Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de periodieke rapportage ‘Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn’ (Kamerstuk 29282-616)
Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D03537, datum: 2026-01-27, bijgewerkt: 2026-01-27 09:36, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: M. Heller, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2025Z21315:
- Indiener: J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2025-12-09 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-12-17 10:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-01-26 14:00: Periodieke rapportage ‘Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn’ (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-06-18 13:30: Arbeidsmarktbeleid in de zorg (Commissiedebat), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector
Nr.
INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld …………. 2026
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de periodieke rapportage ‘Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn’1.
Fungerend-voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Reactie van de minister
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de periodieke rapportage Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn en de brief van de minister hierover. Deze leden hechten groot belang aan een arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid dat aantoonbaar doeltreffend en doelmatig bijdraagt aan het terugdringen van de personeelstekorten in de zorg.
De leden van de D66-fractie constateren dat in de rapportage wordt gewezen op het ontbreken van concrete, meetbare doelstellingen bij een deel van de huidige regelingen. In dat licht vragen zij de minister bij welke arbeidsmarkt- en opleidingsregelingen inmiddels wel dergelijke doelstellingen zijn geformuleerd, en bij welke dit nog niet het geval is.
Daarnaast lezen deze leden dat veel regelingen niet systematisch zijn geëvalueerd en dat harde effectmetingen vaak ontbreken. Zij vragen de minister op welke termijn hij verwacht dat voor alle grote regelingen (experimentele) effectevaluaties beschikbaar zullen zijn, zoals door SEO wordt aanbevolen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deze rapportage. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie hebben al vaker in debatten aangegeven zich grote zorgen te maken over het lage aantal basisartsen dat kiest voor een specialisme buiten het ziekenhuis. Sommige extramurale opleidingen hebben zelfs plekken over. Het capaciteitsorgaan ziet deze ontwikkeling ook. Dat vraagt om voldoende inzet en behoud van artsen midden in de samenleving zoals huisartsen, jeugdartsen en specialisten ouderengeneeskunde. Het aantal basisartsen dat kiest voor een extramurale vervolgopleiding blijft ver achter bij wat noodzakelijk is voor de transitie van zorg naar gezondheid. De aantrekkelijkheid van extramurale opleidingen moet meer vergroot worden en binnen de geneeskundeopleidingen moeten de extramurale specialismen meer aandacht krijgen. Is de minister bereid hier nadrukkelijk extra aandacht aan te geven?
De leden van de VVD-fractie hebben enkele kritische signalen ontvangen over de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de opleiding financieel meer bij werkgevers neer te leggen. Genoemde leden begrijpen de behoefte voor meer strategische planning vanuit zorgaanbieders, maar voorzien dat hierdoor een oneerlijk speelveld kan ontstaan. Werkgevers die niet opleiden profiteren sterk van werkgevers die wél opleiden. Werkgevers die wel hun verantwoordelijkheid nemen, zullen immers hogere tarieven moeten hanteren vanwege de extra opleidingskosten. Kan de minister daarop reflecteren?
Ook de toezichthouder schrijft in de oplegger: “Bij een werkgeversverantwoordelijkheid past in het stelsel van zorg- en welzijn het verwerken van de opleidingskosten in de tarieven voor zorgprestaties. Een nadeel van deze optie is de beperkte mogelijkheid om middelen te oormerken. Hier schuilt een risico dat werkgevers onvoldoende middelen voor opleiden zullen vrijmaken.” De leden van de VVD-fractie willen weten hoe dit risico wordt voorkomen en hoe de minister ervoor zorgt dat perverse economische prikkels worden ingebouwd bij de keuze voor een ander financieringsmodel.
De leden van de VVD-fractie hebben behoefte aan een nadere reflectie op de keuze voor een ander bekostigingsmodel. Wat is de noodzaak voor een nieuw financieringsmodel?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorliggende periodieke rapportage ‘Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn’. Zij lezen dat de minister een beleidsmatige reactie op de aanbevelingen aan een nieuw kabinet laat, maar hebben hier toch vast enkele vragen over.
Allereerst lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat onderzoeksbureau SEO concludeert dat het opleidingsbeleid vaak potentieel doeltreffend is, maar dat er nog een gebrek is aan harde metingen. De doelmatigheid is potentieel beperkt door het risico van overcompensatie en verdringing van private investeringen, aldus de brief van de minister. Kan hier nader op worden ingegaan? Wat wordt hier precies bedoeld met verdringing van private investeringen? In het rapport lezen genoemde leden dat als het (verder) opleiding binnen de zorgsector zwaar gesubsidieerd wordt door de overheid, werkgevers minder noodzaak voelen om zelf te investeren in menselijk kapitaal. Hoe kijkt de minister hiernaar in het licht van de tekorten en uitdagingen waar we voor staan in de toekomst? Hoe kunnen private investeringen hier een doeltreffende rol in spelen, zonder dat het indruist tegen de opleidingsbehoeften in het veld?
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgen over de, in sommige regio’s, bovengemiddelde aanwezigheid van zelfstandige behandelcentra (zbc’s). Hoewel zbc’s het zorgsysteem kunnen ontlasten en vaak goede zorg leveren op het gebied van relatief niet-complexe aandoeningen, kunnen zbc’s ontwrichtend werken voor de arbeidsmarkt. Een van de redenen hiervoor is dat zij nauwelijks bijdragen aan de opleidingsopgave, terwijl zij tegelijkertijd wel zorgprofessionals wegtrekken bij ziekenhuizen met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden. Zo leveren zbc’s geen 24-uurs zorg, waardoor er geen of nauwelijks nachtdiensten hoeven worden gedraaid, en liggen de salarissen doorgaans hoger. Dit trekt het schaarse personeel weg bij de ziekenhuizen die hen in veel gevallen zelf hebben opgeleid, met alle gevolgen voor de continuïteit van zorg van dien. Hoe kijkt de minister naar deze ontwikkelingen? En welke stappen zijn er tot op heden ondernomen naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid Bushoff2 over doelstellingen voor zbc’s voor het intern opleiden van medisch personeel? Wat is de huidige stand van zaken en welke concrete stappen zijn inmiddels gezet, of op welke termijn verwacht de minister dit in gang te gaan zetten? En is de minister bewust van het feit dat deze problemen in bepaalde regio’s waar bovengemiddeld veel zbc’s gevestigd zijn, zoals Noord-Holland en Flevoland, een extra groot beslag op de reguliere en academische ziekenhuiszorg leggen? Is de minister bereid in dergelijke regio’s om tafel te gaan met ziekenhuizen en zbc’s over de invulling van zbc’s in de opleidingsopgave en gezamenlijk doelstellingen te formuleren die ook in andere regio’s kunnen worden toegepast?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de periodieke rapportage Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn en de bijbehorende beoordeling. Zij hebben hierover de volgende vragen.
In de rapportage wordt geconcludeerd dat voor veel opleidingsregelingen harde effectmetingen ontbreken. Kan de minister aangeven voor welke regelingen sinds 2016 geen effectevaluatie beschikbaar is, terwijl hiervoor wel aanzienlijke publieke middelen zijn ingezet?
In de rapportage kan wat betreft het arbeidsmarktbeleid geen oordeel worden gegeven over doeltreffendheid en doelmatigheid. Hoe beoordeelt de minister dit, gezien de aanhoudende personeelstekorten en hoge werkdruk in de zorg? In de rapportage wordt verder gewezen op risico’s van overcompensatie en verdringing door subsidies. Kan de minister aangeven in welke mate hiervan sprake is geweest en of publiek geld is ingezet zonder aantoonbaar extra effect?
Door het ontbreken van samenhang tussen regelingen is het instrumentarium als geheel niet goed te beoordelen. Wie is binnen het ministerie van VWS verantwoordelijk voor de regie op dit beleid en waarom heeft deze regie onvoldoende gewerkt? Hoe verhoudt de faciliterende rol van het ministerie van VWS zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om te zorgen voor voldoende zorgpersoneel en betaalbare zorg voor de Nederlandse patiënt? Kan de minister toezeggen dat toekomstige regelingen alleen worden ingevoerd met vooraf vastgestelde, meetbare doelstellingen en een onafhankelijke evaluatieopzet? En acht de minister het verantwoord om een inhoudelijke beleidsreactie door te schuiven naar een volgend kabinet, gezien de urgentie van de personeelstekorten in de zorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het SEO-rapport over het arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid in de zorg. Deze leden begrijpen de terughoudendheid van de minister ten aanzien van de aanbevelingen vanwege de demissionaire status van het kabinet, maar deze leden zouden alsnog graag een inhoudelijke kabinetsreactie willen ontvangen op de door SEO genoemde aanbevelingen en beleidsopties. Deze leden constateren dat het rapport concrete aanbevelingen bevat, die deze leden graag goed willen kunnen wegen.
De leden van de CDA-fractie maken van de gelegenheid gebruik om te vragen naar de stand van zaken van de nieuwe subsidie Strategisch opleiden Zorg en Welzijn (SO-ZenW).
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower-fractie
De leden van de Groep Markuszower-fractie zijn zich ervan bewust dat het arbeidsmarktprobleem niet alleen voorbehouden is aan het zorgveld, echter vinden zij wel dat juist dit werkveld tot de kritieke onderdelen van het Nederlandse werkveld behoort. Dit vraagt daarom om goede sturing én inzet door de overheid om het tij te keren. Opleiden en de structuur om binnen de zorg op te leiden vragen om innovatie en flexibiliteit. Dit belang zou de minister toch moeten onderkennen?
Met bovenstaande als fundament roept het rapport de nodige vragen op bij genoemde leden. Ondanks dat er meer geld is uitgegeven om het opleidings- en arbeidsmarktbeleid aan te pakken, blijven er enorme uitdagingen bestaan. Het rapport geeft duidelijk kritieke punten weer waar bloedspoed nodig is om deze verbeterpunten aan te pakken, zo vinden de leden van de Groep Markuszower-fractie. Deelt de minister deze zorgen en op welke wijze gaat de minister deze kritiekpunten en weeffouten in het systeem ombuigen om maximaal effectief te kunnen blijven investeren in het arbeids- en opleidingsbeleid voor de zorg? Genoemde leden willen enkele van de belemmerende factoren in het beleid benadrukken: er is onvoldoende zicht op de toekomstige personeelsbehoefte en op de daarbij benodigde kosten en baten van opleiden. Genoemde leden vragen de minister hoe dit kan bestaan. Regionaal zijn er afspraken, maar deze leiden niet tot een landelijke visie en beleid. Kan de minister toelichten hoe dit mogelijk is en welke stappen genomen worden om deze omissie op zo kort mogelijke termijn op te lossen? Begeleidingscapaciteit is inderdaad een belangrijke factor. Immers, als nieuwe mensen opgeleid dienen te worden, dan moeten zij begeleid worden. Dit gaat ten koste van inzet in de directe zorgverlening. Het landelijke project “Dutch” zou daar specifiek binnen de specialistische cure een oplossing voor moeten zijn. Wat is de stand van zaken van dit traject? Genoemde leden bereiken signalen dat het project te groot is om vlot te trekken. Bovendien lijkt Dutch in veel gevallen een lapmiddel of wellicht redmiddel te zijn om de reguliere opleidingskosten van hogescholen te financieren. Krijgt de minister deze signalen ook?
Tijdens eerdere debatten is al gewaarschuwd dat de opmars van zelfstandige behandelcentra ertoe leidt dat er een disbalans ontstaat op de arbeidsmarkt en dat dit leidt tot oneerlijke concurrentie met bijvoorbeeld de reguliere cure-sector. Zbc’s bieden vaak hogere lonen en kunnen vaak ook betere arbeidsvoorwaarden aanbieden. Is deze contraproductieve situatie een situatie die de minister wil laten bestaan, of vindt de minister net als genoemde leden dat er betere regulatie zou moeten zijn op deze sector? De leden van de Groep Markuszower-fractie zijn ervan overtuigd dat flexibel of responsief opleiden in de zorg een belangrijke oplossing kan zijn om het arbeidsmarkttekort op te heffen.
Het flexibel inzetten van personeel – en dus breed opleiden, zoals ooit eerder door de commissie Kaljouw is betoogd – is gediend bij responsief opleiden. Is de minister overtuigd van dit idee en vindt de minister dat opleidingen en met name hogescholen dit in voldoende mate omarmd hebben? Is de minister bereid om samen met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) hierover de Kamer op korte termijn te informeren?
Opleiden voor de zorg vraagt intense samenwerking met OCW. Immers, deels vallen opleidingen onder VWS, maar grotendeels onder OCW. Hoe zou de minister de harmonisatie tussen beide ministeries classificeren, waarbij een 10 maximale integratie en afstemming betekent en een 1 nauwelijks tot geen integratie en afstemming? Is de minister voorstander van verdere integratie van samenwerking binnen opleiden in het zorgdomein? Zou het niet beter zijn om de verantwoordelijkheid voor opleiden binnen de zorg te beleggen bij één ministerie? Om meerdere redenen kan dit leiden tot efficiëntie en borging van kwaliteit. Bijvoorbeeld, de positie in het werkveld van zorgenaamde EPA’s (entrusted profesional activities). Zowel zorginstellingen als ook opleidingsinstellingen ontwikkelen en beoordelen EPA’s. Vindt de minister dit een goede ontwikkeling? Welke regie voert de minister of de minister van OCW, of beiden, op de belangrijke ontwikkelingen rondom EPA’s zodat de echt eenduidig zijn en kunnen bijdragen aan verantwoord opleiden tot het gewenste niveau?
Zo bestaan er ook twee nauwelijks samenwerkende organisaties die de kwaliteit van opleidingen en de erkenning van nieuwe opleidingen beoordelen met verschillende normen en kwaliteitskaders. Bij OCW vinden we de NVAO en bij VWS vinden we het CZO. Is de minister bereid te onderzoeken of de integratie van beide organisaties mogelijk is?
Genoemde leden denken dat bij integratie en duidelijkheid over kwaliteitsstandaarden innovaties in opleiden voor de zorg makkelijker kunnen worden opgepakt en zo kunnen bijdragen aan responsief opleiden en bredere en dus flexibelere inzet op de arbeidsmarkt.
Tot slot lezen genoemde leden met grote verbazing dat er in relatie tot regelingen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de arbeidsmarkt, nauwelijks heldere en meetbare doelen zijn. En bovendien, dat de summiere doelen niet worden gemonitord. Met andere woorden, er is geen beleid en men kan doen wat men wil. Er is ook geen systematisch effectonderzoek met als doel te onderzoeken hoe interventies verbeterd kunnen worden. Hier zou de minister toch reeds actie op ondernomen hebben? Zo ja, welke acties zijn dat en kan de minister daar de Kamer op korte termijn over rapporteren?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de fractie BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Periodieke rapportage ‘Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn’. Zij hebben de volgende vragen aan de minister.
Uit de rapportage blijkt opnieuw dat personeelstekorten hardnekkig zijn en dat verschillen tussen regio’s toenemen. Vooral in krimp‑ en plattelandsregio’s lopen de tekorten verder op, terwijl de vraag tegelijkertijd stijgt. Kan de minister toelichten welke concrete maatregelen worden genomen om regionale verschillen in personeelstekorten terug te dringen en hoe borgt de minister dat voorzieningen in regio’s niet verder worden uitgekleed? Is de minister bereid om regionale arbeidsmarktcijfers voortaan structureel te koppelen aan financiële prikkels die de instroom in tekortregio’s aantrekkelijker maken? Kan de minister aangeven op welke manier hij voorkomt dat basisvoorzieningen in deze regio’s verder worden uitgekleed door oplopende personeelstekorten?
Verder constateren deze leden dat de opleidingscapaciteit door de jaren heen niet is meegegroeid met de feitelijke zorgbehoefte. Studenten kunnen opleidingen niet in, stageplekken zijn schaars en de uitval in de eerste opleidingsjaren blijft hoog. De leden van de BBB-fractie vragen de minister waarom Nederland afhankelijk blijft van tijdelijke impulsen en projectsubsidies in plaats van een structureel en toekomstbestendig opleidingsfundament. Wanneer verwacht de minister dat instroom en opleidingscapaciteit eindelijk in balans komen met de reële zorgvraag? Kan de minister inzicht geven in de tekorten per opleiding, uitgesplitst naar regio, en aangeven welke concrete stappen worden gezet om deze kloof te dichten?
Ook zien de leden van de BBB-fractie dat werkdruk, bureaucratie en een gebrek aan professionele zeggenschap nog steeds belangrijkste redenen zijn voor uitstroom. De leden van de BBB-fractie merken op dat nieuwe regelgeving vanuit VWS de administratieve druk eerder vergroot dan vermindert. Zij vragen de minister waarom het na jaren van toezeggingen nog niet is gelukt om de administratieve lasten substantieel terug te dringen. Welke concrete en meetbare stappen neemt de minister om de administratieve last in 2026 en 2027 daadwerkelijk te halveren? Op basis van welke indicatoren wil de minister beoordelen of deze reductie daadwerkelijk gerealiseerd wordt? Is de minister bereid om een maximaal percentage administratieve tijd vast te leggen zodat professionals hun vak weer centraal kunnen stellen?
Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat de inzet van buitenlandse zorgprofessionals een steeds grotere rol speelt in het vervullen van personeelstekorten. Hoewel dit tijdelijk kan helpen, mag het volgens hen nooit ten koste gaan van kwaliteit, veiligheid of taalvaardigheid op de werkvloer. Deze leden vragen de minister hoe hij waarborgt dat versnelde toelatingsroutes, zoals het schrappen van toetsen of verkorten van trajecten, niet leiden tot kwaliteitsverlies. Wat is op dit moment de minimale taaleis voor buitenlandse zorgprofessionals en hoe wordt deze getoetst? Kan de minister toelichten welke maatregelen worden genomen wanneer blijkt dat het taalniveau in de praktijk onvoldoende blijkt te zijn?
Daarnaast blijkt uit de rapportage dat een tekort aan stageplaatsen en praktijkbegeleiders een grote beperking vormt voor het opleiden van nieuwe professionals. Organisaties geven aan dat het door werkdruk bijna onmogelijk is om nieuwe studenten goed te begeleiden. De leden van de BBB-fractie vragen de minister waarom er nog geen structurele financiering voor opleiden is ingevoerd, zodat organisaties niet telkens afhankelijk zijn van wispelturige subsidies. Is de minister bereid om structureel budget beschikbaar te stellen voor praktijkleren, zodat opleiden niet langer in conflict komt met het leveren van zorg?
De leden van de BBB-fractie lezen in de Systematische Effect Analyse dat er nog steeds grote hiaten bestaan in de dataverzameling rond arbeidsmarkt en opleiden. Zonder goede data kan volgens hen geen enkel effectief arbeidsmarktbeleid gevoerd worden. Zij vragen de minister waarom deze data-infrastructuur na vele jaren nog steeds niet op orde is en wanneer de Kamer een volledig werkende landelijke én regionale arbeidsmarktmonitor kan verwachten. Is de minister bereid om regionale indicatoren structureel op te nemen, gezien de grote verschillen die zichtbaar worden tussen stedelijke en landelijke gebieden?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie de minister om een visie op de lange termijn. De rapportage schetst een buitengewoon zorgwekkend vooruitzicht richting 2030 en 2040: de zorgvraag stijgt fors, terwijl het aantal zorgprofessionals afneemt. De leden van de BBB-fractie vinden dat het tijd is voor een wettelijk verankerd meerjarig arbeidsmarkt‑ en opleidingsperspectief, vergelijkbaar met het capaciteitsplan voor medische opleidingen. Is de minister bereid om een dergelijk kader op te stellen zodat zorgorganisaties, opleiders en regio’s weten waar zij de komende jaren op kunnen rekenen en niet langer afhankelijk zijn van kortetermijnbeleid en losse maatregelen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de periodieke rapportage ‘Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn’. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie stellen dat het arbeidsmarktbeleid van de minister de afgelopen jaren te afwachtend is geweest. Er zijn vooral programma’s afgeschaft, zoals het stagefonds en het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ), zonder dat er grote nieuwe initiatieven zijn genomen. Ondertussen worden de arbeidstekorten alleen maar groter, waar zorgverleners, patiënten en mantelzorgers de dupe van zijn. Wanneer komt de minister eindelijk met een ambitieuze aanpak van de personeelstekorten in de zorg?
De leden van de SP-fractie constateren daarnaast dat de Kamer zich in tweederde meerderheid heeft uitgesproken voor “een wervingscampagne […], vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken”3, maar dat de minister dit weigert. Waarom wil de minister deze stap niet zetten en komt hij daarnaast niet zelf met een volwaardig alternatief?
Reactie van de minister