[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Fiche: Verordening Europese Business Wallet

Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Brief regering

Nummer: 2026D01713, datum: 2026-01-16, bijgewerkt: 2026-01-22 13:49, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4232 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.

Onderdeel van zaak 2026Z00735:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


22112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 4232 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 januari 2026

Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij vijf fiches die werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).

Fiche: Europees Aanvullend Pensioenpakket (IORP II , PEPP) (Kamerstuk 22 112, nr. 4230).

Fiche: Herziening verordening 904/2010 betreffende toegang EOM en OLAF tot btw-informatie op het niveau van de Unie (Kamerstuk 22 112, nr. 4231).

Fiche: Verordening Europese Business Wallet.

De minister van Buitenlandse Zaken,

D.M. van Weel

Fiche: Verordening Europese Business Wallet

Algemene gegevens

  1. Titel voorstel

Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van Europese portemonnees voor ondernemingen.

  1. Datum ontvangst Commissiedocument

19 november 2025

  1. Nr. Commissiedocument

COM(2025) 838

  1. EUR-Lex

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex:52025PC0838

  1. Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing

{SWD(2025) 837 final}

  1. Behandelingstraject Raad

Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie (TTE)

  1. Eerstverantwoordelijk ministerie

Ministerie van Economische Zaken in nauwe samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

  1. Rechtsbasis

Artikel 114 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).

  1. Besluitvormingsprocedure Raad

Gekwalificeerde meerderheid

  1. Rol Europees Parlement

Medebeslissing

Essentie voorstel

  1. Inhoud voorstel

Op 19 november jl. heeft de Commissie een voorstel gepubliceerd ter introductie van Europese Business Wallets (EBW-verordening) als onderdeel van het Digital Package. Dit voorstel beoogt een geharmoniseerd, grensoverschrijdend digitaal stelsel te creëren waarmee organisaties, bedrijven en overheden elkaar kunnen identificeren, authentiseren en onderling veilig gegevens en documenten kunnen uitwisselen. Het Digital Package van de Commissie is bedoeld om EU-bedrijven te helpen innoveren, opschalen en besparen op administratieve kosten, en bestaat naast dit voorstel uit de Digitale Omnibus, de omnibus AI en de Strategie voor de data-unie waarvoor zelfstandige BNC-fiches met de Kamer zijn gedeeld.1 Het hoofddoel van de voorgestelde verordening is structurele lastenverlichting door interne-marktbelemmeringen weg te nemen en het realiseren van snellere administratieve processen in zowel B2B (business-to-business) als B2G (business-to-government) relaties. Het voorstel bouwt grotendeels voort op de technische en juridische infrastructuur van de recent herziene eIDAS-verordening, waarin onder meer European Digital Identity (EUDI) wallets voor natuurlijke personen en nieuwe vertrouwensdiensten werden geïntroduceerd.​​2

De Commissie schetst het huidige gefragmenteerde digitale landschap waarin bedrijven – met name in grensoverschrijdende – activiteiten bij het voldoen aan hun administratieve of rapportageverplichtingen vaak opnieuw (dezelfde) gegevens moeten aanleveren met papieren of digitale documenten via niet-interoperabele digitale kanalen. Dit veroorzaakt voor het bedrijfsleven, vooral het MKB, hoge nalevingskosten. De European Business Wallet (hierna: EBW) wordt door de Commissie gezien als kerninstrument om bij te dragen aan het behalen van die doelstellingen voor administratieve lastenverlichting uit de Strategische Agenda 2024-20293 en het EU-kompas voor concurrentievermogen.4 Het voorstel sluit verder aan bij de Draghi5 en Letta6 rapporten en de horizontale interne-marktstrategie, waarin is geconstateerd dat administratieve lasten en fragmentatie binnen de interne markt de schaalbaarheid van Europese bedrijven en het Europese concurrentievermogen afremmen, met onder meer afhankelijkheid van risicovollere aanbieders als gevolg, bijvoorbeeld op het gebied van digitale infrastructuur, AI en cloud- en datadiensten. Het voorstel schetst ook synergiën met andere initiatieven zoals de Single Digital Gateway, het Digital Product Passport en de Interoperable Europe Act (2024/903).

Een EBW is een digitale oplossing waarmee de eigenaar van een EBW (een bedrijf, organisatie of publieke instantie) veilig bedrijfsgegevens en andere informatie kan opslaan, beheren en delen. Zo kunnen bijvoorbeeld elektronische attesteringen van attributen (een digitaal bewijs van bijvoorbeeld een vergunning) gedeeld worden, machtigingen worden uitgegeven en via elektronische aangetekende bezorgdiensten berichten en data veilig en betrouwbaar worden verstuurd en ontvangen. In feite is een EBW een combinatie van een digitale kluis voor organisaties met een software as a service (SaaS) functie, waarbinnen zij veilig informatie kunnen opslaan en deze, waar nodig, gericht en beveiligd kunnen delen met andere organisaties. EBW’s moeten aan vereiste basisfuncties voldoen, waaronder het veilig beheren en delen van elektronische attesteringen en bedrijfsgegevens, het ondersteunen van beveiligde communicatie met andere wallets en vertrouwende partijen, het ondertekenen en valideren met gekwalificeerde elektronische middelen en het beheren van eigen gebruikersautorisaties en transactiegeschiedenis. Aanbieders van EBW’s kunnen naar eigen invulling aanvullende functies of diensten aanbieden, voor zover deze niet interfereren met de basisfuncties. Het aanbod van EBW’s is onder de EBW-verordening in beginsel aan de markt, maar publieke organisaties worden niet gehinderd ingeval zij een zelfontwikkelde EBW in gebruik willen nemen. Anders dan in de herziene eIDAS-verordening, wordt geen verplichting opgelegd aan lidstaten om een EBW aan te bieden. EBW-aanbieders moeten aan specifieke eisen voldoen op het gebied van veiligheid en cybersecurity. Zo moeten EBW-aanbieders gevestigd zijn binnen de EU, hier hun hoofdvestiging hebben en mogen zij niet onder controle of zeggenschap staan van derde landen of entiteiten uit derde landen. Verder moeten EBW-aanbieders voldoen aan de eisen voor vertrouwensdienstverleners uit de eIDAS verordening en voldoen aan de cybersecurityvereisten uit de NIS2-richtlijn.

De herziene eIDAS-verordening introduceerde een raamwerk voor de EUDI wallet voor natuurlijke personen, waarmee zij hun digitale identiteit en informatie veilig kunnen beheren en gebruiken bij (online) diensten, met hoge eisen aan beveiliging, interoperabiliteit en privacy. De EUDI wallet voor natuurlijke personen bestaat uit een app op een telefoon en heeft daarom ook vooral de focus op minimale openbaarmaking en privacy, terwijl de EBW in de ICT-infrastructuur van een bedrijf werkt en voor bedrijven naast deze aandachtspunten transparantie en herleidbaarheid van belang zijn met het oog op risicomanagement, compliancy en fraudepreventie. Dat was de reden om voor de EBW een nieuwe verordening op te stellen. De EBW-verordening amendeert wel de eIDAS verordening met als doel om duidelijk onderscheid te maken tussen het gebruik van een EUDI-wallet voor natuurlijke personen en een EBW voor bedrijven en organisaties. De EBW-verordening borduurt ook voort op dit raamwerk: zij gebruikt dezelfde infrastructuur van vertrouwensdiensten (zoals attesteringen van attributen, elektronische handtekeningen/zegels, tijdstempels en aangetekende bezorgdiensten) maar richt zich op zakelijk gebruik door bedrijven, ondernemingen, organisaties en publieke instanties. Tussen EBW's en EUDI-wallets moet bovendien volledige interoperabiliteit bestaan, onder meer voor het toegangsbeheer voor gebruikers van een EBW door het aantonen van de juiste machtigingen. Ook moet dit zelfstandigen en eenmansbedrijven in staat stellen hun bestaande EUDI-wallet plus een gekwalificeerde elektronische aangetekende bezorgdienst te gebruiken om toegang te krijgen tot vertrouwensdiensten en data via dit veilige communicatiekanaal te versturen, zonder een volledige EBW te hoeven aanschaffen.​​

De kernambitie van dit voorstel is het vereenvoudigen van administratieve processen en rapportageverplichtingen door een vertrouwd digitaal systeem te creëren voor identificatie, authenticatie, ondertekening en gegevensuitwisseling, dat in alle lidstaten dezelfde rechtsgevolgen heeft als papieren processen. Met deze infrastructuur moet het economisch vrij verkeer binnen de interne markt gemoderniseerd en gestroomlijnd worden, en het principe ‘digital by default’ ondersteund worden. Daarmee moet de groei en ontwikkeling van Europese bedrijven worden bevorderd en hun concurrentievermogen worden versterkt. Bedrijven worden dan ook niet verplicht een EBW in gebruik te nemen of te accepteren, hoewel de verwachting is dat de adoptiegraad onder bedrijven heel hoog zal zijn. De verordening legt wel verplichtingen op aan publieke instanties: zij moeten daar waar zij aan bedrijven of organisaties administratieve procedures of rapportageverplichtingen opleggen, een EBW accepteren voor identificatie en authenticatie, elektronische handtekeningen en zegels, het indienen van documenten en het verzenden/ontvangen van kennisgevingen. Om die acceptatie te realiseren, moeten publieke instanties zelf een EBW en gekwalificeerde elektronische aangetekende bezorgdiensten in gebruik nemen.

De EBW-verordening lijkt zich door de acceptatieplicht te richten op B2G-processen: vergunningaanvragen, duurzaamheidsgegevens, jaarverslaggeving, deelname aan overheidsopdrachten, toegang tot subsidies en tal van andere interacties met nationale en EU-‑instellingen moeten via EBW's kunnen verlopen als de onderneming dat wil. De Commissie verwacht echter dat de EBW juist ook op grote schaal in B2B‑relaties zal worden gebruikt, bijvoorbeeld voor KYC-processen7, voor opening van vestigingen in een andere lidstaat, voor contractondertekening, voor uitwisseling van conformiteits- en duurzaamheidsgegevens (zoals in het Digital Product Passport) in de supplychain en de retailsector en voor rapportage in waardeketens. Er worden concrete tijd‑ en kostenbesparingen voorzien (zoals aanzienlijke reducties van compliance kosten per onderneming), met de verwachting dat het MKB relatief het meest zal profiteren.​​ Ook liggen er, gezien de internationale aard van handelsrelaties, kansen buiten de EU. Niet-EU bedrijven kunnen namelijk ook gebruik maken van een EBW en ervoor kiezen om EBW’s te accepteren. Ook kan er – na vaststelling van uitvoeringsverordeningen – onder voorwaarden gecommuniceerd worden met interoperabele vergelijkbare oplossingen uit niet-EU landen.

  1. Impact assessment Commissie

De Commissie heeft geen volledig impact assessment opgesteld, omdat het voorstel voor de EBW onderdeel is van de beleidskeuze die al in 2021 is beoordeeld in een impact assessment voor het Europese Digitale Identiteitskader. Het EBW-voorstel bouwt daarom voort op de voorkeursopties uit 2021, namelijk het opzetten van een geharmoniseerd kader voor digitale portemonnees met grensoverschrijdende interoperabiliteit en rechtsgevolgen. Dit kader wordt nu toegepast op zakelijke interacties voor bedrijven en publieke instanties.

In plaats van een nieuw impact assessment is een Staff Working Document (SWD) opgesteld met een analyse van kosten en baten. Deze kosten-batenanalyse toont aan dat, ondanks initiële kosten voor implementatie en terugkerende kosten voor licenties en onderhoud, de netto voordelen hoog zijn. De Commissie schetst dat bij brede ingebruikname totale potentiële jaarlijkse besparingen gelden voor zowel overheden als het bedrijfsleven van honderden miljarden euro’s. Ook bij een lagere ingebruikname is de verwachting dat de netto voordelen voor het bedrijfsleven direct positief zijn en voor overheden na het eerste jaar.

Ook stelt de Commissie dat er indirecte voordelen zijn, zoals meer vertrouwen in digitale transacties, minder fraude, een sterkere cyberweerbaarheid en milieuwinst door minder papiergebruik.

Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

  1. Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Het voorstel sluit op meerdere belangrijke vlakken aan op het Nederlandse beleid, namelijk op het gebied van lastenverlichting voor bedrijven, de inzet op veilige elektronische gegevensuitwisseling en publieke dienstverlening aan bedrijven. Net als de Commissie, vindt het kabinet het belangrijk dat bedrijven op een veilige, betrouwbare en gebruiksvriendelijke wijze transacties digitaal kunnen verrichten in zowel het private als het publieke domein. Gezien de internationale context waarin veel bedrijven opereren, is het belangrijk om grensoverschrijdende digitale transacties ook op een geharmoniseerde en interoperabele wijze mogelijk te maken.

Het kabinet zet zich in het kader van het versterken van het Nederlandse ondernemingsklimaat en verdienvermogen in voor het creëren van de juiste randvoorwaarden voor bedrijven.8 Een belangrijk onderdeel van deze randvoorwaarden is lastenverlichting en regeldrukvermindering voor bedrijven, in het bijzonder voor kleine ondernemers en het MKB. Onderdeel daarvan is naast het concreet verminderen van administratieve lasten voor bedrijven, ook het vereenvoudigen van de naleving van verschillende regels, zoals KYC- of rapportageverplichtingen. Daarnaast zet het kabinet zich in voor het versterken van de Europese interne markt en het wegnemen van belemmeringen voor ondernemers en burgers.9

Het kabinet ziet elektronische vertrouwensdiensten als een belangrijk onderdeel voor vertrouwen in de digitale economie. Europese samenwerking is hierbij van groot belang omdat hierdoor een gelijk niveau van vertrouwen in de integriteit en authenticiteit van digitale transacties binnen de EU ontstaat. Zo kunnen belemmeringen voor (digitale) handel en dienstverlening binnen de EU worden gereduceerd.10

Het kabinet zet zich met de Nederlandse Digitaliseringstrategie11 in voor een overheidsbrede en samenhangende digitale dienstverlening die ondernemers en burgers centraal stelt. Een van de prioriteiten is dat ondernemers ervaren dat ze met één dienstverlenende overheid te maken hebben. Het voorstel richt zich onder andere op het verlichten van administratieve lasten in het contact tussen bedrijven en overheden (B2G) door een standaard neer te zetten voor veilige en gemakkelijke communicatie en het delen van gegevens met de overheid. Dit sluit goed aan op initiatieven zoals het verbeteren van de samenhang tussen portalen, de doorontwikkeling van de overheidsbrede loketfunctie en MijnOverheid Zakelijk, een centrale plaats waar ondernemers zaken kunnen doen met de overheid.

Nederland is actief betrokken bij de praktische invulling van de EBW-verordening door mede leiding te geven aan het consortium WE BUILD12 dat in Europees verband werkt aan de realisatie van concrete toepassingen waarin de EBW wordt gebruikt. Met de door het kabinet geïdentificeerde verbeteringen kan de EBW uitgroeien tot een vertrouwd en breed geaccepteerd instrument binnen de interne markt, dat Europese bedrijven helpt efficiënter te opereren en beter te profiteren van de mogelijkheden van de digitale economie.

  1. Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Het kabinet steunt het initiatief van de Commissie en de ambitie om de digitale interne markt te versterken met dit voorstel voor een EBW, met een belangrijke rol voor elektronische vertrouwensdiensten. Het kabinet acht het van belang dat hierbij een juiste balans moet zijn tussen het vereenvoudigen van administratieve processen en het waarborgen van een veilig en betrouwbaar gebruik van de EBW in relatie tot overheidsdienstverlening (B2G).

Het kabinet is van oordeel dat de voorgestelde verordening een belangrijk instrument vormt om de concurrentiekracht van Europese bedrijven te versterken. Door administratieve processen en rapportages – zowel in de relaties tussen bedrijven onderling (B2B) als tussen bedrijven en overheden (B2G) – te vereenvoudigen, versnellen en betrouwbaarder te maken, draagt het voorstel bij aan een efficiëntere en toekomstbestendige interne markt. Het zal bovendien een stimulans zijn voor een duurzame, veilige en interoperabele digitale economie en kan uitgroeien tot de hoeksteen voor het digitaal zakendoen binnen de Europese Unie.

Het kabinet steunt in het bijzonder de marktgerichte aanpak die in het voorstel wordt gehanteerd. De EBW’s zullen in beginsel door marktpartijen worden ontwikkeld en aangeboden, met bevordering van innovatie en concurrentie tot gevolg. Deze benadering sluit ook aan bij het bestaande Europese kader voor (gekwalificeerde) vertrouwensdiensten. Door voort te bouwen op reeds ontwikkelde componenten binnen het ecosysteem van vertrouwensdiensten wordt de interoperabiliteit vergroot en het gebruik van deze infrastructuren gestimuleerd. De Nederlandse inzet bij vertrouwensdiensten heeft zich altijd gekenmerkt door het belang te hechten aan kwalitatief sterk toezicht. Het kabinet acht het van belang dat ook bij de EBW de publieke waarden zoals veiligheid en betrouwbaarheid geborgd blijven. Tevens acht het kabinet van zeer groot belang dat lidstaten bevoegd blijven voor het vaststellen van de juridische identiteit van bedrijven en overheidsorganisaties, om bijvoorbeeld identiteitsfraude tegen te gaan.

Ook is het kabinet positief over de voorgenomen facultatieve aard van de EBW, waardoor bedrijven zelf kunnen besluiten over het in gebruik nemen daarvan. Het kabinet vindt het belangrijk dat er sprake blijft van vrijwillig gebruik en het al dan niet gebruiken van een EBW niet leidt tot ongelijke toegang of behandeling in interacties met de overheid. Het kabinet hecht dan ook waarde aan de publieke dienstverlening voor bedrijven en zal zich in de onderhandelingen dan ook inzetten voor de continuïteit van publieke dienstverlening. Nader onderzoek dient aan te tonen op welke wijze de bestaande en nieuwe oplossingen naast elkaar kunnen blijven bestaan. Met name de efficiëntievoordelen en kostenbesparingen bij het gebruik van een EBW zullen bedrijven moeten overtuigen om ervoor te kiezen. Daaraan draagt bij dat het voor publieke instanties, zoals (decentrale) overheden en uitvoeringsorganisaties, verplicht wordt om EBW’s te accepteren voor een aantal belangrijke onderdelen binnen hun processen, waaronder administratieve processen en rapportageverplichtingen. Het kabinet hecht er voorts belang aan dat er ook bij bepaalde belastende (rapportage)verplichtingen voor bedrijven in de private sfeer – zoals Wwft-verplichtingen voor onder meer financiële instellingen – lastenverlichting zal plaatsvinden, en zal de Commissie daarom vragen om toelichting rondom specifieke acceptatievereisten binnen bepaalde bedrijfssectoren.

Hoewel het kabinet het voorstel in grote lijnen kan steunen, zijn er aandachtspunten waar volgens het kabinet verdere versterking van het voorstel mogelijk is. Dit ziet onder andere op de reikwijdte van het voorstel en de verhouding van het voorstel tot andere trajecten en regelgeving. Het is voor het kabinet van belang dat de voorgestelde verordening aansluit bij andere EU-initiatieven en bestaande EU-regelgeving op het gebied van digitalisering en digitale identiteit, zoals de eIDAS-verordening. Het kabinet zal tijdens de onderhandelingen deze coherentie en consistentie bewaken.

Het kabinet heeft verder aandachtspunten die betrekking hebben op de inrichting van het toezicht, de beveiligings- en betrouwbaarheidseisen, verplichtingen voor publieke instanties, de conformiteitsbeoordeling van EBW’s en de uitvoerbaarheid van de voorgestelde implementatietermijnen.

Ten eerste acht het kabinet een robuust toezichtstelsel onmisbaar om het vertrouwen in de EBW te borgen, aangezien deze wallets een belangrijke rol zullen spelen in de veilige uitwisseling van bedrijfsgegevens en het valideren van digitale attesteringen. Omdat de toepassing directe gevolgen heeft voor handel, administratieve- en rapportageprocessen van bedrijven, moet bijzondere aandacht worden besteed aan conformiteitseisen en cybersecurity. Het kabinet is daarom van mening dat de combinatie van beperkte basisbeveiligingseisen voor EBW's plus alleen een lichte toetsing bij toelating van EBW’s plus de inrichting van toezicht achteraf (ex post) niet voldoende zal zijn om het juiste betrouwbaarheidsniveau van EBW’s te garanderen. Het kabinet zet in op meer waarborgen vooraf, zoals certificering. Het kabinet zal zich er daarbij voor inzetten hierbij een betere balans te vinden tussen lastenbeperking voor de uitgevers van EBW's en versimpeling enerzijds en betrouwbaarheidseisen van EBW's en toezicht op uitgevers daarvan anderzijds. Daarnaast vindt het kabinet het van groot belang dat de bevoegdheid van lidstaten om zelf toezichthoudende autoriteiten te benoemen gewaarborgd blijft, en zal er daarom voor pleiten dat deze bevoegdheid bij de lidstaat blijft in plaats van deze verplichtend te koppelen aan de eIDAS-verordening.

Ten tweede kent de EBW-verordening verplichtingen voor publieke instanties om een EBW te accepteren en te gebruiken, en tevens te beschikken over een gekwalificeerde elektronische aangetekende bezorgdienst. Het kabinet onderschrijft de analyse van de Commissie, dat het positieve effect op lastenverlichting alleen kan worden bereikt wanneer het huidige gefragmenteerde landschap van publieke voorzieningen structureel wordt aangepast tot een in EU-verband breed interoperabel stelsel. Daardoor zal er zeker sprake zijn van financiële en uitvoeringslasten. Het kabinet vindt dat de EBW’s voor publieke instanties financieel en operationeel uitvoerbaar moeten zijn. De lasten voor publieke organisaties die de EBW-verordening met zich meebrengt moeten ook in samenhang worden bezien met andere verplichtingen, zoals de verplichte acceptatie van inlogmiddelen en EUDI-wallets voor online identificatie en authenticatie en de vrijwilligheid van de EBW, waardoor meerdere digitale kanalen gefaciliteerd moeten worden om bedrijven te kunnen voorzien van dienstverlening. De kosten zullen waarschijnlijk hoger uitvallen dan geschetst door de Commissie. Daarom zal nader uitgezocht moeten worden wat de precieze (financiële) gevolgen zullen zijn. Het kabinet heeft oog voor de impact van deze verplichtingen op publieke organisaties en zal er in de onderhandelingen op inzetten dat de financiële- en uitvoeringslasten proportioneel en niet onevenredig zullen zijn, met aandacht voor de verschillende rollen die publieke organisaties hebben in dit kader. Het kabinet zal er bij de onderhandelingen op inzetten om voor publieke sector organisaties te verduidelijken wat de reikwijdte is van de procedures waarvoor zij EBW’s moeten accepteren.

Naast dit kostenaspect zal de introductie van de EBW impact hebben op de huidige praktijk bij de publieke dienstverleners. Het kabinet hecht waarde aan de publieke dienstverlening voor bedrijven uit de GDI. Nader onderzoek dient aan te tonen op welke wijze de bestaande en nieuwe oplossingen naast elkaar kunnen blijven bestaan. Het kabinet zal zich in de onderhandelingen inzetten om waar mogelijk de continuïteit van publieke dienstverlening te bewerkstelligen en wil waar mogelijk inzetten op synergie tussen bestaande Europese en nationale systemen om de uitvoeringslasten voor overheidsdienstverleners te minimaliseren.

Ten derde amendeert het voorstel de eIDAS verordening. Het kabinet steunt het doel om duidelijk onderscheid te maken tussen het gebruik van een EUDI-wallet voor natuurlijke personen en een EBW voor bedrijven. Tegelijkertijd bestaan er nog onduidelijkheden over hoe het voorstel zich verhoudt tot de eIDAS verordening, bijvoorbeeld op het gebied van vertegenwoordiging waarbij een natuurlijke persoon namens een rechtspersoon handelt. Het kabinet acht het van belang dat hier duidelijkheid over verschaft wordt.

Ten vierde vindt het kabinet het positief dat in de voorgestelde verordening wordt geregeld dat aanbieders van EBW’s in de Europese Unie moeten zijn gevestigd, hun hoofdactiviteiten en belangrijkste bedrijfsvoering binnen de Europese Unie moeten hebben en niet onder zeggenschap of controle van een derde land of entiteit buiten de Europese Unie mogen staan. Deze eisen dragen in belangrijke mate bij aan het versterken van de Europese digitale open strategische autonomie en helpen te voorkomen dat afhankelijkheden ontstaan van partijen buiten de Europese Unie. Wel merkt het kabinet op dat er in het voorstel niet wordt voorzien in gebruik van Europese datacentra of clouddiensten. Het kabinet zal daarom om opheldering vragen hoe de Commissie voornemens is ook op dat punt de opzet van het stelsel te versterken. Ook heeft het kabinet vragen over hoe deze vestigingseisen voor dienstverleners uit derde landen zich verhouden tot de internationale verplichtingen van de EU op basis van (bilaterale) handelsakkoorden en akkoorden van de Wereldhandelsorganisatie.

Ten vijfde merkt het kabinet op dat er in het voorstel geen verplichting is opgenomen om de broncode van EBW’s onder een open-sourcelicentie beschikbaar te stellen. Hoewel de EBW een ander doel dient dan de EUDI-wallets voor burgers, kan open source technologie bijdragen aan het vergroten van de beveiliging en het vertrouwen in het systeem. Gezien de belangrijke positie die EBW's zullen hebben in de digitale infrastructuur van de EU en de publieke dienstverlening, vindt het kabinet het daarom wenselijk om na te gaan of ook bij de EBW het openstellen van broncode als middel kan worden beschouwd om de beveiliging en betrouwbaarheid te versterken. Daarom zal het kabinet er tijdens de onderhandelingen op toezien dat de toegang voor dienstverleners uit (gelijkgezinde) handelspartners niet onnodig belemmerd wordt.

Ten zesde voorziet het voorstel in een ‘European Digital Directory’ (EDD), die als vertrouwde bron van informatie voor eigenaren van EBW’s zal fungeren. Deze EDD is geen uitgebreid register met bedrijfsinformatie, maar kan gezien worden als het telefoonboek met de elektronische vindplaats van bedrijven met EBW's. Het kabinet steunt de opzet dat de Commissie deze EDD zal beheren. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat het gebruiken van een dergelijk groot register uitdagingen kan opleveren voor de schaalbaarheid en de praktische bruikbaarheid van het stelsel. Het kabinet zal de Commissie daarom vragen om toe te lichten welke maatregelen en ontwerpkeuzes zij neemt om ervoor te zorgen dat dit register ook op de lange termijn goed bruikbaar en schaalbaar blijft. Voorts worden in de EDD persoonsgegevens opgeslagen. Het kabinet zal de Commissie vragen om privacy bevorderende maatregelen te nemen bij de inrichting van de EDD.

Het kabinet zet zich in om actief bij te dragen aan de verdere uitwerking van deze verordening in de Raad en samen met andere lidstaten en de Commissie te werken aan een robuust, betrouwbaar en toekomstgericht stelsel. Nederland doet dat deels al door leiding te geven aan het consortium WE BUILD dat in Europees verband werkt aan de realisatie van use cases waar de EBW wordt gebruikt. Met de door het kabinet geïdentificeerde verbeteringen kan de EBW uitgroeien tot een vertrouwd en breed geaccepteerd instrument binnen de interne markt, dat Europese bedrijven helpt efficiënter te opereren en beter te profiteren van de mogelijkheden van de digitale economie.

  1. Eerste inschatting van krachtenveld

De eerste reacties van de lidstaten op het voorstel zijn wisselend. Enkele lidstaten verwelkomen het voorstel waarbij de Commissie met deze wetgeving regeldruk wil verlagen en versimpelen. EBW’s worden door een aantal lidstaten, waaronder Nederland, als belangrijke technologie gezien met veel potentieel. Enkele lidstaten verwijzen naar de eigen bestaande nationale oplossingen, vrezen overlap en meerdere lidstaten hebben zorgen uitgesproken over de verplichtingen en mogelijk hoge kosten voor publieke organisaties.

Meerdere lidstaten hebben vragen over de verhouding tussen de EBW en de bestaande eIDAS verordening en de Single Digital Gateway verordening en vragen aandacht voor de korte implementatietermijnen. Veel lidstaten hebben net als Nederland vragen over veiligheidseisen, certificering en het toezicht. De positie van het Europees Parlement is nog niet bekend. Het is nog niet bekend in welk comité het voorstel wordt behandeld en wie de rapporteur voor het voorstel is.

Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

  1. Bevoegdheid

Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Het oordeel van het kabinet is positief. Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dit geeft de EU de bevoegdheid tot harmonisatie van wetgeving die de instelling en de goede werking van de interne markt betreft. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag, aangezien het voorstel de goede werking van de digitale interne markt faciliteert. Op het terrein van de interne markt heeft de EU een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid (artikel 4, lid 2, sub a, VWEU).

  1. Subsidiariteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet is positief. De voorgestelde verordening heeft tot doel te zorgen voor een goede werking van de digitale interne markt door met wederzijdse erkenning van EBW’s en door middel van vertrouwensdiensten veilige en betrouwbare elektronische transacties tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en overheden te bevorderen. Gezien de sectorbrede en grensoverschrijdende context kan dit onvoldoende door de lidstaten op nationaal niveau worden verwezenlijkt. Daarom is een EU-aanpak nodig. Met het voorstel, wordt een gelijk speelveld op de interne markt gecreëerd en worden belemmeringen op de interne markt weggenomen.

  2. Proportionaliteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet is positief. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat de voorgestelde verordening tot doel heeft te zorgen voor een goede werking van de digitale interne markt door met wederzijdse erkenning van EBW’s en door middel van vertrouwensdiensten veilige en betrouwbare elektronische transacties tussen bedrijven en overheden te bevorderen. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat een geharmoniseerd en interoperabel ecosysteem voor EBW’s wordt gecreëerd, dat openstaat voor vrijwillig gebruik door bedrijven.

    Het kabinet heeft wel vragen over de proportionaliteit van de specifieke verplichting voor publieke sector organisaties om zelf een EBW in gebruik te nemen. Mogelijk kan een publieke dienstverlener de verplichting voor het ontvangen van documenten en het verzenden en ontvangen van notificaties op een met de EBW interoperabele wijze ook op andere manieren realiseren dan het zelf bezitten van een EBW. Daarom zal het kabinet de Commissie hierover om opheldering vragen.

    Omdat enkel publieke instanties wordt verplicht om EBW’s te accepteren, gaat het voorgestelde optreden voor bedrijven en andere organisaties niet verder dan noodzakelijk, omdat voor bedrijven geen systeemverandering gemandateerd wordt, maar wordt uitgegaan van gebruik naar aanleiding van de efficiëntievoordelen.

Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

  1. Consequenties EU-begroting

Volgens het voorstel moeten Europese instellingen – die interacteren met bedrijven –beschikken over een EBW. De verwachte kosten zijn in het eerste jaar 7 miljoen euro (incl. opstartkosten), daarna jaarlijks 5 miljoen euro. Daarnaast dienen IT-systemen van de EU aangepast te worden om aan te kunnen sluiten op de EBW. De Commissie schat de kosten hiervoor in op 41,3 miljoen euro. Ook dient de Commissie een European Digital Directory te ontwikkelen. De opstartkosten voor de eerste twee jaar bedragen 3,7 miljoen euro, daarna gelden er jaarlijkse kosten van 1,3 miljoen euro. Voor het uitvoeren van de nieuwe taken op basis van de EBW-verordening heeft de Commissie 20 FTE’s nodig. Deze 20 FTE’s kunnen geheralloceerd worden binnen het verantwoordelijke Directoraat-Generaal van de Commissie. Het kabinet is van mening dat eventuele benodigde middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil bovendien niet vooruitlopen op de (uitkomst van) de onderhandelingen voor het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK) en de integrale afweging van middelen na 2027.. Daarnaast moet de ontwikkeling van de administratieve uitgaven in lijn zijn met de ER-conclusies van juli 2020 over het MFK-akkoord.

  1. Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden

Budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van de beleidsverantwoordelijke departementen, conform de regels van de budgetdiscipline. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar eventuele budgettaire gevolgen voor uitvoeringsorganisaties en medeoverheden.

De voorgestelde EBW-verordening heeft nationale financiële consequenties langs twee lijnen: inrichting van toezicht, en inrichting van overheidssystemen en de coördinatie daarvan. De inrichting van het toezicht op aanbieders van EBW’s zal aanvullende capaciteit vereisen van de te benoemen toezichthouder. Het voorstel voor de EBW-verordening vereist van publieke instanties dat zij EBW’s gaan accepteren en zelf over een EBW beschikken en beschikken over elektronische aangetekende bezorgdiensten. Daarvoor is inrichting van de juiste systemen vereist.

In de impactanalyse bij het voorstel schat de Europese Commissie de kosten in het eerste jaar op gemiddeld € 76.500 per overheidsinstantie door het maken van opstartkosten in het eerste jaar en vervolgens op gemiddeld € 12.000 per jaar. De verwachting van de Commissie is dat de netto baten voor publieke instanties als gevolg van de sterke efficiëntievoordelen, vanaf het tweede jaar positief zullen zijn. Kanttekening bij deze inschatting is dat de kosten sterk kunnen verschillen en afhankelijk zijn van de grootte van een overheidsorganisatie, adoptiegraad van de EBW en van de marktprijzen van aanbieders. Dit betreffen de geschatte kosten van de Commissie, een concrete raming door het kabinet van de nationale kosten is op dit moment nog niet te maken en hierover zal op een later moment de benodigde budgettaire besluitvorming plaatsvinden. Op basis van het voorstel wordt verwacht dat de kosten per publieke instantie over het algemeen hoger uit zullen vallen en te laag door de Commissie worden ingeschat.

De berekeningen van de Commissie zijn daarnaast gebaseerd op directe volledige ingebruikname van de EBW door het bedrijfsleven, hetgeen het kabinet op korte termijn niet realistisch acht. Het kabinet heeft daarom zorgen over de uitvoerbaarheid en budgettaire gevolgen van het voorstel. Het kabinet zal de Commissie daarom vragen om een aanvullende inschatting te maken van de kosten en efficiencyvoordelen voor publieke sector organisaties, waarin ook de kosten voor continuering van bestaande dienstverlening en het onderhoud en beheer van EBW meegewogen worden. Gedurende de onderhandelingen zal het kabinet zich ervoor inzetten dat de verplichtingen voor publieke organisaties niet zullen leiden tot onevenredige kosten, onder meer in verhouding tot bestaande Europese verplichtingen.

  1. Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger

Het voorstel voor een EBW-verordening komt voort uit het bredere plan om het concurrentievermogen van de EU te versterken, zoals uiteengezet door Commissievoorzitter Von der Leyen in haar politieke richtsnoeren voor de zittingsperiode 2024-2029. De Commissie geeft aan dat, zoals benadrukt in het Draghi-rapport, de opeenstapeling van regels soms een negatief effect heeft gehad op het concurrentievermogen. Door naleving van regelgeving voor bedrijven te vereenvoudigen en zo belemmeringen op de interne markt weg te nemen zou het voorstel de concurrentiekracht moeten versterken.

Het voorstel heeft geen aanvullende regeldruk voor bedrijven of burgers tot gevolg. Het in gebruik nemen van een EBW kan voor bedrijven kosten met zich meebrengen. Deze kosten zullen afhankelijk zijn van het marktaanbod. Het gebruik van een EBW is echter facultatief. Bovendien moet het gebruik van een EBW aanzienlijke lastenverlichtingen voor bedrijven tot gevolg hebben, die de in verhouding beperkte kosten voor het eventuele gebruik van een EBW zullen dekken. Het voorstel bevat voorzieningen voor ZZP’ers en eenmanszaken die ertoe moeten bijdragen dat zij niet een volledige EBW hoeven aan te schaffen, waardoor ook voor deze categorie ondernemers de kosten beperkt blijven.

  1. Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

Het voorstel komt voort uit het bredere plan om het concurrentievermogen van de EU te versterken. De Commissie noemt dat, zoals benadrukt in het Draghi-rapport, de opeenstapeling van regels soms een negatief effect heeft gehad op het concurrentievermogen. Door de te realiseren lastenverlichting en het wegnemen van interne-marktbelemmeringen voor bedrijven zou het voorstel de concurrentiekracht van de EU moeten versterken. Daarnaast acht het kabinet het voornemen dat EBW’s door entiteiten uit derde landen gebruikt kunnen worden voor B2B-interacties met Europese bedrijven positief, op voorwaarde dat de toelatingseisen aan de EBW worden aangescherpt.

Het kabinet vindt het positief dat aanbieders van EBW’s in de Europese Unie moeten zijn gevestigd, hun hoofdactiviteiten en belangrijkste bedrijfsvoering binnen de Europese Unie moeten hebben en niet onder zeggenschap van een derde land of entiteit buiten de Europese Unie mogen staan. Hiermee wordt de Europese digitale open strategische autonomie versterkt en helpt dit te voorkomen dat ongewenste afhankelijkheden ontstaan van partijen buiten de Europese Unie. Tegelijkertijd zal het kabinet de Commissie om opheldering vragen over hoe deze vestigingseisen voor dienstverleners uit derde landen zich verhouden tot de internationale verplichtingen van de EU op basis (bilaterale) handelsakkoorden.

Wel biedt het voorstel de mogelijkheid om – na adoptie van uitvoeringshandelingen - in de toekomst vergelijkbare interoperabele oplossingen uit derde landen te accepteren. Het gebruik van EBWs in derde landen zou het bereik en daarmee ook de economische voordelen bij het gebruik van EBW's kunnen vergroten. Wel acht het kabinet het van belang dat het accepteren van vergelijkbare oplossingen uit derde landen te verenigen is met de verplichtingen voor vestiging en zeggenschap van aanbieders, het voorkomen van afhankelijkheden en het garanderen van veiligheid en betrouwbaarheid van gegevens en gebruik.

Implicaties juridisch

  1. Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

Nationale uitvoeringsregelgeving is naar verwachting nodig om op nationaal niveau toezicht en handhaving in te richten. De mate waarin aanpassing vereist is in nationale regelgeving, is afhankelijk van de uiteindelijke definitieve tekst van de EBW-verordening en de vast te stellen uitvoeringshandelingen.

Het voorstel draagt ook bij aan een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens (artikel 8) in overeenstemming met de AVG. De functie voor selectieve openbaarmaking, geïnspireerd op het Europees kader voor digitale identiteit, dient bijvoorbeeld ook als een maatregel ter bescherming van persoonsgegevens, aangezien gebruikers van de EBW's kunnen bepalen welke gegevens en hoeveelheid gegevens worden gedeeld met andere eigenaren van EBW's en partijen die daarop vertrouwen. Daarnaast moet bij de voorbereiding van de implementatie van de Europese digitale directory rekening worden gehouden met de relevante beginselen en verplichtingen inzake gegevensbescherming, zoals dataminimalisatie en gegevensbescherming door ontwerp en standaardinstellingen.

  1. Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

Het voorstel bevat bevoegdheden voor de Commissie om uitvoeringshandelingen vast te stellen (artikel 5, vijfde lid, artikel 6, vijfde lid, artikel 8, zevende lid, artikel 9, vierde lid, artikel 10, eerste, derde, vierde en zesde lid, artikel 13, tiende en twaalfde lid, en artikel 17, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van het voorstel). Dit betreft de bevoegdheden om referentiestandaarden vast te stellen en waar nodig specificaties en procedures te definiëren; eisen vast te stellen voor de uitgifte en verificatie van owner identification data; specificaties, eisen en procedures definiëren voor de toekenning van unieke identifiers aan wallet-eigenaren; een European Digital Directory (EDD) in te stellen, te beheren en te onderhouden; corrigerende of beperkende maatregelen vaststellen bij niet-naleving door aanbieders EBW’s; en gelijkwaardigheidsbesluiten vast te stellen (en in te trekken) wanneer buitenlandse systemen garanties bieden die gelijkwaardig zijn aan EBW’s.

Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk. Op die manier worden cruciale zaken als technische uniformiteit, grensoverschrijdende interoperabiliteit en een uniform veiligheidsniveau gegarandeerd. Daarnaast verdienen uitvoeringshandelingen in dit opzicht de voorkeur, vanwege de behoefte aan flexibiliteit en snelheid in het wetgevingsproces, en het niet hoeven te belasten van een wetgevingsprocedure met de uitwerking van deze onderdelen. De keuze voor uitvoering in plaats van delegatie ligt hier voor de hand omdat het gaat om uitvoering van de verordening volgens eenvormige voorwaarden. De uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van verordening 182/2011. Toepassing van deze procedure is hier volgens het kabinet op zijn plaats vanwege het feit dat deze van algemene strekking zijn (artikel 2, lid 2 onder a verordening 182/2011). Het kabinet acht het daarom op zijn plaats dat deze handelingen via de onderzoeksprocedure (artikel 19) worden vastgesteld..​

  1. Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De voorgestelde verordening stelt een termijn van 12 maanden na inwerkingtreding voor de aanwijzing en inrichting van het nationale toezicht en handhavingsbevoegdheden, en de notificatie aan de Commissie daarvan. De voorgestelde verordening stelt daarnaast een termijn van 24 maanden na inwerkingtreding voor acceptatie van EBW’s door publieke instanties. Het kabinet acht beide implementatietermijnen te kort. Uitwerking van het voorstel volgt namelijk pas na vaststelling van dit voorstel in de uitvoeringshandelingen. Pas na vaststelling van de uitvoeringshandelingen kunnen concreet de gevolgen voor uitvoering en de financiële gevolgen in kaart worden gebracht. Het kabinet zal zich inzetten voor verruiming van deze termijnen.

  1. Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

In het Commissievoorstel is een evaluatiebepaling opgenomen. De Commissie zal de werking en effectiviteit van de EBW-verordening drie jaar na inwerkingtreding van de verordening evalueren en het resulterende verslag delen met het Europees Parlement en de Raad. Het kabinet kan zich hierin vinden.

  1. Constitutionele toets

Voor zover bij de uitwisseling van bedrijfsgegevens, het valideren van digitale attesteringen en EDD persoonsgegevens van burgers worden verwerkt, raakt dit aan het grondrecht van privacy zoals gewaarborgd in de Grondwet, Handvest van de grondrechten van de EU en de AVG. De inzet van het kabinet is daarbij uiteraard dat de verwerking voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit.

Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

De beoogde toezichthouder voor de voorgestelde verordening is de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI). In het voorstel is de inrichting van het toezicht gekoppeld aan dat voor de eIDAS verordening. Het kabinet vindt het echter van groot belang dat de bevoegdheid van lidstaten om zelf toezichthoudende autoriteiten te benoemen gewaarborgd blijft, en zal er daarom voor pleiten dat deze bevoegdheid bij de lidstaat blijft. De RDI is over het algemeen positief over de voorgestelde verordening. Wel heeft de RDI daarbij een aantal vragen en zorgen, die overeenkomen met de aandachtspunten van het kabinet.

De RDI beveelt bijvoorbeeld aan om te pleiten voor de inrichting van ex-ante toezicht (vooraf) in de verordening, in plaats van ex-post toezicht (achteraf). In dat kader heeft de RDI ook zorgen over de toekenning van algemene rechten aan alle gekwalificeerde vertrouwensdienstverleners, en adviseert hier als vangnet aanvullende toezichtsmogelijkheden voor in te richten. De RDI constateert verder dat toezichthouders op wallets en vertrouwensdiensten over het algemeen niet over de mogelijkheden beschikken om cryptografische software en hardware te beoordelen, en adviseert op deze onderdelen van de EBW een certificeringsverplichting op te nemen.

De RDI acht het opnemen van een automatische toestemming bij niet-tijdige afhandeling van notificaties door een toezichthouder onwenselijk. Dit kan leiden tot misbruik door notificerende partijen. De bestaande nationale bestuursrechtelijke regelgeving voldoende wettelijke waarborgen voor een tijdige en correcte afhandeling van notificaties. De mogelijkheid voor de Commissie om in te grijpen biedt een goed vangnet wanneer nationaal toezicht tekortschiet in een lidstaat waardoor de veiligheid van alle lidstaten zou worden geraakt, maar zou enkel in uitzonderlijke gevallen en met zorgvuldige evaluatie moeten worden toegepast. Het kabinet neemt de opmerkingen en vragen van de RDI mee in de onderhandelingen over het voorstel, en zal de RDI daar waar toepasselijk ook bij betrekken.

Volgens het voorstel moeten publieke organisaties beschikken over een EBW en dienen zij EBW’s van bedrijven te accepteren. Dit vraagt om de nodige aanpassingen in hun digitale infrastructuur en processen voor overheidsdienstverlening aan bedrijven.

Tegelijkertijd hecht het kabinet er zeer groot belang aan dat het gebruik van EBW’s voor bedrijven en organisaties vrijwillig moet blijven en niet mag leiden tot beperkte toegang tot overheidsdienstverlening. Lidstaten behouden de ruimte om alternatieve vormen van transacties overeind te houden. In de praktijk betekent dit dat een alternatieve wijze voor dienstverlening aan bedrijven beschikbaar dient te blijven, bijvoorbeeld door de huidige wijze van dienstverlening te continueren. Dit leidt ertoe dat publieke organisaties verschillende systemen in beheer dienen te hebben en dienen te onderhouden. Tegelijkertijd kan het gebruik van EBW’s op termijn ook een positieve impact hebben op de uitvoeringslasten van publieke organisaties, aangezien de inschatting is dat aanvragen en documenten van bedrijven sneller gecontroleerd en beoordeeld kunnen worden zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de beoordeling. Het kabinet zal de potentiële gevolgen voor publieke organisaties, met name uitvoeringsorganisaties en medeoverheden, dan ook nauwlettend volgen en hiertoe onder meer een uitvoeringstoets laten uitvoeren. Daarnaast zal het kabinet zich inzetten op het verduidelijken van de reikwijdte van dit voorstel opdat de implementatie uitvoerbaar is voor lidstaten en administratieve lastenverlichtingen voor het bedrijfsleven in de praktijk zullen worden gerealiseerd.


Implicaties voor ontwikkelingslanden

Geen implicaties voor ontwikkelingslanden anders dan de genoemde consequenties voor derde landen in het algemeen, zoals aangegeven onder onderdeel 5d.


  1. Simpler EU digital rules and new digital wallets to save billions for businesses and boost innovation, Europese Commissie, 19 november 2025, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_25_2718.↩︎

  2. Verordening (EU) 2024/1183.↩︎

  3. https://www.consilium.europa.eu/nl/european-council/strategic-agenda-2024-2029.↩︎

  4. Communication from the Commission to the European Parliament, the European Council, the Council, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions: A Competitiveness Compass for the EU, COM/2025/30.↩︎

  5. Draghi, M. (2024), The Future of European Competitiveness: A competitiveness strategy for Europe https://commission.europa.eu/document/97e481fd-2dc3-412d-be4c-f152a8232961_en.↩︎

  6. Letta, E. (2024), Much more than a market. https://www.consilium.europa.eu/media/ny3j24sm/much-more-than-a-market-report-by-enrico-letta.pdf↩︎

  7. KYC, of ‘Know-Your-Customer’ processen zijn vaak verplicht voor onder meer financiële en juridische instellingen om de identiteit van klanten te verifiëren en risico's in kaart te brengen en witwassen, terrorismefinanciering en fraude te voorkomen.↩︎

  8. Kamerstuk 32637, nr. 706.↩︎

  9. Kamerstuk 22 112, nr. 3437 en Kamerstuk 22 112, nr. 4096.↩︎

  10. Kamerstuk 22 112, nr. 3161.↩︎

  11. Kamerstuk, 26 643, nr. 1366.↩︎

  12. Het WE BUILD Consortium is een zogenaamde Large Scale Pilot, een grootschalige test van een nieuwe technologie, dienst, systeem of proces in een realistische omgeving om de effectiviteit, haalbaarheid, en impact te evalueren voordat deze volledig op grote schaal wordt uitgerold, co-gefinancierd door de Europese Commissie. In WE BUILD werken bijna 200 organisaties samen, waaronder overheidsorganisaties, autoriteiten, bedrijven, wetenschappelijke instituten en technologie aanbieders.↩︎