heeft van meer dan 0,8 fte. Daar kunnen ook inhoudelijke redenen voor zijn, dus daar wil ik niet op vooruitlopen. Ik heb overigens op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat wethouders een deeltijdbenoeming gebruiken als sluiproute. Het is ook aan de gemeenteraad om hier aandacht voor te hebben. Ik meen in het verhaal van mevrouw Huizenga ook niet te horen dat zij concrete aanwijzingen heeft dat er misbruik van wordt gemaakt. Het ging meer over de theoretische situatie dat dat het geval zou kunnen zijn. Ik stel voor dat we naar aanleiding van het onderzoek, dat hierop zal ingaan, hier nader met elkaar over spreken.
In de verschillende inbrengen is veelvuldig over herindelingen gesproken. De heer Vermeer deed dat door eerst complimenten te geven voor allerlei brieven. De heer Van Houwelingen zei ongeveer: al die brieven vind ik prima, maar ik heb nog iets anders. Ik wil voorkomen dat we hier een heel herindelingsdebat van gaan maken, ook omdat ik daar in het debat, dat zo mooi was dat we het in tweeën hebben geknipt, rond de herindeling Wijdemeren, een toezegging heb gedaan dat ik voor het einde van het jaar met een brief kom, zodat we het in dat kader met elkaar kunnen bespreken. En toch moet ik ook hier wel één ding benadrukken, dat ik eerder zowel in de Eerste als de Tweede Kamer benadrukte. We moeten bij het vraagstuk van de waarnemend burgemeester — los van de discussie welke partijen vinden dat het überhaupt anders moet met de burgemeester — oorzaak en gevolg niet omdraaien. Een herindelingsproces is iets dat jaren duurt en waarbij vaak in de gemeenteraad al besluiten zijn genomen en dan zit je in die jaren op een gegeven moment aan het einde van de termijn van de burgemeester en dan is de vraag: ga je vlak voor een voorgenomen gemeentelijke herindeling nog een nieuwe burgemeester benoemen? Omdat er in de praktijk goede redenen zijn om dat niet te doen, zit er vaak aan het eind van het herindelingsproces een waarnemend burgemeester.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Clemminck zit te popelen om daarop te reageren.
De heer Clemminck (JA21):
We hebben dat debat inderdaad gehad. Ik heb op een bierviltje de redenatie opgezet of je nou een verband kunt zien. Ik heb daarbij niet alleen gekeken naar waarnemend burgemeesters die gestart zijn op het moment dat feitelijk het herindelingsbesluit al was genomen, maar ik heb juist naar de jaren daarvoor gekeken. Het is een bierviltjesanalyse, maar het viel mij op dat er juist in de fase daarvoor, dus toen er nog geen concreet plan lag en er nog geen besluit was genomen, vaak waarnemende burgemeesters waren. Dit had allerlei redenen, zo heb ik ook aangegeven. Het lijkt me wel goed, nu we dit debat een paar keer hebben gehad, dat we daarover in de brief die de minister nog gaat sturen wat duidelijkheid gaan krijgen, in plaats van deze bierviltjesanalyse van JA21.
Minister Heerma:
Het herindelingsadvies wordt vastgesteld door de raad, niet door de burgemeester. Dit soort trajecten loopt vaak jaren. Ondanks de bierviltjesanalyse blijf ik bij het volgtijdelijke. In een proces van jaren heb je vaak op een gegeven moment een waarnemend burgemeester, maar oorzaak en gevolg liggen hier anders. Ik weet dat de redenering van oorzaak en gevolg door Forum voor Democratie strakker werd neergezet dan door de heer Clemminck, dus ik wil hem ook geen onrecht aandoen. Ik ben geen recensent van het debat, maar meneer Van Houwelingen gaf in zijn interruptie aan dat de heer Clemminck en hij hetzelfde zeiden, terwijl ik meende te horen dat ze net iets anders zeiden. Daar gaan de fracties zelf over. Daar was mijn opmerking zojuist op gestoeld. Ik vind het prima om dit later te hernemen. Het staat de heer Clemminck altijd vrij om zijn bierviltjesanalyse te maken. Die waardeer ik ook. Tegelijkertijd denk ik toch dat we hier moeten oppassen dat we oorzaak en gevolg niet omdraaien.
De heer Van Houwelingen had het in dit kader ook over "het ontslaan van". De commissaris van de Koning ontslaat geen burgemeesters. Dat leek de heer Van Houwelingen te zeggen. Het is wel zo dat dit kan gelden voor een waarnemend burgemeester. Dat is niet wat hij zei, maar ik begrijp nu dat dat is wat hij bedoelde. De reguliere kroonbenoemde burgemeester wordt op aanbeveling van de raad bij koninklijk besluit benoemd na een zeer uitvoerig lokaal ingebed proces. De raad kan ook ontslag aanbevelen na het doorlopen van een proces dat erop gericht is die situatie te voorkomen. De lokale autonomie is dus zeer goed geborgd bij de benoeming en het ontslag van de burgemeester. Ik realiseer me door de insteek van verschillende fracties dat we hier vast in de toekomst het debat over gaan voeren, want er zijn verschillende fracties die dit anders zien.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van Houwelingen voor zijn laatste interruptie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik begrijp dat de gemeenteraad daar nog steeds een grote rol in speelt. Maar ik begrijp iets niet. Ik vind iets heel onlogisch. Je hebt een burgemeester. Die is verantwoording verschuldigd aan de gemeente. De gemeenteraad is het hoofd van de gemeente. Dan zou je verwachten dat de gemeenteraad zelfstandig kan besluiten, net zoals hij andere besluiten kan nemen, om een burgemeester te ontslaan. Zoals de minister net ook uitlegde, loopt het formeel echter nog steeds via de minister, die in theorie daartussen kan komen. Ik begrijp überhaupt de rol van de minister daarin niet. Waarom kan een gemeenteraad niet zelfstandig besluiten: we hebben geen vertrouwen meer in de burgemeester, dus de burgemeester moet weg?
Minister Heerma:
Ik heb zojuist uitgelegd hoe het systeem werkt. Dit is hoe het systeem werkt. De heer Van Houwelingen is het daar niet mee eens. Dat mag ook. De heer Clemminck heeft volgens mij herhaaldelijk aangegeven dat hij voor een ander systeem is. Dat is een debat dat we nog uitgebreid gaan voeren, vermoed ik. Dit is gewoon hoe het werkt. Deels bedoelt de heer Van Houwelingen denk ik iets anders dan wat hij letterlijk zei over de waarnemend burgemeester. Ik heb net uitgelegd hoe de rol van de raad werkt.
De heer Vermeer van de BBB had het over beroepsverenigingen van waterschapbestuurders. Goede en toegankelijke ondersteuning en opleidingsmogelijkheden zijn belangrijk voor decentrale ambtsdragers, zo ook voor waterschapbestuurders. Daar vroeg de heer Vermeer specifiek naar. De minister van IenW, die verantwoordelijk is voor de waterschappen, onderschrijft dit ook. De minister van IenW heeft de verenigingen recent uitgenodigd om samen te verkennen hoe deze verenigingen te ondersteunen zijn. Op onderdelen is het aanbod van de door u genoemde verenigingen in de subsidieregeling al toegankelijk voor politieke ambtsdragers van waterschappen, voor die van provincies en gemeenten. Daarbij is een subsidieregeling een bestendiging van een structurele subsidierelatie. Aan een vereniging voor waterschapbestuurders is niet eerder subsidie verstrekt, maar de minister van IenW gaat hierover in gesprek. Deels kunnen ze dus al aanspraak maken op regelingen die er zijn en deels gaat de minister van IenW daarover in gesprek.
Er zijn door verschillende fracties vragen gesteld over het ARPA-advies. In algemene zin is het zo dat het ARPA een onafhankelijk adviescollege is. Dat heeft een advies neergelegd. Gevraagd is wanneer dat wordt ontvangen. De heer Clemminck zei: dat komt dit jaar. Ik heb volgens mij eerder gezegd dat dit na de zomer het geval zou zijn. Dat is iets te ambitieus geweest. Het komt inderdaad dit jaar, maar het gaat meer richting het einde van het jaar. Het is namelijk complex, omvangrijk en ligt politiek gevoelig. Er moet ook met allerlei koepels over gesproken worden. Diverse woordvoerders in dit debat hebben al aangegeven hoe zij daarnaar kijken. Ik kan zeggen dat ik dat ter harte neem en meeneem, maar ik ga daar vanwege de zorgvuldigheid nu niet zelf op vooruitlopen. Wij zullen een serieuze reactie op het rapport geven, ook op losse aanbevelingen. Dat komt dus voor het einde van het jaar, ondanks dat ik eerder gezegd heb dat dit na de zomer het geval zou zijn. We hebben hier de komende maanden nog voor nodig.
De heer Clemminck was volgens mij heel scherp. Hij haalde aan dat de differentiatiemaatstaf voor vergoedingen van burgemeesters door het ARPA wel wordt aangehaald, maar dat er niet over wordt geadviseerd. Volgens mij klopt dit. Het zal niet het antwoord zijn dat de heer Clemminck wil horen, maar ik wil niet vooruitlopen op de kabinetsreactie. Die volgt nog. Maar het ARPA-advies behelst al heel veel onderdelen van de rechtspositie rondom ambtenaren. Het kabinet zal zich in de reactie richten op wat het ARPA aan de orde heeft gesteld en zal daar niet weer een nieuw onderwerp aan toevoegen. Het is namelijk al groot en omvangrijk. Ik snap wat de heer Clemminck zegt, maar het eerlijke antwoord is dat ik niet voornemens ben om op onderdelen die niet in het advies zitten toch al te reageren, al helemaal niet omdat hij vraagt naar iets wat complex en ingewikkeld is. Bovendien omvat het ARPA-advies al heel veel.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Clemminck voor zijn laatste interruptie.
De heer Clemminck (JA21):
Wat de heer Heerma zei klopt. We hebben, naar mijn mening terecht, bij gemeenten gedifferentieerd naar schaalgrootte, omdat dat toch wel een indicatie is van de zwaarte van het ambt, zowel voor burgemeesters, wethouders als gemeenteraadsleden. Dat wil niet zeggen dat kleine gemeenten geen zware ambten kennen, maar niet in dezelfde mate als een grote gemeente. Eigenlijk is er toch wel de veronderstelling dat dat voor provincies ook geldt. Ik was getriggerd door dat ene zinnetje van de adviescommissie: blijkbaar vinden we hetzelfde. Daar zit volgens mij heel veel achter. Ik zeg de minister niet dat het nu allemaal in één keer moet, maar ik vraag hem wel om een keer met ons, met de Kamer, te gaan kijken of we hier een feitelijke onderbouwing voor kunnen krijgen en of het terecht is dat de commissaris van de Koning — ik sla het maar even plat — van de provincie Zeeland met 350.000 inwoners dezelfde vergoeding krijgt als de commissaris van de Koning van de provincie Noord-Brabant.
Minister Heerma:
Ik herhaal het antwoord. Ik zal dus bij de kabinetsreactie op het ARPA-rapport niet op die differentiatie ingaan, maar ik heb er alle vertrouwen in dat de heer Clemminck in het debat dat daarop volgt ook aandacht zal vragen voor dit onderwerp. We moeten dan het debat met elkaar voeren, zodra de kabinetsreactie er is.
De voorzitter:
Mevrouw Huizenga, ik denk dat het ook uw laatste interruptie is.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ja, is het de laatste?
De voorzitter:
Ja, het is de laatste.
Mevrouw Huizenga (D66):
Dat komt eigenlijk door de heer Clemminck, want die zet mij op een bepaald spoor. Hij zegt dat een kleine gemeente misschien wat minder vergoeding nodig heeft dan een grote gemeente. Mijn ervaring is juist dat kleine gemeenten heel veel dezelfde taken hebben, maar het met een kleinere bezetting moeten doen. Ik was tijdens het reces op Schiermonnikoog, waar ze heel veel grote opgaven hebben met een hele kleine gemeenteraad en een aantal wethouders. Kan de minister daar nog iets over zeggen? Dit gaat wel over de belasting van het ambt. We willen het ambt waarderen. We willen niet dat het de kant op gaat dat er te grote verschillen in ontstaan.
Minister Heerma:
De heer Clemminck heeft in ieder geval mevrouw Huizenga uitgedaagd, zoals ze zelf volgens mij zei. Ik ga hier toch zeggen: ik probeer voor het einde van het jaar met een reactie op het ARPA-advies te komen. Laten we dan ook over het punt waar mevrouw Huizenga en de heer Clemminck het nu over hebben het debat met elkaar voeren. Anders ga ik hier toch onderdelen van een groot … Dan gaan we hier een los debat over voeren en dat is volgens mij niet verstandig.
De heer Vermeer stelde een vraag. In zijn termijn vroeg hij terecht veel aandacht voor waterschappen en waterschapbestuurders. Hij vroeg of in de reactie op het ARPA-advies ook de rechtspositie en vergoeding van dijkgraven, heemraden en algemeen bestuursleden integraal wordt bezien. Het ARPA-advies ziet ook op de positie van politieke ambtsdragers in waterschappen. Zij maken daar integraal onderdeel van uit. De vertegenwoordigers van de beroepsgroepen van de Unie van Waterschappen nemen ook deel aan het overleg dat ik regelmatig heb over de arbeidsvoorwaarden van politieke ambtsdragers. In de aangekondigde kabinetsreactie zal ik expliciet ingaan op de positie van de waterschappen. Dat was de vraag die de heer Vermeer stelde.
Mevrouw Tseggai ging in op de verlof- en vervangingsregelingen van volksvertegenwoordigers. Met het wetsvoorstel dat nu in consultatie is geweest, wordt voor volksvertegenwoordigers de vervangingstermijn geflexibiliseerd. Maar de vervanging onder volksvertegenwoordigers wordt met het wetsvoorstel niet uitgebreid. Hiervoor zijn constitutionele bezwaren, die samenhangen met het bijzondere en persoonlijke karakter van het ambt van volksvertegenwoordiger en het kiezersmandaat, en dat zou ook een wijziging van de Grondwet vereisen. Het kabinet deelt de visie van de grondwetgever. Dit houdt in dat de vervanging beperkt blijft tot situaties waarin iemand fysiek niet in staat is zijn of haar functie uit te oefenen. Verdere uitbreiding achten wij niet wenselijk vanwege het bijzondere karakter van het ambt.
De voorzitter:
Nee, mevrouw Tseggai, de interrupties zijn op. Vanwege de tijd wil ik dat ook zo laten, want u heeft nog een tweede termijn.
Minister Heerma:
Ik ben aan het einde van mijn beantwoording. Ik heb volgens mij de vragen beantwoord. Ik zie ook dat het al 16.00 uur is.
De voorzitter:
Ik kijk even rond en dan gaan we over naar de tweede termijn. Ik geef mevrouw Huizenga het woord.
Mevrouw Huizenga (D66):
Ja, voorzitter, dank u wel. Laat ik beginnen met het aanvragen van een tweeminutendebat. Ik denk dat er meer mensen zijn die dat steunen. Dat dus als eerste.
We hebben over heel veel onderwerpen gesproken: beleidskader, beleidskompas, UDO, plattelandstoets. Laat ik aangeven dat we geen voorstander zijn van nog veel meer toetsen en kompassen en kaders. Ik heb één vraag aan de minister. Wat is nou de eerste stap die hij gaat zetten voor decentraal bestuur waar mensen in het land echt wat van gaan merken? Dat is eigenlijk mijn hoofdvraag voor nu.
Daar wou ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Ja, dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording in de eerste termijn. Ik heb nog twee punten. Ik ben nog niet tevreden met het debat dat we hadden over het budgetrecht van de raad. Ik vind dat echt wel een principieel punt. Ik zal er ook zeker in het tweeminutendebat met een motie over komen.
En wat ik wel ingewikkeld vond in het laatste deel rond het ARPA-advies en de discussie over het differentiëren van vergoeding voor provinciale besturen, zoals we dat wel doen bij gemeenten maar niet voor provincies. Ik vraag eigenlijk aan de minister — en dat hoeft echt niet in hetzelfde proces te lopen als rondom de afhandeling van het ARPA-advies — om ons als Kamer te helpen door met een feitelijke analyse te komen of er inderdaad een zwaarteverschil is tussen een CvdK met een provincie met 350.000 inwoners en veertien gemeenten — zeg ik even uit mijn hoofd — in Zeeland, bijvoorbeeld, en een CvdK met een provincie als Brabant met — wat is het tegenwoordig — 2,1 miljoen inwoners en 56 gemeenten. Volgens mij voelen we allemaal aan dat daar echt wel een zwaarteverschil in zit, zoals dat er ook is tussen een gemeente met 400.000 inwoners en een gemeente met 60.000 inwoners. Ik vraag de minister een toezegging om hier onderzoek naar te doen, op een ander moment, los van dit proces. Als het niet gebeurt, kan ik natuurlijk altijd een motie indienen.
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, de heer Clemminck. Dan is het woord aan de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank voor de beantwoording. Ik heb verder geen vragen of opmerkingen.
De voorzitter:
Prima, dan geef ik het woord aan mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ja, dank u wel, voorzitter. Ik wil de minister ook bedanken voor zijn beantwoording. Ik zie dat hij ook echt de intentie heeft om het decentraal bestuur te versterken. Ik wilde eigenlijk net in reactie op zijn antwoord op mijn laatste vraag zeggen: ik kijk uit naar het debat over de verlofregelingen. Dus dat zeg ik nu bij dezen.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ja, dank u wel, voorzitter. Ik wil ook de minister en zijn team bedanken voor zijn antwoorden. Ik kan de heer Van Houwelingen geruststellen: BBB heeft de eerste waarnemend burgemeester kunnen presenteren in de gemeente Teylingen. Of dat een ruk naar rechts is, weet ik niet, maar het is in ieder geval een zwaluw die nog geen zomer maakt, maar wel mooi rondvliegt.
Verder blijf ik toch bij het punt dat ik het ingewikkeld vind dat de minister zegt — hoe moet ik het zeggen? — dat knaken taken moeten volgen en dat hij dat eigenlijk steunt, maar dat hij vervolgens een motie die gemeenten en provincies meer houvast geeft in hun gesprekken met het Rijk probeert van zich af te duwen. Ik snap dat gewoon niet. Waar komt die weerstand vandaan? Ik zou de minister willen vragen om daar nog eens een paar nachten over te slapen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vermeer. Dan is het woord aan de heer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter. Dank aan de minister. Ik heb nog één kleine opmerking. Ik ben blij dat er ook steeds meer oog komt voor weerbaarheid en het kennisniveau.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik het voorzitterschap even overdragen aan de heer Clemminck.
De voorzitter:
Ik geef het woord graag aan mevrouw Boelsma-Hoekstra voor haar bijdrage in tweede termijn.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank ook voor de beantwoording. Er is vandaag veel aan bod geweest, dus dat is mooi. Ik heb twee dingen die ik nog even wil uitlichten. Daarmee sluit ik, denk ik, aan bij meerdere sprekers. Het eerste punt betreft de uitvoeringstoets en de borging ervan, en hoe wij als Kamer daarin worden meegenomen. Ik heb de suggestie om deze toets als bijlage bij een wetsvoorstel te voegen. Daarmee kom ik misschien ook een beetje tegemoet aan de heer Vermeer, want dan kunnen we ook kijken of bijvoorbeeld de plattelandstoets er ook inzit. Als we de toets als bijlage toevoegen, hebben we ook inzichtelijk wat er uitkomt, in plaats van alleen: we hebben 'm uitgevoerd. Ik denk namelijk dat het ongemak in deze Kamercommissie zit in het gevoel: we hebben 'm uitgevoerd, maar wat komt eruit en wat is er aangepast? Die vraag hangt hier nog een beetje in de lucht.
Mijn tweede punt is als volgt. Ik vind het mooi dat er iets komt over de kleine gemeenten, maar de verwoording van een en ander was een beetje: er komt iets, maar ik weet eigenlijk niet wat en ik weet ook niet wanneer. Misschien kunnen we een toezegging krijgen dat u eind van het jaar met een brief komt. Dat is genoeg. Gewoon duidelijk, zodat we weten waar we op moeten letten. Dan kunnen we daar als commissie weer op anticiperen.
Tot zover mijn tweede termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik draag het voorzitterschap weer aan u over.
De voorzitter:
Dank u wel. Wil de minister schorsen of kan hij deze vragen zo beantwoorden?
Minister Heerma:
Nou, de laatste vraag sowieso niet! Nee hoor, maar ik heb wel een paar minuten nodig. Niet lang. Vijf minuten? En als ik eerder terug ben, ben ik eerder terug.
De voorzitter:
Vijf minuutjes. Heel goed, we blijven hier.
De voorzitter:
Iedereen is weer aanwezig, dus dan geef ik, als hij zover is, het woord weer aan de minister voor de beantwoording van de vragen in de tweede termijn.
Minister Heerma:
Ik ga proberen daarbij niks te missen.
Mevrouw Huizenga stelde in haar eerste termijn nog de vraag, bij interruptie: waarom het Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur toepassen en dan pas de UDO en niet andersom? Daarvoor is gekozen omdat het beleidskader ziet op alle bestuursvormen die we in Nederland hebben en daardoor breder is dan de UDO, die alleen wordt toegepast op decentrale overheden. De taaktoedeling op basis van het beleidskader ziet ook op de keuze tussen decentrale overheden en uitvoeringsorganisaties van het Rijk of functionele bestuursvormen, zoals zbo's. Pas als de keuze is gevallen op het beleggen van een taak bij decentrale overheden, wordt er een UDO uitgevoerd.
Dan was zij heel scherp in haar vraag rondom het najaar. We hebben dit even gecheckt bij de collega's van JenV en daar kregen wij terug dat het voornemen is om de rapportage deze maand nog naar de Kamer te sturen.
Dan was mij door mijzelf opgelegd om in de tweede termijn terug te komen op de termijn van de Monitor Integriteit en Veiligheid naar aanleiding van de vragen van PRO en D66. Mijn voornemen is om dat in november 2026 te doen. Daarbij stuur ik een voortgangsbrief Weerbaar Bestuur waarin ik uiteen zal zetten welke acties worden ondernomen om ambtenaren te beschermen tegen oneigenlijke druk vanuit agressie, bedreigingen en intimidatie. Dat is het onderwerp waar de heer Struijs volgens mij in zijn interruptie zeer duidelijk over zei waarom dat belangrijk is.
De heer Clemminck had nog de vraag of ik voornemens ben om een onderzoek te gaan doen. In navolging van mijn eerste termijn zeg ik: nee, ik ben niet van plan om daar nu een apart onderzoek voor toe te zeggen. Ik heb aangegeven dat we werken aan een reactie op het ARPA-rapport. Ik denk dat dat deels ingaat op onderwerpen die hieraan raken. Er was net ook een interruptiedebat over met mevrouw Huizenga. Ik denk dat er ook binnen de Kamer verschillend geoordeeld wordt over de aanname die de heer Clemminck daarover doet. Ik denk dat we het beste naar aanleiding daarvan dit debat verder kunnen voeren. Als de heer Clemminck daar een motie over wil indienen, staat dat hem vanzelfsprekend vrij. Maar dit is wel het eerlijke antwoord.
Dan was er een vraag van mevrouw Huizenga over wat de eerste stap is. Dat vind ik eigenlijk de moeilijkste vraag om te beantwoorden, omdat die eerste stap eigenlijk al gezet is. Dat zit in de UDO, dat zit in de agenda zoals we die vorige week naar de Kamer gestuurd hebben. Als ik dan voor nu moet benoemen wat ik de belangrijkste eerste stap vind, is dat ik hoop dat we op korte termijn tot die samenwerkingsagenda komen met deze decentrale overheden en daarmee dus invulling geven aan het rapport van de commissie-Polman. Dat ging over de mensen in de gemeentes. Of mensen dat direct gaan merken, vind ik dan ook weer heel moeilijk om te zeggen. Dat rapport-Polman heeft zo een andere insteek over hoe we als overheden met elkaar samenwerken, dan ik erop hoop en vertrouw dat we daarmee een pad in gaan waar mensen nog heel veel positiviteit van gaan merken.
Dan het laatste. Dat raakt volgens mij aan de vraag van de heer Vermeer en aan de slotvraag van de CDA-fractie, van mevrouw Boelsma-Hoekstra. Ik had inderdaad in de eerste termijn heel even in mijn hoofd: ik heb dit toegezegd, maar in welke brief was dat ook alweer? We gaan specifiek in op de positie van kleine gemeentes in de brief die ik heb toegezegd rondom regio's en regionale samenwerking, die dus voor het eind van het jaar komt.
De voorzitter:
Nu ben ik voorzitter, maar mijn vraag is vergeten. Ik kan het voorzitterschap even overdragen, maar denk dat ik de vraag even stel. Die ging over de UDO als bijlage bij bijvoorbeeld het wetsvoorstel.
Minister Heerma:
Heel goed, heel scherp. Ik wil niet een aparte bijlage toezeggen, maar ik heb aangegeven dat we er heel expliciet aandacht aan besteden in de memorie van toelichting en dus veel explicieter dan in het verleden het geval is geweest.
De voorzitter:
Ik wil 'm heel graag als toezegging oplezen, maar ik krijg andere instructies.
We gaan het debat afsluiten. Er is een tweeminutendebat aangevraagd door het lid Huizenga, dus dat gaan we te zijner tijd inplannen.
De volgende toezeggingen zijn gedaan.
- De Kamer wordt in de brief over regio's en regionale samenwerking voor het eind van jaar, 2026, geïnformeerd over de positie van kleine gemeenten.
- De Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de eenduidige landelijke aanpak van intimidatie en bedreiging van politieke ambtsdragers.
- De minister van BZK zal in september '26 de Monitor Integriteit en Veiligheid met de Kamer delen en daarbij ingaan op bedreiging en intimidatie van specifiek vrouwelijke politieke ambtsdragers en politieke ambtsdragers met een migratieachtergrond of uit andere minderheden en daarin bezien of het wenselijk is om aanvullende preventieve maatregelen te treffen voor deze groepen politieke ambtsdragers.
Mevrouw Huizenga (D66):
Volgens mij was het november, dus niet september. Toch?
Minister Heerma:
Dank, mevrouw Huizenga. De eerste was inderdaad september. Die heeft betrekking op de ELA en JenV. En de tweede was november.
De voorzitter:
Dat gaan we aanpassen. Zijn deze toezeggingen herkenbaar en akkoord? Ik kijk even rond. Dat is het geval. Dan wil ik eenieder bedanken voor zijn of haar aanwezigheid, ook de mensen op de publieke tribune. Die had ik welkom geheten, maar ze zijn er nu. Verder een fijne voortzetting van deze dag.