Conceptverslag Economische veiligheid en strategische autonomie
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D10423, datum: 2026-03-04, bijgewerkt: 2026-03-06 17:16, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-04 10:00: Economische veiligheid en strategische autonomie (Commissiedebat), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Economische veiligheid en strategische autonomie
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Economische Zaken en de vaste commissie voor Europese Zaken hebben op 4 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat, over:
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 16 december 2024 inzake verwerkingscapaciteit kritieke grondstoffen (32852, nr. 325);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 13 januari 2025 inzake defensie-industrie - kritieke grondstoffen en risicovolle afhankelijkheden in de toeleveringsketens (32852, nr. 326);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 12 mei 2025 inzake jaarverslag van het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) over 2024 (30821, nr. 275);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 1 juli 2025 inzake voortgang kabinetsaanpak economische veiligheid (30821, nr. 302);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 15 juli 2025 inzake Nationaal Exploratie Programma kritieke grondstoffen (32852, nr. 374);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 9 december 2025 inzake weerbare ketens: stappen naar strategische voorraden en verwerking van kritieke grondstoffen (32852, nr. 395);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 20 februari 2026 inzake evaluatie van de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT) en tussentijdse evaluatie van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet vifo) (35153, nr. 31).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Economische
Zaken,
Michon-Derkzen
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Europese
Zaken,
Van der Werf
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Reinders
Voorzitter: Kisteman
Griffier: Krijger
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van den Berg, Bühler, Flach, Kisteman, Van der Lee, Martens-America, Oualhadj, Prickaertz en Teunissen,
en mevrouw Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat.
Aanvang 10.02 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen, allemaal. Welkom bij de vaste commissie voor Economische
Zaken, bij het commissiedebat over economische veiligheid en
strategische autonomie. Welkom aan de leden van de commissie: de heer
Van der Lee van GroenLinks-PvdA, de heer Flach van de SGP, mevrouw
Bühler van het CDA, de heer Prickaertz van de PVV, de heer Van den Berg
van JA21, mevrouw Oualhadj van D66 en mevrouw Martens van de VVD. Ik ben
Arend Kisteman, ook van de VVD. Een bijzonder welkom aan de minister
voor haar eerste commissiedebat in de Kamer. Dat is toch een bijzonder
moment, de eerste keer. We wensen haar veel succes. Ik wil er nog even
op wijzen dat we in principe tot 13.00 uur de tijd hebben voor dit
debat. We hebben vier minuten spreektijd per persoon. Gezien het
onderwerp zou ik zes interrupties per persoon willen toestaan, het
liefst in blokjes van twee keer drie, maar als het met minder kan, mag
dat uiteraard.
Het woord is aan de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ook aan mij de eer om de minister welkom te
heten en heel veel succes te wensen. Het is een belangrijke
portefeuille, in een geopolitiek zeer ingewikkelde tijd. Daarom is het
mooi dat het eerste debat gaat over economische veiligheid, strategische
autonomie en ik denk ook wel over strategische relevantie en de noodzaak
om onze ketens te diversificeren. Over die noodzaak hebben we gesproken
bij de begrotingsbehandeling. Dat ga ik niet allemaal herhalen. We weten
allemaal wat er gaande is in de wereld. Ik denk dat een van de
antwoorden daarop de noodzaak van een actieve industriepolitiek is, die
groen en digitaal zal moeten zijn. Ik heb meerdere moties op dit terrein
ingediend die zijn aangenomen. Een daarvan gaat over de Wet vifo. Ik heb
de evaluatie van de Wet vifo gezien en bij mij speelt er wel een zekere
zorg.
Er is trouwens ook een samenhang met wat we vandaag gehoord hebben over
wat er in de Industrial Accelerator Act komt te staan: koop Europees.
Dat "Europees" wordt zo breed ingevuld dat ik niet helemaal kan
ontdekken wat daar nog precies Europees aan is. Dat gaat er dan met name
om dat ook de Verenigde Staten daaronder worden gerekend. Ik heb ook het
recente besluit over Solvinity gezien. Het lijkt alsof we ons bij onze
strategische autonomie alleen maar richten op de gevaren van China. Die
vind ik heel groot en daar moeten we ook veel aan doen, maar als het
gaat om de Verenigde Staten en autonomie, hebben we echt nog een
zoektocht.
Daarbovenop zie ik toch nog veel tekenen dat Nederland nog steeds hoopt
aan de vrijhandelsgedachte te kunnen vasthouden in een wereld die echt
voorbij het laisser-faire is en veel mercantilistischer en
protectionistischer is geworden. Ik ben benieuwd hoe de minister
daarnaar kijkt. Hoe kijkt zij naar de noodzaak om de Wet vifo wat aan te
scherpen? Uit de evaluatie blijkt dat sectorspecifieke toetsen nog
domineren. Er is pas één keer een verbod opgelegd. Als ik alleen al kijk
naar Frankrijk — ik zeg niet dat we Frankrijk moeten worden — zie ik dat
het daar de afgelopen jaren al ruim 90 keer is gebeurd. De vraag is dus
of dit instrument wel scherp genoeg is: voldoet het of moet het verbreed
worden? Hoe gaat de minister dat aanpakken?
In het regeerakkoord staan op zich mooie woorden over de strategische
autonomie. Ik ben wel benieuwd of we die in de praktijk ook gaan
waarmaken. Daarvoor zijn stappen nodig, daarvoor is lef nodig en
daarvoor moeten we ook af van de fixatie op de staatsschuld. Die is
doorgeslagen, ook weer in dit regeerakkoord. Daarbij gaat het ook
specifiek om de Nederlandse investeringsinstelling, die marktconform zou
moeten zijn. Dan verdring je private investeringen, terwijl we eigenlijk
een aantal risico's zouden moeten afdekken. Misschien zouden we
onrendabele toppen moeten financieren. We moeten in ieder geval ruimte
creëren voor technologische innovatie die niet automatisch vanuit de
markt komt. Er moet ruimte zijn voor start-ups en scale-ups. Dat vereist
een actievere overheid, die keuzes maakt en financieel
participeert.
Mijn fractie maakt zich geen zorgen over de noodzaak om fors in defensie
te investeren. Dat gaat om veel geld, maar dat steunen wij. De
multiplier daarvan is echter bijna nul. Dat wil zeggen dat de
Nederlandse economie er amper van zal profiteren, omdat we allemaal
spullen uit het buitenland gaan kopen, met name weer uit de Verenigde
Staten. Wat gaan we daartegen doen? Op het terrein van dual use liggen
er mogelijkheden, ook voor Nederland. Ik wijs op een aangenomen motie
van mij over de noodzaak om ook productiecapaciteit voor legacychips in
Europa te hebben. In Amerika zie je ook manieren waarop dat gebeurt. De
staat is eigenaar van een multifunctionele productiefaciliteit, waarin
private partijen specifieke hoogtechnologische productie kunnen laten
plaatsvinden, maar ook snel kunnen opschalen in tijden van crisis. Ik
ben benieuwd of dat iets is waar Nederland ook naar zou moeten kijken en
of we misschien een deel van de investeringen in defensie zouden moeten
doorgeleiden naar zo'n type faciliteit. Daardoor kun je bijvoorbeeld ook
nationale productie hebben van chips of cruciale onderdelen, of het nou
voor drones is of misschien zelfs voor munitie, al zullen daar veel meer
veiligheidsmaatregelen bij nodig zijn.
De voorzitter:
Kunt u gaan afronden? U zit over de vier minuten heen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Oké. Ik wilde nog iets over strategische aankopen zeggen, maar dat doen
we de volgende keer. De heer Flach heeft … O, sorry.
De voorzitter:
Dank u wel. U bent natuurlijk gewend om de voorzitter te zijn. Ik zie
dat de heer Flach een vraag heeft, maar voordat we naar die vraag gaan,
heet ik mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren nog van harte
welkom. Ik ben helemaal vergeten om de mensen op de publieke tribune,
die volgens mij prima stoeltjes hebben die aardig nieuw zijn — het ziet
er allemaal relaxed uit — en de mensen thuis ook van harte welkom te
heten.
De heer Flach (SGP):
Ik ben sowieso benieuwd wat de heer Van der Lee nog had willen zeggen
over strategische aankopen, dus dat is het eerste deel van mijn
vraag.
De vraag die ik eigenlijk had willen stellen, is de volgende. Ik ben het
met de heer Van der Lee eens dat een belangrijk deel van onze
defensie-uitgaven bij onze eigen industrie terecht zou moeten komen en
dat die industrie ook in Europees verband zou moeten profiteren van de
gestegen uitgaven. Ik heb daar wel een vraag bij, want die bedrijven
snakken ook naar langjarige zekerheid. In de doorrekening van
GroenLinks-PvdA zijn de gestegen defensie-uitgaven na 2030 niet
opgenomen. Welke zekerheid kan de heer Van der Lee vanuit zijn partij
geven aan die defensiebedrijven?
De voorzitter:
De heer Van der Lee met een aanzet om zijn spreektekst af te maken en
nog een extra vraag.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik zal over de strategische aankopen in die zin kort zijn. Daar heb ik
een motie over ingediend, die is aangenomen. Ik ben benieuwd hoe de
minister die gaat uitvoeren. Het bedrag dat de Nederlandse overheid
aanbesteedt, is al langer over de 100 miljard euro per jaar. Hoe kunnen
we ervoor zorgen dat we ook daarin wat strategischer kunnen zijn? Koop
Europees of koop Nederlands, maar misschien wel wat meer aangescherpt
dan nu voorligt in de Industrial Accelerator Act.
Dan richting de heer Flach: we hebben gewoon het advies gevolgd van de
Studiegroep Begrotingsruimte. Die geeft aan dat het noodzakelijk was om
in de doorrekening voor de komende vier jaar duidelijk te zijn over de
financiering van de defensie-uitgaven. De wereld verandert enorm snel.
Wat ons betreft staan wij voor de 3,5%. Dat hebben we ook meerdere malen
bevestigd. Daar blijven we voor staan. Een vraagstuk is wel hoe je het
gaat financieren: ten koste van wat? Daarover hebben wij een verschil
van mening, misschien ook met de SGP, maar zeker met de nieuwe coalitie,
omdat we zien dat er hard wordt gesneden in sociale zekerheid en zorg.
Aan de lastenkant zien we dat vermogen, winst, vervuiling …
De voorzitter:
Zullen we even wachten totdat de vergaderbel afgelopen is? Dat is voor
de mensen thuis iets fijner.
De heer Van der Lee vervolgt.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Een minuut duurt toch wel lang. Ik wou zeggen dat wij wat betreft
financiering anders in de wedstrijd zitten. Wij willen geen
bezuinigingen op sociale zekerheid en zorg. We willen ook meer naar de
lastenkant kijken als het gaat over vermogen, winst en vervuiling, wat
nu niet gebeurt. Maar belangrijker nog is dat wij een veel sterkere
investeringsagenda hebben. Als je nu naar het coalitieakkoord kijkt, zie
je dat er veel wordt geïnvesteerd, maar vooral in defensie. De
multiplier daarvan is echter praktisch nul. Dat betekent dat er te
weinig inspanningen zijn om ook de groei in Nederland te versterken.
Economische groei biedt straks weer ruimte voor meer uitgaven, waaronder
defensie-uitgaven. Daarom ben ik ook kritisch op bijvoorbeeld de manier
waarop de Nederlandse investeringsinstelling wordt vormgegeven. Het
lijkt namelijk wel alsof de staatsschuld en het tekort, dat prima op
orde is in Nederland, het allerbelangrijkste zijn in de keuzes die
worden gemaakt. Dat zijn niet de keuzes van GroenLinks-Partij van de
Arbeid. Wij vinden dat het nu het moment is om te investeren in het
versnellen van de energietransitie en het versterken van onze
energie-autonomie, en in het versnellen van de digitale transitie om
onze afhankelijkheid van de chipproductie in Azië te verminderen. We
moeten er nu voor zorgen dat we het verdienvermogen verbeteren om de
uitgaven straks, ook van de vergrijzing in de toekomst, te kunnen
dragen. Wij zitten dus anders in de wedstrijd.
De voorzitter:
De heer Flach heeft een vervolgvraag.
De heer Flach (SGP):
Er zit veel in het antwoord van de heer Van der Lee wat uitlokt tot
discussie, maar ik zal me beperken. Natuurlijk moet er een dekking
worden gevonden voor die enorme extra defensie-uitgaven, maar
tegelijkertijd moeten we die dingen niet tegenover elkaar zetten. Zonder
veiligheid hebben we namelijk ook geen economie. Als we iets gezien
hebben, dan is het dat de wereld echt op drift is en dat defensie
misschien wel een belangrijke randvoorwaarde is geworden voor überhaupt
nog economische stabiliteit. Een van de kernpunten daarin — dan gaat het
met name om het werven van mensen die al die apparaten gaan bedienen —
is langjarige zekerheid. Daar zit mijn punt, even los van de
financiering en de Studiegroep Begrotingsruimte. Er moet langjarige
zekerheid zijn, zodat mensen weer tegen hun zoon of dochter gaan zeggen:
weet je, bij Defensie ligt voor jou een mooie toekomst. Dat geldt ook
voor al die bedrijven die nu gaan investeren, onderzoek gaan doen
enzovoorts. Als zij die zekerheid niet hebben, gaat het Nederlandse
bedrijfsleven de boot missen. Mijn vraag aan de heer Van der Lee is of
hij dat met mij eens is.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, daar ben ik het wel mee eens. Het probleem is alleen dat ons
politieke landschap zo gefragmenteerd is dat geen enkele politieke
partij langjarige zekerheid aan wie dan ook kan bieden. Dat is gewoon de
harde realiteit. De wens steun ik. Daarom pleit ik bijvoorbeeld voor het
opzetten van een productiefaciliteit in handen van de Staat waarbinnen
commerciële partijen kunnen opereren zonder dat zij voortdurend moeten
bijdragen aan de financiering daarvan, zodat er ook in de toekomst
productiecapaciteit beschikbaar is, terwijl de marktvraag op dat moment
misschien laag is, maar die capaciteit snel kan worden opgevoerd als er
een crisis is. Dat zijn manieren waarop je langjarige zekerheid kunt
inbouwen, want wetten, fondsen en afspraken — dat zie je aan het
pensioenakkoord en het Groeifonds— worden in Nederland gewoon ontmanteld
als er een andere politieke meerderheid is, die opportunistische
motieven heeft. Dat is gewoon de realiteit en die kan ik ook niet
veranderen.
De voorzitter:
De heer Flach laat het hierbij. Dan kan hij met zijn inbreng
beginnen.
De heer Flach (SGP):
Prima. Dank ook van mijn kant. Welkom aan de minister. Het is toch een
eer om de tweede spreker te zijn die haar in haar functie mag
toespreken.
Voorzitter. De wereld om ons heen verandert met orkaankracht, en dat
lijkt me een eufemisme. Handelsstromen worden wapens en geopolitieke
spanningen slaan direct neer op onze exporteconomie. Economische
veiligheid en strategische autonomie zijn geen luxe, maar een voorwaarde
voor onze welvaart en vrijheid. Te midden van die storm zet de SGP in op
een waardengedreven economie die houvast biedt: robuust, sociaal,
duurzaam en innovatief.
Voorzitter. Vandaag wil ik de schijnwerper op onze industrie zetten. De
Telegraaf kopte recent: "Nederland raakt slaapwandelend zijn hele
industrie kwijt: wat weg is, komt nooit meer terug". Code rood, kun je
zeggen. Wat gaat deze kersverse minister doen om de industriële
bedrijven aan boord te houden? Zo bloedt de chemische industrie in
Nederland bijvoorbeeld stilletjes leeg. Van de aangekondigde sluitingen
van chemische fabrieken in Europa stond één op de vijf in Nederland. De
overheid mag daar niet van wegkijken, want als deze industrie verdwijnt,
volgen ook andere takken van onze economie. Eerder is steun toegezegd
aan de chemiesector, maar inmiddels lopen we achter de feiten aan. Mijn
vraag is: gaat het kabinet met urgentie met de sector om tafel om te
komen tot een Project Beethoven 2.0 voor de chemie?
Dan naar de defensie-industrie. Daar hadden we het net ook al over. Ons
defensiebudget moet zo veel mogelijk worden gestoken in nationale
producten, zodat onze oranje industrie maximaal meeprofiteert. Richt de
extra defensiemiddelen daarom op waar Nederland in uitblinkt,
bijvoorbeeld complexe dual-usetoepassingen. Daarvoor is het nodig dat de
overheid aan de lat gaat staan voor het creëren van vraag hiernaar tot
minimaal 2035, zo schreven DNB-economen in ESB. Zo trekken we
investeringen los en stimuleren we onze economie. Wat doet de minister
hieraan?
Wie zichzelf serieus neemt, bouwt met defensiegeld zijn eigen industrie
op, niet die van een ander. In veel andere landen zou het ondenkbaar
zijn dat de eigen strategische industrie niet wordt beschermd of
bevoordeeld. Hier liggen echt kansen. Gaan deze strategische
overwegingen zwaarder wegen in de aanbestedingskaders? Wennink deed de
aanbeveling een vast percentage van het inkoopbudget te besteden aan
innovatiegerichte oplossingen. In de VS gaat het bijvoorbeeld om 3%.
Pakt ook dit kabinet die handschoen op? Specifiek vraag ik aandacht voor
de pilot om de routekaartsystematiek te testen binnen de defensiesector.
Wat zijn daarvan de resultaten en hoe wordt hieraan invulling gegeven?
Hoe kijkt de minister naar een tweede pilot in samenwerking met de
provincie Overijssel en Thales gericht op die mooie radarsystemen?
Dan de maritieme maakindustrie. Die ligt mij na aan het hart. Ons
waterland kent een sterke maritieme maakindustrie. Een aangenomen
SGP-motie vraagt om een koppositie voor Nederlandse bedrijven in de
Europese maritieme-industriestrategie. Welke resultaten zijn hierop
geboekt en wat zijn de plannen van deze minister voor de komende
periode? Investeren is vooruitzien en daarom doe ik nogmaals de oproep
om de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie structureel door te zetten.
Het kan toch niet zo zijn dat we alle investeringen al wegspoelen nog
voordat de fase aanbreekt waarin die zich gaan uitbetalen? Wanneer
krijgt de Kamer hier uitsluitsel over?
Voorzitter. Strategische autonomie betekent ook dat we niet langer
afhankelijk zijn van andere grootmachten voor onze kritieke
grondstoffen. Het Nederlands Materialen Observatorium brengt de
waardeketens van de voor Nederland belangrijke kritieke grondstoffen in
kaart, maar heeft maar tot 2027 financiering. Met een amendement op de
EZK-begroting kan het NMO toekomstperspectief worden geboden. Ik zou de
collega's mee willen geven: als u geeft om de strategische autonomie van
Nederland, stem dan binnenkort voor dat amendement. Daarnaast vraag ik
de minister welke plannen zij heeft met het NMO en welk vervolg wordt
gegeven aan pilots op het gebied van strategische voorraden.
Tot slot, twee zinnen nog. De tijd van praten is nu echt voorbij. Actie
is nodig voordat we als land de boot missen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Echt keurig binnen de tijd, meneer Flach. U heeft een interruptie van de
heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik had niet anders verwacht van de SGP, voorzitter. Ik heb het betoog
van de SGP aangehoord. Ik zie veel overeenkomsten met wat JA21 wil. U
spreekt ook over de strategische voorraden die we moeten gaan aanhouden.
Kan de heer Flach van de SGP verder toelichten welke strategische
voorraden we dan moeten aanhouden en in welke mate? Hoe kijkt de SGP
daarnaar? Is bijvoorbeeld een strategische gasreserve, zoals in
Groningen, daar niet ook onderdeel van?
De heer Flach (SGP):
Dat laatste is natuurlijk een buitengewoon interessante en gevoelige
vraag. Wij hebben ook enorm geworsteld met die vraag. Wat daar
natuurlijk heel zwaar weegt, is zekerheid bieden aan de inwoners van
Groningen die in grote onzekerheid verkeren. Dat gaat verder dan een
economische afweging of je ook die voorraad moet willen aanhouden. Om te
zorgen dat we voldoende strategische grondstoffen hebben, hebben we
juist dat amendement ingediend. Dan kan het NMO, dat dat eigenlijk heel
nauwgezet volgt, dat blijven doen. Die monitoren dat voor heel veel
kritische grondstoffen. We zouden er erg voorstander van zijn als dat
een langjarige financiering krijgt, zodat we veel strategischer kunnen
kijken naar onze grondstoffen. We hebben gezien hoe snel we met tekorten
geconfronteerd worden als die ketens doorbroken worden.
De voorzitter:
De heer Van den Berg, een vervolgvraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik hoor een antwoord, maar anderzijds ook weer niet. Ik ga zeker dat
amendement met interesse bekijken. De heer Flach zegt ook dat wij
zekerheid moeten bieden aan onze inwoners. Dat ben ik helemaal met hem
eens, maar is het niet juist zo dat wij ook zekerheid kunnen bieden aan
inwoners — een rem op de staatsschuld, zoals de heer Van der Lee al zei
— door in ieder geval te kijken of het niet ontzettend onverstandig is
om nu de putten in Groningen gewoon af te sluiten? Nogmaals, het gaat
niet over boren. Het gaat echt over een reserve, juist voor de situaties
die de heer Flach hier beschrijft en waar ik het mee eens ben.
De heer Flach (SGP):
Sowieso had wat ons betreft het dichtstorten van die putten niet
gehoeven, want dat heeft in hoge mate een symbolische betekenis. Ik denk
dat we nu eigenlijk in hoog tempo zien hoe belangrijk die gasvoorraden
waren. Er wordt op verschillende plaatsen nog naar gas geboord. Ik denk
dat we heel zuinig moeten zijn op de plekken waar het nog wel kan en
daar niet overhaast afscheid van moeten nemen.
De voorzitter:
Dat roept geen vervolgvraag op. De heer Van der Lee met een
interruptie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja. Ik was nog benieuwd naar een ander element in het betoog van de heer
Flach, waar ik op een aantal onderdelen echt wel mee eens was. Hij
noemde een Project Beethoven voor de chemische industrie. Daar heb ik
toch een vraag over. Het Project Beethoven was gericht op een
uitbreiding van ASML, bijna een verdubbeling. Dat gaat in de chemische
industrie niet gebeuren. Ik vraag me af wat daar precies strategisch aan
is. Ik snap hun functie in de clusters, maar de basischemie vindt op
vele plekken plaats. Die kan beter plaatsvinden daar waar energie heel
goedkoop is, ook binnen Europa. We moeten ook keuzes maken. Hoe gaan we
dit allemaal betalen, als we ook nog weer de hele bestaande industrie
financieel moeten gaan ondersteunen? Dat is toch niet houdbaar?
De heer Flach (SGP):
Ik begrijp de vraag van de heer Van der Lee heel goed, want geld kan je
maar één keer uitgeven. Tegelijkertijd zien we, juist nu in al die
geopolitieke spanning, hoe belangrijk het hebben van grondstoffen van
bepaalde strategische industrieën is. Natuurlijk kan je bepaalde zaken
ook makkelijk elders over de grens krijgen, maar we zien dat die
bedrijven veelal een internationaal hoofdkantoor hebben of eigenlijk
heel makkelijk hun productie kunnen verplaatsen naar buiten de EU. Dan
komt het ineens heel anders te liggen. Dan kunnen aanvoerstromen zomaar
doorbroken worden.
Ik pak even één element. We hebben in Nederland nog een
kunstmestfabrikant. Belangrijk voor de hele wereld. Als die vertrekt uit
Nederland, zou die productie zich zomaar naar Pakistan kunnen
verplaatsen. Daar zijn de regels heel anders. Daar zijn de aanvoerlijnen
heel anders. Dan kun je daar zomaar van verstoken blijven als de
spanningen in de wereld daartoe aanleiding geven. Met andere woorden: we
moeten proberen om de chemische industrie juist hier in Nederland te
helpen. Dat hoeft niet altijd met cashgeld. Dat kan bijvoorbeeld ook met
bepaalde regelgeving, die nu heel knellend is. Ik noem in dat verband de
RED III-verplichtingen — waterstof dat opgelegd wordt, wat gewoon niet
toepasbaar is in die industrie — of bepaalde vormen van energiebelasting
die gewoon als een molensteen om de nek hangen van die industriële
bedrijven die je in andere landen gewoon niet ziet. Door dat speelveld
gelijker te maken, kunnen we die bedrijven ook in Nederland en dus in
Europa houden.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Op zich snap ik het wel, maar dat is nog niet een antwoord op mijn vraag
hoe we dit allemaal gaan betalen. Ook het verlagen van
energiebelastingen gaat gewoon geld kosten. Het is een inkomstenbron.
Die is ook al meerjarig in de plannen uitgegeven. Dat geldt ook voor
regelgeving. Ik snap het pleidooi. Ik zie het, ook die omnibussen. Maar
als je kijkt wat daar het effect van is — dat is ook doorgerekend — zie
je dat het nog geen tiende is van het bbp in Europa dat je kunt
verdienen door heel veel regels te schrappen. Dus daar moet je het ook
niet van hebben. Het gaat erom dat je ook strategische keuzes maakt over
waar je de prioriteit legt op dit moment in de tijd en waar we onze
kostbare euro's in stoppen. Dan vraag ik me echt af of het verstandig is
om dat op dit moment in de basischemie te doen.
De heer Flach (SGP):
Daarover kunnen we van mening verschillen, want juist die basisindustrie
is cruciaal voor heel veel productie en allerlei processen die we niet
kunnen missen. Ik probeerde aan te geven dat als ze eenmaal vertrekken,
dat niet wil zeggen dat ze zomaar in Duitsland of ik Frankrijk
verdergaan. Dat kan ook veel verder zijn, waardoor je uiteindelijk ook
financieel in de aap gelogeerd kunt zijn. De ene helft van mijn betoog
is misschien financieel, maar de andere helft gaat dus echt gewoon om
regelgeving die heel erg kostenopdrijvend werkt. Ik noem twee
voorbeelden. De CO2-heffing heeft lange tijd boven bedrijven
gehangen. Die is op nul gezet. Die hadden wij liever afgeschaft gezien.
Die leverde Staat op dat moment nog niks op en er was nog maar weinig
ingeboekt voor de toekomst, maar het was wel een onzekerheid die
stapelde op andere onzekerheden waardoor bedrijven het besluit kunnen
nemen om te vertrekken. De RED III, die ik net noemde, zou voor een heel
aantal bedrijven een enorme kostenpost betekenen en voor de Staat
eigenlijk gewoon niks opleveren. Met andere woorden: dat kost geen geld,
maar met die regelgeving kun je al heel veel geld besparen voor die
bedrijven. Waar het om gaat, is voorspelbaarheid op basis waarvan ze
langjarig hier kunnen investeren.
Dan even naar de vraag waarom je die basischemie hier zou houden. Wij
zijn gewend om een heel open land te zijn. We hadden een soort
winkelmodel. Overal in de wereld konden we alles vandaan halen. Je ziet
nu eigenlijk in hoog tempo dat die aanvoerketens kwetsbaar zijn. Ik denk
dat we inderdaad moeten kijken welke stromen nou strategisch zijn voor
ons land en welke we hier moeten houden. Dat zal vast niet voor de hele
industrie gelden, maar voor een belangrijk deel toch echt wel.
De voorzitter:
Meneer Van der Lee? Nee? Dan laten we het daarbij. Ik zie verder geen
interrupties. Dan mag mevrouw Bühler met haar inbreng beginnen. Welkom
in de commissie voor Economische Zaken, want volgens mij is dit het
eerste debat voor u.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad mijn eerste debat, maar ook dat
van de minister. Ik feliciteer haar met haar plek hier. We hebben genoeg
te doen. Er is veel werk aan de winkel en ook de uitdagingen zijn groot.
Dat hebben we al gehoord in de eerste inbrengen. Als inwoner van
Zuid-Limburg, waar de afgelopen jaren impactvolle bedrijfssluitingen
zijn geweest, ervaar ik elke dag wat het belang is van een sterke
economie, want bloeiende regio's kunnen niet zonder een bloeiende
economie. Investeren in ons verdienvermogen en het afbouwen van
afhankelijkheden is geen luxe, maar een noodzaak. De ontwikkelingen van
de afgelopen dagen bewijzen dat des te meer. Het is tijd om te
handelen.
Voor dit debat heb ik de focus gelegd op drie punten: kritieke
grondstoffen, een blokje industrie en economische veiligheid van het
mkb.
Voorzitter. Ten aanzien van de kritieke grondstoffen wil ik via u de
minister bedanken voor de vele brieven en onderzoeken. Ze geven een goed
overzicht, maar het blijft wel veel bij inventariseren. Het CDA vraagt
de minister dan ook om voor de zomer de uitkomsten van de gesprekken
inzake de verwerking van kritieke grondstoffen te delen en een
propositie te maken voor de Nederlandse bijdrage aan de EU Raw Materials
Act, met daarbij de gestelde doelen op het gebied van winning,
verwerking en recycling, met concrete projecten en de
financieringsbehoefte. Is de minister bereid om dit toe te zeggen? Wil
zij zich in Europa hardmaken voor diversificatie via diverse
partnerschappen en handelsakkoorden?
Dan kom ik op het blokje industrie. Economische veiligheid begint bij
een adaptieve economie. Onze industrie heeft een sterk
innovatie-ecosysteem nodig, maar ook continuïteit van bestaande
activiteiten is daarbij essentieel. Campussen en innovatieclusters zijn
een motor van nieuwe bedrijvigheid. Het CDA is daarom ook blij met het
voornemen om hier structureel geld voor vrij te maken. Daarom vragen wij
om tempo bij het opstellen van de nationale campusstrategie. Wanneer
kunnen wij een eerste versie verwachten?
De middelen. Het oprichten van een Nederlandse investeringsinstelling is
een belangrijke stap. Kan de minister aangeven wanneer de Kamer
geïnformeerd wordt over de uitwerking? Welke concrete mijlpalen liggen
er voor de zomer? Hoe zorgen we ervoor dat er snelheid komt in de
uitvoering?
Ook middelen voor de energie-intensieve industrie zijn hard nodig. De
chemiesector staat onder druk; dat hebben we net al gehoord. We zien
bedrijfssluitingen en uitstel van investeringen. Tegelijkertijd stijgt
de import uit China met 8,3%. Producten worden gedumpt met staatssteun,
als het ware. Dit maakt ons kwetsbaar. Is de minister hiervan op de
hoogte? En wat is de inzet van het kabinet om deze oneerlijke
concurrentie aan te pakken? Het CDA wil dat Nederland hierin optrekt met
Europese partners en snel effectieve handelspolitieke maatregelen in
EU-verband voorbereidt.
Daarnaast vragen wij wanneer de uitwerking van de energiepakketten voor
de industrie naar de Kamer komt. Snelheid en duidelijkheid zijn hierin
een belangrijke stap, zeker gezien de huidige turbulente ontwikkelingen.
Hierbij ook graag aandacht voor bedrijven waarvan het eigenaarschap niet
in Nederlandse handen is. Besluitvorming vindt immers elders plaats. Hoe
kan de minister ervoor zorgen dat cruciale productiefaciliteiten dan in
Nederland blijven?
Tot slot het kopje economische veiligheid van het mkb. Dit onderwerp is
niet alleen een thema voor grote bedrijven. Mkb'ers zijn kwetsbaar en
hebben behoefte aan duidelijke, vindbare en uitvoerbare instrumenten.
Hier kan nog een stap in gezet worden. Kan de minister aangeven hoe ze
dat gaat verbeteren?
Voorzitter. Economische veiligheid vraagt om keuzes, tempo en
samenwerking. Ik zie uit naar de antwoorden van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel voor deze inbreng, ook keurig op tijd. U heeft nog een
interruptie van de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Allereerst gefeliciteerd met uw eerste bijdrage, mevrouw Bühler. Ik
hoorde veel overeenkomsten, over de industriepolitiek en het belang van
de industrie voor onze Nederlandse maatschappij, en de vraag aan de
minister hoe wij die industrie hier in Nederland kunnen houden.
Onderdeel van die industriepolitiek is ook een energieprijs die voor de
bedrijven te overleven is. Hoe kijkt mevrouw Bühler daarnaar? Hoe kunnen
we daar grip op krijgen, zodat de randvoorwaarden voor de industrie, die
zo belangrijk zijn, er simpelweg voor zorgen dat die industrie hier
blijft?
Mevrouw Bühler (CDA):
We hebben net al het korte debat gehoord tussen SGP en GroenLinks-PvdA
over de chemische industrie. Dat is een zorg die ik ook deel. Partijen
vertrekken uit Nederland, omdat er ook beslissingsbevoegdheid elders
ligt, men minder geworteld is in de Nederlandse economie en daardoor ook
keuzes maakt: waar kan ik het beste gaan produceren als ik een lagere
energieprijs heb? Dat is echt een enorme bedreiging. Ik denk dat we daar
met elkaar keuzes in moeten maken: hoe gaan we ervoor zorgen dat we daar
een goede balans in krijgen en een level playing field organiseren? Ik
denk dat het dus echt wel een noodzaak is om daarmee aan de slag te
gaan.
De voorzitter:
De heer Van den Berg heeft een vervolgvraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Kunt u dat eens concreet maken? Hoe zorgen we ervoor dat die bedrijven
zich kunnen wortelen in Nederland? Moeten we dat doen met het
investeringsklimaat? Moet het vestigingsklimaat an sich voor Nederland
beter? Hoe gaan we dat concreet maken de komende jaren? Hoe gaan we dat
echt realiseren? Wat is de visie van het CDA daarop?
Mevrouw Bühler (CDA):
Volgens mij moeten we kijken naar het creëren van een gelijk speelveld.
Dat heeft inderdaad ook te maken met vestigingsklimaatregelgeving. De
CO2-heffing is net al genoemd; dat is een belangrijke stap.
Daarnaast moeten we ook kijken naar kostencompensatie rondom
energiemiddelen. Ik denk dat we daarmee aan de slag moeten, want als de
industrie, de basisindustrie, vertrekt, is die niet snel terug. Los van
de effecten die het verdwijnen van de industrie heeft op onze
strategische positie en op de samenwerking binnen de diverse ketens,
heeft het natuurlijk ook een maatschappelijke impact, omdat daarmee ook
banen verdwijnen. Ik zei in mijn inleiding al dat ik weet hoe het
eruitziet en hoe het voelt wanneer een regio daardoor geraakt wordt.
Daar moeten we dus echt het gesprek over gaan voeren met elkaar. Volgens
mij hebben we daar de komende tijd ook een aantal debatten over gepland.
Wij hebben in ieder geval onze eerste vragen gesteld aan de minister. Ik
ben heel benieuwd naar de uitwerking waar de minister mee komt.
De voorzitter:
Dat roept geen vervolgvraag op. Ik zie ook verder geen interruptie meer,
dus dan is de beurt aan de heer Prickaertz voor zijn inbreng.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank, voorzitter. Ook namens mij van harte welkom aan de minister in
haar eerste commissiedebat. Fijn dat er een minister is met een
achtergrond in het bedrijfsleven. Dat geeft altijd wat meer hoop.
Voorzitter. Vandaag gaat het over economische veiligheid en strategische
autonomie. Voor ons is strategische autonomie in feite niets anders dan
het pleiten voor Nederlandse soevereiniteit, een lijn die mijn partij,
de PVV, al jaren uitdraagt. Het gaat erom dat we zelf de regie houden
over onze industrie en onze economie, en daarmee ook over onze toekomst.
Wij willen niet volledig afhankelijk zijn van Brusselse regels en willen
niet telkens worden overruled door Europese afspraken; wij willen in
staat blijven onze eigen keuzes te maken.
In dat licht wil ik graag ingaan op de beantwoording van de vragen over
de Raad Concurrentievermogen. De minister stelde daarin onder andere dat
het versnellen van de verduurzaming van de energie-intensieve industrie
onze strategische autonomie versterkt. De vraag is hoe realistisch dat
is. Juist de energie-intensieve bedrijven — daar hebben een aantal van
mijn collega's het ook al over gehad — sluiten momenteel massaal hun
deuren omdat energie in Nederland aanzienlijk duurder is dan in
omliggende landen. De combinatie van hoge energieprijzen en een
opgelegde verduurzamingsagenda legt een enorme druk op vooral de
maakindustrie. De gevolgen zijn desastreus: bedrijven vertrekken,
productie verdwijnt en met iedere fabriek die sluit verliezen we een
stukje economische zelfstandigheid.
Zo stelt dit kabinet toekomstige afhankelijkheden te willen verminderen,
onder meer via de elektrificatie van de Europese auto-industrie. Maar in
de praktijk lopen bedrijven tegen keiharde grenzen aan. De netcongestie
is inmiddels een structureel probleem. Er is simpelweg onvoldoende
capaciteit op het stroomnet om grootschalige elektrificatie te
realiseren.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een interruptie. Ik zat te zoeken naar een
momentje waarop u heel even een adempauze hield, maar dat kwam er niet.
Mevrouw Martens gaf al vrij snel aan dat ze een interruptie heeft op uw
inbreng.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Mooie aftrap. Voor mij is die van de kant van de PVV wel verrassend, dus
ik zie het als een positieve stap, een stap vooruit. Ik vind het heel
interessant dat u, zeg ik via de voorzitter, gelijk begint over de EU en
dat u zich enorm veel zorgen maakt over het behouden van de bedrijven
die wij hier in Nederland hebben. Tegelijkertijd is de afzetmarkt in
Nederland natuurlijk nihil en hebben we de EU nodig om te zorgen dat al
die bedrijven die de PVV zo graag hier wil houden, hier ook hun geld
zouden kunnen verdienen. Als je dat bekijkt in het licht van het idee
dat we uit de EU zouden moeten stappen of dat we die samenwerking moeten
minimaliseren, waar denkt de PVV dan dat die prachtige Nederlandse
bedrijven hun afzetmarkt vandaan moeten halen?
De heer Prickaertz (PVV):
Ten eerste. Wij zijn niet tegen de EU en vooral niet tegen Europa. Wij
zijn groot voorstander van samenwerking. We zijn groot voorstander van
internationaal zakendoen. Wij zijn alleen enorm tegen het verliezen van
onze eigen autonomie aan Brussel. Wij zijn tegen het opleggen van regels
die enorme invloed hebben op ons bedrijfsleven en die het heel moeilijk
maken voor Nederlandse bedrijven om te kunnen blijven overleven. Maar de
suggestie dat wij tegen internationale samenwerking zijn, is niet
correct.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Je kunt niet uit de EU willen en voor internationale samenwerking zijn,
wanneer je een land bent van de omvang van Nederland. Volgens mij delen
we de wens om zo autonoom mogelijk te blijven, maar ik ga toch een
stapje dieper. De EU gaat ervoor zorgen dat het speelveld tussen de
landen in Europa gelijker wordt. Het gaat dan bijvoorbeeld vooral over
de energierekening. Daardoor zal Nederland niet op achterstand kunnen
staan ten opzichte van landen met hele diepe zakken. Dat zullen we op
Europees niveau met z'n allen moeten afspreken. Dat kan betekenen dat je
een stukje autonomie inlevert. Hoe kijkt de PVV daarnaar?
De heer Prickaertz (PVV):
Ik wil dat eigenlijk met een vraag beantwoorden. Hoe denkt mevrouw
Martens-America van de VVD dat Europa gaat zorgen dat er een gelijk
speelveld komt wat betreft energie? Wat we op dit moment zien, is al
jaren aan de gang. De energie in Nederland is aanzienlijk duurder dan in
een aantal ons omringende landen. Het gaat niet alleen om energie. Het
gaat over heel veel andere zaken. We hebben laatst allemaal een petitie
aangenomen van bedrijven in de grensstreek. Zij lijden enorm onder het
feit dat net over de grens, in Duitsland of België, vrijwel alles
aanzienlijk goedkoper is dan in Nederland. Mogen we van de EU verwachten
dat de energieprijzen in de ons omringende landen enorm gaan stijgen,
zodat we een gelijk speelveld hebben? Of gaan we in Nederland de
energieprijs aanpassen, waardoor we écht een gelijk speelveld
hebben?
De voorzitter:
Mevrouw Martens, u hoeft uiteraard niet op de vraag van de heer
Prickaertz te reageren.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik laat de vraag even voor mijn eigen bijdrage. Ik hoor dan graag of u
vond dat de antwoorden voldoende waren, meneer Prickaertz. Ik denk dat
het grootste gevaar is dat we blijven hangen bij sec de energieprijzen,
al is dat een heel groot en belangrijk onderwerp. We hebben in Nederland
bijvoorbeeld de IKC-regeling in het leven moeten roepen om te voorkomen
dat de energieprijzen in Nederland veel hoger zijn, om de basisindustrie
hier te houden. Maar het gaat natuurlijk om heel veel meer. Het gaat
bijvoorbeeld over het vervolmaken van de kapitaalmarktunie. Dat zijn
allemaal essentiële stappen om te zorgen dat we zowel investeringen
ophalen als een grotere afzetmarkt hebben et cetera. Ik ken de PVV als
een partij die principieel elk debat aangrijpt om te zeggen dat we
minder Europa nodig hebben. Als ik de heer Prickaertz hier vandaag hoor
zeggen dat hij helemaal niet tegen de EU en ook niet tegen Europa is en
dat we moeten samenwerken, dan denk ik dat dat zetel-wise een enorme
winst is in dit huis. U maakt dus mijn dag, meneer Prickaertz. Dank u
wel.
De voorzitter:
Ik hoor zelf geen vraag meer, meneer Prickaertz, maar u mag uiteraard
reageren.
De heer Prickaertz (PVV):
Laat ik even vooropstellen dat wij niet tegen Europa zijn. We zijn juist
voor een Europa. We zijn alleen wel tegen de EU. Daar bedoelen we heel
duidelijk mee: de regelgeving die ons opgelegd wordt. We hebben onze
soevereiniteit voor een groot deel uit handen gegeven aan Brussel. Dat
is hetgeen ons als partij het meeste dwarszit. Ik hoop dat ik daarmee
antwoord heb gegeven.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft de heer Van der Lee ook nog een vraag.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik twijfelde, maar ik stel hem toch maar even. De bulk van de
regelgeving uit Brussel is erop gericht om een interne markt te creëren
die de grootste vrije markt ter wereld is. Dat is wat de EU in de kern
is. Je daartegen keren betekent Nederland veroordelen tot marginaliteit.
Wij zijn de lidstaat die in de afgelopen decennia het meest heeft
geprofiteerd van die vrije markt. Echt, daar zijn onderzoeken naar
gedaan. Wij hebben binnen de Europese Unie structureel het grootste
handelsoverschot ten opzichte van de andere lidstaten. Dat hele pleidooi
tegen regelgeving uit Brussel is dus totale onzin, met alle
respect.
De voorzitter:
Wil de heer Prickaertz hierop reageren?
De heer Prickaertz (PVV):
Ja. Daar verschillen wij dan over van mening. Ik denk dat Europese
regelgeving in combinatie met onze eigen regelgeving juist dodelijk is
voor bedrijven. Dat zien we ook. Het is al jaren aan de gang. Nogmaals,
we hebben een groot deel van onze autonomie weggeschonken aan Brussel.
Wij zijn juist voorstander van zelf de regie houden over onze bedrijven
en onze economie. Vandaar.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Prickaertz (PVV):
Ja, dank u. We hadden het over de elektrificatie van de Europese
auto-industrie. Het idee dat elektrificatie überhaupt automatisch leidt
tot een sterkere industrie, miskent de realiteit waarin ondernemers
opereren. Deze minister, met een achtergrond in de bouw, zou als geen
ander moeten weten dat je kunt blijven bouwen wat je wil, maar dat er
zonder aansluiting op het net niets van de grond komt. Hoe denkt de
minister dat ondernemers moeten investeren in elektrificatie, als zij
niet eens zeker zijn van aansluiting op het net?
Voorzitter. Energiebetrouwbaarheid en -beschikbaarheid zijn cruciaal
voor economische groei. Als dat niet op orde is, gaan we in Nederland
geen enkele groei realiseren. Ook geeft de minister aan in Europees
verband aandacht te vragen voor de hogere elektriciteitsprijzen voor
Nederlandse bedrijven. Dat is goed en fijn, maar aandacht alleen houdt
geen fabriek open. Zolang onze energieprijzen structureel hoger blijven
dan die in onze buurlanden, blijven we bedrijven verliezen. Het kabinet
zet de nationale CO2-heffing op nul. Daar zijn we blij mee.
Maar laten we eerlijk zijn, die heffing was een nationale kop waar we
überhaupt nooit aan hadden moeten beginnen. Het probleem wordt niet
opgelost door achteraf één verkeerde maatregel terug te draaien, terwijl
de rest van het beleid het bedrijfsleven nog steeds de nek
omdraait.
Dat brengt me bij de nationale kop in bredere zin. Het kabinet zegt
onnodige extra eisen te willen schrappen. Tegelijkertijd lezen we dat
aanvullende nationale eisen voortaan goed gemotiveerd moeten worden.
Maar het probleem is niet dat ze onvoldoende gemotiveerd zijn. Het
probleem is dat ze er zijn. Elke extra nationale eis maakt Nederland
duurder en minder aantrekkelijk als vestigingsland. Hoe reflecteert de
minister op deze uitspraak?
Voorzitter. Laat ik het concreet maken met een voorbeeld. Er is al
eerder over gesproken: in het zuiden van Nederland is een bedrijf actief
dat Nyrstar heet. Het is een van de meest energie-efficiënte smelters
ter wereld. Bij het winnen van zink, wat zij doen, kan uit reststromen
germanium worden gewonnen. Dat is een cruciale grondstof voor de
halfgeleiderindustrie en dus voor onze economie. Maar deze reststromen
zien we nu nog als afval. Ja, het winnen van germanium is een kostbaar
en ingewikkeld proces. Maar als het afbouwen van afhankelijkheid zo
cruciaal is voor het kabinet, waarom zet het zich er dan niet voor in om
ook dit soort bedrijven te helpen? Waarom komt het niet met gerichte
voorstellen waardoor het economisch rendabel wordt om die grondstoffen
hier zelf uit afvalstromen te halen, bijvoorbeeld via lagere
energiekosten? Dat is ons inziens werken aan strategische
autonomie.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat: u bent door uw spreektijd heen. Zou u willen
afronden?
De heer Prickaertz (PVV):
Ja, ik ga mijn best doen. Ik heb nog twee kleine stukjes, voorzitter. De
Europese Unie heeft allerlei doelen gesteld, zoals onder andere de CRM
Act, maar strategische autonomie kan niet uitsluitend in Europese termen
worden geformuleerd. Ze moet ook nationaal worden geborgd. Wat is hier
de Nederlandse inzet? Welk aandeel van die verwerking wil Nederland zelf
realiseren? Welke concrete doelstellingen hanteert de minister voor
verwerking binnen onze eigen landsgrenzen?
Zonder duidelijke nationale ambities blijven we afhankelijk. Echte
strategische autonomie begint bij een sterke, concurrerende eigen
industrie. Dat vraagt om realisme in energiebeleid, om het schrappen van
nationale koppen en om gerichte ondersteuning van sectoren die cruciaal
zijn voor onze economische veiligheid. Als we strategische autonomie
serieus nemen, moeten we stoppen met beleid dat onze eigen industrie op
achterstand zet.
Dat was 'm, voorzitter.
De voorzitter:
Dat was het? Volgende keer zou het fijn zijn als u echt gelijk afrondt
in plaats van dat u nog een minuut doorpraat, als collegialiteit naar uw
collega's. U kan uw collega's ook vragen om nog even te interrumperen.
Dat kan altijd handig zijn. Ik zie verder geen interrupties. Dan mag de
heer Van den Berg aan zijn inbreng beginnen.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u wel. Ook op deze wijze nogmaals een felicitatie aan de minister.
Veel sterkte en zegen gewenst in de jaren die gaan volgen. Ik kijk uit
naar de resultaten.
Voorzitter. Het coalitieakkoord staat vol met grote woorden over
strategische autonomie, economische veiligheid en het opbouwen van eigen
kracht. Tegelijkertijd hebben we gemerkt dat het kabinet krampachtig
blijft vasthouden aan het volstorten van de putten in Groningen. Dat
vinden wij een historische fout. We kunnen niet spreken over economische
veiligheid en strategische autonomie en dit dan negeren.
Voorzitter. Voor ruim 80% van ons energieverbruik zijn wij afhankelijk
van het buitenland. Om dat op te vangen hebben we gasreserves die
historisch laag gevuld zijn. Het zijn de laagste van heel Europa.
Volgens de Gasunie is dat geen probleem, zolang er maar geen gekke
dingen gebeuren, zoals het sluiten van de Straat van Hormuz. Laat dit
nou net gebeurd zijn. Daarnaast is Qatar sinds de oorlog in Iran ook nog
eens gestopt met het produceren van lng; hetzelfde Qatar dat 20% van het
wereldaanbod aan gas produceert. De prijzen van gas zijn al meer dan 80%
gestegen en het plafond is nog lang niet in zicht.
Voorzitter. Als er nou ook nog eens een keer iets gebeurt met Trump of
met de gaspijp naar Noorwegen, zoals we eerder bij Nord Stream zagen,
zijn de gevolgen helemaal niet meer te overzien. Kortom, we zijn
kwetsbaar, heel erg kwetsbaar. Daarom vinden wij — dat roepen wij
trouwens al jaren — het onbegrijpelijk om de gasputten in Groningen
hermetisch af te sluiten. We roepen niet eens meer op tot het opnieuw
beginnen met de gaswinning, waar we ook voorstander van zijn, maar we
willen nu simpelweg voorkomen dat we zo meteen echt in de kou komen te
zitten. Het is in het landsbelang om het Groningenveld niet dicht te
metselen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor dit inderdaad al een aantal jaren. Ik was voorzitter van de
parlementaire enquêtecommissie naar de gaswinning in Groningen. Er is
geen enkel commercieel bedrijf dat nog zou willen winnen uit het
Groningenveld. Er kan namelijk niet veilig worden gewonnen. Het
theoretische verhaal over stikstofinjectie is vooral theoretisch. Het is
nooit in zo'n groot veld toegepast. Dat kan ook niet omdat het heel veel
kamers heeft en heel veel drukverschillen. Je zult een volume stikstof
moeten hebben dat ongekend is. Je moet een hele serie stikstoffabrieken
bouwen met miljarden aan investeringskosten. Er zal dus nooit
commercieel winbaar gas uit het Groningenveld meer geproduceerd kunnen
worden. Daarom is het een totaal doodlopende weg, nog afgezien van het
signaal dat JA21 maar blijft afgeven richting de Groningers: de overheid
kun je niet vertrouwen; als het erop aankomt, zijn wij het haasje. Ik
zou zeggen: hou daar maar mee op; het is gewoon een onzinnig
pleidooi.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik denk dat de heer Van der Lee deze interruptie al had voorbereid, want
ik heb nog niet eens gesproken over het injecteren van stikstof in de
gasputten. U zegt bovendien dat wij als overheid onbetrouwbaar zijn als
wij dit doen. Ik denk dat wij al onbetrouwbaar zijn. Wij roepen
eigenlijk onze hele bevolking op om een noodpakket in huis te hebben
voor het geval dat de stroom uitvalt of dat er een oorlog start en dat
mensen zich enkele dagen zelf moeten kunnen redden. Nou, wat doen wij
dan? Wat staat daartegenover? Wij hebben ons eigen nationale noodpakket
in een kluis gestopt en de sleutel daarvan weggegooid. Dat is dus hoogst
onverstandig en dat is denk ik ook het hele verkeerde voorbeeld.
Bovendien zegt u: de ondergrond, het is niet veilig. Ik hoor al die
bezwaren en die begrijpen wij ook, maar waar ik hier simpelweg voor
pleit, is om dat noodpakket in handen te houden. Het gaat erom dat
wanneer er een noodsituatie is, je in zo'n geval alsnog bij dat gas zou
kunnen, afgezet tegen de gevolgen die er anders zouden zijn, namelijk
dat de hele maatschappij stil zou vallen. De energie-intensieve
industrie, de defensie-industrie, onze bedrijven, onze woningen en zelfs
de ziekenhuizen zouden in zo'n geval stilvallen. In zo'n geval willen
wij een strategische reserve.
De voorzitter:
Er is geen vervolgvraag van de heer Van der Lee, maar er is wel een
vraag van mevrouw Martens.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik denk dat ik begrijp welk punt de heer Van den Berg probeerde te
maken. Maar als we toch even terugkijken: is het slim om het verzoek tot
het aanleggen van een noodpakket aan burgers hier te gebruiken als
voorbeeld, juist omdat wij hier met man en macht proberen mensen
duidelijk te maken dat dit wel degelijk van essentieel belang is?
De heer Van den Berg (JA21):
Ja, maar daar zijn wij het ook helemaal niet over oneens. Ik denk dat
het heel goed is dat mensen, inwoners in Nederland weerbaar zijn en dat
zij dat noodpakket hebben. Beter zelfs, ik denk dat we daar veel te lang
mee gewacht hebben en dat we er nog veel meer aan kunnen doen om mensen
simpelweg zelfstandig te maken zodat ze niet alleen maar naar de Staat
hoeven te kijken voor een reddingsboei. Maar waar het hier om gaat, is
dat als wij dat vragen van inwoners, wat overigens heel terecht is, wij
als Staat eigenlijk continu de verkeerde keuzes blijven maken. Wanneer
het gaat over onze kritieke grondstoffen en strategische voorraden,
blijven wij de verkeerde keuzes maken. Wij introduceren energiebeleid
dat ervoor zorgt dat de kritieke industrie Nederland uit gaat. Dat is
precies het punt: daar is een ommekeer in nodig. Ook de Staat moet het
goede voorbeeld geven.
De voorzitter:
Ik zie geen vervolgvraag bij mevrouw Martens. Meneer Van den Berg, u
kunt uw betoog dus vervolgen.
De heer Van den Berg (JA21):
Voorzitter. Ik zei het net al even: wij moeten ons eigen noodpakket
bereikbaar houden en dus niet in een kluis stoppen waarvan we de sleutel
vervolgens weggooien. Het argument "de Groningers hebben te veel geleden
en het vertrouwen is weg" — ik hoorde het net nog — staat dus niet in
verhouding tot de risico's die wij als land en maatschappij lopen. Deze
emopolitiek — zo zie ik het maar — brengt ons land nu simpelweg in
gevaar. Dat moet echt stoppen. Laat wat er dit weekend gebeurd is een
wake-upcall zijn voor andere partijen en vooral dit kabinet. Stop met
ons verwijten dat we Groningers in de kou zouden zetten of niet serieus
nemen en het vertrouwen nog verder zouden beschadigen, maar durf
simpelweg met een open houding te kijken naar de realiteit waar wij voor
staan.
Daarom heb ik de volgende vragen aan het kabinet. Op basis van welke
strategische analyse is besloten dat Groningen, onder welke
omstandigheden dan ook, ook nu nooit meer onderdeel hoeft te zijn van
het energiebeleid, zelfs in het geval van een gewapend conflict? Dus
even los van de argumenten die al bekend zijn, over het vertrouwen en de
emotionele schade et cetera, maar inhoudelijk-strategisch geladen
argumenten. Waarom zou Groningen nooit meer nodig zijn, zeker, zeg ik
nogmaals, voor onze strategische autonomie en de economische veiligheid?
Hoe verhoudt die keuze zich tot de ambitie om afhankelijkheden af te
bouwen? Kan het kabinet uitsluiten dat de Nederlandse inkoop van
Russisch gas noodgedwongen verhoogd moet worden? Kan het kabinet ook
honderd procent garanderen dat Nederland nooit een tekort aan gas zal
hebben, welke situatie zich ook maar voordoet?
Voorzitter, tot zover. Ik kijk met zeer veel belangstelling uit naar de
antwoorden van de minister en de verdere reacties van de commissie. Dank
u wel.
De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Ik heb met interesse geluisterd naar het betoog over de strategische
betekenis van gas, maar er zijn natuurlijk veel meer grondstoffen. Daar
hebben we net samen ook even een interruptiedebat over gehad. Er zijn
tal van metalen en mineralen die we nodig hebben in onze chemische
industrie, in de productieprocessen. Juist om die reden is het
belangrijk dat we goed in kaart brengen waar onze risico's zitten. Hoe
kijkt de heer Van den Berg in dat licht naar het amendement dat heb ik
ingediend om het NMO voortaan financieel te ondersteunen, zodat ze die
taak kunnen blijven uitvoeren?
De heer Van den Berg (JA21):
Allereerst onderschrijf ik, net als de heer Flach, het belang van de
grondstoffen en de strategische voorraden die we kunnen aanhouden, mits
dat qua volume en financiën uit kan. Ik kijk met veel interesse uit naar
wat die grondstoffen dan zijn. Het punt dat ik wil aanstippen, is dat
bijvoorbeeld voor het produceren van wapens, bepaalde hitteschilden of
kogelwerende schilden er ook bepaalde specifieke grondstoffen nodig
zijn. Kortom, die zijn dus in het belang van onze nationale veiligheid.
Ik moet wel toegeven dat ik dat amendement nog moet doornemen. Dat ga ik
zeker met heel veel interesse doen — dat zeg ik zeker toe — maar ik heb
het op dit moment nog niet gelezen.
De voorzitter:
Dan mag mevrouw Oualhadj beginnen met haar inbreng.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij hartelijk welkom aan deze
minister. Ik kijk ook erg uit naar de samenwerking de komende
tijd.
Voorzitter. Terwijl we hard werken aan onze economische groei, is de
wereld elke dag onzekerder. Er wordt actief geprobeerd om Nederlandse
bedrijfsgeheimen te onderscheppen, onze infrastructuur is kwetsbaar en
we zijn te afhankelijk van landen waarop we niet altijd meer kunnen
rekenen. Dat vraagt naast de opbouw van onze defensie ook veel van onze
economie. Vandaag wil ik het hebben over die twee zaken: hoe we aan de
ene kant onze bedrijven beter voorbereiden en hoe we onze eigen
technologische positie versterken.
Om te starten wil ik een mooi initiatief van VNO-NCW en MKB-Nederland
noemen. Die brachten namelijk vorige maand de Handreiking weerbaarheid
uit, die bedrijven in Nederland handvatten geeft om hun weerbaarheid te
versterken. Tegelijkertijd bleek uit een nulmeting die het ministerie
onlangs onder bedrijven heeft laten uitvoeren, dat een derde niet bekend
is met de instrumenten die de overheid biedt op het gebied van
economische veiligheid. Het zou dan ook erg zonde zijn als deze
handleiding de bedrijven niet weet te bereiken. Ik zou daarom graag nog
een stap verder willen gaan, naar het voorbeeld van onze Zweedse
collega's. Die hebben namelijk een soortgelijke handreiking actief weten
te verspreiden onder 130.000 bedrijven in Zweden. Zou de minister
hiertoe het initiatief willen nemen, zodat bedrijven meer bekend raken
met de instrumenten hier in Nederland? Hoe reflecteert de minister in
algemene zin op de resultaten van de nulmeting die door het Clingendael
Institute is gepubliceerd?
Voorzitter. Dan nog een ander punt hierover. De wat grotere bedrijven in
Nederland, en zeker bedrijven die met sensitieve technologie werken,
vertellen mij dat zij wat betreft awareness zelf flink aan de slag zijn
gegaan. Dat is ook logisch, want ze willen hun eigen bedrijven graag
beschermen. Wel geven ze aan mij aan dat de overheid een meer proactieve
en structurele rol zou kunnen spelen als het aankomt op
informatie-uitwisseling met experts uit het bedrijfsleven en het Rijk
zelf. Bij cyberveiligheid hebben we een soortgelijke manier, namelijk
het NCSC. Dat brengt het bedrijfsleven samen aan tafel en het Rijk weet
het bedrijfsleven ook te informeren wanneer er sprake is van een actieve
dreiging. Zou de minister ook willen verkennen of dit, naar analogie van
het NCSC, ook voor de bredere economische veiligheid kan worden
georganiseerd? Misschien bestaat het al, maar ook dan zou ik het graag
willen horen. Ook uit die nulmeting van Instituut Clingendael blijkt
gewoon dat bedrijven hier niet gemakkelijk snel mee bekend zijn.
Voorzitter. Dan nog even kort over de strategische autonomie. Voor
cruciale technologie zijn we soms nog te afhankelijk van het buitenland
en bedrijven willen weten of we wel controle hebben over de systemen
waar onze overheid en onze bedrijven op draaien. In het coalitieakkoord
staan nationale stresstests op het gebied van strategische
technologische afhankelijkheden genoemd. Mijn vraag aan de minister is
of zij kan toezeggen dat die eerste stresstests dit jaar nog worden
uitgevoerd en of zij kan zeggen welke sectoren daar dan voorrang bij
krijgen en of er bij de uitkomsten ook wordt gekeken naar alternatieven
als we te afhankelijk blijken te zijn.
Tot slot nog een vraag over dual use. Wij hebben in Nederland tal van
innovaties die kunnen bijdragen aan een sterkere autonomie. Ik was
onlangs op werkbezoek bij Signify, van oudsher een divisie van Philips.
Dat bedrijf gebruikt lichttechnologie om aan de ene kant
tuingebouwgewassen te laten groeien en aan de andere kant tanks veilig
te laten communiceren. Die extra investeringen in defensie zijn dus niet
alleen goed voor onze veiligheid, maar bieden ook een kans om de
technologie die we hier ontwikkelen breder uit te zetten. Ik wil de
minister daarom ook vragen op welke manier we die bredere uitrol van
dual use gaan stimuleren. Als Defensie optreedt als eerste afnemer van
een Nederlandse innovatie, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat een
bredere en bruikbare toepassing in de rest van de samenleving ook vanaf
dag één op de agenda staat?
Dat was 'm. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Dan is mevrouw Martens-America aan de beurt
voor haar inbreng.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Ook een warm welkom aan onze nieuwe minister. Ik ben
benieuwd naar de samenwerking. Ik heb er zin in.
Voorzitter. Mijn fractie staat aan de lat voor een sterke economie. Dat
is enerzijds omdat een sterke economie zorgt voor groei, voor welvaart
en voor een gevulde schatkist, want het zijn de bedrijven die de
schatkist vullen, waar wij vervolgens die enorme investering in defensie
en onderwijs van betalen. Anderzijds is het onderwerp veiligheid vandaag
de dag steeds actueler. Het behoud van onze industrie om niet
afhankelijker te worden van landen waar we eigenlijk vandaag de dag niet
meer afhankelijk van willen zijn, wordt steeds urgenter. Het onderwerp
strategische autonomie staat wat de VVD-fractie betreft dan ook het
liefst steeds hoger op de politieke agenda. Strategische autonomie
kunnen we vandaag bespreken langs meerdere lijnen, maar ik beperk mij
vandaag tot industrie enerzijds en strategische veiligheid
anderzijds.
Voorzitter. Laat ik beginnen met een paar zorgwekkende feiten: 97% van
het magnesium dat de EU nodig heeft, komt uit China, 100% van de
aardmetalen voor permanente magneten komt uit China en onze
verwerkingsindustrie krimpt. Het is dan ook goed dat de Europese Raw
Materials Act, waarmee we duidelijke en hele concrete doelstellingen
hebben in relatie tot de EU-behoeften, er nu daadwerkelijk ook gaat
komen. Maar ik heb een vraag aan de minister over deze voortgang. Kan de
minister al delen wat het Nederlandse aandeel hierin is? Liggen we op
schema en wat moet er gebeuren om te zorgen dat wij hier daadwerkelijk
aan bijdragen?
Dan de strategische autonomie. Ik denk dat de kwestie rond Nexperia
opeens voor heel veel Nederlanders buiten dit huis heel zichtbaar maakte
wat er gebeurt als wij afhankelijk worden of dreigen te worden van
landen waar we dat wellicht niet van willen zijn. Het was nodig om
actief te handelen om te voorkomen dat dat gebeurde. Er is toen gegrepen
naar een wet die voorhanden was, maar bijvoorbeeld de Wet vifo is nu een
van die wetten die ontzettend belangrijk zijn om te voorkomen dat het
weer gebeurt. Een van de sectoren waar mijn collega Wim Meulenkamp een
voorstel voor heeft ingediend, is de zaadveredelingsindustrie. Het
voorstel is om die toe te voegen aan de Wet vifo. Ik ben heel erg
benieuwd of de minister daar al iets over kan zeggen, ook over de
voortgang daarvan.
Dan het spanningsveld. De Wet vifo zorgt namelijk enerzijds
daadwerkelijk voor meer regeldruk voor het bedrijfsleven, maar is
anderzijds zo ontzettend belangrijk om veilig te blijven. Hoe kijkt de
minister naar dit ingewikkelde spanningsveld?
Industriebeleid vraagt om een samenhangende aanpak. Een van de punten
waar ik me eigenlijk zorgen over maak, is bijvoorbeeld dat het
ministerie van Defensie werkt met vijf zogenaamde NLD-gebieden. Het
ministerie van Economische Zaken spreekt van "zes prioritaire gebieden",
terwijl we eigenlijk dezelfde doelstelling hebben. Hoe gaan we nu zorgen
dat we echt daadwerkelijk gaan samenwerken om te werken aan die sterke
economie?
Tot slot. Voor een sterke, robuuste, strategische en onafhankelijke
economie in geopolitieke tijden zijn onze innovatieve bedrijven heel erg
belangrijk. Dat kan bijvoorbeeld met DARPA. Dat houdt in dat de overheid
als eerste afnemer kan optreden bij bedrijven die werken aan
baanbrekende technologieën. In het buitenland werkt het DARPA-systeem
ontzettend goed en heeft het bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage
geleverd aan de ontwikkeling van gps, het internet, mRNA-technologie et
cetera.
Wij zijn blij dat dit nu ook in het akkoord staat. We zijn verder blij
dat we volgens het DARPA-model gaan werken aan NADI. Misschien kan de
minister alvast toelichten hoe zij hiermee aan de slag wil gaan en op
welke termijn we daar wellicht de eerste update van zouden mogen
verwachten.
Ik zie de voorzitter met een schuin oog naar mij kijken, dus …
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft u een interruptie van de heer Van den Berg.
Hij was net een fractie van een seconde eerder dan zijn collega.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik wil toch nog even terugkomen op het interruptiedebat tussen de heer
Prickaertz en mevrouw Martens over de voordelen van de EU. U weet dat
JA21 ook voor de EU is, maar dan wel voor een EU die zich niet zo sterk
met ons bemoeit als zij dat nu doet. Wij zijn natuurlijk ook kritisch op
die afdrachten, en daar wil ik toch nog even iets over zeggen. Mevrouw
Martens had het er net over dat wij heel veel geld aan de EU verdienen,
maar heeft u ook het bericht gelezen van Hans Hoogervorst, de
oud-minister van de VVD, die zei dat die verhouding steeds meer uit de
pas begint te lopen?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik ben een beetje zoekende naar de relatie met mijn bijdrage, maar ik
wil hier met liefde op antwoorden: nee, ik ben niet voor een hogere
afdracht en ik heb het artikel niet gelezen.
De heer Van den Berg (JA21):
Dan raad ik mevrouw Martens toch met klem aan om dat artikel te lezen,
want het was een zeer goed artikel van die oud-VVD-minister. Hij zei dat
de afdrachten de komende jaren stijgen naar zo'n 17,8 miljard euro per
jaar en dat dat simpelweg steeds minder houdbaar wordt. Ik ben voor een
EU die Nederland economische voordelen biedt. Heel graag zelfs! Maar hoe
kunnen we er wel voor zorgen dat die afdracht naar beneden gaat of dat
de stijging getemperd wordt, zodat we dat geld weer kunnen investeren in
die strategische autonomie, die we zo hard nodig hebben?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Volgens mij vinden de heer Van den Berg en ik van dit onderwerp precies
hetzelfde, maar volgens mij is dit niet helemaal de commissie waar we
debatteren over lagere afdrachten. Maar ik weet wel dat mijn fractie een
voorstander is van lagere afdrachten, dus daar vindt hij de VVD-fractie
geheel aan zijn zijde. Volgens mij moeten we dat gesprek ook absoluut
blijven voeren, vanwege de redenen die de heer Van den Berg hier
aangeeft.
De voorzitter:
U bent door uw interrupties heen, meneer Van den Berg. U heeft er zes
gehad. Het woord is daarom nu aan de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik heb twee vragen, maar ik heb ook nog twee interrupties. Mijn eerste
vraag is echt een informatieve vraag over NADI. Gaat het op deze schaal
werken? Ik vraag dat, omdat we het model kennen, maar dat wat nu wordt
voorgesteld is wel iets op een veel grotere schaal. Bovendien is
onduidelijk waar die 0,5 miljard vandaan komt. Daar heb ik een
informatieve vraag over. Het CPB zegt in haar doorrekening: we begrijpen
het niet helemaal. Het komt uit het saldo, zo heeft het CPB het althans
opgenomen in de doorrekening van het regeerakkoord. Maar in het
regeerakkoord staat ook: het is 10% van de defensie-investeringen.
Daarmee lijkt te worden gesuggereerd dat het uit de Defensiemiddelen
komt. Weet mevrouw Martens-America hoe dat zit?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Volgens mij is dit een uitstekende vraag om aan de minister te stellen,
maar niet om aan een Kamerlid te stellen. Ik ben ook heel erg benieuwd
naar het antwoord, dus laten we 'm via deze weg doorgeleiden aan de
minister. Wellicht kan zij ons hier duidelijkheid over geven. Maar een
hele terechte vraag!
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Daar sluit ik me graag bij aan. De andere vraag is van een iets andere
orde, want die betreft het dilemma tussen het versterken van de
strategische autonomie en de regelgeving. Er is net een rapport over de
elektronica-industrie gepubliceerd door volgens mij TNO. Dat rapport
laat zien dat recyclen in combinatie met verlenging van de levensduur
van producten een enorme slag zal slaan bij het reduceren van de
afhankelijkheid van zeldzame materialen. Ik vroeg me af of de VVD ook
zegt dat dat misschien nog wel kansrijker is dan alleen maar inzetten op
zo'n Wet vifo. Die wet is ook belangrijk, maar met die wet verbied je
alleen maar iets en je vermindert daar dus niet per se de
afhankelijkheid mee. Je voorkomt dat je nog afhankelijker wordt, terwijl
je ook moet investeren in dit soort activiteiten als je je
afhankelijkheid wilt reduceren. Door dat soort investeringen daalt je
feitelijke afhankelijkheid van die grondstoffen, en wel veel sneller dan
dat je nieuwe bronnen van die grondstoffen zou kunnen vinden.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik probeer het te begrijpen, maar volgens mij bedoelt de heer Van der
Lee, maar verbeter me als ik dat niet goed heb, dat … Maar ik zie de
relatie met de Wet vifo niet per se. Ik zie wel de afhankelijkheid van
bedrijven die ervoor zorgen dat we nieuwe extra grondstoffen hebben om
daadwerkelijk te voldoen aan de vraag die we hebben. Kijk, vifo is er
natuurlijk om te voorkomen dat bedrijven in handen vallen van
mogendheden waar we dat liever niet hebben.
Ik ben het wel eens met de heer Van der Lee dat een groot aantal
grondstoffen eindig is. Als we niet zorgen dat een aantal producten een
langere levensduur krijgt, dan zal de vraag naar grondstoffen zo groot
blijven dat ze op een gegeven moment op zijn. Dus volgens mij is het een
en-en die we moeten nastreven. We moeten zorgen dat de basisindustrie in
Nederland blijft, die ervoor zorgt dat wij voor iets heel basaals als
plastic niet afhankelijk worden van China. De andere kant is dat het
volgens mij anno 2026 heel normaal is dat we ervoor zorgen dat een
aantal hoogtechnologische producten zo lang mogelijk meegaan. Dus ik ga
voor de en-en als de heer Van der Lee dat goedvindt.
De voorzitter:
Het was niet TNO maar TU Delft. Zo corrigeer ik op zijn verzoek de vraag
van de heer Van der Lee van net. De heer Flach met een
interruptie.
De heer Flach (SGP):
Ik wil het graag hebben over onze nationale trots, de maritieme
maakindustrie. Ik heb een aantal keer samen opgetrokken met mevrouw
Martens om daaraan te werken. Er ligt nog een aangehouden SGP-motie om
de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie door te zetten. Ik heb die motie
op verzoek van minister Karremans aangehouden, omdat er een evaluatie
aankomt. Maar ik heb van dichtbij gezien wat de impact alleen al van die
agenda is: nooit eerder hebben die bedrijven en de daarbij betrokken
instanties zo nauw opgetrokken. Wat is de basishouding van mevrouw
Martens tegenover het voortzetten en structureel financieren van die
sectoragenda?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank aan de heer Flach voor deze vraag. We trekken inderdaad al ongeveer
tweeënhalf jaar samen op om de maritieme maakindustrie hoog op de
politieke agenda te houden, of het nou gaat om specifieke aandacht voor
de sector of om het behouden van fysieke ruimte. Ik denk dat het laat
zien dat een specifieke sectoragenda zorgt voor betere samenwerking.
Beethoven is daar de hele grote variant van en daar hangen dan ook heel
veel middelen aan. Dit is een andere vorm.
Ik heb de sector ook gesproken. Zo zijn ze volgens mij bijvoorbeeld heel
teleurgesteld dat ze niet een van de sectoren zijn die worden genoemd in
het regeerakkoord. De andere kant is dan wel dat we niet elke sector
kunnen blijven noemen. Maar dat betekent niet dat wat de VVD betreft de
maritieme maakindustrie niet essentieel zou zijn voor ons. Ze is ook
essentieel voor onze veiligheid, en dat is natuurlijk waar we het
vandaag over hebben. Dus zeker!
Ik zou dan ook eigenlijk aan de minister willen vragen of zij ervan op
de hoogte is dat dit nu niet meer doorloopt. Welke middelen zijn
hiervoor nodig? En is zij wellicht van plan om hiermee door te gaan? Zo
niet, dan ga ik graag samen met de heer Flach kijken wat we hieraan
kunnen doen.
De voorzitter:
Ik zie geen vervolgvragen meer. U heeft nog 30 seconden om uw inbreng af
te ronden, mevrouw Martens.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Voorzitter, dat wil ik. Ik zou namelijk nog graag een aantal vragen over
de uitvoering van DARPA willen stellen. Ziet de minister hiervan het
belang in? Hoe gaan we gebruikmaken van dit agentschap? Ik heb ook nog
een vraag over de vorming van het agentschap: gaat het onafhankelijk
opereren, dus op afstand van de politiek om daadwerkelijk te zorgen dat
er fouten mogen worden gemaakt? Als wij in de politiek van mening zijn
dat iets niet geslaagd is, wordt het agentschap daar dan niet gelijk op
afgerekend. En daarmee bieden we ze de ruimte die nodig is om te zorgen
dat er wordt geïnnoveerd.
Daar wil ik het bij laten. Dank u wel.
De voorzitter:
Dat is strak op tijd. Dan is nu het woord aan mevrouw Teunissen voor
haar inbreng namens de Partij voor de Dieren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil allereerst de minister van harte welkom
heten. Gefeliciteerd! Ik kijk uit naar onze samenwerking.
Voorzitter. Ons energie-, voedsel- en klimaatbeleid én ons
grondstoffenbeleid vormen de weg naar strategische onafhankelijkheid en
nationale veiligheid. Willen we een weerbare en leefbare samenleving
houden, dan is op die vlakken echt een systeemverandering nodig. Ik ga
vandaag op energie en grondstoffen in en ik sluit af met
klimaatverandering.
Voorzitter. Hoe vaak moet het nog misgaan voordat we echt leren van onze
fouten? We hadden na de inval van Poetin in Oekraïne in 2022 een
energiecrisis en nu hebben we na de illegale oorlog in Iran weer een
energiecrisis, met gasprijzen die met 50% exploderen. En dat is iets
waar vooral de gewone hardwerkende mensen de dupe van worden. Hoe vaak
moeten we nog de prijs betalen voor onze fossiele verslaving? Hoeveel
langer kunnen we ons in Nederland blijven gedragen alsof we drie
aardbollen tot onze beschikking hebben? Nu is het moment om te
investeren in energieonafhankelijkheid. Dat betekent ook: forse
energiebesparing. Dat blijft heel vaak buiten beschouwing in de
debatten. Maar het betekent ook een versnelling in de transitie naar
hernieuwbare energie. Het is nú het moment om kritisch te kijken naar
waar we onze kostbare energie in Nederland voor willen inzetten.
Voorzitter. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Hoe staat
het met de uitvoering van onze aangenomen motie over de mogelijkheden
voor het afbouwen van afhankelijkheden van de Verenigde Staten voor olie
en gas? Is de minister bereid om in te zetten op een integraal plan voor
hoe Nederland energieonafhankelijk wordt, door vol in te zetten op
energiebesparing en versnelling van de energietransitie? Ook zou er een
analyse moeten komen van hoeveel gas er nu nog nodig is voor onze
noodvoorraden en hoe we daar op langere termijn een vervanging voor
hebben. Kan de minister hierop reageren?
TNO berekende vorig jaar dat de totale kosten van ons energiesysteem
enorm verlaagd kunnen worden als we fossiele brandstoffen zo veel
mogelijk vermijden. Gecombineerd met de inzet op een circulaire economie
wordt Nederland met duurzame energie weerbaarder tegen een nieuwe
mondiale energiecrisis, zo zegt ook TNO.
Voorzitter. Daarom kom ik op onze grondstoffenonafhankelijkheid. Ons
economische systeem is namelijk enorm fragiel, doordat er een enorme
doorvoer aan grondstoffen is. Die hebben we nu nodig om onze economie
draaiende te blijven houden. Als we nou in zouden zetten op reductie van
ons grondstoffengebruik en daarmee op een reductie van onze
energievraag, zouden we ook onze afhankelijkheid verminderen. Daarom
vraag ik de minister om energieonafhankelijkheid te verankeren in de
Nationale Veiligheid Strategie. Is de minister daartoe bereid? Investeer
in circulaire verwerkingscapaciteit en herstel- en
hergebruiksinfrastructuur, in plaats van in nieuwe grondstoffen. Welke
mogelijkheden ziet zij hiertoe? Stimuleer ontwerp voor reparatie en
langere garantieperiodes, zodat we de vraag naar kritieke grondstoffen
kunnen verminderen in plaats van te proberen ze elders in de wereld te
delven. Ziet de minister kansen om de Grondstoffenstrategie op deze
punten aan te vullen en concrete stappen te zetten op vermindering van
ons grondstoffengebruik?
Voorzitter. Ik wil nog even benadrukken — de heer Van der Lee noemde het
net al — dat onderzoek van de TU Delft en het Centre for Materials and
Resilience laat zien dat er met het aanpakken van de vraagkant van
grondstoffen een enorme potentie ligt voor de reductie van ons
grondstoffengebruik, daarmee voor onze energievraag en daarmee weer voor
onze internationale onafhankelijkheid.
Voorzitter. Tot slot over klimaat. Klimaatwetenschappers en financiële
experts waarschuwen dat de economische modellen van overheden en
beleggers klimaatrisico's volledig onderschatten. Overstromingen,
hittegolven, mislukte oogsten, instabiele regio's en kantelpunten in het
klimaatsysteem kunnen volledige economieën ontwrichten. Daar is onze
economie ook niet ongevoelig voor. De Britse veiligheidsdiensten
waarschuwden recent nog voor de enorme gevolgen van klimaatverandering
voor de nationale veiligheid op korte termijn. Om eerlijke keuzes te
maken voor onze economie is het dus van belang dat de gevolgen van
klimaatverandering erkend worden in onze economische en financiële
modellen. Daarom vraag ik de minister: is zij bereid om klimaat- en
natuurrisico's expliciet als systeemrisico's op te nemen in de
kabinetsaanpak economische veiligheid en ervoor te zorgen dat onze
planbureaus en toezichthouders extreme weersevenementen en kantelpunten
serieus meenemen in economische modellen?
Voorzitter, tot slot. Echte autonomie betekent een economie die bestand
is tegen crises door vraagreductie, duurzame energie en
klimaatweerbaarheid. De eindeloze cyclus van afhankelijkheid moeten we
nu stoppen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de
eerste termijn van de Kamer. De minister heeft gevraagd om twintig
minuten tijd, zodat zij zich kan voorbereiden op de beantwoording. Ik
stel dus voor dat we om 11.35 uur verdergaan. Dus twintig minuten
schorsen; 11.35 uur gaan we verder.
De vergadering wordt van 11.14 uur tot 11.40 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug. We gaan beginnen aan de eerste termijn van de minister. Ik
stel voor dat we vier interrupties hebben voor de leden. Ik geef het
woord aan de minister voor een toelichting.
Minister Herbert:
Dank, voorzitter. Dank voor het hartelijke welkom dat ik van de
commissie heb gekregen. Het feit dat ik nu niet helemaal op tijd weer
terug was, wil ik niet symbool laten staan voor wat u verder van mij
kunt verwachten. Fijn ook dat we met zo'n mooi onderwerp kunnen beginnen
in ons gesprek met elkaar. Ik zie hoezeer het belang daarvan gevoeld
wordt door u allen en hoezeer de urgentie daarvan uitgestraald wordt;
dat resoneert bij mij. Tegelijkertijd heb ik herkend dat er in de
interrupties ook een besef was dat er best wat uitdagingen liggen, zeker
voor een kleine, open economie zoals Nederland is.
Mijn voornemen is om vandaag mijn reactie op de vragen de revue te laten
passeren in drie onderwerpen: industrie en sectoren, wetgeving en
instrumenten, en grondstoffen. Maar voordat ik dat doe, zou ik het fijn
vinden om nog even een soort start te kunnen maken, om u misschien ook
een beetje een beeld te geven van hoe ik gestart ben met dit onderwerp.
Dat komt dus in een inleidende tekst.
De economische veiligheid gaat over het verminderen van kwetsbaarheden
en strategische afhankelijkheden, zowel op het gebied van technologie
als op dat van kritieke grondstoffen. Helaas is het aan de orde van de
dag dat dit nodig is. Dat is het door de hedendaagse geopolitiek, waarin
we allemaal zien dat de spanningen tussen de VS en China voelbaar zijn,
en door de mondiale strijd om kennis, technologie en grondstoffen. Dat
het nodig is om te werken aan het vergroten van onze weerbaarheid, zal
dus voor niemand meer ter discussie staan. Gelukkig hebben we daarbij
een goede basis, waarop wij als Nederlandse economie kunnen bouwen. De
Nederlandse economie kenmerkt zich door het feit dat we een sterke open
structuur hebben, dat we innovatief zijn en dat we kennis en technologie
delen. Dat heeft ons ook veel gebracht. We hebben krachtige
internationaal opererende ondernemingen, bijvoorbeeld in die
hightechsector van ons. Die internationale verbondenheid draagt enorm
bij aan onze gedeelde welvaart. Dat willen we ook graag zo houden. Dat
vraagt dus ook om allerlei ondersteunende acties. Daar zetten we op in
vanuit het kabinet. Daarom investeren we in onze economie in het
algemeen en in bepaalde sectoren, zoals de halfgeleiders, de
defensie-industrie, de kwantum en de innovatieve chemie, en gaan we ook
fluks aan de slag met de aanbevelingen uit het rapport-Wennink.
Tegelijkertijd moeten we er niet naïef over zijn dat het alleen maar
gaat over het versterken van onze economie. Daar heeft u zelf ook
allerlei opmerkingen over gemaakt. Het feit dat we een sterke economie
hebben, maakt ons namelijk ook een aantrekkelijk doelwit. Dat merken we
doordat statelijke actoren kennis en sensitieve technologie proberen te
bereiken in Nederland en Europa. Dat zien we in spionage en
cyberaanvallen, maar ook door gerichte investeringen in en overnames van
bedrijven. Als dat lukt, dan kan dat gebruikt worden om ons geopolitiek
onder druk te zetten. Het kan een bedreiging vormen voor onze
economische veiligheid, maar daarmee ook voor onze nationale veiligheid.
U heeft dat zelf heel duidelijk laten doorklinken in uw reacties.
Recente bedrijfscasussen zijn ook onlangs met uw Kamer besproken. Juist
daarom is het van cruciaal belang dat we weerbaarder worden.
Er zijn wat mij betreft een paar randvoorwaarden om daarin mee te nemen;
straks zal ik ingaan op de concrete maatregelen. Ik ga die langs in
willekeurige volgorde.
Het is voor mij essentieel dat we dit altijd blijven zien als een
kabinetsbrede aanpak. Ik werk dus nauw samen met mijn collega's op
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, op Defensie en op
Justitie en Veiligheid, en zal dat ook blijven doen.
Een tweede punt: dit kunnen we niet los zien van de Europese context.
Ook daar is die samenwerking dus belangrijk. Onze Europese eenheid en
solidariteit zijn hier echt van groot belang. Die zijn nodig om goed
gesteld te staan ten opzichte van die andere economische machtsblokken.
Het is daarom steunend dat er een strategie vanuit de Europese Commissie
is opgesteld en dat daar nog recent een mededeling aan toegevoegd is.
Dat geeft het onderwerp ook urgentie.
Het derde punt dat ik wil maken — dat gaat nog steeds over die
randvoorwaardelijkheden — is dat het feit dat onze economie haar kracht
vindt in dat open karakter, ook iets is om te willen behouden. De
interventies, de maatregelen die we nemen om op die risico's te acteren,
moeten daarom heel gericht toegepast worden. We moeten er eigenlijk
alles aan doen om die niet verstikkend uit te laten werken.
Dan naar de aanpak. Waarschijnlijk herkent u daarin de grote termen. We
sluiten namelijk aan bij de aanpak voor economische veiligheid zoals die
ook in Europa gehanteerd wordt. U bent daar eerder ook over
geïnformeerd. Dat doen we langs drie lijnen: protect, promote en partner
— de drie p's. Protect gaat over het beschermen van kennis, technologie
en vitale processen, van eigenlijk alles wat ons sterk maakt. Daar
hebben we verschillende instrumenten voor, bijvoorbeeld de Wet vifo,
waar u ook al een aantal keren aan refereerde. Daar moeten we ook op
doorzetten. Ten tweede is er de lijn van promote. Die gaat natuurlijk
over het versterken van onze eigen positie. Juist het feit dat we die
positie innemen, geeft ons namelijk een krachtige plek. Daar staat
"promote" dus voor. Daar zijn ook weer verschillende instrumenten voor;
daar gaan we vast nog dieper op in. De derde lijn, partner, gaat over
het aangaan van samenwerkingen, zowel publiek-privaat als binnen de
Europese context. De details daarvan laat ik even zitten.
Het is fijn om te merken dat u mij met uw inbreng al duidelijk een
richting mee probeert te geven. Ik heb op verschillende momenten
gedacht: ja, daarop heb ik me al ingelezen. U begrijpt vast ook dat ik
in een fase zit waarin ik vooral eerst zicht probeer te krijgen op wat
we allemaal al van plan zijn te doen en hoe het daarmee gaat, voordat ik
überhaupt nadenk over het aanvangen van nieuwe dingen. Dat is ook een
stijl die u van mij zult gaan zien. Ik hecht er erg aan om eerst zeker
te weten of we doen wat we al eerder afgesproken hebben voordat ik me
richt op nieuwe dingen, die soms om heel begrijpelijke redenen gevraagd
worden, en voordat ik daar te veel nieuwe toezeggingen op doe. Dat geldt
in ieder geval voor deze fase van mijn ministerschap.
Ik stel voor dat ik doorga naar de drie blokken, te beginnen met de
industrie en de sectoren. U ziet hoeveel papieren ik mee heb gekregen.
Ik ga kijken of ik daar zelf snel de hoofdlijnen uit kan halen om u goed
te informeren. Ik ga nu op een voor mij willekeurige volgorde in op een
aantal punten die door u genoemd zijn.
De heer Flach vroeg wat we doen om onze industrie niet zomaar te
verspelen, aangezien we de bedrijven aan boord moeten houden. Ik steun
heel erg het belang van zuinig zijn op de dingen in Nederland die ons
krachtig maken. Draghi en Wennink zijn ook heel helder: het versterken
van de strategische autonomie en economische groei moet een
topprioriteit zijn voor Nederland en de EU. Ik onderschrijf dat ook
persoonlijk helemaal. Daarom is dat nieuwe industriebeleid dat in
oktober al naar de Kamer gestuurd is, ook zo belangrijk voor me. Daarin
worden zes programma's aangekondigd met gerichte acties voor markten die
heel erg van belang zijn voor strategische autonomie, ons
verdienvermogen en onze maatschappelijke uitdagingen. Ik heb al gemerkt
dat u zich er ook van bewust bent dat je daarbij ongelimiteerd door zou
kunnen gaan met sectoren voorrang willen geven. Ik denk dat ook hier
weer geldt "laten we ons allen eerst richten op de eerste prio's die
zijn benoemd", zonder dat dat betekent dat de rest onbelangrijk
is.
Die programma's worden momenteel uitgewerkt. Dat zijn integrale
programma's. Er wordt dus gekeken naar verschillende acties om de markt
te versterken wat betreft opschaling, innovatie en soms letterlijk
fysieke ruimte en infrastructuur. Daarbij zijn door u ook meerdere zaken
genoemd. Het kabinet werkt daarnaast aan het versterken van
randvoorwaarden voor de industrie. Zo is in september van het voorgaande
jaar al een Kamerbrief over ondernemingsklimaat en regeldruk gedeeld met
de Kamer. Er is besloten om de subsidieregeling indirecte
kostencompensatie ETS voort te zetten. Ik moet zelf nog heel erg wennen
aan al die afkortingen; misschien herkent u die al beter. Dat is de
compensatieregeling IKC-ETS. Die is precies gericht op het houden van
het gelijke speelveld voor de elektriciteitskosten. Daar hebben
meerderen van u aan gerefereerd. In een …
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een interruptie. Was dit het einde?
Minister Herbert:
Ik maak nog één zin af.
De voorzitter:
Ja, wilt u dat doen?
Minister Herbert:
Misschien vindt u namelijk het meest interessant — zelf vind ik dat
eigenlijk wel — dat er een taskforce gaat starten om invulling te geven
aan een aantal zaken die erg om actie vragen. Die taskforce zal gestart
worden onder leiding van onze minister-president. Die moet actiegericht
te werk gaan om de industrie in Nederland te versterken in lijn met het
coalitieakkoord en het rapport-Wennink.
De heer Flach (SGP):
Dank voor de eerste antwoorden, minister. De staat van onze industrie
gaat mij echt na aan het hart, omdat dat ook de basis is van onze
economie. Allerlei toeleveringen vinden daar plaats enzovoorts. Dat gaat
me dus echt na aan het hart. Ik zie in wat voor tempo bedrijven op dit
moment vertrekken of het niet meer kunnen bolwerken. Daar maak ik me
oprecht zorgen om. Dat is ook een van de redenen dat we als SGP eerder
een motie hebben ingediend om met een ondernemersakkoord te komen. Een
van de grootste bezwaren die men heeft, is dat het niet alleen op
Economische Zaken zit. Veel van de regeldruk en de kosten die daarmee
samenhangen, komt van andere ministeries. Er is behoefte aan langjarige
duidelijkheid en zekerheid. Zorg er dus voor dat bedrijven zich kunnen
aanpassen aan andere productieprocessen, hogere kosten enzovoorts. Ik
hoor nu over de taskforce als een soort alternatief, maar dat gaat om
acties. Hebben we niet meer behoefte aan langjarige zekerheid en een
plan, waaruit dan acties volgen? Hoe verhouden die twee zich tot
elkaar?
Minister Herbert:
Die samenhang met zaken die vaak onder verantwoordelijkheid van
collega-ministeries vallen, onderschrijf ik helemaal. Ik zie daarin dus
een heel belangrijke rol voor mij om vooral die verbanden zo scherp te
smeden dat ik daaruit een gevoel van zekerheden krijg, voor in hoeverre
je zekerheid kunt hebben. Ik heb een aantal van u het woord "garanties"
horen gebruiken. Ik hou er zelf ook erg van om het gevoel te hebben dat
er garanties zijn, maar die zijn natuurlijk niet altijd te geven. Maar
goed, ik zal me heel erg focussen op het bespelen van die
samenwerkingsrelaties met de andere departementen. Ik zie ook echt voor
me dat dit soort dingen landen in de taskforce en dat die tot een soort
roadmap gaan leiden. Ik hoop dat ik hiermee een beetje reageer op uw
behoefte.
De heer Flach (SGP):
De gedachte achter dat ondernemersakkoord was dat er ook iets van
wederkerigheid in zou zitten, dat de zorgen vanuit het bedrijfsleven
geadresseerd konden worden en andersom ook de verplichtingen bij de
overheid om bepaalde zaken nu echt een keer goed te regelen. Ik merk
namelijk dat bedrijven helemaal niet tegen bepaalde nieuwe regelgeving
en zelfs niet tegen bepaalde hogere kosten zijn, als ze maar de tijd
hebben om die te verrekenen in hun tarieven en ze daarmee concurrerend
kunnen blijven. Welk traject ziet de minister voor zich als het gaat om
de samenwerking tussen enerzijds die taskforce en anderzijds ons
bedrijfsleven? Hoe gaan we die werelden bij elkaar brengen? Volgens mij
is dat namelijk nog belangrijker dan intern met elkaar een taskforce
opzetten.
Minister Herbert:
Ik kan ook vanuit mijn vorige ervaring van harte onderstrepen hoezeer
het voor bedrijven die heel graag willen investeren om toekomstbestendig
te zijn, belangrijk is om daarbij te weten waar ze aan toe zijn. Dat is
allereerst al wat ik zelf meebreng. Tegelijkertijd ben ik heel blij dat
al door mijn voorganger gestart was met Catshuissessies, waarin
regelmatig vertegenwoordigers vanuit het bedrijfsleven aan zullen
sluiten om dit juist goed op elkaar af te blijven stemmen. Ik zal mij
daarin dus zeker met een sterk luisterend oor voegen.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft mevrouw Martens een vraag.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank aan de minister voor deze beantwoording. Ik wil eigenlijk
verdergaan waar de heer Flach net is gestopt. Het ondernemersakkoord is
een voorstel dat de VVD ongeveer twee jaar geleden heeft ingediend met
de SGP. We zijn eigenlijk nog een beetje op zoek naar de uitvoering
hiervan. Wellicht kan de minister er dus nog op terugkomen wat daarvan
de laatste stand van zaken is, om de beweegredenen die de heer Flach ook
aanhaalt: de kloof tussen het bedrijfsleven en de politiek is gewoon te
groot geworden.
Een ander punt. Het is heel fijn dat we die taskforce nu gaan starten.
Ik hoop dat dit het startsein is voor het ontschotten van alle
ministeries. Mijn grootste wens is dat dat gebeurt bij Sociale Zaken en
Economische Zaken. Ik hoor dat dit onder de minister-president gaat
vallen. Kan de minister wellicht toelichten hoe de commissie voor
Economische Zaken op de hoogte wordt gehouden van deze voortgang en waar
de debatten uiteindelijk gaan plaatsvinden?
Minister Herbert:
Misschien is het goed om hier in de tweede termijn wat preciezer op
terug te komen.
De voorzitter:
Mevrouw Teunissen, wilde u nog een vraag stellen?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ja, ik heb toch even een vraag over de kabinetsbrede aanpak die de
minister noemde. Die geldt natuurlijk ook voor de industrie. Mijn vraag
is een beetje in lijn met die van de heer Flach. Mijn fractie mist in
die integrale aanpak toch bepaalde accenten. Vanuit verschillende
rapporten wordt er gezegd dat er echt keuzes gemaakt moeten worden in
wat de overheid ziet als industrie van de toekomst en dat we daar
gericht op moeten inzetten. We hebben ook de klimaatdoelen, waar we als
randvoorwaarde aan moeten voldoen. We hebben het over
grondstoffengebruik en energiegebruik. Wordt er vanuit dit ministerie
dan een soort integrale aanpak ontwikkeld waardoor we ook richting en
duidelijkheid kunnen geven aan de industrie?
Minister Herbert:
In ieder geval heb ik een nauwe samenwerking met mijn collega van KGG
voor ogen op het gebied van de samenhang tussen het klimaatbeleid en de
focus op sectoren waar u op doelt.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dan is alsnog de vraag bij wie dan de regie ligt. We zien namelijk dat
er vanuit KGG wordt geprobeerd de klimaatdoelen te halen. Dat is
vooralsnog niet zo succesvol, maar dat heeft er ook mee te maken dat er
juist een integrale aanpak mist. Voor het klimaat moeten er bijvoorbeeld
grondstoffen worden verminderd en dat ligt dan weer bij dit ministerie.
Dan is toch de vraag bij wie nou de regie ligt van een integrale aanpak
voor de industrie voor de toekomst, waarbij de industrie dus
duidelijkheid krijgt welke richting het kabinet op wil.
Minister Herbert:
Het kortste antwoord is dat ik de coördinerende rol zal hebben voor de
taskforce. Ik ben dus de coördinerende voorzitter. Misschien is het goed
om uitgebreider terug te komen op deze vraag in de tweede termijn.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik hoorde de minister zeggen dat bedrijven de behoefte hebben om te
weten waar ze aan toe zijn. Tegelijkertijd zien we dat de envelop voor
de tegemoetkoming in de elektriciteitsprijs pas vanaf 2028 gaat lopen,
met zo'n 345 miljoen. In 2029 en 2030 stijgt die dan naar zo'n half
miljard. Het punt is dat hiervoor structureel geen geld is gereserveerd.
Kortom, hoe kunnen bedrijven dan weten waar ze aan toe zijn, zodat ze
hier kunnen blijven ondernemen?
Minister Herbert:
Ik moet toegeven dat ik even overvraagd ben. Misschien zit het antwoord
in mijn documenten. Alleen, ik weet dat niet zo snel te vinden, dus ik
vraag hier even clementie voor.
De voorzitter:
We parkeren het even voor de tweede termijn.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik wilde geen vraag stellen, maar een suggestie doen. Ik wil helemaal
niet sceptisch zijn over de taskforce. Integraliteit en het doorbreken
van schotten juich ik toe, maar ik heb dat al heel veel jaren gehoord en
ik zie nog niet zo heel veel progressie. Ik zou de minister dus willen
suggereren om in de stukken die wij van haar departement krijgen, wat
meer in te gaan op de coördinatie tussen de instrumenten. Wij hebben
normeren, beprijzen, fiscaal of per subsidie stimuleren, strategisch
inkopen en kapitaalinvesteringen vanuit de overheid. Dat zijn een beetje
de vijf basisinstrumenten. Ik zou het heel fijn vinden als in
toekomstige brieven duidelijk wordt waarom welk instrument wordt gekozen
en hoe de coördinatie tussen die instrumenten, die vaak vanuit
verschillende wetten en regelgeving plaatsvindt, verbeterd kan worden.
Dat is denk ik een bereikbaarder doel dan op alle terreinen op korte
termijn integraliteit verwachten.
Minister Herbert:
Ik zit al te grijnzen, omdat de heer Van der Lee eigenlijk een behoefte
beschrijft die ook heel erg mijn persoonlijke behoefte is. U spreekt met
een ingenieur. Ik heb behoefte aan samenhang en logica. Dat uit zich in
het soort overzichten waar u op doelt. Ik en wij gaan daar enorm ons
best voor doen om u dat de komende tijd te laten voelen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Herbert:
Dan vroeg de heer Van der Lee naar de actieve industriepolitiek, die ook
groen en digitaal moet zijn. Eigenlijk heeft de heer Van der Lee zijn
zorg uitgesproken over de Wet vifo en over wat er in de Industrial
Accelerator Act komt te staan. Hij benoemde daarbij dat het lijkt alsof
we ons alleen richten op China. Eigenlijk vraagt hij mijn visie op de
vrije handel en het protectionistische karakter dat we steeds meer
herkennen. Misschien geef ik allereerst het kabinetsoordeel hierover.
Het kabinet is van oordeel dat zowel nationaal als Europees gericht en
strategisch industriebeleid essentieel is in de huidige geopolitieke
context en er dus ook op Europees niveau stappen moeten worden gezet om
de industrie te versterken. Tegelijkertijd is dat voor mij niet iets wat
tegenover een open economie staat. We moeten namelijk ook blijven
optrekken met handelspartners, zoals de EU nu bijvoorbeeld doet in het
Mercosur-verdrag en het vrijhandelsakkoord met India.
Wij hebben als kabinet een aantal risicovolle strategische
afhankelijkheden geïdentificeerd. Dat is natuurlijk niet iets wat op een
moment klaar is, maar dat is een doorlopend proces. De
interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden, met de
mooie afkorting TFSA, is daarin een belangrijke taskforce. Er zijn
risicoanalyses uitgevoerd, die vertrouwelijk van aard zijn. Op basis
daarvan worden handelingsopties in beeld gebracht. Wat betreft
staatsdeelnemingen wordt er via publiek-private financiering een positie
ingenomen in start-ups, scale-ups en andere bedrijven van strategisch
economisch belang. Dat gebeurt natuurlijk via Invest-NL. We zijn
terughoudend met het innemen van strategische aandeelhoudersposities
door de Staat, vanwege het risico op marktverstoring en grote kosten
voor de rijksbegroting. Daar wordt allemaal nadrukkelijk naar gekeken.
Het belang hiervan wordt echt gezien, maar wel met gerichte
interventies.
De voorzitter:
Dat was het einde van dit antwoord. Dan heeft de heer Van der Lee een
interruptie.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik snap het antwoord en ik herken de terughoudendheid. Het is niet iets
wat ik voor het eerst hoor. Ik denk wel dat er een verschil zit tussen
de wens een open economie te behouden in de grootste vrijemarkteconomie
binnen de Europese Unie, ter wereld, en de noodzaak om op heel
specifieke terreinen met een staatsdeelneming iets tot stand te brengen
wat de markt op korte termijn niet gaat realiseren. Dat kan bijvoorbeeld
capaciteit voor de halfgeleiderindustrie in Europa zijn, om het gebruik
van dual-use mogelijk te maken. Ik denk dat het te vroeg is om dat in
dit debat uit te discussiëren, maar ik zou de minister wel willen
uitnodigen om specifiek te kijken waar voor de overheid de mogelijkheden
liggen om met een gerichte staatsdeelneming toch een katalysator te
kunnen zijn en dat niet bij voorbaat te zien als een bedreiging voor de
vrije markt. Ook in andere vrije economieën zien we dit soort
voorbeelden, die buitengewoon goed gewerkt hebben.
Minister Herbert:
Ik neem deze suggestie van de heer Van der Lee zeer ter harte.
Misschien is het dan goed om door te gaan naar een thema dat door de
heer Flach werd neergezet. Dat gaat over de chemische industrie. Daar
heeft een aantal van u verder op aangehaakt. Eigenlijk was de concrete
vraag: is dit nou een onderwerp om steun aan te geven, bijvoorbeeld met
een nieuwe Beethoven-constructie? Het kabinet erkent zeker het belang
van de chemiesector voor Nederland, en eigenlijk breder nog voor Europa,
juist omdat chemie aan de start staat van een heleboel waardeketens.
Daarom is die ook van grote waarde voor onze strategische autonomie. Het
kabinet is zich zeer goed bewust van de zware concurrentiedruk, die
zelfs als oneerlijk gevoeld zou kunnen worden op allerlei momenten.
Samen met de minister van KGG werk ik vanuit Economische Zaken volop aan
het verstevigen van die concurrentiepositie van de chemische industrie.
Zo is innovatie van de chemie een van de strategische markten waarop dit
kabinet wil inzetten.
Veel maatregelen om de concurrentiepositie te versterken en te
verduurzamen, worden in Europees verband opgepakt. In de Critical
Chemicals Alliance wordt specifiek aandacht besteed aan het in kaart
brengen van welke chemicaliën en productielocaties van kritiek belang
zijn. Daar zijn de Europese Commissie, lidstaten en bedrijven nauw bij
betrokken. We hebben als kabinet verschillende maatregelen aangekondigd
om de energiekosten voor de energie-intensieve industrie te verlagen.
Onder andere de IKC — daar had ik het net al over — wordt minimaal tot
2030 in stand gehouden. Vanaf 2028 komt er een envelop met een
tegemoetkoming elektriciteitskosten voor bedrijven. In de taskforce
waarover ik het net al had, zullen we een aantal van die strategische
projecten verder uitwerken. Een aantal concrete voorstellen is ook al
uitgewerkt in het advies van Peter Wennink.
De voorzitter:
Ik wil de leden er nog even op wijzen dat we vier interrupties hebben.
Het gaat best snel. We zitten in blokje één, met de derde beantwoording
van de minister. We moeten gewoon om 13.00 uur klaar zijn, dus zet uw
interrupties goed in.
De heer Flach (SGP):
Dan beperk ik me tot een oproep. Ik zou de minister willen oproepen om
er dan in die samenwerking met de minister van KGG op toe te zien dat
onze bedrijven niet nog eens een keer onnodig worden belast met
nationale interpretaties van bijvoorbeeld Europese eisen. Als voorbeeld
noem ik inderdaad de RED III-richtlijn, die erop toeziet dat
bijvoorbeeld in de kunstmestindustrie 60% van de energiebehoefte met
waterstof zou moeten worden ingevuld, terwijl de Europese richtlijn
eigenlijk gewoon een uitzonderingsmogelijkheid biedt voor die sector. In
dat geval heeft de minister van KGG daar niet voor gekozen, maar ik zou
de oproep aan de minister willen doen om er dan dus juist vanuit haar
rol op toe te zien dat onze bedrijven niet onnodig zwaar belast worden
met nationale koppen op Europese richtlijnen.
De voorzitter:
Ook oproepen zijn gewoon interrupties.
Minister Herbert:
Ik hoor uw oproep goed. We zullen dat in de Europese context zo veel
mogelijk proberen te bekijken.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik ben ook blij met het antwoord van de minister dat ze erkent dat het
vijf voor twaalf is, of in ieder geval dat de chemie op dit moment in
zwaar weer zit, ook vanwege de concurrentie uit, onder andere, China. Ik
ben ook blij dat zij zegt: we gaan dingen aanpakken. Ik hoor dat we nu
nog wel zaken verder gaan onderzoeken. Volgens mij is het vijf voor
twaalf, in ieder geval voor de chemische industrie in Nederland. We
weten dus al dat een aantal partijen gaat vertrekken en dat sommige
partijen nu in overweging nemen om ook weg te gaan. Welke versnelling
kunt u erin aanbrengen?
Minister Herbert:
Dit jaar zullen er Europese maatregelen komen.
De voorzitter:
Er is een vraag van de heer Prickaertz.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik sla even aan, want de minister refereert enkele keren aan de IKC ETS.
Overigens is inschrijving momenteel niet meer mogelijk. Die is
stopgezet. Ik sla een beetje aan op de voorwaarden van die
subsidieregeling. Ik pakte het er net even bij. Het is namelijk zo dat
je 50% van die subsidie moet investeren in CO2-verlagende
systemen. Je mag niet meer dan 50% fossiele grondstoffen gebruiken,
anders kom je er niet voor in aanmerking. Dan is er ook nog het feit dat
via de EU elektriciteitsleveranciers CO2-emissies moeten
inkopen en dat uiteindelijk weer doorbereken aan de klanten. Mijn vraag
aan de minister is: gaat dit überhaupt iets helpen? Is dit niet een
beetje een wassen neus, vraag ik met alle respect.
Minister Herbert:
Ik heb er bewondering voor dat de heer Prickaertz zich al zo heeft
verdiept in de complexe materie. Ik sta nog aan de start daarvan. In de
tweede termijn zal ik terugkomen op uw vraag.
De voorzitter:
Minister, u vervolgt.
Minister Herbert:
De maritieme maakindustrie werd ingebracht door de heer Flach; ook
mevrouw Martens vroeg hiernaar. Er is een motie ingediend waarin wordt
gevraagd om een koppositie voor Nederlandse bedrijven in de strategie.
Welke resultaten zijn daarop geboekt en wat zijn de plannen voor de
volgende periode? U vraagt eigenlijk om dit door te zetten in een
sectoragenda voor de maritieme maakindustrie en wanneer u als Kamer
daarover duidelijkheid krijgt. Nederland heeft inderdaad, samen met
Duitsland, de Commissie opgeroepen om met een Europese maritieme
strategie te komen. Daar heeft de Europese Commissie gehoor aan gegeven.
Er is ook een non-paper opgesteld om invloed uit te oefenen op de
toekomst van de strategie. Vandaag wordt de European Industrial Maritime
Strategy gepresenteerd. Nederland is voornemens een actieve rol te
spelen in de uitvoering hiervan. Dit jaar wordt het Rijksregiebureau
geëvalueerd. Voor mij is het niet de vraag óf de uitvoering van de
sectoragenda wordt gecontinueerd, maar op welke manier. De Kamer wordt
hierover geïnformeerd in 2026.
Dan heb ik een vraag van meerdere leden: op welke manier kan de uitrol
van dual-use worden gestimuleerd? U wijst daarbij op mogelijkheden om
innovatie te stimuleren met Defensie als eerste afnemer. Dat herken ik.
Ik onderschrijf het belang van dual-use-innovaties. Al die investeringen
in defensie kunnen namelijk grote maatschappelijke baten hebben. Wij
werken op dat gebied ook veel samen met andere ministeries; ik werk
samen met de minister van Defensie. Er zijn volop raakvlakken tussen de
prioriteiten van de Nationale Technologiestrategie en de technologische
prioriteiten binnen de defensiestrategie, zoals beschreven in de
Defensie Strategie voor Innovatie en Industrie. Daarnaast werk ik, in
lijn met het rapport-Wennink en het 3%-R&D-actieplan, aan de
oprichting van het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie, het
NADI. Daar heeft u het al meerdere keren over gehad. Voor de zomer komt
er meer duidelijkheid over hoe de verdere uitrol daarvan plaats gaat
vinden.
Dan heb ik in dit blokje nog een laatste punt, waar mevrouw Teunissen
naar vroeg. Haar vraag ging erover of de minister, ik dus, bereid is
door te zetten op een integraal plan om energieonafhankelijk te worden,
door inzet van energiebesparing en het versnellen van de
energietransitie. Dan kijk ik allereerst naar mijn collega, de minister
van Klimaat en Groene Groei, die inzet op een snelle, betrouwbare en
duurzame energietransitie. Daarbij wordt ook gekeken naar het belang van
de verschillende energiedragers en hoe een duurzamer energiesysteem kan
bijdragen aan meer … Er staat hier "afhankelijkheid", maar ik hoop dat
er "onafhankelijkheid" wordt bedoeld. Laat ik meer doen dan alleen
voorlezen wat hier staat!
Samen met partners zoals de Gasunie, de Europese Commissie en het
Internationaal Energieagentschap monitort KGG de internationale
energiemarkt. Als de leveringszekerheid door bepaalde scenario's in het
geding komt, zal het kabinet dit uiteraard meenemen in zijn
overwegingen. Ik kan me voorstellen dat hier nog heel veel vragen over
te stellen zijn. Ik zou u daarvoor graag willen doorverwijzen naar het
debat over de Energieraad, dat morgen, op donderdag 5 maart,
plaatsvindt.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
De heer Van der Lee heeft een vraag over blokje één.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
We hadden al even een interruptiedebatje over het NADI. We krijgen nog
informatie over wat het moet gaan doen en hoe het eruit gaat zien, maar
door de doorrekening van het CPB ben ik toch een beetje in de war over
of het geld er eigenlijk wel is. Het CPB stelt dat het uit het saldo
komt, omdat het de financiering niet kan vinden. Daarover bestaat dus
onduidelijkheid. De tekst lijkt ook te suggereren dat de financiering
uit de defensie-investeringen komt. Kan de minister daar duidelijkheid
over geven of schetsen wanneer we daar duidelijkheid over krijgen?
Minister Herbert:
Mijn horeca-oor werkt toch niet helemaal goed genoeg om het antwoord dat
ik hier naast mij krijg meteen te kunnen verwerken. Ik hoor dat Defensie
fondsen heeft. Ik kijk toch even naar mijn buurman. Ik hoor dat dit nog
wordt uitgezocht door ons voor het NADI.
De heer Van den Berg (JA21):
Toch nog even in dit blok. U bent natuurlijk de minister van Economische
Zaken, en tegenwoordig ook van Klimaat. U zei dat als er risico's voor
de leveringszekerheid zijn, het kabinet daarop zal reageren via de
minister van Klimaat en Groene Groei. Is het niet zo dat er eigenlijk
twee typen leveringszekerheid zijn? Enerzijds is het technisch,
bijvoorbeeld wanneer wij letterlijk en fysiek zonder gas komen te
zitten. Anderzijds hebben we met de Oekraïense energiecrisis gezien dat
we niet zonder gas kwamen te zitten, maar de prijzen wel onbetaalbaar
werden, ook voor het bedrijfsleven, met soms prijzen van wel €3 per kuub
aardgas. Kortom, zit er niet een tweede laag onder? Het gaat niet alleen
om de fysieke leveringszekerheid, maar ook om het feit dat, als het
aanbod beperkt wordt, de prijzen omhoogschieten, zoals nu, waardoor de
hele agenda van Economische Zaken onder druk komt te staan. Is dat niet
de manier om in te grijpen?
Minister Herbert:
Ik zet mij in voor de belangen van de industrie. Verder staat het op de
agenda van de minister van KGG om tot een aanvalsplan te komen op dit
terrein. Daarvoor werken wij natuurlijk nauw samen.
De voorzitter:
U kunt verdergaan.
Minister Herbert:
Er zijn meer vragen gesteld die onder dit blokje vallen. Omwille van de
tijd stel ik voor deze schriftelijk te beantwoorden.
De voorzitter:
U bedoelt vragen in blokje één?
Minister Herbert:
Ja, blokje één. Die vragen gaan dus over industrie en sectoren.
De voorzitter:
Mochten de antwoorden nog niet gegeven zijn, dan komt de minister daar
zo snel mogelijk — daar ga ik dan van uit — op terug.
Minister Herbert:
Daar mag u op rekenen.
De voorzitter:
Dan kunt u door naar blokje twee.
Minister Herbert:
Ik ga door naar het tweede thema: wetgeving en instrumenten. We gaan
meer richting de actie die we voor ogen hebben. Ik beantwoord deze
vragen ook in willekeurige volgorde.
Mevrouw Teunissen heeft gevraagd naar de veiligheidsrisico's op het
moment dat klimaateffecten optreden. Zij suggereerde deze te integreren
in economische veiligheidsanalyses. Ecologische veiligheid maakt
onderdeel uit van het domein nationale veiligheid en wordt expliciet
meegenomen in analyses die betrekking hebben op de nationale veiligheid.
Deze veiligheidsrisico's vallen dus niet onder economische veiligheid,
maar zeker wel onder nationale veiligheid.
De heer Van der Lee heeft gevraagd naar de noodzaak om de Wet vifo aan
te scherpen. De achterliggende vraag is eigenlijk: is dat instrument
scherp genoeg? Ik zou willen noemen dat het kabinet voortdurend werkt
aan verbetering van de Wet vifo. U weet ongetwijfeld dat er recent een
tussentijdse evaluatie is opgeleverd, waaruit blijkt dat men kan
aannemen dat de Wet vifo risico's voor de nationale veiligheid
reduceert. Tegelijkertijd wordt er ook gewerkt aan uitbreiding van de
Wet vifo, naar aanleiding van de implementatie van de verordening over
foreign direct investment. Er worden ook additionele sensitieve
technologieën onder die wet gebracht. Dat gebeurt per algemene maatregel
van bestuur. Die sectoren betreffen biotechnologie, AI, geavanceerde
materialen en nanotechnologie, sensor- en navigatietechnologie en
nucleaire technologie met medisch gebruik. Bij de aanpassingen van de
Wet vifo probeert Nederland de effecten op het investeringsklimaat
beperkt te houden door in te zetten op de heel beperkte en nauwkeurige
afbakening van sectoren in technologieën. Hiervoor geldt wat ons betreft
dus niet: meer is beter.
Mevrouw Bühler heeft aandacht gevraagd voor de economische veiligheid
van het mkb. Ik onderken dat zeker en sluit mij ook aan bij de opmerking
van mevrouw Oualhadj over het feit dat het mkb soms een ander soort
steun nodig heeft, maar dat dit wel degelijk ook weerbaar moet zijn. Een
eerste onderzoek dat onlangs is gedaan, heeft inderdaad aangetoond dat
het mkb nog onvoldoende beschermd is tegen economische
veiligheidsdreigingen. Er is ook aangetoond dat zij daar vooral toegang
moeten hebben tot eenvoudige instrumenten die praktisch toepasbaar zijn
en dat zij eigenlijk even geholpen moeten worden om in actie te komen.
Ook dit onderschrijf ik weer vanuit mijn eigen ervaring. Het feit dat
informatie beschikbaar is, wil nog niet zeggen dat deze gebruikt kan
worden. Daar heeft u ook erg op gedoeld.
Het Ondernemersloket Economische Veiligheid, dat al twee jaar bestaat,
is een aanspreekpunt. Ik weet dat u zich er zorgen over maakt of dat
loket het werk wel actief genoeg doet. Er is in ieder geval al een
campagne gestart, genaamd Bescherm wat je sterk maakt. Die is erop
gericht om ondernemers bewust te maken van risico's, maar ook om heel
toepasbare informatie, tips en tools aan te reiken. Er is ook een
website in het leven geroepen. In het komende jaar vind ik het
belangrijk om ook extra stappen hierin te zetten. We onderzoeken dus de
mogelijkheid van een subsidie om ondernemers te helpen concrete
maatregelen te treffen die zich richten op de economische veiligheid. We
zetten die campagne voort. We gaan proberen om dat op allerlei manieren
te doen, bijvoorbeeld door podcasts en artikelen te maken en door
aandacht te geven aan thema's als de toeleveringsketens en het
personeelsbeleid. We doen dat ook door de tools verder aan te scherpen,
met iedere keer als doel om ze nog beter aan te laten sluiten bij de
praktijk van die ondernemers. Brancheorganisaties en andere
netwerkpartners hebben daar natuurlijk ook een rol in te spelen.
Eigenlijk is alles gericht op effectief zijn. Ik ben uiteindelijk niet
tevreden als we alleen veel hebben gedaan, maar wel als het effect
daarvan is geweest dat de ondernemers ook echt beschermd zijn.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank aan de minister voor deze beantwoording. Het is inderdaad fijn om
te horen. Ik ken het loket en ik ken ook vele van de initiatieven die de
minister hier noemt. De vraag die ik had, ging over het actief
verspreiden van het mooie handboek — een handreiking, zoals ze het zelf
noemen — juist ook omdat uit de nulmeting blijkt dat de bedrijven de
bestaande initiatieven niet goed weten te vinden. Ik denk dat het dus
ook iets van ons, van het Rijk en van de overheid vraagt, namelijk om de
bedrijven die handreiking aan te bieden. Er staan namelijk echt hele
concrete tools en tips in om bedrijven weerbaar te maken op het moment
dat dat nodig is. Dat is dus echt de extra stap die we hier zetten.
Zoals ik aangaf, is dat ook naar Zweeds model. Daar is bij 130.000
bedrijven de folder gewoon op de mat gevallen. Ik vraag me dus af waarom
we dat niet op die manier ook hier zouden kunnen doen.
Minister Herbert:
Ik ben heel blij met de concrete suggesties die mevrouw Oualhadj
hierover doet. Ik zal hier zeker ook de samenwerking met bijvoorbeeld
VNO-NCW verder in zoeken. Ik ben er absoluut op gericht om de
effectiviteit van alles wat er beschikbaar is te bereiken.
Meneer Prickaertz heeft aandacht gevraagd voor het feit dat we moeten
voorkomen dat we, door allemaal extra nationale eisen, de
aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland juist onderuithalen.
Hij vraagt naar mijn reflectie hierop. Hoe we het fenomeen van die
nationale koppen goed in toom houden, is zeker iets wat mijn aandacht
heeft. Daar is zelfs ook in het coalitieakkoord aandacht voor. Wij zijn
er dus op gericht om, bij de omzetting van de Europese regelgeving … Ik
moet even kijken. Er zijn eigenlijk twee kanten. Allereerst hechten we
eraan om onnodige regels te schrappen. Er loopt al een programma voor
het beheersen van die regeldruk. Mijn voorganger is daarmee gestart. Dat
programma ga ik zeker voortzetten, en juist ook richten op dit soort
fenomenen. Tegelijkertijd kan het wel nodig blijven om nieuwe
regelgeving te ontwikkelen op terreinen waar de Europese regelgeving
onvoldoende is. Maar u mag mij er echt op aan blijven spreken dat ik dat
alleen doe als dat écht nodig en ook proportioneel is. Wij gaan elkaar
op dit punt zeker blijven ontmoeten.
Mevrouw Oualhadj heeft een opmerking gemaakt over de grote bedrijven met
sensitieve technologie die zelf aan de slag zijn gegaan met awareness.
Zij vroeg hoe wij daar vanuit de overheid een proactievere,
structurelere rol in kunnen spelen. Dat zou dan eigenlijk naar analogie
van het NCSC zijn. Het NCSC, Nationaal Cyber Security Centrum, is
inderdaad een succesvol voorbeeld van een centrale organisatie waarin de
informatievoorziening, advisering en incidentenrespons goed gecombineerd
worden. Tegelijkertijd voert het NCSC ook uit wat de Europese
regelgeving voor cybersecurity vereist, bijvoorbeeld voor
crisismanagement. Het model is dus niet een-op-een toepasbaar voor het
onderwerp waar wij het hier over hebben. Tegelijkertijd ben ik er, in
algemene zin, enorm op uit om te leren van de dingen die werken en te
kijken waar ik ze naar me toe kan halen. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor
het Digital Trust Center. Dat is ingericht voor de cyberveiligheid van
het mkb. U mag mij er dus op blijven aanspreken dat ervaringen en lessen
goed gebruikt worden om te kijken hoe we verder doorzetten op deze
bedoeling. Deze kennis gaan we ook overbrengen via ondernemers,
bijvoorbeeld op campussen.
Dan was er, ook door u … O, ik moet via de voorzitter spreken. Dat is
nog wat onwennig voor mij. Excuus. Over de stresstests wordt aan mij
gevraagd of ik kan toezeggen dat de eerste stresstests dit jaar nog
uitgevoerd gaan worden. Dat is een doorlopend proces, waarin we iedere
keer kijken waar de grootste afhankelijkheidsrelaties zitten. De
interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden, waar ik al
eerder aan refereerde, speelt daarin een belangrijke rol. Er zijn de
laatste tijd al vertrouwelijke risicoanalyses uitgevoerd, die ertoe
hebben geleid dat er allerlei handelingsopties in beeld gebracht worden.
Die stresstests zijn daar eigenlijk een onderdeel van. Zoals in het
Solvinity-debat afgesproken is, gaan we actief aan de slag met de motie,
zoals die tijdens dat debat door GroenLinks-PvdA is ingediend. Die motie
verzoekt namelijk om binnen ministeries stresstests uit te voeren op het
gebied van clouddiensten. We streven ernaar om deze zo snel mogelijk te
starten en ook om zo snel mogelijk informatie te geven over hoe we dat
precies gaan doen. Ik dacht dat we ook een timing hiervoor hadden. Ik
hoor naast mij: voor de zomer, alleen vertrouwelijk. Voor de zomer dus.
Kijk, dat had ik goed onthouden. Het gaat om vertrouwelijke informatie,
dus dat wordt een uitnodiging aan u.
Mevrouw Bühler heeft gevraagd of ik wat zou kunnen zeggen over verdere
informatie aan de Kamer over de uitwerking, en eigenlijk over de
concrete mijlpalen, van de nationale investeringsinstelling. U vraagt om
snelheid in de uitvoering. Ik steun die intentie in ieder geval van
harte. De belangrijkste keuze, en dus ook de mijlpaal, is nu om te
kiezen wat de vormgeving en inrichting van de NII precies gaan zijn. Dat
wordt op dit moment samen met de collega's van Financiën en van
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uitgewerkt. U wordt
voor de zomer over de eerste mijlpalen geïnformeerd. Dat zal gebeuren
via een voorziene Kamerbrief over durfkapitaal of via een Kamerbrief
over specifiek de nationale investeringsinstelling. Het is trouwens niet
zo dat er op dit moment niets gebeurt. We zetten namelijk door met de
reeds bestaande instanties. Dat zijn Invest-NL en Invest International.
Die worden ook geïntegreerd in de nieuw in te zetten instelling.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we dit blokje heel even afmaken, en daarna de
interrupties plegen. Als u dit blokje gewoon afrondt, kunnen we daarna
de vragen stellen.
Minister Herbert:
Dank, voorzitter. Ik ben ook toe aan mijn laatste onderwerp: de
maritieme maakindustrie. Nu heb ik daar net ook al wat over gezegd, dus
ik moet even kijken. Ik zeg nog een keer toe dat we kijken hoe we dat
door kunnen zetten — het is dus niet de vraag of, maar hoe — en dat we
ook kijken naar de middelen. De Kamer wordt hierover in 2026
geïnformeerd.
De voorzitter:
Dat is inderdaad twee keer dezelfde toezegging, meneer Flach. Meneer Van
den Berg was als eerste met een vraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Dit is eigenlijk meer een punt van orde. Ik hoorde de minister namelijk
spreken over de briefing in het kader van de stresstests en Solvinity.
Zou de minister daar ook de commissie voor Digitale Zaken bij willen
uitnodigen? Dat is mijn eerste punt.
De voorzitter:
Dat is een vraag aan de commissie. Wij zullen het meenemen. De heer Van
der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Toch even over de nationale investeringsinstelling. Ik had daar ook wat
opmerkingen over gemaakt en met name een zorg geuit die ook aan bod kwam
tijdens de rondetafelsessie die we al met de commissie hebben gehad.
Tijdens die sessie werd de gevleugelde zin uitgesproken: je kunt niet
marktconform marktfalen opheffen. Dat ging over het punt dat dit alleen
maar additioneel iets gaat doen ten opzichte van private partijen. Als
een deel van de risico's, linksom of rechtsom, bij de overheid belanden
en als dan de volledige investering marktconform moet worden ingezet
omdat het niet "saldorelevant" is, dan hebben we een probleem met
elkaar. Ik hoop dat de minister zich dat realiseert en dat zij op dit
punt een beweging gaat inleiden, zodat we straks ook wat hebben aan die
instelling.
Minister Herbert:
Het is goed dat de heer Van der Lee deze opmerking nog even in
herinnering brengt. Ik heb 'm goed gehoord, ook de keer hiervoor. Dit is
inderdaad iets wat ik belangrijk vind. Dit wordt serieus meegenomen, nog
voor de zomer, bij het bepalen van de scope. Dank u wel.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Met het risico dat dit toch in de schriftelijke beantwoording terugkomt,
stel ik nog even een vraag over de grondstoffen, ook naar aanleiding van
het onderzoek van de TU Delft, dat nu een paar keer voorbij is gekomen.
Daaruit bleek dat grondstofvermindering ook kan bijdragen aan
geopolitieke onafhankelijkheid. Ik heb gevraagd of de minister
mogelijkheden ziet om binnen de Nationale Grondstoffenstrategie en in
het kader van de uitvoering van de Critical Raw Materials Act, in te
zetten op die grondstoffenvermindering.
De voorzitter:
Blokje drie is grondstoffen. Ik vermoed dus dat die beantwoording dan
komt. We zijn aan het einde van blokje twee, dus nog niet aan het einde
van blokje drie. Alle interrupties verdwijnen nu! Dan verzoek ik de
minister om door te gaan naar blokje drie. Dan bewaren we alle vragen
gewoon voor het einde van blokje drie, oké?
Minister Herbert:
Het is fantastisch dat er bruggetjes gemaakt worden door de commissie
zelf. Heerlijk.
Grondstoffen: dat is inderdaad mijn laatste thema. Dan pak ik eerst even
de informatie erbij die ingaat op de behoefte van mevrouw Teunissen. "Is
de minister bereid om in te zetten op een integraal plan waarmee we
energieonafhankelijk worden? Hoe staat het met de uitvoering van de
motie over afhankelijkheid van energie?" O, die motie gaat trouwens meer
over energie en is minder op grondstoffen gericht. Ik denk dat ik daar
in tweede termijn nog even op moet terugkomen. Om nog even in te gaan op
die energievraag: er wordt momenteel gewerkt aan de uitvoering van de
motie. Het blijft van belang om in Nederland een diverse mix van
energie-import te hebben. Voor vragen over maatregelen die vanuit het
ministerie van KGG worden genomen om energieonafhankelijkheid te
bereiken, verwijs ik u graag door naar het debat waar ik het net ook al
over had op donderdag 5 maart, morgen dus.
Dan de inbrengen over de Critical Raw Materials Act. Er waren vragen van
zowel mevrouw Bühler als de heer Prickaertz. De ambities uit de Critical
Raw Materials Act vind ik ontzettend belangrijk. Die helpen namelijk om
onze leveringszekerheid te versterken. Op nationaal niveau ga ik er dus
op inzetten om strategische projecten sneller door die ontwikkelfase
heen te helpen, met concrete ondersteuning op business development
vanuit de overheid. Ik ga graag in op het voorstel om uw Kamer voor de
zomer te informeren, wel rekening houdend met bedrijfsgevoelige
informatie die daarin kan zitten en de vertrouwelijkheid die daar soms
bij speelt. Ik ga hier zeker voor de zomer op terugkomen.
Dan de laatste vraag in dit blokje. O nee, het is nog niet helemaal de
laatste. De heer Flach vraagt of structurele en voldoende financiering
van het NMO wel geborgd is. Dat past natuurlijk ook bij het amendement
dat u daar zelf voor ingediend heeft. U heeft ook al opgeroepen tot
extra support. Het is inderdaad zo dat de middelen grotendeels vanuit
mijn ministerie en het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikbaar
worden gesteld. Die lopen tot en met dit jaar, dus tot en met 2026. Op
dit moment zijn die middelen voldoende voor de huidige activiteiten en
taken. Ook kijkt mijn ministerie, in overleg met de andere betrokken
ministeries, op dit moment naar de structurele financiering voor na
2026.
Het oordeel over het amendement is aan de Kamer gelaten. Het gaat over
of er een miljoen extra beschikbaar gesteld zou moeten worden. Ik ben
nieuwsgierig naar de uitkomst van de stemming daarover op 15
maart.
Voorzitter. Misschien kan ik mevrouw Teunissen nog iets beter bedienen
wat betreft haar vraag over de Nationale Grondstoffenstrategie. U vroeg
eigenlijk om een reductie van het gebruik van grondstoffen, mevrouw
Teunissen. Het spreekt mij overigens, ook vanuit mijn oude werkveld,
heel erg aan om ook te kijken naar het verminderen van het gebruik
voordat je alleen kijkt naar het verduurzamen. Circulariteit, inclusief
het terugbrengen van het gebruik van grondstoffen, is onderdeel van de
Nationale Grondstoffenstrategie. U mag mij er dus aan houden dat ik,
samen met mijn collega van Klimaat en Groene Groei, daarop blijf
inzetten.
Het laatste is een reactie op iets wat mevrouw Martens heeft ingebracht.
Dat gaat over het Nederlandse aandeel in de CRMA-doelen. De vraag is
eigenlijk of we op schema liggen en of we daadwerkelijk gaan bijdragen.
Daarmee onderstreept mevrouw Martens hoezeer dat van belang is. Daar ben
ik het geheel mee eens. Er is in de afgelopen jaren een mooi fundament
gelegd op het gebied van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen
en materialen, bijvoorbeeld door het NMO, waar meneer Flach steun voor
vraagt. Het NMO is gericht op het in kaart brengen van kwetsbaarheden in
waardeketens, waarop de overheid verder kan handelen. Ik noem ook het
faciliteren van potentiële kritiekegrondstoffenprojecten, bijvoorbeeld
door de inrichting van een one-stop shop voor vergunningverlening bij de
RVO, en twee nationale pilots met de industrie voor de uitwerking van
voorraadvorming. Mijn inzet nu is vooral gericht op focus en
uitvoeringskracht. Prioriteit daarin aanbrengen lijkt mij nuttig. Er is
nu gekozen voor prioriteit op permanente magneten, batterijen en
defensiematerieel. Dat ligt overigens helemaal in lijn met het Europese
RESourceEU-pakket.
De voorzitter:
Dat was blokje drie. We gaan gewoon het rijtje af: mevrouw Teunissen,
mevrouw Martens, mevrouw Oualhadj en de heer Van den Berg. Wil meneer
Prickaertz nog? Dat weten we zo meteen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Heel fijn dat de minister inzet op de vermindering van grondstoffen. We
zien daar in de Grondstoffenstrategie alleen nog geen concrete stappen
toe, terwijl er wel handelsverdragen worden afgesloten om kritieke
grondstoffen veilig te stellen. Mijn vraag is dus of de minister
misschien mogelijkheden ziet om te onderzoeken of reparatiewetgeving en
langere garantieperiodes zouden kunnen bijdragen aan de uitvoering van
de Critical Raw Materials Act.
Minister Herbert:
Voor mij hangt dit sterk samen met het onderwerp circulariteit. De
circulaire economie is, zoals u weet, belegd bij mijn collega van KGG.
Ik zou hier nog wat preciezer op willen ingaan in de tweede
termijn.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank voor de beantwoording. Ik kijk even met een schuin oog naar de
voorzitter. Is dit ook een soort veegrondje voor de punten die we nog
niet hebben behandeld? Want dan bundel ik mijn openstaande ...
De voorzitter:
Sorry, ik was even in overleg met de griffier. Kunt u uw vraag herhalen,
mevrouw Martens?
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik heb nog een vraag over de Critical Raw Materials Act. De minister gaf
een prachtig lang antwoord over wat we allemaal doen, maar ik had een
hele simpele vraag, namelijk of we op schema liggen. Ik hoop dat ik daar
nog antwoord op kan krijgen. Of misschien kan de minister vertellen hoe
ze ons daarvan op de hoogte kan houden. Mijn andere vraag was aan de
voorzitter: is dit ook het veegrondje, dus het moment om openstaande
vragen nog een keer op tafel te leggen voor de tweede termijn van de
minister?
De voorzitter:
Ik denk dat het handig is als de minister ons een klein beetje
duidelijkheid geeft over wat ze schriftelijk gaat beantwoorden en wat we
nog van haar kunnen verwachten in de tweede termijn. Zou de minister
eerst de vraag van mevrouw Martens willen beantwoorden en daarna willen
vertellen wat we nog in de tweede termijn kunnen verwachten en wat
schriftelijk? Dan geef ik zo meteen nog ruimte voor een vraag. Is dat
goed? Ja, zie ik.
Minister Herbert:
Dank, mevrouw Martens, voor het herhalen van de precieze vraag. Hoe meer
die herhaald wordt, hoe nieuwsgieriger ik zelf ook wordt naar het
precieze antwoord. Ik zal hier nog op terugkomen in de tweede
termijn.
U vraagt mij gelijk of ik een onderscheid kan maken tussen de dingen die
wat mij betreft openstaan voor de tweede termijn en datgene wat rest
voor de schriftelijke beantwoording. Hebben wij een overzicht voor de
tweede termijn? Excuus, ik heb zelf niet meegeschreven, dus ik kan de
thema's niet benoemen. Ik heb ze hardop genoemd. Het is mijn suggestie
om de thema's die ik niet al genoemd heb en waarop ik nog ga terugkomen,
terug te laten komen in de schriftelijke reactie.
De voorzitter:
De minister heeft daarstraks gezegd dat ze op bepaalde dingen in de
tweede termijn zou terugkomen. Ze komt schriftelijk terug op wat daar
niet onder zit. Ik snap dat het enigzins verwarrend is voor de leden van
de commissie. Mevrouw Martens, u heeft nog ruimte voor een vraag, dus
als u die nog heeft, dan kunt u die uiteraard nog stellen. Maar ik
vermoed dat de minister daar schriftelijk op gaat terugkomen. U laat het
zitten. Mevrouw Oualhadj.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Als de beantwoording op deze vraag ook schriftelijk komt, dan is dat
helemaal oké. Mijn vraag gaat over grondstoffenprojecten. Er zijn best
wat innovatieve bedrijven die circulaire grondstoffenprojecten opzetten,
maar ik begrijp ook dat die regelmatig worden afgewezen bij bestaande
financieringsinstrumenten omdat ze primair ingericht zijn op
CO2-reductie. Het zou een idee zijn om de strategische
autonomie of leveringszekerheid daarin mee te laten wegen. Mijn vraag
is: zou het een idee zijn om bij de financieringsinstrumenten juist de
strategische autonomie expliciet als beoordelingscriterium op te nemen,
zodat die circulaire grondstoffenprojecten de ruimte krijgen en we
daarmee ook onze autonomie versterken?
Minister Herbert:
Ik vind het een ontzettend logisch klinkende opmerking. Die wil ik zeker
goed bestuderen. Dat ga ik doen met mijn collega van KGG.
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, heel kort.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik vind het toch ingewikkeld dat er bij heel veel vragen wordt verwezen
naar de minister van Klimaat en Groene Groei. Dit kabinet heeft
tenslotte voorgesteld om het ministerie van Klimaat en Groene Groei te
plaatsen onder EZK. Nogmaals, ik denk dat we daarmee de plank misslaan.
Juist het energieaspect heeft raakvlakken met zo'n beetje alle
economische zaken waarmee te maken hebben in deze maatschappij. Als we
dat op deze manier zo gescheiden houden, dan denk ik dat er helemaal
niks terecht gaat komen van de economische agenda. Ik wil de minister
vragen om dat meer te integreren, zodat we de economische aspecten beter
kunnen samenbrengen. Ik wil afrondend aan de minister vragen of zij een
brief kan sturen over de vraag op welke punten we afhankelijk zijn van
het buitenland als het gaat om energie en over hoe we dat strategisch
beter kunnen organiseren.
De voorzitter:
Echt heel kort, meneer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik zou haar willen vragen om het beleid rond Groningen daaraan toe te
voegen.
Minister Herbert:
Ik herken het enorme belang van alles wat met energie te maken heeft
voor het bedrijfsleven en voor de portefeuille waarvoor ik mij
verantwoordelijk voel. Ik ben er nergens op uit om dingen af te
schuiven, maar ik wil wel mijn collega de kans geven om haar eigen
portefeuille goed vorm te geven. Ik wil daar altijd zelf aan blijven
trekken en u daarover informeren.
De voorzitter:
Meneer Prickaertz, kort als het kan.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik begrijp dat de minister klaar is met de antwoorden in de eerste
termijn. Er blijft nog één dingetje openstaan. Ik had een vraag gesteld
aan de minister over elektrificatie. Hoe moeten ondernemers investeren
in elektrificatie als er helemaal geen ruimte is op het net? Ik weet
niet of de minister die antwoorden schriftelijk wil geven of in de
tweede termijn, maar het is wel een belangrijke vraag.
Minister Herbert:
Dan kies ik er graag voor om daar in de tweede termijn nog even op terug
te komen.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de
minister. We gaan gelijk door naar de tweede termijn van de Kamer. Ik
hoor van de heer Van der Lee dat hij een tweeminutendebat gaat
aanvragen. Ik wil voorstellen dat we afzien van de tweede termijn van de
Kamer en dat we de minister de tijd geven om de openstaande vragen te
beantwoorden in haar tweede termijn. Dat is mijn voorstel. Ik zie een
aantal leden knikken. Dan doen we dat. Ik geef de heer Van der Lee de
kans om een tweeminutendebat aan te vragen op de officiële manier.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Bij dezen vraag ik een tweeminutendebat aan, zodat de Kamer de kans
heeft om de schriftelijke antwoorden te bestuderen en eventueel moties
in te dienen. Ik wil er zelf eentje rond de Wet vifo indienen, met name
naar aanleiding van de evaluatie. Dat kondig ik alvast aan, maar dat
komt dan wel binnen een paar weken bij het tweeminutendebat.
De voorzitter:
We schorsen voor vijf minuten. Ik dank de leden voor het meedenken. De
heer Van der Lee heeft zojuist een tweeminutendebat aangevraagd. We
schorsen voor vijf minuten. We gaan om 12.50 uur verder.
De vergadering wordt van 12.44 uur tot 12.50 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug bij de vaste commissie voor Economische Zaken en het
commissiedebat Economische veiligheid en strategische autonomie. We zijn
aangekomen bij de tweede termijn van de minister. We hebben geen tijd
meer voor interrupties, dus die vragen kunt u stellen bij het
tweeminutendebat. Het woord is aan de minister.
Minister Herbert:
Dank, voorzitter. Mevrouw Martens vroeg hoe het nou eigenlijk precies
staat met het ondernemersakkoord, dat eerder gesloten was. Ik heb er al
naar verwezen dat er nu een keer per halfjaar een overleg is met
VNO-NCW, MKB-Nederland en eventueel andere stakeholders. Dat zijn de
zogenaamde Catshuissessies. Ik zet vanaf nu ook vooral vol in op die
taskforce om daar acties in aan te brengen.
Mevrouw Teunissen vroeg of er een integrale aanpak wordt ontwikkeld voor
de industrie. Het duidelijkste antwoord daarop is ja. Die integrale
aanpak wordt ontwikkeld en de regie daarvoor ligt bij mij.
Mevrouw Martens heeft gevraagd of we op schema lopen met de doelen van
de CRMA. We kijken goed naar de voortgang op al die onderwerpen. Het is
natuurlijk een Europese doelstelling die daar gehaald moet worden. Over
onze bijdrage daaraan informeer ik u voor de zomer over de stand van
zaken.
Meneer Prickaertz heeft gevraagd naar de subsidieregeling en de
voorwaarden voor de IKC-ETS-regeling. Ik denk dat een aantal aannames
die u daarbij heeft in ieder geval niet overeenstemmen met het beeld dat
ik heb van die voorwaarden. Ik herken het probleem zoals u dat
beschrijft dus niet precies. Misschien is dat iets waarop we nog verder
moeten ingaan.
Meneer Van den Berg heeft ook een aanname over het feit dat de
tegemoetkoming in de elektriciteitsprijs pas vanaf 2028 gaat lopen en
dat daar geen geld voor zou zijn gereserveerd. Dat is in mijn beleving
wel zo. Dat is gereserveerd voor de energie-envelop van 2028 tot 2035.
Dat zit in de bijlage bij het coalitieakkoord. Eventuele verder
verdiepende vragen zou ik willen doorverwijzen naar het ministerie van
KGG. Nee, niet naar het ministerie van KGG, maar naar de minister van
KGG.
Mijn laatste opmerking gaat over de taskforce. De vraag was hoe het nou
precies gaat lopen. U heeft aan mij gemerkt dat ik volop inzet op die
taskforce. Ik voel dat eigenlijk als mijn grote middel om actiegericht
aan de slag te gaan. Die is er echt op gericht om doorbraken te willen
bereiken. Misschien heb ik onterecht de suggestie gewekt dat de
minister-president dat voor gaat zitten, maar dat is niet de bedoeling;
ik ben de coördinerend minister. Wij willen daarmee heel actiegericht
aan de slag. Het lijkt mij goed om voor de zomer te rapporteren over de
voortgang in die taskforce.
Ik heb de hoop en verwachting dat ik hiermee eigenlijk alles wat nog
openstond, behandeld heb. Ik denk dat er ook niets meer openstaat voor
schriftelijke beantwoording.
Overigens, ik ben wel voornemens om heel snel nog, binnen een paar
weken, een brief te sturen met daarin eigenlijk de totale aanpak voor
economische veiligheid.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Begrijp ik goed dat de minister nu zegt dat er geen vragen zijn voor
schriftelijke beantwoording? Ik kijk dan wel even rond om te zien of de
commissie het daarmee eens is, want volgens mij is dat niet het geval.
Nee, hè? Ik zie dat meerdere leden dat delen. Ik stel voor dat de
minister dan nog even goed het debat gaat terugluisteren en de
openstaande vragen alsnog gaat beantwoorden, zodat de commissie de
vragen beantwoord krijgt via een brief.
Ik ga meteen door naar de toezeggingen die zijn gedaan. De minister zegt
toe:
in de stukken meer in te gaan op de coördinatie tussen de verschillende instrumenten en de onderbouwing van keuzes;
voor de zomer meer duidelijkheid te geven over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie;
aan de heer Flach om in de loop van 2026 de Kamer te informeren over de evaluatie van de maritieme industrie en de maakindustrie;
de Kamer voor de zomer te informeren over de nationale investeringsinstelling.
Er is een tweeminutendebat aangevraagd door de heer Van der Lee. Ik
stel voor — dat was ook een toezegging — dat de minister de resterende
vragen beantwoord voor het tweeminutendebat. Dat lijkt me niet meer dan
gebruikelijk.
Dan kijk ik even naar de leden van de commissie. Heb ik hiermee alle
toezeggingen gehad? Ik zie mensen knikken. O nee, sorry. Mevrouw
Bühler.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik twijfel nog even of ik de toezegging rondom de Critical Raw Materials
Act heb gehoord, de grondstoffen. Daarover zouden we ook voor de zomer
nog informatie krijgen.
Minister Herbert:
Dat is helemaal correct, voorzitter.
De voorzitter:
Oké, dat is een aparte toezegging. Die noteren wij ook nog.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit commissiedebat. De
minister heeft haar vuurdoop gehad. Ik dank de leden ook voor de
coulance richting de voorzitter en richting de minister. Hierbij sluit
ik de vergadering.
Sluiting 12.57 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|