Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari 2026 (Kamerstuk 21501-30-687)
Raad voor Concurrentievermogen
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D08587, datum: 2026-02-26, bijgewerkt: 2026-02-26 15:21, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: H.W. Krijger, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 21501 30-688 Raad voor Concurrentievermogen.
Onderdeel van zaak 2026Z03754:
- Indiener: H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- 2026-03-03 16:45: Procedurevergadering Economische Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij zend ik u de antwoorden van het schriftelijk overleg voor de Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari. Deze vragen stuur ik u mede namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Klimaat en Groene Groei.
Heleen Herbert
Minister van Economische Zaken en Klimaat
Kamerstuk 21501-30-687
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie constateren dat in het beleidsdebat over het European Competitiveness Fund (ECF) de koppeling met de Europese grondstoffenstrategie en circulaire economie niet expliciet aan de orde komt, terwijl het BNC-fiche inzake RESourceEU er juist op wijst dat het ECF complementair moet zijn aan de doelstellingen op het gebied van leveringszekerheid en circulariteit van kritieke grondstoffen.
Is de minister bereid om tijdens het beleidsdebat over het ECF expliciet te pleiten voor voldoende ruimte binnen het fonds voor financiering van strategische projecten op het gebied van circulaire grondstoffen, recyclingcapaciteit en substitutie van kritieke materialen, waarbij selectie plaatsvindt op basis van excellentie en impact?
Ja, conform het BNC-fiche op het ECF zijn leveringszekerheid van en toegang tot kritieke grondstoffen, het belang van circulariteit daarbij en selectie op basis van excellentie en impact belangrijke onderdelen van de kabinetsinzet.1 Deze inzet zal het kabinet, waar opportuun, uitdragen.
De leden van de D66-fractie nemen in de tweede plaats kennis van de gedachtewisseling over de opvolging van de industriële actieplannen in het kader van de Clean Industrial Deal. Het kabinet stelt dat verduurzaming een stimulans voor weerbaarheid is en verwijst naar de komende Industrial Accelerator Act (IAA). Uit het verslag van de vorige Raad voor Concurrentievermogen2 blijkt dat Nederland reeds een non-paper over vraagcreatie voor schone producten in de chemie- en staalsector met de Europese Commissie heeft gedeeld. Kan het kabinet toelichten hoe het zich ervoor zal inzetten dat de Industrial Accelerator Act ambitieuze vraagcreatie-instrumenten bevat, zodat de verduurzaming van de Europese industrie niet langer uitsluitend afhankelijk is van aanbodgerichte subsidies maar structureel wordt verankerd in Europees marktbeleid?
Het kabinet is een groot voorstander van vraagcreatie als instrument om afzetmarkten te creëren en om verduurzaming van de industrie te stimuleren. Vraagcreatie creëert zekerheid voor afzet van duurzaam geproduceerde producten. Zoals het vorige kabinet met uw Kamer heeft gedeeld, is in de Kamerbrief toekomstperspectief energie-intensieve industrie3 en het non-paper over vraagcreatie in de chemie- en staalsector4 uiteengezet welke concrete maatregelen hier goed bij zouden passen, zoals labels, mandaten en productnormen. In aanloop naar de publicatie van de Industrial Accelerator Act (IAA) heeft het kabinet deze oproep meermaals herhaald in Brussel. Deze boodschap zal het kabinet blijven uitdragen en, indien nodig en waar mogelijk, in samenwerking met andere lidstaten trachten de IAA op deze punten te verbeteren tijdens de onderhandelingen over het wetsvoorstel, die zullen volgen na publicatie.
De leden van de D66-fractie constateren vervolgens dat de complementariteit tussen Horizon Europe (2028-2034) en het ECF, alsmede de randvoorwaarden voor Dual Use (tweeërlei gebruik) onderzoek en innovatie (O&I), nog onvoldoende zijn uitgewerkt. De breed erkende Europese Valley of Death (Vallei des Doods, fundamenteel onderzoek dat te weinig leidt tot opschaling en markttoepassing) dreigt juist in het grijze gebied tussen beide instrumenten voort te bestaan, in het bijzonder bij strategische technologieën met een duaal karakter zoals ruimtevaart, kwantumtechnologie en kunstmatige intelligentie (AI).
Hoe zal de minister zich tijdens het beleidsdebat inzetten voor een werkbaar kader voor dual-use O&I binnen Horizon Europe, zodat strategische technologieën op het terrein van onder meer ruimtevaart, kwantum en AI niet tussen wal en schip vallen van het ECF en het kaderprogramma?
Het heeft de aandacht van het kabinet dat de strategische technologieën geborgd en gelinkt zijn binnen en met de verschillende programma’s. Dit is van groot belang om de ‘investment journey’ van ideeën en innovaties gestroomlijnd en effectief te ondersteunen.
De strategische technologieën zijn onderdeel van de thematische prioritering van de vier policy windows van het ECF.5 Samenwerkingsgerichte O&I met een specifiek op defensie toegespitste toepassing zal alleen plaatsvinden onder het ECF in window (iv).
Het kader voor dual-use O&I binnen Horizon Europe wordt op dit moment ontwikkeld. Hierbij zal Nederland aandacht blijven vragen voor de noodzaak om de kaders voor de toepassing van dual-use O&I duidelijk uit te werken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de formele Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari 2026. Ook hebben zij kennisgenomen van het verslag van de afgelopen Raad voor Concurrentievermogen. Zij hebben eveneens het BNC-fiche over het RESourceEU actieplan en het voorstel tot aanpassing van de Verordening kritieke grondstoffen tot zich genomen. Zij hebben over de geannoteerde agenda, het verslag en dit fiche nog enkele vragen en opmerkingen.
Europees Concurrentievermogenfonds (ECF)
De leden van de VVD-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat er bij de aankomende Raad gesproken zal worden over het ECF. Deze leden steunen de lijn die het kabinet daarbij wil inzetten, met de nadruk op het mobiliseren van privaat kapitaal en een focus op excellentie en impact (in plaats van een geografische spreiding van de middelen over de lidstaten). Wel vragen zij waarom het kabinet geen meerwaarde ziet in het oormerken van ECF-middelen voor het midden- en kleinbedrijf (mkb).
Het kabinet hecht groot belang aan betere toegang tot financiering voor het innovatieve mkb en start- en scale-ups. Voor het kabinet zijn deze een centrale doelgroep van het ECF. Hiervoor is het van belang dat het ECF en calls daaronder zo worden ingericht dat deze toegankelijker zijn voor dit type bedrijven. Specifieke oormerking draagt hier niet per se aan bij. Het doet namelijk af aan de transparantie van het fonds en vergroot het risico op complexiteit. Daarom is het kabinet hier terughoudend in. Het ECF moet in haar opzet rekening houden met deze doelgroep.
Daarnaast vragen deze leden of het kabinet nu al maatregelen voorbereidt om straks optimaal aanspraak te kunnen maken op de ECF-middelen. Zo ja, om welke maatregelen gaat het? Hoe staat het bijvoorbeeld met de oprichting van een EU-cofinancieringsvoorziening, zoals aangekondigd in de brief aan de Kamer over het R&D-actieplan?6
Het kabinet onderschrijft het belang van Nederlandse aanspraak op de ECF-middelen en waardeert dat de leden hier aandacht voor vragen. Het kabinet is, mede op basis van de ervaringen met huidige MFK-programma’s, aan het bezien hoe we Nederlandse partijen zo goed mogelijk kunnen positioneren voor het ECF. Daarbij merkt het kabinet wel op dat de onderhandelingen nog lopen en de uitkomsten nog niet duidelijk zijn. Daarbij onderschrijft het kabinet met het coalitieakkoord ook het belang van structurele middelen voor cofinanciering van o.a. EU-partnerschappen en Important Projects of Common European Interest (IPCEI). De mogelijkheden voor het inrichten van een EU-cofinancieringsvoorziening zoals omschreven in het 3%-actieplan worden verder verkend.
Interne Markt en Concurrentievermogen rapport 2026
De leden van de VVD-fractie lezen dat er tijdens de aankomende Raad daarnaast gesproken zal worden over een rapport dat is opgesteld door de Europese Commissie over het functioneren van de interne markt en de status van het Europese concurrentievermogen, aan de hand van 29 Key Performance Indicators (KPI’s). Een van deze KPI’s, zo lezen deze leden in het rapport van de Europese Commissie, luidt als volgt: Projected annual administrative savings from Commission’s adopted omnibus simplification proposals and other initiatives.7 Voor 2025 zou het gaan om een besparing van €15 miljard aan regeldrukkosten, zo blijkt uit deze KPI. De leden van de VVD-fractie juichen deze focus op het verlagen van regeldrukkosten toe, zeker omdat tussen 2018 en 2024, 99% (!) van de toename van de structurele regeldrukkosten afkomstig was uit Europese regelgeving, en dus niet van nationale wet- of regelgeving.8
Gaat het bij deze KPI uit het rapport van de Europese Commissie om netto veranderingen in regeldrukkosten, of enkel om de vraag wat er, als gevolg van wijzigingen in regelgeving, aan regeldrukkosten is bespaard (de toename in regeldrukkosten dus niet meegenomen)? Indien dat laatste het geval is, is het kabinet dan bereid om bij dit agendapunt aan de orde te stellen dat het van belang is om niet alleen te kijken hoe groot de besparing in regeldrukkosten is, maar ook hoeveel er is bijgekomen? Zo nee, waarom niet?
Het genoemde bedrag van € 15 miljard betreft een schatting van de besparing die volgens de Commissie wordt gerealiseerd als de omnibusvoorstellen en andere voorstellen die gericht zijn over vermindering van regeldruk zouden worden aangenomen. Naast voorstellen die specifiek gericht zijn op vermindering van regeldruk, zijn er ook andere EU-voorstellen voor regelgeving die regeldrukeffecten kunnen hebben.
De € 15 miljard ziet alleen op de voorstellen die specifiek zijn gericht op vermindering van regeldruk en niet op het totaal van alle EU voorstellen voor regelgeving.
Het kabinet vindt het inderdaad relevant om een beeld te krijgen van hoe de totale regeldrukkosten - dus van alle EU-voorstellen - zich ontwikkelen en zal dit waar opportuun uitdragen.
Verslag Raad voor Concurrentievermogen december
2025
De leden van de VVD-fractie lezen in het verslag van de Raad voor Concurrentievermogen van december 2025 dat de Franse delegatie een punt had geagendeerd, waarin zij toelichtte dat uit een nationale analyse bleek dat allianties van universiteiten als een katalysator werkten voor het bereiken van impact en het creëren van innovatie-ecosystemen. Wat houdt het begrip ‘allianties van universiteiten’ precies in? Hoe effectief bleek dit daadwerkelijk uit de nationale evaluatie? Zijn er, volgens het kabinet, mogelijkheden om op dit punt van Frankrijk te leren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Europese Universiteiten Allianties zijn transnationale verbanden van Europese universiteiten en hogescholen met een gezamenlijke langetermijnstrategie. Op dit moment bestaan er 65 allianties. Bijna alle Nederlandse universiteiten en een deel van de hogescholen zijn actief in een alliantie. Het initiatief heeft tot doel om de internationale concurrentiepositie van universiteiten en hogescholen in Europa te verbeteren en Europese waarden en identiteit te bevorderen, door middel van het ontwikkelen van structurele en strategische duurzame samenwerking tussen hogescholen en universiteiten in allianties. De Europese Universiteiten Allianties worden ondersteund via het Erasmus+ programma.
Het idee van de Europese Universiteiten Allianties komt voort uit een speech van de Franse President Emmanuel Macron in 2017 aan de Sorbonne-universiteit in Parijs. Frankrijk is dan ook een voorvechter van (meer) Europese ondersteuning voor deze allianties. De Europese Commissie heeft in 2025 een evaluatie over de voortang en het veranderpotentieel van de allianties gepubliceerd.9 Frankrijk heeft daarnaast een eigen evaluatie opgesteld, waaruit volgens hen onder andere blijkt dat de allianties een katalysator zijn voor organisatorische en culturele verandering, het versterken van samenwerking en het ontwikkelen van Europese ecosystemen. Het rapport identificeert ook obstakels, zoals complexe regelgeving, gefragmenteerde fondsen en gebrek aan capaciteit.
Het kabinet ziet de Europese Universiteiten Allianties onder Erasmus+ als belangrijk instrument om de Europese samenwerking in het hoger onderwijs te bevorderen. Het belang van de allianties keert dan ook terug in het position paper van het kabinet over het volgende Erasmus+ programma.10 Voor Horizon Europe is het cruciaal dat de EU onderzoeks- en innovatiemiddelen blijven verdelen op basis van excellentie en impact en open competitie. Onder deze voorwaarden maken allianties ook gebruik van Horizon Europe.
RESourceEU actieplan en voorstel tot aanpassing van de
verordening kritieke grondstoffen
De leden van de VVD-fractie lezen in het BNC-fiche dat de Europese Commissie geen impact assessment heeft opgesteld voor zowel de mededeling als de Verordening kritieke grondstoffen. Deze leden steunen het kabinet in de oproep aan de Commissie om dit wel te doen gezien de naar verwachting niet verwaarloosbare gevolgen voor onder andere de regeldruk, handhavingsinstanties en derde landen. Wat is de reden dat de Europese Commissie niet uit zichzelf heeft gekozen voor een impact assessment? Hoe denkt het kabinet dit wel voor elkaar te boksen? Kan het kabinet toezeggen de informatie uit de impact assessments die misschien toch uitgevoerd gaan worden of de informatie uit eventuele nationale evaluaties omtrent deze mededeling en verordening van de Europese Commissie, met de Kamer te delen?
De indruk bestaat dat de Commissie heeft gekozen om geen impact assessment uit te voeren gezien de urgentie van het voorliggende onderwerp.
Het kabinet deelt deze urgentie, maar blijft van mening dat een impact assessment voorafgaand aan publicatie essentieel is om gevolgen voor lidstaten en bedrijven zorgvuldig in kaart te hebben. Dit helpt immers ook om de onderhandelingen over het voorstel in de Raad en het Europees Parlement te bespoedigen.
Daarom zal kabinet, in lijn met het BNC-fiche, in de behandeling de mededeling bij de Commissie blijven aandringen om alsnog een impact assessment uit te voeren. Wanneer de Commissie hiertoe besluit zult u via de gebruikelijke weg worden geïnformeerd.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de EU in 2026 een Critical Raw Materials Centre (CRM Centre) operationeel wil hebben. Hoe is het kabinet van plan daarbij optimale aansluiting te borgen met het bestaande Nederlandse centrum op dit gebied (het Nederlands Materialen Observatorium (NMO)? Deze leden willen dubbel werk voorkomen.
Het kabinet onderschrijft het belang van een optimale aansluiting tussen het NMO en het beoogde CRM Centre. Dit is dan ook de inzet van het kabinet. Beide organisaties en hun werkzaamheden dienen elkaar te versterken en aanvullend te zijn, zodat overlap en dubbel werk worden voorkomen.
De Europese Commissie is ook voornemens een Kritieke Grondstoffen Financierings Hub (CRM-financieringshub) op te richten, welke voor overzicht moet zorgen in het geheel van Europese financieringsbronnen. De leden van de VVD-fractie vragen hoe hierbij door het kabinet optimale aansluiting met bestaande Nederlandse initiatieven wordt geborgd, zoals de FinancieringsGids? Deze leden willen ook hier onnodige overlap voorkomen.
Het kabinet onderschrijft het belang van een optimale aansluiting tussen nationale en Europese initiatieven om financieringsbronnen voor grondstoffen in kaart te brengen. In de uitwerking van de CRM-financieringshub zal het kabinet de Europese Commissie op het belang van deze aansluiting en het voorkomen van onnodige overlap wijzen.
De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat het kabinet positief staat tegenover het beter binnen de landen van de EU houden van strategische afval- en schrootstromen, mits dit zorgvuldig, coherent en juridisch steekhoudend gebeurt. In hoeverre kennen niet-EU-landen dergelijke maatregelen nu ook al? Hoe wordt in de Nederlandse standpuntbepaling rekening gehouden met mogelijke tegenreacties van derde landen?
Er is geen overzicht beschikbaar van de maatregelen van derde landen. Aangaande de Nederlandse standpuntbepaling voor maatregelen voor de uitvoer van afval- en schrootstromen wordt rekening gehouden met de impact op derde landen.
De leden van de VVD-fractie lezen, tot slot, dat de verordening twintig dagen na publicatie in werking dient te treden. Gelet op het feit dat er waarschijnlijk nationale wet- en regelgeving moet worden aangepast ter implementatie van de gewijzigde verordening, is een datum van inwerkingtreding van twintig dagen na publicatie te kort, zo stelt het kabinet. Het kabinet zal zich daarom inzetten voor een langere termijn, zo staat in het fiche. In hoeverre is het volgens het kabinet realistisch dat deze langere termijn wordt geboden? Wat zijn de gevolgen als deze langere termijn er niet komt en Nederland niet op tijd is met de implementatie van de verordening?
Momenteel wordt het voorstel voor het wijzigen van de verordening in de Raad behandeld. In de behandeling van het voorstel zal het kabinet de zorgen over de voorziene tijdslijn benoemen. Gezien het stadium van de behandeling van het voorstel, is het niet mogelijk een inschatting te geven over de haalbaarheid van de wens voor een langere termijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de volgende Raad voor Concurrentievermogen. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie steunen het doel en benadrukken het belang van het Europese Concurrentievermogenfonds. Wel hebben de leden nog enkele aanvullende vragen aan de minister. Zo achten de leden het van belang dat Europese publieke middelen primair bijdragen aan het versterken van Europese strategische weerbaarheid. Kan de minister uiteenzetten hoe het kabinet zich in Europees verband inzet om een Europese voorkeur expliciet als leidend principe te verankeren in de governance (goed bestuur) en toekenningscriteria van het fonds? Is het kabinet bereid zich ervoor in te zetten dat bij toekenning van middelen voorwaarden worden gesteld aan productie, waardeketens en intellectueel eigendom binnen de Europese Unie?
Het klopt dat de Europese Commissie in het voorstel voor het ECF een artikel heeft opgenomen ten behoeve van een Europees voorkeursprincipe (artikel 10). Momenteel is het kabinet in de afrondende fase om een kabinetsstandpunt vast te stellen over Europese voorkeursregels bij onder andere subsidies. Voor aanbesteden is deze al vastgesteld en heeft mijn voorganger deze in november 2025 gedeeld met de Kamer.11 Er is voor aanbesteden een terughoudende inzet van een Europees voorkeursprincipe gewenst, waarbij per sector een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt van de kosten en baten. Het instrument wordt in beginsel enkel ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en, wanneer minder ingrijpende maatregelen ontoereikend zijn, om strategische nieuwe markten te stimuleren. Voor het kabinet is hierbij risico op regeldrukverhoging, een eventueel prijsopdrijvend effect, impact op innovatiepotentieel en conformiteit met internationale verplichtingen, zoals WTO-regelgeving, van belang. Specifiek ten aanzien van het ECF heeft het kabinet in het BNC-fiche ook een terughoudende uitgangspositie ingenomen en wordt ook het belang van conformiteit met internationale afspraken benoemt. Dit doet niet af aan het standpunt van het kabinet dat Europese publieke middelen ook moeten bijdragen aan versterking van de weerbaarheid en economische veiligheid van de EU. Door een focus op excellentie en impact en selectie op basis van open en competitieve procedures is het kabinet ook van mening dat het ECF hier efficiënt aan kan bijdragen. Hierdoor wordt capaciteit opgebouwd voor kritieke producten of technologieën daar waar hiervoor de beste projecten zijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten sterk aan robuuste sociale voorwaarden bij de besteding van Europese middelen. Kan de het kabinet aangeven of binnen het Concurrentievermogenfonds sociale voorwaarden worden verbonden aan financiering? Is het kabinet bereid te verkennen of – omdat veel misstanden plaatsvinden in onderaanneming – een beperking op of uitsluiting van onderaanneming als voorwaarde kan worden opgenomen, om misstanden in ketens tegen te gaan? Hoe waarborgt het kabinet dat Europese middelen niet bijdragen aan sociale dumping of constructies waarbij verantwoordelijkheid in de keten wordt afgeschoven?
Het kabinet erkent het belang van tegengaan van dergelijke misstanden. Het Financieel Regelement van de Unie, dat van toepassing is op de EU-begroting en dus ook het toekomstige ECF, bevat waarborgen tegen sociale misstanden door de borging van naleving van relevante milieu, sociale en arbeidswetgeving.12
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast enkele vragen over de toegankelijkheid van het fonds voor het mkb. Door de complexiteit en doorlooptijden hebben die vaak moeite met het verkrijgen van subsidie, waardoor een aanzienlijk deel op kan gaan aan advieskosten. Welke concrete stappen worden gezet om financiering eenvoudiger, toegankelijker en sneller beschikbaar te maken voor mkb en start-ups?
Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot financiering voor bedrijven, in bijzonder voor het innovatieve mkb, start- and scale-ups, en zal dit ook bij deze Raad opnieuw onder de aandacht brengen. Het ECF-voorstel zet hier al een belangrijke stap in door het samenvoegen van verschillende huidige MFK-programma’s en het toepassen van een ‘single rulebook’. Tegelijkertijd is het van belang om ook in de implementatiefase hier oog voor te houden. Het kabinet zal zich hiervoor inspannen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het aandeel van cleantech (schone technologie) binnen het fonds relatief beperkt is, zeker in het licht van de aanzienlijke investeringsbehoefte die onder meer wordt geschetst in het rapport van Mario Draghi over het Europese concurrentievermogen.13 Wat is de opvatting van het kabinet ten aanzien van dit investeringsgat en hoe denkt het kabinet dit gat te dichten? Gaat het kabinet zich inspannen voor meer geld voor schone technologie? Deelt het kabinet de visie dat dit fonds een kans is om uniforme en efficiënte investeringsregelingen – zoals de Europese Commissie nu via het innovatiefonds opzet, denk aan CfD’s (Contracts for Difference), de Batterij Booster of de Waterstofbank – verder uit te breiden en versterken?
Het kabinet deelt het belang van investeringen in (innovatieve) clean tech. Het ECF kan, via het policy window ‘schone transitie en industriële decarbonisatie’, hier een belangrijke bijdrage aan leveren, zoals het kabinet ook benadrukt in het ECF BNC-fiche. Daarbij dient via het horizontale klimaat- en milieupercentage ten minste 43% van de ECF-gelden aan klimaat- en milieugerelateerde zaken te worden uitgegeven. Onder dit policy window is bovendien specifiek voorgesteld dat toekenningsprocedures de vorm kunnen aannemen van competitive bidding, inclusief (koolstof) CfD’s, in lijn met wat de leden benoemen. Ook wil het kabinet graag wijzen op het Innovatiefonds dat de leden aanhalen, gefinancierd uit de opbrengsten van de veilingen van Emissiehandelssyteem (ETS)-rechten, dat nu al een belangrijke bijdrage levert aan investeringen in innovatieve toepassingen die bijdragen aan CO2-reductie. Het ECF zal dus niet het enige instrument zijn dat aan de deze doelen bijdraagt. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook enkele vragen over de Noodplannen voor industriële weerbaarheid. Onze fractie deelt het kabinetsstandpunt dat verduurzaming, weerbaarheid en concurrentievermogen elkaar versterken. We zien echter ook dat er steeds grotere druk kom op de verduurzamingskant van de industrieagenda, bijvoorbeeld de roep om het afzwakken van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Zal het kabinet zich tijdens de Raad sterk maken voor en het handhaven en verder versterken van ETS en de andere onderdelen van het dit jaar te verwachten 2040 klimaatpakket? Zoals een 2040 doel voor hernieuwbare energie en energiebesparing. Is het kabinet bezig met het bouwen van coalities van gelijkgezinde landen die zien dat de klimaatambitie cruciaal is voor de Europese weerbaarheid en het concurrentievermogen?
Het ETS speelt een centrale rol binnen de bredere Europese klimaatarchitectuur en is essentieel voor het behalen van de klimaatdoelen van 2040 en 2050. Daarom zet het kabinet in op een zo sterk en ambitieus mogelijk ETS, dat tot kosteneffectieve emissiereducties leidt, langlopende beleidszekerheid geeft en een gelijk speelveld borgt. Wat betreft EU-doelen voor energie na 2030 pleit het kabinet voor een uitvoerbaar, flexibel, toekomstbestendig en consistent beleidskader, waarbij de benodigde emissiereductie richting klimaatneutraliteit gewaarborgd blijft. Ook moet de Commissie bij de uitwerking van de beleidsarchitectuur rekening houden met de betaalbaarheid van het energiesysteem, de impact op leveringszekerheid en een (mondiaal en intern) gelijk speelveld. Om deze boodschappen effectief over te brengen, trekt Nederland samen op met gelijkgezinde landen. Het ETS en de energiedoelen voor 2040 worden formeel behandeld op respectievelijk de Milieuraad en Energieraad.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben naar aanleiding van de plannen voor industriële weerbaarheid specifiek nog enkele vragen over de Industrial Accelerator Act, die deze week verwacht wordt. Hoe kijkt de minister naar de Europese voorkeursregels voor subsidies een aanbestedingen? Is de minister het met de leden van GroenLinks-PvdA eens dat deze wet een nodige eerste stap is in een assertievere opstelling van Europa wat betreft industriepolitiek?
Het kabinet is van oordeel dat zowel nationaal als Europees gericht en strategisch industriebeleid essentieel is in de huidige geopolitieke context. Het is noodzakelijk dat, ook op Europees niveau, stappen worden gezet om de industrie te versterken, mede in het licht van toenemende mondiale concurrentie. Daarbij is het van belang dat gebruik wordt gemaakt van het volledige beschikbare instrumentarium binnen de Europese ‘toolbox’. Momenteel is het kabinet in de afrondende fase om een kabinetsstandpunt vast te stellen over Europese voorkeursregels bij onder andere subsidies. Ik zal begin Q2 uw Kamer hierover informeren zodra het standpunt gereed is. Voor aanbesteden is al een positie over het Europees voorkeursprincipe vastgesteld en heeft mijn voorganger deze in november 2025 gedeeld met de Kamer.14 Voor aanbesteden is een terughoudende inzet van een Europees voorkeursprincipe gewenst, waarbij per sector een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt van de kosten en baten. Het instrument wordt in beginsel enkel ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en, wanneer minder ingrijpende maatregelen ontoereikend zijn, om strategische nieuwe markten te stimuleren. Ook vindt het kabinet het belangrijk dat een dergelijk principe gelijkgestemde handelspartners niet belemmert.
De leden constateren dat de maatregelen aan de vraagzijde momenteel sterk zijn gericht op publieke markten, zoals overheidsaanbestedingen en daarmee kansen laat liggen voor verduurzaming van de gehele industrie. Kan de minister reflecteren op de beperkte reikwijdte van publieke vraaginstrumenten binnen de IAA? Is de minister bereid zich in te zetten voor een verbreding van de IAA, zodat ook private marktvraag actief wordt gestimuleerd? Is de minister het met de fractie eens dat de Industrial Accelerator Act de juiste plaats zou zijn om bijmengverplichtingen, duurzame standaarden en productmandaten te initiëren? En gaat de minister zich hier bij de Raad voor het Concurrentievermogen sterk voor maken?
Het kabinet wil niet vooruitlopen op de precieze inhoud van het IAA-voorstel. Na publicatie zal het kabinet het voorstel zorgvuldig beoordelen op de reikwijdte en zich in de verdere onderhandelingen inzetten voor een ambitieuze en effectieve invulling die bijdraagt aan zowel het versterken van het concurrentievermogen als verduurzaming. Tegelijkertijd is het kabinet voorstander van brede vraagcreatie via zowel publieke, als private instrumenten en markten. Deze inzet heeft het kabinet eerder kenbaar gemaakt in de kamerbrief toekomstperspectief voor de energie-intensieve industrie en het non-paper over vraagcreatie. Het kabinet ziet de IAA als het juiste wetgevende pakket om dergelijke sectorspecifieke instrumenten ten behoeve van vraagcreatie op te nemen. Uw Kamer zal geïnformeerd worden via het BNC-traject over de appreciatie na publicatie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de onderliggende brieven en willen van de nieuw aangetreden minister ondubbelzinnig vernemen of zij de daarin geschetste inzet daadwerkelijk onderschrijft. Is de minister voornemens deze lijn voort te zetten in de Raad, of kiest zij voor een andere koers?
Zoals ook tevens benoemd in het coalitieakkoord, zet dit kabinet in op het spelen van een leidende en constructieve rol in de beweging naar een concurrerender, sterker en veiliger Europa. Daarbij zijn het versterken van onze strategische autonomie, het versnellen van de verduurzaming van de (energie-intensieve) industrie en het aanjagen van onderzoek en innovatie in Europees verband enkele van de speerpunten.
Het coalitieakkoord is leidend voor de Nederlandse inzet in de MFK-periode 2028–2034. Het zet de eerder aan uw Kamer gecommuniceerde lijn in de BNC-fiches15 en de Geannoteerde Agenda (GA)16 in grote lijnen voort. De BNC-fichesen deze GA blijven daarmee relevant als uitwerking van de inzet zoals vastgelegd in het coalitieakkoord.
De leden van de PVV-fractie lezen dat verduurzaming wordt gepresenteerd als motor voor de economische weerbaarheid. Deze leden plaatsen hier nadrukkelijk vraagtekens bij. Onderschrijft het kabinet werkelijk de stelling dat de huidige, grotendeels door Brussel opgelegde energietransitie onze economie versterkt? Hoe verhoudt zich dit tot de realiteit van een overbelast elektriciteitsnet, torenhoge energieprijzen en bedrijven die hun productie noodgedwongen afschalen of zelfs verplaatsen? Erkent het kabinet dat een geforceerde energietransitie de Nederlandse industrie juist kan ondermijnen in plaats van versterken? Zo ja, welke consequenties worden daaraan verbonden? Zo nee, waarop baseert het kabinet zijn optimisme?
Het kabinet onderschrijft, net als Draghi en Wennink in hun rapporten, de stelling dat verduurzaming een aanjager kan zijn voor concurrentievermogen en weerbaarheid. Door meer in te zetten op schone energieproductie in de EU vergroten we de leveringszekerheid en energie onafhankelijkheid. Daarnaast verkleinen we daarmee de impact van hoge internationale marktprijzen en eventuele prijspieken veroorzaakt door geopolitieke spanningen.17 Tegelijkertijd erkent het kabinet de problematiek rond hoge energieprijzen en de problematiek op het stroomnet. Daarom zet het kabinet zich in voor betaalbare energie, versterking en betere benutting van infrastructuur en een gelijk speelveld binnen de EU.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet vasthoudt aan de inzet uit het BNC-fiche van 13 februari jl.18 om de CO2-normstelling verder te versoepelen. Is het kabinet bereid in de Raad actief te pleiten voor realistische en uitvoerbare normen, of buigt het mee met verdere aanscherping die de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven verder onder druk zet?
De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is primair verantwoordelijk voor de Nederlandse inzet t.a.v. de herziening van de CO2-emissienormen voor personen- en bestelauto’s. Het kabinet wil zorgen voor uitvoerbare normen, daadwerkelijke innovatie op het gebied van personen- en bestelauto’s en het verder verminderen van (toekomstige) afhankelijkheden van Nederland en de EU van fossiele brandstoffen. Hierbij zijn belangrijke uitgangspunten het behoud van de transitie naar elektrificatie van de Europese auto-industrie en het zorgen dat duurzame mobiliteit betaalbaar is en blijft voor burgers. De behandeling van het voorstel vindt plaats tijdens de volgende Milieuraad. Het staat niet op de agenda van de aankomende Raad van Concurrentievermogen.
Voorts vragen de leden van de PVV-fractie of de minister de rapporten van Mario Draghi en Enrico Letta niet klakkeloos zal omarmen, maar deze kritisch en per voorstel zal toetsen op concrete gevolgen voor Nederland. Is de minister bereid expliciet het Nederlandse belang voorop te stellen, ook wanneer dit botst met bredere Europese ambities?
Zoals beschreven in het coalitieakkoord, ziet het kabinet de groei van Nederlandse welvaart en toekomst als onlosmakelijk verbonden met een sterk Europa. Om een sterke en concurrerende Europese economie te bereiken, zijn de adviezen van Draghi en Letta van groot belang. Daarom geeft het kabinet in het coalitieakkoord ook aan een aanjagersrol te willen spelen bij de implementatie van de rapporten Draghi en Letta. Appreciaties van beide rapporten zijn reeds met uw Kamer gedeeld op 8 mei en 4 oktober 2024. De appreciaties nemen een positieve houding in ten opzichte van bepaalde elementen uit de rapporten, maar zijn tegelijkertijd ook kritisch ten opzichte van andere elementen die niet direct stroken met het Nederlandse belang. In de kabinetsvisie EU-concurrentievermogen van 13 december 2024 is een verdere vertaalslag gemaakt van de rapporten naar het Nederlands belang om een sterke concurrerende economie in de Europese Unie te behartigen. Het rapport Wennink uit december 2025 gaat hier ook op in en is, zoals het coalitieakkoord aangeeft, een belangrijke inspiratiebron voor het kabinet. Commissievoorstellen – die al dan niet volgen uit de rapporten – worden zoals gebruikelijk door het kabinet voorzien van een beoordeling conform het BNC-proces, die met uw Kamer gedeeld wordt, waarna het kabinet met uw Kamer hierover ook in gesprek kan gaan.
Hoe voorkomt zij dat Nederland opnieuw onevenredig bijdraagt aan Europese investeringsagenda’s, terwijl de baten niet naar Nederland gaan. Zet het kabinet zich in voor een aantoonbaar eerlijkere geografische verdeling van Europese investeringsprojecten?
Het kabinet zet voor EU-programma’s zoals Horizon Europe en het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF) in op selectie van projecten op basis van excellentie en impact via open en competitieve EU-brede procedures. Deze programma’s zullen een centrale rol zullen spelen in de EU-investeringen vanaf 2028. Nederland ontvangt bijvoorbeeld veel meer dan dat het bijdraagt uit het lopende Horizon Europe programma (2021 – 2027). In januari 2026 hadden Nederlandse deelnemers al ruim € 4,9 miljard ontvangen, wat neerkomt op een retour van 8,6%.19 Geografische spreiding zorgt juist voor inefficiëntere besteding van EU-middelen waardoor niet de beste projecten op de juiste plek worden gesteund. Zo zorgt het bijvoorbeeld dat bepaalde technologieën niet ontwikkeld worden waar competitieve selectie laat zien waar dit het beste kan. Bovendien ontvangt Nederland uit fondsen waar wél sprake is van geografische spreiding in de regel relatief minder dan uit fondsen op basis van bovenstaande principes.
Verder vragen de leden van de PVV-fractie hoe de minister daadwerkelijk gaat zorgen voor een gelijk speelveld binnen de Europese Unie. De praktijk laat zien dat Nederlandse bedrijven vaak zwaarder worden belast dan concurrenten in andere lidstaten. Welke concrete maatregelen gaat de minister in EU-verband bepleiten om dit structurele nadeel weg te nemen? Is zij bereid expliciet te agenderen dat de energieprijzen voor Nederlandse bedrijven substantieel hoger liggen dan in omringende landen, en welke Europese instrumenten wil zij inzetten om dit verschil te verkleinen? Hoe voorkomt zij dat energie-intensieve bedrijven Nederland verlaten als gevolg van falend beleid?
Het kabinet onderschrijft het belang van een gelijk speelveld binnen de Europese Unie. In EU-verband zet Nederland zich in voor consistente toepassing van Europese regels en het voorkomen van onnodige nationale koppen die het concurrentievermogen kan verstoren. Daarnaast brengt Nederland in diverse Europese gremia onder de aandacht dat de elektriciteitsrekening voor internationaal concurrerende bedrijven in Nederland hoger is dan in omringende landen. Het uitgangspunt is dat het beleid zo wordt vormgegeven dat bedrijven binnen de EU onder vergelijkbare voorwaarden kunnen opereren. Op nationaal niveau zijn al maatregelen genomen om het gelijk speelveld te verbeteren, zoals het afschaffen van de CO2-heffing. Ook wordt met de uitvoering van de actieagenda elektrificatie industrie gepoogd het gelijk speelveld te verbeteren en elektriciteitskosten te verlagen.20
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet zich ondubbelzinnig zal inzetten voor het terugdringen van de regeldruk. Ondersteunt het kabinet de zogenoemde omnibuspakketten die gericht zijn op lastenverlichting voor het bedrijfsleven, en is het bereid daar in de Raad actief voor te pleiten? Wat gaat het kabinet concreet doen om te voorkomen dat deze voorstellen worden afgezwakt? Is het kabinet bovendien bereid zich uit te spreken tegen nationale koppen bovenop Europese regelgeving en kan worden toegezegd dat het kabinet zich actief zal verzetten tegen het opnieuw invoeren van aanvullende nationale eisen bovenop Europese verplichtingen?
Het terugdringen van onnodige regeldruk is een prioriteit van dit kabinet. Zoals in het coalitieakkoord beschreven schrappen of vereenvoudigen we minimaal 500 regels per jaar. Veel regeldruk wordt veroorzaakt door EU-regelgeving, dus ook daar moeten we iets aan doen. Daarvoor is het in de eerste plaats van belang dat het kabinet regeldruk nadrukkelijk meeweegt in standpuntbepalingen en onderhandelingen over nieuwe EU-regelgeving, om het ontstaan van regeldruk in nieuwe EU regelgeving zoveel mogelijk tegen te gaan.
In de tweede plaats wil het kabinet samen met de Europese Commissie en andere lidstaten regeldruk in bestaande EU-regelgeving aanpakken. De omnibusvoorstellen van de Commissie vormen een goede gelegenheid om dat te doen. Ik zal mijn collega's in het kabinet aansporen om de kansen die de omnibusvoorstellen bieden om onnodige regeldruk te verminderen, zoveel mogelijk te benutten.
Zoals ook in het coalitieakkoord beschreven, wil het kabinet onnodige nationale koppen op Europese regels schrappen. Europese regelgeving wordt zoveel mogelijk lastenluw, 1-op-1 geïmplementeerd. Ik zal me ervoor inzetten dat wanneer het kabinet overweegt om aanvullende nationale eisen te stellen, bovenop Europese verplichtingen, dit goed wordt gemotiveerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad van Concurrentievermogen en hebben daarbij enkele vragen.
Europees Concurrentievermogenfonds (ECF)
De leden van de CDA-fractie ondersteunen de inzet voor een ambitieus ECF. Wel zijn zij benieuwd hoe de vier thematische vensters van het ECF concreet uitgewerkt worden en in hoeverre de Nederlandse prioriteiten zoals geschetst in de Nationale Technologie strategie21 en de zes strategische markten uit de brief aan de Kamer Industriebeleid met focus22 in het ECF worden meegenomen. Kan het kabinet daar inzicht in geven?
Zoals ook toegelicht in het BNC-fiche op het ECF, zet het kabinet binnen de vier vensters waar mogelijk in op een focus op de meest strategische technologieën en sectoren. Het kabinet acht het van belang dat middelen gericht worden ingezet op die domeinen waar de EU het verschil kan maken op het gebied van concurrentievermogen, weerbaarheid en maatschappelijke uitdagingen. Een dergelijke scherpe prioritering sluit ook aan bij de nationale prioritering, met de door de leden aangehaalde Nationale Technologiestrategie en strategische markten uit het industriebeleid met focus. Het kabinet zal zich er in de onderhandeling voor inzetten dat deze strategische prioriteiten terugkomen in de thematische uitwerking van het ECF. Tegelijkertijd constateert het kabinet dat het ECF-voorstel een breed scala doelen en activiteiten kan steunen en dat het in de dynamiek van de onderhandelingen tussen de 27 lidstaten er veel verschillende wensen leven. Gezien de flexibelere vormgeving van het ECF ten opzichte van veel huidige MFK-programma’s zal ook in de implementatiefase, vanaf 2028, blijvende aandacht nodig zijn om strategische focus te waarborgen.
De leden van de CDA-fractie zijn ook voorstander van het samenvoegen van het gefragmenteerde EU-financieringslandschap om zo meer focus, duidelijkheid en slagkracht te creëren. Om vergelijkbare redenen hebben deze leden daarom ook gepleit voor de Nederlandse Investeringsinstelling (NII). Kan het kabinet aangegeven in hoeverre met de huidige vormgeving van het ECF actief wordt ingezet op samenwerking met nationale (Nederlandse) instellingen, zoals bijvoorbeeld de nog op te zetten NII en het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Momenteel wordt er over het ECF onderhandeld, het kabinet zet erop in meer investeringen los te maken om ons concurrentievermogen te versterken. Het InvestEU instrument onder het ECF is een belangrijke manier om hier private investeringen voor aan te trekken. Dit aandeel zou dus, wat het kabinet betreft, vergroot moeten worden. Invest-NL is momenteel de enige Nederlandse uitvoerende partner van InvestEU. Het kabinet zet zich, in overeenstemming met het BNC-fiche, in voor behoud van het open karakter zodat organisaties als Invest-NL in de nieuwe periode deze status kunnen behouden. Als het ECF is aangenomen en duidelijk is hoe het ECF Europees precies wordt vormgegeven, zal moeten worden bezien welke rol nationale partijen, als NADI en de nog op te richten investeringsinstelling, kunnen spelen zodat Nederlandse partijen optimaal gebruik kunnen maken van Europese middelen uit het ECF.
Horizon Europe
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op een samenhangende en integrale doorontwikkeling van Horizon Europe in de volgende programmaperiode. De leden vragen zich af welke successen van het huidige kaderprogramma het kabinet identificeert als cruciaal en op welke wijze het kabinet zich inzet om deze succesfactoren te borgen in de regelgeving en governance van het nieuwe kaderprogramma?
De inzet van het kabinet ten aanzien van de onderhandelingen over Horizon Europe (2028-2034) staat uiteengezet in het BNC-fiche.23 Het voorstel voor Horizon Europe bouwt sterk voort op het huidige kaderprogramma Horizon Europe (2021-2027), waaraan Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven zeer succesvol deelnemen.
Excellentie en impact zijn de belangrijkste succesfactoren in het huidige programma en vormen het uitgangspunt voor de Nederlandse inzet onder het volgende kaderprogramma. Daarnaast is open competitie essentieel om excellentie te bevorderen. Ook zet het programma in op open science en faciliteert het programma internationale samenwerking met niet EU-landen, waarmee we de ontwikkeling van onze kennis versnellen en meer impact bereiken wereldwijd. Publiek en publiek-private samenwerking via een coherent thematisch portfolio met partnerschappen zijn tevens succesfactoren en versterken de nationale inzet op O&I.
Nederland zet zich in de onderhandelingen over Horizon Europe (2028-2034) in op een goede inbedding van al deze factoren. Het kabinet stuurt daarbij aan op een governance-structuur en programmering die de gezamenlijke verantwoordelijkheid van lidstaten en de Commissie reflecteert en de succesfactoren prioriteert.
Tot slot, lezen de leden van de CDA Fractie dat het kabinet extra aandacht heeft voor kennisveiligheid, met name op het gebied van dual-use en defensie O&I. Kan het kabinet nader toelichten hoe het spanningsveld, tussen open Europese samenwerking en kennisveiligheid, er in de praktijk uitziet, en op welke wijze Nederland zich inzet om binnen het kaderprogramma dual-use onderzoek en innovatie op een uitvoerbare en toekomstbestendige wijze te versterken?
Het spanningsveld tussen open samenwerking en kennisveiligheid betreft de afweging in hoeverre openheid geborgd kan blijven om internationale samenwerking te faciliteren en in hoeverre geslotenheid noodzakelijk is om bepaalde kennis te beschermen. Voor Nederland is het belangrijk dat kennisveiligheidsmaatregelen, waar relevant en noodzakelijk, deel uitmaken van open samenwerking, volgens het adagium ‘zo open als mogelijk, zo gesloten als nodig’, en dat er binnen Europa een gelijk speelveld wordt gecreëerd. Ten aanzien van het uitvoerbaar en toekomstbestendig verankeren van dual-use onderzoek en innovatie in het kaderprogramma benadrukt Nederland de noodzaak voor heldere regelgeving, opgesteld in samenspraak met lidstaten, waarin duidelijke deelnamevoorwaarden, evaluatie- en geschiktheidscriteria, verantwoordelijkheidsafspraken, implementatiemodaliteiten en monitoringsmechanismen staan beschreven. Het kabinet benadrukt hierbij onder andere het belang van openheid en tussentijdse bijsturingsmogelijkheden voor samenwerkingsmogelijkheden met niet-EU landen; het waarborgen van de toegankelijkheid voor civiele partijen; proportionele veiligheidseisen; het inbedden van ethische kaders en de toepassing van open science.
Fiche 11: [MFK] Europees Concurrentievermogenfonds | Publicatie | Rijksoverheid.nl↩︎
Kamerstuk 21501-30, nr. 683.↩︎
Kamerstukken II, 2024-2025, TK, 681↩︎
De vier policy windows van het ECF zijn: (i) de schone transitie en industriële decarbonisatie; (ii) gezondheid, biotechnologie, landbouw en bio-economie; (iii) digitaal leiderschap; en (iv) weerbaarheid en veiligheid, defensie-industrie en ruimtevaart. De werkprogramma’s van de ECF-windows zullen richting geven aan samenwerkingsgerichte O&I in het onderdeel Concurrentievermogen van pijler II van Horizon Europe.↩︎
Kamerstuk 33009, nr. 165 (‘Investeren in een weerbare en toekomstbestendige economie: het 3%-R&D-actieplan’)↩︎
Europese Commissie, Omnibusvoorstellen, Vereenvoudiging - Europese Commissie↩︎
https://www.regeldrukmonitor.nl/ontwikkeling-regeldrukkosten/structurele-kosten-periode-2018---2024↩︎
Report on the outcomes and transformational potential of the European Universities initiative - Publications Office of the EU↩︎
The Netherlands’ position on the next Erasmus+ programme 2028 - 2034↩︎
Bijlage bij Kamerbrief ‘Verslag Raad voor Concurrentievermogen 29 en 30 september 2025.↩︎
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)↩︎
Europese Commissie, ‘The Draghi report on EU competitiveness’ The Draghi report on EU competitiveness, Kamerstuk 21501-02, nr. 2956↩︎
Bijlage bij Kamerbrief ‘Verslag Raad voor Concurrentievermogen 29 en 30 september 2025’.↩︎
Fiche 11: [MFK] Europees Concurrentievermogenfonds | Publicatie | Rijksoverheid.nl↩︎
Kamerbrief over geannoteerde Agenda Raad voor Concurrentievermogen 26 en 27 februari 2026 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl↩︎
Kamerstuk 22112, nr. 4271↩︎
Nederland neemt hiermee de vierde plaats in van EU-lidstaten die de meeste middelen uit Horizon Europe ontvangen.↩︎
Kamerstuk 33009, nr.140 (De Nationale Technologiestrategie. Bouwstenen voor strategisch technologiebeleid | Rapport | Rijksoverheid.nl)↩︎
Kamerstuk 29826, nr. 277 (Industriebeleid met focus)↩︎
Kamerstuk 22 112, nr. 4154↩︎