[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Aanvullende informatie t.b.v. Commissiedebat Hersteloperatie toeslagen op 19 maart 2026

Toeslagen

Brief regering

Nummer: 2026D12110, datum: 2026-03-17, bijgewerkt: 2026-03-18 13:23, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36708 -79 Toeslagen.

Onderdeel van zaak 2026Z05298:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36708 Toeslagen

Nr. 79 Brief van de staatssecretaris van Financiën

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 maart 2026

Op 12 februari jl. heeft uw Kamer de meest recente Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen1 ontvangen. In de aanloop naar het komende commissiedebat (19 maart 2026) deel ik graag met uw Kamer de laatste ontwikkelingen met betrekking tot het schadestelsel. Tevens heeft de vaste commissie voor Financiën verzocht2 om een aanvullende inhoudelijke reactie op de bevindingen van het rapport van de Auditdienst Rijk (ADR) dat op 6 februari jl. met uw Kamer gedeeld is. Met deze brief informeer ik uw Kamer hierover. Tot slot wordt in deze brief een stand van zaken gegeven van de dossierverstrekking, zoals ik uw Kamer heb toegezegd in het Kamerdebat van 4 maart jl. Daarmee is de toezegging afgedaan.

I. Compensatie van aanvullende schade

Voor alle ouders is de integrale beoordeling (IB) inmiddels afgerond en voor een groot deel van de ouders is daarmee ook het financiële herstel afgerond. Er zijn ouders die daarnaast aanvullende schade hebben geleden en daarvoor compensatie aanvragen, zoals vastgelegd in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

In januari 2025 heeft de Commissie Van Dam het kabinet geadviseerd om het stelsel voor compensatie van aanvullende schade te vereenvoudigen naar twee onderscheidende schaderoutes, met gebruikmaking van één uniform ruimhartig forfaitair schadekader. Doel van deze vereenvoudiging is om compensatie van aanvullende schade voor ouders sneller en ruimhartig toe te kennen. Het kabinet heeft dit advies ten zeerste omarmd3 en geïmplementeerd. Voor gedupeerden met ingewikkelde schades is de individuele berekening ingericht.

Sinds december 2025 hebben ouders die op grond van de Wht een aanvraag willen doen voor compensatie van aanvullende schade, toegang tot het vereenvoudigde schadestelsel via twee forfaitaire routes (SGH en MijnHerstel). Ouders ontvangen na het doorlopen van één van deze routes een forfaitair aanbod met als inzet om met de ouder een vaststellingsovereenkomst (VSO) te sluiten. Zij behouden het recht op een beschikking. Met het ruimhartige forfaitaire kader dat daarbij wordt gebuikt, is de verwachting dat de meeste ouders met dit vereenvoudigde stelsel sneller kunnen komen tot de afronding van hun traject voor financiële compensatie.

Inrichting huidig schadestelsel wijzigt niet meer
In het verleden is het schadestelsel – vanuit de wens om ouders maximaal te ondersteunen - meermaals aangepast en uitgebreid. Dit heeft bij een aantal gedupeerde geleid tot een afwachtende houding, omdat zij het beeld hadden dat er mogelijk een betere route voor hen zou komen. Nu het advies van de Commissie Van Dam is doorgevoerd zullen de schaderoutes niet meer veranderen. De komende periode wordt ingezet op vervolmaking, opschaling en versnelling van het voorliggende schadestelsel, maar vinden geen inhoudelijke wijzigingen meer plaats.

Stand van Zaken MijnHerstel

In MijnHerstel kunnen gedupeerde ouders, bij voorkeur met hulp van een advocaat of vertrouwenspersoon, een vergoeding voor aanvullende schade aanvragen. Op dit moment (peildatum 1 maart 2026) hebben 1.069 ouders ervoor gekozen hun aanvullende schade vergoed te krijgen via MijnHerstel, en hebben 130 ouders inmiddels ook hun schadeposten ingediend. Voor circa 40% van de ouders die hun aanvraag hebben ingediend is de eerste behandeling van hun aanvraag afgerond. Ouders worden geïnformeerd zodra het resultaat klaar staat. Zij kunnen er dan voor kiezen om de aangeboden VSO te tekenen, of een deel van de posten opnieuw in te dienen.

In het kader van de eerder aangekondigde4 doorontwikkeling van de MijnHerstel, kan ik u hier melden dat de gebruiksvriendelijkheid van MijnHerstel in de afgelopen periode in grote mate is verbeterd. Zo kreeg bij de lancering van MijnHerstel in december 2025 nog een deel van de ouders een wachtscherm te zien voordat zij hun schadeposten konden doorgeven. Inmiddels komt het nog slechts incidenteel voor dat nog niet alle benodigde gegevens op voorhand beschikbaar zijn. Als een dergelijke situatie zich voordoet bij een ouder die in MijnHerstel de schadeposten wil doorgeven, wordt dat in de regel binnen vijf dagen opgelost. In de forfaitaire routes dient een ouder aannemelijk te maken dat een schadegebeurtenis heeft plaatsgevonden. Dit gebeurt in een aantal gevallen via een toelichting en in andere gevallen met behulp van ondersteunende stukken. Er is dus geen “bewijs” noodzakelijk. Daarmee zijn we maximaal ondersteunend aan het onderbouwen van de schade, zoals passend is bij een hersteloperatie. Daarnaast kunnen ouders sinds medio februari via KOTA Rapportage en Stichting Lotgenoten Contact gebruik maken van persoonlijke begeleiding van een ervaringsdeskundige. Dit was een veelgehoorde wens vanuit ouders en stakeholders. Ook is met alle ouders die hun schadeposten hebben ingediend telefonisch contact opgenomen om hen op de hoogte te houden van de voortgang in de behandeling.

Ouders met relatief lage terugbetalingen

Op 4 juli 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het beleid om in forfaitaire schaderoutes beter rekening te houden met de impact van de gedupeerdheid.5 Destijds is aangegeven dat bij het berekenen van de aanvullende schade voor alle gedupeerden gekeken wordt naar een aantal indicatoren, zoals de hoogte, duur en feitelijke terugbetaling van onterecht teruggevorderde kinderopvangtoeslag.

Concreet betekent dit dat als een ouder over één of twee toeslagjaren minder dan €2.000 per jaar heeft terugbetaald of de terugvordering snel is hersteld, in het forfaitaire stelsel niet op voorhand wordt aangenomen dat schade is ontstaan door de toeslagenaffaire, tenzij er aanvullende onderbouwing plaatsvindt. Tot nu toe werden deze situaties bij SGH handmatig, per casus beoordeeld.6 Bij MijnHerstel konden ouders in deze situatie nog niet verder de route door.

Om spoedige behandeling te bevorderen en wachtrijen te voorkomen, zal voor deze groep ouders worden aangenomen dat de terugvordering de oorzaak was van de daaropvolgende schadegebeurtenissen, als er sprake is van één van de volgende criteria: 1) er is in de gecompenseerde jaren sprake geweest van een stopzetting van de lopende kinderopvangtoeslag terwijl er in die periode nog gebruik werd gemaakt van kinderopvang; 2) (gedeeltelijk) herstel van het recht op kinderopvangtoeslag bleef uit gedurende tenminste 12 maanden; en 3) een inkomenssituatie op of onder het bestaansminimum. Een ouder die aan één van deze drie criteria voldoet kan direct verder in de schaderoutes van SGH of MijnHerstel. In alle overige gevallen dient de ouder, net zoals bij SGH, te onderbouwen waarom er omstandigheden waren waardoor de relatief lage terugbetalingen veel impact hadden en causaliteit met de schade aangenomen kan worden. De komende periode werkt het kabinet deze werkwijze nader uit met SGH en MijnHerstel.

Individuele berekening
Door te werken met vaste, collectieve bedragen per gebeurtenis, wordt een versnelling bereikt en weten ouders waar zij aan toe zijn. De optelsom van deze bedragen is gericht op erkenning zonder een precieze berekening te kunnen zijn waarin alle persoonlijke omstandigheden zijn verwerkt. Het forfaitaire kader zal voor het overgrote deel van de gedupeerden ruimhartig en passend zijn. Om die reden vindt, in lijn met het advies van de Commissie Van Dam, behandeling van verzoeken tot compensatie van aanvullende schade eerst plaats via een van beide forfaitaire routes.

In specifieke gevallen sluit het forfaitaire kader niet aan bij de situatie van een ouder, omdat zich - als gevolg van de terugvorderingen of stopzetting van de kinderopvangtoeslag - gebeurtenissen hebben voorgedaan die niet passen binnen de forfaitaire schadeposten, of omdat zeer specifieke gebeurtenissen hebben geleid tot hogere schades dan het forfait aan compensatie biedt. Het gaat bijvoorbeeld om situaties waarbij aannemelijk kan worden gemaakt dat als gevolg van de terugvordering sprake is van hoge medische kosten of structureel inkomensverlies door ziekte, het verlies van een significant hoger in komen dan de forfaitaire “maatman-norm” of van een zakelijk faillissement of beëindiging van een bedrijf. Inkomensderving als eenmanszaak of zzp-er wordt in de nodige gevallen meestal ruimschoots gedekt door de forfaitaire vergoeding en vereist niet op voorhand een precieze, individuele berekening.

De individuele berekening hanteert de schadeberekeningswijze van de huidige Regieroute VSO.

Een ouder die – vanuit de forfaitaire berekening – de stap zet naar een individuele berekening kan niet terugvallen op (delen van) het eerder gedane forfaitaire aanbod: de schade die ouder heeft geleden wordt ten aanzien van zowel causaliteitsaannames als schadehoogte immers dichter benaderd met een precieze berekening dan met een forfaitaire inschatting. Daarbij wordt in de individuele berekening gekeken naar samenhang van een keten van gebeurtenissen die elkaar hebben beïnvloed; deze werkwijze leent zich daarom niet voor losse beoordeling van een subset van schadegebeurtenissen. Hierdoor zal de individuele berekening naar verwachting een langere doorlooptijd kennen dan bijvoorbeeld MijnHerstel en kan qua hoogte van de compensatie lager uitvallen dan het eerder gedane forfaitaire aanbod.

Gegeven bovenstaande worden ouders uitgebreid voorgelicht, om ervoor te zorgen dat zij het forfaitaire aanbod alleen weloverwogen afslaan. Het is mijn verwachting dat voor veruit de meeste ouders het forfaitaire compensatiebedrag ruim voldoende zal zijn.

De inzet van het kabinet is om de individuele berekening zo snel mogelijk te hebben opgeschaald voor ouders voor wie het forfaitaire kader niet passend blijkt. In alle gevallen start een traject voor compensatie van aanvullende schade bij SGH of bij MijnHerstel. Beide routes helpen ouders hun verhaal te doen, documenten bij elkaar te verzamelen en hun schade aannemelijk te maken. Na ontvangst van het forfaitaire aanbod kan een ouder besluiten om dit aanbod te accepteren of over te stappen naar een individuele berekening.

De Regieroute VSO blijft - onder andere ten behoeve van de lopende werkvoorraad - operationeel tot het moment dat deze opgaat in de individuele berekening.

Bestuursrechtelijke afronding (beschikking)

Ook na de individuele berekening wordt ingezet op afronding van het traject met een VSO, maar een beschikking blijft mogelijk. De individuele berekening is zo ingericht dat snel kan worden overgegaan tot het opstellen van een beschikking, indien het niet lukt tot een VSO te komen. Begrijpelijkerwijs kan een rechterlijke toetsing wenselijk zijn, vandaar dat ik laat onderzoeken of met een beschikking rechtstreeks beroep bij de rechter wenselijk is.

Ouders in de wachtrij helpen via forfaitaire routes

De afhandeling van aanvullende schade duurt te lang voor mensen die in de wachtrij bij de CWS staan. Zoals ook de Commissie Van Dam aangaf zou het zonder aanpassingen nog vele jaren duren voordat werkelijke schades zijn afgehandeld. Om die reden hebben deze ouders een oproep ontvangen om hun werkelijk schade aannemelijk te maken via één van de forfaitaire routes. Zij krijgen dan op aanzienlijk kortere termijn een VSO-aanbod en kunnen daarmee de aanvullende compensatie voor werkelijke schade sneller ontvangen. Ook ouders die zich hebben aangemeld bij de CWS omdat zij een beschikking willen ontvangen, wordt gevraagd te starten met het opgeven van hun schadegebeurtenissen via SGH of MijnHerstel.

Voor ouders in de CWS wachtrij die niet kiezen voor een van de forfaitaire routes, geldt dat zij op enig moment alsnog een van beide routes van het herijkte schadestelsel zullen moeten doorlopen om hun aanvullende schade gecompenseerd te krijgen.

De CWS neemt op mijn verzoek sinds eind februari 2026 geen nieuwe zaken meer aan, aangezien nieuwe aanvragen en ouders in de wachtrij worden toegeleid naar één van de forfaitaire schaderoutes. Ouders waar het eerste gesprek is aangevraagd of die al verder zijn in de behandeling bij CWS maken hun traject daar af, omdat de verwachting is dat zij binnen afzienbare tijd hun compensatie voor aanvullende schade zullen kunnen ontvangen. Deze ouders worden hierover geïnformeerd. Naar verwachting heeft de CWS nog minstens dit jaar nodig voor behandeling van deze groep. Daarnaast blijft de CWS voor specifieke adviezen gericht ingezet worden en bezie ik, in overleg met de CWS, hoe eventueel vrijvallende capaciteit kan worden ingezet ten behoeve van de hersteloperatie.


Uiterste aanvraagdatum aanvullende compensatie werkelijke schade

Op 25 november 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de openstelling van het informatie- en aanmeldportaal en MijnHerstel.7 Daarbij heb ik aangegeven dat het kabinet ouders tot en met 31 maart 2026 de tijd wil geven om een aanvraag in te dienen voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade.

Het is belangrijk dat alle ouders voldoende in staat zijn geweest om een keuze te maken over het wel of niet aanvragen van aanvullende schadecompensatie. Om die reden zijn ouders en ook stakeholders, uitvoerders, gemeenten en advocaten in de afgelopen maanden uitvoerig via verschillende kanalen en bijeenkomsten geïnformeerd over de uiterste aanmeldtermijn van 31 maart 2026. Het is mijn verwachting dat met die communicatie de ouders zijn bereikt die een beroep willen doen op aanvullende schadecompensatie.

Nadat ouders zich hebben aangemeld voor aanvullende schadecompensatie, hebben zij nog zes maanden om een keuze te maken tussen de route van SGH of MijnHerstel. De uiterste datum van 31 maart 2026 geldt dus uitsluitend voor de aanmelding, en niet voor de keuze voor een route.

Ouders die zich voor livegang van het aanmeldportaal hebben gemeld voor de CWS, of via een mediation- of regieroutetraject een aanvraag hebben ingediend, hoeven zich ook niet opnieuw te melden. Met advocaten en met SGH wordt voorzien in maatwerk

Uitzondering op de aanmeldtermijn van 31 maart 2026 zijn ouders die hun IB hebben ontvangen ná 1 oktober 2025, of voor wie de IB nog niet onherroepelijk is omdat zij nog een bezwaar -of beroepsprocedure hebben lopen. Voor hen geldt dat zij tot 6 maanden ná de datum van een onherroepelijke IB een aanvraag kunnen doen voor compensatie van aanvullende schade. Ouders hebben daarnaast de gebruikelijke rechtsbescherming vanuit het bestuursrecht.

Tot nu toe hebben circa 19.000 ouders een aanvraag voor aanvullende schade ingediend, waarvan inmiddels circa 3.300 met een VSO of beschikking zijn gecompenseerd. Daarmee hebben naar verwachting en in lijn met de inschattingen van de Commissie Van Dam bijna alle ouders met aanvullende schade zich gemeld.

II. Nadere informatie inzake onderzoek van de Auditdienst Rijk naar

de verzend- en ontvangstadministratie

Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld, bevat het ADR‑rapport geen conclusies over de gedupeerdheid van individuele ouders. Voor het vaststellen van gedupeerdheid is namelijk altijd een volledige individuele herbeoordeling noodzakelijk, inclusief het gesprek met de ouder. Zonder deze individuele beoordeling kan geen gefundeerde conclusie worden getrokken over de mogelijke effecten van de administratie op eerdere besluiten.

Ik ben mij ervan bewust dat het bestaan van deze administratie bij ouders vragen kan oproepen, met name wanneer zij in het verleden onzekerheid hebben ervaren over de ontvangst van hun reactie of de verzending van brieven. In de hersteloperatie is het ouderverhaal steeds leidend geweest, juist omdat administraties niet altijd een volledig beeld boden. In de brief van 26 maart 2025 heb ik daarom ook al aangegeven dat: ‘voor de nieuw beschikbare informatie geldt dat deze geen invloed zal hebben op reeds door UHT gegeven besluiten in de eerste toets en integrale beoordeling’. Hierbij wil ik ook benadrukken dat het beleid binnen de hersteloperatie vanaf het begin is geweest dat ten behoeve van herstel van vertrouwen de compensatie die ouders hebben ontvangen niet hoeft te worden terugbetaald.8

Aanvankelijke aannames over de beschikbaarheid van administratie

In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor ouders die betrokken waren bij een onderzoek van het Combiteam Aanpak Facilitators (CAF). Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces (handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven (deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.

Onderdeel van het beleid was dat bij non‑respons een fysiek of digitaal exemplaar van de aan een ouder verzonden brief noodzakelijk was om tot een terechte verlaging of nihilstelling wegens non response te concluderen. Bij afwezigheid van inzicht in verzonden brieven kon de stelling van een ouder dat brieven niet waren ontvangen onvoldoende worden weerlegd. Alleen brieven verzonden vanaf 2017 waren in de systemen terug te vinden, wat het beeld van eerdere administratieve tekortkomingen bevestigde. Voor een groep ouders gold vervolgens dat voldoende aannemelijk was dat brieven door Dienst Toeslagen waren verzonden, dat ouders vervolgens aangaven ook te hebben gereageerd maar dat deze reacties niet in de systemen vindbaar was. Wanneer ouders bijvoorbeeld geen gebruik maakten van het meegeleverde gestandaardiseerde antwoordformulier kon hun reactie ontbreken in de administratie. Ook zijn diverse situaties bekend waarin ouders fysiek stukken hebben afgegeven bij kantoren en deze handmatig zijn geregistreerd, waarbij niet altijd sprake was van een correcte verwerking.

In lijn met het voorgaande werd in het beleid vastgelegd dat wanneer een ouder in het gesprek verklaarde geen brief te hebben ontvangen en een exemplaar van de brief in de systemen ontbrak, dit verhaal van de ouder werd gevolgd. Het ouderverhaal is en blijft leidend in de beoordeling, zoals dit in de hersteloperatie steeds het uitgangspunt is geweest.

Signalen en interne afwegingen

In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen de organisatie signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat in significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen – soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan. In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld, en bovendien gold dat het ging om informatie die ook nog steeds in het primaire proces van Dienst Toeslagen werd gebruikt.

Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra‑informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de Auditdienst Rijk.

Complexiteit van dossiers en gevolgen voor vastgestelde gedupeerdheid

Zoals ik in mijn brief van 6 februari 2026 heb opgemerkt, geldt dat als deze administratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate zij gedupeerd waren. Ik herhaal daarbij dat op basis van het ADR-onderzoek op individueel niveau geen conclusies kunnen worden getrokken, dit zou immers een volledige herbeoordeling vragen.

Het is daarom niet mogelijk om inzichtelijk te maken in hoeveel gevallen de administratie invloed had kunnen hebben op eerdere conclusies over gedupeerdheid. Dit vergt altijd een individuele herbeoordeling. Daarbij geldt dat ouders op meerdere gronden gedupeerd kunnen zijn; dit kan op grond van individuele vooringenomenheid maar ook op grond van te harde toepassing van het wet- en regelgeving of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld. Bovendien geldt dat individueel vooringenomen handelen ook verschillende vormen kan aannemen. Als een ouder als gedupeerde is aangemerkt als gevolg van een onterechte verlaging of nihilstelling vanwege non-response wordt geen onderzoek gedaan naar andere elementen die duiden op vooringenomenheid en die tot gedupeerdheid kunnen leiden. De aanwezigheid van een registratie in de administratie betekent daarom niet dat een eerdere conclusie over de gedupeerdheid van een ouder onjuist zou zijn.

Slotbeschouwing

Het beleid rond individuele vooringenomenheid is bewust ruimhartig vormgegeven. Mijn inzet blijft erop gericht ouders op een zorgvuldige manier herstel te bieden en hen daadwerkelijk voorbij het door hen ervaren onrecht te helpen. Dat vraagt om een duidelijke focus op de voortgang van de hersteloperatie. De beleidslijn die ik in mijn vorige brief met uw Kamer heb gedeeld, ondersteunt deze koers en waarborgt dat ouders niet opnieuw onterecht worden beoordeeld. Tegelijkertijd zal de verzendadministratie wel betrokken worden bij de beoordeling in specifieke vervolgprocessen zoals de bezwaarprocedures. Bij de compensatie van aanvullende schade vindt ook geen herbeoordeling plaats maar zal, zoals toegelicht in het eerste deel van deze brief, de impact van de gedupeerdheid bij geringe terugbetalingen nadrukkelijk meegewogen worden.

III. Proces van dossierverstrekking

Ouderdossiers worden door UHT op verzoek verstrekt bij de integrale beoordeling en standaard bij bezwaar. Ook voor ouders die naar de Commissie Werkelijke Schade gaan worden ouderdossiers samengesteld. Als ouders om een ouderdossier vragen, dan kan UHT op dit moment een ouderdossier binnen circa twee maanden samenstellen en klaarzetten voor verstrekking. Het algemene beeld is dat de verstrekking van ouderdossiers bij de hiervoor genoemde processen geen negatieve impact heeft op de doorlooptijden.

Er wachten nog circa 900 ouders op verstrekking van hun ouderdossier. Het gaat hierbij grotendeels om ouderdossiers voor ouders in de wachtrij voor behandeling van hun bezwaar. De ouderdossiers worden nog steeds ruim vóór de hoorzitting aan ouders verstrekt.

Deze 900 dossiers (werkvoorraad) bevinden zich in verschillende fasen van afronding. Ca. 280 ouderdossiers moeten nog worden samengesteld, geanonimiseerd en verstrekt aan de ouder. Ruim 300 ouderdossiers zijn reeds samengesteld en moeten nog worden geanonimiseerd en verstrekt. Deze hebben betrekking op de integrale beoordeling, op bezwaar of op CWS. Aan het ouderdossier bij bezwaar wordt standaard een betaal- en verrekenoverzicht toegevoegd. Er zijn circa 320 ouderdossiers bij bezwaar die al zijn samengesteld en geanonimiseerd, maar enkel nog wachten op aanvulling met het betaal- en verrekenoverzicht. Wekelijks worden er zo’n 90 betaal- en verrekenoverzichten opgeleverd. Na toevoeging van dit overzicht, wordt het ouderdossier direct aan de ouder verstrekt.

Er zal ook nog een groep ouders het reeds gestarte CWS-traject gaan afronden. In dit traject krijgt de ouder ook standaard het ouderdossier.

De verwachting voor 2026 is dat er in totaal circa 3.000 ouderdossiers worden samengesteld, gelakt en klaargezet voor verstrekking aan ouders of belanghebbenden.

Bij deze wil ik de uitnodiging aan uw Kamer graag herhalen voor een werkbezoek aan UHT om de werkwijze rondom het samenstellen, anonimiseren en verstrekken van ouderdossiers verder toe te lichten in de praktijk.

Tot slot

Met deze brief vertrouw ik erop uw Kamer van voldoende informatie te hebben voorzien. Ik kijk er naar uit om met u in gesprek te gaan tijdens het commissiedebat van 19 maart 2026.

De staatssecretaris van Financiën,
S.T.P.H. Palmen


  1. Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 64↩︎

  2. Commissieverzoek Kamerstuk 36 708, nr. 63/2026D07072↩︎

  3. Kamerstukken II, 2024/25, 36 708, nr. 1↩︎

  4. Kamerstukken II, 2025/26, 36708, nr. 64↩︎

  5. Kamerstukken II, 2024/25 36708, nr. 41↩︎

  6. Kamerstukken II, 2025/26, 36708, nr. 58↩︎

  7. Kamerstukken II, 2025-26, 36 708, nr. 60.↩︎

  8. Dit geldt niet als bij de aanvraag opzettelijk onjuiste informatie is verstrekt of geen recht was op toekenning van een herstelmaatregel en een ouder dit wist of redelijkerwijze behoorde te weten (Wht artikel 6.10).↩︎