[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-01-28. Laatste update: 2026-01-28 21:54
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

36e vergadering, woensdag 28 januari 2026

Opening

Voorzitter: Van Campen

Aanwezig zijn 137 leden der Kamer, te weten:

El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, Belhirch, Van den Berg, Van Berkel, Bevers, Biekman, Bikker, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Boswijk, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Bart van den Brink, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Van der Burg, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Clemminck, Coenradie, Dekker, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Erkens, Faber, Goudzwaard, Grinwis, Peter de Groot, Hamstra, Heinen, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Chris Jansen, Jetten, Jumelet, Karremans, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Maeijer, Markuszower, Martens-America, Van Meetelen, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Raijer, Rajkowski, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vijlbrief, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, De Vos, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,

en de heer Van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid, de heer Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en de heer Van Weel, minister van Buitenlandse Zaken, minister van Asiel en Migratie.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van woensdag 28 januari 2026.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Termijn inbreng

De voorzitter:

Dan is aan de orde het tweeminutendebat Onlinefraude. Daarvoor heet ik de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom aan de zijde van het kabinet. Ik geef het woord aan mevrouw Mutluer als eerste spreker van de zijde van de Kamer, namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. We gaan het zo meteen bij de begroting natuurlijk uitgebreid hebben over criminaliteitsbestrijding. Onlinefraude zal daar geheid in terugkomen. Desondanks dien ik, om recht te doen aan het rondetafelgesprek dat we hebben gehad en aan de 2,4 miljoen mensen die hiermee van doen hebben, de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat slachtoffers van onlinefraude te maken hebben met een versnipperd meldpuntenlandschap en dat de huidige aanpak grotendeels berust op vrijwillige samenwerking van private partijen;

verzoekt de regering:

  • expliciet uit te werken hoe kan worden toegewerkt naar één centraal meld- en registratiepunt voor onlinefraude;
  • daarbij tevens mee te nemen welke wettelijke verplichtingsscenario's voor banken, telecombedrijven en onlineplatforms mogelijk zijn, inclusief de consequenties van niets doen, en de Kamer hierover dit jaar te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.

Zij krijgt nr. 496 (29911).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik zat even goed te luisteren. We hebben juist een integraal plan van aanpak voor onlinefraude. Dat is per definitie publiek-privaat. Welke verplichtingen zouden de private partijen die mevrouw Mutluer noemt, hebben? Gaat het om een verplichting om te melden of om te voorkomen dat er fraude wordt gepleegd? Kan zij daar iets meer over zeggen? Dit is namelijk wel heel breed.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Volgens mij was het mevrouw Michon-Derkzen die tijdens het debat refereerde aan landen als het Verenigd Koninkrijk en Australië, waar verplichtingen voor banken en telecombedrijven veel nadrukkelijker aanwezig zijn dan bij ons. Je kan het zo breed maken als je wilt: gaat het alleen om melden of ook om voorkomen? Ik denk dat dat beide kan en daarom verzoek ik deze minister om de scenario's uit te werken. Het moet natuurlijk wél binnen de kaders van onze wet- en regelgeving. Ik snap dat we veel vragen, maar ik vind 2,4 miljoen slachtoffers van onlinefraude ook veel. Ik vind dat er wat dat betreft ook een verantwoordelijkheid rust op banken, onlineplatforms en telecombedrijven. Ik hoop dus dat de minister die scenario's à la Verenigd Koninkrijk en Australië kan uitwerken.

De voorzitter:

U vervolgt.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik wil ook een toezegging. We hebben het in het debat ook gehad over gegevensdeling. Dat is supergevoelig. Ik vind dat je daar de Autoriteit Persoonsgegevens zeker bij moet blijven betrekken. Ik vond het echter wel een interessant idee om een pilot te lanceren, om experimenteerruimte, sandboxes, voor gegevensdeling te zoeken. Ik ben heel erg benieuwd of de minister ons daar zo snel mogelijk over kan informeren. Wat is er wel en niet mogelijk, uiteraard de Autoriteit Persoonsgegevens daarbij betrekkend? Ik kijk daar heel erg naar uit, want ik denk dat dit een heel belangrijk punt wordt voor de komende periode.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Mutluer. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng namens het CDA.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Later vandaag, bij de begroting JenV, zal ik spreken over het belang van voldoende middelen, capaciteit en kennis voor de aanpak van onlinevormen van criminaliteit. Een onderdeel daarvan is dat het CDA samen met GroenLinks-Partij van de Arbeid en andere partijen komt met een amendement op de begroting om de bezuinigingen bij de Fraudehelpdesk terug te draaien voor 2026. Maar in plaats van incidenteel pleisters te plakken, zoek je natuurlijk liever naar een structurele inbedding van de aanpak van onlinefraude. Het CDA kijkt daarom met grote interesse uit naar de resultaten van het onderzoek naar de fraudehub, dat afgelopen zomer is aangekondigd.

Tijdens het commissiedebat is uitvoerig gesproken over het belang van goede gegevensdeling tussen publieke en private partners en over de knelpunten die er nog zijn, waar mevrouw Mutluer net ook over sprak. De minister heeft aangegeven dat er binnen de bestaande regelgeving meer kan dan vaak wordt gedacht. Hij heeft toegezegd de Kamer hierover structureel te informeren in de voortgangsrapportage. Mijn vraag aan de minister gaat over de handelingsverlegenheid. Kan de minister toezeggen dat hij de Kamer uiterlijk voor de zomer van 2026 en gelijktijdig met de resultaten van het onderzoek naar de fraudehub ook informeert over een aanpak om AVG-gerelateerde handelingsverlegenheid weg te nemen?

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van de zijde van de Kamer. Ik schors een ogenblik voor de appreciatie van de ingediende motie.

De voorzitter:

Het woord is aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Van Oosten:

Voorzitter, dank u wel. Mevrouw Mutluer vraagt in haar motie op stuk nr. 496 om ook scenario's uit te werken ten aanzien van een mogelijke wettelijke context. Ik wil die motie oordeel Kamer geven, maar ik wijs uw Kamer wel op het volgende. U zegt nu dat het in de loop van '26 mag verschijnen. Ik heb echt wat meer tijd nodig dan ik in het commissiedebat met u heb gewisseld voor het in kaart brengen van hoe de publiek-private samenwerking in de vorm van een fraudecentrum of een fraudehub, of geef het een term, ook aan de hand van het buitenland theoretisch kan worden georganiseerd voor Nederland. Daar wijs ik u dus op. Als ik dat in één bulk ga doen, wat ik op zichzelf wil doen, heb ik meer tijd nodig. Als uw Kamer dat akkoord vindt, wil ik dat zeker oppakken. Dat voor wat betreft de motie.

Mevrouw Mutluer had ook een vraag — die pak ik dan gelijk even mee — over de experimenteerruimte. Daarvan heb ik al toegezegd dat ik voor de zomer een terugkoppeling zal geven. Ik weet even niet of ik dat in de reguliere halfjaarbrief doe of dat ik een andere brief op dit punt had toegezegd, maar dat gaat gebeuren.

Daarin neem ik ook de vraag van mevrouw Straatman mee. Ik vind dat daar meer over te zeggen valt dan alleen maar een toezegging, of het niet willen doen van een toezegging, over het vraagstuk hoe bedrijven ermee om kunnen gaan, want het handelingsverlegenheidsvraagstuk vergt echt wat meer aandacht. Ik ga dat dus niet zomaar toezeggen, zeg ik nu tegen mevrouw Straatman, maar ik zeg wel toe dat ik erop terug ga komen. Dan kunnen we daar met elkaar over discussiëren.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Zolang de urgentie er maar op blijft, want de formerende partijen hebben al gezegd dat ze eruit zijn en voor je het weet, heb je een nieuwe minister en gaat dit letterlijk verzanden. Ik wil dus wel de concrete toezegging: met urgentie, zo snel als mogelijk. Ik snap de zorgvuldigheid die deze minister of de komende minister in acht wenst te nemen, maar het moet wel gebeuren.

Minister Van Oosten:

De toezegging blijft gewoon staan. U krijgt dus ook dit jaar het antwoord daarop, als uw Kamer daar tenminste in meerderheid mee instemt, want er is oordeel Kamer gegeven. Maar ik zeg u wel dat het meer tijd neemt, omdat dus de uitwerking van die wettelijke scenario's erbij moet worden genomen, dan wanneer je ervoor zou kiezen dat later te doen. Die opmerking heb ik gemaakt.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw beantwoording?

Minister Van Oosten:

Ja.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat Onlinefraude.

De voorzitter:

Over de ingediende motie zal aanstaande dinsdag worden gestemd.

Termijn inbreng

De voorzitter:

We gaan meteen door met het tweeminutendebat Politie, tevens met deze minister. Ik geef daarvoor het woord aan mevrouw Faber van de PVV als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Gaat uw gang.

Mevrouw Faber (PVV):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de politie het gezag op straat dient terug te krijgen;

overwegende dat uit angst om beticht te worden van etnisch profileren er allerlei ridicule maatregelen worden genomen, zoals het inzetten van de selectiepaal, waar zowel binnen als buiten de politie om wordt gelachen;

overwegende dat het inclusiebeleid bij de politie is doorgeslagen en er niet altijd met gelijke maten wordt gemeten;

overwegende dat het beleid niet altijd eenduidig wordt uitgevoerd door onder andere verschillende opvattingen over proportioneel optreden binnen de lokale driehoek;

overwegende dat het beroep van politieagent te belangrijk is om geridiculiseerd te worden;

verzoekt de regering het bestuur van de politie aan te zetten te stoppen met politiek correcte spelletjes die het aanzien en respect van de politie schaden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.

Zij krijgt nr. 1304 (29628).

Mevrouw Faber (PVV):

Dan de volgende.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat boa's neutraliteit dienen uit te stralen en zich dienen te onthouden van religieuze uitingen;

constaterende dat er een AMvB klaarligt die voorziet in een verbod op religieuze uitingen voor boa's;

constaterende dat de minister deze AMvB niet wil bekrachtigen terwijl daar geen wettelijke belemmering voor is;

constaterende dat de minister niet tegen het verbod is, maar dit wettelijk wil vastleggen;

verzoekt de regering de AMvB die voorziet in een verbod op religieuze uitingen in werking te laten treden tot de beoogde wet die ook voorziet in een verbod op religieuze uitingen van kracht is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.

Zij krijgt nr. 1305 (29628).

Mevrouw Faber (PVV):

Binnen de tijd!

De voorzitter:

Uitstekend, mevrouw Faber. Het belooft een mooie dag te worden. Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Werf. Zij spreekt namens D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Commissie Monitoring Waarborgen Heimelijk Werk in haar eindrapport concludeert dat het nieuw opgerichte undercoverteam (UCT) van de Nationale Politie door grote tijdsdruk een valse start heeft gemaakt;

constaterende dat de commissie wijst op risico's op het gebied van kennisoverdracht, leiderschap en het terugkeren van een ongewenste organisatiecultuur;

overwegende dat eerdere tekortkomingen binnen het voormalige stelsel WOD hebben geleid tot ernstige gevolgen, waaronder risico's voor de mentale gezondheid van medewerkers;

verzoekt de regering om het functioneren, de organisatiecultuur en het personeelswelzijn binnen het nieuwe undercoverteam structureel te monitoren, en de Kamer hierover periodiek te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Struijs, Michon-Derkzen, Mutluer, Straatman, Coenradie en Schilder.

Zij krijgt nr. 1306 (29628).

Dank u wel.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik zou aan mevrouw Van der Werf willen vragen of ik deze motie mede kan indienen.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Zeker.

De voorzitter:

Dan zullen we dat in orde maken. Kijk aan! Mevrouw Mutluer, doet u mee?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ja, heel graag, want volgens mij hebben we heel nadrukkelijk om die monitoring gevraagd, ook naar aanleiding van het gesprek. Wij steunen de motie van harte en willen die medeondertekenen.

De voorzitter:

Ook de naam van mevrouw Mutluer komt erbij.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Heel goed. Ik zag mevrouw Straatman een opstaande beweging maken.

De voorzitter:

Ja, ik zie het ook. Ik zie mevrouw Straatman ook.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dat klopt. Ik twijfelde, maar ik doe ook graag mee.

De voorzitter:

Het is soms net een markt, hè.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Mevrouw Coenradie? Mevrouw Faber?

De voorzitter:

Nou, mevrouw Coenradie?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Welja.

De voorzitter:

Mevrouw Coenradie tekent ook mee. Mevrouw Faber?

Mevrouw Van der Werf (D66):

Mevrouw Schilder komt eraan.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik teken mee.

De voorzitter:

Ook de naam van mevrouw Schilder zullen we meenemen.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Geweldig, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Werf. Tot slot is het woord aan mevrouw Coenradie als laatste spreker van de zijde van ... O, ik zie de heer El Abassi binnenkomen. Hij stond op de sprekerslijst, dus het kan net. Gaat uw gang, meneer El Abassi.

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter, dank. Ik zal meteen beginnen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het WODC-rapport Samen sterker benadrukt dat herkenbaarheid en representatie essentieel zijn voor vertrouwen in de politie;

overwegende dat aanwezigheid van de politie op maatschappelijke evenementen bijdraagt aan zichtbaarheid en werving;

verzoekt de regering te bevestigen dat de aanwezigheid van de politie op verbindende maatschappelijke en culturele evenementen past binnen haar neutraliteit en publieke taak,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 1307 (29628).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zowel de Raad van State als het College voor de Rechten van de Mens ernstige bezwaren hebben geuit tegen een verbod op religieuze uitingen voor boa's;

verzoekt de regering inzichtelijk te maken hoe deze adviezen zijn meegewogen en het beleid hierop te heroverwegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 1308 (29628).

De heer El Abassi (DENK):

Dan mijn laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Raad van State en het College voor de Rechten van de Mens hebben gewaarschuwd dat een verbod op religieuze uitingen voor boa's strijdig is met grondrechten en stigmatiserend werkt;

overwegende dat inconsistent beleid rond inclusie en neutraliteit het vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnt;

verzoekt de regering af te zien van het aanpassen van wetgeving om een verbod op religieuze uitingen voor boa's mogelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 1309 (29628).

De heer El Abassi (DENK):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer El Abassi. Dan nu toch tot slot: de laatste spreker van de zijde van de Kamer, mevrouw Coenradie, die spreekt namens JA21. Gaat uw gang.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat geweldsincidenten met wapens toenemen, met name onder jongeren;

overwegende dat schaarse politiecapaciteit effectief en gericht moet worden ingezet;

overwegende dat handhaving het meest effectief is wanneer die plaatsvindt op basis van objectieve risico-indicatoren, zoals locatie, gedrag, bezit en bekende geweldspatronen;

verzoekt de regering te bezien hoe, binnen bestaande of nieuwe wettelijke kaders, gerichter doelgroepenbeleid kan worden toegepast bij handhaving, zodat politiecapaciteit doelgericht kan worden ingezet en agenten duidelijke kaders en rugdekking krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.

Zij krijgt nr. 1310 (29628).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer de op 2 september 2025 ingediende motie-Michon-Derkzen c.s. met een ruime meerderheid heeft aangenomen waarin de korpsleiding wordt verzocht te stoppen met de controlepaal;

overwegende dat het verzoek van de Kamer naast zich neer is gelegd;

verzoekt de regering desnoods via regelgeving af te dwingen dat er gestopt wordt met de inzet van de controlepaal,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.

Zij krijgt nr. 1311 (29628).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de politie kampt met ernstige operationele uitdagingen;

overwegende dat beschikbare middelen primair moeten worden ingezet voor de kerntaken van de politie;

verzoekt de regering te stoppen met diversiteitsbeleid binnen de politie en de vrijvallende middelen en capaciteit in te zetten voor de versterking van de operationele slagkracht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie en Schilder.

Zij krijgt nr. 1312 (29628).

Dank u wel. Ik schors tien minuten tot 10.40 uur voor de appreciaties van de ingediende moties.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Van Oosten:

Dank, voorzitter. Er zijn negen moties ingediend. Ik loop er met uw welnemen snel doorheen.

De motie op stuk nr. 1304 is van mevrouw Faber. Zij verzoekt eigenlijk de politie te stoppen met politieke spelletjes. Ik ontraad deze motie. Ik herken me ook niet in de motie zoals die daar ligt.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik heb in mijn motie aangegeven wat ik vind van de selectiepaal. De dienders in Amsterdam geven zelf aan dat ze eigenlijk voor paal staan met die paal op straat. Er wordt ook om gelachen, zowel binnen als buiten de politie. Die paal is in feite in het leven geroepen door de leiding, omdat men niet beticht wilde worden van etnisch profileren. Dat is natuurlijk gewoon onzin, want je kunt die paal beter maar thuislaten als je in de Bijlmer gaat controleren. Mijn vraag is natuurlijk wel: is de minister het ermee eens dat je in feite gewoon voor gek staat met zo'n paal? Dat is toch ook een motie van wantrouwen naar je eigen diender toe; alsof die zelf niet in staat is om op de juiste manier te controleren.

Minister Van Oosten:

Ik heb geen reden om te twijfelen aan de professionele inschatting die de politie kan maken als het gaat om de inzetbaarheid die op dat ogenblik gevraagd wordt. Mevrouw Coenradie vraagt ook specifiek naar de paal als zodanig. Ik kom daar dadelijk bij de appreciatie nog even op terug. Ik deel de zorgen van mevrouw Faber op dat punt niet. Ik acht de politie zeer wel in staat om geen "spelletjes" — zo zegt de politie het zelf — te spelen met de veiligheid in dit land.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1305.

Minister Van Oosten:

De motie-Faber op stuk nr. 1305 ziet op de AMvB rondom religieuze uitingen bij boa's. Ik ontraad deze motie. De Raad van State heeft namelijk het advies gegeven — daar hecht ik waarde aan — om dit op het niveau van de formele wet te organiseren. Als ik dat niet doe, dan zie ik gebeuren dat het besluit bij de eerste de beste keer door de rechter onderuit wordt gehaald. Dat lijkt me zeer onverstandig. Ik ontraad de motie dus om die reden.

Mevrouw Faber (PVV):

Ja, maar het is niet bij wet verboden om deze AMvB te bekrachtigen. Dat mag wettelijk gezien wel. Ik zie niet in waarom je door de rechter teruggefloten zou worden. Dat is mijn vraag.

Minister Van Oosten:

Klopt, maar het is wel zo dat ik dat als hoog risico taxeer. Daarnaast vind ik het ook waardevol om wat te doen met het advies dat ik van de Raad van State krijg. Ik ben ook bij machte om daar wat aan te doen. Daarom ontraad ik uw motie.

Mevrouw Faber (PVV):

Maar in feite laat de minister dan dus wel zijn oren hangen naar de Raad van State. Wettelijk gezien mag dit namelijk. Het is helemaal geen gek voorstel om de AMvB te bekrachtigen tot de wet er is.

Minister Van Oosten:

Daar zijn mevrouw Faber en ik het dan niet over eens. Ik lees het advies van de Raad van State zo dat de Raad van State mij adviseert: organiseer dat in een formele wet en zorg dat daar een discussie over kan plaatsvinden in dit Kamerhuis. Dat is dan ook de weg die we wat mij betreft zouden moeten bewandelen. Daarom ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1306.

Minister Van Oosten:

De motie op stuk nr. 1306 is een motie van mevrouw Van der Werf, en vele anderen, kan ik inmiddels ook zeggen. Die motie wil ik oordeel Kamer geven, want die ligt in het verlengde van de discussie die we kortgeleden met elkaar gevoerd hebben. Het is goed voor de Handelingen, denk ik, dat ik wel even expliciteer hoe ik dit dan doe, in navolging van wat ik toen al gezegd heb. Er is een visitatiecommissie ingesteld. Die commissie bestaat uit externe experts met kennis van zaken van het domein heimelijk werk. Dat onderwerp blijf ik ook actief bespreken met de korpschef. Ik informeer uw Kamer in eerste instantie in het halfjaarbericht politie, dat we binnenkort weer gaan krijgen. Langs die weg gaan we het volgen. Ik reken daarbij op mevrouw Van der Werf om dat uitdrukkelijk te doen. Deze motie krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik zie een non-verbale instemming van mevrouw Van der Werf. De motie op stuk nr. 1307.

Minister Van Oosten:

De motie op stuk nr. 1307, van de heer El Abassi, vraagt eigenlijk of de politie aanwezig kan zijn bij momenten die ertoe doen, laat ik het zo zeggen. De politie doet dit al. Die motie is overbodig. De politie overweegt wel per keer, vanuit de verantwoordelijkheid die ze heeft om een benaderbare politie te zijn, of het wel of niet passend is.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1307: overbodig. De motie op stuk nr. 1308.

Minister Van Oosten:

De motie op stuk nr. 1308, ook van de heer El Abassi, is ook overbodig. De overwegingen wat betreft het verbod op de religieuze uitingen voor boa's dienen dan te worden uitgelegd in de memorie van toelichting bij het wetstraject. Dan kunnen we op dat moment er met elkaar de discussie over voeren.

De motie op stuk nr. 1309, ook van de heer El Abassi, ontraad ik eveneens. Die ziet specifiek op de neutraliteit als zodanig, niet in het bijzonder op een al dan niet wetstraject. De neutraliteit acht ik belangrijk voor de taakuitvoering en daarom moet niet worden afgezien van een wetstraject. Ik ontraad de motie.

De motie op stuk nr. 1310, van mevrouw Coenradie, ziet op bestaande of nieuwe wettelijke kaders rondom beleid dat kan worden toegepast bij handhaving. Als ik 'm niet begrijp, dan hoor ik dat van mevrouw Coenradie, maar ik lees de motie zo dat het specifiek gaat over situaties rondom preventief fouilleren. Als dat zo is, dan vind ik de motie overbodig. Het is namelijk een lokale aangelegenheid, die onder het lokale gezag plaatsvindt. Preventief fouilleren gebeurt in aangewezen veiligheidsrisicogebieden op basis van zorgvuldige analyses en niet specifiek op basis van doelgroepenbeleid. Met andere woorden: er vindt een aselectieve controle plaats in de veiligheidsrisicogebieden. Daarom beschouw en apprecieer ik de motie als overbodig.

De motie op stuk nr. 1311, van mevrouw Coenradie, ziet op de paal waar mevrouw Faber het net ook al over had. Het verzoek is om via regelgeving af te dwingen dat daarmee wordt gestopt. Kort en goed komt het op het volgende neer. Ik heb de afwegingen net al bij mevrouw Faber aangeven. Wat betreft de inzet van de politie en de mogelijkheden die de politie heeft om zich in te zetten daar wat dat past en nodig is, vertrouw ik op de professionele afweging. Ik vind het niet proportioneel om een wetstraject te starten, zoals mevrouw Coenradie voorstelt. Ik ontraad deze motie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik kan me er wel iets bij voorstellen dat de minister een heel wetgevingstraject buitenproportioneel vindt. Ik vind het nog erger dat er gewoon geen uitvoering wordt gegeven aan een motie van mevrouw Michon-Derkzen die hier ligt. De vraag is hoe we hier vervolgens mee om kunnen gaan. Nu wijst men namelijk toch elke keer naar elkaar. De lokale overheid, in dit geval de driehoek, wijst naar de minister en andersom. Ondertussen wordt het handelingskader van de politie steeds dikker en vreemder.

Minister Van Oosten:

Het past nu om even terug te grijpen op de discussie die toen gevoerd is. In de appreciatie op de motie van mevrouw Michon-Derkzen is aangegeven dat de inzet van de paal facultatief is en dat het aan het lokale gezag is om wel of niet tot de inzet ervan te besluiten. Er is toen toegezegd om het te bespreken met het LOVP, dat gezelschap van regioburgemeesters en de korpsleiding. Dat is gebeurd; dat heb ik zelf nog gedaan. Ook daaruit is gekomen dat het uiteindelijk aan het lokale gezag is om het wel of niet te doen. Volgens mij heb ik dat ook aan u teruggekoppeld. Dan kom ik uiteindelijk bij uw dictum, namelijk het verzoek om dat vast te leggen in een formele wet. Ik zeg u hoe ik ben omgegaan met die motie. Volgens mij is dat in lijn daarmee, maar ik vind het buitenproportioneel om daar een wet van te maken. Daarom ontraad ik 'm.

De laatste motie is de motie op stuk nr. 1312, ook van mevrouw Coenradie. Die ziet op diversiteitsbeleid et cetera en in het bijzonder het stoppen daarmee. Die ontraad ik. Om voor iedere burger een effectieve en benaderbare politie met slagkracht te zijn, is een diverse politieorganisatie van belang. Ook draagt een diverse politieorganisatie bij aan het vertrouwen van de samenleving.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat Politie.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd. Ik schors de vergadering tot 10.55 uur. Daarna zullen we verdergaan met het de behandeling van de begroting Justitie en Veiligheid. De vergadering is geschorst tot 10.55 uur.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begroting van Justitie en Veiligheid. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid, die al in ons midden verkeerde, opnieuw van harte welkom en ik heet ook de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die zich aansluit in vak-K, welkom. We hebben negentien sprekers van de zijde van de Kamer. Het is een heuglijke dag, want er zijn maar liefst drie maidenspeeches: van mevrouw Abdi, mevrouw Straatman en mevrouw Schilder. Dat belooft dus heel wat voor vandaag, maar voordat we gaan luisteren naar de eerste spreker van de zijde van de Kamer, is het woord aan de heer Ellian, die samen met mevrouw Mutluer als rapporteur fungeerde op deze begroting. Zij zullen gezamenlijk een verslag uitbrengen, hetgeen u vanzelfsprekend kunt betrekken bij de behandeling van de begroting. Het woord is aan de heer Ellian als rapporteur.

De heer Ellian (VVD):

Dank, voorzitter. Dank dat de collega's ons deze mogelijkheid geven. De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft collega Mutluer en mij benoemd als rapporteurs over de begroting van 2026. Namens de commissie vragen wij in deze bijdrage aandacht voor de problemen in de strafrechtketen, problemen waar wij als rapporteurs inmiddels al vier jaar lang, denk ik, aandacht voor vragen. We bespreken dit onderwerp dus niet voor het eerst.

Drie jaar geleden voerde de Kamer de parlementaire verkenning Prestaties in de Strafrechtketen uit. Daarop volgden scherpe conclusies en aanbevelingen in de Kamerbreed gesteunde motie-Ellian c.s. om de knelpunten in de vastgelopen strafrechtketen te doorbreken. Het kabinet beloofde beterschap, maar het oordeel van de Algemene Rekenkamer was vorig jaar bij de jaarverantwoording zeer kritisch. Met de motie-Mutluer c.s. verbond de Kamer voorwaarden aan de dechargeverlening over het jaarverslag, vanwege vele onvolkomenheden. Dat gebeurde niet lichtvoetig, want voorwaardelijke dechargeverlening is een zwaar middel. Maar het gaat ook echt ergens om. Lange doorlooptijden ondermijnen het strafrecht. Criminelen lopen vrij rond, slachtoffers zijn de dupe en ondertussen nemen de uitgaven in de strafrechtketen alleen maar toe: tussen 2013 en 2024 van 9,7 miljard naar, let op, 14,8 miljard. En dat terwijl er nog altijd capaciteitsproblemen zijn en de digitalisering nog moet plaatsvinden.

Dan de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, voorzitter. De implementatiedatum staat op 2029, maar is dat echt realistisch, gezien alle problemen in de keten? Ook het Openbaar Ministerie en de politie hebben hier zelf twijfels bij. Wij vragen de minister dan ook: is deze datum nog haalbaar, is er een alternatief scenario?

Tijdens het debat over de jaarverantwoording zagen we begrip en ernst bij de minister over onze zorgen. Dat gaf ons vertrouwen dat er nu echt wat ging gebeuren. En ja, verbeteringen zien we, bijvoorbeeld bij de slachtofferrechten en foutieve tenaamstellingen, maar de beloftes over de keten blijven ver achter. Op drie van de niet nagekomen beloftes gaan wij hierna in: het plan van aanpak en de aanwijzingsbevoegdheid, het kunnen volgen van een strafzaak door de hele keten en de informatievoorziening aan de Kamer.

Voorzitter. De eerste belofte betreft de doorlooptijden en het inlopen daarvan ten behoeve van slachtoffers. Waarom lukt het niet om inzicht te geven in de ketenbrede doorlooptijden? Zijn de data er niet of mogen data niet gekoppeld worden door wetstechnische knelpunten? Met de motie-Mutluer c.s. riep de Kamer op desnoods nieuwe wetgeving te ontwikkelen. De minister zou hierop terugkomen, maar dat is nooit gebeurd. Wat nu?

De tweede belofte is het plan van aanpak en de aanwijzingsbevoegdheid. Hoe staat het nu met de inzet hiervan? Wordt die serieus overwogen en, zo nee, waarom niet? We begrijpen de complexiteit en benadrukken nogmaals dat het gaat om aanwijzingen waarmee de minister niet op de stoel van de ketenpartners gaat zitten, maar aanwijzingen met betrekking tot de inhoud, de prioritering en de bedrijfsvoering. Denk bijvoorbeeld aan het hanteren van standaarddefinities.

Voorzitter. De keten werkt alleen als dit soort aspecten ook aandacht krijgen. Daarvoor is een overkoepelende instantie nodig die toezicht houdt en doorzettingsmacht heeft. Deelt de minister dit? Kan de minister scenario's uitwerken over de manier waarop de aanwijzingsbevoegdheid kan worden ingezet?

Mijn collega Mutluer doet het laatste deel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ellian. Het woord is aan mevrouw Mutluer, als tweede begrotingsrapporteur.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Ik wil graag nog even ingaan op een ander onderdeel: de informatievoorziening aan de Kamer. Wij zouden een helder plan van aanpak krijgen met hele duidelijke doelstellingen, maar wat we krijgen is de zoveelste voortgangsbrief en een Factsheet strafrechtketenmonitor. Het blijft gewoon een zoekplaatje en het is lastig om een meerjarig beeld te krijgen. Het is niet duidelijk voor welk specifiek probleem de afzonderlijke maatregelen een oplossing zijn en wanneer resultaten bereikt moeten zijn. Ook missen we informatie over de digitalisering van de strafrechtketen en de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Daarnaast lezen we dat de doelstellingen naar beneden zijn bijgesteld. Hoe kan de Kamer nou een goed beeld krijgen als de normen tussentijds veranderen en dit niet duidelijk wordt vermeld? Kan de minister deze punten meenemen in de volgende informatie aan de Kamer en de informatievoorziening duidelijker, vollediger en meetbaarder maken?

Ik rond af. Einstein zei ooit: "De definitie van waanzin is steeds hetzelfde doen en dan een ander resultaat verwachten." Of, in gewoon Nederlands: als je doet wat je altijd deed, krijg je wat je altijd kreeg. Dat is precies het gevoel dat de commissie heeft bij de aanpak van de strafrechtketen. De keten piept en kraakt. Doorlooptijden lopen op, mensen haken af en de samenleving verliest het vertrouwen. Dat vraagt om regie, om richting en om lef. Een cultuurverandering is daarvoor dringend noodzakelijk. Anders is het wachten op het volgende probleem. Daarom vragen we het volgende aan de bewindspersonen. Kan de Kamer voor de zomer een echt deltaplan krijgen, met daarin de gevraagde informatie, de scenario's voor de aanwijzingen en de informatie over het kunnen volgen van een zaak voor de hele keten? Kunnen de bewindspersonen aangeven hoe zij nu echt gaan zorgen voor een cultuurverandering, zodat de keten de aandacht krijgt die hij verdient? Wij horen graag de reactie van de bewindspersonen. Het is volgens mij een van de laatste keren dat de heer Ellian en ik nu even de begroting samen doen, maar we laten het graag aan andere collega's over om dat in de toekomst te doen. Ik sluit niet uit dat wij straks met een motie komen.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Mutluer. Ik dank de rapporteurs voor het uitgebrachte verslag.

De voorzitter:

Dan is nu het woord aan de heer Sneller als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Hij zal zijn inbreng leveren namens de fractie van D66 in de eerste termijn van deze begrotingsbehandeling. U heeft het woord.

De heer Sneller (D66):

Dank, voorzitter. De beste uitvinding van de mens is niet het wiel, maar de democratische rechtsstaat. Oftewel, een samenleving waarin mensen gezamenlijk bepalen welke regels zij willen volgen en waarin degenen die die wetten moeten handhaven en uitvoeren, zelf ook gebonden zijn aan die regels. Het is de meest zekere bescherming tegen willekeur, tegen eigenrichting en tegen het recht van de sterkste.

Voorzitter. Onze democratische rechtsstaat ontstond niet door een eurekamoment. Het was geen geniale ingeving op een achternamiddag, maar eeuwen- en eeuwenlang zwoegen. Twee stappen vooruit en weer eentje terug. Nog steeds is onze rechtsstaat verre van volmaakt, maar laten we ons goed realiseren dat onze rechtsstaat zoals we die vandaag in Nederland kennen historisch gezien niet de norm is, maar de positieve uitzondering. Niet alleen in onze geschiedenis is deze rechtsstaat uitzonderlijk. Ook in onze eigen tijd zijn wij dat als Nederland. In landen als Myanmar of Venezuela kunnen mensen daar slechts van dromen. Sterker nog, slechts 6,6% van de wereldbevolking leeft in een volwaardige democratie. 6,6%.

Toch gedragen we ons hier alsof wij die rechtsstaat voor lief nemen, alsof het altijd zo zal blijven. Hoe kan het toch dat we iets wat zo zeldzaam is, zo vanzelfsprekend zijn gaan vinden? Misschien komt het doordat "de rechtsstaat" voor velen voelt als een vaag begrip, terwijl het de basis is voor hele concrete zekerheden. Het betekent dat je als inwoner een vergunning krijgt, omdat je daar volgens de regels recht op hebt, niet omdat je voldoende bankbiljetten in een envelop hebt gestopt. Het betekent dat je als burger een rechter of minister kunt bekritiseren, zonder angst om 's nachts van je bed gelicht te worden. Het betekent dat je als ondernemer een eerlijke kans maakt op een overheidsopdracht, omdat je het beste product maakt voor de laagste prijs, ook als je openlijk lid bent van een oppositiepartij. Zo'n rechtsstaat is niet alleen rechtvaardig en een verdedigingsmuur voor individuele vrijheden. Het is ook verstandig economisch beleid. Waar de rechtsstaat afbrokkelt, verdwijnt de welvaart. Dan betaalt uiteindelijk iedereen de prijs, behalve de inner circle van het regime.

Voorzitter. Net als elders staat onze rechtsstaat vandaag onder druk, van binnenuit en van buitenaf. Van binnenuit vanuit de politiek, met politici die lonken naar het staatsnoodrecht als quick fix voor hun politieke problemen, alsof democratische waarborgen optioneel zijn. Vanuit de georganiseerde misdaad, die advocaten intimideert, corrumpeert of zelfs liquideert. Maar de pogingen om onze rechtsstaat te ondergraven, komen ook van buiten, als directe acties of via binnenlandse actoren. Steun voor radicaal rechts in Europa is nu de officiële veiligheidsstrategie van Trump. Het online trollenleger van Poetin toonde zich tijdens de campagne fan van Forum voor Democratie.

Voorzitter. Onze rechtsstaat kan zichzelf moeilijk verdedigen tegen dergelijke aanvallen. We kunnen het de hoeders van onze rechtsstaat, van de politieagent tot de rechter, niet alleen laten opknappen. Daarom zijn waakzame burgers en moedige politici nu keihard nodig. De rechtsstaat vereist voortdurend onderhoud. Om in de woorden van John Morijn te spreken: "We hebben een mooiweerrechtsstaat in Nederland, terwijl de verwachtingen ronduit slecht zijn." Daarom moeten we onze rechtsstaat weerbaarder maken, onder andere door de onafhankelijkheid van instituties zoals het OM en de rechterlijke macht te vergroten. Richting vak K zeg ik: de aangenomen Kamermoties daarover blijven veel te lang liggen zonder dat er iets mee gebeurt.

Voorzitter. Een rechtsstaat die op papier bestaat, maar in de praktijk niet werkt, verliest gezag. Een rechtsstaat zonder gezag is extra kwetsbaar voor ondermijning. Dus is het onvoldoende om te zorgen dat de wetten kloppen, maar moeten we er ook voor zorgen dat mensen hun rechten daadwerkelijk kunnen uitoefenen. De rechtsstaat is alleen dan een levende realiteit als de belofte wordt waargemaakt dat het sterkste recht wint, in plaats van het recht van de sterkste. Ook dat klinkt abstract, maar is voor veel mensen vandaag pijnlijk concreet: voor wie verdwaalt in regels en procedures en daardoor zijn recht niet kan halen, voor wie tegenover een overheid staat met veel meer middelen, meer tijd en meer macht, voor journalisten en activisten die grote bedrijven met intimiderende intenties tegenover zich vinden. Daar zullen we later dit jaar bij de wetgeving over strategische rechtszaken tegen publieke participatie nog explicieter op terugkomen.

Maar ik denk ook aan de mensen die onvoldoende toegang hebben tot de rechter, omdat de kosten te hoog zijn of omdat zij geen sociaal advocaat kunnen vinden, bijvoorbeeld in Noord-Nederland, waar het aantal sociaal advocaten per inwoner zorgwekkend laag is. We mogen niet berusten in het feit dat bijna negen op de tien Nederlanders vindt dat het voor sommige mensen, vanwege de kosten, moeilijker is om een rechtszaak te beginnen dan voor anderen. Het is goed dat het kabinet extra geld beschikbaar stelde voor het Juridisch Loket, maar uit recent onderzoek blijkt dat de maatschappelijke baten maar liefst drie tot vijf keer groter zijn dan de uitgaven. Daarnaast trok het kabinet geld uit voor de sociale advocatuur, naar aanleiding van de commissie-Van der Meer II, maar dat is geen eindpunt. Daarom een aantal vragen. Welke concrete stappen zet de staatssecretaris verder om de sociale advocatuur in heel Nederland toekomstbestendig te maken? En welke vooruitgang boekt hij breder in zijn begroting om laagdrempelige rechtshulp structureel te versterken? Hoe staat het met de uitvoering van mijn motie om in de kwetsbare gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid met voorrang te werken aan de Huizen van het Recht, zoals in de inspirerende initiatiefnota van collega Van Nispen destijds uiteen werd gezet? En waar blijft de maatschappelijke kosten-batenanalyse — daar is ie weer — die hierover is toegezegd?

Ook zou de overheid minder moeten procederen tegen haar eigen burgers, een breed levend sentiment in deze Kamer. Maar toen ik op dit punt een concrete doelstelling voorstelde, wilde het kabinet daar niets van weten, dus is mijn vraag nu: hoe gaat het met deze ambitie? Wat mij betreft moeten we al deze punten de komende jaren benutten voor een omschakeling van het eindeloos experimenteren naar het verankeren van de meest effectieve oplossingen, terwijl we ook het innovatief vermogen bij conflictoplossing structureel versterken.

Voorzitter. De kern van mijn betoog is simpel: een rechtsstaat kan alleen rekenen op vertrouwen als hij ook daadwerkelijk levert. Dat betekent ook dat we geen gouden bergen moeten beloven als we het niet kunnen waarmaken. Of concreet, zoals de voorzitter van het College van procureurs-generaal treffend zei in een interview: "We moeten de illusiepolitiek aan verwachtingen van het strafrecht bestrijden, hoeveel extra miljarden of repressieve maatregelen je er ook tegenaan gooit." Maar het betekent ook dat we wel moeten waarmaken wat we beloven. Straffeloosheid vreet aan het vertrouwen in de rechtsstaat, en dus mogen aangiftes niet tergend lang blijven liggen. En criminelen die door de rechter veroordeeld zijn tot een celstraf moeten ook zo snel mogelijk de gevangenis in. Want recht dat te laat komt is geen recht meer; justice delayed is justice denied. Dat vraagt om slimmer en effectiever straffen, waarbij ik samen met collega Straatman in ieder geval potentie zie in de mogelijkheden van elektronische detentie en meer gebruikmaken van taakstraffen. Dit draagt ook bij aan het voorkomen van criminaliteit en herhaalcriminaliteit. Ook het werk van de reclassering heeft een maatschappelijke meerwaarde die minimaal het dubbele bedraagt van elke euro die eraan wordt besteed. Erkent de staatssecretaris die meerwaarde ook?

Maar voorkomen van straffeloosheid betekent ook meer aandacht voor de prestaties in de strafrechtketen. Daarom wil ik mijn grote dank uitspreken aan de rapporteurs Mutluer en Ellian, die laten zien dat het parlement wel degelijk vasthoudend kan zijn; een jarenlange samenwerking tussen oppositie en coalitie, het heel politieke spectrum verenigend, voorbij de waan van de dag. Ik ben zeer benieuwd naar de reactie van de minister op hun inbreng. Meer sturing op de keten is noodzakelijk, maar we moeten ook fundamenteler naar die keten kijken en streven naar minder complexiteit, meer slagkracht, en soms meer politieke zelfbeheersing, anders loopt het systeem in zichzelf vast tegen soms onzichtbare maar uiteindelijk torenhoge kosten.

Voorzitter, tot slot. Waar geen toegang is tot de rechter, begint de oorlog. Of eigenlijk "Ubi iudicia deficiunt, incipit bellum", de uitdrukking van een van onze bekendste Nederlandse juristen, Hugo de Groot, die levensgroot staat op de binnengevel van de Hoge Raad.

De voorzitter:

Ja, als u zo begint ... Maar daar komen ze hoor, naar de interruptiemicrofoon. Aanstootgevend ...

De heer Sneller (D66):

De laatste alinea, voorzitter. De handhaving van het recht en toegang tot het recht zijn een serieuze zaak. Daarom moeten we nú werk maken van een democratische rechtsstaat waarin niet degenen met de diepste zakken en de grootste mond of de meest meedogenlozen de dienst uitmaken, maar mensen zelf.

De voorzitter:

De heer Van Dijk gaat vast om de vertaling vragen. De heer Van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik kwam niet naar voren vanwege de fraaie citaten. Nee, ik kwam naar voren omdat de heer Sneller begon met een heel inhoudelijk betoog over de rechtsstaat, en ik vind dat het gewoon waard om daarop te reageren. Ik ben het over heel veel met hem eens. Maar tegelijkertijd leven we in een democratische rechtsstaat, die ook een balans veronderstelt tussen democratie en rechtsstaat, tussen stemlokaal en rechtszaal. De heer Sneller kent de discussie. Ik denk aan het bekende boek Diplomademocratie van de hoogleraren Bovens en Wille, geen rechtspopulisten. Wil de heer Sneller ook reflecteren op het zoeken naar de balans, dat je niet altijd tegen meerderheden, ook die van woke, kunt zeggen: "ja, maar verdragen, ja, maar procedures, ja, maar wetten"? Ziet hij daar een balans in, of niet?

De heer Sneller (D66):

Ja, ik zie daar zeker een balans in. Ik wou volgende week, tijdens de begroting van Binnenlandse Zaken, met name op de democratische kant focussen, maar de heer Van Dijk vraagt terecht naar de balans tussen die twee. Ja, een meerderheid bepaalt in een democratie, en de bescherming van minderheden hoort ook bij de democratische rechtsstaat. Dat hoef ik de heer Van Dijk niet uit te leggen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Mijn vraag is nu korter: is die balans in orde? Het viel mij op, ook in het betoog van de heer Sneller, dat D66 zich in het verleden heel erg richtte op de invoering van het referendum om ook iets aan die balans te doen. Dat horen we nu minder. Wat is daar de achtergrond van? Is hij, kort gezegd, gerust op de huidige balans tussen stemlokaal en rechtszaal?

De heer Sneller (D66):

De heer Van Dijk probeert hier een heel fundamentele discussie … Volgende week zal ik wederom bepleiten dat het correctief bindend referendum moet worden ingevoerd en dat ik hoop dat de SP dat door de senaat zal krijgen. Dat is in tegenstelling tot de heer Van Dijk, dus het is verwonderlijk dat hij daar specifiek naar vraagt. Ik denk dat er aan de democratische kant heel veel moet gebeuren om de stem van mensen en van kiezers, zowel die van afgehaakte kiezers als die van de kiezers die wel opkomen, beter te vertalen in de samenstelling van de volksvertegenwoordiging. Daar heb ik ook meerdere voorstellen voor gedaan. Ook aan die kant hebben we dus heel veel werk te verrichten. De balans is, wat mij betreft, beter of slechter getroffen afhankelijk van het deelgebied waar je naar kijkt. Dat vraagt wel een specifieke discussie, waar wij in de andere debatten ongetwijfeld aan toe zullen komen.

De voorzitter:

Ik zal het aantal interrupties niet maximeren, maar ik stel wel voor om ze maximaal in drievoud te doen en ze kort te houden. Dan kunnen we ook een goed debat met elkaar voeren.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank aan collega Sneller voor een stevig betoog. Dat was eigenlijk een betoog voor een hele goede strafrechtketen die aan alle fronten goed functioneert, van de opsporing in het begin tot aan de reclassering. Ik kan dat van harte ondersteunen. Daarom ook mijn vraag. We hebben in het afgelopen jaar gezien dat de problemen met de ICT grote gevolgen hebben voor de hele strafrechtketen. Ik denk met name aan het Openbaar Ministerie. Is collega Sneller met mij van mening dat we, ondanks mogelijke bezuinigingen die dreigen, op dit punt echt niks kunnen toegeven, omdat de strafrechtketen het keihard nodig heeft dat we 'm sterk houden?

De heer Sneller (D66):

Ik stond hier anderhalve maand geleden met de staatssecretaris, die de minister verving, in het vragenuur om deze vraag te stellen. Toen was het antwoord van de staatssecretaris: er is geen claim ontvangen van het Openbaar Ministerie voor de ICT. Ik denk dat we in ieder geval moeten zorgen dat we de ICT-problemen daar op een serieuze manier aanpakken en dat geld daar ook niet voldoende voor is.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Goed om te horen. Ik las dat het Openbaar Ministerie zelf zegt dat het voorlopig 80 miljoen nodig heeft om dit te regelen. Naar 2031 toe zal dat nog meer zijn. Als onze strafrechtketen niet weerbaar is, dan kunnen we van alles doen richting defensie — dat is ook echt belangrijk en dat zal ik ook altijd steunen — maar onze interne weerbaarheid moet ook op orde zijn. Is collega Sneller het met mij eens dat de minister duidelijkheid moet geven over hoe hij dit voor zich ziet?

De heer Sneller (D66):

Mevrouw Bikker gaat mij hier niet vragen om allerlei cheques uit te delen; dat is volgens mij ook niet haar intentie. Ik vind in ieder geval dat de minister duidelijkheid moet geven over welke bedragen er naar zijn inschatting voor nodig zouden zijn en welke mogelijkheden er zijn om dat bedrag te vinden. Dat lijkt mij een heel nuttige bijdrage aan dit debat.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Mijn zorg is dat het een beetje schimmig blijft, dat we het niet helder hebben in deze Justitiebegroting en dat we het dan pas op de stapel hebben liggen voor de augustusbesluitvorming. Ik zou dus graag samen met collega Sneller optrekken en de minister vragen helderheid te geven voor de tweede termijn van de Kamer. Is het bedrag er? Wat is er nu nodig? Dan kunnen we altijd kijken of er nog iets gefikst moet worden of dat het voor mekaar is; dat zou natuurlijk heel goed nieuws zijn. Ik wil niet dat we dit laten hangen. Collega Sneller zei namelijk een aantal weken geleden al terecht dat dit niet onbeantwoord kan blijven.

De heer Sneller (D66):

Misschien mag ik daaraan toevoegen dat het ook ging om de nieuwe e-strategie, zoals dat heet, de elektronische strategie. Hoe gaan we de digitale kant van het Openbaar Ministerie, maar waarschijnlijk ook van andere onderdelen van de strafrechtketen, beter organiseren? We kijken namelijk wel heel vaak naar financiële oplossingen, terwijl het aantal koppelingen met andere organisaties — die complexiteit dus — maar ook het zelfstandig blijven van de ICT doordat die wordt georganiseerd door onderdelen van de strafketen op basis van hun magistratelijkheid, in de weg staan aan het goed organiseren daarvan, bijvoorbeeld door het bij het shared service center onder te brengen om de ICT van de Rijksoverheid meer geïntegreerd aan te pakken. We zien namelijk dat daar grote kwetsbaarheden zitten.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag is in dezelfde lijn. De heer Sneller beschouw ik in de Kamer echt als een van de belangrijkste hoeders van de rechtsstaat. Hij zei letterlijk dat het vertrouwen in die rechtsstaat ook afhankelijk is van datgene wat geleverd wordt, in dit geval door de justitiële partners. Er zullen de nodige investeringen moeten worden gedaan, want het piept en kraakt. Welke investeringen zouden er, buiten de ICT om — daar heeft meneer Sneller net antwoord op gegeven — nog moeten worden gedaan in de strafrechtketen zodat er iets makkelijker, iets vloeiender, geleverd kan worden?

De heer Sneller (D66):

Ik snap waar mevrouw Mutluer heen wil. Ik denk dat we allemaal hebben gezien, zij als rapporteur en wij in de parlementaire verkenning, dat het belangrijker is om ervoor te zorgen dat de keten beter gaat functioneren om de effectiviteit te vergroten dan dat we er nou weer honderden miljoenen extra in gaan stoppen. We hebben zelf gezien dat het tekort aan rechters leidt tot hogere doorlooptijden, maar de opleidingscapaciteit zit gewoon vol. Of je nou 100 miljoen, 200 miljoen of een miljard bijplust, er komen niet meer rechters die nieuwe rechters kunnen opleiden. Mijn pleidooi is dus om vooral te kijken naar de manier waarop we kunnen zorgen dat de strafrechtketen beter functioneert. De inzet van D66 kent mevrouw Mutluer nog uit de campagne.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Maar de heer Sneller kan ook niet uitsluiten dat er financiële middelen voor de politie, het OM, de rechtspraak en de sociale advocatuur, die hij net noemde, nodig zijn, aanvullend op kijken hoe ze samenwerken en of dingen beter kunnen. Welke inspanningen kan ik van deze belangrijke hoeder van de rechtsstaat, van de grootste formerende partij, verwachten? Ik snap het, vrijdag weten we meer, maar wat kan ik van de heer Sneller verwachten?

De heer Sneller (D66):

Dezelfde inzet als die van de afgelopen vijf jaar op deze portefeuille, mevrouw Mutluer. Ik hoop dat u daar voldoende vertrouwen aan kunt ontlenen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dan zie ik de amendementen van de heer Sneller op de begroting …

De heer Sneller (D66):

Het ging zo goed met …

De voorzitter:

Meneer Sneller, mevrouw Mutluer heeft het woord.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dan zie ik de amendementen van de heer Sneller op de begroting vol vertrouwen tegemoet.

De heer Sneller (D66):

Het ging zo goed met de honing van mevrouw Mutluer, wilde ik zeggen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Die amendementen zien wij dan ook graag tegemoet.

Bedankt voor het betoog. Ik geloof dat mijn voorganger het ook weleens heeft gezegd: als er geen toegang tot het recht is, blijft onrecht bestaan. Ik denk dat hij dat gewoon in het Nederlands heeft gezegd en niet in het Latijn, maar het is toch een mooi citaat van Michiel van Nispen.

Ik heb een vraag over iets anders. We zien dat het gevangenispersoneel staakt. De eis die zij hebben is natuurlijk wel ministerie-overstijgend, maar …

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Zij verwachten van deze commissie ook antwoorden op hun eisen, zodat ze hun werk goed en veilig kunnen blijven doen. Wat zegt D66 tegen deze stakers?

De heer Sneller (D66):

Dat wij het probleem in het gevangeniswezen serieus moeten aanpakken en dat daar structurele oplossingen voor nodig zijn. Ik hoop in ieder geval dat het amendement van mijn hand, dat vorig voorjaar is aangenomen, waardoor 75 miljoen extra beschikbaar kwam, daar deels aan tegemoet kan komen, maar ook daarvoor geldt volgens mij dat er niet alleen extra geld nodig is. We moeten ook de problemen en de manier waarop we dingen organiseren beter aanpakken, bijvoorbeeld door het slimmer straffen, dat ik noemde.

Mevrouw Dobbe (SP):

Daar ben ik het helemaal mee eens, maar zij verwachten nu natuurlijk wel een duidelijk antwoord van de politiek. Zij staken omdat de beloning niet meer in verhouding tot het werk staat. De gevangenissen lopen leeg, omdat medewerkers bijvoorbeeld naar private beveiligingsbedrijven gaan. U kent de problematiek. Ik denk dat wij de verantwoordelijkheid hebben om een duidelijk antwoord te geven aan de stakers op de vraag of er steun vanuit de Kamer is of niet. De SP steunt hun eisen. Doet D66 dat ook?

De heer Sneller (D66):

Het personeel loopt vooral weg omdat de werkdruk enorm hoog wordt. Het pleidooi voor meerpersoonscellen en een verdere stapeling — nou ja, ik zal de pleidooien uit de vorige periode niet herhalen — maken het werk extra onaantrekkelijk. Dus los van de salariseisen die er zijn — daar hebben we in het verleden voldoende discussies over gehad — moet je er ook voor zorgen dat het werken bij DJI aantrekkelijk is vanwege het werk zelf. Mensen die in een penitentiaire inrichting gaan werken, willen niet alleen maar iemand opsluiten; die willen ervoor zorgen dat die mensen er uiteindelijk beter uit komen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ook daar ben ik het mee eens, maar de heer Sneller heeft dan wel mijn vraag ontweken. In het verleden hebben wij — althans, mijn voorgangers — het wel gehad over de beloning voor gevangenispersoneel. Die vraag ligt nu natuurlijk wel heel specifiek op tafel omdat er wordt gestaakt in de gevangenissen. Mijn vraag is dan dus nog steeds wat zij kunnen verwachten van D66. Steunen zij de salariseis van deze bewakers die nu staken dan ook?

De heer Sneller (D66):

Daarvoor zal mevrouw Dobbe toch inderdaad tot vrijdag moeten wachten. Ik hoopte dat we de inhoudelijke kant verder konden behandelen, maar daarvoor zal mevrouw Dobbe moeten wachten.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik heb eigenlijk dezelfde vraag aan de heer Sneller. Het klopt namelijk wat mijn collega Dobbe zegt: er zijn nu stakingen gaande. Het klopt ook dat de enige zekerheid die de gevangenismedewerkers hebben, is dat ze collega's verliezen. Ze krijgen er geen collega's bij omdat de omstandigheden zo slecht en zo uit verhouding zijn, dat het eigenlijk ook niet aantrekkelijk is om te werken in het gevangeniswezen. Mijn vraag aan u is: steunt u mijn voorstel om in ieder geval te kijken of we de cao kunnen verbeteren naar omstandigheden die rechtdoen aan deze gevangenismedewerkers?

De heer Sneller (D66):

Ik wil sowieso kijken naar de arbeidsomstandigheden. Ik denk dat medewerkers bij DJI — we zullen daarover vandaag ook nog meer horen van andere sprekers — vooral het perspectief willen dat het dan beter gaat worden. In dat opzicht is dat ook een structureel perspectief op ervoor zorgen dat het werk aantrekkelijker wordt. We moeten dat met z'n allen bieden.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag was concreet: steunt u mijn voorstel? Ik heb een voorstel liggen om te kijken naar een aparte cao en in ieder geval de regering te verzoeken daarover een gesprek te beginnen. De huidige cao is eigenlijk niet toereikend voor de gevangenismedewerkers.

De heer Sneller (D66):

Ik hoor op dat punt graag van het kabinet welke ruimte er is voor maatwerk voor bepaalde sectoren. Je kunt ook niet elke rijksambtenaar gaan afzonderen in een aparte cao. Dat is fijn voor de DJI-medewerkers; dat snap ik. Het geeft vervolgens heel veel rotzooi aan de andere kant. Ik geloof dat we gezamenlijk verantwoordelijkheid moeten nemen voor dat geheel. De onderliggende zorgen deel ik.

De voorzitter:

Bent u daarmee gekomen aan het einde van uw inbreng?

De heer Sneller (D66):

Zeker, dank u wel.

De voorzitter:

Dat is het geval. Dan is het woord aan mevrouw Van der Werf, tevens als spreker namens de fractie van D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Dank u wel, voorzitter. We hebben het in deze Kamer vaak over grote vormen van onveiligheid als terrorisme, oorlogsdreiging, georganiseerde misdaad — en terecht. Maar we missen ook vaak de blik op waar het geweld zich voor de meeste Nederlanders afspeelt: achter de voordeur of, tegenwoordig, achter het scherm. Het zijn twee gevaren die vaak buiten zicht zijn en blijven, en waarop politiek en instanties onvoldoende grip hebben. Daar wil ik het vandaag graag over hebben.

Veiligheid stopt niet bij de voordeur. Huiselijk geweld, seksueel misbruik en femicide spelen zich af op plekken waar we met z'n allen moeilijk zicht op krijgen, maar onze verantwoordelijkheid is daar net zo groot. Het is ongemakkelijk maar noodzakelijk om te erkennen dat de aanpak hiervan al veel te lang tekortschiet. Dat is niet zo omdat we het probleem niet kennen of omdat de signalen ontbreken, maar omdat de systemen elkaar in de weg zitten. Verantwoordelijkheden worden doorgeschoven en de overheid grijpt pas in als het al is misgegaan.

Maar er zijn ook lichtpuntjes in dit dossier. Dit is nou zo'n onderwerp waarop de Kamer laat zien hoe het wel kan. Het is een onderwerp waarin links tot rechts zich verenigt en waarop er grote bereidheid is om samen te werken. Die lichtpuntjes zien we ook in de maatschappij. Instanties zoals Filomena geven een uitstekend voorbeeld. Met succesvolle samenwerking werken zij over domeinen heen en durven ze door te pakken met één iemand die zich echt bekommert om het slachtoffer. Datzelfde compliment geldt voor het Centrum Seksueel Geweld. Daar wordt nagedacht over wat iemand nodig heeft. Wij moeten deze initiatieven niet zien als een uitzondering, maar als essentiële schakels in de aanpak van geweld tegen vrouwen en kinderen. Dat vraagt om duidelijke, wettelijk verankerde posities van deze organisaties en om voldoende bevoegdheden om hun werk goed te kunnen doen. Zo loopt Filomena al een tijd aan tegen een gebrek aan mogelijkheden om kinderen te spreken of om informatie te delen, terwijl we weten dat juist daar het gevaar zit. Kan de minister aangeven welke mogelijkheden hij ziet om die knelpunten weg te nemen? Kan hij ook aangeven hoe hij ervoor kan zorgen dat zowel het Centrum Seksueel Geweld als Filomena landelijk kunnen worden geborgd? Daarnaast zou ik graag horen wat er met de aangenomen Kamermotie is gebeurd die vraagt om de hulpverlening bij het Centrum Seksueel Geweld structureel te borgen.

De voorzitter:

U heeft een interruptie van mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Mevrouw Van der Werf en wij werken op dit onderdeel gelukkig al heel lang samen. Die samenwerking zullen we voortzetten. Wij weten dat Filomena zeker in crisissituaties interdisciplinair met meerdere partijen, van politie tot opvang, hulp en zorg kan bieden.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ze zijn niet wettelijk geborgd. Hoor ik mevrouw Van der Werf zeggen dat Filomena, zeker in het licht van de EU-richtlijn die eraan komt omtrent geweld tegen vrouwen, in de wet geborgd moet zijn als serieuze instantie, zoals in België? Wij zullen daar straks ook voor pleiten.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Ik ben natuurlijk benieuwd naar de reactie van het kabinet, maar dit lijkt mij geen gekke optie. Ik zou daarbij wel willen aantekenen dat ik het heel zonde zou vinden als wij nu zeggen: dit moet alleen maar voor de rest van de tijd, tot in de eeuwigheid, Filomena zijn. Als er andere werkwijzen zijn uit de praktijk die ooit ook goed gaan werken, moeten we dat denk ik ook doen. Het gaat mij erom dat we nu in de praktijk een aantal clubs heel goed werk zien doen. Zij hebben heel veel moeite om elders in het land goed voet aan de grond te krijgen. In dit geval loopt Rotterdam voorop en zijn er eigenlijk heel veel andere gemeenten en steden die zeggen: hadden wij dit maar.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Daar ben ik het volledig mee eens. Het gaat om de versnippering, die we eigenlijk willen zien verdwijnen. Heel veel partners, van Justitie tot Veiligheid vinden elkaar niet altijd. Zo'n organisatie als Filomena kan dat voor elkaar krijgen.

Dan een vervolgvraag. Ik weet dat zij willen uitbreiden. Meerdere gemeenten hebben gezegd: wij willen zo'n instantie. Daar is geld voor nodig, volgens mij in totaal 30 miljoen euro. Welke inspanningen kan ik wat dat betreft van D66 verwachten?

Mevrouw Van der Werf (D66):

Misschien is het goed om te voorkomen dat ik straks bij andere vragen in herhaling val. Mevrouw Mutluer weet dat er vrijdag een akkoord wordt gepresenteerd. Ik denk dat het goed is om nog even af te wachten waar wij mee gaan komen. Ik val daarmee in herhaling, maar u kunt van mij dezelfde bereidheid als parlementariër verwachten om constructieve voorstellen hierop te steunen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Voor wat betreft constructieve oppositie en voorstellen hebben wij een amendement liggen om de aanpak van femicide verder vorm te geven en te versterken. Een onderdeel dat wij daarin hebben opgenomen, is het nu alvast beschikbaar stellen van extra middelen om instanties als Filomena ook in andere steden te doen uitbreiden. Ik hoop dat mevrouw Van der Werf die voorstellen, samen met andere collega's, gaat steunen, zodat wij daadwerkelijk slachtoffers kunnen helpen.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Er ligt een hele lijst met amendementen. Wij gaan goed bekijken welke wij kunnen steunen. Dat femicide daarbij een belangrijk onderwerp is, mag duidelijk zijn.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Dit is ook in aanvulling op eerdere vragen. Er komt een Europese richtlijn aan ter bescherming van vrouwen en voor de aanpak van seksueel geweld. Die heeft het over een landelijk rape center. Er moet dan dus per land, ook in Nederland, een landelijk dekkend systeem zijn. Zou het Centrum Seksueel Geweld in de ogen van mevrouw Van der Werf mogelijk een invulling van dat rape center zijn? Hoe verhoudt zich dan het Centrum Seksueel Geweld tot zo'n prachtig initiatief als Filomena?

Mevrouw Van der Werf (D66):

Ik vind dit een heel goede vraag. Ik denk zelf dat het Centrum Seksueel Geweld dat heel goed zou kunnen doen. Ik denk dat wij hier niet vanuit onze blauwe stoeltjes de praktijk voor de voeten moeten gaan lopen, maar dat wij ook vooral met elkaar moeten gaan kijken naar wie wat kan gaan oppakken en naar welke capaciteit dat het beste dekt. Wat beide organisaties verenigt, is een heel laagdrempelig inlooppunt waarbij zowel de medische kant als de politie en de psychische zorgverlening elkaar kunnen versterken. Die laagdrempeligheid, die ze in bijvoorbeeld België al kennen, zouden wij ook in Nederland moeten willen hebben. Je voldoet dan ook weer aan een aantal richtlijnen waarvan wij de hele tijd zeggen dat het belangrijk is, maar waarvan wij het nog niet in de praktijk hebben geregeld.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Dit is even een verduidelijkende vraag. Zegt mevrouw Van der Werf dan: wie het kan, pakt het op? Of zegt mevrouw Van der Werf dat het goed zou zijn als die clubs zich verenigen om dit landelijk op een eenduidige manier uit te gaan voeren?

Mevrouw Van der Werf (D66):

Ik denk dat het goed is als daar een bepaalde samenwerking in zit, maar ik zou niet tot achter de komma hier willen bepalen wie dat dan op welke manier moet doen. Ik denk dat het vooral belangrijk is dat die fysieke plekken overal goed bemenst zijn en goed benut worden. Dat is nu eigenlijk nog te schaars en wordt niet goed genoeg gebruikt.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Allereerst wil ik complimenten geven aan mevrouw Van der Werf voor haar inzet om geweld tegen vrouwen terug te dringen. Dat compliment geldt trouwens ook voor collega's van haar. Ik zag daarover een mooi interview in Trouw. Ik zou dat compliment dus graag breed willen uitzetten. De SGP ziet prostitutie ook als geweld tegen vrouwen. Het is volstrekt vernederend voor vrouwen. Wij weten dat onze visie op prostitutie verschilt van die van D66.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Kan ik mevrouw Van der Werf aan mijn kant vinden als het gaat om inzet voor die vrouwen die zich onvrijwillig in de prostitutie bevinden?

Mevrouw Van der Werf (D66):

Zeker. Ik denk dat wij soms hier in de politiek geneigd zijn om de verschillen uit te vergroten, hoewel je misschien met een hele andere blik kunt kijken naar de vraag of het zin heeft om zaken in het licht te doen of in het donker te laten. Wat ons verenigt, is de zorg en het hart voor mensen die in Nederland uitgebuit worden. Prostitutie is dan een belangrijke sector voor onze beide partijen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Helder. Mevrouw Van der Werf zal zich misschien nog enigszins op de vlakte houden, maar ik proef daarin een welwillende houding ten opzichte van een bescheiden amendement om het budget voor die vrouwen ietsjepietsje te verhogen.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Wat is hij charmant, hè? Dat doet de heer Van Dijk heel handig. Ik denk dat voor hem hetzelfde antwoord geldt als voor mevrouw Mutluer. Ik heb een printje gemaakt van de lijst met amendementen. Eerlijk gezegd komt volgens mij de helft uit hetzelfde potje. Het heeft niet altijd met al dan niet welwillendheid te maken, maar we zullen straks ook gewoon moeten kijken naar wat we allemaal wel of niet kunnen steunen. Volgens mij moet de heer Van Dijk dat ook nog even gaan doen.

De voorzitter:

Ik deel u mee dat er 66 amendementen zijn.

De heer Struijs (50PLUS):

Ook ik geef u en de collega's in de Kamer complimenten voor het voortreffelijke werk rond femicide. Wij zijn ook een fan van Filomena, zoals dat is opgezet in Rotterdam. Wij krijgen daar en uit het land echter veel signalen van ouderenmishandeling. Is D66 bereid om dit samen met 50PLUS en de collega's nadrukkelijk op de agenda te zetten in de discussies die we nu voeren?

Mevrouw Van der Werf (D66):

Ja, zeker. U heeft mij aan het begin niet voor niets horen praten over huiselijk geweld. Het gaat mij erom dat wij het geweld dat de meeste Nederlanders, en dus ook ouderen, raakt, het geweld achter de voordeur, hier veel hoger op de politieke prioriteitenlijst zetten. Ik zie heel graag de voorstellen van de heer Struijs daarvoor tegemoet.

De heer Struijs (50PLUS):

Die kunt u verwachten, en dank u.

De voorzitter:

U vervolgt.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Van ouderen naar kinderen. Zij worden vaak over het hoofd gezien bij femicide en ernstig geweld. Zij staan daar in de schaduw, ongezien, ongehoord en alleen, terwijl zij opgroeien in een situatie van voortdurende dreiging. Ze zien geweld, voelen spanning en dragen ervaringen een leven lang met zich mee. Ze lopen niet in de laatste plaats het risico om later zelf slachtoffer, of misschien zelfs wel dader, te worden van hetzelfde geweld als dat wat hen zo hard heeft geraakt. We moeten opkomen voor deze kinderen. Kan de minister — maar ik denk in dit geval ook de staatssecretaris — aangeven welke mogelijkheden hij ziet om kinderen beter mee te nemen in de aanpak van femicide? Dat kan bijvoorbeeld door hen vaker te horen of door nabestaanden van femicide meer rechten te geven met betrekking tot omgang en gezag.

Voorzitter. Dezelfde dynamiek van controle, vernedering en machtsmisbruik van vrouwen en meisjes zien we online, bij WhatsApp en Snapchat maar ook bij gamechats zoals die in Roblox. Een op de twee jongeren krijgt te maken met online seksueel misbruik of seksuele intimidatie. Het gaat om 50% meer meldingen van online seksueel misbruik dan in het jaar hiervoor. De korpschef van de politie zei onlangs ook: "Ik heb buikpijn van wat je online ziet." Jonge meisjes en jongens worden aangezet tot sadistisch gedrag. Dit geldt niet meer alleen voor de zogenaamde Com-groepen. Ze worden uitgedaagd tot extreme seksuele handelingen en soms zelfs tot zelfdoding. We zien nog maar het topje van de ijsberg. Erkent de minister dat de huidige aanpak van online seksueel misbruik tekortschiet, gezien de zeer grote stijging van meldingen en de signalen vanuit de politie en experts? Welke concrete maatregelen ziet hij om dit tegen te gaan?

De bezuiniging op Offlimits, waar seksueel kindermisbruik en online seksueel geweld heel effectief wordt aangepakt, vind ik in dit licht dan ook niet uit te leggen. Daarom heb ook ik met een aantal collega's een amendement ingediend — ik zeg daarbij dat het een bescheiden amendement is — om die bezuiniging te schrappen, zodat zij hun belangrijke werk goed kunnen blijven doen.

We zien ook een toename van seksuele beelden van vrouwen, maar ook van minderjarige meisjes, die volledig door AI zijn gegenereerd. Met één klik worden via zogenaamde nudifyapps deepfakenaaktbeelden gemaakt van echte mensen. Dat geldt ook voor vrouwen hier in de Kamer. Dat zijn collega's die hiermee te maken krijgen. Dan vraag ik mij echt af: waarom staan we dat toe? Waarom vragen wij niet: welk bestaansrecht heeft zo'n app überhaupt? In het Verenigd Koninkrijk wordt nu overwogen om dit soort nudifyapps volledig te verbieden. Is de minister bereid om een dergelijk verbod ook in Nederland in te voeren?

Voorzitter. Dit geweld staat niet op zichzelf. Het past in een breder patroon van online onveiligheid, want we zien dat meerdere soorten extremisme van de echte wereld verschuiven naar onze schermen. Dat is een wereld met eigen regels, een eigen taal en eigen memes. Dat is een wereld die voor jongeren allang niet meer te onderscheiden is van hun echte wereld. Dat is een wereld waarop ouders, scholen en overheid geen zicht hebben en waarin daders en slachtoffers steeds jonger worden. Kinderen van soms pas 8 jaar oud worden in gewelddadige en extremistische onlinegroepen gezogen. Heeft de minister zicht op de schaal en aard van online radicalisering en seksueel geweld onder minderjarigen in deze digitale omgevingen en kan hij de Kamer daar blijvend over informeren? Welke maatregelen worden genomen om tot een handelingskader te komen om in te grijpen bij die content, die je toch vaak in een soort grijs gebied voorbij ziet komen?

Voorzitter. Veiligheid achter de voordeur en veiligheid online lijken misschien twee gescheiden werelden, maar het zijn twee gezichten van hetzelfde probleem, een probleem waarin macht, controle en geweld zich verplaatsen naar plekken waar het licht ontbreekt, waar signalen te laat worden opgepakt en waar slachtoffers er alleen voor staan. Maar dit zijn ook dossiers waarin ik zeer brede overeenstemming zie in de Kamer en waarop ik de afgelopen jaren niet in mijn eentje stappen heb gezet, integendeel. Door samen te werken krijgen we hier meer voor elkaar. Dat biedt hoop, vastberadenheid en daadkracht. Laten we dat vooral vasthouden.

Mevrouw Straatman (CDA):

Een heel mooi betoog van mevrouw Van der Werf over het beschermen van kwetsbare jongeren, ook online. Nu zagen we recent, deze week volgens mij, ook berichten over jongeren die online geworven worden door de illegale gokindustrie. Van online gokken is bekend dat dat misschien wel de vorm van criminaliteit is die tot de meeste suïcides onder jongeren leidt. Kan ik mevrouw Van der Werf aan mijn zijde vinden als ik zeg dat we ons ook op dat terrein moeten inzetten om kwetsbare jongeren te beschermen? Welke maatregelen ziet mevrouw Van der Werf om deze jongeren beter te kunnen beschermen?

Mevrouw Van der Werf (D66):

Wij staan aan elkaars zijde, maar ik maai nu ook een beetje het gras weg voor de voeten van collega Sneller, die woordvoerder is op dit dossier. Ik denk dat u misschien bilateraal even een goede kop koffie daarover moet drinken. Misschien is dat een constructief voorstel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daar houden we van, mevrouw Van der Werf. Maar er is nog wel een interruptie van mevrouw Michon-Derkzen, of liep zij naar het spreekgestoelte voor haar inbreng? Dan nodig ik haar van harte uit voor haar inbreng in de eerste termijn namens de fractie van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. We houden het tempo erin, mevrouw Michon-Derkzen. Dat wordt gewaardeerd. Gaat uw gang.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Dank, voorzitter. Het is heel mooi dat we vandaag spreken over de begroting van Justitie en Veiligheid in alle facetten. Bij de bijdrages die we al hebben gehoord — ook bij de bijdrages die we nog zullen horen — dacht ik bij iedereen weer: wat mooi en waardevol dat wij het hierover mogen hebben.

Voorzitter. De totale begroting is 19 miljard. We hebben gisteren in een apart wetgevingsoverleg over de politie gesproken. Die beslaat ongeveer de helft van de begroting. Ik zou het over drie dingen willen hebben: ondermijning, terrorisme en online.

Voorzitter. Over ondermijning hebben we het hier al vaker gehad en ik heb het ook al eerder genoemd: het is een veelkoppig monster, dat ons nu steeds meer recht aankijkt. Het is mijn motivatie om juist de ondermijning aan te pakken, omdat die uiteindelijk het betonrot is van onze rechtsstaat. Als met geld alles en iedereen te koop is, moeten wij ervoor zorgen dat wij sterker staan en dat we onze instituties en onze mensen die staan voor onze democratische rechtsstaat, juist te allen tijde beschermen. Dat gaat niet vanzelf. Dat hebben we gedaan met heel veel financiële impulsen en dat zit ook in wetgeving. Een van de punten die ik altijd naar voren breng, is het delen van gegevens met elkaar. Hoe kan je met elkaar slimmer samenwerken om ondermijning daadwerkelijk aan te pakken? Ik ben heel blij dat er een taskforce is binnen het ministerie. Ik las ook over mooie resultaten van gegevensdeling binnen de Mainportaanpak. Ik denk dat dat heel erg belangrijk is. Ik zou ook graag willen weten wat de resultaten zijn van de gegevensdeling bij Preventie met Gezag, een andere prioriteit binnen die taskforce. We horen uit het land dat zij het heel erg nodig hebben om dat met elkaar te delen. Als we nu inderdaad resultaten binnen de Mainportaanpak hebben, is er dan ook ruimte voor nieuwe prioriteiten binnen deze taskforce, zo vraag ik de minister.

Voorzitter. Dan de explosieven. Ook dit is een uitwas, een beeld, van die ondermijning. Er wordt steeds vaker in heel gewone straten, in heel gewone wijken, een hele pui uit een pand geblazen door een aantal cobra's aan elkaar te plakken. We hebben een taskforce onder leiding van de burgemeester van Rotterdam, mevrouw Carola Schouten. Ik zou graag van de minister willen weten hoe dat gaat en of we vanuit die taskforce meer grip kunnen krijgen op die vreselijke cobra's, die nog steeds in Europa worden geproduceerd. Werkelijk niemand begrijpt waarom dat is en waarom we daar niet wat steviger tegen kunnen optreden.

Voorzitter. Dan mijn tweede onderwerp: terrorisme. Ik zou de minister in eerste instantie heel graag willen vragen naar de actualiteit in het noordoosten van Syrië. Ik vind dat daar ongelofelijk zorgelijke berichten vandaan komen nu al die gevangenen daar zomaar uit lijken te lopen. Eerlijk gezegd had ik ook wel een brief van de minister verwacht als zoiets gebeurt, maar ik hoop dat u erop kan ingaan nu we hier bij elkaar zijn. Wat betekent dat? Weten we of daar nu ook Nederlandse gedetineerden vrij rondlopen? Hoe zorgen we ervoor dat we het ongelofelijk grote veiligheidsrisico dat deze mensen vormen — dit zijn terroristen die daar nu in detentie zitten — buiten deze landsgrenzen houden? Want dat is de opvatting van de VVD. Dat was zo en dat blijft zo. Deze terroristen, die werkelijk alles waar wij voor staan afwijzen, hoeven wij niet in ons land te hebben. Van de mensen die nu in ons land in detentie zitten, komt een heel aantal binnenkort vrij. Ik zou de minister ook willen vragen hoe we die vrijgekomen voor terrorisme veroordeelde mensen in de gaten houden.

Voorzitter. Ik zou het bij terrorisme ook willen hebben over het onlinedomein.

De voorzitter:

Maar eerst krijgt u een interruptie van mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):

Mevrouw Michon pleit ervoor om deze terroristen buiten onze landsgrenzen te houden. Dat klinkt allemaal wel heel mooi, maar wat wil mevrouw Michon-Derkzen daaraan doen? Gaan we dan bijvoorbeeld ook mensen met een dubbele nationaliteit denaturaliseren?

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik kan even een kleine bloemlezing geven uit onze huidige regelgeving. We hebben een kader waarbinnen we al dan niet mensen naar Nederland halen. Dat hebben we moeten doen met een aantal vrouwen. We hebben eerder aan de minister gevraagd ... Vooral het onderdeel nationale veiligheid uit dat kader, belet het kabinet wat mij betreft ook om mannen terug te halen. Voor terroristisch veroordeelden met een dubbele nationaliteit bestaat de mogelijkheid om hun het Nederlanderschap af te nemen en hen als ongewenste vreemdeling te verklaren. Dat is geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Dat hebben we dus allemaal klaarstaan. Dat wordt ook toegepast.

Mevrouw Faber (PVV):

Dat laatste. Kijk, op papier klopt alles, maar we zien ook discussies als de volgende. Als we gaan denaturaliseren neem je ze het Nederlanderschap af. Dan zijn ze bijvoorbeeld nog Syriër; ik noem maar wat. Dan zegt men: ja, maar dan loopt hij hier in Nederland rond en wat moeten we dan? Wilt u dan ook echt harde maatregelen nemen, zodat ze echt gedenaturaliseerd worden en dus niet een of andere status aparte krijgen of iets dergelijks, maar echt buiten Nederland blijven?

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Kijk, het begint bij de wet. Daar verschillen mevrouw Faber en ik in, denk ik. Ik vind het prettig dat alles wat wij hier doen, een wettelijke basis heeft. Het afnemen van het Nederlanderschap heeft dus een wettelijke basis in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Vervolgens zijn deze mensen inderdaad ongewenste vreemdelingen en wil je ze uitzetten. We hebben al vaker in debatten met elkaar besproken: dan is de praktijk weerbarstig en is het niet mogelijk om iedereen direct uit te zetten. Daar hebben we het veelvuldig met deze minister en zijn voorganger over gehad. Daar hebben we ook allerlei maatregelen voor genomen, zodat je ze in ieder geval maximaal in beeld houdt om wel uit te kunnen zetten. Dat is ook wat we moeten blijven doen, omdat we er natuurlijk voor moeten zorgen dat we in dit land veilig blijven en dat terroristen onze veiligheid niet in gevaar kunnen brengen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Faber (PVV):

Dan toch even een persoonlijk feit, want mevrouw Michon-Derkzen geeft aan dat ze verschilt van mij, omdat zij daar wel een wettelijke basis voor wil hebben. Daar ben ik het natuurlijk niet mee eens. Dan zou mevrouw Michon-Derkzen een voorbeeld moeten noemen van een situatie waarin ik heb opgeroepen tot een handeling waar geen wettelijk kader voor was. Dat zou ik dan graag willen horen.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Nou, oprecht, in de moties van mevrouw Faber zitten allemaal oplossingen voor de problemen die zij signaleert. De oplossingen voor die problemen beginnen bij een wettelijke basis. In interrupties op moties van mevrouw Faber — zo lang zien we elkaar nog niet in dezelfde debatten — nodig ik haar ook uit om met initiatiefwetgeving te komen als ze vindt dat er een probleem moet worden opgelost. Dat zal ik dus ook vandaag doen.

De voorzitter:

U vervolgt.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Tot zover over de fysieke kant van het terrorisme. Het begint echter online. We hebben met de commissie hele interessante briefings gehoord over de enorme opkomst van onlineradicalisering. Dat zit in het jihadisme, in het rechtsextremisme — mevrouw Van der Werf zei daar ook iets over — en in besloten platforms, maar ook gewoon in de games van onze kinderen. Dat is ongelofelijk zorgelijk. Ik denk dat dit echt het grote probleem van de aankomende periode is, want hieruit ontstaat een soort eigen, persoonlijk wereldbeeld dat we totaal niet kunnen zien. Dat kan vreselijke gevolgen hebben. Ik wil graag van deze minister weten wat nu de aanpak is. In deze aanpak is er natuurlijk per definitie een balans tussen veiligheid, vrijheid en privacy. Maar in de ogen van mijn fractie moet privacy niet heilig worden verklaard. We moeten ook ingrijpen op deze schadelijke content, op dit gif wat onze kinderen en jongeren besmet. Zie ik het volgende goed? Als er eenmaal een strafrechtelijk onderzoek loopt, is de politie aan zet. Als het om nationale veiligheid gaat, hebben we onze veiligheidsdiensten. Maar er is volgens mij een ongelofelijk groot grijs gebied — in beleidstermen heet dat legal, yet harmful — als het gaat om het onlinegif waarmee onze jongeren en kinderen zijn besmet. Wie doet daar wat aan? Dat is de hamvraag. Daar moeten we mee aan de slag.

Van de week nog kwam in het vragenuurtje voorbij dat er op 60% van de middelbare scholen filmpjes circuleren waarin kinderen worden toegetakeld en mishandeld. Dat is allemaal de normaalste zaak van de wereld. Offlimits zei deze week dat een op de zes jongeren beelden van seksueel misbruik van minderjarigen ziet. Dat is toch absurd? Als je daarover nadenkt is dat absurd. We moeten daar wat aan doen. Ik wil ook aan de minister vragen of er bijvoorbeeld uit andere Europese landen best practices zijn te halen. We hebben inspiratie nodig om dit aan te kunnen pakken. Al die discussies en debatten hierover vind ik namelijk onbevredigend. Ik heb niet het gevoel dat we daar nu daadwerkelijk actie op ondernemen. Ik hoop dat dat vandaag een keerpunt kan zijn. Twee op handen zijnde wetten zijn daar in mijn ogen ook enorm behulpzaam bij. Dat is de wet over gegevensvergaring door de politie, die die bevoegdheid nog niet heeft. Dat geldt ook voor de bevoegdheid van de politie om in besloten chatgroepen te kijken. Ik wil aan de minister vragen hoe het daarmee staat.

Tot slot, voorzitter. Een ander online onderwerp is online stalking. We zullen allemaal zeggen: dat deugt niet en we moeten daar wat aan doen. Maar als je kijkt naar de laatste informatie die we van de minister hebben gekregen, zie je dat daar ook een handelingsverlegenheid van de politie in zit. Als een stalker namelijk doorgaat, moet je aangifte doen en kan er een contactverbod volgen. Maar dat is allemaal niet eenvoudig. Je moet dan een stapeling van meldingen doen voor zo'n contactverbod. De minister zegt het zelf: handhaving van zo'n contact- of locatieverbod is voor de politie vrijwel ondoenlijk. Ik wil daarom graag in mijn eerste termijn aan de minister vragen of we zicht hebben op wat de politie kan in het handhaven van een gebiedsverbod op online stalking. Wat is daarvoor nodig in de nabije toekomst?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Ellian. Hij is de tweede spreker van de fractie van de VVD in eerste termijn. Gaat uw gang.

De heer Ellian (VVD):

Dank, voorzitter. Toen ik hier vorig jaar stond, was ik nogal chagrijnig, omdat ik die ochtend niet naar een tv-programma kon. Er was namelijk geen capaciteit vanuit de beveiligingsdienst om mij daarnaartoe te brengen. Ik wil weer beginnen met het bedanken van iedereen die zich inspant voor mijn veiligheid, maar ook voor de veiligheid van anderen. Ik ga geen specifieke namen noemen, want ik vind dat bekende Nederlanders wat terughoudend moeten zijn met het delen van informatie hierover. Dat is simpelweg gevaarlijk, want velen luisteren mee. Ik ben de politie en de vele anderen uiteraard zeer dankbaar. Hetzelfde geldt voor iedereen die elke dag in de frontlinie staat om Nederland veilig te houden. Ik weet niet of ik me kan meten aan de dappere mannen en vrouwen van de politie. Ik vind het toch goed om mijn bijdrage te beginnen met het feit dat ik nooit zomaar naar buiten kan — nooit! Toch sta ik hier met frisse zin. Ik vind dit namelijk altijd een mooi moment in onze parlementaire behandeling.

Voorzitter. Ik heb een viertal onderwerpen die ik langs wil lopen. Ik begon net met het uitspreken van mijn dank aan iedereen die zich inspant voor onze veiligheid en aan degenen die bereid zijn anderen te beschermen. Er komen nou eenmaal dreigingen uit de criminele wereld. Niet voor niets is al jaren geleden het beleid ingezet van het afbreken van criminele machtsstructuren. We zouden de criminele samenwerkingsverbanden letterlijk afbreken. Dat zou gaan via aanhouden, berechten en het afpakken van vermogen. Doen we dat nu echt, vraag ik aan beide bewindspersonen. Zijn we daar nu echt succesvol mee bezig? Iedereen snapt natuurlijk waarom ik dit vraag, want dit raakt de kwestie van de procesafspraken. Ik weet dat er met name vanuit het OM wat gepikeerd werd gereageerd. Ik loop toch maar gewoon even het rijtje af. Deze namen zijn openbaar, dus ik doe het netjes en zeg niet de achternaam. Ene Boris P. heeft met 1.300 kilo, uitgaande van een straatwaarde van €20.000, 26 miljoen euro verdiend. Edin G. heeft 50 miljoen euro verdiend met 2.400 kilo. Dennis G: 1.400 kilo, wat neerkomt op 28 miljoen euro. Gregory F.: 1.700 kilo, 34 miljoen euro. Faissal T.: 1.500 kilo, afgerond 30 miljoen euro. Ik vraag iedereen: je kan het toch niet serieus nemen als je dan op zijn best een miljoentje moet betalen? Zij komen dan toch gewoon weg met een lichtere straf? Bedenk dat er een wetsvoorstel vanuit dit kabinet is om, mede op aandringen van de VVD, de strafmaat op in- en uitvoer van drugs te verhogen naar zestien jaar. De hoogste straf hier is negen jaar.

Voorzitter. Dit loopt uit de pas. Wij zijn de wetgever. Het is aan ons om te bepalen of je zo'n deal kunt maken met een grote crimineel. Overigens kun je je afvragen of het wel een deal is. Met alle respect, maar die criminelen hoeven niets te doen. Ze zitten letterlijk achterover, zeggen keurig dat ze afzien van verdediging en dat is het. Ze hoeven geen informatie te verschaffen, niets. Ik vind het onbegrijpelijk en ik zal daar in de tweede termijn een motie over indienen. Dit moet stoppen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Laat ik vooropstellen dat ik heel goed begrijp wat de heer Ellian zegt. Ik voel ook groot ongemak als ik hoor en lees over de procesafspraken. Tegelijkertijd heb ik de afgelopen dagen met veel mensen van het Openbaar Ministerie gesproken. Wij spraken net over de problemen in de strafrechtketen en daarover zeggen zij: "Weet wel dat er ketenbreed grote problemen zijn met zittingscapaciteit. Die procesafspraken maken wij niet voor ons plezier." Geen enkele officier doet dat voor het plezier, maar omdat dat betekent dat zedenzaken en andere ernstige zaken eerder behandeld kunnen worden.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Straatman (CDA):

Wat is de reactie van de heer Ellian daarop? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat ook die andere zaken tijdig behandeld kunnen worden?

De heer Ellian (VVD):

Ik vind best veel van wat het Openbaar Ministerie de afgelopen dagen zegt. Wij spreken de minister aan, maar ik vind dit wel gek. Ik mag vijf jaar Kamerlid zijn. Met collega Mutluer heb ik heel veel tijd besteed aan de strafrechtketen, maar ik heb nooit gehoord dat er een capaciteitsprobleem zou zijn ten aanzien van het vervolgen van zware criminelen. Ik heb dat ook nooit in een Kamerstuk gezien. Ik weet namelijk zeker dat wij hier een heel groot debat zouden hebben gehad als dat in een Kamerbrief zou hebben gestaan. In dat geval gaan wij in gesprek met de minister om te kijken hoe je keuzes moet maken. Ik weet natuurlijk dat er bij de omvangrijke criminaliteit, de high impact crimes, de huis-tuin-en-keukencriminaliteit een enorm probleem is. Ik verwonder me hier dus wel een beetje over. Dat neemt natuurlijk allemaal niet weg dat wij hier een verantwoordelijkheid hebben om ervoor te zorgen dat de keten strak wordt getrokken. Heel eerlijk, collega Mutluer en ik hebben veel geprobeerd, maar eenvoudig is het niet. Ik vind het dus wel gek dat het Openbaar Ministerie nu zegt dat de politiek niets gedaan heeft en dat we moeten opletten, anders kunnen deze grote criminelen niet vervolgd worden. Maar het Openbaar Ministerie is op aarde om dat te doen. Als het daar geld voor nodig heeft, dan moet het dat tegen ons zeggen, maar dat heb ik nooit zo gehoord.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dat is ook niet precies wat ik zei. Natuurlijk is er capaciteit om die grote zaken te behandelen. Ik denk dat de officieren van justitie dat ook met groot plezier doen. Zij zetten zich daar dag en nacht voor in. Het probleem is natuurlijk dat die procedures enorm veel capaciteit vragen. Die procedures duren heel lang. Er gaan ook heel veel pro-formazittingen aan vooraf. Die duren vaak zo lang dat er uiteindelijk ook nog strafkortingen komen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Dat weet de heer Ellian ook. Het gaat er dus juist om dat al die andere zaken waar u het over heeft daardoor onder op de stapel terechtkomen. Ik denk dat dat ook niet is wat wij beiden willen.

De heer Ellian (VVD):

Nee, dat willen wij beiden niet. Maar dan blijft het volgende toch gek, en dat proef ik ook in de woorden van collega Straatman, wat me wel verbaast van het CDA. Ultimo is toch de conclusie: ze betalen een boetetje en krijgen een lagere straf. Maar het uitgangspunt is toch — het merendeel van deze Kamer vindt dat ook — dat je deze criminelen, achter wie een wereld van geweld schuilgaat … Die vijf namen die ik noemde, mevrouw Straatman, zijn allemaal rechterhanden van Ridouan Taghi. Collega's uit uw partij hebben heel veel last gehad van deze meneer. Wat rechtvaardigt dat deze mensen een lagere straf krijgen en de huis-tuin-en-keukencrimineel niet? Het is heel gek. Overigens vind ik dat die ook geen lagere straf zou moeten krijgen. De essentie is dat wij daar aan het einde van de dag over gaan. Ik zou menen dat je grote criminelen nooit weg moet laten komen met een lagere straf. De hele bedoeling was juist: we pakken het vermogen af en geven ze de hoogste straf. Nou ja, niet "wij", maar de bedoeling is dat ze de hoogst mogelijke straf krijgen, die ze verdienen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Straatman (CDA):

De heer Ellian vindt mij volledig aan zijn zijde als het gaat om het aanpakken van zware criminelen. Dan gaat het ook om alle namen die hij zojuist noemde. Ik voel wel een probleem en ik hoop dat de heer Ellian dat ook begrijpt. Die procesafspraken zijn een noodzakelijk kwaad. Als je het Openbaar Ministerie een instrument afpakt, moet je ervoor zorgen dat die andere zaken ook worden behandeld. Ik hoop dat de heer Ellian daarover een genuanceerd standpunt inneemt.

De heer Ellian (VVD):

We moeten in algemene zin iets doen aan de keten. Mevrouw Mutluer kijkt mij al streng aan, dus die gaat me daar zo iets over vragen. Nogmaals, het uitgangspunt is, zeg ik namens de VVD, dat je dit niet moet doen. Het OM vertelt er niet bij — ik zal dit niet in openbaarheid vertellen, anders worden een heleboel mensen in de toren zenuwachtig — dat zodra die afspraken zijn gemaakt, die criminelen naar een lager regime gaan. De hele attitude van deze grote criminelen ... Zij hebben door dat wij een probleem hebben in de strafrechtketen en denken: hé, dat is mooi, wij komen er beter vanaf. Tot slot op dit punt. Het is in hun belang dat er in het openbaar weinig naar buiten komt, want die hele rechtszaak gaat niet door. Alle voordelen zitten dus aan hun kant, terwijl wij aan onze kant, de kant van de goodguys, alleen maar zitten te kijken, van: tja, te weinig capaciteit.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik was niet streng aan het kijken; ik was aan het nadenken over de antwoorden van collega Ellian. Als er één ding is dat deze minister en zijn voorgangers niet goed hebben gedaan, dan is het wel de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Dat zie ik nu ook bij de begroting: de onderbenutting, maatregelen die niet altijd even effectief zijn. Dan is het niet gek dat op enig moment ook die procesafspraken in beeld komen.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag is deze. Die procesafspraken heeft het OM nodig. Het is eigenlijk een pragmatische oplossing voor een heel serieus probleem. Het is een middel om de schaarste in de strafrechtketen op te lossen.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Hoe lossen we die schaarste dan anders op? Dat is mijn concrete vraag aan collega Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Misschien om precies te zijn: ik heb in de kern geen bezwaar tegen het instrument procesafspraken, maar niet bij deze categorie. Ik vind echt dat hiervoor eerst een wet gemaakt moet worden. Ik vind het nogal wat dat in ons systeem, waarin de officier ook tegenover de verdachte staat — wij kennen het fenomeen van plea bargaining niet — het OM dit kan doen, zonder dat wíj de begrenzing daarvan hebben aangegeven. Nogmaals, ik denk dat het best een instrument kan zijn, maar niet bij zware criminelen of georganiseerde drugscriminaliteit.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dat leidt wel tot de vraag wat een "grote zaak" is waarover je geen procesafspraken kunt maken. Hoe maak je uiteindelijk dat onderscheid? Anders leidt een dergelijk voorstel zoals collega Ellian dat doet, in mijn beleving ook wel tot rechtsongelijkheid. Ik wil een reflectie daarop van collega Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Ik ben juist degene die die rechtsongelijkheid wil opheffen, want het zijn nu de grote criminelen die de maximale voordelen hebben terwijl alle anderen die voordelen niet krijgen van het OM. Het is juist willekeurig. Dat is ook waarom collega Sneller, volgens mij zelfs nog voordat ik me ermee ging bemoeien, al een paar keer vroeg: wacht even, wat is de bedoeling hiervan? Precies die moeilijke keuzes waar mevrouw Mutluer het over heeft, moeten wij maken in de wet. Wij moeten aangeven wanneer wel en wanneer niet. Mag het als er slachtoffers zijn? Mag het bij geweldsdelicten? Mag het bij drugsdelicten? Daar gaan wij uiteindelijk over. Dat is die begrenzing. Ik zeg voor nu: ik vind het zo uit de hand lopen met die grote criminelen, ook nog allemaal uit hetzelfde criminele samenwerkingsverband … Ja, ik heb daar genoeg over gezegd.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik krijg soms het gevoel dat we een soort van dubbel signaal afgeven richting de justitiële keten, in dit geval ook het OM: wanneer gaan we ons er wel en niet mee bemoeien, wanneer gaan we op de stoel van het OM zitten? Procesafspraken zijn en blijven een middel om uiteindelijk die schaarste daarmee te tackelen. Nogmaals, ik heb wel wat twijfels bij het betoog van de collega.

De heer Ellian (VVD):

We zijn hier om elkaar te proberen te overtuigen. Ik kijk er echt anders naar.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik heb een korte vraag. Die wil ik even toetsen. Voor een heel groot gedeelte ben ik het eens met u over wat er nu gebeurt. Maar we moeten ook de schaarste verdelen om op het eindpunt te komen dat u net schetst.

De voorzitter:

"Dat de heer Ellian net schetst."

De heer Struijs (50PLUS):

Ja, dat ja. Op dat eindpunt wil ik komen. Maar bent u wel bereid om, wanneer u op dat eindpunt wilt komen, dus zwaarder straffen, criminelen goed aanpakken enzovoort, dan toch ook ergens ruimte te houden om daar te komen? Want we zijn de schaarste aan het verdelen. Ik zoek een beetje naar dat evenwicht. Dat is ook een beetje de vraag die hiervoor werd gesteld.

De heer Ellian (VVD):

Uiteraard wil ik kijken naar het evenwicht, maar ik noemde net niet voor niets die namen en de hoeveelheid geld, waarbij ik uitging van een cocaïneprijs van een echt lage €20.000. Een van die knapen, Edin G., over wie ik vaak vragen heb gesteld, zit niet eens in Nederland in detentie. Ik voorspel u ook dat de beste man Faissal binnen nu en een paar maanden uit de ebi gaat. Dan komen er straks weer berichten van "o, er zijn misschien uitbraakplannen" en dan gaan wij hier allemaal een debat aanvragen met de minister. Ik vind dat het nu zo de spuitgaten uitloopt en dat de risico's zo groot worden dat ik vanuit mijn rol zeg: alsjeblieft, beste minister, zeg tegen het OM dat dit nu te ver gaat. Vind ik het instrument helemaal onzinnig? Nee. Kan ik me er iets bij voorstellen in een geval waarin iemand bijvoorbeeld wat kleinere hoeveelheden heeft geschoven? Ja. Maar ten principale vind ik ook — dat is natuurlijk al heel lang de inzet van de VVD, ook onder aanvoering van mijn partijleider — dat mensen informatie moeten geven. Dat onderdeel is heel fundamenteel voor ons, maar dat ontbreekt nu. Uiteraard wil ik overal naar kijken, maar ik heb wel moeite …

De heer Struijs (50PLUS):

Nee, dan zijn wij …

De voorzitter:

Hoho, meneer Struijs.

De heer Struijs (50PLUS):

Ja. Dan zijn wij het eens.

De voorzitter:

Meneer Struijs, meneer Struijs! Ík geef u het woord. De tweede interruptie van meneer Struijs.

De heer Struijs (50PLUS):

Dan zijn wij het eens; laat ik het daar maar op houden.

De heer Ellian (VVD):

Oké, dat beschouw ik als een mooi compliment.

De voorzitter:

U vervolgt.

De heer Ellian (VVD):

Ik vervolg.

Voorzitter. Dan ga ik naar het gevangeniswezen en met name naar het punt waar ik natuurlijk vaak aandacht voor heb gevraagd, namelijk de situatie op de Afdeling Intensief Toezicht en in de extra beveiligde inrichting. Mij moet van het hart dat ik me wel wat beledigd voel door het feit dat ik informatie die ik heb opgevraagd over de gedetineerden in de ebi, niet heb gekregen. Ik mag ook eervol lid zijn van de commissie Defensie. Tot mijn verbazing kregen we daar een hele mooie werkwijze, tot aan hoe je met de griffier zelfs staatsgeheimen mag inzien aan toe. Ik moet u eerlijk zeggen: dat verwondert mij. Maar nu heb ik die groepsindeling en vraag ik de staatssecretaris het volgende. Ik was ook in Italië twee weken geleden, om daar in de zwaarste gevangenis te kijken. Hoe tackelen we nu het probleem dat in een toch relatief klein landje als Nederland die jongens daar allemaal in zekere zin verbonden zijn met elkaar? Die netwerken zijn verbonden met elkaar. Hoe zorg je er dan voor dat zij niet met elkaar kunnen praten over zaken waarvan wij niet willen dat ze erover praten? Dat is de hele essentie. Voordat er zo meteen allerlei jurisprudentie bij wordt gehaald om aan te tonen dat wat ik zeg, niet mag, zeg ik: het mag wel, want er zijn allerlei voorbeelden, van Abdeslam in Frankrijk tot Breivik in Noorwegen, van personen die met helemaal niemand contact mogen hebben. Het mag dus wel degelijk. Gaan we deze kant nu op — ik wijs op mijn aangenomen motie — of niet?

Voorzitter. Ik ben heel erg benieuwd hoe het staat met mijn motie over de taskforce om p.i.'s schoon te vegen. Wordt er nu een hoop vergaderd of zijn we nu gewoon die p.i.'s aan het schoonvegen, die cellen aan het inspecteren en die telefoons aan het afpakken? Ik ben ook wel benieuwd — dat is een vraag aan beide bewindspersonen — of we nu al voorbeelden hebben waarbij het OM meteen heeft gezegd: er is een telefoon bij u gevonden in de cel; dat betekent dat we al bij voorbaat uw voorwaardelijke invrijheidsstelling gaan intrekken. Daar gaat ook een aangenomen motie over. Doen we dit nou? Staan we hiermee op de voorgrond of niet?

Voorzitter. Als je in de gevangenis zit en een grote, of kleine, crimineel bent, dan ben je veroordeeld. Dat doet een rechter. Ik heb een amendement ingediend, uiteraard met dank aan de collega's van het CDA en D66, over de beloning van vrouwelijke rechters. Ik kan daar een heel betoog over houden, maar ik kan dat ook terugbrengen tot een heel eenvoudige kern, die mij ook wel verwondert: hoe kan het dat een vrouw minder betaald krijgt voor exact hetzelfde werk dan een man? Mind you, zeg ik tegen de collega's, in sommige gevallen hadden vrouwen relevantere werkervaring dan die mannen. Toch kregen ze minder betaald. Ik heb geen alomvattende oplossing. De belangrijkste regel — ik heb dat vaker gezegd — van mijn vader, bij ons thuis, was: heb respect voor je moeder. Daar heb ik van geleerd: heb respect voor vrouwen. Als ik zo'n vreemde, discriminerende, mag ik toch zeggen, misstand zie, vind ik dat ik de verantwoordelijkheid heb en dat het mijn plicht is om na te denken over een oplossing. Vandaar het amendement. Ik hoop natuurlijk van harte dat de andere collega's daar welwillend naar zullen kijken.

Voorzitter. Tot slot De Geschillencommissie. Ik had het net over vrouwelijke rechters. Uiteraard gaat het ook over officieren van justitie; laat ik die niet vergeten. Gelukkig hebben we die nog. Twee derde van de officieren van justitie is vrouw. Ik had het over rechters, maar beter is het als een geschil tussen overheid en burger of tussen burgers onderling, niet bij de rechter komt. Het verwondert me wel dat ik nu weer samen met mevrouw Dobbe een amendement moet indienen om de financiering van De Geschillencommissie te bestendigen. Die commissie wordt voor 80% betaald door de sectoren zelf. Mensen kunnen op hun eigen manier, dus buiten de rechterlijke route om, een oplossing vinden. Dat scheelt een hoop geld. Toch moet ik De Geschillencommissie weer gaan verdedigen. Dat roept bij mij ook de vraag op: hoe kijken we nu naar alternatieve geschillenbeslechting? Het biedt namelijk zo veel, maar als ik zelfs moet knokken voor een paar ton voor De Geschillencommissie, maak ik me daar wel wat zorgen over.

Voorzitter, ik rond af. Ik begon mijn betoog met bedreigingen tegen het leven gericht. De essentie van mijn bijdrage is dat we de grond van die bedreigingen moeten wegnemen, dat we criminele machtsstructuren moeten afbreken. De prijs die we zullen betalen als we dat niet doen, is hoog. Niets wat wij doen, breekt de rechtsstaat af. Wij verdedigen de rechtsstaat. Ik roep alle dienaren van de rechtsstaat op om dat te doen, zonder vrees en zonder angst. Dan heb ik het over rechters, officieren, rechercheurs, journalisten, burgemeesters en wie dan ook. Geen anonieme rechtszaken wanneer het spannend wordt. Geen procesafspraken met grote criminelen. Maar vooral ook niet buigen voor dreigingen. De publieke confrontatie tegen de georganiseerde misdaad is de enige weg. Jullie zullen altijd mijn steun en die van de VVD-fractie hebben.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank aan de heer Ellian voor zijn betoog en voor het delen van zijn persoonlijke verhaal. Dat is niet niks. Dat zien en erkennen wij. Ook het einde van zijn pleidooi — daar is moed voor nodig — kan ik van harte ondersteunen. Dat geldt ook voor de aandacht die de heer Ellian vroeg voor de verschillen tussen mannen en vrouwen. Ik wil nog iets anders aanstippen, want het recht is hetzelfde voor mannen en vrouwen, maar mannen en vrouwen krijgen niet altijd op dezelfde manier toegang tot dat recht. Daarom zijn er in Nederland een aantal vrouwenrechtswinkels ontstaan, die daar heel succesvol mee omgaan en vrouwspecifieke zaken, zoals zwangerschapsdiscriminatie en ongelijke beloning, heel gespecialiseerd kunnen oppakken. Alleen, vrouwenrechtswinkels zijn nu niet geborgd in beleid ten aanzien van de toegang tot recht.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Mijn vraag is: zou de heer Ellian het steunen als wij dat willen borgen, voor de continuïteit van het werk en zodat ook de financiering continu kan blijven?

De heer Ellian (VVD):

Het mooie aan wat wij hier mogen doen, is dat je verrast kan worden. Uiteraard ken ik het fenomeen rechtswinkels — ik ben zelf advocaat geweest — maar ik was onbekend met deze mogelijkheden specifiek gericht op vrouwen. Ik ga daar dus welwillend naar kijken. Echt, ik kende dit niet en ik wist ook niet dat dit speelde, dus dat daar kennelijk ook een financieringsvraagstuk speelt. Je moet er altijd een beetje voorzichtig mee zijn want ik tover geen geld uit mijn zak, maar ik wil hier zeker welwillend naar kijken.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dat is goed om te weten. Ik denk dat het mooi werk is dat ze doen, heel belangrijk, heel relevant, en blijkbaar dus nog steeds nodig, helaas. De financiering en ook de continuïteit van het hele werk staan een beetje wankel in de schoenen. Dus dank daarvoor. Dan kunnen we hier samen naar kijken, dank u wel.

De voorzitter:

Dank.

De heer Ellian (VVD):

Kijk, het is een trieste constatering dat dit nodig is, dus dat anno 2025 vrouwen specifieke bijstand nodig hebben.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ellian. Dan zijn we aangekomen bij de maidenspeech van mevrouw Abdi, die ik graag het woord geef voor haar inbreng in eerste termijn namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ik wijs de leden erop dat interrupties bij maidenspeeches niet gebruikelijk zijn. Mevrouw Bikker?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Juist daarom, voorzitter. Ik wil met alle plezier naar een prachtige maidenspeech luisteren, maar ik kom nu bij u met een kort punt van orde.

De voorzitter:

Ga uw gang.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb gisteren een verzoek gedaan om een debat over het openbaar worden van de stukken rondom de totstandkoming van de onlinegokwet. Na tweeënhalf jaar wachten is er een enorme stapel verschenen. Die is de Kamer niet toegekend. Maar nu ontdek ik tot mijn ontsteltenis dat al die stukken zijn ingetrokken. Dat vind ik onvoorstelbaar. Er waren 20.000 documenten. Ik zou aan de minister willen vragen om, voordat hij morgen antwoordt, in ieder geval een brief te sturen naar de Kamer met wie het besluit heeft genomen om dit in te trekken, op welke wettelijke grondslag dat is gebeurd en of er contact is geweest met de goklobby.

De voorzitter:

Ik kijk of de minister daar een korte reactie op wenst te geven. Wordt dit herkend, minister?

Minister Van Oosten:

Dat moet ik even mee terugnemen, voorzitter. Ik kom daar ten spoedigste op terug en zoek een weg om uw Kamer daarover te informeren.

De voorzitter:

Wellicht kunt u daar een korte brief over sturen, zodat we weten waar we aan toe zijn. Mevrouw Bikker, tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Een kleine aanvulling: en dat de stukken natuurlijk zo snel mogelijk weer openbaar gaan.

De voorzitter:

Waarvan akte.

Dan is nu het woord toch echt aan mevrouw Abdi, voor haar maidenspeech. Ga uw gang.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Als kind had ik moeite met praten. Ik had letterlijk geen stem. Ik weet nog hoe mijn moeder mij bleef aanmoedigen, en bleef geloven dat ik het uiteindelijk zou leren. Ik herinner me ook de angst die ik voelde voor mijn eigen vader, omdat hij zijn onmacht niet altijd kon beheersen. Die angst maakte dat ik het letterlijk niet kon, om hulp vragen. Pas toen hij ons verliet, begon ik langzaam met praten. En ik ontdekte nog iets anders: ik hield enorm van lezen. De bibliotheek vlak bij onze flat was een van de weinige plekken waar ik me veilig voelde. Ik leerde andere woorden kennen, andere werelden. Daar begon ik te begrijpen wat het betekent om een stem te hebben.

Voorzitter. Ik moest als kind snel volwassen worden, net als mijn zus en broertje. Overal waren er regels, brieven, gesprekken, die wij niet begrepen als kinderen. Gesprekken waarin mijn moeder werd aangekeken en afgesnauwd. Ik weet nog de stress die ik voelde van iets fout hebben, de angst voor wat er dan gebeurt; als ik het maar goed zeg, als ik het maar goed uitleg, dan komt het toch goed? Dus schreef ik als 13-jarig meisje bezwaren en zocht ik naar mensen die ons konden helpen, in de hoop dat iemand zou zeggen: dit klopt niet; wij gaan jullie helpen. Maar heel gauw realiseerde ik me al dat de overheid niet naast ons stond, maar tegenover ons. En onbedoeld leerde ik als kind dat spreken soms het enige wapen is dat je hebt tegen een systeem dat veel groter is dan jij.

Voorzitter. Mijn verhaal is niet uniek. Heel veel Nederlanders liggen 's nachts wakker van stress. Heel veel Nederlanders raken de weg kwijt in een systeem en zijn bang om fouten te maken. In de jaren dat ik opgroeide, was de rechtsstaat vooral een werkelijkheid voor wie het kon betalen, voor wie het juiste netwerk en de juiste connecties had, voor wie de juiste normen had, en ook voor wie sneller werd geloofd.

Voorzitter. Gelijk hebben is iets wezenlijks anders dan gelijk krijgen. In een rechtsstaat mag dat onderscheid eigenlijk niet bestaan. Toch is het de dagelijkse realiteit. Onrecht doet zich vaak stilzwijgend voor. Wie zich er wél van bewust is, moet maar net de juiste wegen kennen en het uithoudingsvermogen en het geld hebben om zijn of haar recht te halen. Dat is precies waar de rechtsstaat faalt: wanneer die slechts op papier bestaat. Dan wordt recht een privilege, en geen bescherming. Het is niet rechtvaardig dat letselslachtoffers voor de rechter worden gesleept door machtige verzekeraars. Het is niet rechtvaardig dat mensen met kleine schulden vastlopen in beslagleggingen en kosten die sneller groeien dan hun inkomen. Het is niet rechtvaardig dat zo veel mensen in ons land met ernstige conflicten aangewezen zijn op sociale advocatuur, die kapotbezuinigd is. Zolang de toegang tot het recht afhankelijk is van wie je bent en waar je woont, is de rechtsstaat geen gelijkmaker, maar een versterker van de ongelijkheid in onze samenleving.

Het onrecht dat ik zie, zit in grote en in kleine schandalen. Ik denk bijvoorbeeld aan Rotterdam, waar jaarlijks honderden boetes worden uitgedeeld aan dak- en thuislozen omdat ze buiten slapen. Ik denk aan onze gevangenispopulatie. Die is overwegend man, jong, vaak met een migratieachtergrond en steeds vaker met onbegrepen gedrag. Ik denk aan al die vrouwen die te maken hebben met huiselijk geweld, die bescherming zoeken in de rechtbank en daar geconfronteerd worden met de dader. Er worden procedures ingezet om hen te intimideren, te controleren, uit te putten.

Voorzitter. Wie bescherming zoekt, moet niet opnieuw gestraft worden door het systeem. Het systeem zou hen moeten beschermen. Laat er geen misverstand over bestaan: wie straf verdient, hoort straf te krijgen, ongeacht je afkomst, ongeacht je netwerk, ongeacht je vermogen. Maar een rechtsstaat die alleen straft en niet beschermt, die alleen bestraft en niet herstelt, verliest zijn morele gezag. Het recht moet namelijk niet alleen corrigeren, maar ook verheffen, emanciperen. Onze rechtsstaat is geen administratief systeem. Het is een belofte, een belofte dat macht wordt beteugeld, dat willekeur wordt bestreden en dat kwetsbaarheid van mensen niet wordt uitgebuit. Maar die belofte wekt alleen vertrouwen als zij voelbaar wordt in het leven van mensen. Vertrouwen komt niet uit wettenbundels of goede intenties, maar ontstaat alleen bij echte verandering.

Voorzitter. Vandaag de dag zijn de politieke verhoudingen veranderd, gekanteld, kan ik wel zeggen. Er ligt zelfs een akkoord. Een noodzakelijke koerswijziging die ik voor mij zie, ligt toch echt bij D66, CDA en VVD. We moeten kiezen voor een rechtsstaat die ons echt beschermt en die vertrouwen geeft, en breken met het verleden. We hoeven niet te wachten op het zoveelste rapport of de mitsen en maren te horen over hoe ingewikkeld het allemaal is. Nee. We hebben nu de unieke kans om dit te repareren, om het recht te zetten, om recht te doen aan al die Nederlanders. Dat betekent ten eerste het stoppen met onnodige rechtszaken tegen burgers die zich niet kunnen verweren. In een volwassen rechtsstaat legt de overheid zelf verantwoording af. Dat betekent ook van boetes geen verdienmodel maken. Je straft om te corrigeren. Je doet er alles aan om herhaling te voorkomen. Dat geldt ook voor gevangenisstraffen. Die zijn niet alleen bedoeld om te vergelden, maar juist ook om te verbeteren. Dat betekent ook toegang tot het recht voor iedereen, los van inkomen, los van achtergrond, los van waar je woont in Nederland.

Voorzitter. In aanloop naar vandaag werd mij gevraagd: maar je bent geen jurist, hoe ga je dit allemaal doen? Het klopt, ik ben geen jurist, maar ik weet wel wat onrecht is. Ik ben de politiek in gegaan omdat ik geloof dat we een eerlijke samenleving moeten en kunnen maken, een samenleving waarin rechten geen privilege zijn, maar vanzelfsprekend. In het publieke debat wordt heel vaak gesproken over verantwoordelijkheid nemen. Mijn tegenvraag zou zijn: verantwoordelijkheid voor wie? De verantwoordelijkheid die ik neem, is voor alle stemmen die te lang zijn genegeerd. Daarom ben ik trots dat ik hier sta. Ik heb mijn stem gevonden. Ik sta hier dankzij alle stemmen die ik heb gekregen. Ik ga mijn stem gebruiken voor al die mensen die niet gehoord worden, die zich de afgelopen jaren niet gesteund hebben gevoeld. Tegen jullie wil ik zeggen: het gáát komen; verandering is echt mogelijk. Ik ga er keihard voor strijden.

Dank jullie wel.

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Mevrouw Abdi, dank u wel voor uw strijdvaardige en persoonlijke maidenspeech. Ik heb het genoegen u als eerste te mogen feliciteren. Ik wil u vragen om daarna voor het rostrum de felicitaties in ontvangst te nemen. Ik schors de vergadering voor een kort ogenblik.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan mevrouw Mutluer voor haar inbreng in eerste termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. In de eerste plaats uiteraard complimenten aan mijn collega Fatihya Abdi, die hier net een prachtige maidenspeech gaf. Ik denk dat menigeen van ons zijn tranen niet in bedwang kon houden na dat verhaal.

Ik ga mijn bijdrage nu leveren. Voorzitter. Vorig jaar overleed Joest 't Hart, hoogleraar strafrecht, bekend van "Recht als schild van Perseus". Het verhaal ging eigenlijk over Medusa, die door Perseus werd gedood via de weerspiegeling in zijn schild. Strafrechtpleging moet beschermen tegen rechterlijke misslagen en zichtbaar maken dat het recht zijn beloop heeft, en liever nog, dat potentieel onrecht wordt voorkomen door afstand, reflectie en waarborgen. Juist die beschermende functie schiet tekort, zeker voor slachtoffers. Daar draait het om in mijn bijdrage: slachtoffers, slachtoffers — en nogmaals, voor de derde keer — slachtoffers.

Laat ik beginnen met de slachtoffers van femicide. Samen met collega's in de zaal, onder wie mevrouw Coenradie, mevrouw Van der Werf en Bente Becker, hebben we laten zien hoe we politieke verschillen weten te overbruggen om gendergerelateerd geweld aan te pakken. Vrouwen worden namelijk achter de voordeur en op straat slachtoffer van intimidatie en agressie: in het ov, op de werkvloer en zelfs binnen het openbaar bestuur. Het gaat om een diepgeworteld, structureel probleem. Elke week zien we weer, ook in Nederland, dat een vrouw het slachtoffer wordt van intieme terreur en femicide. Daarom heb ik afgelopen september via een initiatiefnota voorstellen gedaan om de aanpak van vrouwenmoord te versterken. Met aanvullingen uit de Kamer en van mijn collega's ligt er nu een stevig pakket aan maatregelen.

Eind vorig jaar zagen we dat de bewindspersonen actie ondernamen. Er komen een nationaal coördinator en een landelijk nummer. We wachten nog steeds op het strafbaar stellen van psychisch geweld. Ik vraag de staatssecretaris het volgende. Hoe staat het met de uitvoering van dit alles? Wat wordt het mandaat van de nationaal coördinator? Welke instrumenten krijgt hij of zij en wanneer kan de Kamer de resultaten verwachten? Slachtoffers kunnen namelijk niet wachten. Het recht moet vooral slagen in het voorkomen van potentieel onrecht. Juist bij het voorkomen van femicide is daarvoor structureel budget nodig. Daarom heb ik een amendement ingediend om de aanpak van gendergerelateerd geweld te versterken, voor preventie, het herkennen van rode vlaggen, inzet en bewustwording van politie, het OM en de Raad voor de Kinderbescherming. Daarbij is er één doel: het voorkomen van fase 8, vrouwenmoord.

Uit onderzoek weten we ook dat femicide zich vaak al lang van tevoren aankondigt. De signalen zijn er, maar ze moeten wel serieus worden genomen. Daarom heb ik vandaag, gesteund door mijn collega's, best wel een stevig voorstel gedaan wat betreft tijdelijke huisverboden. Ik zie dat die nodig zijn. De bescherming van slachtoffers van geweld in de privésfeer schiet namelijk tekort, met alle afschuwelijke gevolgen van dien. Het tijdelijk huisverbod is bedoeld als een time-out, als een afkoelingsperiode, maar in de praktijk zien we dat het niet meer is dan een contactverbod van 10 tot 28 dagen en dat een dader dan weer terugkomt en de ellende vaak ook weer opnieuw begint, want een dader maakt ook in dezen vaak herhaaldelijk slachtoffers.

Andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, laten al zien dat het anders kan. Ik vraag de minister of het tijdelijk huisverbod kan worden versterkt met ruime verlengingsmogelijkheden, tot maximaal een jaar, uiteraard na rechterlijke toetsing. Ik wil dat daaraan verplichte daderhulp wordt gekoppeld. Dat is gewoon nodig. Het is nu veel te vrijblijvend. Dit moet gelden voor daders die permanent bij het slachtoffer wonen, maar ook voor daders die incidenteel bij het slachtoffer zijn. Ik ga het dus uitbreiden, eventueel ook naar familieleden. Dit geldt niet alleen bij acuut geweld, maar ook bij voortdurende dreigingen van geweld en stalking. Dit moet gewoon opgepakt worden. Het wordt tijd dat we femicide in het Wetboek van Strafrecht gaan opnemen en dat intieme terreur een strafverzwarende omstandigheid wordt. Mevrouw Coenradie en ik hebben de eerste stap gezet. Er komt een wetsvoorstel dat we hopelijk in breder verband gaan indienen.

Voorzitter, dan de criminaliteit, online en ondermijning …

De voorzitter:

U heeft een interruptie van de heer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

De CDA-fractie heeft veel sympathie voor de voorstellen die u heeft gepresenteerd. We hebben een vraag. U zegt net ook weer dat het zonder acuut gevaar zou moeten kunnen. Kan dat binnen het bestuursrecht? Daar is dat acute gevaar namelijk aan gekoppeld.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Er zijn andere instrumenten die ingezet kunnen worden, bijvoorbeeld het gebiedsverbod waar we het net ook over hadden. Maar dat is veel te complex en het duurt lang. Daarom willen wij eigenlijk opnieuw kijken naar dat tijdelijke huisverbod en bezien of we dat kunnen verlengen, uiteraard in uitzonderingsgevallen en met rechterlijke toetsing. We willen met name kijken of je in dit geval daderhulp verplicht kunt stellen. Daarmee gaan we het tijdelijke huisverbod denk ik veel effectiever inzetten ten behoeve van alle slachtoffers die daarmee van doen hebben. De andere instrumenten zijn er wel, maar het gaat heel ingewikkeld en moeizaam.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Wij zouden dan ook graag van de minister horen of dat technisch kan.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik kan daar wel kort antwoord op geven. Ik heb dit voorstel natuurlijk ook met de praktijk besproken. Technisch gezien kan dit. Sterker nog, ik weet dat er een pilot loopt, maar die is heel beperkt. Wat ons betreft moet je het met ons voorstel uitbreiden. Je moet ervoor zorgen dat slachtoffers niet met daders te maken hebben die gewoon opnieuw naar huis komen. We hebben er eerder in de Kamer voor gepleit. Waarom moeten de slachtoffers uit huis in plaats van de daders? Daar moet zorg voor worden gedragen.

De voorzitter:

En de minister luisterde mee naar uw informatieverzoek. U vervolgt.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Tot slot wil ik ook aandacht vragen voor slachtoffers van onlinecriminaliteit. Een aantal collega's heeft dat net ook gedaan, bijvoorbeeld over fraude en zededelicten. Het aantal groeit snel, zeker als je kijkt naar onlinecriminaliteit. Net hadden we het over 2,4 miljoen slachtoffers per jaar. Fraudehelpdesks verrichten daarin cruciaal werk, maar met te weinig capaciteit, terwijl het aantal meldingen blijft stijgen. Deze slachtoffers verdienen een betere ondersteuning. Daarom hebben wij een amendement ingediend en zullen wij ook het amendement voor extra financiering voor Offlimits steunen, zodat schadelijk beeldmateriaal van jonge slachtoffers offline kan worden gehaald.

Ik wil ook aandacht vragen voor slachtoffers van online ondermijnende criminaliteit. Dat zijn niet alleen wijkbewoners, maar ook jongeren die als soldaten worden ingezet voor crimineel kruimelwerk. Ze worden verleid door het snelle geld van de georganiseerde criminaliteit, in ruil voor een telefoon of een kleine bijdrage. Ze intimideren wijken en ouderen. Je ziet dat ook het wapenbezit onder jongeren zorgwekkende vormen aanneemt. Dat zijn geen nieuwe problemen.

Ik wil dat de minister nogmaals ingaat op preventie. Wat zijn de concrete resultaten tot nu toe, als het gaat om preventie? Wat wordt er gedaan om criminele carrières vroegtijdig te stoppen? Ik heb gevraagd om gespecialiseerde jongerenwerkers en die zijn toegezegd. Daar is onderzoek naar gedaan, voor 2,7 miljoen. Wat heeft dat nou eigenlijk opgeleverd?

Tot slot. Jongeren komen nog steeds gemakkelijk aan wapens, zoals messen en omgebouwde luchtdrukwapens. We hadden hier al lang de Wet wapens en munitie moeten hebben. Wat mij betreft is het nu klaar en moet deze wet op korte termijn naar de Kamer. Graag een reactie. Ik ben niet naïef; het strafrecht is geen oplossing voor elk maatschappelijk probleem. Toch roep ik de minister en de formerende partijen op om onrecht te voorkomen en slachtoffers te beschermen. Ik heb met een viertal collega's op femicide laten zien dat we dat hartstikke goed kunnen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng in de eerste termijn namens de BBB.

Ik stel de leden voor om de lunchschorsing te doen na de maidenspeech van mevrouw Straatman, als tiende spreker van de zijde van de Kamer.

Het woord is aan mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Ik feliciteer mevrouw Abdi met haar prachtige maidenspeech van zojuist.

Voorzitter. Het dierenrechtextremisme is een fenomeen dat in Nederland zwaar wordt onderschat. Ik kan de minister een hele waslijst geven van meldingen die de laatste tijd bij het Meldpunt Agro Intimidatie zijn binnengekomen. Dat ga ik bij dezen dan ook doen. Kan de minister hier dan op reageren?

Vorige week meldde het Openbaar Ministerie dat een man uit Lochem die op 30 augustus 2025 werd aangehouden op verdenking van bedreiging van de BBB niet vervolgd zal worden. De man zei destijds in De Telegraaf: BBB beschermt boeren en jagers en dat kantoor van die partij komt aan de beurt; de fik erin. De verdachte ontkent dat hij dit letterlijk gezegd heeft en daarom is er gebrek aan bewijs en dus geen vervolging. Op zijn Facebookpagina post hij echter vol trots het hele artikel, met een gebalde vuist erbij. In een reactie eronder schrijft hij: ik heb het helemaal kunnen lezen. Mijn vraag is dan: waarom heeft hij toen niet meteen aangegeven dat hij het zo niet heeft gezegd? Kennelijk was hij helemaal akkoord met de tekst. Is de minister het daarmee eens? Ik vind het namelijk raar dat hij dan niet vervolgd wordt.

Kan de minister zich voorstellen dat niet alleen ik, maar ook vele boeren en vele mensen binnen onze partij, zich vogelvrij voelen als dit soort gasten niet wordt vervolgd? Wat kan de minister hier nog aan doen? Graag een reactie van de minister.

Dat alle incidenten niet meer voorkomen in de officiële dreigingsbeelden van de NCTV maakt de frustratie en de angst onder boeren alleen maar groter. Waarom wordt dit niet meegenomen? Boeren wordt gevraagd aangifte te doen, maar ze krijgen soms het advies om dit juist niet te doen, vanwege mogelijke tegenacties. Klopt het dat de politie verplicht is aangiftes op te nemen van strafbare feiten of van het vermoeden van strafbare feiten?

Meldingen worden wel gedaan, maar tellen niet mee in de rapportages en blijven dus buiten beeld bij de NCTV. Kan de minister toezeggen dat meldingen voortaan worden meegenomen? Kan hij ervoor zorgen dat de NCTV weer een volledige dreigingsanalyse maakt van het dierenextremisme?

Dan wat anders. We zien in Nederland dat veel meisjes en vrouwen worden beperkt in hun vrijheid en ook nemen meldingen van eergerelateerd geweld en antisemitisme toe. Joden, christenen, homoseksuelen en mensen uit de lhbti-gemeenschap voelen zich onveilig in hun eigen stad of klaslokaal. Tegelijkertijd verspreiden extremistische ideologieën zich via sociale media, weekendscholen en sommige moskeeën, gericht tegen onze vrije samenleving. Dit islamitisch extremisme is geen religie, maar een politieke ideologie die religieuze wetten boven de democratische rechtsorde wil plaatsen. Organisaties zoals de Moslimbroederschap spelen daarin een rol. Het is opvallend dat veel islamitische landen deze beweging verbieden, terwijl wij blijven wegkijken. De kernvraag is: waar ligt voor dit kabinet de grens? Welke extremistische ideologieën accepteren wij wel en niet? BBB pleit daarom voor een juridische verkenning naar het begrip "extremisme", zodat we kunnen optreden tegen misbruik van vrijheden die de rechten van anderen ontnemen. Mijn vraag is: is de minister daartoe bereid?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Het stuk waar u bij aanvang van uw betoog naar verwees, zal in behandeling worden genomen zodat het ook deel uitmaakt van de beraadslaging.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Heel goed, heel goed. Dank u wel.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Faber voor haar inbreng in de eerste termijn namens de fractie van de Partij voor de Vrijheid. Gaat uw gang.

Mevrouw Faber (PVV):

Voorzitter. Rinus Michels zei al: "Voetbal is oorlog." Hiermee wilde hij aangeven dat je naast de techniek ook keihard en agressief moet zijn om te winnen. Met zo'n mentaliteit bracht hij als bondscoach het Nederlands elftal tot de WK-finale in Duitsland. Maar Nederland is Nederland niet meer. Door welvaart werden wij soft en zelfvoldaan. Ons werd voorgehouden dat wij die welvaart maar moesten delen. Dat is nog zo tot op de dag van vandaag. Een van de rijksbrede speerpunten is het stimuleren van geefgedrag. Het is echt te lezen op bladzijde 81 in de memorie van toelichting. Links-liberaal Nederland zette de grenzen open voor migranten afkomstig uit een harde woestijncultuur. Dit had zijn weerslag op de bevolkingssamenstelling, met alle gevolgen van dien.

Voorzitter. De bevolkingssamenstelling verandert. De bevolking neemt toe. Hierdoor neemt de vraag naar de politiecapaciteit ook toe, maar het tegendeel geschiedt: de politiecapaciteit neemt juist af. Voorlopig is die nog lang niet op peil en de capaciteit die er wel is, wordt onevenredig vaak ingezet om de orde te bewaken. In combinatie met het afnemende respect voor de politie en te weinig rugdekking door het lokale gezag, de korpschef en de minister leidt dit tot ontwrichting van de openbare orde.

Voorzitter. Ik zal dit nader toelichten. Neem om te beginnen de voetbalrellen. Er is altijd een partij die verliest. Dikwijls gaan die fans over tot slopen en geweld. Alhoewel, winnen is geen garantie voor een feestje. Dat heeft de politie in levenden lijve ondervonden. Voordat je het weet, barst het vuurwerk en zo weer los binnen en buiten het stadion. Binnen het voetbalstadion hebben private partijen de taak om voor de veiligheid te zorgen. Buiten het stadion neemt de politie deze taak op zich. Aangezien niet iedereen vrolijk en gedwee weer naar huis toe keert, moet de politie regelmatig in actie komen om de orde te bewaken.

De vraag rijst, zeker nu de politie nog een fiks financieel gat moet dichten: moet de maatschappij wel voor die kosten opdraaien? Het is dan ook logisch dat de politievakbond met het idee komt om betaaldvoetbalorganisaties te laten opdraaien voor de kosten van de politie-inzet tijdens voetbalwedstrijden. Dat lijkt mij ook een betere keuze dan dat er gesneden moet gaan worden in de basisteams. De basisteams staan in 2026 nog wel buitenspel, maar ik houd mijn hart vast voor de periode daarna. De basisteams spelen immers een cruciale rol in het contact met de burger. Wat ze in Engeland en Duitsland kunnen, kunnen wij ook. Daar betalen profclubs mee aan de politie-inzet. Het betaald voetbal is immers een miljoenenbusiness. Er worden gigantische bedragen betaald aan sterspelers. Dat is allemaal wel leuk hoor, maar het kan niet zo zijn dat de rekening van de overlast op het bordje van de belastingbetaler komt te liggen. Ik zal maar zeggen: de vervuiler betaalt.

Voorzitter. Het aantal demonstraties is sinds 2015 verdrievoudigd, naar 6.502 in 2022. Het gevolg is dat de politie-inzet is gestegen met 84%. Dat gaat ten koste van de 45.000 aangiftes die in 2024 niet in behandeling zijn genomen. Van de zaken die wel in behandeling zijn genomen, zijn ruim 24.000 zaken vroegtijdig beëindigd wegens capaciteitsgebrek. Dit betreft ook zaken als mishandelingen en zedenzaken. Sinds oktober 2023 worden we geteisterd door sit-ins, blokkades en optochten door pro-Palestina aanhangers. Zij schreeuwen luidkeels de leus "from the river to the sea". Zelfs de ambtenaren van Buitenlandse Zaken zitten eenmaal per week op de stoep van hun ministerie. Is hier een vergunning voor aangevraagd, vraag je je dan af. Was de desbetreffende minister hiervan op de hoogte? Hoe zit dat nu eigenlijk? Ik hoor graag de reactie van de minister. Een pikant detail is dat de Tweede Kamer via een aangenomen motie de regering heeft verzocht om deze uitdrukking als een oproep tot geweld te beschouwen. In feite impliceert deze leus dat alle Joden de zee in worden gedreven. Zo ziet u maar dat het antisemitisme is doorgedrongen tot in het ministerie. Dit onderstreept wat de minister van Justitie zelf al aangeeft: conflicten elders, zoals in het Midden-Oosten, werken hier door.

Voorzitter. Als je het Midden-Oosten importeert, dan word je het Midden-Oosten, dat wordt gedomineerd door de islam en zijn antisemitisme. Zo'n Taskforce Antisemitismebestrijding klinkt dan allemaal wel leuk, maar wat gebeurt er nu concreet met die voorstellen om de veiligheid van de Joden te bevorderen?

Voorzitter. Ten eerste zitten de ambtenaren van Buitenlandse Zaken niet bepaald in de meewerkstand. Hun gedrag staat haaks op de lijn die de minister van Justitie uitzet. Hoe zit het dan met de eenheid van kabinet in dit geval? Ik hoor graag de reactie van de minister. Tegenstrijdig gedrag zie je ook terug op het niveau van het lokale bestuur. Neem nu de Chanoekabijeenkomst in de Stadsschouwburg Amsterdam. Deze werd verpest door pro-Palestijnse demonstranten. In eerste instantie kregen zij geen vergunning. De rechter besloot echter in een kort geding om een stil protest wel toe te staan, met schreeuwende demonstranten als gevolg. Tja, wie verwacht dat nu in die lieve stad Amsterdam met al die lieve mensen? In plaats van dat de schreeuwende en agressieve demonstranten werden verwijderd, werd het journalisten die verslag wilden doen onmogelijk gemaakt om hun werk te doen. Journalisten werden bedreigd en uitgescholden en de politie vorderde hun perskaarten in. Ik kan mij haast niet voorstellen dat de politie dit uit zichzelf doet. Wie heeft daartoe opdracht gegeven? Had men dit liever onder de pet willen houden? Wie is nu verantwoordelijk voor deze situatie? Waarom greep de Amsterdamse burgemeester niet in? Waarom werden de demonstranten niet gehouden aan de uitspraak van de rechter? Dat moet iedereen toch? Ik hoor graag de reactie van de minister.

Voorzitter. De politie is uitvoerend, maar er zitten verschillende kapiteins op het schip. Ten eerste hebben wij de korpschef, die belast is met de leiding en het beheer van de politie. Zij is ook het gezicht van de politie naar buiten. Daarom is het ook zo vreemd dat de korpschef, die zich eerder stevig uitsprak over rellen tijdens de jaarwisseling, onder andere in Floradorp, en zelfs repte over een crimineel netwerk, er later voor koos om niet te reageren op de Marokkaanse voetbalhooligans. Zij zit natuurlijk met haar broek tussen de ketting vanwege het diversiteitsbeleid. Zij wil natuurlijk geen muitende agenten in haar korps. Laten wij niet vergeten dat de mentaliteit binnen de politietop nogal politiek correct en soft is geworden. Haar escape om niet te reageren was dat het lokaal politiewerk betrof van de eenheden Den Haag en Amsterdam. Dat valt onder het gezag van de lokale driehoek. Dit riekt naar afschuifgedrag, want de lokale driehoek bestaat uit de burgemeester, de districtschef en de officier van justitie. We zien dat wel vaker: ook de minister voegt zich in dit gedrag. De minister is eindverantwoordelijk voor de politie en kan kaders stellen.

De voorzitter:

U heeft een interruptie van de heer El Abassi.

De heer El Abassi (DENK):

Ik heb geprobeerd om te blijven zitten, maar we mogen niet wegkijken bij discriminerende teksten, dus ik moet toch hier naartoe lopen. Ik hoorde dat mevrouw Faber het had over antisemitisme en de leus "from the river to the sea". Wat vindt mevrouw Faber van mensen die op demonstraties, waar de PVV stemmen probeert te winnen, de Hitlergroet doen, "Sieg heil" roepen en met hakenkruizen rondlopen?

De voorzitter:

Voordat ik mevrouw Faber het woord geef, wijs ik de Kamer erop dat in meerderheid is uitgesproken dat wij de leus waar mevrouw Faber en de heer El Abassi over spraken niet meer bezigen in deze Kamer. U heeft dat nu samen gezegd, dus ik wil beide leden oproepen om die leus niet meer te benoemen, omdat de Kamer zich daar zelf in meerderheid over heeft uitgesproken.

Mevrouw Faber (PVV):

Mag ik eerst even vragen welke leus u precies bedoelt?

De voorzitter:

Het gaat om de leus over de situering van de staat Israël en de Palestijnse gebieden, en over hoe je dat geopolitiek zou kunnen duiden.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik begrijp u niet, voorzitter. Ik meen dat echt oprecht. Wij mogen toch gewoon iets vinden van de situatie rondom Israël?

De voorzitter:

Vanzelfsprekend. Het ging over de leus waar uzelf over sprak en waar ook de heer El Abassi over sprak. U heeft dat beiden gezegd. We weten volgens mij allemaal waar we het over hebben, dus ik zou u nu willen verzoeken om antwoord te geven op de vraag van de heer El Abassi.

Mevrouw Faber (PVV):

Ja, dat begrijp ik, maar ik mag toch wel een leus citeren hier in huis?

De voorzitter:

Dat heeft u gedaan.

Mevrouw Faber (PVV):

Dat mag ik toch gewoon doen?

De voorzitter:

Dat heeft u gedaan. Dat heeft u gedaan.

Mevrouw Faber (PVV):

Nou ja, goed. Ik ga mijn best doen om te antwoorden. Laten we daar maar mee beginnen.

De voorzitter:

Uw antwoord.

Mevrouw Faber (PVV):

Voorzitter. Ten eerste ben ik blij dat meneer El Abassi er weer is, want ik heb hem gemist in de afgelopen debatten over geweld tegen hulpverleners. Volgens mij is hij daar ook erg politiek bij betrokken. Maar goed, ik ben in ieder geval blij dat hij er weer is met zijn vraag. Hij heeft het erover dat ik discriminerende teksten zou hebben. Ik vraag me af wat er discriminerend was, want volgens mij heb ik helemaal niks discriminerends gezegd. Het gaat gewoon over de feiten. Hij zei dat ik het over Hitler en zo heb. Daar staan wij heel ver weg van. Ik heb totaal niets met het nationaalsocialisme, ook mijn partij niet, dus ik weet niet hoe u daarbij komt, eerlijk gezegd.

De heer El Abassi (DENK):

Het valt me op dat mevrouw Faber zich daar niet tegen uitspreekt. Als we het hebben over antisemitisme, over de Hitlergroet, over mensen die in Hitlerkleding en met hakenkruizen rondlopen, dan verwacht ik van mevrouw Faber, die tegen antisemitisme is, dat ze dat hier roept bij de katheder. Maar de PVV is muisstil. Sterker nog, ze dansen de polonaise op demonstraties waarbij dit soort mensen aanwezig zijn.

Voorzitter. Dat brengt mij op de tweede vraag. De PVV geeft aan daartegen te zijn. Wat vindt mevrouw Faber ervan dat verschillende PVV'ers de omvolkingstheorie hanteren en dat verschillende PVV'ers hier in de Tweede Kamer met NSB-vlaggen hebben rondgelopen?

Mevrouw Faber (PVV):

Ik sta daar verre van en ook de PVV staat daar verre van, dus ik ga daar gewoon niet op in. Wij verwerpen al dat soort zaken en ik ga er verder niet op in.

De voorzitter:

Tot slot, meneer El Abassi.

De heer El Abassi (DENK):

Ik kan niet anders dan constateren dat de PVV zegt daar verre van te staan, maar tegelijkertijd met NSB-vlaggen rondliep en omvolkingstheorieën hanteert hier in de Kamer, en daarmee gewoon weer keihard de dubbele maat laat zien in dit huis.

Mevrouw Faber (PVV):

Nou, over de dubbele maat kan ik nog wel een boekje opendoen, maar omwille van de tijd zal ik dat niet doen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Faber (PVV):

Goed. Over de kaders stellen: dit kwam tot uiting in de beantwoording door de minister van vragen over vluchtende agenten in Bureau Utrecht. Hieruit maak ik op dat de minister de verantwoordelijkheid afschuift op de burgemeester. De minister zag ook geen aanleiding om de korpschef ter verantwoording te roepen, terwijl de minister juist over de mogelijkheid beschikt om een aanwijzing te geven en duidelijke kaders te stellen. Ik concludeer dat er sprake is van een vicieuze cirkel, waarbij niemand de verantwoordelijkheid neemt. Te veel kapiteins op het schip zal het schip doen zinken.

Bij handhaving van de openbare orde beslist de burgemeester over de politie-inzet. Laat nu juist die burgemeester een persoonlijke, politieke voorkeur hebben, die invloed heeft op de toegestane geweldsmiddelen voor de politie. Kortom, er is geen eenduidig kader, maar de Inspectie Justitie en Veiligheid geeft aan juist grote behoefte te hebben aan duidelijke kaders, waarbij de burgemeesters dezelfde regels hanteren. Wat de PVV betreft moet er gewoon keihard worden opgetreden, en niet enkel op individueel niveau, maar ook indien het groepsgedrag betreft. De hele groep inrekenen en als groep bestraffen is al mogelijk, maar gebeurt naar mijn mening te weinig. Waarom gebeurt dat niet vaker? Wanneer je het groepsgedrag breekt, zal dit ook afnemen.

Voorzitter. De politie kampt met een onderbezetting van personeel. Daarom is instroom in de Politieacademie ook broodnodig, maar dat wil niet zeggen dat je moet gaan rekruteren op het Halal Village Festival, een festival met een pro-Palestijnse, activistische lading, een festival dat gedecoreerd wordt met Palestijnse vlaggen en watermeloenen, hét symbool van de Palestijnse strijd. Hoe kan het dat de politie partner is van deze halal huishoudbeurs, een festival waarvan Islamic Relief een belangrijke partner is en er ook aan deelneemt? Deze organisatie is in Duitsland aangeduid als een verlengstuk van de Moslimbroederschap, die de samenleving wil inrichten naar de regels van de islam, inclusief de maatschappij en de politiek. De AIVD geeft dan ook niet voor niets aan dat de Moslimbroedergemeenschap in Nederland op lange termijn een risico kan vormen voor de democratische rechtsorde. Uitgerekend naast deze club staat gebroederlijk de politiestand. Het is imagobuilding, legt een van de agenten uit. Daarom staan ze hier. Sinds wanneer wil de politie het imago verkrijgen van de Moslimbroederschap, die het vrije Westen wil onderwerpen aan de islam? Dit lijkt me toch niet de uitgelezen plek om personeel te werven dat juist onze rechtsorde moet verdedigen. Wat voor soort mensen denkt de politie hier aan te trekken? Of is dit soms een van die maatregelen van de Taskforce Antisemitismebestrijding? Gaat dit de veiligheid van de Joden bevorderen?

Voorzitter, ik rond af. Wat we zien, is dat de politie kampt met een gebrek aan zowel capaciteit als financiële middelen. Je kan het geld maar één keer uitgeven. Daarom moeten we terug naar de kerntaken en kosten verhalen op personen en organisaties die buitenproportionele kosten veroorzaken.

Tot zover. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Faber. Dan is het woord aan de heer Emiel van Dijk voor zijn inbreng in de eerste termijn namens de Partij voor de Vrijheid.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil het namens de PVV gaan hebben over het gevangeniswezen. Wat een puinhoop is het daar nog steeds. Het cellentekort is er nog steeds. De wil om het op te lossen is er nog steeds niet. De burger is nog steeds de pineut, want die wordt geconfronteerd met busladingen criminelen die vervroegd worden vrijgelaten op de samenleving. Op de valreep van 2025 is er eindelijk een brief gekomen van deze staatssecretaris, met een overzicht van de problemen en oplossingen voor het gevangeniswezen. Al juichend pakte ik het erbij, wachtend op rake termen als "versobering", "meerpersoonsbedden", "harder regime" en "stapelbedden". Maar wat blijkt? Sinds mei 2024, nota bene nog voor het aantreden van dit dubbeldemissionaire kabinet, is men begonnen met een onderzoek. We zijn bijna twee jaar verder, maar het onderzoek komt niet verder dan "slimmer straffen" en "het bevorderen van re-integratie". Wat een slap aftreksel van een oplossing.

Laten we het anders nog simpeler maken. Schrap het Wetboek van Strafrecht gewoon compleet. Dan kunnen we al die inrichtingen sluiten, dalen de recidivecijfers naar nul en kunnen we mooi pochen met de drastische afname van criminaliteit. Probleem opgelost. Dit is toch niet een manier waar je realistisch naar zou kunnen kijken?

Voorzitter. Ik kan er ook met mijn hoofd niet bij dat hier in de Kamer mensen zitten die meer begaan zijn met het privilege van de crimineel dan met het privilege van de gewone Nederlander om in zijn wijk en buurt in veiligheid te kunnen leven. Want waarom moeten we in hemelsnaam begaan zijn met de mensen die door de veelal slappe rechters toch nog een celstraf opgelegd hebben gekregen? Die mensen hebben vaak de meest verschrikkelijke dingen op hun kerfstok en krijgen daarvoor in Nederland gemiddeld drie maanden celstraf opgelegd. Drie maanden! En dan zijn er dus mensen in de Kamer die zich er hard voor maken dat die criminelen, die gemiddeld drie maanden in de cel zitten, niet in een meerpersoonscel hoeven te zitten. 70% zit namelijk op een privécel van zo'n 10 tot 12 vierkante meter. Deze 10 tot 12 vierkante meter is volgens de commissie van toezicht voor het gevangeniswezen ruim genoeg om minstens twee gevangenen te plaatsen. Het EVRM gaat zelfs nog verder en stel dat per gedetineerde slechts 3 à 4 vierkante meter nodig is. In het slechtste geval kunnen er in Nederland dus drie gevangenen in de huidige cellen. In het meest optimale geval, mocht je je aan het EVRM willen conformeren, kunnen er zelfs vier man op een cel van 12 vierkante meter. Het cellentekort oplossen is niet een kwestie van niet kunnen, maar van niet willen. De PVV wil het wel oplossen en is bereid om daarvoor het comfort van de crimineel op te offeren. We moeten een verblijf in de gevangenis zo onaangenaam mogelijk maken voor criminelen. Je zit er namelijk niet voor je lol. De PVV stelt dan ook voor om te beginnen met al die gasten in een uniform stoppen. We moeten voorkomen dat we haantjesgedrag in de gevangenis faciliteren door gevangenen in dure merkkleding rond te laten paraderen. De cipiers hebben er ook echt last van. Dus niet in je luie merktrainingspark zitten gamen, maar voor mijn part in een oranje of roze uniform keihard ploeteren om je schuld aan de samenleving af te lossen.

Net als versoberen, is zwaarder straffen ook iets dat voorkomt dat mensen in de gevangenis komen. Van de celstraf moet weer een afschrikwekkende werking uitgaan. Ik zei het al eerder: als de gemiddelde celstraf in Nederland slechts drie maanden is, is het nogal logisch dat niemand zich daar zorgen over maakt. Drie maandjes op kosten van de hardwerkende Nederlander in het staatshotel, en daarna thuis op de bank met een uitkering mekkeren over detentieschade. We moeten in Nederland toe naar veel zwaarder straffen. We moeten af van de strafvorderingsrichtlijn van het OM en we moeten toe naar hogere minimumstraffen voor geweld tegen hulpverleners.

Als het aan de PVV ligt, moeten we ook toe naar hogere minimumstraffen voor gewelds- en zedenmisdrijven. We moeten beginnen met het afschaffen van het opportuniteitsbeginsel van het Openbaar Ministerie voor zware gewelds- en zedenmisdrijven. Dit houdt in dat het Openbaar Ministerie verplicht wordt om bij elk gewelds- of zedenmisdrijf vervolging in te stellen en dat ze dus niet zelf meer kan bepalen waar ze wel of geen prioriteit aan geeft. Elke verkrachting en elk zwaar geweldsmisdrijf verdient het om serieus te worden vervolgd. Tegelijkertijd moeten we klaarblijkelijk de rechtspraak op weg helpen om nog zwaarder te gaan straffen. Nog veel te vaak straffen rechters veel te slap. Als ze wat dat betreft geen zelfreflectie of zelfreinigend vermogen hebben, moet de politiek hier misschien maar een handje bij helpen. Ik zou de minister dan ook willen vragen om met een voorstel te komen om minimumstraffen voor de categorie high-impact crimes in te voeren. Mijn vraag is: is de minister daartoe bereid?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Ik dacht: ik wacht even tot de bijdrage van collega Van Dijk klaar is. Ik heb een vraag over de uniformen. De VVD heeft hier eerder in zekere zin ook wel eens voor gepleit. Waar ik even nieuwsgierig naar ben, is: moet een uniform in de gevangenis de ouderwetse oranje overall zijn, of zou dat ook op een modernere manier kunnen, door bijvoorbeeld iedereen dezelfde spijkerbroek en een wit T-shirt te laten dragen? Ik probeer even te kijken wat de inzet van de PVV is.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Ik zou het liefst een zo sober en goedkoop mogelijke overall zien. Dat is dus geen mooie strak- of loszittende spijkerbroek, wat je voorkeur ook zou mogen zijn. Ik wil uniformiteit en geen onderscheid op basis van kleding, al dan niet met een T-shirt in of uit je broek, opgerolde pijpen of wat dan ook. Iedereen moet in het gareel een pak dragen, zonder onderscheid.

De heer Ellian (VVD):

Over de invulling van het uniform denken we hetzelfde. Iedereen heeft hetzelfde aan en geen gekkigheid. We kunnen spreken over hoe dat dan precies moet zijn. Mag ik het zo begrijpen? Ik kan namelijk een heel eind meekomen met de PVV. Het moet een keer klaar zijn met alle uitingen van geld en merken in de bajes. Het geeft ook een wat andere allure aan in de bajes zitten. Zullen we het zo maar eens zeggen?

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Daar ben ik het honderd procent mee eens.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Straatman voor haar maidenspeech. Zij levert haar inbreng in eerste termijn namens de fractie van het CDA. Mevrouw Straatman heeft aangegeven dat zij ontvankelijk is voor interrupties aan het einde van haar bijdrage. Als u zover bent, heeft u het woord.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Een halfjaar geleden trok ik mijn toga voor het laatst aan. Ik had niet gedacht na bijna vier jaar de advocatuur al te verlaten. Ik heb daar een fantastische tijd gehad. Als enigszins vreemde eend in de bijt op het Amsterdamse kantoor, met Brabantse tongval, terwijl de PSV-vlag trots wapperde op mijn kamer, heb ik daar met veel plezier gewerkt. Toch knaagde er iets in mij. Mijn intrinsieke motivatie was om het verschil te maken, om niet alleen voor de inhoudelijke uitdaging te gaan, maar ook voor de maatschappelijke.

De druppel was de afstandsmoederszaak, waar ik pro bono enkele jaren aan werkte. Van dichtbij zag ik hoe overheidsoptreden diepe wonden achterliet en hoe de omgang van de overheid met haar zwarte verleden het vertrouwen van burgers in de overheid ernstig deed schaden. Toen die zaak juridisch afliep, wilde ik mij meer dan incidenteel bezighouden met zaken die er voor mijn gevoel écht toe doen. In alle eerlijkheid, ik had nooit gedacht hier vandaag op deze plek al te staan. Dat is een grote eer en verantwoordelijkheid.

Van jongs af aan heeft de politiek mij gedreven. De basis van die politieke betrokkenheid lag bij mijn opa. Zijn leven lang ademde hij CDA. Op enig moment was hij zelfs het langstlevende CDA-lid. Hij zag al vroeg politieke potentie in mij en trok mij mee naar allerhande CDA-congressen, waar hij me te pas en te onpas naar voren schoof om zijn kleindochter voor te stellen. U kunt zich dat vast voorstellen. Op momenten was dat behoorlijk gênant. Maar ja, opa's komen daar vaak mee weg.

Die politieke betrokkenheid van mijn opa en breder in de familie werkte aanstekelijk voor mij. Het was de boodschap waarmee ik grootgebracht werd: de wereld is groter dan jijzelf; doe je best en lever je bijdrage. De boodschap was vooral: zorg voor elkaar. Zorgen voor elkaar begint in het klein, bij een sterk gezin, een sterke familieband of, zoals bij ons, een sterk familiebedrijf. De familiewinkel was ons thuis.

Mijn oma had daarin een speciale plaats. Zij belichaamde die zorgzame levenshouding meer dan wie dan ook. Die levenshouding was medegevormd door de Tweede Wereldoorlog. Zij was woonachtig aan de Duitse grens, in Overasselt. Als jong meisje groeide zij daar op onder het juk van de Duitse bezetter. In die bal van haat ontwikkelde het gezin van mijn oma een cocon van liefde. Het was een veilige haven, waar zij onderdak bood aan meerdere geallieerden en een Joods meisje. Renie was het zusje dat niet om mijn oma leek, maar in oma's familie bescherming vond. Renie overleefde de oorlog en vertrok nadien naar Canada. Als families onderhielden wij contact en als klein meisje ontmoette ik haar ook. Uit zichzelf sprak mijn oma nooit over de oorlog of de grote daden van haar familie. Voor haar was het namelijk vanzelfsprekend. Dit deed je voor elkaar. Over het verhaal van Renie is geen boek geschreven of een film gemaakt. De daden van mijn oma's familie zullen de geschiedenisboeken niet halen, maar de actualiteit van vandaag leert dat deze verhalen nooit verloren mogen gaan. De stille en zachte krachten van onze samenleving moeten wij blijven koesteren en we moeten hun verhalen blijven vertellen.

Voorzitter. Waar individuen floreren in een warm en krachtig gezin, zo floreren samenlevingen in krachtige gemeenschappen. Die gemeenschapsgedachte trekt mij aan in de christendemocratie. Niet het ik, maar het wij staat centraal. Vast en zeker zullen daar hele intellectuele quotes over bestaan, maar in het Eindhovense houden we het simpel: eendracht maakt macht. Om een gemeenschap echt te laten floreren is het wel nodig dat de basis op orde is. Juist hierin is er nog veel werk aan de winkel. De bijl staat namelijk steeds aan de wortel van onze rechtsstaat, door kritiek op rechterlijke instituties, de inperking van het vrije debat op universiteiten en een nieuw te voeren strijd over de waarheid en het echte nieuws. Dat raakt ons allemaal omdat het de basis is waarop onze samenleving gebouwd is en de basis van wat ons bindt.

Voorzitter. Veiligheid is de basis van een goed functionerende rechtsstaat. Dat brengt mij dan ook bij de begroting van vandaag. Wat is nodig om die basis op orde te krijgen, om de rechtsstaat verder te versterken? Ik kom allereerst bij de aanpak van de georganiseerde misdaad en ondermijning. Ik liep voor het eerst stage op een Amsterdams advocatenkantoor toen Peter R. de Vries werd vermoord. Kort daarvoor werd ook Derk Wiersum vermoord. Daarmee werd een niet te bedenken grens overschreden door de georganiseerde misdaad. Die grens moet ons ook jaren later doen beseffen dat de strijd tegen de georganiseerde misdaad groter is dan die tegen criminaliteit. Het is een strijd voor de vrije samenleving. De aanpak van de georganiseerde misdaad en ondermijning mag dan ook nooit verslappen.

Tegelijkertijd zien we dat criminaliteit steeds meer verschuift van de offline- naar de onlinewereld. Onlinecriminaliteit is inmiddels al de meest voorkomende vorm van criminaliteit. Het is ook een veelkoppig monster. Hetzelfde geldt voor de toename van online-extremisme. Achter ogenschijnlijk onschuldige memes en berichten gaan extreme en anti-institutionele ideeën schuil. Ook voor deze nieuwe vormen van criminaliteit moeten voldoende middelen en capaciteit beschikbaar blijven. Is dat nu zo, vraag ik de minister. Het CDA doet in ieder geval, samen met GroenLinks-Partij van de Arbeid en andere partijen, een voorstel om de bezuinigingen bij de onlinefraudedesk terug te draaien.

Voorzitter. Effectieve criminaliteitsbestrijding, zowel online als offline, vereist goede informatiedeling tussen instanties. Het CDA is heel positief over de Taskforce Gegevensdeling om knelpunten aan te pakken. Welke concrete resultaten zijn al geboekt door deze taskforce sinds de oprichting, ook voorbij het project over de mainports, vraag ik de minister. Zorgen over goede informatiedeling spelen namelijk niet alleen binnen de veiligheidsketen, maar juist ook op het snijvlak van veiligheid en zorg, huiselijk geweld, verward gedrag en radicalisering. Hoe zorgt de minister ervoor dat privacykaders werkbaar blijven in de praktijk?

Dan kom ik bij een heel concreet voorbeeld waarin AVG-wetgeving op gespannen voet staat met de praktijk. Er ontbreekt bijvoorbeeld nog altijd een wettelijk kader voor drugstesten in de zware industrie, terwijl het veiligheidsbelang evident is en de noodzaak in de praktijk gevoeld wordt. In een uitspraak van vorig jaar van de rechtbank Limburg wordt deze wettelijke hiaat door de rechter expliciet bij de politiek op tafel gelegd. Wat is de reactie van de minister hierop?

Voorzitter. Effectieve criminaliteitsbestrijding vraagt voorts om een integrale benadering, waarin strafrecht, bestuursrecht en civiel recht elkaar versterken. Hoewel civielrechtelijke onderwerpen in deze Kamer soms ondergesneeuwd raken, kan ik als civilist zeggen dat de civielrechtelijke aanpak van groot belang is.

Ik noem twee voorbeelden. Neem het verhalen van schade bij rellen en ordeverstoringen bij demonstraties. Wij zien kansen om relschoppers die misbruik maken van het demonstratierecht hard aan te pakken. Hoe kijkt de minister hiernaar en welke concrete stappen neemt hij? Ten tweede het afpakken van crimineel verdiend vermogen en het in het financiële hart raken van criminele structuren. Hoe staat het met het wetsvoorstel om crimineel verdiend vermogen sneller en zonder voorafgaande veroordeling af te pakken? Gaat de minister hier vaart achter zetten?

Voorzitter. Dan kom ik bij het gevangeniswezen. Het CDA maakt zich grote zorgen over code zwart. Het is onacceptabel dat door capaciteitsdruk veroordeelden eerder naar huis worden gestuurd. Maar het eerlijke verhaal is ook dat wij geen simpele kortetermijnoplossingen hebben. Code zwart heeft het CDA er wel van overtuigd dat we breed in de strafrechtketen, maar zeker ook in het gevangeniswezen op de resetknop moeten drukken. Want hoe effectief zijn korte gevangenisstraffen nu eigenlijk? Het CDA gelooft in plaats daarvan in slimmer straffen, bijvoorbeeld in de vorm van elektronische detentie voor lichtere strafrechtelijke vergrijpen. Dat biedt de rechter meer vrijheid om maatwerk te leveren en het voorkomt recidive. Niet in de laatste plaats creëert het capaciteit in gevangenissen om juist die zwaardere criminaliteit zwaar te blijven straffen. Voor een toekomstbestendig gevangenissysteem moeten we voorbij het dogma dat vergelding alleen kan met een gevangenisstraf.

Voorzitter. Dan de toegang tot het recht. De rechtsstaat valt of staat met toegang tot het recht. Ook voor mensen in kwetsbare posities die recht zoeken moet de deur openstaan. Als student werkte ik meerdere jaren voor de Rechtswinkel Best. Daar zag ik van dichtbij hoe belangrijk de eerstelijns rechtshulp is. Ook is er een cruciale rol weggelegd voor de sociale advocatuur. Die moeten we de komende jaren ook blijven ondersteunen. Toegang tot het recht vraagt echter ook om hervorming van de rechtspraakketen in de breedte. De doorlooptijden bij de rechtspraak zijn onverminderd hoog. Om de druk te verminderen kunnen bijvoorbeeld innovatieve vormen van geschilbeslechting uitkomst bieden. Welke stappen neemt de minister op dit terrein?

Daarnaast leggen procedures over verkeersboetes een zware last op de rechtspraak. Het CDA kan zich niet aan de indruk onttrekken dat die druk op de rechtspraak ook wordt veroorzaakt door de hoogte van verkeersboetes, die steeds verder verwijderd raken van de ernst van de overtreding. Zou de minister in kaart kunnen brengen welke extra inkomsten als gevolg van de verhoging van verkeersboetes direct weer uit de schatkist verdwijnen door noodzakelijke extra investeringen in het OM en de rechtspraak?

Voorzitter, tot slot de bescherming van verschillende kwetsbare groepen. In de bescherming van kwetsbare groepen laat een samenleving immers haar ware gezicht zien. Vorig jaar diende het CDA een motie in om slachtoffers van zedenmisdrijven te beschermen en zittingen over zedenmisdrijven altijd achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, en niet alleen bij minderjarige daders. Hoe staat het met de uitvoering van die motie?

Tot slot, voorzitter, online gokken. Het CDA maakt zich ernstige zorgen over de effecten van online gokken op kwetsbare groepen, met name jongeren. Met legalisering hebben we letterlijk gegokt en verloren. Mijn vraag aan de minister is daarom: welke maatregelen gaat hij nemen om kwetsbare groepen te beschermen, illegale onlinecasino's direct uit de lucht te halen en ervoor te zorgen dat gokaanbieders hun zorgplicht serieus nemen?

Voorzitter, ik rond af. Van de rechtszaal naar de plenaire zaal. Maar met net zo veel toewijding ga ik mij de komende jaren inzetten, niet langer alleen voor een cliënt, maar voor de samenleving breed, om de rechtsstaat te versterken en de basis op orde te brengen, zonder de verwondering die past bij deze unieke plek te verliezen. Maar zoals ons pap vrij vertaald naar Socrates altijd zegt: gelukkig is verwondering het begin van alle wijsheid.

Dank u wel.

(Geroffel op bankjes)

Dank u wel, mevrouw Straatman, voor uw gepassioneerde maidenspeech. Ik wil u daar als eerste van harte mee feliciteren. Ik schors de vergadering tot … O, mevrouw Dobbe! Hè! Ik verzoek de leden hun plaatsen in te nemen. Mevrouw Dobbe krijgt het woord voor een interruptie.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan kan ik ook als eerste de complimenten geven na de voorzitter. Het is een ontzettend goed betoog. Zie het dus ook als een compliment dat ik nog een vraag daarover heb. Maar de complimenten zijn wel echt verdiend, want het was hartstikke mooi.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Dobbe (SP):

Mijn vraag is als volgt. U heeft het over code zwart in het gevangeniswezen. Ik denk dat wij die zorg heel erg delen. We zien ook dat het gevangenispersoneel aan het staken is op dit moment. In ieder geval gisteren hadden ze weer een staking en een werkonderbreking. Zij bouwen dat op. Zij doen dat niet voor niets, namelijk omdat het code zwart is. Dat is niet alleen vanwege de werkdruk en de arbeidsomstandigheden, maar ook vanwege het loon.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Ze worden op de nullijn gezet, waardoor ze er feitelijk op achteruitgaan. Wat zou het CDA tegen deze stakende gevangenismedewerkers willen zeggen?

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik zou tegen deze stakende gevangenismedewerkers willen zeggen dat ik heel goed begrijp wat de zorgen zijn en wat de problemen zijn in de strafrechtketen en in het gevangeniswezen breed. Ik denk dat de brief van de staatssecretaris over de menukaart die hij heeft gegeven over wat te doen aan code zwart, heel duidelijk maakt dat we aan alle knoppen moeten draaien waar we maar aan kunnen draaien. Dat is niet alleen de financiële knop. Dit betekent ook dat we moeten inzetten op meer resocialisatie en op preventie en dat we moeten kijken hoe we de capaciteitsvraag naar beneden kunnen brengen. Dat is bijvoorbeeld het initiatiefvoorstel van het CDA samen met D66: hoe kunnen we op een slimmere manier straffen, zodat we breed in de gevangenisketen kijken hoe we het kunnen oplossen?

Mevrouw Dobbe (SP):

Tot slot, hoor. Ik wil niet al te lang tussen de felicitaties staan.

De voorzitter:

Ja hoor, het mocht, het mocht.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank dat dit mag overigens, want dat vind ik altijd heel goed. Maar het is dus ook financieel. Het is natuurlijk ook dat financiële gedeelte waar de bewakers nu voor staken. Wat zegt het CDA daarop?

Mevrouw Straatman (CDA):

U heeft mij zojuist gehoord: ik denk dat dit een integrale aanpak vereist. Dat blijkt denk ik ook heel duidelijk uit de brief van de staatssecretaris. Wij zullen ermee aan de slag gaan om aan alle mogelijke knoppen te draaien om het probleem in het gevangeniswezen op te lossen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we u nu toch echt feliciteren.

De voorzitter:

Ik schors tot 13.50 uur voor lunch en vooral voor felicitaties. De vergadering is geschorst.

Stemmingen moties Raad Buitenlandse Zaken d.d. 29 januari 2026

Stemmingen moties Raad Buitenlandse Zaken d.d. 29 januari 2026

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken d.d. 29 januari 2026,

te weten:

  • de motie-Ceder/Boswijk over actief steun vergaren voor het plaatsen van IRGC op de EU-terreurlijst (21501-02, nr. 3321);
  • de motie-Ceder/Stoffer over pleiten voor een stop op de normalisatie van de betrekkingen met de Syrische interim-regering (21501-02, nr. 3322);
  • de motie-Dobbe over onafhankelijke internationale onderzoekscapaciteit naar het geweld tegen demonstranten in Iran actief ondersteunen (21501-02, nr. 3323);
  • de motie-Dobbe over het slopen van het UNRWA-hoofdkwartier veroordelen (21501-02, nr. 3324);
  • de motie-Piri c.s. over familieleden van hooggeplaatste leden van het Iraanse regime tot persona non grata verklaren (21501-02, nr. 3325);
  • de motie-De Roon/Wilders over de Iraanse ambassade sluiten en alle Iraanse diplomaten het land uitsturen (21501-02, nr. 3326);
  • de motie-Hoogeveen/Ceulemans over geen enkele versoepeling accepteren van de toetredingsvoorwaarden voor Oekraïne en andere kandidaat-lidstaten (21501-02, nr. 3327);
  • de motie-Hoogeveen over het bedrijfsleven voorbereiden op mogelijke economische kansen in Venezuela (21501-02, nr. 3328);
  • de motie-Van Baarle over een Schengen-inreisverbod voor gewelddadige kolonisten die aantoonbaar mensenrechtenschendingen plegen (21501-02, nr. 3329);
  • de motie-Van Baarle over de volledige regering-Netanyahu tot persona non grata verklaren (21501-02, nr. 3330);
  • de motie-Van Baarle over pleiten voor sancties tegen personen die aantoonbaar verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Iran (21501-02, nr. 3331);
  • de motie-Van Baarle over de regering laten uitspreken dat niet Trump of Netanyahu maar het Iraanse volk gaat over de toekomst van Iran (21501-02, nr. 3332);
  • de motie-Erkens c.s. over de contacten met regimekritische leden van de Iraanse diaspora intensiveren (21501-02, nr. 3333);
  • de motie-Erkens c.s. over uitspreken dat vertegenwoordigers van de Islamitische Republiek Iran niet langer welkom zijn in de Tweede Kamer en hen de toegang ontzeggen (21501-02, nr. 3334);
  • de motie-Stoffer/Ceder over druk uitoefenen op het Syrische regime (21501-02, nr. 3335);
  • de motie-Stoffer/Ceder over de Nederlandse erkenning van het Al-Sharaaregime evalueren en zo nodig opschorten (21501-02, nr. 3336);
  • de motie-Van der Werf c.s. over de oprichting van een sanctietaskforce tegen Iran, gericht op het afknijpen van de financiering van de IRGC (21501-02, nr. 3337).

De voorzitter:

Aan de orde zijn de stemmingen. We beginnen met de stemmingen over de moties ingediend bij het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken d.d. 29 januari 2026.

Er is één stemverklaring, die uitgesproken zal worden door meneer Van der Burg. Ik geef hem daarvoor het woord. Gaat uw gang.

De heer Van der Burg (VVD):

Voorzitter. Deze stemverklaring betreft de motie op stuk nr. 3326. In Iran is sprake van een uitzonderlijke situatie en een buitensporig kwaadaardig regime. Dit raakt onze collega Ulysse Ellian zeer persoonlijk. Wij begrijpen zijn pleidooi om voor de motie-De Roon/Wilders te stemmen heel goed. Alles afwegende, laten we als fractie prevaleren dat het openhouden van de ambassade cruciaal is voor de veiligheid en de werkzaamheden van het ambassadepersoneel in Teheran. Daarom zal de VVD tegen de motie stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Burg. We gaan stemmen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Ceder c.s. (21501-02, nr. ??, was nr. 3321).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV en Groep Markuszower voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Ceder/Stoffer (21501-02, nr. ??, was nr. 3322).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en Groep Markuszower voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fracties van DENK, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Dobbe (21501-02, nr. 3323).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Dobbe (21501-02, nr. 3324).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Markuszower ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Piri c.s. (21501-02, nr. 3325).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-De Roon/Wilders (21501-02, nr. 3326).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de PVV en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en FVD ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Hoogeveen/Ceulemans (21501-02, nr. 3327).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD en het CDA ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Hoogeveen (21501-02, nr. 3328).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD en DENK ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3329).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van 50PLUS, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV en Groep Markuszower ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3330).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van 50PLUS, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Markuszower ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3331).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Baarle (21501-02, nr. 3332).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, DENK en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV en Groep Markuszower ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Erkens c.s. (21501-02, nr. 3333).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, de VVD, de SGP, JA21, BBB, de PVV en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, DENK, de ChristenUnie en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Erkens c.s. (21501-02, nr. 3334).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van DENK en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Stoffer/Ceder (21501-02, nr. ??, was nr. 3335).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV, FVD en Groep Markuszower voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fractie van DENK ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Stoffer/Ceder (21501-02, nr. 3336).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, JA21, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van der Werf c.s. (21501-02, nr. 3337).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, de PVV en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de stemmingen. Ik schors een enkel ogenblik.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Aan de orde is een korte regeling van werkzaamheden.

Ik stel voor dinsdag 3 februari aanstaande ook te stemmen over de ingediende moties bij de wetgevingsoverleggen over de begrotingsonderdelen Politie, Media en Herstel Groningen en bij het notaoverleg MIRT.

Ik deel aan de Kamer mee dat de fractie van de Partij voor de Dieren bij de stemmingen op dinsdag 27 januari jongstleden over de Wet chartaal betalingsverkeer (36711) geacht wenst te worden tegen het amendement-Inge van Dijk c.s. op stuk nr. 17 te hebben gestemd.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het wetsvoorstel Wijziging van de Uitvoeringswet huurprijzenwoonruimte en Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het optimaliseren van procedures bij de huurcommissie (Wet toekomstbestendige huurcommissie) (36791).

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Dan zijn we aangekomen bij de voortzetting van de eerste termijn van de begroting Justitie en Veiligheid.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Tijs van den Brink voor zijn inbreng in eerste termijn namens de fractie van het CDA.

Meneer Van den Brink, voordat u het woord krijgt, zou ik kort het woord willen geven aan de staatssecretaris voor een reactie op het punt van orde van mevrouw Bikker voor de lunchschorsing. Als de staatssecretaris zover is, dan heeft hij het woord. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter, dank voor de kans om even snel misschien wat kou uit de lucht te halen. Ik heb het een en ander laten uitzoeken. Het zit als volgt. Op 5 december 2025 zijn ruim 1.900 documenten gepubliceerd in het kader van de actieve openbaarmaking over kansspelen op afstand. Na publicatie is geconstateerd dat in een aantal documenten persoonsgegevens, waaronder namen, abusievelijk niet volledig waren gelakt. Gezien de omvang van deze operatie, 1.900 documenten, kunt u zich voorstellen dat dat is gebeurd, maar vervelend is het wel. Om de privacy van de betrokkenen te beschermen, en enkel om deze reden, zijn de betreffende documenten op 7 januari offline gehaald en worden deze gegevens alsnog gelakt. Ik betreur deze fout ten zeerste. Ik had uw Kamer hierover van tevoren moeten informeren. Het offline halen heeft niets van doen gehad met contacten met de kansspelsector. Ik zou het hierbij willen laten.

De voorzitter:

De verleiding voor de Kamer om nu het debat aan te gaan, zo kan ik me goed voorstellen, is bijzonder groot, maar dat gaan we niet doen. Ik zou willen voorstellen dat u de reactie van de staatssecretaris betrekt bij uw termijn, waarvan de voortzetting morgen zal plaatsvinden.

Staatssecretaris Rutte:

Ik ga een en ander ook per brief aan de Kamer sturen. Dat gaat zeker gebeuren.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker, heel kort over het punt van orde.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ja, snap ik, voorzitter. Wanneer kunnen we deze brief verwachten?

Staatssecretaris Rutte:

Ik denk op heel korte termijn, dus in de loop van deze week nog.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Vóór de beantwoording?

Staatssecretaris Rutte:

Zeker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dan oké. Akkoord.

De voorzitter:

Akkoord. Dan is het woord nu aan de heer Van den Brink voor zijn inbreng in eerste termijn, namens het CDA.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik wil beginnen met mijn hartelijke felicitaties aan mevrouw Abdi en mevrouw Straatman voor hun mooie verhalen. Er kunnen niet genoeg PSV'ers in deze Kamer zitten, zou ik willen zeggen.

Collega Straatman zei het al: bij het gokbeleid is er gegokt, en verloren; kwetsbare mensen zijn hierdoor in de knel gekomen. De CDA-fractie wil voorkomen dat er bij het drugsbeleid opnieuw zo'n verkeerde afslag wordt genomen. Ook daar dreigen mensen slachtoffer te worden van een te meegaand beleid. Het CDA kiest daarom voor een andere koers dan partijen die spreken over normalisering en legalisering. Drugsgebruik is geen onschuldig individueel plezier, maar onderdeel van een gewelddadige keten van ondermijning, intimidatie en liquidaties. Wie harddrugs gebruikt, faciliteert een criminele industrie die onze rechtsstaat aantast; "Jouw lijntje, zijn liquidatie", zoals vorig jaar in Rotterdam te lezen was. Mijn fractie vraagt zich af hoe het staat met de toezegging om in die geest een landelijke campagne te starten. Steeds meer onderzoek laat zien dat vooral drugsgebruik in de adolescentie blijvende schade veroorzaakt. Studies tonen aan dat gebruik in deze levensfase kan leiden tot beperkte mentale vermogens, verstoring van de hersenontwikkeling en een verhoogde kans op verslaving en psychische problemen. Daarom vraag ik de minister welke concrete stappen hij zet om verdere normalisering tegen te gaan en te voorkomen dat beleid, ook onbedoeld, het signaal afgeeft dat drugsgebruik acceptabel is.

Voorzitter. Dat raakt ook aan het wietexperiment. De vraag is niet alleen of het experiment technisch werkt, maar ook welke gevolgen het heeft voor volksgezondheid, criminaliteit en handhaving. We hebben nooit staan springen om dit experiment; mijn collega Harmen Krul heeft eerder al de grote twijfels van het CDA uitgesproken bij de aanname dat legalisering criminaliteit vermindert. Is de minister bereid om het experiment tussentijds te evalueren, en dan niet alleen economisch of logistiek? Worden maatschappelijke effecten zoals veiligheid en leefbaarheid volwaardig meegewogen? Neem bijvoorbeeld de stankoverlast in Hellevoetsluis, waar honderden inwoners klagen over de geur van de producent aldaar. Of neem de ernstige veiligheidsincidenten die zich hebben voorgedaan bij legale wietfabrieken, waaronder gewelddadige overvallen en inbraken. Hoe beoordeelt de minister deze situatie? En welke verantwoordelijkheid ziet hij voor zichzelf, in samenhang met gemeenten en andere overheden, om structurele overlast en veiligheidsrisico's te voorkomen?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Collega Van den Brink zegt behartigenswaardige woorden over hoe schadelijk drugs zijn, niet alleen omdat dat veel criminaliteit teweegbrengt, maar ook vanwege de gezondheid van onze jongeren. Juist cannabisverslaving is een van de grootste stijgers, helaas, in onze verslavingsklinieken. Het is juist daarom dat ik denk dat we niet moeten normaliseren wat niet normaal is. Daarom heb ik samen met collega Diederik van Dijk en collega Schilder een motie neergelegd om te zeggen: zullen we die wietexperimenten maar af gaan bouwen? Ik weet dat in ieder geval de heer Krul daar ook van gecharmeerd was, dus hierbij mijn hartelijke uitnodiging aan collega Van den Brink: zou u mee willen doen?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dat heeft ook mijn sympathie — u kent ons verkiezingsprogramma op dit punt. Tegelijkertijd gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat wij in gesprek zijn met andere partijen over een regeerakkoord. Aanstaande vrijdag wordt dat openbaar. Tot die tijd kan ik daar eigenlijk niet veel over zeggen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik ben natuurlijk ook heel benieuwd wat er in het regeerakkoord staat. Ik snap ook dat dat met zich meebrengt dat het wat dat betreft even met de handen op de rug is. Maar ik denk wel dat, hoe dat regeerakkoord er ook precies uitziet, we elkaar kunnen vinden in de woorden die collega Van den Brink net sprak over het terugdringen van de normalisering. Dus toch de hartelijke uitnodiging om ook na publicatie — we gaan er toch daarna pas over stemmen — te kijken of het niet een amendement is waarbij we niet alles schrappen, maar het rustig afbouwen. Zullen we daarnaast iets meer aandacht gaan geven aan de gevolgen van drugsgebruik en ook campagnes voeren over hoe slecht het is om drugs te gebruiken?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Daar ben ik het mee eens. Ik noemde net ook de slogan "Jouw lijntje, zijn liquidatie". Dat was een campagne in Rotterdam. Er is volgens mij vorig jaar een motie van u aangenomen waarin werd beloofd dat die landelijk werd uitgerold. Ik wil graag weten hoe het daarmee staat. Over die afbouw ga ik nu echt geen toezeggingen doen. Ik zeg alleen maar: vrijdag.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik ben natuurlijk wel benieuwd of ik het CDA nog aan mijn zijde vind om in the end ervoor te zorgen dat we in dit land minder softdrugsgebruik hebben en dat het wietexperiment in die zin geen opmaat is naar meer normalisering.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dat is niet onze ambitie. Wij zouden dat heel graag terugdringen, maar u kent de situatie. We zijn in gesprek, en de uitkomsten daarvan zijn nog niet openbaar.

De heer Sneller (D66):

De heer Van den Brink vraagt om onderzoek naar onder andere normalisering. Het Trimbos-instituut, het kenniscentrum op dit gebied, waarschuwt juist dat die landelijke campagne over drugsgebruik leidt tot normalisering. Ik vroeg me af hoe de heer Van den Brink daarop reflecteert.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb de afgelopen tijd ook wel gesprekken hierover gevoerd. In hulpverlenersland wordt verschillend geoordeeld over de slogan die in Rotterdam is gebruikt. Vandaar ook mijn vraag aan de minister over wat daar concreet mee gebeurd is. Is die campagne landelijk uitgerold? Ik heb 'm niet gezien, maar ik zie niet alles, dus ik kan 'm gemist hebben. Kan het zijn dat andere methodes effectiever zijn? Als dat zo is, dan staan we daarvoor open.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dat wietexperiment is nog een erfenis van Rutte III en IV. Dat is er toen volgens mij ook tegen de zin van het CDA in doorheen gedrukt, zogezegd. Nu het weer op tafel ligt en na alles wat we er aan kennis bij hebben gekregen, zal het CDA toch wel de rug recht houden en niet weer door de knieën gaan voor de drugsagenda van D66?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

"De drugsagenda van D66", interessant. Ik heb net geschetst hoe wij in dit debat staan en hoe wij tegenover drugs staan. Ik ga de komende jaren mijn best doen om die normalisering tegen te gaan. Ik ga dat niet in mijn eentje doen. Er moeten in dit huis meerderheden gesmeed worden en compromissen gesloten worden. Hoe dat er precies uit gaat zien, kan ik nu niet voor u uittekenen. Dat is eigenlijk hetzelfde antwoord als ik net aan mevrouw Bikker gaf. Maar in de strijd tegen normalisering van drugs vindt u mij aan uw zijde.

De voorzitter:

De heer Van Dijk? Nee?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Voorzitter. Ik kom bij het onderwerp femicide. In Nederland wordt elke acht dagen een vrouw vermoord. Dat zijn geen incidenten. Femicide vindt plaats in een context van controle en intimidatie, vaak voorafgegaan door duidelijke signalen. Het CDA vindt dat we te vaak achteraf reageren, terwijl bekend is dat vroege signalering en een goed afgestemde aanpak levens kunnen redden. Daarom mijn vragen aan de minister. Hoe staat het met het verbeteren van monitoring en risicotaxatie? Worden signalen van politie, Veilig Thuis, zorg en gemeenten daadwerkelijk gekoppeld, zodat gevaarlijke patronen op tijd zichtbaar worden? Hoe zorgt de minister ervoor dat bescherming niet blijft steken op papier, maar dat vrouwen en kinderen ook in de praktijk veilig zijn en toegang hebben tot opvang wanneer dat nodig is?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Het is altijd fijn als een van onze mannelijke collega's zich nadrukkelijk uitspreekt tegen geweld tegen vrouwen en femicide expliciet benoemt. Wij hebben in deze Kamer al meerdere voorstellen gedaan op dat vlak. We hebben overigens ook de wens uitgesproken dat daar extra middelen en geld naartoe moet. Je kan niet alleen maar maatregelen met elkaar afspreken; die moeten ook uitgevoerd en opgepakt worden.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Hebben we de heer Van den Brink aan onze zijde en kunnen we verwachten dat hij onze voorstellen, ook de financiële, gaat steunen dan wel met eigen voorstellen gaat komen?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Het antwoord is: vrijdag. Dat geldt voor alle financiële voorstellen die vandaag ter tafel komen, denk ik, en waarschijnlijk ook voor alle collega's van de beoogde coalitiepartijen. Wij gaan daar nu geen uitspraken over doen. U kunt ons aan uw zijde vinden. Mijn collega Etkin Armut voert het woord over de strijd tegen femicide.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dan kijk ik de voorzitter aan. Ik heb goede hoop, na de twee ontwijkende antwoorden die ik heb gekregen van twee verschillende Kamerleden, dat er vrijdag toch wel witte rook komt en dat er extra geld komt voor de strijd tegen femicide. Zo niet, dan verzeker ik u dat wij dat wel gaan voorstellen.

De voorzitter:

U mag mij aankijken, maar de spreker gaat over zijn eigen antwoorden.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik kijk u heel graag aan …

De voorzitter:

Dat is wederzijds.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

… maar uiteindelijk zal de heer Van den Brink hierop moeten reageren.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik raak nu ook een beetje nieuwsgierig. Ik weet dat het lastig is om van tevoren te zeggen waar je wel of niet voor gaat stemmen, maar ik ga ervan uit dat de heer Van den Brink straks wel een advies geeft aan de fractie over de stemlijst bij dit debat, dus dat er een advies komt van de heer Van den Brink, als de woordvoerder op dit dossier, over femicide en het wietexperiment. Dat heeft hij gedaan. De heer Van den Brink kan natuurlijk wel zijn visie geven en kan misschien ook wel zeggen wat hij zijn fractie gaat adviseren.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Mijn visie heb ik volgens mij zojuist gegeven, namelijk dat femicide ook voor ons een heel belangrijk onderwerp is en dat we graag zouden zien dat er maatregelen worden genomen die echt werken om femicide terug te dringen. Alle maatregelen die daartoe leiden, zullen wij dus met sympathie bekijken. Als het gaat om geld, blijf ik zeggen: vrijdag.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Iedereen vindt femicide een belangrijk onderwerp. Er is geen partij in de zaal die dat geen belangrijk onderwerp vindt. Ik vraag nogmaals naar het advies. Dat advies hoeft misschien niet overgenomen te worden, omdat de fractie zegt: sorry, we hebben een financiële plaat; dit kunnen we niet doen. Maar het advies van de heer Van den Brink zal toch wel gewoon openbaar mogen zijn?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Nee, de adviezen zijn intern in onze fractie.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja? Oké. Héél ongebruikelijk.

De voorzitter:

Het is wat het is. U vervolgt.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Voorzitter. Een andere, zeer schrijnende vorm van criminaliteit wordt gevormd door mensenhandel, prostitutie en online seksueel misbruik van kinderen. Mensen worden gereduceerd tot een verdienmodel. Netwerken opereren steeds internationaler en digitaler, terwijl slachtoffers vaak onzichtbaar blijven door angst, afhankelijkheid of schaamte. Het is 25 jaar geleden dat prostitutie is gelegaliseerd, met als doel om misstanden tegen te gaan, maar signalen uit de praktijk laten zien dat uitbuiting, foute afhankelijkheidsrelaties en mensenhandel hardnekkig voortbestaan. Dat vraagt om een eerlijke en zorgvuldige reflectie op de vraag of het huidige beleid de doelen daadwerkelijk dichterbij brengt. Het CDA wil daarom een harde aanpak van deze netwerken en stevige slachtofferbescherming: veilige opvang, verblijfszekerheid waar nodig en langdurige begeleiding.

Ik heb de volgende vragen aan de minister. Hoe versterkt hij de opsporing van mensenhandelnetwerken, vooral digitaal en internationaal? Klopt het dat de omvang van onlinekindermisbruik toeneemt? Heeft de politie voldoende middelen om onlinekindermisbruik effectief aan te pakken? Hoe staat het met de internationale samenwerking op dit punt?

Voorzitter. Gemeenten spelen een sleutelrol in het toezicht op prostitutie. Tegelijkertijd zijn de verschillen in capaciteit en prioritering groot, met als gevolg dat uitbuiting van vrouwen gemakkelijk van de ene naar de andere gemeente verschuift. Hoe ondersteunt de minister gemeenten, zodat uitbuiting niet uit het zicht verdwijnt door lokale verschillen? Slachtoffers moeten ook durven melden. Wat doet de minister concreet om de aangiftebereidheid te vergroten?

Voorzitter, tot slot. Deze begroting gaat over beleid dat gevolgen heeft voor mensen, vaak kwetsbare mensen: mensen die hun gokgedrag niet in de hand hebben, mensen die zich verliezen in drugsgebruik, vrouwen en kinderen die worden uitgebuit door criminelen, meestal mannen. Het CDA kiest voor een overheid die beschermt, begrenst en verantwoordelijkheid neemt, die niet wegkijkt bij geweld, die niet wegrelativeert wat schadelijk is en die altijd de menselijke waardigheid centraal stelt.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde van uw betoog gekomen?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ja. Ik zie uit naar de antwoorden van de minister, wilde ik nog zeggen.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Opnieuw komt collega Van den Brink met een punt waarvan ik zeg: daarin trek ik heel graag samen met hem op. Wat zijn er namelijk veel misstanden in de prostitutie en wat zijn er veel vrouwen in ons land gebonden in moderne slavernij. Ik zou collega Van den Brink willen vragen welke verandering hij wettelijk belangrijk vindt. We zitten namelijk al vanaf Balkende IV te wachten op aanpassingen in de wet- en regelgeving. Telkens wordt er weer een reden voor uitstel gevonden. Is hij met mij van mening dat de Wrs, die echt al tijden op de plank ligt, zo snel mogelijk naar de Kamer moet?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ja, dat zou mooi zijn. Daar staan een aantal belangrijke elementen in, bijvoorbeeld het verhogen van de leeftijd naar 21 jaar en het pooierverbod. Ook daarvoor geldt weer — het is een beetje flauw en vervelend onderhand — dat vrijdag meer duidelijk wordt over wat daarover in coalitieverband is afgesproken. Ook hiervoor geldt echter dat u mij aan uw zijde vindt in de strijd tegen de uitbuiting van vrouwen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Rondom de Wrs hebben heel veel gemeenten gezegd: help ons nou om landelijk beleid te maken. Ik kijk dus uit naar komende vrijdag. Ik hoop echt dat hier stappen in worden gezet. Ondertussen zijn omliggende landen niet stil gaan zitten; die zijn verdergegaan. Ze hebben bijvoorbeeld het Scandinavische model ingevoerd. Voor de mensen die kijken: het Scandinavische model gaat erom dat vrouwen in de prostitutie nooit strafbaar zijn, maar wel degenen die seks kopen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik weet niet of wij dat onmiddellijk zullen omarmen. Daar wordt in onze partij verschillend over gedacht. We zijn wel hard aan het werk met en aan het nadenken over een maatregel die we zouden kunnen nemen om vrouwen in Nederland beter te beschermen tegen de omstandigheden waarin ze zich nu vaak bevinden. Maar vergeeft u mij; ik ben pas een paar maanden woordvoerder op dit terrein. Ik ben me dus aan het inwerken en ik probeer daarover op enige termijn met voorstellen te komen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik snap heel goed dat er op het punt van de uitvoering even een pas op de plaats gemaakt wordt, maar laten we naar de doelstelling daarboven kijken. Ik ben voor beleid waarvan we durven te zeggen dat zo min mogelijk vrouwen slachtoffer zijn. In de studies die ik tot nu toe zie, is het Nederlandse model daar ver weg van. Deelt de collega Van den Brink dat en kunnen we vanuit dat vertrekpunt eens kijken wat er beter kan?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik heb niet precies het overzicht van hoe het in andere landen loopt. Ik ben het helemaal met u eens dat het beter kan en moet in Nederland. Alle maatregelen die daaraan bijdragen zal ik met heel veel sympathie bezien.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van den Brink. Het woord is aan mevrouw Coenradie voor haar inbreng in eerste termijn namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voorzitter. De strafrechtketen in Nederland is niet een beetje, niet tijdelijk, maar fundamenteel niet op orde. Dat is geen natuurverschijnsel; dat is het gevolg van jarenlang, structureel politiek wanbeleid. Ik noem wegkijken, vooruitschuiven en structureel verkeerde keuzes maken. Het begint en eindigt met vertrouwen. Het vertrouwen van burgers dat de overheid ze beschermt. Het vertrouwen van slachtoffers dat aangifte doen zin heeft. Het vertrouwen dat misdaad wordt aangepakt en bestraft. Dat vertrouwen is afgebrokkeld en dat raakt de hele keten: de politie op straat, het OM en uiteindelijk ook de rechtspraak. Gezag is niet vanzelfsprekend. Gezag moet elke dag opnieuw worden waargemaakt, maar ten aanzien van de strafrechtketen is jarenlang niet vooruitgezien en dus niet geregeerd. We wisten dat gevangenissen volliepen. We wisten dat tbs-klinieken structureel tekortschoten. We wisten dat zedenzaken zich opstapelden. We wisten dat huiselijk geweld werd onderschat. We wisten dat de politie overvraagd werd. Toch is er niet ingegrepen. We hebben de kiezer beloofd dat aangifte doen zin heeft. Inmiddels weten te veel Nederlanders dat het vaak niet loont. Zedenzaken blijven liggen. Inbraken worden geseponeerd. Geweldszaken slepen zich voort. Slachtoffers haken af. Begrip zonder daadkracht is een lege belofte.

De kern van het probleem is als volgt. De strafrechtketen is overbelast, versnipperd en slecht aangestuurd. Iedere schakel doet zijn best, maar niemand stuurt het geheel. Er is geen echte regie, geen scherpe prioritering en nauwelijks afrekenbaarheid. Als dit één organisatie was geweest, was de directie allang naar huis gestuurd. Voor JA21 is het dan ook logisch om te vragen waarom we deze keten niet bedrijfsmatig aansturen, met heldere doelen en meetbare resultaten. Is de minister bereid om te werken met duidelijke KPI's voor de strafrechtketen als geheel?

Voorzitter. We hebben de afgelopen weken heel vaak gesproken over de politie, en terecht. Maar ik heb een punt nog niet aangestipt: het feit dat we te weinig rechercheurs hebben. We zien vandaag de dag dat duizenden zaken blijven liggen omdat we een tekort hebben aan rechercheurs. Naar schatting gaat het om 1.500 fte. Hierdoor worden ernstige misdrijven niet opgepakt, worden onderzoeken stopgezet en worden daders niet opgespoord en berecht. De Politieacademie krijgt duizenden aanmeldingen voor de rechercheopleiding, maar er is budget voor slechts 200 plekken. Ik vind het echt niet uit te leggen dat dit de situatie is. Daarom heb ik een amendement ingediend. Hiermee kunnen in potentie honderden extra rechercheurs worden aangenomen. Dat is broodnodig.

Daarnaast vragen zedenzaken om bijzondere aandacht. Slachtoffers van seksueel geweld wachten soms maanden voordat hun zaak wordt opgepakt. Dat is onacceptabel. Zedenzaken zijn complex en arbeidsintensief en vragen gespecialiseerde rechercheurs. Extra capaciteit betekent snellere onderzoeken, betere begeleiding en vooral meer bescherming voor slachtoffers. Dat is precies wat mijn tweede amendement beoogt.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik onderschrijf volledig het beeld dat collega Coenradie net schetste omtrent opsporing. We missen opsporing, met name lokale opsporing. Mijn vraag richt zich op het volgende. Je kunt daar in mijn beleving nu wel extra geld voor uittrekken, maar het probleem zit niet alleen in de instroom, maar ook in de doorstroom en in de monopoliepositie van de Politieacademie.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Moeten we daar niet iets aan doen?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Zeker. Daar moeten we ook zeker naar kijken. Uiteindelijk is dit ook het resultaat van bezuinigingen van jaren terug. Er is 100 miljoen gekort op de politieacademie; dat betekent dat we daar op enig moment de effecten van zien. Dat we anders moeten omgaan met dit stuk van de strafrechtketen, daarin vindt mevrouw Mutluer mij aan haar zijde.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Vindt mevrouw Coenradie het dan niet belangrijk dat we met name naar die opleiding kijken? Misschien moet er een aparte rechercheopleiding komen of misschien moeten we iets meer duwen op die samenwerking met andere partijen, dan wel universiteiten. Dan kunnen al die enthousiaste agenten of nieuwe mensen die de opsporing in willen, worden opgeleid. Moeten we ons daar niet op focussen?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dat is iets wat ik lastig vind om te beantwoorden, omdat ik dat in samenspraak met de politie zou willen doen. Ik denk dat we daarin in ieder geval wel out of the box moeten denken. Aan het aantal aanmeldingen ligt het niet. Wat ik vanuit de Politieacademie begrijp, is dat er op dit moment ontiegelijk veel aanmeldingen zijn voor de rechercheursopleiding, maar dat er simpelweg geen plek is. Daar knelt het. Die mensen, die we dan zo enthousiast krijgen voor de politie, zien we vervolgens weglopen richting bijvoorbeeld Defensie, of misschien naar elders.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dus moeten we echt iets doen aan de voorkant en misschien moeten we ook nadenken over hoe we de opleiding vormgeven, zeker als het gaat om het opleiden van rechercheurs. Als wij daar voorstellen voor gaan doen, denk ik dat ik mevrouw Coenradie aan mijn zijde heb, maar ik twijfel even over dat amendement, omdat ik denk dat de oplossing ergens anders ligt.

De voorzitter:

Mevrouw Coenradie, u vervolgt uw betoog.

Mevrouw Coenradie (JA21):

De kern van het probleem is dit: de strafrechtketen is overbelast, versnipperd en slecht aangestuurd. Iedere schakel doet zijn best, maar niemand stuurt het geheel aan. Er is geen echte regie, geen scherpe prioritering en nauwelijks afrekenbaarheid.

Maar volgens mij heb ik dit al benoemd. Excuus. Ik was bij het kopje zedenzaken en ik was even helemaal afgeleid. Ik ga gauw verder met mijn betoog over de politiecapaciteit voor zedenzaken. Extra politiecapaciteit heeft alleen zin als de rest van de keten meebeweegt. Dan komen we bij het OM. Ook het OM loopt structureel vast. Zaken blijven liggen of worden geseponeerd vanwege capaciteitsgebrek, niet vanwege gebrek aan bewijs. Dat ondermijnt het gezag van de rechtsstaat. Mijn vraag aan de minister is daarom helder. Hoe voorkomt hij dat mogelijk toekomstige extra inzet bij de politie vastloopt bij het OM? Is hij bereid ook op dat vlak harde keuzes te maken in prioritering en capaciteit?

Dan de Fraudehelpdesk. Jaarlijks ontvangt deze organisatie tienduizenden meldingen van slachtoffers van online oplichting en ID-fraude. Daarmee worden tientallen miljoenen euro's aan schade zichtbaar gemaakt en voorkomen. JA21 vindt daarom dat het voortbestaan van de Fraudehelpdesk structureel en landelijk moet worden geborgd. Ik ben blij met het initiatief van collega Mutluer om de korting op de Fraudehelpdesk incidenteel terug te draaien. Wel ben ik van mening dat we de Fraudehelpdesk, los van de vorm, structureel moeten borgen in de toekomst. Er loopt het een en ander qua onderzoek, en mijn vraag is eigenlijk welke scenario's er zijn voor de Fraudehelpdesk. Er wordt gekeken naar een internationale fraudehub, maar wat als deze er niet komt, of niet op tijd komt? Valt de Fraudehelpdesk dan tussen wal en schip? Dan voltrekt zich, achter gesloten deuren maar ook steeds vaker achter beeldschermen, geweld dat levens breekt. Het gaat om huiselijk geweld, kindermishandeling, kindermisbruik en femicide. Wij hebben al eerder aangegeven dat we samen met mevrouw Mutluer starten met het uitwerken van een initiatiefwetsvoorstel om de strafmaat bij femicide en andere vormen van relationeel dodelijk geweld te verzwaren. In het strafrecht wordt dit nu behandeld als gewone doodslag, terwijl het in veel gevallen het eindpunt is van een langdurig patroon van geweld, stalking en intimidatie. Met dit initiatief willen wij binnen het strafrecht beter recht doen aan dit soort patronen door voorafgaand geweld en de relationele relatie expliciet mee te wegen als strafverzwarende omstandigheden.

Te vaak zien wij hetzelfde patroon. Signalen zijn er, meldingen worden gedaan, maar instanties kijken langs elkaar heen, waardoor daders blijven lopen, slachtoffers blijven zitten en kinderen leren dat geweld normaal is of online slachtoffer worden zonder dat iemand het ziet. Wij vinden dit echt onacceptabel. Wie geweld gebruikt tegen zijn partner of kinderen, of wie kinderen fysiek of online misbruikt, verliest het recht om ongestoord zijn gang te gaan. Punt.

Is de regering bereid om bij situaties met een hoog vastgesteld risico sneller en standaard over te gaan tot het opleggen van gebieds- en contactverboden, zo nodig ondersteund door elektronische monitoring, waarbij alleen gemotiveerd kan worden afgeweken? Is de regering bereid te werken aan de ontwikkeling en invoering van één landelijk casusregiesysteem, waarin politie, Veilig Thuis, Jeugdzorg en het Openbaar Ministerie realtime informatie kunnen delen? Is de regering bereid te zorgen voor structurele en geoormerkte capaciteit bij politie en recherche voor huiselijk geweld, zedenzaken en online kindermisbruik, zodat deze zaken daadwerkelijk worden opgepakt en niet blijven liggen?

Geweld tegen kinderen verplaatst zich in toenemende mate naar de online wereld. Is de regering bereid de opsporing van anonieme online daders van kindermisbruik en grooming expliciet te prioriteren, inclusief versterking van internationale samenwerking bij grensoverschrijdende zaken?

Daarnaast pleit JA21 voor landelijke regie met lokale uitvoering, maar met landelijke financiering. De huidige versnipperde en grillige gemeentelijke aanpak leidt tot postcodeafhankelijke veiligheid en dat is echt onacceptabel. Elk kind in Nederland heeft recht op dezelfde bescherming. Voor kinderen geldt daarom dat bij herhaald geweld of misbruik altijd een verplichte herbeoordeling van de thuissituatie moet plaatsvinden, met duidelijke termijnen en doorzettingsmacht wanneer instanties blijven twijfelen. Hoe kijkt het kabinet hiertegen aan?

Voorzitter. Normaliter voer ik niet het woord op het gevangeniswezen, maar doet mijn collega Eerdmans dat. Vandaag voer ik namens JA21 het woord over de gehele begroting van JenV. Daarom zal ik eenmalig ook iets zeggen over het gevangeniswezen. Het gaat mij persoonlijk aan het hart dat wij nog steeds geen structurele middelen hebben om te werken aan een oplossing voor het capaciteitsprobleem bij DJI. Wanneer veroordeelden hun straf niet direct of niet geheel kunnen uitzitten of wanneer plaatsingen moeten worden uitgesteld, verliest de straf aan kracht. Dit is moeilijk uit te leggen aan slachtoffers en draagt niet bij aan de veiligheid in de samenleving. Daarom dien ik samen met de collega's Eerdmans en Schilder een amendement in, in de hoop dat wij hierin als Kamer een stap kunnen zetten.

Ook de tbs-sector staat onder grote druk. Het kabinet stelt dat verruiming van de verlengingssystematiek niet mogelijk is vanwege het EVRM. Tegelijkertijd hoor ik uit het veld dat bij bepaalde categorieën tbs-gestelden, zoals bij chronisch onbehandelbare stoornissen met een stabiel hoog risico, herhaalde toetsing vrijwel altijd tot dezelfde uitkomst leidt, terwijl de druk op de rechtspraak, klinieken en het Openbaar Ministerie steeds verder oploopt. Daarom vraag ik de minister of hij wil onderzoeken of binnen de grenzen van het EVRM meer maatwerk mogelijk is. Daarnaast staat de tbs-sector onder extra druk door tbs-gestelden zonder rechtmatig verblijf, bij wie uitstroom vastloopt door langdurige parallelle procedures. Deze mensen hebben geen toekomst in Nederland. Is de regering bereid te verkennen hoe procedures rond verblijfsrechten, uitzetting en eventuele internationale tenuitvoerlegging sneller en beter op elkaar kunnen worden afgestemd?

Tot slot wil ik iets zeggen over de begroting. Ik zie vanuit de gehele Kamer constructieve voorstellen om allerlei gaten te dichten. JA21 heeft over de meeste voorstellen een positieve grondhouding. Vooralsnog heeft JA21 geen positieve grondhouding ten aanzien van de begroting zoals deze er nu voorligt. Er zijn tekorten en er is perspectief nodig, en wel snel. Voor JA21 is investeren in de strafrechtketen geen kostenpost, maar een harde voorwaarde voor een beschaafde samenleving. Helaas ademt deze begroting nog te weinig wat wij werkelijk voorstaan voor die beschaafde samenleving. Daarom is het voor JA21 cruciaal dat deze begroting wordt voorzien van de nodige reparaties door middel van constructieve voorstellen vanuit de Kamer. Die voorstellen wegen voor ons zwaar bij de vraag of wij deze begroting kunnen steunen. Dat is niet uit oppositiedrang, maar uit verantwoordelijkheid.

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Coenradie. Het woord is aan de heer El Abassi als spreker in de eerste termijn namens de fractie van DENK.

De heer El Abassi (DENK):

Ik merk dat de heer Sneller er meteen zin in heeft als ik opsta.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter, ik ga meteen starten. Het was een bewogen jaar op het domein van justitie en veiligheid. Rechts-extremisten hebben ons land geterroriseerd. Anti-azc-demonstraties liepen uit de hand. Raadsleden werden aangevallen. Politieauto's werden in brand gestoken. Nederland is nog steeds het land dat het meeste onlinekindermisbruik host en tegelijkertijd het land waar daders jaren ongestoord hun gang kunnen gaan. Meerdere moskeeën werden aangevallen of beklad, imams werden bedreigd en korans werden opnieuw verbrand en verscheurd, terwijl bij demonstraties met twee maten werd gemeten. Onschuldige burgers belandden onterecht op terrorismelijsten, met desastreuze gevolgen voor hen. Kortom, het is een hele hoop. Laat ik dan ook maar meteen beginnen.

Voorzitter. De minister heeft eerder gezegd dat rechts-extremisme volop de aandacht heeft en dat die dreiging serieus wordt genomen. Tegelijkertijd zagen we het afgelopen jaar hoe anti-azc-demonstraties ontspoorden, bestuurders thuis werden opgezocht en geïntimideerd en de politie structureel onder druk stond. We zagen hoe in september van het afgelopen jaar Den Haag bejegend werd door rechts-extremistisch tuig. We zagen hoe de minister dit niet eens zo durfde te benoemen. De AIVD waarschuwt al jaren voor de normalisering en volharding van rechts-extremistische netwerken. Toch is het optreden vaak laat, terughoudend of versnipperd. Hoe kan dat, vraag ik de minister. Als dit onderwerp zo'n prioriteit heeft, waarom zien we dan zo weinig preventieve, zichtbare interventies? Waarom worden politici in dit huis niet aangesproken op hun rol bij de normalisering van extreemrechtse ideeën?

Voorzitter. Moslims waren het afgelopen jaar opnieuw een doelwit. Moskeeën in Den Haag, Waalwijk, Emmeloord, Haaksbergen en ga zo maar door werden beklad met racistische leuzen en ruiten werden ingegooid. Brandstichtingen en bedreigingen volgden. Moskeebezoekers werden zelfs mishandeld. Imams moesten aangifte doen omdat zij persoonlijk werden geïntimideerd. Een ongelofelijk, niet te geloven patroon. De minister heeft hier eerder over gezegd dat hij elke aanval op een gebedshuis onacceptabel vindt en dat gemeenten en de politie alert zijn. Maar alertheid alleen beschermt geen moskeeën en afkeuring alleen voorkomt geen herhaling. Sterker nog, als we naar de cijfers kijken, dan zien we een verdubbeling in het aantal incidenten tegen moskeeën in Nederland. Erkent de minister dat er sprake is van extreme intimidatie richting moskeeën? Waarom is er nog geen structurele landelijke aanpak tegen aanvallen op moskeeën terwijl dit probleem al jaren bekend is? Hoe wordt gewaarborgd dat moskeebesturen dezelfde bescherming krijgen als andere kwetsbare instellingen, zoals synagogen?

Voorzitter. Dan de CTER-registraties. Ik heb het hier al eerder over gehad. De Nationale Ombudsman heeft in zijn rapport Blind vertrouwen vastgesteld dat burgers onterecht op terrorisme- en extremismelijsten kunnen belanden, zonder transparantie en zonder effectieve rechtsbescherming. Mijn motie om de aanbevelingen van de Ombudsman met spoed op te pakken, is bij de vorige begrotingsbehandeling aangenomen. Maar hoe gaat het met de uitvoering, zou ik de minister willen vragen. De minister presenteerde onder meer de zogenoemde Handreiking voor inzageverzoeken. Die handreiking zou burgers meer duidelijkheid moeten geven, maar de Nationale Ombudsman is er glashelder over: deze handreiking biedt geen oplossing; zij beschrijft vooral hoe het systeem nu werkt en niet hoe het recht van burgers wordt beschermd. Burgers moeten zich nog steeds wenden tot zes verschillende instanties. Dat zijn er zes, zonder overzicht, zonder begeleiding en zonder garantie op een inhoudelijk antwoord. Hoe kan de minister dit presenteren als een verbetering van de rechtsbescherming? De Ombudsman stelt terecht dat burgers maar één eenvoudige vraag hebben: wat is er met mij gebeurd en mocht dat eigenlijk wel? Die vraag wordt door deze handreiking echter niet beantwoord. Waarom kiest de minister ervoor om een handreiking te introduceren die volgens de toezichthouder zelf tekortschiet, in plaats van het systeem fundamenteel te vereenvoudigen?

Voorzitter. Het probleem zit dieper. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft namelijk nog steeds geen toegang tot het CTER-themaregister. Daarmee beschikt de toezichthouder niet over een eigenstandige informatiepositie. Hoe kan de minister spreken van versterkt toezicht als de toezichthouder zelf het systeem niet eens in mag zien? De Ombudsman waarschuwt bovendien dat toezicht zich niet mag beperken tot zogenoemde uitstralingseffecten. Een onterechte of foutieve registratie is op zichzelf al een inbreuk op grondrechten, ongeacht of een burger daar ooit expliciet de gevolgen van merkt. Erkent de minister dat punt? Zo ja, waarom is er dan nog steeds geen onafhankelijke toets vooraf of tijdens het registratieproces?

Voorzitter. Ik wil de minister ook vragen naar een ernstig incident dat zich gisteren heeft voorgedaan. Volgens meerdere ooggetuigen is een vrouw die enkel aan het filmen was, in haar buik getrapt en met de wapenstok geslagen door een politieagent, zonder zichtbare aanleiding. Vervolgens is er een man aangehouden en is hij met de wapenstok geslagen, op zijn hoofd gestompt en bespoten met pepperspray. Ook zijn partner zou daarbij zijn geslagen. Getuigen geven aan dat zij niets strafbaars deden, maar kritiek uitten op het politieoptreden. Laat ik duidelijk zijn: de politie mag geweld alleen gebruiken als uiterste middel en wanneer dat noodzakelijk en proportioneel is. Het filmen van een politieoptreden en het aanspreken van een agent zijn geen strafbare feiten en kunnen op zichzelf nooit geweld rechtvaardigen. Daarom vraag ik de minister of hij kan toelichten wat hier is gebeurd. Is de minister het met mij eens dat het gebruiken van geweld door de politie slechts in uitzonderlijke gevallen is toegestaan? Is er een onafhankelijk onderzoek ingesteld naar dit incident? Ik hoor graag de reactie van de minister.

Voorzitter. Ik werd uitgelokt: vorige week was ik te beroerd om aanwezig te zijn bij het debat over geweld tegen hulpverleners. Vanuit huis heb ik met walging gekeken hoe mevrouw Faber sprak over Marokkaanse Nederlanders en andere Nederlanders met een migratieachtergrond. Het was een tirade die hele bevolkingsgroepen op basis van hun afkomst wegzet als probleem: collectieve verdachtmaking. Mevrouw Faber sprak over "hoofdzakelijk allochtoon tuig", over "Marokkaans tuig" en over een zogenoemde cultuurstrijd. In de criminologie bestaat al decennialang brede consensus: criminaliteit en ordeverstorend gedrag hangen samen met sociaal-economische factoren, leeftijd, groepsdynamiek en gelegenheid, maar niet met afkomst of etniciteit. Dat zeggen niet alleen linkse politici, zou ik via de voorzitter tegen mevrouw Faber zeggen; dat zeggen het WODC, het CBS, de politie en serieuze wetenschappers.

Voorzitter. Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond vieren oud en nieuw, gewoon thuis. Ze werken in de zorg, bij de politie, bij de brandweer of in het onderwijs. Zij zijn geen daders, maar vaak juist slachtoffers van geweld en de stigmatisering van rechts-extremistische partijen. Voorstellen voor zaken als denaturalisatie worden door de PVV dan ook selectief ingezet. Wanneer politieagenten, raadsleden en burgemeesters worden bedreigd of belaagd bij demonstraties tegen asielzoekerscentra, blijft het namelijk opvallend stil aan de kant van mevrouw Faber, zou ik via de voorzitter willen zeggen. Dan horen we niets over tuig, niets over keihard optreden, niets over het inzetten van het leger of het afnemen van rechten. De PVV is er dan juist als de kippen bij om op die plekken campagne te voeren. Blijkbaar geldt de verontwaardiging van mevrouw Faber echter niet voor iedereen.

Voorzitter. Ik ben een Marokkaanse Nederlander. In tegenstelling tot veel PVV'ers zijn mijn familie en ik integer. Wij dragen bij aan de samenleving en voelen ons verantwoordelijk voor dit land. Toch worden wij in de bijdrage van mevrouw Faber neergezet als onderdeel van een vijandige cultuur. Dat doet pijn. Het is niet leuk, niet grappig, niet stoer en, nog belangrijker, het maakt Nederland onveilig. Wie namelijk blijft herhalen dat afkomst het probleem is, vergroot het wantrouwen in de overheid, zet groepen tegenover elkaar en verzwakt juist het gezag van politie en bestuur. Nederland heeft geen behoefte aan een cultuurstrijd. Nederland heeft behoefte aan gelijke maatstaven en consequente handhaving.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

U heeft een interruptie van de heer Ellian. Ik zou eigenlijk niet het debat van vorige week, waar u niet bij was, willen voeren. Dat wordt een heel gekke vorm, want anders gaan we week in, week uit allerlei debatten met elkaar doen. We hebben het vandaag over de begroting Justitie en Veiligheid. Meneer El Abassi, u heeft een interruptie van de heer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Nee, geen interruptie, maar een vraag aan u, voorzitter. Ik heb u als voorzitter er nog niet over gehoord, maar ik vind bewoordingen als "rechts-extremistisch" ingewikkeld. Mevrouw Faber kan prima voor zichzelf opkomen, maar als een collega in een bijdrage continu een andere collega benoemt … Volgens mij is het normaal dat je zegt "de PVV-fractie" en "de woordvoerder van de PVV-fractie". Mevrouw Faber kan nu niet reageren.

De voorzitter:

Mevrouw Faber kan reageren. Ik heb in dit geval niet ingegrepen omdat zij aanwezig is. Als zij de behoefte voelt om te reageren, dan krijgt zij van mij alle ruimte om zich uit te spreken. Zoals ik al zei tegen de heer El Abassi, wil ik het houden bij het debat over de begroting Justitie en Veiligheid. Laten we er niet toe overgaan om elkaar voor allerlei zaken uit te maken met kwalificaties waarvan we eerder met elkaar in deze zaal hebben gezegd dat we die niet gebruiken, zoals "rechts-extremisme". Laten we het houden op de inhoud, want volgens mij bent u daar zeer wel toe in staat, meneer El Abassi. Was u aan het einde gekomen van uw bijdrage?

De heer El Abassi (DENK):

Ik was aan het einde gekomen. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer El Abassi. Dan is het woord aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij. Gaat uw gang.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Vorige week bracht ik een indrukwekkend bezoek aan het Overweeghuis in Utrecht, een plek waar vrouwen die vastzitten in de prostitutie rust, opvang en begeleiding vinden om een nieuw leven op te bouwen. Ik sprak daar met Vanessa, ervaringsdeskundige. Ze werkte twintig jaar in de prostitutie. Ze vertelde dat haar lichaam op haar 19de is verkocht als handelswaar. Moderne slavernij gebeurt nog elke dag voor onze ogen. Haar verhaal grijpt je aan, maar het is op een bepaalde manier ook hoopgevend, want het laat zien dat, hoe diep iemand ook vastzit, een weg eruit mogelijk is met de juiste hulp. Dat is precies waar uitstapprogramma's over gaan: veiligheid, herstel en perspectief. Daarom heb ik een amendement ingediend om extra middelen beschikbaar te stellen voor uitstaporganisaties. Graag ontvang ik daarop een reactie. Geen abstract beleid, maar concrete hulp, opvang, begeleiding, traumazorg, schuldsanering en een nieuwe, hoopvolle toekomst met nieuw werk en waardering. Het werk van het Overweeghuis laat zien dat dit letterlijk levens kan redden.

Voorzitter. De problematiek is breder. De betreffende Vanessa vertelde dat zij drugs gebruikte om het mensonterende werk vol te kunnen houden. Voor veel vrouwen en mannen in de prostitutie verergeren verslavingen de afhankelijkheid en maken ze eruit uitstappen extra moeilijk. Drugs zijn in onze samenleving schrikbarend gemakkelijk verkrijgbaar, niet alleen online, maar ook dit kabinet werkt hieraan mee door voortzetting van het D66-experiment gesloten coffeeshopketen. Daarom heb ik samen met mevrouw Bikker een amendement ingediend om deze normalisering van drugs door de overheid tegen te gaan. Acht de minister dit beleid nog geloofwaardig, afgezet tegenover de vele miljoenen die ingezet worden tegen de normalisering van drugs?

Dan de DUUP-regeling, die bedoeld is voor uitstapprogramma's. Uit signalen uit het veld blijkt echter dat in sommige steden een feitelijk monopolie bestaat van organisaties die minder gericht zijn op enkel het begeleiden van de uitstap, maar die ook instap faciliteren en inzetten op destigmatisering van prostitutie. Dat wringt. Geld dat bedoeld is voor uitstap, moet ook daadwerkelijk en exclusief daarvoor worden ingezet. Is de minister bereid om de voorwaarden van de DUUP kritisch tegen het licht te houden, inclusief toezicht en verantwoording?

Daarbij heeft de SGP ook oog voor de gebrekkige wettelijke bescherming waarmee prostituees nog altijd te maken hebben als ze aangifte willen doen van verkrachting of erger. De Wet regulering sekswerk ligt al jaren op de plank. Dat betekent dat klanten van prostituees niet strafbaar zijn. Dat is problematisch. Prostituees die te maken krijgen met geweld of verkrachting door een pooier of klant, kunnen nauwelijks hun rechten doen gelden en worden ontmoedigd om aangifte te doen. Internationaal zien we dat het Zweedse model voordelen biedt. De prostituee wordt beschermd, de klant wordt strafbaar gesteld en de vraag naar prostitutie neemt af. Dit versterkt de positie van kwetsbare vrouwen en mannen, en maakt het veiliger om misstanden aan te geven. Is de minister bereid te onderzoeken of elementen van dit model kunnen bijdragen aan de bescherming van prostituees in Nederland?

Voorzitter. Wie eerlijk kijkt naar de prostitutiepraktijk in ons land, kan niet anders dan constateren dat het vrouwonvriendelijk, onfeministisch en ongeëmancipeerd is. Het feit we het recht op seks ensceneren en vrouwen uit lagelonenlanden etaleren achter ramen, waarbij pooier en klant profiteren van hun kwetsbaarheid, hangt nauw samen met geweld tegen vrouwen; dat tonen meerdere onderzoeken aan. Is de minister bereid om in zijn aanpak van geweld tegen vrouwen deze praktijk expliciet tegen het licht te houden en met concrete voorstellen te komen om deze vrouwen beter te beschermen?

Voorzitter. Ik begon mijn inleiding met het verhaal van Vanessa. Ook zij heeft meermaals aangifte gedaan tegen haar pooier en verkrachter. Ze werd weggestuurd. "Bewijs maar dat het tegen je wil was. Je hebt hier zelf voor gekozen." Het vertrouwen van burgers in de strafrechtketen daalt al jaren. Doorlooptijden lopen op, aangiftes blijven liggen en slachtoffers ervaren dat melding doen weinig effect heeft. Welke concrete stappen neemt de minister om ervoor te zorgen dat de normen die gelden voor doorlooptijden in de strafrechtketen afdwingbaar gehaald worden?

Voorzitter. Als er één bevolkingsgroep is waarbij het vertrouwen in de strafrechtketen de laatste jaren een ongekende daling heeft meegemaakt, zijn het wel onze Joodse Nederlanders. In de aanpak van antisemitisme komen aangiftebereidheid en bescherming direct samen. Joden in Nederland moeten zich veilig voelen en erop kunnen vertrouwen dat de politie en het OM daadkrachtig optreden. Helaas blijkt dat veel antisemitische incidenten niet adequaat worden opgevolgd. Vervolging komt traag of helemaal niet op gang en online haat blijft vaak onbestraft. Dit ontmoedigt aangifte en ondermijnt de veiligheid van de Joodse gemeenschap. Welke maatregelen neemt de minister om de politie en het OM daadkrachtiger te laten optreden, meldingen sneller te verwerken en de Joodse gemeenschap effectief te beschermen, zowel online als in de publieke ruimte?

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw bijdrage. Ik nodig mevrouw Teunissen uit. Ik dacht eerst dat u wellicht een interruptie had, maar u komt naar voren voor uw bijdrage in de eerste termijn namens de Partij voor de Dieren. Ik geef u het woord, als u zover bent.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik sta er helemaal klaar voor, voorzitter. Dank u wel.

Voorzitter. Waar klimaatwetenschappers eerder al tot vergelijkbare conclusies kwamen, zijn nu ook de inlichtingendiensten van het Verenigd Koninkrijk, onder andere MI5 en MI6, met een rapport gekomen. Het instorten van ecosystemen kan snel gebeuren en vormt een bedreiging voor de nationale veiligheid van het Verenigd Koninkrijk. Vooral klimaatverandering jaagt het instorten van ecosystemen aan. Ook voor de nationale veiligheid van Nederland is klimaatverandering een grote bedreiging, maar hoe precies? Op welke termijn kan het kabinet bevestigen dat we dat niet goed in beeld hebben en dat dat onwenselijk is? Mijn vraag aan de minister is dus: is hij bereid om ook de veiligheidsrisico's van het instorten van ecosystemen voor Nederland onafhankelijk in kaart te laten brengen?

Voorzitter. Het demonstratierecht staat op de tocht. Het WODC-rapport laat geen ruimte voor misverstanden: het demonstratierecht is van fundamenteel belang voor de democratische rechtsstaat en vraagt niet om nieuwe verboden, maar om zorgvuldige uitvoering. Toch kiest het kabinet voor een tegengestelde koers. Terwijl het WODC concludeert dat verdere inperkingen niet doeltreffend zijn en zelfs een averechts effect hebben, liggen er wetsvoorstellen klaar die juist leiden tot meer inperking en criminalisering van vreedzaam protest. Mijn fractie maakt zich daar grote zorgen over. Het wetsvoorstel Gegevensvergaring openbare orde maakt het bijvoorbeeld mogelijk om op basis van vrees alleen al demonstranten langdurig in politiesystemen te laten belanden. Ook het voorstel om online-uitingen te laten verwijderen op bevel van de burgemeester raakt direct aan politieke meningsuiting. Een verbod op gezichtsbedekkende kleding is een inperking van de rechten van mensen die anoniem willen demonstreren, bijvoorbeeld omdat ze vrezen voor represailles van een misdadig regime, zoals dat van Iran. Hoe voorkomt de minister dat deze stapeling van bevoegdheden leidt tot structurele surveillance van vreedzame demonstranten en een afschrikwekkend effect op democratische participatie? Erkent het kabinet dat deze voorstellen regelrecht ingaan tegen de bescherming van het demonstratierecht? Ik zou het kabinet ook om concrete maatregelen willen vragen om het demonstratierecht juist te bevorderen en te beschermen.

Voorzitter. Dan wil ik het hebben over de aanpak van dierenmishandeling. De Wet aanpak dierenmishandeling is een positief voorbeeld van hoe de Kamer zich eensgezind hard heeft gemaakt voor dierenwelzijn. Zo hebben we ervoor gezorgd dat dierenbeulen een houdverbod kan worden opgelegd. Dat is zelfs een levenslang houdverbod als ze dieren ernstig mishandelen. We hebben inmiddels vaker in de media kunnen lezen dat een houdverbod is opgelegd. Dat is heel goed om te voorkomen dat meer dieren in schrijnende situaties terechtkomen.

Voorzitter. Het valt echter wel op dat er bijna alleen maar houdverboden worden opgelegd aan houders van gezelschapsdieren en niet of nauwelijks aan veehouders. Mijn vraag is: kan het kabinet verklaren waardoor dat komt? Is het kabinet bereid om te bevorderen dat de wet ook wordt toegepast als het gaat om veehouders en niet alleen houders van gezelschapsdieren?

Voorzitter. Dan wil ik het tot slot nog hebben over het meldpunt waar mensen dierenmishandeling en dierenverwaarlozing kunnen melden: meldpunt 144. Door het fantastische werk van deze mensen wordt niet alleen veel dierenleed aangepakt, maar wordt ook veel huiselijk geweld en kindermishandeling opgespoord. Dat hangt namelijk vaak met elkaar samen. Dit meldpunt gaat aan het eigen succes ten onder. Elk jaar ontvangen zij meer meldingen, maar ze hebben nog steeds dezelfde financiering als in 2011. Daarom zijn ze nu minder bereikbaar en kunnen ze melders minder uitvragen. Vorig jaar heeft de Kamer ingestemd met incidentele ondersteuning om de allerergste problemen op te lossen. Maar om meer personeel aan te kunnen nemen en meldingen weer fatsoenlijk af te kunnen handelen, hebben ze echt structureel meer capaciteit nodig. Ik vraag het kabinet dus om daarnaar te kijken. Is het kabinet daartoe bereid? Ik heb er ook een amendement over ingediend en ik hoop van harte dat de Kamer dit steunt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Bikker van de fractie van de ChristenUnie, voor haar bijdrage in de eerste termijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Recht boven macht: wat mij betreft schrijven we dat boven het ministerie van Justitie en boven de opvolgingsbrief als deze bewindspersonen mogelijk worden opgevolgd door een nieuwe bewindspersoon.

Voorzitter. Vooraf wil ik het volgende zeggen. Inhoudelijk was ik geschokt toen ik de stapel stukken kreeg over de omgang van de goklobby met het invoeren van nieuwe wetgeving. Die was eindeloos. Het gaat over macht die continu bezig is met het beïnvloeden van recht. Vandaag blijken alle stukken ingetrokken. Ik heb de staatssecretaris gehoord, maar ik heb nog wel een paar vragen. Ik hoop dat hij die wil betrekken bij zijn brief. Dat zijn de volgende vragen. Klopt het dat actief geopenbaarde stukken alleen op basis van een expliciete uitzonderingsgrond met nieuw besluit en motivering mogen worden ingetrokken? Door wie is dat besluit genomen, als dat niet de staatssecretaris was? Wanneer is dat besluit genomen? Wie waren daarvan op de hoogte? Waarom is de Kamer daar niet over geïnformeerd? Komen de stukken nu per omgaande terug online, zodat parlement, burgers en journalistiek daar kennis van kunnen nemen? Overigens lijkt het mij verstandig dat we gokpreventie niet meer bij Justitie laten, maar naar VWS verplaatsen. Daar zit namelijk ook al het andere preventiebeleid, of het nu gaat om roken of het tegengaan van gameverslaving.

Voorzitter. Wij bespreken de begroting van het ministerie van Justitie in woelige tijden. Ik wil alle harde werkers die voor onze veiligheid zorgen op deze plek bedanken. Ik trek heel graag op met alle partijen die zich inzetten voor meer blauw op straat, voor bemande politiebureaus en voor het wegwerken van de tekorten bij de DJI. Mijn vraag aan het kabinet is: investeert het ook in het Openbaar Ministerie? We hebben namelijk een WGO Politie gehad. Daar was vanzelfsprekend zeer veel aandacht voor. Maar de strafrechtketen is zo sterk als de zwakste schakel. Wordt de 80 miljoen voor de ICT geleverd?

Weerbaarheid vraagt ook om een sterke samenleving. Die samenleving wordt helaas actief ondermijnd. Op veel plaatsen worden drugs sneller geleverd dan een pizza. Laten we eerlijk zijn: Nederland heeft een gigantisch probleem. Hoe kan het dan dat de daarvoor gereserveerde middelen al jarenlang niet worden uitgegeven? Wat gaat er mis?

Wat wel goed lijkt te gaan, is de aanpak van drugsmokkel via de grote zeehavens. Sterker, waar we voor waarschuwden, gebeurt: de smokkel gaat nu naar de kleine zeehavens. Mijn breed gesteunde motie is onvoldoende uitgevoerd. Havens als Scheveningen, Vlissingen, Eemsdelta en Harlingen moeten zich gesteund weten en niet met een achterstand staan. Daarom hebben we dit amendement, want de kleine haven mag nooit een vrijhaven voor de drugsmaffia zijn.

Voorzitter. Zonder vraag geen aanbod. De criminelen zijn het probleem, maar zonder drugsgebruikers geen drugscriminelen, drugsondermijning en drugsliquidaties. Onze motie om een landelijke campagne te starten, naar Rotterdams voorbeeld, had juist als doel dat gebruikers zich dat gaan realiseren. Als jij snuift of slikt op de Zuidas of in een studentenhuis, heeft dat grote gevolgen elders, tot aan een boer die bezorgd is welke onbekende bezoeker op zijn erf komt. Is de minister bereid deze campagne te herhalen? Maak namelijk niet normaal wat niet normaal is. Cannabis is superverslavend en slecht voor je gezondheid. Het leidt bij mensen met aanleg ervoor zelfs tot psychoses en schizofrenie. Kort en goed, je bent dom bezig als je het vrijwillig inhaleert. Terwijl de overheid aan alle kanten druk is om een rookvrije samenleving tot stand te brengen, subsidiëren we tegelijkertijd coffeeshops. Hoe rijmt de minister dat? Is hij het met me eens dat we zouden moeten stoppen met het heilloze wietexperiment? Ik heb een amendement om hem te helpen. Dan kan hij tegelijk een tandje erbij doen wat betreft de campagne voor minder drugsgebruik. Wil de minister werk maken van een wietvrije generatie, zoals het kabinet ook tot doel heeft om werk te maken van een tabaksvrije generatie?

Ten slotte wil ik het volgende zeggen. Sinds 2023 bestaan de uitstaptrajecten voor prostituees via de DUUP: 6 miljoen aan rijkssubsidie om prostituees te helpen uitstappen. Dat is hard nodig, want in de prostitutie zijn er veel te veel vrouwen die getraumatiseerd raken of zelfs gedwongen werkzaam zijn. Wat is het belangrijk, en belangrijk gebleken, dat er een uitstapprogramma is. Middelen worden echter door sommige gemeenten niet voor uitstap gebruikt, maar soms zelfs voor programma's die bijdragen aan instap. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Is de minister bereid daar snel een einde aan te maken?

Waarom is de motie-Ceder, over het naar de Kamer sturen van de Wet regulering sekswerk, niet uitgevoerd en is er alweer anderhalf jaar vertraging? Er zijn zo veel misstanden, dus dan is het toch tijd om orde op zaken te stellen? Wat is de ambitie van deze minister in de periode dat hij hier zit? En het allerbelangrijkst: hoe gaan we ervoor zorgen dat de komende begrotingsbehandeling in september — dat is al vrij snel — tot een ander resultaat leidt voor al deze uitgebuite vrouwen?

Voorzitter. Recht boven macht. Wat mij betreft breken we de macht van criminelen die mensen uitbuiten in de prostitutie. Wat betreft de drugsverslaving, die we overal in ons land zien, gaan we voor recht. Wat mij betreft gaan we voor recht wat betreft de goksector, die ook telkens opnieuw binnen weet te komen en de boel verstiert, zodat duizenden jongeren verslaafd raken. Recht boven macht: dat is de inzet van de ChristenUnie bij deze begroting.

Ik dank u alvast voor uw reactie en ik zie uit naar alle positieve appreciaties.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bikker. Het woord is aan mevrouw Dobbe voor haar inbreng in de eerste termijn namens de fractie van de SP. Ga uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel, voorzitter. Het is allereerst een eer om deze portefeuille over te mogen nemen van Michiel van Nispen, die hier zo lang zo goed werk heeft gedaan. Hij heeft de afgelopen jaren duidelijk gemaakt dat de toegang tot het recht een groot goed is. Als mensen namelijk hun recht niet kunnen halen, dan blijft onrecht bestaan. Daarom moet de sociale advocatuur voldoende middelen hebben om het werk te kunnen blijven doen. Het is dus goed dat er vanaf dit jaar structureel 30 miljoen extra bij komt, maar dat is te weinig. De kantoortoeslag, waarover het hier eerder is gegaan, is nodig om de kantoorkosten te dekken waarmee sociaal advocaten een jongere generatie kunnen opleiden. Niet alleen de commissie-Van der Meer II, maar ook de Nederlandse orde van advocaten geeft aan dat dit cruciaal is om sociale advocatuur een toekomst te geven. De SP heeft hier eerder aandacht voor gevraagd en wil de staatssecretaris weer vragen om hier niet van weg te kijken, maar dit te regelen. Graag een reactie. Ook zijn we benieuwd hoe het staat met het uitvoeren van de motie over een landelijk dekkend netwerk van sociaal-juridische dienstverlening.

Wij willen vandaag speciaal aandacht vragen voor de toegang tot het recht voor vrouwen. Het recht voor mannen en vrouwen is gelijk, maar de toegang tot het recht is dat niet altijd. Er zijn een aantal vrouwenrechtswinkels in Nederland, die met succes werken, als een laagdrempelige plek waar vrouwen juridische hulp en advies kunnen krijgen. Dat is hard nodig, omdat vrouwen vaak in specifiek kwetsbare situaties zitten of specifieke hulpvragen hebben. Denk aan de werkvloer, waar ze minder salaris krijgen voor hetzelfde werk of te maken krijgen met zwangerschapsdiscriminatie of denk aan een relatie waarin ze financieel afhankelijk zijn van hun man of slachtoffer zijn van seksuele intimidatie of geweld. In de recente brief Toegang tot het recht is hier geen aandacht voor, terwijl dat wel effectief en nodig is. Vrouwenrechtswinkels zijn nu niet structureel geborgd in het beleid rondom toegang tot het recht en daarom is de financiering en daarmee de continuïteit wankel. We willen dat dit onderwerp een vast onderdeel wordt van beleid rondom toegang tot het recht en dat het structureel wordt geborgd. Graag een reactie.

Voorzitter. Dan de gevangenissen. We vragen al langer om een oplossing voor de hoge werkdruk en de tekorten aan gevangenispersoneel. Gevangenispersoneel staakt voor een beter salaris, en dat is terecht. Wij staan ook achter hen. Het personeel staat al jaren onder druk, maar dit kabinet besluit het gevangenispersoneel doodleuk op de nullijn te zetten. Zelfs een inflatiecorrectie is er niet bij. Het personeel gaat er de facto dus op achteruit. Een grotere middelvinger kun je deze mensen niet geven. We steunen het personeel volledig en willen het gevangenispersoneel van de nullijn af hebben. Gaat de staatssecretaris zich hiervoor inzetten?

Tot slot, want ik heb maar weinig tijd. Twee weken geleden was ik op bezoek bij de vrouwengevangenis in Nieuwersluis. Natuurlijk was het een indrukwekkend bezoek, met bevlogen medewerkers. Voor één ding wil ik echter wel aandacht vragen. Tijdens dat bezoek werd namelijk duidelijk dat het niet altijd lukt om bezoekuren af te stemmen op schoolgaande kinderen. Als kinderen naar school gaan, kunnen ze soms niet op bezoek bij hun moeder. Dat de moeder wordt gestraft, betekent wat ons betreft niet dat de kinderen ook moeten worden gestraft. Is de staatssecretaris bereid om hiernaar te kijken en zich ervoor in te zetten dat bezoekuren en -dagen zo zijn ingericht dat kinderen wel hun ouders kunnen blijven zien?

Tot slot, voorzitter. Ik sluit me volledig aan bij de vragen die mevrouw Bikker heeft gesteld over de invloed van de goklobby.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Collega Abdi heeft volgens mij een voorstel voor een aparte cao voor DJI. Ik hoor collega Dobbe zeggen dat de nullijn problematisch is. Heeft zij een voorkeur voor een van de twee?

Mevrouw Dobbe (SP):

Dat vind ik een interessante vraag. Ik laat het ook afhangen van wat de vakbonden zelf vinden, want die gaan natuurlijk over de cao's in die zin, samen met de werkgever. In dit geval hebben wij er zelf ook een grote rol in. Als het gevangenispersoneel er zelf een aparte cao van zou willen maken — dat is ongeveer wat in het voorstel wordt voorgesteld — dan zouden wij dat kunnen steunen, maar het is ons nog niet helemaal duidelijk of dat ook zo is. Of is dat niet de vraag?

De heer Ellian (VVD):

Ik heb dezelfde worsteling, want mijn zorg is dat het loon van het hardwerkende gevangenispersoneel, dat we zo hard nodig hebben, uit de pas gaat lopen met vergelijkbare beroepen. Ik zoek zelf ook naar het antwoord op de vraag of zo'n aparte cao hen zou helpen of dat we het toch meer moeten zoeken in de nullijn. Ik heb dus dezelfde zoektocht als mevrouw Dobbe. Vandaar de vraag.

Mevrouw Dobbe (SP):

Eigenlijk is het een zoektocht die we niet zouden moeten hebben en zouden wij als Kamer onze verantwoordelijkheid moeten nemen door te zeggen dat de nullijn van tafel gaat. Ik denk dat dit hier de oplossing is, dat wij hier met z'n allen zeggen dat de mensen die hier cruciale beroepen uitoefenen, zoals ons gevangenispersoneel, maar ook de schoonmakers en alle mensen die elke dag onder deze cao werken, gewoon een loonsverhoging verdienen en het niet verdienen om er in loon op achteruit te gaan. Volgens mij is dat de oplossing die we moeten zoeken en zijn het ook onze gevangenismedewerkers. Dan zijn dit soort voorstellen hopelijk ook niet meer nodig.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Dobbe. Het woord is aan de heer Struijs voor zijn inbreng namens 50PLUS in eerste termijn. Gaat uw gang.

De heer Struijs (50PLUS):

Dank u, voorzitter. De rechtsstaat staat onder water. 50PLUS mag ook voor het eerst in dit gremium spreken. Ik heb eerder al over de politie gesproken. Maar het is echt zwaar weer, om die metafoor maar even te gebruiken.

Ik begin toch eventjes met femicide. U weet dat ik 30 jaar bij de recherche heb gewerkt. Ik heb te veel plaatsen delict mogen bezoeken waar sprake was van femicide. Het heeft van de jaren tachtig tot en met de jaren negentig geduurd voordat wij na ernstige meldingen achter de voordeur mochten komen om vroegtijdig in te grijpen bij femicide of huiselijk geweld. Dus daarom vertel ik dit ook. Alle goede voorstellen rondom huiselijk geweld en femicide ondersteun ik, maar laten we alsjeblieft de snelheid erin houden, want we hebben elke dag, elke week, elk jaar slachtoffers. Daarbij doe ik het klemmende verzoek om ouderenmishandeling mee te nemen in de beleidscyclus. Ik kom daarop terug in een motie.

Ik ga nu even een paar andere dieptepunten met u doornemen. Het gevangeniswezen. Er is veel over gezegd. O, ik heb een interruptie.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik vind het heel mooi dat de heer Struijs over femicide begint. Ik zou hem willen vragen om juist vanuit zijn ervaring op de werkvloer met ons te delen waar de politie tegenaan loopt. Ik heb het gehad over de ontbrekende bevoegdheid om zo'n online contactverbod te handhaven. We hebben het ook over de wet voor gegevensvergaring door de politie, gewoon uit openbare bronnen. Mevrouw Teunissen heeft hier gezegd dat zij daar ontzettend tegen is.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Even vanaf de werkvloer gezien: wat vindt meneer Struijs nou nodig om femicide nog effectiever aan te pakken?

De heer Struijs (50PLUS):

Laat ik beginnen met alle rode vlaggen uit het onderzoek van mevrouw Janssen. Zorg dat je bij elke rode vlag mag ingrijpen. Dat is een hele basale opmerking, maar die sluit weer aan bij online interventies. Je moet eerder kunnen komen met allerlei vormen van verboden. Een andere is de omloopsnelheid van de voorstellen die hier geapprecieerd of aangenomen worden. Breng die zo snel mogelijk naar de praktijk. Er zit een beleidscyclus aan vast waar zelfs ik van schrik nu ik hier zit. Eigenlijk — en dat meen ik oprecht — kom ik van de mensen in de Kamer geen slechte voorstellen tegen, maar een dringend beroep vanuit de politiepraktijk is: mogen we alsjeblieft zo snel mogelijk al die beleidsvoornemens en de bevoegdheden die erbij komen, zeker ook op het digitale domein, invoeren en dan gelijk tot handhaving overgaan? Dat geldt zeker voor de bestuurlijke mogelijkheden, want die zijn er ook. Ik wil ook echt graag nog een ander element meenemen, namelijk het kennisniveau van de burgemeesters op dit niveau. Soms zijn er mogelijkheden, maar soms komen ze ook burgemeesters tegen die het gewoon oprecht niet weten. Het vraagt dan veel overtuigingskracht van het OM dan wel van de politie.

Dan wil ik het hebben over het gevangeniswezen. De hogeschool voor criminaliteit heeft toegeslagen. De onderbezetting is zo groot dat er in thans lopende onderzoeken enorm vaak sprake is van de voortzetting van criminele activiteiten. Ze gaan dus gewoon door met de drugshandel, om het maar eventjes heel populair te zeggen. De baas van de DJI, de heer Saris, gaf aan dat er 350 miljoen euro nodig is om bestaande gevangenissen operationeel te houden. Daarnaast is er volgens hem nog eens 550 miljoen extra nodig voor de uitbreiding van cellen en forensische plaatsen. Dat is even schrikken. Ik snap dat we allemaal verlangend naar vrijdag zitten te kijken, maar we moeten redden wat er te redden valt. Wat is er wel mogelijk, vraag ik aan de minister. Wat is er op korte termijn mogelijk? Het is namelijk wel eventjes code zwart. Code zwart betekent niet niks. Waar ik vandaan kom, is dat een rode knop waardoor je in actie komt. Je moet doen wat je kan doen. Mijn vraag is een beetje basaal. Ik wil echt van de minister horen wat hij in die korte tijd wél kan doen, zodat gevangenissen, en met name ook het personeel, hun werk enigszins acceptabel kunnen uitvoeren.

Dan wil ik toch ook even een persoonlijke anekdote delen. Ik kwam afgelopen weekend in Rotterdam een bekende crimineel tegen, die een enkelband droeg. Ik heb niks tegen enkelbanden, maar deze meneer verdient geen enkelband; hij verdient een gevangenisstraf. Hij vond het nodig om z'n duim omhoog te steken. Ik wist wat dat betekende. Hij was namelijk voor een ernstig geweldsdelict veroordeeld. Ik heb de heer Saris de uitspraak horen doen dat de enkelband wat hem betreft ook een hoofdstraf mag zijn. Hoe staat de minister daartegenover? Wij staan daar niet positief tegenover.

Voorts ga ik door naar de zorgfraude.

De voorzitter:

Maar niet voordat u een interruptie heeft gehad van de heer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Anekdotes van de heer Struijs zijn natuurlijk altijd geweldig om te horen. Ik heb een korte vraag. Vindt de heer Struijs het gepast dat een directeur-generaal een uitspraak doet over een politieke discussie zoals de enkelband?

De heer Struijs (50PLUS):

Dat laat ik aan de minister. Ik vind het gepast, omdat het wel het maatschappelijk debat op gang brengt. Dat is hard nodig. Ik schat in dat deze heer, die ik heel deskundig vind, het maatschappelijk debat op scherp wil zetten. Dat apprecieer ik. Maar ik herhaal dat ik de uitspraak dat de enkelband een hoofdstraf mag zijn in no way, of onder geen beding, apprecieer. Ik wilde "no way" zeggen. Sorry voor het Engels.

Dan ga ik door naar de zorgfraude. De zorgfraude neemt enorm toe. Sinds wij ons erin aan het verdiepen zijn, krijg ik zó veel signalen uit de praktijk. Er is een conservatieve schatting van 10 miljard per jaar vanuit het OM. Ik wil, voordat we nu weer naar vrijdag verwijzen, dat we op voorhand wat gaan doen. Er moet veel meer gebeuren. Ja, we moeten investeren in rechercheurs en zo. We gaan dat allemaal steunen. Maar die 10 miljard is wel erg veel. Sommige mensen vanuit de fiscaliteit en het ministerie zeggen nu dat een multidisciplinair klein team, geen strafrechtelijk team, wellicht al heel snel met voorstellen kan komen om die 10 miljard te verminderen en eventueel geld terug te halen. Kortom, wij werken aan een multidisciplinair team dat grote slagen kan maken. Pientere pookjes, zal ik ze maar even noemen. Daar zijn we echt mee in een vergaande verkenning. Hoe staat de minister ertegenover om dit soort onorthodoxe dingen ook te gaan proberen?

Voorts ga ik over op corruptie. Ik heb dat in het politiedebat al licht aangehaald. Ik ben enorm geschrokken door wat ik hoorde in de gesprekken met rechercheurs, infiltratieteams en het OM over de toename van corruptie in Nederland. Laat ik mij volledig aansluiten bij mevrouw Bikker. Ik wil ook nog even een tussenvraag stellen. Sinds ik er ben, hebben wij alle stukken opgevraagd die rondom online gokken richting de Kamer zijn gegaan, met alle antwoorden. Bij ons stond dat op zwart. Had dat te maken met de vraag die 50PLUS ging stellen, of is dat toeval? De vraag is vier dagen geleden gesteld. Alles stond op nul. Ik begrijp dat het nu verbeterd wordt. Wij krijgen die stukken in ieder geval wel. Maar ik schrok er wel van dat die niet openbaar waren. Wie heeft dat nu besloten?

Ik ga door met corruptie. Wij hebben daar echt zorgwekkende signalen over gekregen. Dit ondermijnt echt het vertrouwen in bestuur. Het gebeurt ook in gemeenten. Corrupte mensen zijn meester in sluwheid; dat weet ik als geen ander door mijn ervaring met de bestrijding daarvan. Elementen van bedreiging en geweld als verdienmodel zijn aan het toenemen wat corruptie betreft. Hier hebben gemeenten heel veel last van, maar ook gewone valide bedrijven worden steeds vaker op zo'n manier in posities gebracht die ze niet wenselijk vinden. Wat zeggen het OM, de politie, de FIOD en alle andere mensen van de Rijksrecherche tegen mij? "Sorry Jan, we hebben meer meldingen dan we aankunnen en het is alleen maar aan het toenemen." We zien dat ook in allerlei indexen. We glijden dus langzaam maar zeker af met z'n allen.

We krijgen ook steeds meer meldingen van gemeenten waaruit blijkt dat een ambtenaar onrechtmatig persoonlijke gegevens van burgers opzoekt. Daar worden strafrechtelijke onderzoeken naar gedaan. Ik mag de registers van de CID-rapporten — ik moet tegenwoordig TCI zeggen — niet inzien, maar ik mag wel met ambtenaren spreken. Er schijnen daar toch heel wat meldingen van te liggen. Dat baart mij zorgen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Een oud boek zegt al: geld is de wortel van alle kwaad. Ik denk dat dat geldt voor corruptie. Daarbij zien we voluit dat de macht van het geld een betoverende werking heeft op mensen. Ik dank de heer Struijs. Vanuit zijn uitgebreide ervaring legt hij bloot waar het misgaat op dit moment. Mijn vraag aan hem is: wat kunnen we er nou aan doen? Mijn beeld is dat we de strafrechtketen te lang verwaarloosd hebben en hebben laten vermageren, in plaats van hem op tijd te versterken. Is dat ook zijn inschatting? Wat verwacht hij van het kabinet, ook bij de beantwoording morgen?

De heer Struijs (50PLUS):

Ja, we hebben het verwaarloosd. Even een klein uitstapje. Ik ben hoofd interne zaken geweest en ik heb al in de jaren negentig landelijk onderzoek naar corruptie mogen doen. Ik heb dat altijd gevolgd. Ja, we hebben dit stelselmatig verwaarloosd. Maar ik benoem ook de actualiteit daarin, want naast de verleiding van geld, zie ik het geweld toenemen. Het is recent nog gebeurd: een ambtenaar wordt even subtiel gezegd dat ze weten waar zijn kinderen naar school gaan en hun voornamen worden genoemd. Die ambtenaar heeft daar lang over gezwegen en heeft dit nu via een heel moeilijke weg toch maar ter sprake gebracht. Dit zijn de voorbeelden waar we mee te maken hebben. Vanwege die verslonzing moeten we alle registers opentrekken om die informatie te krijgen, om het geweld en de verleidingen eruit te slopen. Er is dus gewoon goed preventiebeleid nodig. Maar jeetje, wat hebben we dit met z'n allen laten verslonzen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik kan mij eigenlijk voorstellen dat twee dingen belangrijk zijn voor de komende jaren. Het ene is dat we heel goed weten welke basis de strafrechtketen nodig heeft om ogen en oren op de goede plekken in de samenleving te hebben, in plaats van dat we alleen maar houtje-touwtje de laatste gaten dichten, of het nou gaat om de DJI of de politiekracht op straat. Het tweede wat ik me goed kan voorstellen — dat gaat over dat "geld is de wortel van alle kwaad" — is dat we veel beter moeten samenwerken, zodat de FIOD, de Belastingdienst en ons ministerie van Financiën zich verantwoordelijk weten in een deltaplan tegen de aanpak van al die criminaliteit.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Hoe kijkt de heer Struijs naar die ideeën?

De heer Struijs (50PLUS):

Eens met het deltaplan. Mijn volgende stukje gaat ook over die samenwerking tussen de Rijksrecherche, de FIOD, het OM et cetera. Eens.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik vind het heel mooi dat de heer Struijs dit onderwerp aanhaalt. Dat kwam heel prominent bij ons op de agenda door ondermijning. Dat zijn grote holdings die allerlei bedrijfjes hebben, die zij nodig hebben om mensen om te kopen, of er in ieder geval voor te zorgen dat ze bijdragen en corrupt zijn. Nu is deze minister van JenV gevraagd om dat rijksbreed aan te sturen, want officieel vallen ambtenaren van een gemeente onder BZK. Is ook meneer Struijs van mening dat het een taak is van de minister van JenV om toe te zien op stevig rijksbreed beleid voor het tegengaan van corruptie en dat dat niet puur en alleen aan de vakdepartementen kan worden overgelaten?

De heer Struijs (50PLUS):

Het antwoord is vanuit mijn hart en mijn verstand ja. Dit is het enige verlangen dat ik heb na vrijdag. Laten we dit gaan doen, met die rijksbrede aanpak.

De voorzitter:

U vervolgt.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik heb even teruggekeken naar de aanpak van corruptie. Het kabinet had het voornemen om extra te gaan investeren in de Rijksrecherche, de FIOD, het Openbaar Ministerie, de rechtspraak en de rijksbrede aanpak. Ik en mijn staf hebben er misschien overheen gelezen, maar ik zie er te weinig van terug in de begroting. Wat gaat hiermee gebeuren, minister? Wat kunnen we op korte termijn nog van u verwachten?

Dan naar het OM. We weten inmiddels dat het OM kampt met enorme ICT-problemen. In een brandbrief schreeuwen 3.000 OM'ers moord en brand naar hun eigen leiding. Niet alleen de kwaliteit van het OM-werk komt daarmee onder druk, maar ook rechtstreeks de veiligheid van burgers. Het zit in de koppelingen naar de politie en de rechterlijke macht, die te lang duren. Dit raakt onze rechtsstaat. De bezuinigingen op ICT gaan ernstige vormen aannemen. Hierdoor lopen mensen heel lang vrij rond. Hierdoor is alles aan het ontwrichten. Zo ernstig is het. Ik heb het voor het eerst meegemaakt: 3.000 OM-mensen die in opstand kwamen. Ze vroegen zelfs aan mij hoe ze een vakbond moesten oprichten. Dan heb je wel even een probleem te pakken, en dat allemaal vanwege die ICT. Het loopt helemaal vast. Er verdwijnen ook regelmatig gegevens. Dit is zeer ernstig. Wij gaan er dus alles aan doen om de bezuinigingen op korte en lange termijn stop te zetten, maar het moet ook beter en slimmer. Wat rest de minister nog in de dagen die hij heeft? Wat gaat hij hier nog aan doen op korte termijn? Hoe kijkt hij naar de lange termijn? Wat gaat hij doen aan de ICT-problemen, die ons allemaal raken, van burger tot politie, maar met name het OM?

Ik wil het hierbij laten. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Struijs.

Ik sluit de eerste termijn van de zijde van de Kamer in deze begrotingsbehandeling af met een bijzonder moment: de maidenspeech van mevrouw Schilder. Ik wijs de leden er andermaal op dat interrupties daarbij eigenlijk niet gebruikelijk zijn. Ik geef het woord aan mevrouw Schilder, als zij zover is.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank u voor het woord. Drie maanden geleden woonde ik op Curaçao. Ik had een leuke baan met superlieve collega's, zon, zee, strand; eigenlijk alle ingrediënten waarvan iedereen zou denken: waarom ga je dan weg? Dat was ook niet mijn plan. En helemaal niet van mijn vriendin, die daar achter in de zaal zit. Maar ja, ik zag Nederland wegzakken. Zo hebben we te maken met een gecreëerd stikstofprobleem waardoor nauwelijks meer huizen gebouwd kunnen worden, terwijl de grenzen wagenwijd openstaan en de druk dus toeneemt. Klagen over de politiek en de ingeslagen weg is makkelijk langs de zijlijn. Ik ben zo opgevoed dat je je verantwoordelijkheid neemt en zelf handelt. Daarom stapte ik eind oktober in het vliegtuig om iets te doen voor ons land.

Voorzitter, ik kan u zeggen dat niet alleen het temperatuurverschil heftig was. Wat ook heftig te noemen is, is de verharding in onze samenleving. Wie vandaag door Nederland loopt, ziet een land waarin grenzen zijn vervaagd. Ik heb het dan niet alleen over de landsgrenzen, maar ook over de morele en juridische grenzen. Het geweld op straat wordt steeds heftiger. We gebruiken hier in de Kamer sterke krachttermen om dit gedrag te veroordelen. Dat is goed, maar burgers hebben niet alleen woorden nodig; ze verwachten ook daden. Het Wetboek van Strafrecht biedt genoeg mogelijkheden om criminelen hard te straffen. We hebben forse strafmaxima, maar in de praktijk hebben die weinig tot geen betekenis. Ik wil de minister vragen: hoe vaak wordt nou daadwerkelijk een maximumstraf opgelegd; hoe vaak is dat nou het afgelopen jaar gebeurd? De beantwoording van de feitelijke vragen van 19 november jongstleden schetst een schrikbarend beeld. Neem bijvoorbeeld openlijke geweldpleging. Hierop staat een maximumgevangenisstraf van vier jaar en zes maanden. Dat is ruim 1.640 dagen. In de afgelopen vijf jaar is deze maximumstraf nooit opgelegd. Nul keer! Sterker nog, uit de beantwoording blijkt dat in 2024 de gemiddelde opgelegde gevangenisstraf slechts 65 dagen bedroeg. Twee maandjes gevangenisstraf is 4% van het wettelijke strafmaximum. Is de minister net als ik geschokt door deze cijfers? Deelt de minister de opvatting dat geweldpleging, en zeker groepsgeweld zoals rond de wedstrijd Marokko-Senegal, volstrekt onacceptabel is, en dat dit soort geweld alleen maar gestopt kan worden met een keiharde aanpak en fors zwaardere straffen? Graag een reactie.

De strafvorderingsrichtlijnen zijn structureel laag, de strafeisen blijven daar vervolgens nog eens onder en rechterlijke uitspraken laten slachtoffers verbijsterd achter. Het systeem is vooral gericht op het welbehagen van de dader, en heeft daardoor zijn normerende werking verloren. Dit is een zorgwekkende ontwikkeling. Het strafrecht vervult niet alleen een juridische, maar ook een maatschappelijke functie: vergelding en afschrikking, én genoegdoening aan de slachtoffers. Wanneer de Staat faalt in rechtvaardige bestraffing, ontstaat ruimte voor woede en wantrouwen in de Staat. En dat is wat we nu steeds vaker zien: woede die omslaat in eigenrichting en geweld. Hoe denkt de minister deze gezagscrisis te herstellen? Is hij bereid om met het OM in gesprek te gaan over het verhogen van de strafvorderingsrichtlijnen?

Die gezagscrisis zien we nu het scherpst bij geweld tegen hulpverleners. Onze hulpverleners zetten zich met hart en ziel in voor de maatschappij. Toch zien we dat het geweld tegen hen steeds extremer wordt. We spreken erover in debat na debat, maar ergens laten we het ook gebeuren. Want waarom houden wij vast aan het opportuniteitsbeginsel, terwijl het Openbaar Ministerie daardoor kan besluiten om niet te vervolgen, of slechts heel beperkt? Wat zegt de minister tegen de hulpverlener die zijn leven riskeert, maar ziet dat de dader wegkomt met een taakstrafje, terwijl de Kamer 200% strafverhoging eist? Ik wil van de minister horen welke concrete ideeën hij heeft om het systeem te veranderen. En ik begrijp dat hij demissionair is, maar dat is de samenleving niet. Groep Markuszower kan de minister helpen aan een visie. Zo zijn wij. Wij komen met oplossingen. Een voorbeeld is het invoeren van hoge minimumstraffen. Want hoe kan het dat minimumstraffen nog steeds een taboe zijn in Nederland, terwijl zij juist duidelijkheid en rechtszekerheid bieden, vooral ook aan de slachtoffers?

Dan de georganiseerde criminaliteit. In Nederland is al lang geen sprake meer van een onderwereld. De georganiseerde misdaad opereert openlijk in onze samenleving. Drugs worden online aangeboden en via pakketdiensten thuisbezorgd alsof het om reguliere producten gaat. Dat onderstreept hoe diep deze criminaliteit is doorgedrongen in onze economie en in ons dagelijks leven. Wat heeft de minister nodig om deze vorm van georganiseerde criminaliteit daadwerkelijk terug te dringen?

Tot slot, voorzitter, over het tbs- en gevangeniswezen. Het tbs-systeem laat pijnlijk zien wat er gebeurt als een systeem vastloopt. Honderden mensen wachten op behandeling, terwijl ze ondertussen een plek in onze gevangenissen bezet houden. In 2024 betaalde de Staat ruim €350.000 aan schadevergoedingen aan veroordeelde criminelen die niet op tijd in een tbs-kliniek terecht konden. Dit was omdat de Staat zijn eigen capaciteit niet op orde heeft. Dit is voor niemand uit te leggen. Hetzelfde geldt voor de gevangeniscapaciteit. De problemen zijn zo groot dat er nú gehandeld moet worden. We hebben daarom ook een amendement ingediend, maar geld is natuurlijk niet de enige oplossing. We moeten realistisch gaan kijken naar het gevangeniswezen.

Voorzitter. Mijn ouders hebben ooit besloten dat ze een groot gezin wilden. Ik heb dan ook acht zussen en een broer. Dat had tot gevolg dat wij altijd een slaapkamer moesten delen. Vaak was dat best gezellig, maar soms sloegen we elkaar nog net niet de hersenen in. We wilden natuurlijk best een eigen slaapkamer, maar er was geen plek. Nu wil ik mijn thuissituatie van vroeger natuurlijk niet vergelijken met een gevangenis, maar er is wel een overeenkomst: ook in de gevangenis is geen plek. Meerpersoonscellen zijn dan ook geen ideologische keuze, maar een praktische oplossing voor het capaciteitsprobleem.

Kan de staatssecretaris aangeven of nog altijd ongeveer 70% van de cellen wordt gebruikt als eenpersoonscel? Is het nog steeds beleid dat gedetineerden zelf mogen aangeven of ze hun cel willen delen en dat er bij plaatsing rekening wordt gehouden met dingen als roken of niet-roken en eetgewoonten? Deelt de staatssecretaris de opvatting dat dit geen te verdedigen privileges zijn voor mensen die een straf uitzitten? Is de staatssecretaris bereid om, waar dit veilig en verantwoord kan, eindelijk meerpersoonscellen écht de norm te maken, in plaats van criminelen eerder de straat op te sturen? Laten we nu eens het slachtoffer op de eerste plek zetten, in plaats van het welbehagen van de criminelen.

Voorzitter. Vandaag gaat het om een keuze. Het gezag staat onder druk en burgers voelen dat iedere dag. Ze willen geen woorden van ons, maar daden. De overheid moet door handelen laten zien aan welke kant zij staat: niet aan die van de dader, maar aan de kant van het slachtoffer en de samenleving.

Dank u wel.

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Schilder. Het is zeer te waarderen dat u het mooie, warme Caribische deel van het Koninkrijk heeft verlaten om u hier in het Europese deel in te zetten voor de democratie. Ik schors voor felicitaties.

De voorzitter:

Daarmee is er ook een einde gekomen aan de eerste termijn van deze begrotingsbehandeling. De voortzetting zal morgen plaatsvinden. De vergadering is tot 15.45 uur geschorst.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Dames en heren, we gaan beginnen met het tweeminutendebat Postennet. Welkom aan de minister, welkom aan de Kamerleden. De eerste spreker op de lijst is mevrouw Piri van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag lopen de debatten een beetje door elkaar. We hebben zowel de begroting Buitenlandse Zaken, waar we gisteren mee begonnen zijn, als nog een aantal tweeminutendebatten. Gisteren heb ik bij de begroting een aantal dingen gezegd over het postennet. Vandaar deze motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bezuinigingen op de Nederlandse diplomatieke slagkracht ten tijde van een geopolitieke waterscheiding ongelofelijk onverantwoordelijk zijn;

verzoekt het kabinet met klem om de uitvoering van de taakstelling voor het postennet onmiddellijk op te schorten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Piri en Ceder.

Zij krijgt nr. 57 (32734).

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Piri was de enige spreker in dit tweeminutendebat. De minister gaat meteen reageren.

Termijn antwoord

Minister Van Weel:

Dank, voorzitter. Het is een debat dat niet met mij, maar met mijn voorganger is gevoerd, maar we komen hier straks, bij de begrotingsbehandeling, ook nog wel over te spreken. De motie in haar huidige vorm moet ik ontraden, omdat de taakstelling voor het postennet onderdeel vormt van de bredere taakstelling zoals die door het huidige kabinet-Schoof is ingebracht. Ik kan daar nu niet een stukje van opschorten, want dan loopt het niet meer rond en kloppen de tabellen niet meer. Ik ga ook geen andere keuzes maken. De keuzes die gemaakt zijn, zijn zo verantwoord mogelijk gemaakt op basis van de taakstelling. Het is echt aan een nieuw kabinet om daar een andere afweging in te maken. Dat duurt niet lang meer, weten we sinds gisteren. Ik moet de motie dus ontraden.

De voorzitter:

Dank u wel. De motie op stuk nr. 57 is ontraden. Die is nog niet rondgedeeld, maar dat gaat zo meteen gebeuren. Daarmee is dit tweeminutendebat klaar.

De voorzitter:

Dan gaan we door met het volgende tweeminutendebat.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Aan de orde is het tweeminutendebat EU-actieplannen Israël en Palestijnse gebieden. Er zijn iets meer sprekers dan bij het vorige tweeminutendebat. De eerste spreker is mevrouw Piri van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Laat ik eerst mijn langste motie voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de EU nog steeds zo'n vijftien keer meer goederen importeert uit illegale nederzettingen in de bezette Palestijnse gebieden dan van Palestijnse ondernemers;

constaterende dat er duidelijke uitspraken liggen van het Internationaal Gerechtshof over het stoppen van investeringen in en handel met illegale nederzettingen;

constaterende dat de Israëlische regering op grote schaal doorgaat met de verdere annexatie van Palestijns grondgebied en de bouw van illegale nederzettingen;

verzoekt het kabinet om vaart te zetten achter de nationale wetgeving om investeringen in en handel met illegale nederzettingen te verbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Piri.

Zij krijgt nr. 619 (23432).

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dan mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Israëlische autoriteiten nog steeds geen toegang tot Gaza verlenen aan internationale organisaties zoals Artsen zonder Grenzen, noch aan buitenlandse journalisten;

verzoekt het kabinet om in EU-verband het opschorten van het handelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord opnieuw te agenderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Piri.

Zij krijgt nr. 620 (23432).

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er serieuze kritiek is op het voorgestelde mandaat, de besluitvormingsstructuur en de samenstelling van Trumps Board of Peace;

overwegende dat het VN-Handvest leidend is;

verzoekt de regering om niet toe te treden tot de Board of Peace,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Piri en Van der Werf.

Zij krijgt nr. 621 (23432).

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Baarle van DENK.

De heer Van Baarle (DENK):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt het kabinet de volledige regering-Netanyahu tot persona non grata te verklaren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 622 (23432).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Unie financiële steun aan de Palestijnse Autoriteit koppelt aan bestuurlijke en financiële hervormingen;

constaterende dat de uitvoering van deze hervormingen praktisch wordt ondermijnd door maatregelen van lsraël, waaronder het inhouden van Palestijnse belasting- en douanetegoeden, verregaande beperkingen op de bewegingsvrijheid van personen en goederen, en vernietiging en beschadiging van civiele en bestuurlijke infrastructuur;

verzoekt de regering zich er in de EU voor in te zetten dat de druk op Israël wordt opgevoerd om maatregelen die hervormingen en bestuur door de Palestijnse Autoriteit ondermijnen, waaronder het inhouden van tegoeden, het vernietigen van infrastructuur en het beperken van de bewegingsvrijheid, te beëindigen, en tevens in de EU inzet te plegen om ervoor te zorgen dat de Palestijnse Autoriteit niet wordt afgerekend op het uitblijven van hervormingen voor zover deze aantoonbaar worden ondermijnd door Israëlische maatregelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 623 (23432).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat uit het door de Europese Unie uitgevoerde onderzoek naar de naleving van artikel 2 van het EU-Israël-associatieakkoord blijkt dat er aanwijzingen zijn dat Israël handelt in strijd met zijn mensenrechtenverplichtingen, waaronder in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever;

overwegende dat de regering om die reden de verlenging van het EU-Israël-actieplan blokkeert;

verzoekt de regering de reeds ingenomen positie ten aanzien van het blokkeren van het EU-Israël-actieplan te handhaven, in ieder geval zolang de uitkomsten van EU-onderzoek naar de naleving van artikel 2 van het associatieakkoord daartoe aanleiding blijven geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 624 (23432).

De heer Van Baarle (DENK):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het werk van UNRWA op dit moment ernstig ondermijnd wordt door juridische maatregelen, praktische tegenwerking en zelfs de vernieling van een UNRWA-kantoor;

overwegende dat het EU-programma over Palestijns herstel en veerkracht ook een bijdrage bevat aan UNRWA om de cruciale humanitaire rol op het gebied van dienstverlening te continueren;

verzoekt de regering om in EU-verband operationele bescherming van UNRWA te bepleiten, waaronder veilige en onbelemmerde toegang, bewegingsvrijheid van personeel, steun voor het mandaat en continuering van noodzakelijke financiering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 625 (23432).

De heer Van Baarle (DENK):

Bedankt, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Dobbe van de SP.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Israël doorgaat met de bouw van de zogenaamde E1-nederzettingen, in strijd met internationaal recht en met als duidelijk doel de levensvatbaarheid van de Palestijnse Staat onmogelijk te maken;

verzoekt de regering alle redelijke maatregelen te nemen om Israël te doen stoppen met de aanleg van deze nederzettingen, waaronder in ieder geval het opschorten van het bilaterale belastingverdrag, het opschorten van het EU-associatieakkoord met Israël, een wapenembargo en persoonlijke sancties tegen leden van de Israëlische regering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri en Teunissen.

Zij krijgt nr. 626 (23432).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering zich bilateraal en in Europees verband in te spannen voor de toelating van onafhankelijke waarnemers en journalisten in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri en Teunissen.

Zij krijgt nr. 627 (23432).

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Ceder van de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Vrede tussen Israël en de Palestijnen lijkt sinds 7 oktober 2023 en de oorlog in Gaza verder weg dan ooit. Er is een wankel vredesakkoord onder leiding van de Verenigde Staten, maar echte en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen gaat nooit worden bewerkstelligd door Donald Trump, noch door de Verenigde Staten en zelfs niet door ons hier, door het Nederlandse parlement. Echte vrede en verzoening kunnen enkel plaatsvinden als gewone Israëli's en Palestijnen elkaar in de ogen kunnen aankijken en beseffen: de enige weg voorwaarts is een weg die we samen opgaan. Het kan alleen als men van beide kanten ondanks diepe pijn, woede en wantrouwen weet: samen moeten we door.

Voorzitter. Ik ben de afgelopen jaren in Palestijnse gebieden geweest en ik ben getuige geweest van hele indrukwekkende ontmoetingen van moedige Israëli's en Palestijnen die vanuit deze overtuiging juist werkten aan vrede en verzoening. De afgelopen jaren hebben veel stukgemaakt. De weg naar vrede is ook lang, maar deze vrede kan niet worden bereikt zonder vredesprojecten van onderop. Het zou daarom ook goed zijn als de Nederlandse regering onderdeel is van deze oplossing. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het nu meer dan ooit noodzakelijk is om te investeren in projecten om verzoening en samenwerking tussen Israëli's en Palestijnen te bevorderen;

verzoekt de regering om nog dit jaar het budget voor projecten die samenwerking en verzoening tussen Israëli's en Palestijnen "van onderop" bevorderen met €250.000 te verhogen, door dit bedrag in het Stabiliteitsfonds voor deze projecten te reserveren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 628 (23432).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Stoffer van de SGP. Hij schudt nee. Dan gaan we even vijf minuten schorsen.

De voorzitter:

We gaan verder met het tweeminutendebat. De minister gaat reageren op de ingediende moties. Het woord is aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Van Weel:

Dank, voorzitter. Ook hier weer een debat uit juni, nog gevoerd met mijn voorganger. Desondanks zijn de moties wel geactualiseerd. Erg tijdig dus. Dank voor de inbreng. Ik loop ze zo snel mogelijk langs.

De motie-Piri op stuk nr. 619: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 619 krijgt oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 620 moet ik ontraden. Er ligt geen directe link tussen het associatieakkoord en de overweging. De inhoud van de overweging heeft onze volledige aandacht en daar blijven wij ons voor inzetten, ook in EU-verband.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 620 wordt ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 621, over de Board of Peace, wil ik het oordeel ontijdig geven. Zoals het nu staat, zijn wij niet toegetreden tot de Board of Peace. Dit vanwege het mandaat, dat veel verder lijkt te strekken dan alleen Gaza. Dat is het voornaamste bezwaar tegen toetreding van de meeste Europese landen. Het is een bezwaar dat overigens ook gedeeld wordt door de Arabische landen, die uiteindelijk wel toegetreden zijn. Waarom zijn zij wel toegetreden? Omdat zij uiteindelijk het belang van de implementatie van het Gaza peace plan en de betrokkenheid van de Verenigde Staten daarbij, zwaarder vinden wegen dan wat zij zien als een misvatting wat betreft het mandaat, dat op gespannen voet staat met het VN-Handvest. Mocht het komen tot een aanpassing van het mandaat waardoor het weer binnen de reikwijdte valt van de resolutie van de VN-Veiligheidsraad waarin de Board of Peace wordt besproken, dan zou ik daar niet tegen zijn. Dat geldt ook als wij als Europese landen op een andere manier kunnen komen tot een associatie met de Board, zonder daarop in te tekenen. Het nadeel dat we nu hebben, is dat we compleet aan de zijlijn staan. Dat zien we al, want de eerste resoluties van de Board of Peace komen uit. Wij hebben nu geen enkele stem of inspraak in de implementatie van het vredesplan in Gaza. Ook dat is ongemakkelijk. Daarom wil ik dat muizengaatje openhouden en geef ik de motie het oordeel "ontijdig".

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dat is teleurstellend, maar ik hoop in ieder geval op een ruime meerderheid in de Kamer. Laten we eerlijk zijn: niet alleen het mandaat is problematisch, maar ook de samenstelling. Vanuit de EU hebben alleen Viktor Orbán en volgens mij een uitgaande Bulgaarse premier toegezegd. Er zitten twee mensen in die gezocht worden door het Internationaal Gerechtshof. Ook Loekasjenko zit erbij. Inmiddels is de uitnodiging voor de Canadese premier ingetrokken. Ik snap de formele opmerking van de minister, maar ik hoop dat de Kamer wat moediger is.

De voorzitter:

De minister heeft het oordeel "ontijdig" gegeven. Als mevrouw Piri de motie in stemming wil brengen, betekent dit dat deze ontraden wordt. De motie op stuk nr. 621 wordt dus ontraden. Dan de motie op stuk nr. 622.

Minister Van Weel:

De motie-Van Baarle op stuk nr. 622 moet ik ontraden. Ik verwijs daarbij ook naar het tweeminutendebat dat wij gisteren hebben gehad over de RBZ. Daar kwam dezelfde vraag naar voren.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 622: ontraden.

Minister Van Weel:

De motie-Van Baarle op stuk nr. 623: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 623: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie-Van Baarle op stuk nr. 624: oordeel Kamer, in die zin dat het opschorten van het associatieakkoord nooit van tafel is gehaald. We zullen dat ook niet doen. In die zin handhaven wij de positie zoals die was.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 624 krijgt oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie-Van Baarle op stuk nr. 625 kan ik ook oordeel Kamer geven, waarbij ik met betrekking tot de zinsnede "noodzakelijke financiering" verwijs naar het amendement-Stoffer/Eerdmans, waaraan wij gehouden zijn en dat wij volgen wat betreft de financiering. Maar verder: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 625: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie-Dobbe c.s. op stuk nr. 626 moet ik ontraden. Dat komt door de enorme lijst van zaken in het dictum.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 626 wordt ontraden.

Minister Van Weel:

De motie-Dobbe c.s. op stuk nr. 627 geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 627: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie-Ceder op stuk nr. 628 geef ik ook oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 628 krijgt ook oordeel Kamer.

Daarmee is er een einde gekomen aan dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

We gaan zo meteen door met het volgende tweeminutendebat, na een kort moment van schorsing.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Ik zei net, bij het schorsen van het laatste tweeminutendebat, dat we zo meteen verdergaan met een tweeminutendebat, maar dat klopt niet. We gaan verder met de begroting van Buitenlandse Zaken. Gisteren heeft de Kamer de eerste termijn van de Kamer gedaan en nu is het woord aan de minister om antwoord te geven op de gestelde vragen.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Buitenlandse Zaken, minister van Asiel en Migratie op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Het woord is aan de minister.

Minister Van Weel:

Dank, voorzitter. Voor de helderheid: naast de schriftelijke beantwoording van een aantal vragen die naar de Kamer zijn toegegaan, zal ik beginnen met een korte inleiding. Dan zeg ik heel kort iets over de actuele situatie in Iran en Syrië. Vervolgens ga ik de blokjes in, langs de lijnen Europese veiligheid en trans-Atlantisch, Oekraïne, het Midden-Oosten, onderverdeeld in Syrië, Iran en Israël en de Palestijnse gebieden, en ten slotte een kopje diplomatieke vertegenwoordiging en consulair. Dat is uw leidraad voor mijn inbreng in dit debat.

Ik begin met de inleiding. Hoe positioneren we onszelf als Nederland in een veranderende wereldorde? Die vraag stond gisteren centraal in uw inbreng. Ik dank u voor uw inhoudsvolle overwegingen en uw vragen daarbij. Het debat liet zien dat we in onzekere tijden leven. Mevrouw Van der Werf memoreerde treffend aan hoezeer de huidige wereld verschilt van die in haar kindertijd. In de vijf maanden dat ik nu demissionair minister van Buitenlandse Zaken ben, heb ik te maken gehad met crises en gebeurtenissen op nagenoeg alle continenten. Het is soms inderdaad net een Netflixserie.

De machtspolitiek is volop terug en het internationaal recht wordt daarbij soms gemakkelijk terzijde geschoven. In meerdere van uw bijdragen klonk daarover verontrusting. Ik deel die. Het internationaal recht beteugelt het recht van de sterkste. Dat is zeker ook in het belang van Nederland, als relatief kleine speler op het wereldtoneel. Maar zonder een absolute hegemoon die als politiemacht optreedt en met opkomende grootmachten met afwijkende meningen is het internationaal recht moeilijk afdwingbaar, zeker bij andere grootmachten. We worden soms ook geconfronteerd met de tekortkomingen van het internationaal recht, wanneer dat verschrikkingen, state capture of terreur niet kan tegenhouden. Wij zijn eveneens gebaat bij goed functionerende internationale instellingen, waar we in overleg kunnen komen tot een ordening van de wereld. Ook die ordening staat onder druk.

Dat is allemaal te betreuren, maar we zullen ons wel tot die realiteit moeten verhouden. Overigens is dat een situatie die in de wereldgeschiedenis meer de norm is geweest dan de situatie zoals wij die hebben gekend in de tijd dat wij hier opgroeiden. Ik hoorde die realiteitszin ook terug in veel van uw bijdragen. Het gaat ons niet helpen om met weemoed terug te blikken of om enkel te veroordelen wat we om ons heen zien gebeuren. We moeten vooruit. Dat is met een agenda die er niet zozeer op is gericht om de wereld te vormen naar onze wil, maar wel om de Nederlandse belangen stevig overeind te houden. De vraag is dus: hoe dienen we die het beste? Dat is een punt dat velen van u aandroegen. Wat dient onze economische veiligheid, zoals de Rotterdamse haven? Wat dient onze militaire veiligheid? Wat dient de versterking van onze waarden? En hoe dragen onze bilaterale en multilaterale samenwerkingsverbanden daaraan bij?

In de praktijk zullen we al onze belangen steeds weer in samenhang moeten afwegen om te bepalen wat in welke context het zwaarst weegt. Om die belangen goed te behartigen, is macht nodig. We moeten de taal van de macht weer leren spreken, die macht daadwerkelijk opbouwen en ook bereid zijn om die zo nodig in te zetten. Waarden, belangen en macht: alle drie zijn ze onmisbaar voor een effectief buitenlandbeleid. Ik val mevrouw Piri, de heer Erkens en de anderen daarin bij. Het betekent forse investeringen in onze veiligheid, in ons verdienvermogen, in onze onafhankelijkheid en in ons vermogen om als EU machtspolitiek te kunnen bedrijven. Het vraagt zeker ook, zoals de heer Boswijk naar voren bracht, om prudentia, het vermogen om in een concrete situatie te onderscheiden wat juist is.

In de huidige omstandigheden, waarin we de noodzakelijke macht nog niet hebben opgebouwd, betekent dit ook een pragmatisch beleid, met oog voor de lange termijn. Dat maakt onze diplomatieke inzet belangrijker dan ooit. Een sterk postennet is daar een belangrijk onderdeel van. Dat is om op te komen voor die belangen en om onze afhankelijkheden te verminderen. Sterke posten op de juiste plekken zijn cruciaal om bestaande bondgenootschappen te versterken en nieuwe strategische partnerschappen aan te gaan. Ik ben blij dat verschillenden van u hiervoor aandacht hebben gevraagd.

Ik deel graag nog enkele uitgangspunten die ik als essentieel zie voor een toekomstbestendig buitenlandbeleid. Daarna wil ik, zoals ik zei, kort ingaan op de specifieke situatie in een aantal landen. Allereerst ben ik er heilig van overtuigd dat een sterke trans-Atlantische band in ons eigen belang is en zal blijven. In de nieuwe wereldorde, waarin ook China en Rusland een machtsblok vormen, hebben de VS en Europa wederzijds belang bij sterke banden. De relatie met de VS staat na de kwestie met Groenland onmiskenbaar onder spanning, maar ik ga niet uit van onherstelbare schade. Ik zie de kwestie echter wel als teken van een veranderende wereld waarin grootmachten, dus ook de VS, primair aan hun eigen belangen denken. Het tweede uitgangspunt, dat daarmee is verbonden, is dat de NAVO onze belangrijkste veiligheidsgarantie is. Echter, daarbinnen zullen we als Europa echt sterker moeten worden en meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor onze eigen veiligheid. We moeten een meer eigenstandige positie in kunnen nemen. Dat is dan ook het derde dat ik wil benadrukken.

Voorzitter. We staan voor grote opgaven, maar niet per se voor onmogelijke. Duco Hellema, oud-hoogleraar internationale betrekkingen, typeerde het buitenlandbeleid na de Tweede Wereldoorlog ooit als een "georganiseerde aanpassing aan de internationale omstandigheden". Dat is wat we nu ook moeten doen. Dat moeten we doen onder moeilijke omstandigheden, maar we moeten onze ervaring en onze veerkracht niet onderschatten. Nederland is al vele crises te boven gekomen: gisteren viel het Rampjaar 1672 al, maar er zijn nog vele andere jaartallen te noemen. Nodig zijn een gezamenlijke visie, daadkracht en doorzettingsvermogen. Daarover ga ik zo graag het debat met u aan. Dat was mijn inleiding.

Dan zou ik nu eerst even stil willen staan bij de actuele situatie in Iran. Nogmaals, op de individuele vragen kom ik terug in de blokjes, maar een aantal van u vroeg specifiek naar een update. We hebben allemaal de verschillende beelden gezien die langzaam naar buiten komen, terwijl de internetblokkade ...

De voorzitter:

Voordat u verdergaat, is er een interruptie van mevrouw Dobbe van de SP.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik heb toch een vraag over de inleiding. Het is een beetje hoog over, maar met de veranderende wereldpolitiek is het misschien wel goed om daar wat langer bij stil te staan, dus dank voor die inleiding. Ik maak me echter wel zorgen als ik hoor hoe deze minister aankijkt tegen de wereld en hoe die nu is. Wij zien namelijk ook dat de wereld verandert. Hij begint met: we moeten met weemoed terugkijken op wat was en wat we misschien hadden gewild. Zoiets was het. Hij had het ook over belangen en zei dat we de taal van de macht weer moesten spreken en dat we in deze nieuwe wereld machtspolitiek moesten gaan uiten. Vervolgens noemt hij drie uitgangspunten voor het buitenlandbeleid, maar daar zit de internationale rechtsorde niet bij. Is dat volgens deze minister dan iets van het verleden en iets waar we met weemoed op terugkijken omdat het is losgelaten door dit kabinet, of blijft de internationale rechtsorde voor dit kabinet ook een project om aan te werken, zoals het zou moeten zijn? Deze inleiding roept bij mij heel veel vragen op.

Minister Van Weel:

Nee, mijn inleiding begon met de internationale rechtsorde en het belang van het internationaal recht, zeker voor kleinere landen zoals Nederland. Het internationaal recht en het bevorderen daarvan zijn bovendien verankerd in onze Grondwet, dus nee, dat blijft absoluut een cornerstone. Je hebt die andere elementen echter nodig om die internationale rechtsorde af te kunnen dwingen. Daarin is wel een paradigmaverschuiving gaande. Die heeft niet zozeer te maken met Groenland; dat is waar ik op doelde.

Het systeem van internationaal recht dat we na de Tweede Wereldoorlog hebben opgebouwd, heeft echter voor een heel groot deel geleund op de enige overgebleven grootmacht die bereid was om zich achter dat systeem te scharen en dat afdwingbaar te maken. Het internationaal recht voorkomt dat we terechtkomen in de jungle, in het recht van de sterkste. Je hebt macht nodig om dat uiteindelijk af te kunnen dwingen. Zonder macht kunnen we op papier een rechtssysteem hebben, maar zal het in de praktijk niet werken. Dat is nou juist waarom het samenhangt met wat ik zei, met het opbouwen van de macht en met het spreken van de taal van de macht, juist om de internationale normen en waarden en de multilaterale instellingen die wij koesteren, overeind te houden en om dat systeem kracht bij te zetten. Daarvoor zullen we de VS echter niet meer automatisch aan onze zijde vinden; dat is helaas een beweging die wij in de afgelopen periode hebben gezien.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan wil ik de minister er toch op wijzen dat ik een aantal tegenstellingen zie in dit betoog. Op het moment dat hij het heeft over machtspolitiek en macht moeten opbouwen om daarna het internationaal recht te kunnen afdwingen, is er dus al sprake van een situatie waarin het recht van de sterkste geldt. Daar zijn we nu juist zo bang voor. Heel concreet zou ik van deze minister willen weten — ik hoop dat na morgen duidelijk is dat het nieuwe kabinet zich daar ook aan wil committeren — of hij wil zeggen dat er bij de drie uitgangspunten voor het buitenlandbeleid ook een vierde zit, namelijk het bevorderen en blijven werken aan de internationale rechtsorde. Ik hoop dat hij dat hier heel stellig wil zeggen, zodat wij weer enigszins gerustgesteld kunnen zijn.

Minister Van Weel:

Absoluut. Het is onmiskenbaar een pilaar van het buitenlands beleid. In mijn inleiding probeerde ik te schetsen dat het geen vanzelfsprekendheid meer is. De pilaar van het internationaal recht is geen gegeven. Het systeem dat we hebben opgebouwd binnen de VN is geen gegeven meer. Dat alles staat ter discussie. Die urgentie wil ik hier meegeven. Roepen dat we dit belangrijk vinden, is onvoldoende. We zullen dat moeten kunnen staven. We zullen dat ook moeten kunnen afdwingen. Anders krijgen we, zoals we zien, alternatieve systemen zoals de Chinezen die proberen op te zetten of boards of peace, die een veel breder mandaat hebben en gaan concurreren met de VN-organisaties. Dat is het natuurlijke gedrag van grootmachten. Daar zul je je tegen moeten wapenen, wil je die ordening in stand houden. Zo moet u dat lezen.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Piri heeft ook een vraag.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik heb de inleiding even laten bezinken. Ik zou de minister willen meegeven: hoop is ook geen strategie. Ik hoorde de minister zeggen dat hij ervan overtuigd is dat er geen onherstelbare schade is aangericht. Vervolgens begint hij in zijn drie punten, als hij het heeft over macht, waar ik het trouwens ook over had, weer over de trans-Atlantische samenwerking en de NAVO als hoeksteen. Ik vraag me af of de minister het idee heeft dat dit breed gedeeld wordt door zijn Europese counterparts.

Minister Van Weel:

Ja, dat heb ik. Er is geen NAVO-lidstaat, geen Europese lidstaat, die twijfels heeft over of wij de NAVO moeten verlaten of moeten opgeven. Het is van belang dat niemand dat doet, omdat de rest van de retoriek weliswaar begrijpelijk is, maar niet echt bijdraagt aan een oplossing van het probleem. Er is de afgelopen dagen veel te doen geweest over de vragenronde met onze voormalige premier Rutte in het Europees Parlement. Dat snap ik. Ik snap die ophef. Daarom zou ik het iets meer in balans willen brengen en stellen dat twee dingen tegelijkertijd waar kunnen zijn. Ten eerste moet je als Europa zorgen dat je je eigen broek op veiligheidsgebied kunt ophouden en dat je geen ongewenste afhankelijkheden hebt, niet van vrienden en niet van potentiële vijanden. Tegelijkertijd moet je waarde hechten aan het behoud van de trans-Atlantische band en het behoud van de NAVO zoals we die nu kennen. Die twee dingen sluiten elkaar niet uit. Nog sterker, ik denk dat die twee elkaar kunnen versterken. Als u mij vraagt naar de keuze of ik met een sterk Europa, dat op veiligheidsgebied voor een heel groot deel zijn eigen broek kan ophouden, alsnog de NAVO zou willen hebben als hoeksteen van onze veiligheid, dan zeg ik ja. Daarmee hebben we namelijk nog altijd een veelvoud van de capaciteit tot onze beschikking en daarmee dus ook een veel grotere afschrikking tegen wat ons maar zou kunnen gebeuren. Dat is de kern van hoe ik die cirkel vierkant probeer te maken.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Zeker. Mijn fractie pleit niet voor het uit de NAVO stappen, voor de duidelijkheid. Het is grappig dat de minister zelf begint over premier Ruttes ronde in het Europees Parlement en alle reacties daarop, maar eigenlijk is mijn kritiek nog steeds als volgt. Die kritiek van regeringsleiders hoor je breed en lees je ook in de kranten. We voelen allemaal dat we enorm afhankelijk zijn van de Verenigde Staten. Natuurlijk, als wij het voor het zeggen hadden, zouden we het liefst allebei behouden. Maar zoals ik zei: hoop is geen strategie. Het is echter niet alleen retoriek uit de VS. Het staat ook gewoon in documenten van de regering. Ze zijn eropuit om de EU te ondermijnen. De enorme minachting waarmee de Amerikaanse president spreekt over het Europees continent roept, terecht denk ik, heel veel weerstand op bij Europese regeringsleiders. Dan mijn vraag. Ik hoor de minister eigenlijk vooral nog steeds spreken over de Europese tak binnen de NAVO. Hoe kijkt de minister dan naar de macht binnen de EU? Hoe kunnen we die macht binnen de EU steeds meer vormgeven?

Minister Van Weel:

Ik denk dat dat in eerste instantie kan door goed te kijken naar structuren zoals we die binnen de EU hebben opgebouwd. Een van de vragen die u had gesteld, was hoe we aankijken tegen een Europese veiligheidsraad. Ik sta daar open in. Ik weet dat een aantal partijen in de Kamer dat ook doen. De Europese Unie, voortgekomen uit de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en ontwikkeld via verschillende takken, was juist bij uitstek een organisatie waarbij we het niet over veiligheid hadden. Het idee was juist dat we door de economische verbinding nooit meer in een situatie zouden komen waarin we elkaar naar het leven zouden staan. Dat betekent dus ook dat we geëindigd zijn met een organisatie die zeer goed is toegerust op de interne markt, concurrentievermogen, het zorgen voor de vrijheid van vervoer van goederen en personen, het afschermen van onze douane-unie et cetera, et cetera, et cetera. De veiligheidscomponent is er eigenlijk later losjes tegenaan geplakt. Dat was eerst in de vorm van een EDEO, de Europese Dienst voor Extern Optreden; die was eigenlijk meer bedoeld voor het bevorderen van de internationale rechtsorde in de wereld. Nu is er een defensiecommissaris, die eigenlijk nog steeds niet gaat over defensie, maar meer over de defensie-industrie. Dat is naar mijn mening onvoldoende om van de EU op veiligheidsgebied het machtsblok te maken dat we volgens mij moeten worden. Dat is maar één tak. Uiteindelijk zal de EU dat ook moeten doen waar het gaat om de economische veiligheid en om het verminderen van de strategische afhankelijkheden en van afhankelijkheden op het gebied van energie en big tech, et cetera, et cetera. Die veiligheidscomponent moet dus geen add-on zijn van die EU, maar moet in de basis van die organisatie zitten. We hebben het daar nu over; dat is goed en dat is een begin, maar we zijn er nog niet. Dat is één ding dat de EU moet doen. Verder hebben we ontzettend veel plannen liggen, van het rapport van Draghi tot aan, hier op nationaal niveau, het rapport van Peter Wennink, over kapitaalmarktunies en over energiemarkten. Die moeten we echt gaan uitvoeren. De vraag is: hoe krijgen we die urgentie over het voetlicht? Die deel ik dus volledig met u.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Tot slot. Ik denk dat we het erover eens zijn dat er een hele agenda voor de Europese Unie ligt. Ik denk wel dat we ook moeten erkennen dat de Europese Unie zich soms kleiner maakt dan ze al is. Onze economie doet niet onder voor andere machtsblokken zoals de Verenigde Staten. Een deel van de kritiek van mij op het kabinet was vorige week dat we wat meer zelfvertrouwen tegenover de VS moeten laten zien en dat we op het moment dat er sancties, importheffingen, dreigen, daar iets tegenover kunnen stellen. Misschien tot slot dan, voorzitter: als deze minister in mogelijk zijn laatste weken als minister van Buitenlandse Zaken — dat weten we niet — het Europees Parlement had toegesproken, wat had hij dan gezegd?

Minister Van Weel:

Dan had ik wellicht meer de nadruk gelegd op het positieve verhaal. De National Defense Strategy van de VS is net uit. Ik heb dus alleen nog maar een eerste blik daarop kunnen werken, maar die is daar ook mee in lijn. Daar staat letterlijk in dat Europa meer voor zijn eigen veiligheid zal moeten zorgen dan voorheen het geval was. Dat geeft je dan meteen de gelegenheid om te werken aan de positieve agenda die in de EU op tafel moet liggen en die uiteindelijk helemaal niet bijt met die trans-Atlantische band en die ook helemaal niet hoeft te bijten met de NAVO, maar waarmee we die gelijkwaardigheid wel tot stand kunnen brengen. Dat was mijn aanvliegroute geweest, terwijl de inhoud grosso modo hetzelfde is, inclusief de constateringen.

De voorzitter:

Dank u wel. U was niet toe aan een blokje, maar wel aan de actuele situatie in Iran en Syrië.

Minister Van Weel:

Ja. Er komen afschuwelijke beelden uit Iran. Die druppelen nog steeds binnen, want het internet is na twintig dagen nog steeds afgesloten. Ik vrees dus dat wij het einde daarvan nog niet hebben gezien. Of je nu gelooft in de lagere schattingen van de aantallen doden, bijvoorbeeld rond de 7.000 volgens het persbureau HRANA, of in de wat hogere schattingen van rond de 30.000, die in de New York Times naar buiten kwamen en die naar verluidt binnen de Iraanse overheid zijn gewisseld, het zijn schrikbarende aantallen die in een paar dagen onder onschuldige burgers zijn veroorzaakt door dit regime. Dat kan niet zonder consequenties blijven. Daarom is dit een van de onderwerpen die we morgen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken zullen bespreken. Ik zal me daar hard maken voor het aanmerken van de Revolutionaire Garde als terroristische organisatie op de terrorismelijst. Publiekelijk heeft u al kunnen zien dat een aantal landen die daar tot nu toe niet toe genegen waren, hun positie nu hebben bijgesteld. Ik hoop dat we daar nog een laatste push aan kunnen geven in de voorbereiding van morgen. Er zullen ook weer nieuwe mensenrechtensancties op Iran worden afgekondigd. Het is duidelijk dat dit regime zichzelf in doodsnood weet. Ik kan geen andere verklaring verzinnen waarom je met zo veel afschuwelijk, grof en beestachtig geweld op je eigen bevolking zou schieten. Dat geeft meteen aan dat de houdbaarheid van dit regime ten einde loopt. Deze breuk tussen de bevolking en het regime komt niet meer goed; die kan niet meer met economische maatregelen of symboolpolitiek worden weggepoetst. Dat is wel iets waar het regime zich terdege rekenschap van zal geven.

Er zijn veel vragen geweest, ook vanuit u. Wat betekent de militaire opbouw van de Amerikanen in de regio? Europa, de EU, maar ook Nederland dragen daar niet aan bij, en ik weet dat ook niet precies. Wij volgen wat dit betreft ook de boodschappen vanuit het Witte Huis. Die boodschappen vertellen ons in ieder geval dat er nog steeds gesprekken gaande zijn tussen de Iraanse overheid en de regering-Trump. Tegelijkertijd blijkt daar ook een zekere vastberadenheid uit dat die opbouw doorgaat en ook ingezet kan worden op het moment dat het gewenste resultaat niet wordt bereikt. De vraag is: wat is het gewenste resultaat? De vraag is ook wat je militair zou kunnen bereiken in Iran. Daar wil ik niet te veel over speculeren. Ik weet ook niet welke plannen er voorliggen in het Pentagon of welke er uiteindelijk zullen worden voorgelegd aan de president. Ik ben er niet op voorhand gerust op dat militair ingrijpen hier leidt tot meer stabiliteit in de regio. Ook daar moeten we eerlijk over zijn. Ik hoop dat de Verenigde Staten dat ook zullen meewegen. To be continued. We houden het natuurlijk in de gaten. Als er aanleiding toe is, zullen we uw Kamer daar ook tussentijds over informeren.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we nu bij …

Minister Van Weel:

Dat was niet het hele blokje met alle vragen over Iran, maar even de actuele update.

De voorzitter:

We zijn bij het eerste blokje …

Minister Van Weel:

Syrië.

De voorzitter:

O, Syrië komt nog.

Minister Van Weel:

Dan Syrië. Sinds de overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de SDF vorig jaar zijn er verschillende onderhandelingsrondes geweest. Die onderhandelingen zijn op 4 januari geklapt. Daarna braken er zorgelijke gevechten uit tussen het Syrische leger en de SDF. Daarbij is de SDF in een hele korte tijd echt een aanzienlijk deel van het grondgebied kwijtgeraakt. Ook de bewaking van een aantal detentiecentra waarin IS-strijders zitten, is daarbij overgegaan van de SDF naar de Syrische overgangsregering. Naar verluidt zijn er ook een aantal mensen ontsnapt.

Er is inmiddels een staakt-het-vuren, sinds 18 januari. Dat werd weer geschonden, maar sinds 20 januari lijkt het te houden. Afgelopen zaterdag is het verlengd voor nog eens vijftien dagen. Gisteren hebben de VS, het VK, Duitsland en Frankrijk in een statement opgeroepen tot het respecteren daarvan, het belang van dialoog, maar ook een duurzame integratie van Noordoost-Syrië in een centrale, soevereine, Syrische staat. Dat zijn verklaringen waar wij ons ook achter scharen.

Op dit moment vindt de humanitaire toegang weer plaats, ook tot Kobani, waar sprake was van afsluiting. Er wordt ook gekeken naar hoe om te gaan met de gedetineerden in Irak. We verwelkomen dan ook het feit dat de VS een verplaatsing van 7.000 aan IS gelieerde personen naar Irak in gang hebben gezet, om te borgen dat zij gevangen blijven. Dat was natuurlijk een belangrijke rol die de SDF tot op heden hier hebben gespeeld. Ook daar hoop ik dat er tot een overeenkomst gekomen kan worden. We zullen dat monitoren. Dit is in ieder geval de stand zoals ik die nu kan melden.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we nu aangekomen bij de blokjes. Het eerste blokje gaat over EU en veiligheid.

Minister Van Weel:

EU en de trans-Atlantische band. Ik ga hier in op de …

De voorzitter:

De heer Stoffer heeft een vraag.

De heer Stoffer (SGP):

Komt Syrië in een volgend blokje aan de orde? Dan wacht ik namelijk nog even met mijn vraag.

Minister Van Weel:

Ja, dat geldt voor Syrië en ook voor Iran, maar dan alleen wat betreft de specifieke vragen die de leden hebben gesteld.

De EU en de trans-Atlantische band. De heer Erkens vroeg: hoe kijken we naar de inzet van het Europese instrumentarium tegen economische dwang? Dat hangt een beetje samen met de vraag van mevrouw Piri net. We moeten onszelf als EU niet kleiner maken dan we zijn, zeker niet daar waar het gaat om onze economische macht. Dat moeten we zeker niet doen. Tegelijkertijd staan we ook niet te springen om het in te zetten, want uiteindelijk doet elke economische maatregel die wij nemen ook onszelf pijn en kan die ook weer leiden tot nieuwe escalerende maatregelen. Als je dat spel helemaal zou aflopen en daarbij kijkt naar de afhankelijkheden die wij hebben en de verhouding van de Europese tegenover de Amerikaanse economie, dan verliezen we dat spel. Dat is dus een escalatie waarvan je moet zien weg te blijven. Ik ben er dus zeker voor om te retaliëren op het moment dat wij geraakt worden. Ik ben er ook zeker voor om, zoals in het geval van de dreigingen rondom Groenland, alle opties op tafel te houden en uit te werken. We moeten altijd wel denken aan waar dit eindigt en of we niet gebaat zijn bij inzet op de-escalatie voordat we overgaan tot de inzet daarvan.

Hoe gaan we om met onze kroonjuwelen, dus met bedrijven als ASML en andere? Hoe voorkomen we dat die weggaan en hoe zorgen we dat we zelf onze technologische positie behouden? Dat vereist investeringen en innovatie. Daar moeten we ook extra op inzetten. Ik noemde al de rapporten van Draghi en Wennink, die daarbij leidend zijn. We kunnen de geopolitieke concurrentie daarbij niet voorkomen, maar we kunnen wel voorkomen dat onze technologie in verkeerde handen komt. Daarbij zijn instrumenten als investeringsscreening en exportcontrole heel belangrijk, denk ik. We zetten die ook steeds vaker in daar waar we denken dat die belangen in het geding zijn. Maar ook in de Nationale Grondstoffenstrategie en de Europese Critical Raw Materials Act is diversificatie een van de wegen waarlangs de leveringszekerheid van grondstoffen wordt bevorderd. We zijn ook actief bezig met derde landen zoals Australië en Canada — Chili komt zo meteen nog even naar voren — om die leveringszekerheid te bevorderen.

Zowel de heer De Roon als de heer Van Baarle vroeg hoe nou om te gaan met de situatie. Waarom staan we zo zwak ten opzichte van de Amerikanen en hoe moeten we daarmee omgaan? Dat was de vraag van de heer De Roon. De heer Van Baarle vroeg hoe we ons moeten opstellen en hoe we als EU een krachtigere stem kunnen laten horen op het wereldtoneel. In de echo van mevrouw Piri: de EU is niet zwak. We zijn de derde economie van de wereld en we hebben het grootste handelsblok. We hebben ook de middelen om op te treden. Daar waar het gaat om veiligheid ontberen we echter wel middelen. Dat komt één door de afhankelijkheden die we nog hebben en die we zullen moeten afbouwen en twee doordat we gewoon de militaire macht missen om daadwerkelijk een geloofwaardig statement neer te kunnen zetten. Daar moeten we echt aan werken. Dat was eigenlijk de kern van de brief die ik gisteren ook naar uw Kamer heb gestuurd: de EU als geopolitieke speler. Welke elementen missen er nou om daar een volwaardige partij mee te kunnen blazen? Ik noemde net al de Amerikaanse defensiestrategie, die er gewoon van uitgaat dat wij deze capaciteiten in no time gaan opbouwen om de verminderde Amerikaanse interesse in Europa — die staat echt als zodanig genoemd — te gaan compenseren. We zullen dat hoe dan ook moeten gaan doen.

Is het Amerikaanse strategische belang bij Groenland legitiem? Dat was ook een vraag van de heer De Roon. En steunen we de onderhandelingen daarover? Ja, de positie van Groenland is strategisch. Het Arctisch gebied is een strategische regio. Dat was voorheen, tijdens de Koude Oorlog, met name zo vanwege de aanwezigheid aldaar van de kernonderzeeërs voor de second strike capability en vanwege de ballistische raketten die van Rusland naar Amerika en vice versa over dat gebied heen vlogen. De afgelopen tien jaar is er echter ook wat veranderd in het gebruik van dat gebied. Het moratorium dat er lag op de militarisering van het Arctisch gebied is komen te vervallen. Rusland heeft een enorme opbouw gedaan van militaire bases aan het Noordpoolgebied. We zien ook dat de noordelijke vaarroute door het verdwijnen van Noordpoolijs steeds opener wordt en dat er verhoogde activiteit is aan verkenningen en aan militaire middelen. Dus, ja, wij zien absoluut wat president Trump bedoelt met het toegenomen strategische belang van het Arctische gebied en de rol die Groenland daarin kan spelen. Dat is, denk ik, ook de reden waarom Denemarken openstaat voor gesprekken daarover. De vraag is alleen of je daarbij de autonomie en de territoriale integriteit van een bondgenoot ter discussie moet stellen. Ik denk dat we daar als Europa een grens hebben getrokken. We hebben gezegd: "Nee, ten eerste hoeft dat niet en ten tweede gaan we zo niet met elkaar om. Zorg dus dat we gezamenlijk bepalen wat we als NAVO méér moeten doen, en dan leveren wij daar onze bijdrage aan. Dat ontlast ook de VS weer. En ga met Denemarken in overleg over hoe om te gaan met Groenland en militaire presentie." Ik hoop dat dat in der minne wordt opgelost.

De heer Klos (D66):

Toch nog even. De minister heeft me toch een klein beetje in verwarring achtergelaten over de positie van Europa ten opzichte van de Verenigde Staten op het gebied van veiligheid. Hij citeert inderdaad de Amerikaanse defensiestrategie, die zegt: our NATO allies are strongly positioned to take primary responsibility for Europe's conventional defense. De minister citeert dat met instemming, maar tegelijkertijd zegt de minister: ik had hetzelfde gezegd als Rutte in het Europees Parlement, maar dan in andere woorden. En Rutte zei: dat is een droom; Europa kan zichzelf nooit verdedigen en nooit een serieus veiligheidsblok worden. Dus welk van de twee is nou waar? Ik weet even niet welke kant het opgaat.

Minister Van Weel:

Ik wil u niet in verwarring achterlaten, maar ik ga daar nog een derde factor aan toevoegen. Eén. De nucleaire paraplu van de Amerikanen, die ons ook beheerst en die ook niet ter discussie wordt gesteld in deze National Defense Strategy, is zeer moeilijk vervangbaar. Dat zou hele grote investeringen vereisen, waarvan ik denk dat we die als Europese landen niet bereid zijn te doen. Dat is dus een afhankelijkheid waarvan ik denk dat die niet ter discussie staat, ook niet voor de Amerikanen, en die we zouden moeten willen houden. En als het gaat om "conventioneel" heeft het ten eerste vooral te maken met de massa die de Amerikanen kunnen brengen. Dan gaat het dus om mankracht en om aantallen. Het gaat ook om specifieke capaciteit. Denk aan intelcapaciteit door middel van space-based, dus in de ruimte gestationeerde, sensoren, of aan strategische transportcapaciteit. Denk aan de enorme vloot van C-17-vliegtuigen waarover de Amerikanen beschikken en wij niet. We zullen echt alles op alles moeten zetten om die afhankelijkheid conventioneel te kunnen verminderen. Ik hoop dat de Amerikanen ons tijd gunnen op basis van deze strategie om dat te doen. Als ze dat niet doen en ze trekken die capaciteiten terug, dan val ik terug op wat de heer Rutte heeft gezegd, namelijk dat de we daar de komende vijf tot tien jaar niet zelf in kunnen voorzien. Dat is de nuance die erin zit. Ik vind dat we daaraan moeten werken. Ik denk dat dat moeilijk wordt en dat we daar tijd voor nodig hebben, maar het is wel wat de Amerikanen van ons vragen.

De heer Klos (D66):

Eerlijk gezegd stelt dit me dan wel weer gerust. De minister zegt eigenlijk dat we geen tijd te verliezen hebben en dat we zo snel mogelijk gaan werken aan de opbouw van onze eigen capaciteiten. Dan denk ik dat we daar in de Kamer al snel een meerderheid voor gaan vinden.

Minister Van Weel:

Zeker.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Van Weel:

Mevrouw Van der Werf vroeg of wij ons blijven inzetten voor het vrijmaken van de Russische bevroren tegoeden voor Oekraïne en hoe we dat doen. Het was onze insteek voor december om hierop te landen met z'n allen, maar we weten allemaal om welke redenen dat niet gelukt is op dat moment. De banktegoeden blijven wel beschikbaar. De blokkade, die nu verlengd is voor langere tijd, blijft erop liggen. De eerste prioriteit is de uitwerking van de inzet van die 90 miljard. Onze lijn daarbij is dat we er in ieder geval voor zorgen dat Oekraïne en de Oekraïense behoeften daarbij leidend zullen zijn. We zullen bekijken hoe we de rente daarvoor kunnen betalen. Wat ons betreft doen we dat het liefst in EU-verband. Verder spreken we als EU ook met de G7 over hoe we verder om moeten gaan met die bevroren tegoeden.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Ik zou toch iets meer duiding van de minister willen over hoe dat dan in zijn werk gaat, want het gaat wel echt om een enorm bedrag. Het is niet een soort bijwagen, die bevroren tegoeden. Als het gaat om denken vanuit het perspectief van de Oekraïners, dan denk ik dat zij er wel raad mee zouden weten. Ik ben dus benieuwd hoe Nederland zich daar concreet voor in gaat zetten en welke stappen we dan zetten.

Minister Van Weel:

Ik denk dat deze ook zullen terugkomen in het prosperity package waaraan gewerkt wordt. Dat is de langeretermijndoorkijk voor Oekraïne. Zoals u weet bestaat het vredesplan uit drie onderdelen. Dat brengt me trouwens automatisch naar het blokje Oekraïne. Het peace plan begon met 28 punten en inmiddels zijn dat er 20. Dat bestaat uit security guarantees. Wat willen de VS en Europese landen aan veiligheidsgaranties geven aan Oekraïne? Het derde punt is hoe je ervoor zorgt dat Oekraïne er economisch weer bovenop komt. Daar zal zo'n 800 miljard voor nodig zijn. Ik denk dat in het derde spoor, waaraan zowel door de Amerikanen als de EU met Oekraïne wordt gewerkt — de vraag van het lidmaatschap zal daar ook in terugkomen; daar komen we zo nog over te spreken — bekeken zal worden welke rol die Russische bevroren tegoeden kunnen spelen. Ze waren nodig voor de acute dekking van die 90 miljard omdat Oekraïne anders om zou vallen in 2026. Dat hebben we weten af te wenden door voor een andere manier van financiering te kiezen, zonder die banktegoeden aan te raken, want daar was op dat moment geen unanimiteit voor te vinden.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Minister Van Weel:

De Russische schaduwvloot is een absolute prioriteit voor het kabinet. Er zijn een aantal zaken die wij ontzettend goed doen. Maar er zijn ook zaken die wij echt beter moeten doen; dat frustreert ons allemaal. Wij hebben een voortrekkersrol in het aanbieden van schepen voor de lijst van sancties. We hebben ongeveer de helft van de gesanctioneerde schepen zelf aangedragen op die EU-lijst. We hebben een team ingericht dat daarnaar kijkt. We leveren geen diensten aan gesanctioneerde schepen. Zij hebben ook geen toegang tot Nederlandse havens. Ze komen daarom ook niet meer in onze territoriale wateren. Datgene wat we nog niet goed hebben geregeld — ik hoop dat we daar snel verandering in kunnen brengen — is hoe we optreden tegen dit soort schepen in onze economische zone, dus tot 200 mijl uit de kust. We hebben een aantal voorbeelden gezien van landen die daar wel recent tegen hebben opgetreden. Het Verenigd Koninkrijk heeft dat gedaan, maar ook Frankrijk heeft dat zeer recent gedaan in de Middellandse Zee. Wij willen bekijken hoe we daaraan ook een bijdrage kunnen leveren. Daarover zal de minister van IenW morgen in de Kamer, in een commissiedebat, proberen een tipje van de sluier op te lichten. Maar er moet inderdaad meer gebeuren. Wij zullen ondertussen blijven werken aan het op de lijst zetten van deze schepen.

Hoe kijken we naar versnelde toetreding van Oekraïne, vroegen de heer Klos en mevrouw Piri. We hadden gisteren in het tweeminutendebat over de RBZ al even een heel klein interruptiedebatje, naar aanleiding van een motie die vroeg om vast te blijven houden aan de Kopenhagencriteria. Hoe gaan we er dan mee om als de Commissie met een voorstel komt? Wij zijn — dat is de lijn die in uw Kamer heel lang heel breed is gedragen — voor het vasthouden aan de Kopenhagencriteria voor een volwaardig lidmaatschap. Ik denk dat dit een belangrijke waarborg is voor het behoud van de Unie zoals wij die kennen. Tegelijkertijd zijn we niet blind voor het EU-perspectief, dat president Zelensky ook nodig zal hebben om zijn bevolking, in een referendum, te kunnen laten instemmen met de concessies die uiteindelijk zullen moeten worden gedaan voor het bereiken van een vredesdeal. Het EU-perspectief is daarbij ontzettend belangrijk. Mevrouw Von der Leyen stelt terecht dat Oekraïne ook veiligheid naar de EU brengt, met het leger en met de vermogens die het op dit moment heeft. Dat is een beetje het speelveld waarbinnen de Commissie nu bezig is om te bekijken hoe je kunt werken met een volwaardig lidmaatschap. Daarbij houd je de criteria overeind voordat je de interne markt volledig opent, terwijl je tegelijkertijd het land wel perspectief geeft. Hoe dat eruit gaat zien, weet ik nog niet. Maar we zullen er wel welwillend naar kijken op het moment dat de Commissie met die voorstellen komt. Dat kan snel gaan, want op het moment dat de Oekraïners en de Russen eruit zijn, zal dit een van de dingen zijn die in de weken daarna snel moeten worden beklonken. Dan komen we bij u terug. Verder zijn wij nu al voor het openen van cluster 1, op het moment dat het besluit voor onderhandelingen voorligt. Maar we weten ook dat Hongarije dat op dit moment nog steeds blokkeert in de EU. Die moeilijkheid gaan we helaas, vrees ik, ook tegenkomen bij onderhandelingen.

Dan de afnemende Amerikaanse steun voor Oekraïne. Hoe gaan we daarmee om en zorgen we dat wij Oekraïne op de been houden? Het is frustrerend dat we op dit moment in de situatie zitten dat we de Verenigde Staten absoluut nodig hebben om te komen tot een vredesdeal. Zij kunnen als enige druk op Rusland leggen op een manier die Rusland ertoe noopt om ook aan tafel te komen. We hebben op dit moment ook Amerikaanse wapensystemen nodig, omdat Oekraïne zich met die systemen verdedigt. Denk aan de Patriot-raketsystemen, die het verder uitschakelen van de energie-infrastructuur moeten opvangen. Tegelijkertijd leggen wij op dit moment als Europeanen het grootste deel van de rekening op de mat. Ik ben er trots op dat we dit doen. Ik ben er ook trots op dat we die 90 miljard weer hebben weten te vinden en dat we dit als EU voor elkaar hebben gekregen. Ik ben ook blij dat we dat met die 90 miljard met een bredere basis doen dan met de steun dan we de afgelopen jaren bilateraal hebben verleend. Ik ben er trots op dat Nederland toen steevast in de top vijf stond, maar daarna werd wat landen bereid waren om bij te dragen rap minder. En ook met die 90 miljard kunnen we nog steeds niet alle noden dekken. Andere G7-landen en andere landen zullen dus ook extra middelen moeten vrijmaken.

Dat brengt mij meteen op de vraag van mevrouw Piri over hoe het zit met de 700 miljoen en de andere 1,3 miljard. In de schriftelijke beantwoording hebben we gezegd dat naar ik vermoed het volgende kabinet bij de Voorjaarsnota invulling zal moeten geven aan de resterende 1,3 miljard zoals genoemd in de nota.

De voorzitter:

Dat leidt tot een vraag van mevrouw Piri.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ja, want er was een heel duidelijke uitspraak van een grote meerderheid van de Kamer om ervoor te zorgen dat dit bedrag in het eerste kwartaal besteed kan worden. Hier hebben wij niet alleen met de minister van Buitenlandse Zaken debatten over gevoerd, maar ook met de premier en de minister van Defensie. De eerste weken nadat de motie werd aangenomen, was het credo van beide collega's van deze minister: wij komen aan het begin van dit jaar terug op de besteding van 1,3 miljard. Dat staat zwart-op-wit, zowel in notulen van debatten met premier Schoof als in brieven van de minister van Defensie. Daar is nu opeens de Voorjaarsnota in gefietst. Hoe verhoudt zich dat tot de oproep van de Kamer om die 2 miljard beschikbaar te stellen voor het eerste kwartaal?

Minister Van Weel:

Die twee hoeven elkaar niet uit te sluiten. Ik weet uit betrouwbare bron dat er binnen de scope van het regeerakkoord, waarover nu op hoofdlijnen overeenstemming is bereikt door de partijleiders, ook aandacht is besteed aan de steun aan Oekraïne. Het zou voor dit zittende kabinet niet kies zijn om nu, in de laatste weken, wijzigingen aan te brengen in de begroting voor 2026. Met die 700 miljoen hebben we juist gezorgd dat we nu, diep in januari, maar ook in februari en maart, voldoende middelen beschikbaar hebben om Oekraïne te kunnen blijven steunen. Ik denk dat het dus allemaal past.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Toch even een puntje. Deze motie is na de verkiezingen aangenomen, niet voor de verkiezingen. Deze is na de verkiezingen aangenomen met een hele grote meerderheid. Ik denk dat het voor een dubbeldemissionair kabinet, dat leunt op 26 zetels in de Kamer, misschien ongepast is om zo'n motie van de Kamer niet uit te voeren. De minister zegt nu eigenlijk "hoe hadden wij in de laatste weken dat wij er zitten dit besluit nog kunnen nemen?" Nou, dat is heel makkelijk. De Kamer heeft die uitspraak gedaan en het kabinet erom verzocht. Begrijp ik goed dat dit kabinet die beschikbare middelen dus niet meer heeft? Laten we eerlijk zijn: tegen de tijd dat we de Voorjaarsnota hebben behandeld, is het eerste kwartaal van dit jaar voorbij.

Minister Van Weel:

We hebben er met die 700 miljoen voor gezorgd dat we het nieuwe jaar in ieder geval ingaan met voldoende middelen. Het is nu januari en het nieuwe kabinet is aanstaande. Het eerste kwartaal duurt nog even, dus we gaan die 1,3 miljard nu, in deze laatste week, niet voor de rest van het kwartaal hebben. Ik denk dat u in het nieuwe regeerakkoord en de bijbehorende financiële plaat ook zult zien op welke wijze Oekraïne gaat worden ondersteund in het komende jaar.

Voorzitter. Dit is het einde van het blokje Oekraïne. Dan kom ik bij Syrië.

De voorzitter:

Ja, dat is Syrië in het blokje Midden-Oosten. Maar u heeft eerst een vraag.

De heer Hoogeveen (JA21):

Ik wilde wachten tot het einde van dit blokje, omdat een aantal van mijn vragen over de financiering van Oekraïne nog niet zijn beantwoord. Ik hoor de minister zeggen: ik ben trots op de 90 miljard die is losgeweekt voor Oekraïne. Ik vraag mij toch echt af waar de minister precies trots op is. Er werd ingezet op de Russische bevroren tegoeden. Dat is niet gelukt. Vervolgens worden de eurobonds weer uit de mottenballen gehaald, terwijl het in het Nederlands belang was om juist in te zetten op toegenomen bilaterale steun. Dan zie ik de premier op tv zeggen: dit is de beste oplossing voor Nederland, want wij gaan geen eurocent extra betalen; het valt binnen de headroom van de EU-begroting. Niet heel veel later blijkt dat dat niet waar is. Kan de minister hierop reflecteren?

Minister Van Weel:

Eén. Het terugbetalen van die rente gebeurt bij voorkeur door herschikkingen binnen het lopende MFK. Voor het komende MFK zal dat meegenomen worden in de onderhandelingen over het toekomstige MFK die van start zijn gegaan. Ik ga er dus nog steeds niet van uit dat wij als Nederland die rente zelf gaan betalen. In die zin heeft de premier dus gelijk. Twee. Bilaterale steun zou perfect zijn in de ideale wereld waarin iedereen mee zou betalen, maar dat gebeurt niet. We hebben ontzettend veel bilaterale steun gegeven. We hadden het net over de motie voor de 2 miljard. Dat betreft ook bilaterale steun van Nederland aan Oekraïne. Nogmaals, het is goed dat we dat gedaan hebben, maar ik heb veel liever de 90 miljard waaraan uiteindelijk 24 landen deelnemen en betalen, dan dat we elke keer met de pet rond moeten om te zorgen dat we iets van burden sharing hebben. In die zin had het inderdaad onze voorkeur gehad om dat met de bevroren tegoeden als onderpand te doen. Dit is een second best, maar het is nog altijd beter dan bilaterale aanbiedingen, want daarmee hadden we de 90 miljard niet gehaald, denk ik.

De heer Hoogeveen (JA21):

Is dit dan niet precies het probleem waar we tegen aankijken? Nederland behoort tot de top acht van landen die bijdragen aan de strijd van Oekraïne. We zitten in een unie met landen die dat pertinent weigeren; die weigeren te hervormen en te bezuinigen. We hebben een Europese Unie die dan de kapitaalmarkt opgaat en vervolgens ook weigert te hervormen en bezuinigen. Uiteindelijk staat Nederland weer aan de lat en trekt het aan het kortste eind. Is dat niet het fundamentele probleem waar we nu tegen aankijken?

Minister Van Weel:

Eén. We staan voorlopig niet aan de lat. U loopt vooruit op iets wat nog geen werkelijkheid is, namelijk de vraag hoe wij de rente over de aangegane leningen betalen. Wat ons betreft komen die uit het MFK, worden die door de Unie betaald vanuit de eigen middelen en hebben wij daar niks mee te maken.

Twee. Ja, in een perfecte wereld waren we inderdaad wel met z'n allen in staat geweest dat bilateraal op te vangen, maar dit is echt een goede second best. De wijze waarop we dit financieren heeft namelijk niet zo heel veel te maken met de vraag of landen wel of niet hervormd hebben. Dit hebben we nu met in ieder geval met 24 landen — ik had liever 27 gehad — voor elkaar weten te krijgen. Daarmee helpen we Oekraïne echt een heel eind op weg in 2026 en 2027.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Hoogeveen (JA21):

Tot slot. De minister refereert er al aan. Er zijn dus drie landen die hebben gezegd: dit is niet in ons belang; hier willen wij niet aan meedoen. Dat had ook een goede positie voor Nederland kunnen zijn, door te zeggen: joh, wij betalen al bilateraal enorm veel aan Oekraïne. En daar zijn we trots op — dat ben ik ook met de minister eens — maar er zijn ook landen die hun fair share niet betalen. Wij ontnemen deze landen nu de prikkel om juist in te zetten op safety first en politieke keuzes maken. Je kan niet het geld aan het ene én aan het andere uitgeven. Het is niet en-en; het is of-of. Die prikkel ontnemen wij die landen nu.

Minister Van Weel:

Ik zie dat net anders. Je kunt bilaterale steun niet afdwingen bij een derde land. Dat is nou juist het dilemma waar we tegenaan zijn gelopen de afgelopen jaren. Een aantal landen dacht namelijk dat het niet in hun eigen belang was om Oekraïne te financieren, of dacht: als ik duik, heeft niemand door dat ik daar niet aan meebetaal. Dat hebben we gezien met de PURL-pakketten, waarmee Amerikaanse wapens zijn gekocht. Ook daarbij was er een schrikbarend aantal landen dat zei dat te gaan doen, maar uiteindelijk, puntje bij paaltje, niet leverde. Er zijn ook landen die zich daar gewoon helemaal aan hebben onttrokken. De drie landen waarvan u zegt dat Nederland zich daarbij had moeten aansluiten, zijn nou juist de landen die duiken op dit vlak. Die zijn niet bereid om te betalen, niet bilateraal, maar ook niet eens in Europees verband. Ik heb dat dus veel liever in Europees verband, omdat we op die manier in ieder geval zorgen dat we die lasten gelijkwaardiger verdelen. Anders hadden wij misschien zelf wel 20 miljard moeten ophoesten; dat hoeft nu niet. Ideaal is het dus niet, maar wel beter dan wanneer dat alleen bilateraal was geweest.

De heer Klos (D66):

Tot slot over Oekraïne, en dan heb ik nog een informatievraag. We hebben echt hartverscheurende en woestmakende beelden gezien van mensen die in de vrieskou zitten vanwege de Russische aanvallen op de energie-infrastructuur van Oekraïne. Nou vraagt Oekraïne Nederland, en eigenlijk met name de NAM en het Nederlandse kabinet, om hulp bij het verplaatsen van de ongebruikte Groningse gasinstallaties naar Oekraïne voor directe hulp, nu en voor de toekomst. Ik vind het moeilijk om informatie te krijgen van het kabinet over hoe het kabinet daarbij helpt en wanneer de eerste gasinstallatie wordt verplaatst. Kan de minister daar in dit debat iets over zeggen?

Minister Van Weel:

Ja, wij helpen daarbij. Nee, daar zeggen we zo min mogelijk over. Dat is eigenlijk in het belang van Oekraïne, omdat we de Russen niet wijs willen maken wat ze van wie, wanneer, op welke route krijgen en waar dat heen gaat. Ik ben zelf tijdens een bezoek rondom de verkiezingen in een energiecentrale geweest. Vijf turbines waren daar geraakt, waarbij ze er drie hebben weten op te lappen. Die draaiden dus, maar ze hebben voor de Russen geheim gehouden dat die centrale weer online was, juist om te voorkomen dat die weer opnieuw doelwit zou worden. Dat is het fragiele spel waarin Oekraïne zich nu bevindt: zodra de Russen het idee hebben dat ergens iets weer functioneert, worden daar onmiddellijk drones of raketten op afgestuurd. Wij doen dus wat we kunnen. Mijn collega Aukje de Vries is vorige week nog in Oekraïne geweest om hierover te spreken en heeft die kou ook aan den lijve ondervonden. Zij heeft ook bedrijven meegenomen die daar een bijdrage aan kunnen leveren. Het heeft onze volle aandacht. Maar meer details kan ik er niet over geven, anders dan dat de verantwoording over het bedrag dat we daaraan uitgeven natuurlijk wel zal geschieden.

De heer Klos (D66):

Ik zocht inderdaad een bevestiging dat er geen obstakel lag bij Financiën of dat de NAM niet mee wilde werken. Als dat allemaal niet zo is, ben ik daarin tevredengesteld.

Minister Van Weel:

Bij dezen. Staatssecretaris De Vries heeft 23 miljoen euro meegenomen, niet cash maar in aanbiedingen, om te helpen bij het herstellen van die infrastructuur, juist omdat dat acuut nodig is.

De voorzitter:

Dan komen we nu bij het blokje Midden-Oosten, volgens mij.

Minister Van Weel:

Ja, voorzitter, Midden-Oosten. Dan begin ik met Syrië. Ik had het net over de stand van zaken op dit moment wat betreft de strijd tussen het Syrische leger en de SDF, maar we hebben natuurlijk al eerder aanvallen gezien op minderheden, of het nu gaat om de druzen, de alawieten of anderen in Syrië. Ik denk dat we uiteindelijk allemaal — ik zeg het wat bagatelliserend — een ongemakkelijke gok nemen wat betreft het regime in Syrië. Bij iedereen, bij elke collega die ik daarover spreek, heerst datzelfde gevoel. Welke garantie hebben we nu dat deze regering zich houdt aan de woorden die ze uitspreekt over inclusiviteit, de samenhang van het land en het beschermen van culturele waarden en minderheden? In hoeverre staan de achtergrond en de geschiedenis van de mensen in dit regime in de weg dat een inclusief Syrië er ook daadwerkelijk komt? Ik kan u daarover geen garanties geven. Niemand waarmee ik spreek, kan dat, maar iedereen zegt wel: als we hier niet achter gaan staan en hier ons best niet voor doen, dan weten we het alternatief wél, namelijk dat Syrië permanent uiteenvalt in al die verschillende minderheden en pockets, en ook weer openstaat voor de invloed van landen van buitenaf. Denk aan de invloed die Iran heel lang heeft uitgeoefend tijdens het bewind van Assad. Dat betekent dat we eigenlijk niks anders kunnen dan ons dicht tegen dit nieuwe Syrische regime aan bemoeien om het te helpen om de enorme noden onder de bevolking in Syrië te ledigen. Als je die noden ledigt en het leven van mensen beter maakt, is uiteindelijk de kans op een stabiele situatie namelijk ook groter. Dan gaat het om toegang tot water, voedsel, elektriciteit en een plek om te wonen.

Tegelijkertijd moeten we die scherpe dialoog hebben op het moment dat we dingen zien gebeuren waar we ons zorgen over maken. Ik noemde net de vier landen die een verklaring uit hebben doen gaan over de SDF in relatie tot het Syrische leger. Dat is precies het soort reactie dat ik bedoel. Op het moment dat je ziet dat het Syrische leger in dit geval opstoomt richting Al-Hasakah, grijp je als internationale gemeenschap in en zeg je: halt, tot hier en niet verder; nu zul je toch weer rond de tafel moeten gaan. Daarmee zeg ik meteen dat ook hier de grootste rol weer is weggelegd voor de Verenigde Staten, die uiteindelijk hebben gezorgd voor het staakt-het-vuren dat nu tot stand is gekomen. Ik hoop oprecht dat er in gezamenlijkheid kan worden gekomen tot oproepen.

We voelen de worsteling die een aantal van u heeft voorgelegd als het gaat om sancties, economisch herstel en wederopbouw. Je wilt met je eigen financiële middelen of het opleggen van sancties niet bijdragen aan het schenden van mensenrechten wat betreft culturele minderheden, maar er zit een prijs aan het dichtdraaien van die knop. Die prijs is dat dit bewind zonder geld ook ten dode is opgeschreven, en Syrië in den brede ook. Wij willen dat Syriërs terugkeren naar Syrië, dat het land weer kan worden opgebouwd en dat Syrië in ieder geval qua territoriale integriteit intact blijft. Dus wat mensenrechtensancties betreft: zeker, daar waar we schendingen zien, gebruiken we binnen de EU het instrument van mensenrechtensancties om individuen of entiteiten die zich daar schuldig aan maken op een lijst te zetten, maar op dit moment zijn we niet voor het treffen van de bredere Syrische bevolking door de geldkraan dicht te draaien. Maar zoals gezegd, houden we de situatie in de gaten.

De heer Van der Burg (VVD):

Ik snap wat de minister zegt als hij spreekt over een ongemakkelijke gok, maar op dit moment zien we in ieder geval dat de prijs voor de gok die wij als onder andere het Westen nemen, betaald wordt door minderheden zoals de Koerden, de druzen en de christenen. Daarvoor helpt dan toch altijd wel de combinatie van de wortel en de stok. De minister beschrijft heel nadrukkelijk waarom die wortel, het geven van geld, buitengewoon belangrijk is — ik kan die redenering volgen — maar hij zegt, en ik snap hem daarin wel: eigenlijk kunnen we nauwelijks een stok inzetten, want daarmee verzwakken we de boel weer. Maar daarmee mist dit regime, dat toch ook een dubieus verleden heeft, dus de prikkel om anders te gaan handelen. Ook zij weten namelijk wat de minister nu tegen ons zegt. Kan de minister daarop reageren?

Minister Van Weel:

Dat weten ze, maar de stok is natuurlijk wel dat de kraan die open is gegaan, ook weer kan dichtgaan. Zoals ik zei, hebben ze die geldkraan nodig om de situatie in het land in den brede iets te kunnen verbeteren. Ik merk tot nu toe wel dat er gereageerd wordt als de internationale gemeenschap bij bepaalde misstanden ergens op aandringt. Ik heb alleen niet de illusie dat de heer Al-Sharaa zijn volledige krijgsmacht, die voorheen bestond uit verschillende fracties en die ook bestaat uit mensen die helemaal niet uit Syrië komen, volledig onder controle heeft. Dan is er natuurlijk een risico op dit soort misdragingen en excessen, die we ook zien in de strijd tegen de Koerden. Ik moet wel zeggen dat vastgelopen onderhandelingen aan de basis liggen van de strijd tussen de Koerden en het Syrische leger. Het kan niet alleen maar aan het Syrische regime worden toegeschreven dat deze onderhandelingen zijn vastgelopen. Ook dat is een deel van de realiteit. Tegelijkertijd kan het niet de bedoeling zijn dat de Koerden hierin met harde hand het onderspit moeten delven. Daarom zetten wij druk om ze naar de onderhandelingstafel te brengen. De stok is dat de kraan weer dichtgaat. Als het zo ver komt, of er niet adequaat gereageerd wordt door het regime, dan zullen we daar zeker niet over aarzelen.

De heer Van der Burg (VVD):

Een staatshoofd kan zich natuurlijk nooit verschuilen achter de uitspraak: ik ga niet over een deel van mijn eigen troepen. Uitgaande van het feit dat dat toch gebeurt, zijn er natuurlijk meer instrumenten denkbaar. Als de overheid in Syrië inderdaad zegt "sorry, de troepen die daar in gevecht zijn met de Koerden, vallen niet onder onze controle", zouden wij ervoor kunnen kiezen om te zeggen: dan heeft u er ook geen bezwaar tegen als wij de Koerden in dezen steunen, want dan wordt in ieder geval niet u daar de dupe van.

Minister Van Weel:

Ik beschreef niet een excuus dat wordt gebruikt, maar wel een fenomeen dat we zien gebeuren. We zien dat er orders worden gegeven vanuit Damascus, die door bepaalde fracties niet worden opgevolgd dan wel volstrekt anders of met hele andere normen en waarden worden geïnterpreteerd. Daar moeten wij dan het centrale regime op aanspreken en actie op ondernemen richting die fracties. Ik zou liever preëmptief zijn in dit soort dingen, maar dat lukt nu eenmaal niet op afstand. Tot nu toe zien we in ieder geval dat het regime wel reageert, elke keer als er zoiets gebeurt. Er is nu ook weer een wapenstilstand en er is volledige humanitaire toegang tot Al-Hasakah en Kobani. Ik ben bang dat we dit nog een aantal keer gaan zien; dat sluit ik niet uit. In elk geval moeten we bereid zijn om strepen te trekken op het moment dat we vinden dat de centrale regering hier verwijtbaar steken laat vallen.

De voorzitter:

De heer Van der Burg, tot slot.

De heer Van der Burg (VVD):

Ja, voorzitter, tot slot. In de afgelopen jaren, zo niet decennia, heb ik gezien dat elke keer als het Westen ergens in het Midden-Oosten in de knel komt, de Koerden over het algemeen ervoor kiezen om het Westen te helpen. Op het moment dat de Koerden in de knel komen en het Westen een ander belang heeft bij een regime dat in dat land toevallig aan de macht is, dan betalen de Koerden de prijs. Weet in ieder geval dat vanuit de VVD de sympathie voor de Koerden buitengewoon groot is. Als de minister zegt "ik ga dingen doen om nadrukkelijk de Koerden te helpen", heeft hij de volle steun van de VVD.

Minister Van Weel:

De bijdrage van de Koerden tegen de extreme groeperingen wil ik geenszins uitvlakken. Die bijdrage is enorm geweest, ook wat betreft het verslaan van ISIS en het bewaken van de gevangenen — dat is mijn volgende thema — die wij zelf om redenen van nationale veiligheid niet hebben willen terugnemen. Dat ben ik dus helemaal met de heer Van der Burg eens.

De heer Stoffer (SGP):

De heer Van der Burg heeft al een aantal behartenswaardige interrupties gepleegd, waar ik het helemaal mee eens ben. Het is heel makkelijk praten vanuit deze zaal, in veiligheid, en het te hebben over Syrië, waar het allemaal heel ingewikkeld ligt. Wat dat betreft geeft de minister een heel goede duiding. Ik schat in dat er misschien sprake is van een iets andere weging ten aanzien van het regime. De minister heeft nog de hoop dat het wat wordt, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik daar zware bedenkingen bij heb. Maar hoe het echt zal lopen, weten we pas in de toekomst.

We hebben het ook over de geldkraan. Wat ik lastig vind, is het volgende. Dat geld gaat daarnaartoe. Komt dat nu niet alleen terecht bij groeperingen die toch wat positief tegenover het regime staan en dus niet bij de Koerden of allerlei groeperingen die misschien wat minder positief staan tegenover het regime? Dat is op zich natuurlijk logisch, maar daarin zit voor ons wel de pijn. Zijn we daarmee niet iets aan het uitstellen waarvan we kunnen denken: uiteindelijk stort het toch in elkaar? Hoe kunnen we er nu enigszins controle op uitoefenen en ervoor zorgen dat we het gevoel hebben dat het geld toch nog wel redelijk goed terechtkomt? Daarin zit voor mij de zoektocht. Dat is voor mij de reden waarom ik af en toe oproep om die geldkraan maar dicht te draaien. Ik begrijp daarbij wel het dilemma dat de minister noemt, maar misschien voelt hij enigszins aan wat ik zeg. Wij hebben er als Europese Unie een fors budget voor, maar misschien gaan er gewoon totaal verkeerde dingen mee gebeuren. Ik heb het gevoel dat ik er geen enkele controle op heb. Ik heb ook geen enkel gevoel bij het maatschappelijk middenveld dat daar zit. Ik ken het niet, maar de minister misschien wel. We krijgen wel telkens de volgende situatie, die de heer Van der Burg ook benoemde. De Nederlandse Koerden weten ons heel goed te vinden met allerlei signalen. Zij hebben veel gevoel voor hoe het daar exact loopt. Ik schat in dat de minister die signalen ook krijgt. Zou hij daar iets van kunnen duiden? Hoe ziet hij dat maatschappelijk middenveld? Hoe wordt dat geld daar neergezet? Ik heb al genoeg gezegd; ik denk dat de minister er wel wat op kan zeggen.

Minister Van Weel:

Er zijn hier nooit blanco cheques. Natuurlijk moet je in de gaten houden of het geld wel goed terechtkomt bij de verschillende gemeenschappen. Daar zijn echt heel goede documenten over ondertekend, met ook waarborgen voor het respecteren van de rechten van minderheden, inclusief de Koerden en de positie die zij kunnen vervullen binnen een territoriaal Syrië. In het geval van de Koerden waren de onderhandelingen daar juist op geënt. Die onderhandelingen zijn gestrand. Zoals ik zei, gebeurde dat niet alleen maar unilateraal; dit waren twee partijen die er niet uitkwamen, waardoor er gevechten zijn ontstaan die zeer nadelig hebben uitgepakt voor in dit geval de Syrische troepen, waardoor zij heel grote delen van hun terrein zijn kwijtgeraakt. Gelukkig is er een staakt-het-vuren gekomen om te voorkomen dat het nog erger werd. Wat we echt nodig hebben, is dat die partijen uiteindelijk rond de tafel tot een overeenkomst komen waarbij ook de rechten van de Koerden binnen Syrië gerespecteerd zijn. Dan hebben wij weer een methode om via de monitoringsmechanismen die we hebben, via wat we horen van VN-organisaties en van anderen die daar op de grond actief zijn, de regering daarop aan te kunnen spreken. Die mechanismes zijn er, maar die zitten nog wel in een vroeg stadium, ook al omdat we natuurlijk allemaal onze presentie in Syrië vanaf 2014 zwaar hebben afgebouwd. Er komen nu langzaam steeds meer landen naar Damascus, wat ook weer meer zicht geeft op wat daar gebeurt.

De heer Stoffer (SGP):

Dank voor dit antwoord, waarbij ergens toch nog wel wat in de mist blijft hangen. Maar ik schat dat we niet heel veel verder zullen komen. Ik heb nog wel een vraag. Ik snap dat de minister niet zegt: meneer Stoffer, hier staat ongeveer de streep in het zand en daarachter wordt de geldkraan wat ons betreft dichtgedraaid. Maar heeft de minister wel in zijn achterhoofd — dat zal natuurlijk in gezamenlijkheid zijn met collega's en wellicht ook met de Verenigde Staten, die een grote rol spelen - dat er ergens een moment komt waarop hij denkt: hier zouden we ongeveer die streep in het zand moeten trekken; hier houdt het op? Met alle gevolgen die je natuurlijk daarna ziet; het blijft kiezen tussen twee kwaden. Zit dit ergens in het achterhoofd bij de minister?

Minister Van Weel:

Zeker. Het staat morgen ook op de agenda van de Raad Buitenlandse Zaken. We gaan spreken over de ontstane situatie en dat blijven we doen. Niks is uitgesloten. Maar ik zei al dat tot nu toe onze belangrijkste graadmeter is of het regime reageert op de kritiek die we hebben en op de acties die we verlangen. Op het moment dat dat niet meer gebeurt, wordt het ontzettend moeilijk om daarmee door te gaan; op dit moment hebben we het idee dat dat nog wel gebeurt, ook daar waar het ging om de druzen in het zuiden en nu de Koerden in het noordoosten. Dat brengt ons nu dus nog niet bij die vraag.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik wil me toch aansluiten bij de woorden van de heer Van der Burg. Wat we hier zien, is het ultieme verraad van de VS richting de Koerden, die een enorm belangrijke rol hebben gespeeld, ook voor ons, bij het ontmantelen van het kalifaat. Laten we ook eerlijk zijn: bij het sektarisch geweld tegen de druzen en de alawieten zei ook deze minister nog vaak: het zijn milities, het is niet duidelijk of het onderdeel is van de overgangsregering en het is ook niet duidelijk of Damascus er controle over heeft. Maar in dit geval kan daar geen twijfel over bestaan; die hele militaire actie in januari is vanuit Damascus vormgegeven. Het is gewoon een actie vanuit de regering in Damascus, met ministers van Al-Sharaa die zeer zorgelijke uitspraken doen over de Koerden. De minister heeft waarschijnlijk ook de acties op social media gezien van vrouwen die hun haar vlechten. En waarom? Eén van die jihadisten kwam naar buiten met de afgesneden vlecht van een Koerdische vrouw die hij had vermoord. Erkent de minister dat het nu klip-en-klaar duidelijk is dat Damascus hierbij betrokken is? De vingerafdrukken zijn op elke manier zichtbaar.

Minister Van Weel:

Nogmaals, ik sluit me volledig aan bij de woorden van lof over de rol die de SDF hebben gespeeld aan onze zijde bij het uitschakelen van ISIS. Daar moeten we ze voor altijd erkentelijk voor zijn. Ik heb ook de verschrikkelijke beelden gezien waar mevrouw Piri op doelt, namelijk die met het afgesneden haar van deze Koerdische vrouw en strijder die daar is omgekomen. Verschrikkelijk! Ik vind dat ook daar dit soort schendingen van mensenrechten moeten worden aangepakt, ook door de centrale regering. Kan je daarmee voorkomen dat die zich ooit nog voordoen? Nee, dat kun je niet. Kun je voorkomen dat de gevechten daar ooit hervat worden? Daar zetten we ons wel voor in, want uiteindelijk moet er een overeenkomst komen. Maar ook de Koerden hebben ervoor getekend dat ze uiteindelijk geïntegreerd zullen worden binnen één Syrië. Dat vereist dus ook van die kant een welwillendheid om rond de tafel te gaan zitten en een compromis te vinden. Anders zullen we deze spanningen alleen maar zien toenemen en zullen ook de gevechten niet stoppen. Dat is de combinatie van dingen die er moeten gebeuren. Elke mensenrechtenschending moet worden aangepakt, het liefst door de regering in Damascus, en zeker niet worden toegejuicht. Anders zullen we ze daarop moeten aanspreken. Tegelijkertijd hoop ik echt dat ze de documenten die ze zelf initieel zijn overeengekomen gaan naleven en tot een overeenkomst komen.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Er zitten een paar dingen in wat de minister zegt waar ik het niet mee eens ben. Hij heeft het de hele tijd over de gevechten van twee kanten. Dat was het niet. Het was een aanval van de Syrische overgangsregering samen met aangesloten milities op de Koerden. Dat was het. De SDF waren geen gevechten begonnen tegen de overgangsregering. Laten we wel bij de feiten blijven. Het gebied waar de Koerden zich nu hebben teruggetrokken, in Rojava, is Koerdisch meerderheidsgebied, waar ook Arameeërs wonen, jezidi's, christenen en ook een aantal Arabieren. Erkent de minister … 10% van de Syrische bevolking is Koerdisch. Sinds 2012 hebben zij te maken met een vorm van autonomie, van zelfbestuur. Het afgelopen decennium hebben zij te maken gehad met jihadistische dreigingen en natuurlijk ook met Koerdische strijders. Erkent de minister dat je, denkend à la Nederland of België, niet kan zeggen: nu moet alles zich maar ontwapenen, er is één centraal gezag in Damascus en Koerdische autonomie is vanaf vandaag voorbij? Erkent de minister dat?

Minister Van Weel:

Ja, maar erkent mevrouw Piri … Ik mag hier geen vraag stellen. Er zijn overeenkomsten getekend tussen de SDF en de Syrische regering, in maart vorig jaar en op 18 januari jongstleden, waarin juist afspraken zijn gemaakt over wat het opgaan van de SDF binnen één Syrië betekent. Dus autonomie, ja, maar wel binnen de afspraken die ze daar zelf over hebben gemaakt. Er is niet gesproken over een autonome Koerdische staat en ook niet over autonome Koerdische strijdkrachten. Het is dan ook te kort door de bocht om te zeggen dat op het moment dat twee partijen zich niet verhouden tot de afspraken die zijn gemaakt, dat per definitie alleen maar ligt aan die ene partij. Die nuance wil ik hier toch neerleggen. Nogmaals, dan doe ik helemaal niets af aan de enorme dank die we de SDF verschuldigd zijn, maar het is wel de bedoeling dat ze nu samen met de Syrische regering toewerken naar de kaders die ze zelf hebben afgesproken, vorig jaar en tien dagen geleden.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Tot slot. Die afspraken van vorig jaar waren natuurlijk zeker anders dan de afspraken die ze nu hebben gemaakt. De afspraken van vorig jaar gingen over het opnemen van de SDF in een overgangsleger. Dat waren de afspraken. De afspraken gingen ook over autonomie voor de Koerden in Rojava: natuurlijk onder een centraal gezag, maar ook autonomie. Vind je het gek dat de Koerden er niet op vertrouwen dat als ze alles opgeven, ze veilig zijn onder een regime met een oud-Al Qaidastrijder en al die jihadisten die daar de afgelopen weken moordpartijen hebben gepleegd? En het klopt. Nadat de afgelopen weken een groot gebied van de Koerden is veroverd, is hun onderhandelingspositie ernstig verzwakt. Hier dreigt een massaslachting. De Koerden hebben een bekend gezegde: onze enige vrienden zijn de bergen. Dat is omdat ze altijd in de steek worden gelaten door de internationale gemeenschap. Ik hoop echt dat Nederland pleit voor een manier waarop de Koerden veilig kunnen zijn en hun rechten in een toekomstig Syrië kunnen verzekeren.

Minister Van Weel:

Absoluut. Daar staan wij voor. Ik denk dat dat ook de strekking is van het statement van de Verenigde Staten en de drie grote Europese landen. Daar schaar ik mij volledig achter. Ik ben blij met het staakt-het-vuren nu. Ik hoop oprecht dat hier overeenstemming over kan worden gevonden en tot een overeenkomst kan worden gekomen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Het is natuurlijk niet zo dat welke overeenkomst daar ooit ook gesloten is een reden of een vrijbrief kan zijn om oorlogsmisdaden te plegen zoals we nu bijvoorbeeld in Kobani hebben gezien, waar een bevolking werd afgesloten van voedsel en elektriciteit en waar kinderen zijn gestorven van de kou. Dat wil ik even gezegd hebben; ik hoop wel dat de minister het daarmee eens is. In de beantwoording van de vragen van mevrouw Piri miste ik nog een beetje of er erkenning is dat het Syrische regime ook verantwoordelijkheid draagt voor de oorlogsmisdaden en voor de misdaden die zijn gepleegd tegen de mensen in Kobani en tegen de Koerden. Als dat zo is, dan zou dat verklaren waarom we nog niet echt een veroordeling hebben gezien vanuit dit kabinet over deze oorlogsmisdaden.

Minister Van Weel:

Wij veroordelen alle oorlogsmisdaden. Ik sluit helemaal niet uit dat er oorlogsmisdaden zijn begaan, ook bij de belegering van Kobani en de afsluiting daarvan en ook tijdens de stedelijke gevechten waarbij onder andere het incident speelde dat mevrouw Piri noemde. Er zijn VN-mechanismen om hier onderzoek naar te doen en om hier de waarheid boven water te krijgen. Die mechanismen steunen wij ook. Ik hoop dat onderzoek uit zal wijzen wie hier welke schending heeft begaan. Dan moeten ze daarvoor worden gestraft.

Mevrouw Dobbe (SP):

De vraag was toch vrij simpel. Volgens mij stelde mevrouw Piri 'm ook. Erkent de minister dat het huidige Syrische regime verantwoordelijkheid draagt voor deze mensenrechtenschendingen en deze aanvallen op de Koerden?

Minister Van Weel:

Het is niet populair, maar ik ga het wel toch weer zeggen: er zijn over en weer mensenrechtenschendingen geweest in de gevechten die hebben plaatsgevonden. Wij vinden dat die allemaal moeten worden onderzocht. We vinden ook dat daar uiteindelijk gerechtigheid moet plaatsvinden, maar over individuele mensenrechtenschendingen kan ik hier nu geen oordeel geven. Nogmaals, daar hebben we mechanismen voor. Wij hebben daar ook niet mensen op de grond. We zijn dus afhankelijk van de overlevering van de verhalen. Ik geef u mee dat we nu natuurlijk heel veel verhalen uit dat gebied zien komen, maar dat geeft mij nog niet een soort salomonsoordeel over welke mensenrechtenschendingen waar zijn begaan.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dit kan natuurlijk niet het antwoord zijn. Wij vroegen ons inderdaad af waarom er nog geen veroordeling was geweest richting het Syrische regime voor het geweld dat nu wordt gepleegd tegen de Koerden. Ik zeg het nogmaals: een hele bevolkingsgroep daar wordt afgesloten van elektriciteit en van voedsel. Dat zijn gewoon oorlogsmisdaden. Daar waren ook regeringstroepen bij betrokken. De minister zegt nu dat we niet precies weten wie waar verantwoordelijk voor was. Dat vind ik dus wel heel zorgelijk, want welke gesprekken heeft de minister dan met het Syrische regime hierover? Hoe stevig wordt dat dan ook ontvangen?

Ik heb nog wel een vraag over die monitoringsmechanismen. De minister zegt zelf: dat moeten we allemaal weer opbouwen, want een deel daarvan is afgebroken sinds 2014; nu zijn we dat weer aan het opbouwen. Maar hoe worden de mensenrechtenschendingen en de oorlogsmisdaden gemonitord die nu worden begaan? Geeft Nederland daar ook actieve steun aan, om ervoor te zorgen dat er daarna ook geen straffeloosheid kan blijven bestaan omdat we dan weten dat er bijvoorbeeld bewijs is verzameld?

Minister Van Weel:

Ja, dat doen we. Er is nu een veldkantoor van de OHCHR van de VN in Damascus. Een UN commission of inquiry is actief in Syrië. Het International, Impartial and Independent Mechanism is actief in Syrië. Wij steunen ook via onze bijdrage aan de VN deze mechanismen. Daar moet wel tegenover worden gesteld dat Syrië een enorm land is en dat deze organisaties ook niet overal altijd zullen zijn om elke mensenrechtenschending te kunnen vinden, maar hun specifieke doel is om dit te documenteren en op te sporen en om ons in staat te stellen om de daders daarvan erop aan te spreken.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Allereerst wil ik me graag aansluiten bij de woorden van collega Van der Burg wat betreft steun aan de Koerden: ook bij dezen namens mijn fractie. Allereerst, ik heb een aantal vragen gesteld in mijn eerste termijn en volgens mij is nog geen daarvan beantwoord. In het vorige debat ging het hier ook al over. Ik heb de minister gevraagd of hij in contact is geweest met zijn Syrische ambtgenoot om dit geweld expliciet af te keuren. Waarom vroeg ik dat? Dat was omdat de minister in het vorige debat aangaf: ja, dat hebben we op ambtelijk niveau gedaan. Maar wat heeft deze minister nou precies gedaan?

Minister Van Weel:

Wij hebben ook een heleboel vragen schriftelijk beantwoord en daar zat deze van mevrouw Van der Werf volgens mij ook in, maar ik ben ook nog niet aan het einde van blokje Syrië. Ik was voornemens om mijn Syrische collega in Davos te zien afgelopen week en daar zouden wij onder andere hierover spreken. Uiteindelijk is hij niet afgereisd vanwege de situatie in Syrië. Dat geldt ook voor zijn president, Al-Sharaa. Die zijn dus daar gebleven. Ik heb geprobeerd om telefonisch contact te zoeken, maar dat is tot op heden nog niet gelukt. Vandaar dat het tot op heden ambtelijk is geweest.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Ik denk dat het heel belangrijk is dat de minister dat dan alsnog gaat doen voor de stevigheid van dat signaal en dat we dat niet alleen ambtelijk af laten doen. Ik heb enige moeite met de reactie op de vragen over in hoeverre het regime nou betrokken is bij de acties die we op dit moment in Noord-Syrië zien. Het is ongetwijfeld waar dat er misschien ook vanuit een Koerdische groep ergens een keer is teruggevochten, maar de minister insinueert nu dat dat een soort van fiftyfifty is geweest, dat beide groepen daar de wapens tegen elkaar hebben opgepakt en dat het een soort van gelijkwaardige strijd is geweest, en dat is natuurlijk helemaal niet het geval. Ik denk dat het heel belangrijk is om dat hier te erkennen. In Kobani waren baby's die wachtten op babyvoeding die de stad niet is binnengelaten. Op dat niveau wordt er nu met de Koerden omgegaan en ik denk dat het belangrijk is dat de minister daar wat stevigere woorden aan wijdt.

Minister Van Weel:

Er is wel degelijk sprake geweest van strijd van beide kanten, maar de Koerden hebben wel zware verliezen geleden in die gevechten. Er zijn mensenrechtenschendingen geweest beide kanten op en van beide kanten wil ik dat wel veroordelen. Tegelijkertijd hebben we gezien hoe nijpend de situatie al heel snel werd voor de SDF en voor de Koerden. Dat is aanleiding geweest om, met de Verenigde Staten voorop, zware druk te leggen op het Syrische regime om daar de vijandelijkheden te staken en om onmiddellijk humanitaire hulp toe te laten. Daar hebben wij ons achter geschaard. Dat heeft ook resultaat gehad. De vijandelijkheden zijn beëindigd en gelukkig is daarmee erger voorkomen. Dus ik veroordeel de schendingen die daar zijn begaan. Daar is geen twijfel over mogelijk. Ik ben blij dat die druk heeft geleid tot een staakt-het-vuren en nu hoop ik dat we echt aan de onderhandelingstafel verder gaan komen en niet meer door het oppakken van de wapenen, om erger te voorkomen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Zegt de minister daarmee: de volgende keer dat het geweld weer oplaait en wij op deze manier reageren, is dat voldoende? Of houden wij toch nog wat maatregelen achter de hand om ervoor te zorgen dat dit echt niet meer op een dergelijke manier kan gebeuren?

Minister Van Weel:

Natuurlijk houden wij maatregelen achter de hand. Natuurlijk probeert de internationale gemeenschap, nogmaals, met de Verenigde Staten voorop — ook hier hebben zij weer een doorslaggevende rol en de macht om die invloed uit te oefenen op het regime — om te doen wat zij kan om excessen die we zien gebeuren, nu dus in het noordoosten van Syrië, zo spoedig mogelijk een halt toe te roepen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik gaf het gisteren al in mijn bijdrage aan: het verraad vanuit het Westen komt keihard aan bij de Koerden. Er is keihard gewerkt en ook gevochten, vaak juist tegen Europese IS-strijders. Die heeft men ook jarenlang in gevangenissen gehouden terwijl het Westen nagenoeg wegkeek. In Noordoost-Syrië is in de afgelopen jaren een relatief stabiele situatie ontstaan en een relatief stabiele economie. We hebben hier een paar jaar geleden een delegatie mogen ontvangen. Ik heb toen gevraagd of dat in Kamercommissieverband mocht. Dat was eerst akkoord, maar na een brief van volgens mij een Turkse diplomaat of de ambassade werd het allemaal ingewikkeld en heb ik dat via een bijzondere procedure gedaan. We hebben toen ook al gehoord dat Noordoost-Syrië een relatief stabiele en gemêleerde samenleving is waarin ook ruimte is voor minderheden. Mijn vraag is: staat de minister ervoor open dat Noordoost-Syrië, als het dat prefereert, als autonome regio in Syrië zou kunnen bestaan als deze escalaties zouden voortduren en de Koerden aangeven dat dat misschien wel een veiligere situatie zou opleveren voor hen, gezien de houding van de centrale regering in Damascus?

Minister Van Weel:

Daar zijn we op dit moment niet. Het uitgangspunt is echt de overeenkomst die de Syrische regering met de Koerden heeft gesloten in maart 2025. Dat is het uitgangspunt. Aan dat principe moeten we vasthouden. We zullen de Koerden er ook in steunen om op basis van dat principe hun eigen positie binnen Syrië te behouden. Ik moet wel eerlijk zeggen: deze onderhandelingen zijn van twee kanten stukgelopen. Dat is niet alleen maar één zijde geweest. Daardoor zijn we nu, helaas, in een nog slechtere situatie beland. Natuurlijk steunen we als internationale gemeenschap de Koerden om datgene wat in maart vorig jaar is afgesproken ook gestand te kunnen doen. Maar daarop terugkomen is op dit moment geen optie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik begrijp het standpunt van de minister dat het daarvoor misschien te vroeg is, maar al vorig jaar waren hier discussies over de vraag of Al-Jolani zijn milities wel onder controle had. Als dat niet zo is, dan is dat vrij ernstig, maar misschien is het nog wel ernstiger als hij ze wél onder controle heeft, gezien de moorden op etnische minderheden: druzen, alawieten, christenen en nu ook de Koerden. De vraag is of dat beter wordt. Dat weet ik niet; dat hopen we. Maar ik denk dat dit wel een optie is die op tafel moet blijven liggen. Een andere actor die nog niet besproken is, is Turkije. In de afgelopen jaren hebben we het hier een aantal keren gehad over de rol van Turkije. In de afgelopen jaren heeft Turkije ook Koerdische doelwitten gebombardeerd en daarmee ook de situatie daar verzwakt. Ook de afgelopen weken lijkt Turkije hierin direct dan wel indirect een rol te spelen. Het is ook geen geheim welke opvattingen Turkije over de Koerden heeft en wat zijn ambitie is. Mijn vraag is of de minister concrete aanleiding heeft om te veronderstellen dat Turkije bij de mogelijke mensenrechtenschendingen direct dan wel indirect betrokken is geweest door steun te verlenen. Zo ja, wat betekent dit voor onze opstelling richting onze NAVO-partner?

Minister Van Weel:

Wij hebben geen indicaties dat Turkije betrokken is geweest bij de gevechten die we de afgelopen weken in Noordoost-Syrië hebben gezien. We weten wel dat er nauwe banden zijn tussen Turkije en het Syrische overgangsregime. Ook weten we dat Turkije in het verleden wél heeft opgetreden. U refereerde daar zelf ook aan. Onze boodschap aan Turkije is elke keer weer dat we nu moeten inzetten op een territoriaal, soeverein en inclusief Syrië, met rechten voor alle minderheden, en dat Turkse inmenging daarbij buiten de orde is.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Is het nog wel zo dat Turkije onrechtmatig grondgebied heeft ingenomen? Is dat in ieder geval wel bekend? Klopt dat nog steeds? En hoe beoordeelt de minister dat?

Minister Van Weel:

Nogmaals, ik beperk me nu even tot Noordoost-Syrië en de situatie die we de afgelopen weken dáár hebben gezien. Dáár hebben we geen aanwijzingen voor directe Turkse betrokkenheid. Maar we weten natuurlijk dat Turkije in het verleden rondom Idlib en Aleppo wel degelijk actief is geweest. Daar heb ik nu geen indicatie van. Op dit moment zijn daar ook geen gevechten gaande.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog. Maar eerst mevrouw Piri.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Het zou kunnen dat de minister misschien niet op de hoogte is, maar ik kan me niet voorstellen dat het ministerie niet op de hoogte is. Dus ik zou toch graag voor de tweede termijn ... Ik bedoel: volgens mij weten we allemaal dat de Suleiman Brigade en allerlei andere brigades die onder het leger van de overgangsregering opereren, in het noorden van Syrië ook in de afgelopen weken een rol hebben gespeeld. Er zijn inmiddels ik weet niet hoeveel getuigenissen, ook vanuit de Koerdische media, van Turkse drones die tijdens deze gevechten boven de gebieden vlogen. Ik neem het de minister niet kwalijk, want hij moet elke dag de hele wereld tot zich nemen, maar het zou pijnlijk zijn als dit blijft staan. Dus ik vraag de minister toch om dit even te checken en daar in tweede termijn op terug te komen als er nog meer informatie is.

Minister Van Weel:

Dit is niet de informatie die ik uit mijn hoofd haal, maar dit is de informatie die ik van het ministerie heb gekregen. Maar ik ben gaarne bereid om hier nog een keer op terug te komen in de tweede termijn.

De voorzitter:

Ik merk dat de interrupties steeds langer worden, dus misschien wilt u een beetje opletten en het iets korter houden. Aan de minister wil ik vragen: we zijn in het blokje Midden-Oosten; hebben we nu het stukje Syrië gehad?

Minister Van Weel:

Nee, we hebben nog de IS-strijders en de mogelijke ontsnappingen daar.

De voorzitter:

Oké.

Minister Van Weel:

Ja, we hebben indicaties gekregen dat IS-strijders zouden zijn ontsnapt tussen het vacuüm bij het terugtrekken van de SDF en het naar binnen komen van het Syrische leger. Voor zover mij bekend, zijn de meeste strijders daarvan ook weer opgepakt. Ik heb hier eerder al gezegd dat de VS nu bezig zijn om 7.000 aan ISIS gelinkte personen over te brengen van Syrië naar Irak. Ook onze diensten houden nauw in de gaten hoe het gaat met Nederlandse IS-gevangenen. Er zijn op dit moment geen indicaties dat er daarvan nu mensen ontsnapt zijn en/of onderweg zouden zijn naar Nederland. Ik moet daarbij wel zeggen dat tot op heden vanuit Irak, maar ook vanuit de Verenigde Staten, altijd het verzoek is geweest om onze eigen strijders als Europese landen op te halen. Ik sluit niet uit dat die druk met deze ontwikkelingen de komende periode verder zal worden opgebouwd.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Vanwege deze bijzin stelde ik die vraag. Zolang er geen processen plaatsvinden, lijkt het me namelijk onvermijdelijk dat er een moment komt waarop andere landen er klaar mee zijn om Europese IS-strijders en hun gezinnen en kinderen vast te houden en dat er vervolgens verzoeken gedaan worden om ze over te halen of een aantal terug naar Nederland te laten komen. We hebben deze discussie al een paar keer gehad, nadat er een verzoek door een advocaat is gedaan. Die discussie wil ik graag voor zijn. Dat lijkt me ook deugdelijk beleid. Wetende dat, zoals de minister zegt, de Amerikanen Europa hierop waarschijnlijk gaan bevragen, vraag ik mij af of de minister dan al weet wat Nederland gaat doen en, zo nee, of hij bereid is om alvast een stappenplan voor te bereiden. Het ergste wat ons kan overkomen, is volgens mij de situatie dat IS-strijders naar Nederland komen met hun kinderen en vrouwen. Dan moeten we hier een politiek debat voeren, omdat het evident is dat er waarschijnlijk een berechting zal moeten plaatsvinden. Wegens gebrek aan bewijs en het feit dat we daar moeilijk bewijs kunnen vergaren, hebben we dan best wel een ingewikkelde situatie met elkaar, denk ik.

Minister Van Weel:

Linksom of rechtsom is deze situatie ingewikkeld. Die mensen zitten al lange tijd in kampen. Bij een berechting in Nederland kunt u ervan uitgaan dat de periode die de mensen in die kampen hebben gezeten al langer duurt dan de straf die ze ooit zouden krijgen voor de misdaden die ze hebben begaan, waarbij het ook nog maar de vraag is of je al het bewijs voor die misdaden nog wel rond krijgt na al die tijd. Tot op heden is het in de individuele beoordeling die elke keer wordt gemaakt de afweging geweest tussen de risico's voor de nationale veiligheid hier en het belang van een ordelijke rechtsgang. Tot op heden is het oordeel van de regering in de gevallen van de mannelijke strijders continu uitgevallen naar het niet ophalen van deze mensen. Daarmee bevinden we ons in het gezelschap van zeven andere Europese landen, waarmee we nauw optrekken. Daar zoeken we nu ook weer contact mee om te bezien wat de nieuwe situatie mogelijk betekent voor de ontwikkelingen hier. Als daar aanleiding toe is, dan zal ik daar hier ook op terugkomen. Op dit moment hebben we nog geen verzoeken ontvangen van Irak noch van de Verenigde Staten tot het overnemen van Nederlandse verdachten.

De heer Ceder (ChristenUnie):

In een paar bijzinnen geeft de minister eigenlijk iets fundamenteels aan. Het lijkt een kwestie van tijd voordat Nederland verzocht gaat worden om zijn IS-strijders weer op te halen. Waarschijnlijk komen die dan ook vrij als ze in Nederland overgedragen worden, ofwel omdat we te weinig bewijs hebben, ofwel omdat de tijd van de situatie in Syrië en Irak en de tijd dat ze vastzaten waarschijnlijk in mindering gebracht zal worden. Ergo hebben we, denk ik, ook wel een samenlevingsprobleem. Zou ik de toezegging kunnen krijgen dat we hierover een terugkoppeling krijgen wanneer de minister contact heeft gezocht met die landen? Ik ben eigenlijk ook op zoek naar een toezegging over een plan van aanpak voor hoe we gaan acteren wat betreft dit onvermijdelijke pad, omdat dit ook het nationale veiligheidsbelang dient. Nogmaals, ik vraag hier al twee jaar om, want dit lijkt een situatie die onvermijdelijk is.

Minister Van Weel:

De eerste toezegging krijgt u. Dat doe ik voor zover dat mogelijk is, want ook met deze groep wordt natuurlijk in vertrouwelijkheid gesproken over het lot. Voor zover dat mogelijk is, zal ik u daarover verslag doen. Voor een plan van aanpak vind ik het nu echt te vroeg. Vooralsnog staat onze lijn dat wij elk geval individueel beoordelen, waarbij we de nationale veiligheid zwaar meewegen. Tot op heden heeft dat erin geresulteerd dat deze mensen daar nog zitten en niet hier.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Het lijkt mij een heel onverstandig plan om potentiële IS-strijders met hun kinderen in Nederland terug te laten komen, omdat ze dan vrijkomen en niet vastgezet worden. Tenminste, de kans is groot dat zij dan vrijkomen. Het lijkt me heel goed om daarop voor te sorteren. Volgens mij zijn er een aantal smaken: wij investeren in een tribunaal daar of zij worden lokaal, in Irak, berecht. Dat betekent volgens mij de doodstraf. Dat kan ook een optie zijn. Wat ook kan, is dat ze teruggehaald worden naar de landen waarvan ze de nationaliteit hebben; dat is een kwestie van tijd. Dat betekent dat ze in Nederland komen, vrijkomen en vervolgens ook gewoon de Nederlandse rechten hebben die elke Nederlandse burger heeft.

De voorzitter:

En uw vraag is?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik wil toch nog vragen of u de toezegging kunt doen om in ieder geval het plan uit te werken. Anders zal ik hier een voorstel voor doen en dat aan de Kamer voorleggen.

Minister Van Weel:

Dat plan is al uitgelopen. We hébben gekeken naar tribunalen; daar is geen draagvlak voor. We hébben gekeken naar mogelijkheden voor berechting in Irak en we lopen daar aan tegen de doodstraf. Ook in het regeerprogramma stond weer het voornemen om daaraan te werken. Uiteindelijk lopen die sporen dood, letterlijk of figuurlijk, of resulteren ze in onvoldoende draagvlak. Je komt dus altijd uit op de individuele beoordeling op het moment dat er een verzoek wordt gedaan of op het moment dat iemand zich bij een Nederlandse ambassade meldt. Dan is het plan ook duidelijk, want dan zul je iemand in hechtenis nemen. Dan zul je hem gaan voorgeleiden en een rechtszaak beginnen. Dan loop je wellicht aan tegen alles wat u zegt. Uiteindelijk hebben we ook ervaring met gevaarlijke mensen die weer vrijkomen. Ook dat is namelijk inmiddels gebeurd. We hebben terrorismeverdachten waarvan we vinden dat ze nog steeds een gevaar voor de veiligheid zijn en die wel gewoon rondlopen in onze straten. Het is uiteindelijk een taak van de diensten, politie en anderen om te zorgen dat we daar een toezichtsregime op hebben. Het plan is er; alleen is het niet het ideale plan dat we samen graag zouden hebben, namelijk een plan om te voorkomen dat hier überhaupt een gevaar voor de nationale veiligheid kan ontstaan. Daarom hebben wij tot nu toe heel terughoudend gereageerd op het terugnemen van deze mensen.

Dat brengt mij bij het blokje Iran. Ik zal even kritisch kijken wat ik nog niet in het overzichtsblokje heb gemeld, voorzitter, ook gelet op de tijd. Ik heb al gemeld dat ik me morgen in de RBZ in ieder geval zal inspannen voor het op de terrorismelijst plaatsen van de Revolutionaire Garde. We hebben in ieder geval gezien dat een van de landen die daar bezwaar tegen hadden, dat bezwaar heeft laten varen. Ik hoop dat we daar morgen verder in komen. Wat we in ieder geval doen, is andere personen op basis van de mensenrechtensancties morgen op de lijst plaatsen. Daarmee wordt een eerste stap gezet.

Mevrouw Teunissen vroeg naar onafhankelijke onderzoekscapaciteit. Wij steunen de fact-finding mission van de VN die gericht is tegen mensenrechtenschendingen in Iran. Het mandaat van die fact-finding mission is afgelopen vrijdag verlengd en uitgebreid, mede dankzij onze steun. Aanvullend zullen we zien op welke wijze we het maatschappelijk middenveld in Iran daadwerkelijk kunnen steunen. Ik ben dus blij dat onze ambassade daar nog actief is om te kijken hoe we daar contact kunnen zoeken met het maatschappelijk middenveld.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik heb een vraag over de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Tegelijkertijd blijft het kabinet wel bezuinigen op het Mensenrechtenfonds. Ik vraag me af of er nog gevolgen van die bezuinigingen worden ervaren, ook voor de steun aan Iran.

Minister Van Weel:

Voor zover ik weet niet voor de steun aan Iran, maar ik zal daar in de tweede termijn nog even op terugkomen om dat zeker te stellen.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Betekent dit dat er dan ook echt extra middelen vrijkomen voor die ondersteuning? Of is het gewoon voortzetting van het huidige beleid? Ik denk namelijk dat een intensivering wel hard nodig is.

Minister Van Weel:

Naar die intensivering zijn we nu aan het kijken; we zijn nu dus aan het kijken of we meer kunnen doen. Als dat het geval is, zullen we daar ook middelen voor moeten vrijmaken.

Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee de vragen over Iran heb beantwoord en dat ik aankom bij Israël en de Palestijnse gebieden.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Ik had de minister gevraagd of hij bereid is om Frankrijk te spreken over de satelliet voor de Iraniërs, de Eutelsat.

Minister Van Weel:

Ja, dat is een terecht punt. Daar ben ik toe bereid. Frankrijk heeft al aangekondigd dat ze die beschikbaar willen maken voor Iraniërs. Ik zal kijken of we daar nog steun aan kunnen verlenen en of daar nog iets voor nodig is, maar de toezegging heeft Frankrijk al gedaan.

Dan kom ik bij Israël en de Palestijnse gebieden, het derde en laatste blokje over het Midden-Oosten. Daarna heb ik nog één blokje. Dat is het kortste blokje, voorzitter, zeg ik ter uwer geruststelling. We zijn over naar fase 2 van het Gaza-vredesplan. Zoals gezegd steunt de regering op dit moment de implementatie van dit plan. Het is het enige geloofwaardige plan dat er is geweest sinds het begin van de oorlog op 7 oktober 2023 dat kan leiden tot in ieder geval een verbetering van de situatie in Gaza, maar uiteindelijk ook tot een situatie waarin we kunnen praten over toewerken naar een tweestatenoplossing.

We hadden graag de Board of Peace onderschreven en we waren er graag lid van geweest, ware het niet — daar hadden we het al even over — dat het mandaat wat ons betreft nu echt te breed is. Het ziet niet alleen maar op Gaza en daarmee lijkt het ook te concurreren met de VN-Veiligheidsraad. Dat vinden wij niet wenselijk. Mocht het mandaat teruggebracht worden tot de grenzen van de resolutie waarin de Board of Peace werd genoemd, dan kunnen we die positie alsnog heroverwegen. Daarom doe ik de deur op dit moment niet 100% dicht. Het niet-aanwezig zijn heeft namelijk ook nadelen. We hebben namelijk nu een Gaza Executive Board, waarin ook Sigrid Kaag zitting heeft. We hebben een National Committee for the Administration of Gaza, bestaande uit Palestijnen die nu verantwoordelijk worden voor het dagelijks bestuur van de Gazastrook. Dat is natuurlijk een beweging die wij wel ondersteunen en waar we graag onderdeel van waren geweest om daar ook mede sturing aan te kunnen geven. In de Committee for the Administration zit dus nadrukkelijk Palestijnse betrokkenheid. Dat is voor ons van groot belang en daarmee een welkome stap.

Het belangrijkste voor ons nu met het aanvangen van fase 2 nu alle gijzelaars zijn teruggekeerd, is onverwijlde humanitaire toegang, het openen van de Rafah Crossing. Daar is nu sprake van. Laten we hopen dat dat nu ook echt de komende uren, dan wel dagen, gaat gebeuren, en dat we toe gaan werken naar een plan voor de wederopbouw van Gaza en het ontwapenen van Hamas. Wat dat laatste betreft: dat blijft — en dat heb ik eerder in debatten met uw Kamer gezegd — het moeilijkste punt. Hoe krijg je Hamas zover dat ze de wapens neerleggen? Het alternatief voor het ontwapenen van Hamas, namelijk dat zelf gewapend gaan doen, zie ik er niet van komen.

Wat ik wel zie gebeuren is de ISF, de International Stabilization Force, die ook wordt genoemd in de VN-Veiligheidsraadresolutie. Inmiddels heb ik onder andere van mijn Indonesische collega begrepen dat de plannen over hoe die force in te zetten in Gaza in gestaag tempo vorderen.

Houdt het staakt-het-vuren daarmee stand? Ja, maar er zijn nog wel beschietingen. Ja, die beschietingen zijn ook over en weer. En ja, daar vallen ook slachtoffers bij en helaas ook burgerslachtoffers. Er is echter wat ons betreft maar één weg te gaan en dat is een verdere implementatie van het vredesplan, om te zorgen dat de situatie compleet tot rust komt en dat het Israëlische leger zich terug zal trekken uit Gaza. Daar zullen wij ons voor inzetten.

We hebben ook een hoop vragen schriftelijk afgedaan, dus ik denk dat ik hiermee de belangrijkste heb gehad.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Even over de toegang tot hulp. De minister sprak over Rafah en dat daar hopelijk weer toegang toe wordt verleend. Tegelijkertijd geldt nog steeds dat verbod van Israël op die 37 hulporganisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen. Er is nu een motie van de heer Bamenga door de Kamer aangenomen over diplomatieke druk uitoefenen op Israël om ervoor te zorgen dat de toegang weer komt en het verbod van tafel gaat. Mijn vraag is: waarom veroordeelt het kabinet niet heel hard dat de toegang is geweigerd en dat Israël dit nu inzet als een politiek instrument?

Minister Van Weel:

Naar mijn weten hebben wij dat gedaan, en anders herhaal ik dat hier nog een keer. We begrijpen de veiligheidszorgen van Israël, daar waar het gaat om mogelijke verwevenheid van organisaties met Hamas, zeker in de gebieden waar Hamas de dienst uitmaakt. Het is ook bijna onvermijdelijk, zou ik bijna willen zeggen. Tegelijkertijd vinden wij de route die Israël hiervoor heeft gekozen, namelijk het weren van organisaties die niet voldoen aan de registratieplicht, niet de goede. Dat vinden alle Europese landen en we roepen er dus ook allemaal individueel toe op, maar ook in EU-verband. Dat zullen we ook morgen weer doen in de Raad Buitenlandse Zaken. Ik denk dat mevrouw Kallas die opdracht ook weer van ons allemaal meekrijgt.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Het is goed om te horen dat het kabinet de druk in ieder geval met woorden opvoert, maar dit verbod geldt al sinds 1 januari en we zien dat Israël nog op geen enkele manier heeft geluisterd naar die woorden. Mijn vraag is dus of het kabinet ook bereid is tot extra maatregelen — denk aan sancties — om ervoor te zorgen dat die hulporganisaties ook daadwerkelijk toegang krijgen. Elke dag waarop dit voortduurt heeft namelijk directe gevolgen voor de overlevingskansen van de mensen daar.

Minister Van Weel:

Voor sancties is op dit moment echt geen draagvlak op basis van alleen deze wet. De beste weg om dit nu te adresseren, los van wat wij als Europese Unie zullen doen en uitdragen en los van wat we bilateraal doen, is ervoor zorgen dat dit via de Board of Peace nu een van de belangrijkste onderwerpen wordt en dat er druk wordt gelegd, ook op Israël. Weer kom ik er dan op terug dat ik het jammer vind dat wij daar niet bij kunnen zijn, hoewel ik daar volledig achter sta vanwege de bezwaren die ik eerder had. Maar uiteindelijk zal vanuit die administrative committee, geleid door Palestijnen, ook dit signaal naar de Gaza Executive Board gaan, die uiteindelijk aan de Board of Peace zal vragen of die ervoor kan zorgen dat die toegang onverwijld weer op gang komt.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter, tot slot op dit punt. Nederland kan natuurlijk zelf acties ondernemen. Het punt is het volgende. Het is volgens het internationaal recht de plicht van landen om hulp toe te laten. Is het kabinet niet van mening dat we, als we dat niet doen, dus als we ons niet krachtig uitspreken dat er hier sprake is van een schending van het internationaal recht, als Nederland daar dan nu zelf als land geen duidelijke grens trekt en als Nederland geen extra maatregelen neemt, die straffeloosheid die we steeds bij Israël zien eigenlijk faciliteren?

Minister Van Weel:

Ik ga niet elke keer als alleen Nederland zijnde hier maar maatregelen en sancties aankondigen. We hebben een peace plan dat voorziet in ongehinderde humanitaire toegang. Daarvan is op dit moment geen sprake. Dan is het aan ons, dus aan alle landen die zich daaraan hebben gecommitteerd en ook aan de hele EU, om een weg te vinden om dit wel op gang te brengen. Dat is mijn gremium. Ik kan wel elke keer als Nederland alleen sancties instellen, maar dat verandert de situatie niet. En ja, er is altijd ontzettend veel druk op Israël nodig om uiteindelijk dit soort wijzigingen aan te brengen — dat hebben we de afgelopen jaren gezien, maar ook verder in het verleden — maar die druk moet je dan wel met z'n allen uitoefenen. Ik denk dat dit een punt is waar we het allemaal over eens zijn, ook de Amerikanen. Ik vind dat dit iets is wat de Board of Peace heel hoog op zijn lijst moet zetten. Er is ook geen enkel excuus meer om het niet te doen, zeker nu de laatste gijzelaar is teruggekeerd naar Israël en er daarmee aan alle voorwaarden van fase één is voldaan. Op de inhoud ben ik het er dus absoluut mee eens, maar de manier waarop is wat mij betreft echt in multilateraal verband, dus via de EU en via de Board of Peace.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Even los van het verband waarin dat dan moet: tot nu toe gaat het bij zo'n embargo steeds over producten uit illegale nederzettingen, maar het zou natuurlijk veel effectiever zijn als je dat breder zou kunnen trekken naar bijvoorbeeld diensten en investeringen. Nu zeggen verschillende experts dat je dat op nationaal niveau zou kunnen verbreden en wellicht zou dat meer effect sorteren dan als we het alleen maar over een aantal producten hebben. Kan de minister daarop reageren?

Minister Van Weel:

Dat is een nieuwe vraag. Op dit moment zijn wij, naar aanleiding van de gesprekken die we in de Kamer hebben gehad, bezig om te werken aan een nationaal handelsverbod voor producten uit bezette gebieden. Ik heb u geschreven dat we in de laatste fase daarvan zitten. We hebben de wetgevingstoetsen doorlopen en dat betekent dat we daarmee aanstonds naar buiten kunnen. Het lijkt mij niet handig om dat nu weer aan te passen voor diensten, want daarmee houden we dit proces op, maar ik ben best bereid om te kijken naar wat u hier noemt. Wel moeten we even voor ogen houden waar die sancties voor bedoeld zijn. De sancties op de handel uit illegale nederzettingen zien op de situatie op de Westbank, terwijl we het hier hebben over de toegang voor hulporganisaties tot Gaza. Ik zou het ene dus niet met het andere willen vermengen, maar nogmaals, ik ben bereid om er in een verslag op terug te komen in hoeverre uitbreiding tot diensten hier überhaupt een mogelijkheid zou zijn.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Daar ben ik zeker in geïnteresseerd. Het kan wat mij betreft ook in de tweede termijn, later vanavond. Het gaat mij om het effect van mogelijke sancties. Ik denk dat dat effect kleiner zal zijn als je ze beperkt tot alleen producten dan als je ze uitbreidt. Ik vind het wel interessant om te horen hoe de minister en dit kabinet daarover denken.

Mevrouw Dobbe (SP):

Over de toegang van hulporganisaties en het nog steeds blokkeren van humanitaire hulp voor de Gazastrook, wat een oorlogsmisdaad is, zegt de minister: ja, dat vinden wij ook verkeerd en dat veroordelen wij ook, maar we gaan geen maatregelen nemen want we kunnen niet elke keer met een lijst maatregelen komen. Nou, ik kan u zeggen, minister, dat de lijst met maatregelen die Nederland vanwege oorlogsmisdaden heeft genomen tegen de Israëlische regering, toch vrij kort is. Volgens mij is dat niet eens een lijst te noemen. Maar we hoeven dus geen maatregelen te nemen, omdat we ons vertrouwen toch ineens leggen in de Board of Peace. Hoe ziet de minister dat dan precies voor zich? Gaat de Board of Peace, met op dit moment Netanyahu en Loekasjenko daarin, Israël nog een keer waarschuwen dat het zo echt niet verder kan? En gelooft hij in dit scenario? Is het niet gewoon tijd om ook als Nederland wat maatregelen te gaan nemen?

Minister Van Weel:

Ik ga niet nog een keer uitleggen waarom wij niet elke keer als Nederland in ons eentje continu over maatregelen moeten spreken. Ja, de Board of Peace is op dit moment het orgaan met de meeste invloed op wat er in Gaza gaat gebeuren. We kunnen lacherig doen over Loekasjenko's et cetera, en daar kan ik tot op zekere hoogte in meegaan, maar in die Board of Peace zit een kritische massa van landen, waaronder alle landen in de regio, die echt zeer gebaat zijn bij stabilisatie in Gaza en uiteindelijk een Palestijnse Staat. De druk moet uiteindelijk via dat gremium worden opgebouwd. Daar hangt een executive board onder, waar onze eigen Sigrid Kaag in zit, die ook gaat constateren wat er misgaat, bijvoorbeeld in de toegang van humanitaire goederen. Daar hangt een Palestijns comité onder dat de dagelijkse leiding heeft over de situatie in Gaza. Daar komen de signalen binnen als het niet goed gaat met de humanitaire hulp, of als het juist wel goed gaat. Dat is nu eenmaal het mechanisme waar je nú de meeste hands-on informatie en invloed hebt op de situatie in Gaza.

Dit is dus mijn worsteling; ik leg het nog maar een keer uit. Je kunt er niet bij zijn. Dat is moreel gezien volledig verdedigbaar en goed. Maar voor al die landen in de regio — Jordanië, Egypte, Qatar, Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten — was het de reden om wel mee te doen. Zij hechten ook aan de situatie op de grond en denken: ik moet daarbij zijn omdat ik anders het geluid niet kan laten horen en de druk van de Amerikanen op Israël niet heb, die nodig is om verandering te krijgen. Dat is waarom ik geloof dat die Board of Peace op dit moment de meeste invloed heeft op het gedrag van Israël, meer dan wij op dit moment nationaal kunnen doen. Dat maakt niet dat we ons niet uitspreken. Dat maakt ook niet dat we niet iets vinden van dingen. Dat maakt wel dat ik denk dat daar de meeste hoop op gevestigd is op dit moment.

Mevrouw Dobbe (SP):

Nou, dat maakt blijkbaar ook dat deze minister zelf weer geen maatregelen wil nemen. Daar vragen wij al twee jaar om, maar die zijn nog praktisch niet genomen door de Nederlandse regering, ondanks het feit dat wij daar al twee jaar om vragen. We hebben nu dus een Board of Peace. Wij vinden dat een soort gedrocht — ik kan het niet anders noemen — dat Trump heeft gecreëerd, waar ook Netanyahu in zit. Die gaat blijkbaar een miljard dollar betalen om daaraan deel te nemen, want dat waren de voorwaarden. Landen als Canada mochten er niet meer in, want die waren te kritisch op de VS. Dat is nu de Board of Peace. En de minister heeft het vertrouwen dat díé Board of Peace, waar Netanyahu dus in zit, Israël gaat aanspreken om bijvoorbeeld te zorgen voor humanitaire toegang tot de Gazastrook. Dat vind ik ongeloofwaardig.

Dan een tweede vraag. Ik heb gevraagd naar de medische evacuatie van kinderen. Ik zal het weer vragen aan de minister. Hij neemt de héle maand januari de tijd, tot de laatste dag, om te komen met de brief die in januari zou komen. We hebben die brief immers nog steeds niet gehad en januari is bijna afgelopen.

De voorzitter:

En de vraag is?

Mevrouw Dobbe (SP):

Welke informatie heeft de minister nog nodig?

Minister Van Weel:

U krijgt gewoon een brief. Die krijgt u van de staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, mede namens mij. Zo hebben we dat afgesproken. Die krijgt u in januari. Waar voldoe ik niet aan uw verzoek?

De voorzitter:

Tot slot, kort.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dit gaat natuurlijk een beetje in een rare vorm. Wij hebben een debat gehad en die brief is toegezegd door de minister. De capaciteit in de regio zou nog een keer onderzocht worden. Hij is nu al zes weken bezig, geloof ik, als het niet al langer is, met het onderzoeken van de capaciteit in de regio, terwijl al duidelijk is dat die capaciteit in de regio onvoldoende zal zijn, hoeveel steun wij daar op dit moment ook aan verlenen, wat overigens heel goed is om te doen. Maar die capaciteit is dus onvoldoende. Nou, zes weken geleden …

De voorzitter:

Nu moet u wel even een vraag stellen, want die betogen duren echt te lang.

Mevrouw Dobbe (SP):

Welke informatie is er nog nodig om de capaciteit in kaart te brengen? Dat was mijn vraag. Ik heb die ook in vorige debatten gesteld, maar ik krijg er gewoon geen antwoord op.

Minister Van Weel:

U krijgt in januari een brief zoals gevraagd en zoals toegezegd. Daar zal al die informatie in komen te staan.

De heer Van Baarle (DENK):

In het debat dat we hier in de Tweede Kamer voeren over Israël en de misdaden die Israël pleegt tegen de Palestijnen, horen we een Nederlandse regering die eigenlijk al heel lang zegt: we moeten een dialoog blijven voeren en wellicht in Europees verband iets zeggen. We zien dat de behandeling van de Palestijnen door Israël in de afgelopen tijd alleen maar slechter, slechter en slechter is geworden. Wanneer breekt deze minister nou eindelijk met de omgang met Israël die we de afgelopen tijd hebben gezien? Wanneer gaat Nederland zich nou actiever uitspreken en ook gewoon harde maatregelen bepleiten?

Minister Van Weel:

Ik geloof in het beleid dat wij voeren: druk en dialoog. Daarmee staan we niet alleen. Dat doen we ook in Europees verband. Daarmee valt Nederland helemaal niet uit de toon bij de landen om ons heen. We moeten realistisch zijn over wat effect heeft. We moeten duidelijk zijn over misstanden die we zien. We moeten proberen invloed te hebben op het verbeteren van de situatie. Dit is de koers die wij daarvoor kiezen. Op dit moment zie ik geen reden om daarvan af te wijken of om een compleet andere koers te varen dan andere Europese landen.

De heer Van Baarle (DENK):

Als we kijken naar het effect van dat beleid, dan is dat in ieder geval dat Israël de afgelopen tijd niet is gestopt met het vernietigen van Gaza, want een enorm deel van Gaza is al vernietigd. Tienduizenden Palestijnen komen niet meer terug omdat ze zijn vermoord. Israël is niet gestopt met het plegen van die genocide. Het annexeren van land op de Westelijke Jordaanoever en het wegpesten, vernederen en aanvallen van Palestijnen door kolonisten gaan maar door. Hoe kan deze minister dan zeggen dat het effectief is? Gaza is vernietigd. Op de Westelijke Jordaanoever gaat het stelen van land maar door. Dat is toch niet effectief? Voor onze ogen wordt het Palestijnse volk verdreven en nog steeds vermoord.

Minister Van Weel:

Ik heb niet de illusie dat wij elke gedraging van Israël kunnen voorkomen. Wel kunnen we gedragingen veroordelen. Ook moeten we gezamenlijk druk zetten om gedrag te veranderen. Uiteindelijk is druk, met de Amerikanen voorop, op Israël de reden geweest dat we een staakt-het-vuren hebben, dat het tot nu toe houdt, weliswaar met tekortkomingen. Het is de reden dat we nu een plan hebben dat toewerkt naar fase 2. Het is ook de reden dat we Israël kunnen aanspreken op wat er gebeurt op de Westbank. Een maand geleden hebben we in ieder geval enige positieve signalen gehad over harder optreden tegen geweld van kolonisten. Op die manier doe je aan druk en dialoog. Daar geloof ik meer in dan in nu all-out doen alsof wij in ons eentje als Nederland allerlei sancties kunnen opleggen waarmee het gedrag van Israël wordt beïnvloed. Nogmaals: uiteindelijk is de Board of Peace het gremium waarvan ik denk dat het de grootste druk op Netanyahu uitoefent. Dat is ook hoe de Arabische landen het zien en waarom ze daaraan deelnemen.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van Baarle (DENK):

Voor onze ogen is een genocide aan de gang in Gaza. Tienduizenden Palestijnen zijn vermoord. De Nederlandse regering is trots op zichzelf omdat ze in die meer dan twee jaar tijd heeft gevraagd om een staakt-het-vuren. Voor onze ogen wordt het land van de Palestijnen afgepakt, maar deze regering is er trots op dat ze aan diplomatie en druk doet. Het is niet effectief. De Palestijnen worden nog uitgemoord en verdreven. De regering zou de moed moeten tonen door internationaal voorop te lopen, door druk uit te oefenen op Israël, door te stoppen met het kopen van wapens van Israël, door harde nationale sancties in te stellen en door Europees ook harde sancties te bepleiten. Dat is nodig. Als de regering op deze manier doorgaat en als de regering en al die andere westerse regeringen zo slap blijven, zeg ik u: de misdaden van Netanyahu gaan niet stoppen.

Minister Van Weel:

Ik hoorde geen vraag, maar ik ben het niet met u eens. Laat ik dat dan in ieder geval als antwoord geven.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Minister Van Weel:

Dat brengt mij bij het laatste kopje: diplomatieke vertegenwoordiging en consulair. De vraag van de heer Dekker was hoe ik het sluiten van diplomatieke posten kan rijmen met de enorme uitdagingen waarvoor we onszelf nu zien staan. Ik snap die vraag. Het lijkt ook tegenstrijdig. Maar de bottomline is dat ook ik me heb te verhouden tot de financiële reeksen die zijn afgesproken in de huidige kabinetsperiode. Die behelzen een forse taakstelling voor het beleidsdepartement, die we niet helemaal níét kunnen afwentelen op de posten. Daarom hebben we bekeken waar we onze prioriteiten moeten leggen. Die prioriteitsstelling heeft uiteindelijk geleid tot de lijst met posten die nu in gevaar zijn. Dat is gebaseerd op waar wij denken dat we de meeste impact hebben, en waar het de minste impact heeft als we er niet meer aanwezig zijn. Dat is eigenlijk een continu proces. Zelfs als je nu zegt "geef al het geld terug dat met het sluiten van de posten gemoeid was", dan nog zou ik zeggen: geef me dan de gelegenheid om te bekijken of we niet elders een nieuwe post moeten openen in plaats van per se de posten open te houden die wij blijkbaar als laagste op onze prioriteitenlijst hadden staan. Want dat is niet automatisch de beste keuze. In algemene zin — dat merk ik aan mijn collega's — heeft Nederland de luxe van een enorm uitgebreid postennetwerk, ook in vergelijking met andere Europese landen. Daar hebben we enorm veel profijt van.

De heer Dekker (FVD):

Is dat onomkeerbaar of is het bij een andere begrotingsomgeving, met meer ruimte, nog terug te draaien?

Minister Van Weel:

Alles is omkeerbaar. We zijn in het verleden weggegaan uit landen; denk aan Syrië, waarnaar we, afhankelijk van de situatie, wellicht binnenkort zouden willen terugkeren, juist om de dialoog te voeren. Dat geldt dus voor al die posten. Ik heb uitgebreid intern navraag gedaan over het openhouden van de posten, en dat geldt zeker niet voor die vier, maar alles is omkeerbaar.

De heer Stoffer vroeg of we niet veel meer zouden moeten doen om onze eigen bedrijven wereldwijd te positioneren en of het postennetwerk daar niet meer voor kan betekenen. De vragen wat betreft de NBSO's had ik deels al schriftelijk beantwoord. Met behulp van economische diplomatie, het handelsinstrumentarium, Support International Business, de Strategische Meerjarige Marktbewerking en alle handelsmissies die staatssecretaris De Vries op dit moment uitvoert, zetten we ons continu in om het bedrijfsleven wereldwijd te positioneren. Dat doen we vanuit Den Haag en vanuit het postennetwerk. Dat werd afgelopen jaar weer zeer gewaardeerd door het bedrijfsleven. We zetten in op een assertief handelsbeleid. Het Nederlands verdienvermogen staat daarbij op de eerste plaats. We blijven onze bedrijven onverminderd steunen en kiezen voor een scherpe focus op de markten en thema's waarbij Nederlandse kennis en kunde het verschil kunnen maken. Op 28 mei van afgelopen jaar is de beleidsagenda buitenlandse handel aan uw Kamer gestuurd. Daarover is op dit moment een SO gaande met de staatssecretaris voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Kortheidshalve zou ik daarnaar willen verwijzen.

Voorzitter. Dan rest mij nog de appreciatie van de amendementen.

De voorzitter:

Nou, ik dacht dat we die straks bij de appreciatie van de moties zouden kunnen behandelen. O, de heer Dekker heeft nog vraag.

De heer Dekker (FVD):

Eén vraag uit mijn eerste termijn is nog niet beantwoord; de andere is schriftelijk beantwoord. Die vraag gaat over het idee van een nationaalbelangtoets. De heer Markuszower heeft het daar ook over gehad. In mijn betoog heb ik voorgesteld om bij beleidsvoorstellen standaard, bijvoorbeeld in de BNC-fiches, een kopje op te nemen met een toets voor het Nederlands belang.

Minister Van Weel:

Ik vind eigenlijk dat dat bij alles wat wij doen, een rol moet spelen. De nationale belangen moeten vooropstaan. Dat was ook onderdeel van mijn inleidende tekst. Wij moeten meer gaan denken in belangen. Ik denk niet dat daar een specifiek vinkje voor nodig is. Maar als u mij vraagt of ik het idee ondersteun dat nationale belangen een rol moeten spelen in al het nieuwe beleid dat wij maken, dan is mijn antwoord: absoluut.

De heer Boswijk (CDA):

De minister refereerde in zijn inleiding kort aan Chili. Hij zei dat hij daar nog op terug zou komen.

Minister Van Weel:

Ik bedacht mij later in het debat dat ik dat al schriftelijk heb gedaan.

De heer Boswijk (CDA):

Helder. Ik dacht dat er nog meer kwam. Jammer.

De voorzitter:

Dat kunt u nog even nalezen.

Minister Van Weel:

Wij ondersteunen uw oproep in ieder geval, zeg ik via de voorzitter tegen de heer Boswijk.

De voorzitter:

Dat betekent dat we gaan beginnen aan de tweede termijn van de Kamer. De eerste spreker is mevrouw Van der Werf. Mevrouw Van der Werf zit niet op te letten. Mevrouw Piri.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik zeg het even eerlijk. Dit debat stond gepland tot 23.00 uur. Ik was ervan uitgegaan dat er ergens voor het voorlezen van de moties nog een dinerpauze zou zijn. Ik ben dus nog niet klaar met mijn moties, maar mevrouw Van der Werf misschien wel. Graag een korte schorsing van tien of vijftien minuten, zodat we de moties kunnen afmaken voordat we doorgaan, of een dinerschorsing. Dat zou ik wel fijn vinden.

De voorzitter:

Het maakt mij helemaal niets uit. Ik had bedacht dat we nu de moties kunnen doen, zodat de minister de beantwoording tijdens de dinerpauze kan voorbereiden, maar ik vind het ook prima om nu te schorsen voor de dinerpauze.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Ik vond het tussenvoorstel dat net werd gedaan niet gek. Ik kan nu twee moties indienen, maar ik vind wel dat alle collega's de gelegenheid moeten hebben gehad om de moties af te maken.

De voorzitter:

Een schorsing van tien minuten?

De heer Van der Burg (VVD):

Ja, tien minuten schorsen.

De voorzitter:

Oké. Dan gaan we tien minuten schorsen.

De voorzitter:

We gaan verder met de tweede termijn van de Kamer, met als eerste spreker mevrouw Van der Werf van D66.

Termijn inbreng

Mevrouw Van der Werf (D66):

Dank, voorzitter. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland de eerste twee fasen van het speciaal tribunaal voor het misdrijf van agressie tegen Oekraïne faciliteert;

overwegende dat voor de daaropvolgende operationele fase nog geen definitief gastland is vastgesteld;

overwegende dat onzekerheid over huisvesting kan leiden tot vertraging van de operationele fase van het tribunaal;

van mening dat Nederland als gastland van internationale hoven een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de continuïteit en effectiviteit van internationaal strafrechtelijke mechanismen;

verzoekt de regering zich actief in te zetten om Nederland als voorkeurslocatie te positioneren voor de huisvesting van het agressietribunaal in alle fasen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Piri, Boswijk en Van der Burg.

Zij krijgt nr. 46 (36800-V).

Mevrouw Van der Werf (D66):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de veiligheidssituatie in Syrië volatiel blijft en dat het centrale gezag in delen van het land beperkt is;

overwegende dat Syriërs behoefte hebben aan stabiliteit, basisdiensten en inclusief bestuur, met waarborging van de rechten van minderheden;

van mening dat versterking van lokaal bestuur bijdraagt aan bescherming van lokale gemeenschappen en het voorkomen van verdere escalatie, mits dit plaatsvindt binnen het kader van de territoriale integriteit van Syrië;

verzoekt de regering zich bilateraal en in multilateraal verband in te zetten voor de versterking van lokaal bestuur in Syrië om stabiliteit te bevorderen, escalatie te voorkomen en lokale gemeenschappen beter te beschermen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Van der Burg, Piri en Boswijk.

Zij krijgt nr. 47 (36800-V).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Klos, ook van D66.

De heer Klos (D66):

Dank, voorzitter. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Eurocommissaris Kubilius van Defensie heeft opgeroepen tot een Europese veiligheidsraad om zo te komen tot snellere besluitvorming wanneer de veiligheid van de EU daarom vraagt;

overwegende dat de huidige en toekomstige veiligheidssituatie van de Europese Unie vraagt om adequate en snelle besluitvorming op het gebied van veiligheid en defensie en dat een Europese veiligheidsraad daaraan kan bijdragen;

verzoekt de regering om in Europees verband naar draagvlak te zoeken voor een Europese veiligheidsraad,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klos, Van der Werf, Boswijk, Van der Burg en Piri.

Zij krijgt nr. 48 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Commissie plannen van de EU en de VS heeft gedeeld met de lidstaten, waarin wordt gesproken over een mogelijk versneld lidmaatschap van Oekraïne van de Europese Unie als onderdeel van een herstelplan;

overwegende dat de Ierse minister van Europese Zaken, namens Ierland als aankomend voorzitter van de Raad van de Europese Unie, heeft aangegeven dat indien Oekraïense vredesbesprekingen een eerdere datum van toetreding tot de Europese Unie vereisen, de Europese Unie daarnaartoe moet werken;

verzoekt de regering zich binnen de EU constructief en positief op te stellen ten aanzien van een eventuele (gefaseerde) toetreding van Oekraïne tot de EU, indien dit onderdeel uitmaakt van een duurzaam en breed gedragen vredesakkoord, met inachtneming van voldoende waarborgen op het gebied van rechtsstaat, financiën en veiligheid bij volledige toetreding,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klos, Piri en Boswijk.

Zij krijgt nr. 49 (36800-V).

Dank u wel.

De heer Klos (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dan is nu het woord aan de heer Van der Burg namens de VVD.

De heer Van der Burg (VVD):

Voorzitter. Eén motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Iraanse regime de recente vreedzame protesten op brute wijze neerslaat;

overwegende dat de aanwezigheid van Iraans diplomatiek personeel met verifieerbare banden met inlichtingendiensten, zoals de MOIS of de IRGC, een direct risico vormt voor de veiligheid van de Iraanse diaspora in Nederland;

overwegende dat misbruik van de diplomatieke status voor inlichtingenactiviteiten onacceptabel is en de integriteit van diplomatieke betrekkingen ondermijnt;

verzoekt de regering om de diplomatieke visa van Iraans personeel met verifieerbare banden met Iraanse inlichtingenagentschappen in te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Burg, Hoogeveen, Boswijk, Van der Werf, Ceder en Stoffer.

Zij krijgt nr. 50 (36800-V).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Piri van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dag, voorzitter. Ik heb moties die ongetwijfeld heel veel collega's hadden willen meetekenen, maar daar was geen tijd voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland een voortrekkersrol moet spelen in Europa, zeker in een tijd van grote geopolitieke ontwikkelingen;

overwegende dat Nederland in het najaar van 2029 voorzitter van de Raad van de EU is;

spreekt uit dat het volgende kabinet een bewindspersoon voor Europese Zaken zou moeten hebben,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Piri.

Zij krijgt nr. 51 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de internationale rechtsorde onder ernstige druk staat;

constaterende dat de regering de grondwettelijke taak heeft de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen;

overwegende dat de internationale rechtsorde alleen beschermd kan worden als landen deze actief verdedigen;

verzoekt de regering om zowel nationaal als binnen EU-verband altijd ondubbelzinnig en consistent op te komen voor eerbiediging van het internationaal recht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Piri, Teunissen, Dobbe en Van der Werf.

Zij krijgt nr. 52 (36800-V).

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik moet zeggen dat ik het best intimiderend vind om hier vier mannen tegenover me te hebben staan, maar ik ga door naar mijn laatste motie, die zij alle vier meegetekend hebben. Die gaat over de Koerden. We hebben daar hier ook een debat over gehad. Voor de mensen die kijken: Jin, Jiyan, Azadi. Ik zie hier in de Kamer ook heel breed steun om de Koerden niet in de steek te laten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Koerden sinds 2012 een vorm van zelfbestuur hebben in Syrië;

overwegende dat Koerden in Syrië een cruciale bondgenoot waren in de strijd tegen IS en de ontmanteling van het kalifaat;

verzoekt het kabinet om rekening te houden met de historische context en aan te blijven dringen op garanties voor de veiligheid en lokale rechten van Koerden in Rojava,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Piri, Van der Burg, Boswijk, Van der Werf, Teunissen, Dobbe, Stoffer, Ceder en Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 53 (36800-V).

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Tot slot, voorzitter. Dank voor de beantwoording door de minister en dank voor de toezegging over Matra.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer De Roon, van de PVV. O, ik zie dat er nog een interruptie is. Is die nog voor mevrouw Piri? Nee, het is een punt van orde.

De heer Stoffer (SGP):

Het is ons toch gelukt om Piri enigszins het gevoel te geven dat ze niet wist wat er ging gebeuren; dat was overigens helemaal niet aan de orde.

Ik zou graag ook onder de briljante motie van de heer Van der Burg komen te staan. Het mag van hem.

De voorzitter:

De heer Van der Burg knikt, dus dat komt helemaal goed. Dan alsnog de heer De Roon.

De heer De Roon (PVV):

Ook van mijn kant dank aan de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen en de geplaatste opmerkingen. Ik ben het nog niet helemaal met alles eens, dus ik ga daar toch nog wat over zeggen.

In de eerste plaats is er de kwestie van de islamitische predikers die hier komen om onze democratische rechtsstaat te bedreigen met hun gepraat. Het valt op dat de komst van zo'n persoon pas een probleem wordt als daar in de media aandacht aan wordt besteed. Wij als PVV willen dat de regering daar gewoon eerder op reageert. We willen dat die daar alert op is en dat die wanneer een ambtenaar constateert dat er zo'n vent aankomt, niet afwacht of het een probleem wordt in de media, maar onmiddellijk de komst van die persoon belet. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de tijd rijp is om daadkrachtig op te treden tegen islamitische predikers die Nederlandse staatsburgers of onze democratische rechtsstaat bedreigen;

verzoekt de regering om direct inreisverboden in te stellen tegen deze personen indien zij aankondigen naar Nederland af te reizen en hen te registreren als ongewenste vreemdelingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.

Zij krijgt nr. 54 (36800-V).

Dank u wel.

De heer De Roon (PVV):

Dan ga ik door naar het volgende punt. Dat betreft het Ottawaverdrag inzake landmijnen. De regering heeft dus in de schriftelijke reactie aangegeven te betreuren dat dat verdrag door een aantal landen, onder andere door Litouwen, is opgezegd, maar daar wordt meteen bij gezegd: we begrijpen de context wel. Maar als je begrip hebt voor de context waarin Litouwen verkeert, waarom betreur je het dan? Waarom durft de minister nou niet volledig achter die NAVO-bondgenoten aan de oostflank te gaan staan? Waarom zegt hij niet: ik heb er begrip voor en ik steun dat deze NAVO-bondgenoten dat doen, aangezien ze niet alleen zichzelf beschermen, maar uiteindelijk ook onze veiligheid? Waarom toont de minister dus niet wat meer lef? Waarom steunt hij de NAVO-bondgenoten niet volledig? Waarom wacht hij met het eventueel terugtrekken uit het Ottawaverdrag totdat het echt noodzakelijk is? Als we daar zijn, is het namelijk te laat. De minister zegt nu in feite: we gaan pas naar de inzet van landmijnen kijken als we al in een artikel 5-situatie zitten en de raketten ons om de oren vliegen. Dat is geen goede zaak. Daarom dien ik deze motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Baltische staten, Polen en Finland uit het Ottawaverdrag zijn gestapt, dat de productie, de opslag en het gebruik van antipersoonsmijnen verbiedt;

overwegende dat Nederland, gezien de rap toenemende instabiliteit en onveiligheid in de wereld, over meer opties moet beschikken om het eigen en het NAVO-grondgebied te verdedigen;

verzoekt de regering om zich uit het Ottawaverdrag terug te trekken en daarvoor de benodigde stappen te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.

Zij krijgt nr. 55 (36800-V).

De heer De Roon (PVV):

Dan kom ik bij de Russische schaduwvloot. We zien uit naar het debat morgen met de minister van IenW over dit onderwerp, maar we denken wel dat het van belang is om nu snel te acteren. We komen dus met de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de afgelopen maanden meerdere Europese landen zijn overgegaan tot het enteren van schepen van de Russische schaduwvloot;

overwegende dat de schepen van de Russische schaduwvloot in de Noordzee een gevaar vormen voor Nederland vanwege het risico op milieuschade, sabotage of spionage;

overwegende dat het enteren van schepen van de Russische schaduwvloot een krachtig signaal afgeeft, risico's kan beperken en laat zien dat ons deel van de Noordzee niet tegen ons gebruikt mag worden;

verzoekt de regering per omgaande harder op te treden tegen voornoemde schepen en deze te enteren voor onderzoek (en eventueel inbeslagname) indien zij zich niet kunnen identificeren of hun registratie niet klopt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon.

Zij krijgt nr. 56 (36800-V).

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Boswijk van het CDA.

De heer Boswijk (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Aangezien mijn opperhoofd waarschijnlijk toch bezet is, heb ik vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland en de EU zo spoedig mogelijk strategische kwetsbaarheden moeten afbouwen;

overwegende dat het daarom noodzakelijk is om vaker met gelijkgestemde landen kopgroepen te vormen op concrete dossiers zoals grondstoffen, militaire samenwerking en energie;

constaterende dat ambassadeurs van diverse Noord-Europese landen, ofwel Nordic Plus, de behoefte hebben gedeeld om samen te werken met Nederland;

overwegende dat de Tweede Kamer op parlementair niveau structureel contact wil onderhouden met parlementariërs in Noord-Europese landen;

verzoekt de voorzitter om in dit kalenderjaar een contactgroep Noord-Europa op te richten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Van der Burg, Piri, Van der Werf en Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 57 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland binnen de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA) inzet op het afronden van regelgeving voor diepzeemijnbouw en dat Nederlandse bedrijven hierin vooroplopen;

overwegende dat het uitblijven van duidelijke ISA-regels leidt tot onzekerheid voor verantwoord opererende bedrijven en onze strategische autonomie verder zal ondermijnen;

verzoekt de regering zich samen met gelijkgezinde landen extra in te spannen om de regelgeving binnen de ISA voortvarend af te ronden en daarbij actief op te komen voor Nederlandse bedrijven die investeren in innovatieve en verantwoorde diepzeemijnbouw, en de Kamer elk halfjaar te informeren over de voortgang van de Nederlandse inzet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Van der Burg, Piri, Van der Werf en Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 58 (36800-V).

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik heb een korte vraag over deze motie. Kan ik deze motie interpreteren als "tegen diepzeemijnbouw" of als "voor diepzeemijnbouw"?

De heer Boswijk (CDA):

Wat mij betreft is het niet zwart-wit. Het is vóór verantwoorde diepzeemijnbouw.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Oké. Dan is duidelijk dat mijn fractie tegen zal stemmen.

De heer Boswijk (CDA):

Dat is jammer. Want wat is er op dit moment aan de hand? Een aantal landen is de regelgeving aan het blokkeren en frustreren. Dat zijn de grootmachten waar we het vaak over hebben gehad. Uiteindelijk willen ze om deze regelgeving heen werken. Wat ons betreft moeten we dat niet willen. Tegelijkertijd biedt diepzeemijnbouw wel heel veel kansen voor onze energietransitie, onze herbewapening en noem maar op. Dit is dus een mooie middenweg.

Ik moet heel erg opschieten, zie ik.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Tweede Kamer in 2023 heeft uitgesproken dat de Holodomor, ofwel de door het Sovjetregime opzettelijk veroorzaakte hongersnood in Oekraïne in 1932 en 1933, naar hedendaagse maatstaven te erkennen en te veroordelen is als genocide;

constaterende dat in de gemeente Den Haag een initiatief is genomen om ook in de stad van vrede en recht een gedenkplaats voor de Holodomor op te richten;

verzoekt de regering stappen te ondernemen om een Nederlands monument ter nagedachtenis aan de Holodomor te realiseren, en hier voor de internationale Holodomorherdenking op de vierde zaterdag van november de Kamer over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Van der Werf, Erkens, Stoffer, Ceder, Piri en Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 59 (36800-V).

De heer Boswijk (CDA):

Tot slot, voorzitter, een motie die erg lijkt op de motie van de heer De Roon.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de geloofwaardigheid van sancties afhankelijk is van de handhaving;

overwegende dat de Duitse minister van Buitenlandse Zaken heeft opgeroepen het internationale zeerecht te moderniseren om het ontduiken van sancties op de Russische schaduwvloot tegen te gaan;

overwegende dat de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk inmiddels zijn overgegaan op het onderscheppen van schepen van de Russische schaduwvloot;

verzoekt de regering in navolging van de VS, het VK en Frankrijk de Russische schaduwvloot harder aan te pakken door verdachte olietankers zo mogelijk te onderscheppen en samen met Duitsland op te trekken om te bekijken of eventuele juridische bezwaren hiertegen in het internationale zeerecht kunnen worden weggenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Van der Werf, Piri, Erkens, Stoffer en Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 60 (36800-V).

De heer Boswijk (CDA):

Tot slot, voorzitter. Heel veel dank aan de minister voor de beantwoording, aan de collega's voor het mooie debat en aan u voor het voorzitten.

De voorzitter:

Dank u wel. Daar gaat u met uw motiequotum! Mevrouw Piri heeft nog een vraag.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik vraag me iets af over de laatste motie, waar mijn naam onder staat. Wat heeft die met de heer De Roon te maken?

De heer Boswijk (CDA):

Ah, u wordt meteen wakker! U denkt "waar sta ik onder?"

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dan kan ik 't misschien nog terugtrekken!

De heer Boswijk (CDA):

Nee, dat was zowaar een heel genuanceerde motie van de heer De Roon, moet ik zeggen. Die motie van de heer De Roon ging over het aanpakken van de Russische schaduwvloot. Ik weet dat de heer De Roon in zijn inbreng het punt heeft aangehaald dat we veel actiever moeten handhaven. Mevrouw Van der Werf heeft dat ook aangehaald en samen met de heer Paternotte heb ik hier vorig jaar voor gepleit. Toen wilde toenmalig minister Veldkamp er nog niet aan. Nu zijn we allebei met een soortgelijke motie gekomen.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Tot slot. Voor de volgende keer: voor een verkooppraatje als u mijn fractie onder een motie wil, moet u die niet vergelijken met eentje van de PVV.

De heer Boswijk (CDA):

Mijn motie was net iets beter, voorzitter.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dat overtuigt. De volgende spreker is de heer Hoogeveen van JA21.

De heer Hoogeveen (JA21):

Dank u, voorzitter. Wij vonden de beantwoording van de minister toch wat onbevredigend ten aanzien van de Oekraïnefinanciering via de EU-lening. We hebben een beetje het gevoel dat er balletje-balletje gespeeld wordt: wel of geen eurobonds, wel een cent of geen cent voor de Nederlanders.

Daarom de volgende moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij de EU-lening aan Oekraïne onduidelijkheid bestaat tussen de lidstaten en de Commissie over wie de rentekosten zal gaan dragen;

overwegende dat Nederland niet moet opdraaien voor extra rentelasten boven op bestaande afspraken;

verzoekt de regering om in EU-verband geen instemming te geven aan afspraken waarbij Nederland rentekosten van Europese leningen aan Oekraïne moet betalen;

verzoekt de regering te bepleiten dat de Commissie dit betaalt vanuit de EU-begroting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 61 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat tijdelijke gezamenlijke leningen steeds vaker worden gebruikt als financieringsinstrument;

overwegende dat dit op termijn kan leiden tot een de facto permanent eurobondmechanisme zonder expliciet democratisch mandaat;

verzoekt de regering zich actief te verzetten tegen iedere stap richting structurele gezamenlijke EU-schulduitgifte,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hoogeveen en Stoffer.

Zij krijgt nr. 62 (36800-V).

De heer Hoogeveen (JA21):

Ten slotte.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland momenteel slechts een zaakgelastigde heeft in Caracas, terwijl meerdere EU-landen een ambassadeur ter plaatse hebben;

overwegende dat te midden van de ontwikkelingen in Venezuela een volwaardige diplomatieke vertegenwoordiging cruciaal is voor het behartigen van de belangen van het Koninkrijk;

verzoekt de regering om de diplomatieke post in Caracas te versterken en de inzet te verhogen richting een volledige ambassadeursvertegenwoordiging,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 63 (36800-V).

De heer Hoogeveen (JA21):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker is de heer Dekker van Forum voor Democratie.

De heer Dekker (FVD):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in BNC-fiches nu bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit en gevolgen van beleid worden opgenomen;

constaterende dat het Nederlandse belang niet expliciet wordt gemaakt;

verzoekt de regering om in beleidsvoorstellen standaard een nationaalbelangtoets (NBT) op te nemen ter bevordering van een zorgvuldige procesgang en verhoging van het Nederlands draagvlak,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dekker en Markuszower.

Zij krijgt nr. 64 (36800-V).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Baarle van DENK.

De heer Van Baarle (DENK):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Israël groen licht heeft gegeven voor de verdere bezetting van de Westelijke Jordaanoever, onder meer door het E1-plan dat de noordelijke en zuidelijke delen van de Westelijke Jordaanoever van elkaar scheidt;

constaterende dat het Internationaal Gerechtshof reeds in 2024 oordeelde dat Israëls bezetting van de Palestijnse gebieden illegaal is en zo spoedig mogelijk beëindigd moet worden;

verzoekt de regering om sancties te bepleiten tegen personen en entiteiten die bijdragen aan de uitvoering van de plannen voor illegale nederzettingen in de Palestijnse gebieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 65 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het EU-onderzoek blijkt dat Israël met het handelen in Gaza en op de Westoever de mensenrechten schendt en daarmee artikel 2 van het handelsverdrag tussen de EU en Israël niet nakomt;

verzoekt de regering zich aan te sluiten bij Europese landen die wel pleiten voor directe opschorting van het associatieverdrag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 66 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de schendingen van de rechten van de Palestijnen en de schendingen van het internationaal recht gepleegd door Israël doorgaan en ook recentelijk zijn verslechterd, waaronder en niet uitputtend: illegale bezetting en annexatie van Palestijns land, het niet weerhouden van gewelddadige kolonisten om Palestijnen aan te vallen, het niet toelaten van humanitaire hulp of waarnemers, het slopen van het kantoor van een VN-organisatie en het belemmeren van hulporganisaties om hun werk te doen;

verzoekt de regering om de Israëlische ambassadeur te ontbieden vanwege de herhaaldelijke en structurele schendingen van de mensenrechten van de Palestijnen gepleegd door Israël,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 67 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om zich in te spannen voor onbelemmerde toegang tot humanitaire hulp voor Arabische, Koerdische en alle andere Syrische burgers die getroffen zijn door gevechtshandelingen, alsmede voor de continuering van het staakt-het-vuren en uitvoering van de overeengekomen bestanden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 68 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mensenrechtenorganisaties wijzen op mensenrechtenschendingen en het maken van burgerslachtoffers door alle kanten in het recent opgelaaide geweld in Syrië;

verzoekt de regering om zich in te spannen voor het voorkomen van straffeloosheid van plegers van mensenrechtenschendingen jegens Koerden, Arabieren en alle andere getroffenen in de recent opgelaaide strijd in Syrië,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 69 (36800-V).

De heer Van Baarle (DENK):

Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Oeigoerse bevolking wordt geconfronteerd met ernstige mensenrechtenschendingen, waaronder grootschalige dwangarbeid;

overwegende dat maatschappelijke organisaties een cruciale rol spelen bij het documenteren van misstanden en het ondersteunen van slachtoffers van de mensenrechtenschendingen waarmee de Oeigoerse bevolking wordt geconfronteerd;

verzoekt de regering om binnen de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken ruimte te vinden om organisaties te ondersteunen die zich inzetten voor de bescherming en bijstand van de Oeigoerse bevolking,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 70 (36800-V).

De heer Van Baarle (DENK):

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Stoffer van de SGP.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de EU en India na bijna twintig jaar een vrijhandelsakkoord hebben bereikt;

overwegende dat dit akkoord bijdraagt aan gedeelde welvaart, strategische autonomie en economische weerbaarheid;

overwegende dat de grondwettelijke godsdienstvrijheid in India onder druk staat en geweld tegen christenen zich met name concentreert in bepaalde deelstaten en regio's;

verzoekt de regering het bevorderen van godsdienstvrijheid en het tegengaan van geweld tegen christenen onverminderd prioriteit te geven, en daarbij juist ook op deelstaatniveau effectieve diplomatie te bedrijven, door principieel stelling te nemen én te benadrukken dat lokaal geweld en onvoorspelbaarheid het investeringsklimaat schaden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Ceder, Vermeer en Markuszower.

Zij krijgt nr. 71 (36800-V).

De heer Stoffer (SGP):

Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onderhandelingen over havens aan het Panamakanaal repercussies hebben voor het eigendom en de zeggenschap over havens elders;

overwegende dat de Rotterdamse haveninfrastructuur van strategisch geopolitiek belang is voor Nederland;

overwegende dat een uitruil van belangen tussen de VS en China ertoe kan leiden dat de Rotterdamse haven inzet wordt van concessies, zonder dat Nederland daar directe invloed op heeft;

verzoekt de regering alles in het werk te stellen om te voorkomen dat aanvullende Rotterdamse containerterminalcapaciteit in handen komt van een Chinees staatsbedrijf, en de Kamer hierover actief en onverwijld te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Hoogeveen en Boswijk.

Zij krijgt nr. 72 (36800-V).

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Tot slot dank ik de minister voor de beantwoording van de vele vragen. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Iraanse regime zich schuldig maakt aan grootschalig en buitensporig geweld tegen vreedzame demonstranten en maatschappelijke organisaties, en dat dit gepaard gaat met ernstige mensenrechtenschendingen;

overwegende dat een sterk en onafhankelijk maatschappelijk middenveld, zowel binnen Iran als onder Iraanse diasporaorganisaties, essentieel is voor het beschermen van mensenrechten, het documenteren van misdrijven en het ondersteunen van slachtoffers en hun families;

verzoekt de regering op de kortst mogelijke termijn een extra financiële inspanning te leveren voor het versterken van het Iraanse maatschappelijk middenveld, zowel in Iran als via Iraanse diaspora-organisaties, waaronder in Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen, Dobbe en Piri.

Zij krijgt nr. 73 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Israëlische overheid per 1 januari 2026 de vergunningen van 37 internationale humanitaire organisaties heeft ingetrokken en opgeschort, waardoor zij hun hulpverlening in Gaza en de Westelijke Jordaanoever moeten beëindigen;

constaterende dat deze maatregel leidt tot het wegvallen van een groot deel van de medische zorg, voedselhulp, watervoorziening en onderdak;

overwegende dat onafhankelijke humanitaire hulp onder het internationaal humanitair recht beschermd is en door het Internationaal Gerechtshof als essentieel is aangemerkt om genocide te voorkomen;

overwegende dat ook derde staten de plicht hebben om alles in het werk te stellen om onbelemmerde, neutrale en onafhankelijke humanitaire hulp mogelijk te maken;

verzoekt de regering om op nationaal niveau sancties in te stellen tegen de Israëlische regering tot de 37 organisaties hun humanitaire werkzaamheden in Gaza en de Westelijke Jordaanoever kunnen hervatten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen, Dobbe, Piri en Van Baarle.

Zij krijgt nr. 74 (36800-V).

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter. Tot slot heb ik nog één punt over die motie over diepzeemijnbouw. Het gaat me toch ernstig aan het hart om te zien dat de Kamer zonder debat hierover toch over een motie gaat stemmen met enorme gevolgen voor de ecologie. Nederland heeft jaren op het standpunt gestaan dat het het onderzoek naar die ecologische gevolgen afwacht. Ik zou toch echt wel willen dat we als Kamer eerst dat onderzoek afwachten voordat we hier een standpuntwijziging gaan voorstellen. Dus ik hoop dat de motie wordt ingetrokken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Boswijk is even weg. Hij hoort het dus later. Het woord is nu aan de heer Ceder van de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om met gelijkgezinde landen het voortouw te nemen in het organiseren van een conferentie van "middle powers" als de EU-lidstaten, Canada, Japan, Australië, het Verenigd Koninkrijk en andere landen ter versterking van de internationale rechtsorde en de gezamenlijke belangen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 75 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland net als bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Duitsland een speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging heeft, maar dat het demissionaire kabinet deze functie wil schrappen;

spreekt uit dat de functie van de speciaal gezant structureel bestendigd dient te worden;

verzoekt de regering om de functie van speciaal gezant met voldoende structurele middelen uit te rusten, ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging wereldwijd en ter vergroting van de diplomatieke daadkracht hierop,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Stoffer en Boswijk.

Zij krijgt nr. 76 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat inmiddels vier keer met brede steun een motie is aangenomen die de regering verzoekt om erkenning van de Armeense genocide, waarvan ook andere christelijke minderheden slachtoffer werden, zoals Assyriërs, Arameeërs (de Sayfo) en Grieken, maar dat de regering deze nog steeds zonder deugdelijke motivering weigert uit te voeren;

verzoekt de regering om uiterlijk per 24 april 2026 niet meer te spreken van "de kwestie van de Armeense genocide",

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 77 (36800-V).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb een laatste vraag over de kwestie van West-Papoea. Ik dien er geen motie over in. Er is jaren geleden een rapport aangeboden aan het kabinet. Het kabinet heeft dat toen in ontvangst genomen via een ambtenaar, niet via een bewindspersoon. Dat heeft tot best wat kritiek geleid. Ik wil hier plenair nogmaals het verzoek doen aan het kabinet om gewoon, zonder daarmee een waardeoordeel te geven aan het rapport of de inhoud daarvan, recht te doen aan die gemeenschap, die het al heel lang belangrijk vindt dat een bewindspersoon het rapport in ontvangst neemt. Er lijken me na een Kamermeerderheid ook geen deugdelijke redenen om dit rapport niet in ontvangst te nemen. Ik zou de minister dus toch willen verzoeken om deze afspraak met de nabestaanden in te plannen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot mevrouw Dobbe van de SP.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat verschillende minderheden, zoals de druzen en de alawieten, in Syrië zijn vermoord of ontvoerd;

constaterende dat de Koerdische bevolking is aangevallen, wat heeft geleid tot een humanitaire crisis in Kobani;

verzoekt de regering om actief bij te dragen aan onafhankelijk onderzoek dat inzet op het monitoren en de bewijsvergaring van mensenrechtenschendingen in Syrië, en de Kamer over deze bijdrage te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri en Teunissen.

Zij krijgt nr. 78 (36800-V).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onder het huidige Syrische regime verschillende misdaden tegen etnische minderheden zijn begaan;

verzoekt de regering oorlogsmisdaden in Syrië ondubbelzinnig te veroordelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Piri en Teunissen.

Zij krijgt nr. 79 (36800-V).

Mevrouw Dobbe (SP):

Voorzitter. Tot slot moet het mij van het hart dat het debat dat we hier hebben en de beantwoording van het kabinet over wat er gebeurt met de Board of Peace van Trump en wat er gebeurt met de Palestijnen in Gaza en op de Westbank weer uitermate teleurstellend zijn wat ons betreft. Dat wil ik gezegd hebben. Rondom dit debat hebben we een aantal andere debatten gehad waarin we een aantal moties hebben ingediend. Ik hoop dat die worden aangenomen. Andere moties van de Kamer hierover zullen we zeker steunen. Het is duidelijk dat de Kamer aan zet is.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik had de Kamer beloofd dat nu gingen schorsen voor de beantwoording van de minister en dat we tegelijkertijd de dinerpauze zouden houden. Alleen, de minister heeft maar zeven minuten nodig om zich te buigen over het oordeel over de moties en hij moet straks weg. De vraag aan de Kamer is of we het nu gewoon af kunnen ronden, zeven minuten schorsing en dan de termijn van de minister, en het dineren even uit kunnen stellen. Ik hoor ja. Dat gaan we doen. We gaan zeven minuten schorsen.

De voorzitter:

Dames en heren, de zeven minuten zijn om. De minister gaat zijn oordeel geven over de moties en ook over de amendementen die ingediend zijn. De minister.

Termijn antwoord

Minister Van Weel:

Dank, voorzitter. Laat ik beginnen met een enkele vraag die ik nog had opgespaard tot de tweede termijn. De eerste is of de bezuinigingen op het Mensenrechtenfonds impact hebben op Iran. Het antwoord is nee. Voor Iran is het bedrag zelfs flink gestegen binnen het Mensenrechtenfonds. Ik kom zo terug op het oordeel over de motie. Ik was nog een antwoord schuldig. Ik zou nog een keer navraag doen naar berichten over Turkse aanwezigheid in Noordoost-Syrië. We hebben de berichten waaraan werd gerefereerd ook gezien, maar we hebben geen bevestiging dat dat zo is. Dus dat is de stand van zaken zoals ik die op dit moment kan melden.

Tegen de heer Ceder wil ik zeggen dat we hebben gereageerd op de vraag hoe wij de motie naar aanleiding van het rapport-Drooglever willen uitvoeren. Naar onze mening is het rapport aangenomen en is er ook een formele kabinetsreactie geweest. De heer Drooglever is inderdaad inmiddels overleden. Ik ben gaarne bereid om de nabestaanden ambtelijk een keer te ontvangen, maar een formele aanbieding van een rapport kan echt maar één keer en die is al geweest.

Voorzitter. Dan begin ik met de moties en doe ik daarna de amendementen, als u dat schikt.

De voorzitter:

Ja.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 46 van mevrouw Van der Werf over het agressietribunaal. Die is ontijdig. We hebben als kabinet een besluit genomen om ons in ieder geval in te spannen voor fase 1 en 2. Het besluit over fase 3 zal aan een volgend kabinet zijn. Dus ontijdig.

De voorzitter:

Dan volgt de vraag aan mevrouw Van der Werf of zij de motie wil aanhouden.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Voorzitter, ik dien haar in.

De voorzitter:

Dat betekent dat deze motie niet oordeel Kamer krijgt.

Minister Van Weel:

Nee. Dan wordt zij ontraden, omdat we daar nu geen dekking en plannen voor hebben.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 46 wordt ontraden.

Minister Van Weel:

Dan de motie op stuk nr. 47 van mevrouw Van der Werf.

De voorzitter:

O, er is nog een vraag van de heer Van der Burg.

De heer Van der Burg (VVD):

Ik meende u "ontraden" te hebben horen zeggen, maar volgens mij zei de minister "ontijdig".

De voorzitter:

Ja, maar de indiener heb ik daarop gevraagd of die 'm wilde aanhouden, en het antwoord was: nee, ik wil 'm in stemming brengen. Dat betekent dat de motie het oordeel "ontraden" krijgt.

Minister Van Weel:

Ja, dan moet ik de motie een oordeel geven en dat is "ontraden".

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 47.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 47 krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 47: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 48 over een Europese veiligheidsraad: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 48: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 49 over gefaseerde toetreding: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 49: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 50 van de heer Van der Burg over diplomatieke visa: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 50: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 51 is een spreekt-uitmotie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 51: spreekt uit.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 52 van mevrouw Piri: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 52: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 53 van mevrouw Piri: oordeel Kamer

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 53: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

Dan de motie op stuk nr. 54 van de heer De Roon over de predikers. Met de aantekening dat het altijd een case-by-caseafweging zal zijn, kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De heer De Roon knikt, dus krijgt de motie op stuk nr. 54 oordeel Kamer. Er is een interruptie van de heer Van Baarle.

De heer Van Baarle (DENK):

Heeft de minister de tekst erboven gezien, waarbij het er weer om gaat om alleen mensen uit een bepaalde geloofsgemeenschap, namelijk de islamitische geloofsgemeenschap, te noemen? Naar die aard vind ik dat een discriminerende motie en vind ik dat een kabinet dat zich houdt aan de rechtsstaat en het gelijk behandelen van iedereen, zo'n motie nooit oordeel Kamer zou mogen geven.

Minister Van Weel:

De motie vraagt hier naar deze specifieke groep. Vandaar dat we 'm op die manier geapprecieerd hebben.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Of ik lees 'm niet goed of de minister niet. Er staat niet "islamitische haatpredikers". Er staat "islamitische predikers". Dus dat zijn allerlei soorten imams die naar Nederland komen. Er staat: "verzoekt de regering om per direct inreisverboden in te stellen tegen deze personen en hen te registreren als ongewenste vreemdeling". Sinds wanneer zijn in Nederland islamitische imams niet meer welkom?

Minister Van Weel:

Ik pak de motie er even bij.

De voorzitter:

Het gaat om de motie op stuk nr. 54.

Minister Van Weel:

Ik kan de motie even niet vinden, dus als u hem even voorleest …

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik zie dat ik 'm ook niet helemaal goed las. Mijn excuses daarvoor. Er staat: "overwegende dat dat de tijd rijp is om daadkrachtig op te treden tegen islamitische predikers die Nederlandse staatsburgers of onze democratische rechtsstaat bedreigen." Volgens mij is daar niemand tegen. Maar wij zijn toch in het algemeen tegen alle mensen van buiten Europa, of ze nou gelovig zijn of niet, of het nou imams zijn of niet, die een bedreiging vormen voor Nederlandse staatsburgers of de democratische rechtsstaat? Daar zijn we toch altijd tegen? Toch niet alleen als het een specifieke groep betreft?

Minister Van Weel:

Nee, maar het een sluit het ander naar mijn mening niet uit. Ik handhaaf in dit geval mijn "oordeel Kamer".

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 54 blijft oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 55.

Minister Van Weel:

Dan de motie op stuk nr. 55 over het verdrag van Ottawa. Die ontraad ik. Wij zien geen aanleiding voor Nederland om dat verdrag nu op te zeggen. Er was natuurlijk een aanleiding waarom dit verdrag ooit tot stand is gebracht, namelijk om het aantal onschuldige slachtoffers na oorlogen te verkleinen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 55: ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 56 geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 56: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 57 is aan de Voorzitter.

De motie op stuk nr. 58 van de heer Boswijk geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 58: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 59 van de heer Boswijk geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 59: oordeel Kamer.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik vind het toch een beetje een vreemde appreciatie van de motie op stuk nr. 58, over diepzeemijnbouw. Het kabinet heeft jarenlang het standpunt gehad: we wachten het onderzoek af naar de ecologische effecten van diepzeemijnbouw; de diepzee, waar nog nooit eerder enige mijnbouw heeft plaatsgevonden. En dan zegt het kabinet nu, vlak voordat er een nieuw kabinet aantreedt: we gaan dit standpunt na jaren eventjes wijzigen met deze motie. Vindt de minister dit niet een beetje een voorbeeld van over het eigen graf heen regeren?

Minister Van Weel:

Ik zie deze motie niet als een wijziging van het standpunt. Wij zetten ons er al jaren voor in om een exploitatieregeling overeen te komen die voldoet aan de Nederlandse inzet in lijn met het kabinetsstandpunt. We werken in dit verband al nauw samen met gelijkgezinde landen. Daarnaast wordt in de aanloop naar de onderhandelingen ook met de Nederlandse sector en het maatschappelijk middenveld gesproken. Ik zie de tegenstelling zoals u die verwoordt dus niet.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Het standpunt van het kabinet stond altijd op onderzoek. Hoe interpreteert de minister dit dan anders dan als een duidelijke ja voor diepzeemijnbouw?

Minister Van Weel:

De uitkomst van een onderzoek kan ook zijn dat je het niet doet. Het gaat ons om een verantwoorde regeling.

De voorzitter:

Ik wil de indiener van de motie graag het woord geven. De heer Boswijk.

Minister Van Weel:

Gezondheid!

De heer Boswijk (CDA):

Inderdaad gezondheid aan de niezende collega. De motie is eerder een aansporing om het te prioriteren, want we zijn er al jaren over aan het spreken en aan het soebatten wat voor regelgeving het moet zijn en hoe dat passend moet zijn. We weten dat een aantal landen het blokkeert. We vinden die regelgeving ontzettend belangrijk. We zeggen ook niet "schuif het aan de kant" of "doe het gewoon", maar "prioriteer dit", juist om te voorkomen dat andere landen zonder enige regelgeving aan de gang gaan. Daar dreigt het nu wel heen te gaan, dus het is inderdaad wat de minister zegt.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 58: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 59: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 59: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 60, van de heer Boswijk: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 60: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 61, van de heer Hoogeveen. Ik ben het eens met de inzet, maar ik kan die niet garanderen. Daarom moet ik 'm in deze vorm ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 61: ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 62. Dit wordt een definitiekwestie. Ja, wij zijn tegen eurobonds, maar er zijn bepaalde soorten gezamenlijke leeninstrumenten waar wij niet mordicus tegen zijn. Denk aan het SAFE-instrument. Denk ook aan hoe nu de 90 miljard tot stand is gekomen. Dus ook die motie moet ik in deze vorm ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 62: ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 63, over de ambassadeur in Caracas, wil ik oordeel Kamer geven, met het enige voorbehoud dat we wel continu bekijken hoe de situatie zich ontwikkelt en wat het goede moment is om dat ook daadwerkelijk te doen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 63: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 64, over de nationaalbelangtoets, is overbodig. Zoals ik zei, dient dit altijd mee te worden genomen in elke beoordeling.

De voorzitter:

Meneer Dekker, wat wilt u met deze motie? U wilt haar in stemming brengen. De motie op stuk nr. 64 is overbodig, maar die wordt gewoon in stemming gebracht.

De motie op stuk nr. 65.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 65, over sancties tegen illegale nederzettingen: met verwijzing naar het debat ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 65: ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 66, over directe opschorting: ontraden, ook met verwijzing naar het debat.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 66: ontraden.

Minister Van Weel:

Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 67, over het ontbieden van de ambassadeur.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 67: ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 68, over humanitaire hulp, geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 68: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 69, over straffeloosheid, geef ik ook oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 69: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 70, over steun aan de Oeigoerse bevolking: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 70: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

Dan de motie op stuk nr. 71, van de heer Stoffer, over het tegengaan van geweld tegen christenen in India: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 71: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 72, over containerterminals. Als ik dat mag lezen als een oproep tot actie, zo vraag ik aan de heer Stoffer, dan kan ik die oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De heer Stoffer knikt. De motie op stuk nr. 72: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 73, van mevrouw Teunissen, over extra inspanningen voor het middenveld, geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 73: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 74, over nationale sancties naar aanleiding van de registratieplicht, ontraad ik met verwijzing naar het debat.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 74: ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 75, van de heer Ceder, over de middle powers, wil ik ontraden. We hebben diverse gremia waarin wij spreken met deze landen, zowel in EU-verband als in NAVO-verband.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 75: ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 76, over de speciaal gezant: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 76: oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 77 over de kwestie van de Armeense genocide is ontijdig. Ik verwijs naar wat de minister-president tijdens het debat over de Europese Raad heeft gezegd, namelijk dat wij eerst wachten op een volledige ondertekening van het vredesakkoord en de ratificatie en dat we daarna ons oordeel zullen herzien.

De voorzitter:

Ik vraag aan de heer Ceder of hij de motie wil aanhouden. Dat is niet het geval. Dan wordt de motie op stuk nr. 77 ontraden.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 78 van mevrouw Dobbe geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 78 krijgt oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

De motie op stuk nr. 79 van mevrouw Dobbe geef ik ook oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 79 krijgt ook oordeel Kamer. Dan de amendementen.

Minister Van Weel:

Dan de amendementen. Dat waren er vier. Ik begin met het amendement op stuk nr. 40 van de leden Stoffer en Dobbe. Dat gaat over het openhouden van de ambassade in Juba. Dat amendement moet ik ontraden. Er zijn tot aan de begrotingsbehandeling geen onomkeerbare stappen gezet. De kosten zijn 4 miljoen per jaar. Dat budget moet dan elders worden gevonden. Het is echt aan een nieuw kabinet om af te wegen waar de financiële dekking wordt gevonden. Ik heb al gezegd dat weloverwogen is afgewogen waarom deze ambassade nu juist op de lijst is gezet om te worden gesloten.

De voorzitter:

Heb ik goed gehoord dat dit over de motie op stuk nr. 40 gaat?

Minister Van Weel:

Het amendement op stuk nr. 40, ja.

De voorzitter:

Ja, het amendement op stuk nr. 40. Dat amendement is ontraden.

Mevrouw Dobbe (SP):

We vragen het kabinet niet om hier keuzes in te maken. Er zit gewoon een dekking bij. Kan de minister daarop reflecteren?

Minister Van Weel:

Ja. Ik kan zeggen dat die dekking ook niet meer bestaat. Tijdens de behandeling van de eerste suppletoire begroting is namelijk informatie gegeven over de verdeling van de gelden waar hier aan gerefereerd wordt. Die gelden zijn er dus op dit moment niet. Die reeks staat op nul.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 40 is ontraden.

Minister Van Weel:

Ook het amendement op stuk nr. 42 van de heer Van Baarle moet ik ontraden. Ik deel de zorgen over de dwangarbeid in Xinjiang. U sprak daar met mijn collega De Vries tijdens haar begrotingsbehandeling ook al over. Op mijn begroting staat het Mensenrechtenfonds. Dat kent vijf mensenrechtenprioriteiten, maar niet het tegengaan van dwangarbeid. Dat valt dus niet binnen mijn begroting en daarom moet ik het amendement ontraden. Binnen de prioriteiten die ik wel heb — dat zijn vrijheid van meningsuiting, vrijheid van religie en het steunen van maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers — is echter wel degelijk aandacht voor de Oeigoeren en hun rechten in algemene zin.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 42 is ontraden.

Minister Van Weel:

Dan het amendement op stuk nr. 43 van de heer Van Baarle. Dat geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 43 krijgt oordeel Kamer.

Minister Van Weel:

Ook het amendement op stuk nr. 45 van het lid Dobbe geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 45 krijgt oordeel Kamer.

Dan hebben we nog twee amendementen, ten eerste het amendement op stuk nr. 17 van het lid Ceder.

Minister Van Weel:

Dat heb ik niet paraat, voorzitter.

De voorzitter:

Heeft u wel het amendement op stuk nr. 41 paraat, ook van Ceder?

Minister Van Weel:

Nee, ook niet.

De voorzitter:

De heer Ceder komt eraan.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Volgens mij heb ik beide amendementen ook vormgegeven in moties. Eentje is aangenomen en eentje heeft oordeel Kamer. Het amendement op stuk nr. 41 gaat volgens mij over vredesprojecten.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 41 gaat over het versterken van de internationale rechtsorde.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ja, over vredesprojecten. Dat amendement trek ik bij dezen in. Daarover is een motie aangenomen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Als de motie wordt aangenomen, zal ik ook het andere amendement intrekken, maar dat is nu nog voorwaardelijk, want als ik het amendement nu intrek en als de motie wordt verworpen, hebben we niets. Ik ga ervan uit dat het amendement ontraden is, maar ik trek het in nadat er dinsdag over de motie gestemd is.

De voorzitter:

De minister knikt. Het amendement op stuk nr. 17 is dus ontraden, maar wij gaan zien wat daar verder mee gebeurt. Dank u wel.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit begrotingsdebat. Ik wil de minister hartelijk danken, evenals de Kamerleden en de ondersteuning. Daarmee sluit ik de vergadering

Sluiting