[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 22112-4261)

Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D09401, datum: 2026-03-03, bijgewerkt: 2026-03-03 11:15, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z02668:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister en staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) over de brief van de minister van Buitenlandse Zaken over ‘Fiche: Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 22112, nr. 4261). De op 2 maart 2026 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister en staatssecretaris van LVVN bij brief van 
 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Podt

De griffier van de commissie,

Jansma

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie 2

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 4
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie 4

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie 6

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 7

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie 8

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 8

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie 10
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie 10
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower 12

II Antwoord / Reactie van de minister en staatssecretaris van Landbouw, Visserij,

Voedselzekerheid en Natuur

III Volledige agenda

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche over het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 22112, nr. 4261) en van de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) over de uitvoering van de motie van de leden Podt (D66) en Bromet (GroenLinks-PvdA) (Kamerstuk 27858, nr. 742). Deze leden waarderen de genuanceerde positie die het kabinet inneemt en zijn verheugd te lezen dat het kabinet het handhaven van het hoge beschermingsniveau voor mens, dier en milieu als harde eis stelt. Tegelijkertijd hebben zij nog een aantal vragen over de wijze waarop de minister uitvoering geeft aan de motie en over de concrete Nederlandse inzet in de Europese onderhandelingen.

De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet in beginsel positief tegenover het Omnibuspakket staat, maar tegelijkertijd kritisch is op onderdelen die risico's kunnen opleveren voor veiligheid, milieu en uitvoerbaarheid. Deze leden vragen de staatssecretaris nader toe te lichten hoe hij in de praktijk de balans zal bewaken tussen vereenvoudiging van regelgeving enerzijds en het behoud van het beschermingsniveau anderzijds. Op welke concrete momenten en via welke mechanismen zal de minister dit beschermingsniveau bewaken tijdens de Europese onderhandelingen? Welke rode lijnen hanteert de minister daarbij?

De leden van de D66-fractie lezen in de brief over de uitvoering van de motie van de leden Podt (D66) en Bromet (GroenLinks-PvdA) (Kamerstuk 27858, nr. 742) dat Nederland een kopgroep zal vormen met gelijkgestemde lidstaten om de Nederlandse inzet kracht bij te zetten. Deze leden vragen de staatssecretaris welke lidstaten hij daarvoor benadert of reeds heeft benaderd en in hoeverre er al sprake is van gedeelde posities. Kan de staatssecretaris ook toelichten op welke specifieke onderdelen van het voorstel hij verwacht dat er steun is voor de Nederlandse positie en waar hij de meeste weerstand verwacht?

De leden van de D66-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de voorgestelde overgang van een periodieke herbeoordeling van werkzame stoffen naar een risicogestuurde benadering via een werkprogramma. Deze leden begrijpen dat het huidige systeem is vastgelopen en dat de beschikbare beoordelingscapaciteit niet optimaal wordt ingezet. Tegelijkertijd vragen zij hoe de staatssecretaris kan garanderen dat een risicogestuurd systeem geen feitelijke verslechtering van het beschermingsniveau oplevert. Kan de staatssecretaris uiteenzetten aan welke minimumeisen het werkprogramma naar zijn oordeel moet voldoen om dit te voorkomen en hoe hij erop zal toezien dat deze eisen ook daadwerkelijk in het voorstel worden verankerd? Deze leden merken op dat bij een herbeoordeling van de middelen de verplichting om data aan te leveren niet meer bij de aanvrager zal liggen. Zij vragen de staatssecretaris hoe hij zal borgen dat alle noodzakelijke informatie beschikbaar is voor de beoordelingsautoriteiten. Kan hij toezeggen zich in te zetten voor een Europees monitoringsprogramma en datasysteem om te zorgen dat alle (nieuwe) inzichten beschikbaar zijn voor de Europese Unie (EU), haar lidstaten en toelatingsautoriteiten? Kan de staatssecretaris tevens toezeggen dat dit monitoringsprogramma een van de kritische voorwaarden wordt voor het kabinet? Aan welke andere voorwaarden moet worden voldaan, wil het kabinet instemmen met het Omnibus-voorstel? Welke acties verbindt het kabinet aan zijn kritische opmerkingen over de gerichte herbeoordeling?

De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris nader toe te lichten hoe de Europese Commissie (EC) en het kabinet actief signalen ophalen over twijfels of aanwijzingen met betrekking tot mogelijke risico's van werkzame stoffen. Op welke manier wordt onafhankelijke wetenschap daarbij betrokken en op welke manier worden maatschappelijke organisaties en bewonersorganisaties een rol gegund in dit proces? Hoe wordt het besluitvormingsproces ingericht dat bepaalt welke stoffen gericht worden herbeoordeeld en hoe worden transparantie en democratische verantwoording daarin gewaarborgd? Deze leden vragen de staatssecretaris ook hoe het kabinet en de EC voorkomen dat politieke of sociaaleconomische factoren, zoals het ontbreken van een chemisch alternatief voor een schadelijk bestrijdingsmiddel, meewegen in het besluit om een stof al dan niet te herbeoordelen. Hoe wordt voorkomen dat dergelijke sociaaleconomische argumenten, die volgens Verordening 1107/2009 expliciet geen grond zijn voor de wetenschappelijk gefundeerde herbeoordeling van stoffen, alsnog een rol spelen in dit besluitvormingsproces?

De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet kritisch is op de voorgestelde stilzwijgende toelating van biocontrol-middelen na 120 dagen, zolang de definitie van biocontrol niet is aangescherpt. Deze leden hebben daarbij zorgen over die termijn omdat er in 120 dagen geen behoorlijke beoordeling kan worden gedaan die recht doet aan de specifieke Nederlandse wateromstandigheden. Zij vragen de staatssecretaris hoe hij dit knelpunt concreet wil oplossen in de onderhandelingen. Overweegt de staatssecretaris te pleiten voor een langere beoordelingstermijn, een aanpassing van de procedure, of een combinatie van beide? Hoe verhoudt dit zich tot de wens om de toelating van laag-risicomiddelen juist te versnellen?

De leden van de D66-fractie lezen in het fiche dat het kabinet hecht aan een efficiëntere toelatingsprocedure, maar ondanks een breed gedragen wens vanuit de Kamer lezen deze leden niet expliciet de houding van het kabinet ten opzichte van prioriteitsroutes of fasttrack-opties voor Novel Foods, zoals kweekvlees, additieven en biocontroleproducten. Zij vragen of de staatssecretaris kan toelichten waarom dit niet expliciet is meegenomen en zich hard te maken voor versnelling om te zorgen dat innovatieve producten die onze voedselketen helpen verduurzamen en versterken sneller worden toegelaten.

De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche dat Nederland sterk hecht aan de mogelijkheid voor lidstaten om herbeoordelingen aan te dragen voor het werkprogramma en om tussentijds wetenschappelijke inzichten mee te wegen in nationale beoordelingen. In de brief van de minister wordt gesteld dat het officiële voorstel van 16 december 2025 op dit punt significant verschilt van de eerder gelekte versie en dat de nationale toetsing en de laatste stand van de wetenschap niet buiten spel worden gezet. Kan de staatssecretaris dit nader onderbouwen en toelichten welke concrete bepalingen in het voorstel waarborgen dat lidstaten hun rol kunnen blijven spelen bij het signaleren van nieuwe wetenschappelijke inzichten?

De leden van de D66 fractie lezen dat de verwachting is dat het verruimen van respijtperiodes in het voorstel geen negatieve impact zal hebben voor het hoge Nederlandse beschermingsniveau, omdat het aan lidstaten zelf is om wel of niet respijtperiodes in te stellen. Klopt het, zo vragen deze leden, dan dat de staatssecretaris hiermee zegt dat er in de Nederlandse situatie geen verruiming zal optreden en dat Nederland zelf zeer kritisch zal (blijven) omgaan met het instellen van de mogelijkheid om schadelijke middelen langer te gebruiken? Kan de staatssecretaris tevens toelichten wat de gevolgen voor Nederland zijn wanneer ons omringende lidstaten wél toestaan dat schadelijke middelen langer worden gebruikt? Zijn er bijvoorbeeld consequenties voor de waterkwaliteit, zo vragen deze leden. Zo ja, is de staatssecretaris dan bereid alsnog te pleiten deze respijtperiodes niet te verruimen?

De leden van de D66-fractie vragen ook aandacht voor het ontbreken van een impact assessment bij dit pakket. Het kabinet onderschrijft de noodzaak van een impact assessment en ook de Better Regulation Guidelines van de EU schrijven een dergelijke toets voor bij voorziene substantiële gevolgen. Welke concrete stappen zet de staatssecretaris in Brussel om alsnog een impact assessment te laten uitvoeren? Deelt de staatssecretaris de mening dat het niet doen van een impact assessment in dit geval mogelijk grote ecologische, economische en gezondheidseffecten heeft? Is hij voornemens in te stemmen met het Omnibus-voorstel in een situatie waarin geen impact assessment is uitgevoerd? Kan het kabinet toezeggen zich te onthouden van stemming dan wel tegen te stemmen zolang een impact assessment ontbreekt? Is de staatssecretaris voorts bereid zich in Europa in te spannen voor een behandelvoorbehoud zolang een impact assessment niet is uitgevoerd? Deze leden vragen tevens wanneer het volgende reguliere evaluatiemoment van Verordening 1107/2009 is? Waarom is er geen aparte horizonbepaling in het Omnibus-voorstel opgenomen? In welke situaties is een dergelijke bepaling verplicht? Waarom valt het Omnibus-voorstel daar volgens de EC niet onder?

De leden van de D66-fractie vragen ten slotte aandacht voor de voorgestelde goedkeuring van stoffen voor onbepaalde tijd. Het kabinet geeft aan dat zorgelijke stoffen zoals candidates for substitution en prioritaire stoffen onder de Kaderrichtlijn Water (KRW) moeten worden uitgesloten van goedkeuring voor onbepaalde tijd. Deze leden onderschrijven dit standpunt, maar vragen de staatssecretaris of hij ook bereid is te pleiten voor een bredere categorie van stoffen waarvoor een beperkte goedkeuringstermijn blijft gelden en zo ja, welke criteria hij daarvoor hanteert.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche over het Omnibuspakket inzake de veiligheid van voedsel en diervoeder. Deze leden wensen in dit kader enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting van het kabinet.

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van hoge standaarden op het gebied van voedselveiligheid, consumentenbescherming en diergezondheid binnen de Europese interne markt. Een gelijk speelveld is immers essentieel voor zowel consumentenvertrouwen als voor de concurrentiekracht van Nederlandse ondernemers.

De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet nader toe te lichten in hoeverre de voorgestelde wijzigingen leiden tot daadwerkelijke vereenvoudiging van regelgeving en vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Kan het kabinet concreet maken welke regeldrukreductie wordt voorzien, met name voor het midden- en kleinbedrijf? Hoe wordt voorkomen dat aanvullende rapportage- of controleverplichtingen juist tot extra lasten leiden voor bonafide ondernemers?

De leden van de VVD-fractie hechten aan een risicogerichte en proportionele handhaving. In hoeverre bieden de voorstellen voldoende ruimte voor lidstaten om toezicht efficiënt en doelmatig in te richten, zonder afbreuk te doen aan het hoge beschermingsniveau? Hoe wordt geborgd dat innovatieve ontwikkelingen in de agro- en voedselsector niet onnodig worden belemmerd door verouderde of te rigide voorschriften?

De leden van de VVD-fractie benadrukken tot slot dat Europese regelgeving op deze terreinen moet bijdragen aan zowel veiligheid als economische weerbaarheid. Een sterke interne markt met duidelijke en handhaafbare regels vormt de basis voor duurzame groei en strategische autonomie. Hoe gaat het kabinet bij de verdere onderhandelingen in Brussel inzetten op uitvoerbaarheid, rechtszekerheid en een concurrerend ondernemersklimaat?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de deregulering van gewasbeschermingsmiddelen. Het voorstel heft voor 90 procent van de gewasbeschermingsmiddelen de periodieke herbeoordeling op, met alle milieu- en gezondheidsrisico’s van dien. De EC heeft net zoals bij alle andere Omnibus dereguleringspakketten ook dit keer geen impact assessment gemaakt en zal dit zover bekend ook niet meer gaan doen. Hoe kan het kabinet garanderen dat dit Omnibus-voorstel geen nadelige effecten heeft op het milieu? Hoe garandeert het kabinet dat werkenden in de agrarische sector, boeren en omwonenden geen extra gezondheidsrisico’s lopen wanneer het overgrote deel van de landbouwpesticiden niet meer standaard periodiek wordt gecontroleerd tegen de laatste wetenschappelijke kennis, zoals dit Omnibus dereguleringspakket over voedselveiligheid beoogt? Hoe gaat het kabinet hun belangen borgen in het besluitvormingsproces omtrent deze Omnibus?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn eveneens bezorgd over de zogeheten ‘respijtperiode’ van drie jaar waarin middelen die aantoonbar gezondheids- en milieuschade veroorzaken nog mogen worden gebruikt. Deze leden willen graag weten welke mogelijkheden lidstaten hebben om het gebruik van zulke middelen al gedurende deze respijtperiode te voorkomen en verbieden. Zij zijn ook benieuwd wat het kabinet voornemens is te doen wanneer tegen het einde van het wetgevingsproces nog steeds onduidelijkheid bestaat over de impact van de aanpassing van de ‘respijtperiode’? Is het kabinet voornemens zich actief tegen zo een respijtperiode te verzetten en op welke manier?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren de ontwikkeling dat Omnibussen niet langer enkel voor technische aanpassingen worden gebruikt, maar voor systemische wijzigingen van Europese regelgeving. De Europese Ombudsman heeft naar aanleiding van ervaringen met andere Omnibussen geoordeeld dat dit tot wanbeleid leidt, omdat niet alle belanghebbenden zijn gehoord en er zonder gedegen onderbouwing tot verregaande wijzigingen in wetgeving is besloten (Europese Ombudsman, 25 november 2025, ‘Recommendation on the European Commission’s compliance with ‘Better Regulation’ rules and other procedural requirements in preparing legislative proposals that it considered to be urgent’ (https://www.ombudsman.europa.eu/en/recommendation/en/215920)). Deelthet kabinet de mening dat dit Omnibus-voorstel niet enkel een technische wijziging is, dat daarmee democratische waarborgen worden overgeslagen en dat het onwenselijk is om zulke grote wijzigingen in een Omnibus-voorstel te regelen? Deelt het kabinet de conclusies van de Europese Ombudsman? Welke lessen trekt de het kabinet hieruit?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het voorstel van de EC de bewijslast verschuift van producenten naar overheden. Als er vermoedens zijn dat een middel schadelijk is, dan moet de EC dat voortaan onderbouwen en moet niet langer de producent, maar de beoordelende instantie zoals het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) voor de kosten opdraaien. Deze leden vinden dit een onwenselijke verschuiving van verantwoordelijkheden. Wat zijn de gemiddelde kosten en duur voor een herbeoordeling en hoe gaat dat veranderen onder de nieuwe regels? Welke extra financiering verwacht het kabinet dat het Ctgb nodig heeft? Wat vindt het kabinet van deze verschuiving van kosten? Het kabinet zegt dat de verwachte kostenbesparing bij de European Food Safety Authority (EFSA) en het Ctgb niet kan worden gekwantificeerd. Tegelijkertijd heeft de EC in een ‘Working Document’ de verwachte kostenbesparingen per stof berekend (Europese Commissie, 16 december 2025, ‘Simplification Omnibus Package ‘Commission Staff Working Document’’ (https://food.ec.europa.eu/document/download/863722d6-85d9-4273-b1f6-475b1bcde200_en?filename=horiz_omnibus_2025-1030_swd_en.pdf)). Kan het kabinet deze ogenschijnlijk tegenstrijdige informatie toelichten? Hoeveel beoordelingen verwacht het kabinet dat het Ctgb minder zal gaan uitvoeren en wat betekent dat voor het vermogen van het Ctgb om benodigde expertise te behouden? Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat er geen belangrijke expertise verloren gaat bij het Ctgb?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat er een grote behoefte is aan doorontwikkeling van gewasbeschermingsmiddelen terwijl de onbeperkte toegang van middelen vernieuwing en innovatie juist in de weg staan. Erkent het kabinet dat dit een risico is? Wat wordt de inzet van het kabinet in onderhandelingen over de omnibus om dit risico te mitigeren en zo ja, hoe?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vernomen dat een Franse ngo heeft uitgezocht dat er 49 chemische bestrijdingsmiddelen zijn die volgens het huidige voorstel vanaf 1 januari 2027 een toelating voor onbepaalde tijd krijgen (Generations Futures, 5 februari 2026, ‘Une approbation illimitĂ©e pour 49 pesticides dangereux dont le glyphosate et l’acĂ©tamipride ? GĂ©nĂ©rations Futures demande des clarifications Ă  la Commission EuropĂ©enne’ (https://www.generations-futures.fr/actualites/omnibus-pesticides-illimitees/)). Dit zijn stoffen waarvan de toelating recentelijk is vernieuwd. Hieronder vallen het voor bijen zeer giftige acetamiprid, het omstreden glyfosaat en de veelgebruikte PFAS-stof trifloxystrobin. Wat betekent dit voor de middelen op basis van deze stoffen die in Nederland zijn toegelaten? De EC verwacht dat de toelating voor onbepaalde tijd voor glyfosaat ten minste €605.500 bespaart, zoals geformuleerd in het ‘Working document’. Voor acetamiprid is dit €176.100. Waarop zijn deze bedragen gebaseerd? Onder welke voorwaarden kan Nederland een toelating voor middelen op basis van deze actieve stof intrekken als de stof op Europees niveau voor onbepaalde tijd is toegelaten? Deze leden vrezen dat toelating van glyfosaat en andere risicovolle stoffen voor onbepaalde tijd voor veel onrust bij onder andere omwonenden en mensen die met de stoffen werken, verder vergroot. Hoe weegt het kabinet deze terechte zorgen, en hoe verhoudt dit zich tot het voorzorgsprincipe? Het kabinet wil ook dat prioritaire stoffen onder de KRW worden uitgesloten van toelating voor onbepaalde tijd, net zoals de Kandidaten voor Vervanging (KvV). Vallen alle niet-toetsbare stoffen onder de KvV en/of onder de prioritaire stoffen uit de KRW? Welke toegelaten stoffen die structureel normoverschrijdend in het oppervlaktewater zijn, vallen onder de toelating voor onbepaalde tijd? Hoe staat het kabinet tegenover het uitsluiten van de specifiek verontreinigende stoffen van de toelating voor onbepaalde tijd? Welke mogelijkheden zijn hiervoor op nationaal niveau? Hoe staat het kabinet tegenover het uitsluiten van alle PFAS-bestrijdingsmiddelen van de toelating voor onbepaalde tijd? Welke mogelijkheden zijn hiervoor op nationaal niveau? Is het kabinet bereid om met drinkwaterbedrijven en waterschappen in gesprek te gaan over de zorgelijke stoffen in het oppervlakte- en grondwater en de aanbevelingen van deze instituties mee te wegen in de kabinetsappreciatie van de uitsluitingsgronden voor toelating voor onbepaalde tijd?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in het voorstel een toelating van onbepaalde tijd wordt toegekend aan actieve stoffen met uitzondering van KvV's, derogaties verleend onder Artikel 4, lid 7 en actieve stoffen met een toelating voor bepaalde tijd vanwege “relevant uncertainties arising form the risk assessment, including those resulting form data gaps”. Maatschappelijke organisaties maken zich zorgen dat deze vaag geformuleerde uitzonderingsgrond het maatschappelijk fundament van de toelatingsprocedure aantast en politieke factoren mee kunnen gaan wegen. Wat is de appreciatie van het kabinet van deze uitzonderingsgrond? Hoeveel en welke in Nederland toegestane actieve stoffen en middelen op basis van deze actieve stoffen krijgen naar verwachting per 1 januari 2027 een toelating voor onbepaalde tijd, mocht het voorstel in zijn huidige vorm van kracht gaan? Kan het kabinet een overzicht maken van de actieve stoffen en middelen die als gevolg van herbeoordeling reeds van de markt zijn gehaald? Kan daarbij worden aangegeven of dit om een KvV ging en wat de onderbouwing (risico's) waren om de stof dan wel middel van de markt te halen?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ten slotte benieuwd of het kabinet bereid is om met andere Europese lidstaten op te trekken om alle verslechteringen uit dit dereguleringspakket te halen, of om anders een blokkerende minderheid in de Raad van de EU te organiseren, wanneer de natuur en de gezondheid van boeren, werkenden, omwonenden en de algehele volksgezondheid negatief worden beĂŻnvloed door dit tiende Omnibuspakket.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder en hebben hierover enkele opmerkingen en vragen gericht aan de minister van LVVN.

1. Gebrek aan Impact Assessment en democratische verantwoording

De leden van de PVV-fractie constateren met grote zorgen dat de EC geen impact assessment heeft uitgevoerd voor dit omvangrijke pakket aan wijzigingen. Zonder een dergelijke analyse ontbreekt inzicht in de economische, sociale en ecologische gevolgen voor de Nederlandse agrarische sector (Kamerstuk 22112, nr. 4261). Kan de minister uitleggen waarom de bereidheid er is een standpunt in te nemen over voorstellen waarvan de feitelijke impact op de praktijk en de voedselzekerheid volstrekt onduidelijk is en is hij bereid in Brussel te eisen dat er alsnog een volledige effectbeoordeling komt voordat Nederland definitief instemt?

2. Verschuiving van kosten van bedrijfsleven naar de burger
De leden van de PVV-fractie lezen dat uit de bronnen blijkt dat bij de toelating van diervoederadditieven de kosten voor het monitoren van de veiligheid verschuiven van het bedrijfsleven naar de overheid (EFSA en de lidstaten). Het kabinet noemt dit zelf "zeer onwenselijk" (Kamerstuk 22112, nr. 4261). Deze leden delen deze mening. Het is onacceptabel dat de belastingbetaler opdraait voor de veiligheidsborging van commerciële producten. Welke harde garanties kan de minister geven dat deze kostenverschuiving in de definitieve verordening wordt geschrapt en welke alternatieven gaat hij aandragen om de lasten bij de producenten te houden?

3. Verlies van nationale soevereiniteit door de 'Lex Silencio Positivo'
De leden van de PVV-fractie lezen dat het voorstel een vorm van stilzwijgende instemming (lex silencio positivo) bij de wederzijdse erkenning van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen introduceert: als een lidstaat niet tijdig beslist, wordt de toelating automatisch verleend (Kamerstuk 22112, nr. 4261). Dit beperkt de nationale beleidsruimte en zet de Nederlandse toelatingsautoriteit (Ctgb) buitenspel. Deelt de minister de mening dat het onaanvaardbaar is dat de Nederlandse controle op de eigen markt wordt uitgehold door Europese besluitvormingstermijnen, zeker wanneer het gaat om potentieel giftige stoffen die onder een te brede definitie van 'biocontrol' kunnen vallen?

4. Onuitvoerbaarheid en extra druk op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Ctgb
De leden van de PVV-fractie lezen dat de bronnen aangeven dat het wegvallen van periodieke herbeoordelingen van werkzame stoffen leidt tot inefficiënte inzet van capaciteit en uitvoeringproblemen bij nationale instanties zoals het Ctgb en de NVWA (Kamerstuk 2026D05988). De NVWA heeft momenteel al onvoldoende budget voor haar huidige taken, terwijl de monitoringstaken juist dreigen toe te nemen. Hoe kan de minister verdedigen dat Nederland instemt met een pakket dat de regeldruk voor Brussel verlaagt, maar in de praktijk leidt tot een grotere chaos en hogere werkdruk bij onze eigen nationale toezichthouders?

5. Risico's voor de internationale handel en exportpositie
De leden van de PVV-fractie menen dat de voorgestelde aanscherping van de eisen voor maximale residulimieten (MRL's) op geĂŻmporteerde producten uit derde landen kan leiden tot handelsconflicten bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Het kabinet erkent dat dit de import van noodzakelijke producten kan bemoeilijken en onze logistieke positie als doorvoerland kan schaden (Kamerstuk 22112, nr. 4261). Heeft de minister scherp in beeld wat de gevolgen zijn voor de Nederlandse consumentenprijzen en de beschikbaarheid van voedsel wanneer belangrijke handelspartners tegenmaatregelen nemen tegen deze Europese protectionistische neigingen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder en de Nederlandse positie in Europa en hebben daarbij enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie vinden het belangrijk dat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu prioriteit heeft in de inbreng van Nederland in de EU. Kan de minister bevestigen dat vereenvoudiging van regelgeving niet zal leiden tot verlaging van het huidige beschermingsniveau voor mens, dier en milieu en dat het voorzorgsbeginsel volledig overeind blijft bij de uitvoering van het Omnibuspakket?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van het kabinet in het beschikbaar komen van de monitoring van innovatie in dronegebruik bij gewasbescherming voor inspectie en onderzoek. Deze leden zien ook het belang van wetenschappelijk verantwoorde innovatie en constateren dat dat zekerheid en duidelijkheid verschaft voor ondernemers die investeren in innovatie. Op welke termijn kan de minister hierover duidelijkheid geven aan de sector, zodat ondernemers weten waar zij aan toe zijn? Deelt de minister de zorg dat aanhoudende onzekerheid over toelatingseisen en datavereisten investeringen in innovatie en verduurzaming vertragen? Welke stappen zet de minister om die onzekerheid te minimaliseren?

De leden van de CDA-fractie constateren dat technische innovatie, zoals dronegebruik in precisielandbouw, grote investeringen met zich meebrengt. Welke financiële middelen, stimuleringsregelingen of overgangsmaatregelen stelt de minister beschikbaar om innovatieve toepassingen te ondersteunen zolang er nog onzekerheid bestaat over het definitieve toelatingskader?

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de administratieve lasten voor ondernemers in de sector groot zijn en een hoge regeldruk veroorzaken. Deze leden willen de minister dan ook vragen erop toe te zien dat deze zo veel mogelijk worden vermeden. Wat zijn de verwachte veranderingen in administratieve lasten voor Nederlandse boeren, diervoederproducenten en voedselverwerkers als gevolg van het Omnibuspakket?

De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de resistentieontwikkeling van ziekten en plagen, omdat het afnemende aantal toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en werkingsmechanismen ertoe kan leiden dat telers vaker terugvallen op dezelfde middelen. Hoe beoordeelt de minister het risico dat een kleiner aantal beschikbare werkingsmechanismen leidt tot versnelde resistentieontwikkeling bij ziekten en plagen? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat het huidige toelatingsregime op termijn juist de effectiviteit van gewasbeschermingsstrategieën ondermijnt?

De leden van de CDA-fractie hebben geconstateerd dat telers bepaalde gewassen uit hun bouwplan schrappen vanwege toenemende risico’s en beperkte correctiemogelijkheden. Heeft de minister zicht op mogelijke teeltuitval in Nederland of andere EU-lidstaten als gevolg van het huidige tempo van intrekkingen en herbeoordelingen? Hoe wordt dit risico meegewogen in het licht van Europese voedselzekerheid en strategische autonomie?

De leden van de CDA-fractie constateren dat bestaande middelen moeten verdwijnen, voordat effectieve alternatieven beschikbaar zijn. Deelt de minister de analyse dat verduurzaming alleen houdbaar is wanneer effectieve alternatieven beschikbaar zijn vóórdat bestaande middelen verdwijnen? Is hij bereid zich in Europees verband in te zetten voor een expliciete toets op de beschikbaarheid van alternatieven bij voorgenomen intrekkingen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het onderwerp Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoerder. Deze leden hebben daarover de volgende verduidelijkende vragen.

De leden van de JA21-fractie vragen de minister welke inzet hij kiest om in Europees verband de aangekondigde impact assessment rond het aanpassen van import toleranties zo vorm te geven dat concurrentiepositie, beschikbaarheid van grondstoffen en handelsbelemmeringen zo efficiënt mogelijk worden meegewogen.

De leden van de JA21-fractie vragen de minister of hij bereid is om een programma op te stellen voor het versnellen van onderzoek naar alternatieven voor chemische gewasbeschermingsmiddelen en toepassing daarvan in de praktijk.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het BNC-fiche inzake het Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder. Deze leden zien in het voorstel verschillende verbeteringen en vereenvoudigingen van bestaande wet- en regelgeving. Zij steunen in beginsel de voorgestelde vereenvoudigingen van de verschillende verordeningen en constateren dat, ondanks de voorgestelde aanpassingen, het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu nadrukkelijk blijft geborgd. Deze leden zien dat er veel oog is voor veiligheid en welzijn. Wel hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de BBB-fractie constateren dat in het voorstel stappen worden gezet richting het principe ‘wat we niet mogen produceren, mogen we niet importeren’: onder meer door het intrekken van MRL's voor bepaalde stoffen bij invoer uit derde landen, indien deze stoffen in de EU niet langer zijn goedgekeurd. Deze leden zien dit als een belangrijke stap, zowel vanuit het oogpunt van voedselveiligheid als met het oog op een eerlijker speelveld voor Europese en Nederlandse producenten. Deelt de minister de mening dat dit onderdeel van het pakket een duidelijke verbetering is ten opzichte van de huidige situatie? Deze leden wijzen erop dat Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek (BuRO) in januari 2026 een rapport heeft gepubliceerd over residuen van in Nederland niet-toegestane gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde rozen uit niet-EU-landen (Kamerstuk 27858, nr. 740). Aanleiding hiervoor was onder meer een vraag van het voormalig lid Pierik (BBB) tijdens het commissiedebat Gewasbescherming op 15 mei 2024 over de mogelijkheid om residulimieten vast te stellen voor sierteeltproducten waarop middelen worden aangetroffen die in Nederland niet zijn toegelaten.

De leden van de BBB-fractie constateren dat hiermee reeds langer aandacht wordt gevraagd voor het gelijke speelveld en voor mogelijke risico’s voor mens en milieu bij geïmporteerde producten. Kan de minister aangeven op welke wijze de bevindingen en aanbevelingen uit het BuRO-rapport worden betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de voorgestelde aanpassingen van de MRL-systematiek in het Omnibuspakket? Is de minister bereid in Brussel expliciet te bepleiten dat, waar werkzame stoffen in de EU niet langer zijn toegelaten vanwege risico’s voor mens, dier of milieu, dit ook consequenties heeft voor de residunormen op geïmporteerde producten, inclusief sierteeltproducten? Kan de minister bevestigen dat de inzet van Nederland in lijn is met het eerder door het voormalig lid Pierik (BBB) opgebrachte punt dat het onwenselijk is dat producten uit derde landen op de Europese markt worden toegelaten met residuen van middelen die hier niet zijn toegestaan? Deze leden vragen de minister voorts of hij de mening deelt dat het voorstel van de EC een concrete kans biedt om het principe ‘wat we niet mogen produceren, mogen we niet importeren’ steviger te verankeren, mede in het licht van de uitkomsten van het BuRO-onderzoek.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de discussie over het voorstel om over te stappen van een vaste herbeoordelingscyclus (van doorgaans 10 tot 15 jaar) naar een meer risicogebaseerde systematiek. Kan de minister bevestigen dat onder het huidige systeem werkzame stoffen in beginsel voor een vaste periode van 10 tot 15 jaar worden toegelaten, waarna herbeoordeling plaatsvindt? Klopt het dat het voorgestelde systeem het mogelijk maakt om werkzame stoffen opnieuw te beoordelen zodra daar op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten of risicosignalen aanleiding toe is, dus ook vóór afloop van een vaste termijn? Deelt de minister de mening dat een risicogebaseerde benadering juist kan bijdragen aan een effectiever beschermingsniveau doordat sneller kan worden ingegrepen wanneer nieuwe risico’s zich aandienen, terwijl middelen zonder nieuwe risicosignalen niet onnodig door een volledige herbeoordeling hoeven? Kan de minister expliciet bevestigen dat de toelatingscriteria zelf niet worden versoepeld, maar dat het hier gaat om een aanpassing van de procedure en prioritering?

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de motie van de leden Podt (D66) en Bromet (GroenLinks-PvdA) (Kamerstuk 21501-32, nr. 1744) is aangenomen, waarin wordt gesuggereerd dat sprake zou zijn van toelating “voor onbepaalde tijd”. Kan de minister aangeven op welke onderdelen van het Omnibus-voorstel deze kwalificatie zou zijn gebaseerd? Deelt de minister de opvatting van deze leden dat een risicogebaseerde herbeoordeling juist geen blanco toelating inhoudt, maar een systeem waarin actuele wetenschappelijke inzichten centraal staan? Deze leden zijn van mening dat het voorgestelde systeem, mits goed ingericht, kan bijdragen aan zowel veiligheid als werkbaarheid voor ondernemers. Zij vragen de minister of hij deze analyse deelt en of hij bereid is dit ook nadrukkelijk in Brussel uit te dragen. Is de minister het daarnaast met deze leden eens dat bijvoorbeeld versterken van de mogelijkheden om MRL’s bij invoer aan te passen moeilijk te rijmen is met de stelling (in de motie van de leden Podt (D66) en Bromet (GroenLinks-PvdA) (Kamerstuk 21501-32, nr. 1744)) dat dit pakket zou leiden tot een verzwakking van de bescherming van volksgezondheid en milieu?

De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op de motie van het lid Van der Plas (BBB) (Kamerstuk 21501-32, nr. 1759), waarin de regering wordt verzocht voorstellen van de EC ter vereenvoudiging van wet- en regelgeving met open vizier tegemoet te treden en niet op voorhand langs de meetlat te leggen dat elke vorm van versoepeling moet worden afgewezen. Kan de minister toelichten op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze motie bij de beoordeling van het onderhavige Omnibuspakket? Is de minister bereid, indien wordt gepleit voor aanvullende impact assessments, daarbij ook nadrukkelijk de gevolgen voor concurrentiepositie, verdienvermogen en praktische uitvoerbaarheid voor ondernemers mee te nemen, conform de genoemde motie?

De leden van de BBB-fractie merken op dat uit sectorgegevens blijkt dat Nederlandse boeren en tuinders in de afgelopen jaren het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen al substantieel hebben verminderd en dat Nederland in Europees perspectief relatief efficiënt en zorgvuldig omgaat met het gebruik van deze middelen. Kan de minister bevestigen dat Nederland in vergelijking met veel andere lidstaten al relatief weinig middelen per hectare gebruikt en dat verdere verduurzaming in belangrijke mate afhankelijk is van de beschikbaarheid van effectieve, laag-risico alternatieven? Deelt de minister de opvatting dat het versnellen van de toelating van biocontrol- en laag-risicomiddelen juist kan bijdragen aan verdere vermindering van het gebruik van zwaardere chemische middelen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende voorstel van de EC en de positieve reactie van het kabinet daarop. Deze leden steunen onder meer de voorstellen voor versnelling van de toelating van biocontrol middelen en de risicogebaseerde herbeoordeling.

De leden van de SGP-fractie constateren dat er veel verschillen zijn tussen lidstaten wat betreft nationale toelatingen van en vrijstellingen voor gewasbeschermingsmiddelen, ook binnen een zone. Deze leden horen graag hoe de minister zich wil inzetten voor snellere wederzijdse erkenning van toegelaten middelen. Zou het niet beter zijn om een zonale toelating als uitgangspunt te nemen?

De leden van de SGP-fractie delen de kanttekening van het kabinet bij de voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de maximale residulimieten. Kan de minister een eerste inschatting geven van de mogelijke gevolgen voor de import van onder meer groente en fruit?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben met ontzetting kennisgenomen van het BNC-fiche Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder. Deze leden constateren dat het vorige kabinet met dit fiche de wens van de Kamer, zoals verwoord in verschillende aangenomen moties en de onderbouwde zorgen van wetenschappers en natuur- en zorgorganisaties negeert. Zij kunnen zich dan ook niet voorstellen dat het nieuwe kabinet en de nieuwe minister van LVVN dit BNC-fiche overneemt. Kan het kabinet toezeggen dat ze een nieuw BNC-fiche zal opstellen, dan wel het BNC-fiche zeer ingrijpend zal wijzigen, zodat het in lijn wordt gebracht met de wens van de Kamer en tegemoetkomt aan de zorgen van wetenschappers, natuur- en milieuorganisaties? Kan het kabinet aangeven op welke punten het BNC-fiche zal worden aangepast?

De leden van de PvdD-fractie vragen de minister of hij het verzoek van maatschappelijke organisaties en de Kamer (Kamerstuk 27858, nr. 589) om te komen tot een strenger toelatingsbeleid, waarmee de gezondheid van mensen en de natuur beter wordt beschermd, onderschrijft. Zo nee, waarom niet? Erkent de minister dat het voorliggende Omnibus-voorstel juist het tegenovergestelde doet door het toelatingsbeleid af te zwakken? Heeft de minister kennisgenomen van de zorgen van de Parkinson Alliantie Nederland en Natuur & Milieu die schrijven dat het versoepelen van het toelatingsbeleid van bestrijdingsmiddelen met een risicogestuurde aanpak “een fundamentele fout” is en de door het (vorige) kabinet voorgestelde waarborgen “dusdanig beperkt en vrijblijvend zijn, dat het loslaten van de periodieke herbeoordeling de facto een verslechtering van het beschermingsniveau van mens, dier en milieu betekent” (Natuur & Milieu, 16 december 2025, ‘alarmering door maatschappelijke organisaties en wetenschappers tegen EC-voorstellen Food and Feed Safety Omnibus om het beoordelingskader van bestrijdingsmiddelen te verslechteren’ (https://natuurenmilieu.nl/app/uploads/Brandbrief-toelating-en-beoordeling-bestrijdingsmiddelen.pdf))? Onderschrijft de minister dit? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie lezen in het fiche dat het (vorige) kabinet voorstander is van een verlaging van “onnodige regeldruk”. Kan de minister aangeven welke onderdelen van de toelatingsprocedure hij ziet als ‘onnodig’? Kan hij aangeven waarom deze ook onnodig zijn voor de bescherming van mens, dier en milieu?

De leden van de PvdD-fractie vragen of de minister kennis heeft genomen van de brief van 200 wetenschappers en experts op het gebied van onder meer toxicologie, parkinson, ecologie, neurobiologie, waaronder meerdere gerenommeerde Nederlandse wetenschappers, die duidelijk oproepen om de door de EC voorgestelde “harmful revisions” te verwerpen en in plaats daarvan in te zetten op een versterkt beoordelingskader (Institute for Game and Wildlife Research, 9 december 2025, ‘Scientific statement on pesticides in the Omnibus package’ (https://www.irec.es/wp-content/uploads/2025/12/Scientific-Statement-on-pesticides-in-the-Omnibus-Package.pdf))? Wat is de reactie van de minister op deze brief? Onderschrijft de minister de uitspraak van deze 200 wetenschappers dat verplichte periodieke beoordeling van landbouwgif het voornaamste mechanisme is om te waarborgen dat schadelijke giffen worden ingeperkt en van de markt verdwijnen? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijke bronnen baseert hij dat? Onderschrijft de minister de uitspraak van deze 200 wetenschappers dat schadelijke landbouwgiffen, volgens de laatste wetenschappelijke inzichten, snel van de markt moeten worden verwijderd? Hoe verhoudt zich dat tot het voorstel van de EC? Kan de minister tevens individueel ingaan op de verschillende aanbevelingen die deze wetenschappers hebben gedaan? Is de minister er absoluut zeker van dat het Omnibus-voorstel niet indruist tegen het voorzorgsbeginsel en de eis uit de EU-verordening 1107/2009 waarin staat dat ”Gewasbeschermingsmiddelen mogen uitsluitend stoffen bevatten waarvan is aangetoond dat zij een duidelijk voordeel inhouden voor de teelt van planten en waarvan niet wordt verwacht dat zij een schadelijke uitwerking op de gezondheid van mens en dier of onaanvaardbare effecten voor het milieu hebben”? Zo ja, op grond waarvan? Zo nee, is het kabinet bereid om zich in Europa in te spannen voor een juridische toets? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie lezen in het Omnibus-voorstel dat hormoonverstorende eigenschappen niet zijn meegenomen als uitsluitingsgrond voor een derogatie onder Artikel 4, lid 7 van EU-verordening 1107/2009. Dit, terwijl het Europees Hof van Justitie in 2024 nog verduidelijkte dat bij de beoordeling van een stof rekening moet worden gehouden met de laatste wetenschappelijke kennis over hormoonverstorende eigenschappen. Welke gevolgen heeft het Omnibus-voorstel voor deze rechterlijke uitspraak? Waarom is ‘hormoonverstorend’ niet meegenomen als uitsluitingsgrond? Deelt het kabinet de mening dat stoffen die bewezen hormoonverstorend zijn alsnog niet mogen worden toegelaten onder Artikel 4, lid 7 van de EU-verordening 1107/2009? Het kabinet vreest dat het Omnibus-voorstel op termijn de hoge beschermingsdoelen van de verordening, of de realisatie van de doelen van Europese richtlijnen zoals de KRW, de Drinkwaterrichtlijn, de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening zullen ondermijnen. Deze leden delen die zorgen. Kan het kabinet toelichten waarop zij deze zorgen baseert? Kan het kabinet aangeven op welke manier zij deze zorg aan het licht heeft gebracht bij betrokken partijen en op welke wijze zij nog van plan is dit te doen? Welke instrumenten hebben het kabinet en de EC om vooraf vast te stellen in hoeverre de beschermingsdoelen mogelijk zullen worden ondermijnd? Mocht dit het geval zijn, wat zijn dan de juridische implicaties? Wordt het Omnibus-voorstel daarmee onrechtmatig?

De leden van de PvdD-fractie hebben begrepen dat Pesticide Action Network Europe (PAN Europe) heeft vastgesteld dat één van de belangrijkste redenen waarom de herbeoordelingsprocedures van pesticiden zo lang duren en vertraging oplopen is dat vanuit de pesticidenindustrie onvolledige aanvraagdossiers worden ingediend. Hoewel deze vervolgens afgewezen zouden moeten worden door de lidstaten worden deze desalniettemin toch geaccepteerd, met jarenlange vertraging in het herzieningsproces tot gevolg. Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat vanuit de industrie onvolledige aanvraagdossiers worden ingediend met vertraging tot gevolg, aangezien één van de doelen van het Omnibus-voorstel is om de vertragingen in de herbeoordelingsprocedures te verkorten? Hoe beoordeelt het kabinet de gang van zaken dat partijen die onvolledige formulieren indienen nu worden beloond met toelatingen voor onbepaalde tijd en waarschijnlijk grotere winsten? Wat vindt het kabinet ervan dat hierdoor ook nog eens extra risico’s voor de vervuiling van de omgeving en gezondheid van mensen en dieren bij de maatschappij worden neergelegd? Is het kabinet bereid om in Europees verband deze belangrijke oorzaak voor vertraging in te dienen? Zo ja, waarom wel en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie brengen in herinnering dat in november 2025 het Europees Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de EC niet systematisch en automatisch verlengingen van goedkeuringen van pesticiden kan toestaan in geval van vertragingen in het herbeoordelingsproces (Het Gerecht (Hof van Justitie van de Europese Unie), 19 november 2025 ECLI:EU:T:2025:1034). Op welke manier verhoudt het Omnibus-voorstel zich, waarin toelating van stoffen voor onbepaalde tijd is opgenomen, zich tot deze uitspraak van het Europees Hof van Justitie? Worden de risico’s voor mens, dier en milieu wel voldoende meegenomen in het Omnibus-voorstel?

De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinet extra tijd nodig heeft om nationale uitvoerings- en beleidsregels in overeenstemming te brengen met de gewijzigde EU-procedures. Kan het kabinet een overzicht geven over welke regels dit gaat en wat hierin moet worden veranderd? Is het kabinet verplicht om bij deze wijzigingen een uitvoeringstoets te laten maken? Zo nee, is zij bereid om dit alsnog te doen?

De leden van de PvdD-fractie lezen dat het kabinet aanpassing van de bevoegdheden van de EC om uitvoeringshandelingen vast te stellen wenselijk acht. Wat zijn de voor- en nadelen van dit aanpassingsbesluit? Welke beleidsruimte heeft de Nederlandse overheid bij een gedelegeerde handeling ten opzichte van een uitvoeringshandeling? Hoe worden lidstaten betrokken bij de besluiten die de EC neemt op basis van de uitvoeringshandeling? Is de minister bereid tot een impact assessment, juridische toets en horizonbepaling voor deze wijzigingen van het toelatingsbeleid? Zo nee, waarom niet? De minister geeft in zijn reactie op de brandbrief en de brief van PAN Nederland aan dat voor hem voorop staat om het hoge veiligheidsniveau bij Europese voorstellen te behouden. Tegelijkertijd geeft hij aan dat hij een voorstander is van het verminderen van onnodige regeldruk. Als blijkt dat door de wijzigingen, voortvloeiend uit het Omnibus-voorstel, het veiligheidsniveau daalt, is hij dan bereid om zich met klem tegen het Omnibus-voorstel uit te spreken en de veiligheidsregels aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie horen graag van de minister hoe het voorstel van het kabinet omtrent genetisch gemodificeerde micro-organismen zich verhoudt tot de door de Kamer aangenomen motie van het voormalige lid Akerboom (PvdD) (Kamerstuk 21501-32, nr. 1590)?

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het BNC-fiche Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder en hebben hierover de volgende vragen. Waarom wordt ervoor gekozen de kosten voor veiligheidsmonitoring te verschuiven van het bedrijfsleven naar EFSA en de lidstaten? Kan er enig inzicht in de financiĂ«le impact op de lidstaten worden gegeven? Wat zijn de verwachte extra kosten voor lidstaten en hoe worden deze gefinancierd en door wie specifiek? Welke financiĂ«le gevolgen worden er voor Nederland verwacht indien de monitoringstaken (gedeeltelijk) bij lidstaten worden belegd? Klopt het dat hierdoor publieke middelen worden ingezet voor veiligheidsmonitoring van commerciĂ«le producten? Zo ja, hoe rechtvaardigt u deze verschuiving? Het (vorige) kabinet vond deze ontwikkeling “zeer onwenselijk”. Vindt het nieuwe kabinet dit ook? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kan het verschuiven van de veiligheidsmonitoring leiden tot verschillen in niveau van toezicht tussen EU-lidstaten? Hoe gaat dit voorkomen worden? Wat gaat hierbij de Nederlandse inzet zijn?

II Antwoord / Reactie van de minister en staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

III Volledige agenda

Fiche: Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder

Kamerstuk 22112-4261 - brief minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel, 6 februari 2026

Uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Podt en Bromet over bij de Europese Commissie pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risicomiddelen bevorderen (Kamerstuk 21501-32-1744)

Kamerstuk 27858-742 - brief minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, 10 februari 2026