[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Afronding intern onderzoek geweldsaanwending Mosul, Irak, 22 maart 2016

Brief regering

Nummer: 2026D13868, datum: 2026-03-25, bijgewerkt: 2026-03-25 16:08, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z06106:

Preview document (🔗 origineel)


> Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag

de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Bezuidenhoutseweg 67

2594 AC Den Haag

Datum 25 maart 2026
Betreft Afronding intern onderzoek geweldsaanwending Mosul, Irak, 22 maart 2016

Ministerie van Defensie

Plein 4

MPC 58 B

Postbus 20701

2500 ES Den Haag

www.defensie.nl

Onze referentie

MINDEF20260006929

Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.

Geachte voorzitter,

Op 30 maart 2023 is uw Kamer geïnformeerd over het instellen van een intern onderzoek naar een vermoeden van burgerslachtoffers als gevolg van een Nederlandse wapeninzet in Mosul, Irak. Op 14 maart 2025 bent u geïnformeerd over de stand van zaken van het onderzoek van Defensie.1

Met deze brief informeer ik u, conform de informatieafspraken met de Kamer uit 20202, over de uitkomsten van dit onderzoek. Defensie concludeert dat er met de kennis van nu geen sprake was van een legitiem militair doelwit. De luchtaanval had naar alle waarschijnlijkheid zeven burgerslachtoffers tot gevolg. Defensie biedt excuses aan voor de onvoorziene gevolgen van de luchtaanval en spreekt hiervoor medeleven naar de nabestaanden uit. De conclusie van Defensie komt overeen met de uitkomsten van het feitenonderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) naar deze luchtaanval. Uw Kamer is in april 2025 op de hoogte gesteld van de afronding van het OM-onderzoek.3

Het interne onderzoeksrapport van Defensie bied ik hierbij aan de Kamer aan, waarbij operationele details, persoonsgegevens en gegevens herleidbaar tot individuen gelakt zijn. Een technische briefing voor een nadere toelichting is indien gewenst mogelijk. Ook heb ik betrokkenen, zoals de nabestaanden van de slachtoffers van de aanval, de betrokken militairen van Defensie en partnerlanden, op de hoogte gesteld van de afronding van het rapport.

Aanleiding

Op 30 maart 2023 publiceerden NRC, NOS en Nieuwsuur dat een Nederlandse luchtaanval vermoedelijk zeven burgerslachtoffers tot gevolg had gehad. Daarop startte Defensie een onderzoek naar de Nederlandse luchtaanval op 22 maart 2016. De luchtaanval was onderdeel van Operation Inherent Resolve (OIR), de coalitie die in Irak en Syrië tegen ISIS opereerde. Het doelwit bestond uit twee aangrenzende gebouwen op het universiteitsterrein van Mosul. Eén van de gebouwen vormde het doelwit voor Nederlandse F-16’s, het andere gebouw was het doelwit voor een coalitiepartner. De gebouwen werden volgens de inlichtingen van de coalitie beide door ISIS gebruikt als hoofdkwartier.

Het onderzoek richtte zich op de gevolgen van de luchtaanval, een beoordeling van de rechtmatigheid van de luchtaanval en een beoordeling van de operationele uitvoering. Om tot een beoordeling te komen heeft een interne onderzoekscommissie een veelheid aan bronnen verzameld en bestudeerd. De commissie heeft onder andere Iraakse burgers geïnterviewd, een bezoek aan de locatie van de luchtaanval gebracht en documentatie bestudeerd, waaronder militaire data, open bronnen, documentatie uit Irak en materiaal vanuit de coalitie.

De onderzoekscommissie trekt drie hoofdconclusies en doet op basis daarvan aanbevelingen. Hieronder ga ik daar nader op in, inclusief hoe Defensie opvolging geeft aan de aanbevelingen.

Hoofdconclusie 1: Gevolgen van de luchtaanval

Op basis van de informatie waar Defensie binnen dit onderzoek over beschikt had de wapeninzet naar alle waarschijnlijkheid zeven doden tot gevolg. Op basis van meerdere bronnen kan er vanuit worden gegaan dat het hier burgers betreft. Zij bevonden zich tijdelijk in het door Nederland aangegrepen gebouw, omdat het gebouw naar alle waarschijnlijkheid dienst deed als woongebouw en waarschijnlijk niet als hoofdkwartier van ISIS. De meeste bewoners waren op het moment van de luchtaanval al uit het gebouw vertrokken. Op basis van de gevoerde interviews concludeert de onderzoekscommissie dat de Iraakse burgers die bij de aanval zijn omgekomen niet meer permanent in het gebouw woonden, maar zich hier tijdelijk begaven om bezittingen te verhuizen naar een andere woning. De dodelijke slachtoffers betroffen twee mannen, vier vrouwen en een kind, en waren afkomstig uit twee verschillende families.

Hoofdconclusie 2: Beoordeling van de rechtmatigheid

Het aangegrepen doel betrof op basis van de destijds beschikbare informatie een legitiem militair doelwit. Het gebouw was door de coalitie aangemerkt als gebouw dat door ISIS werd gebruikt als hoofdkwartier. De toegang tot het gebouw zou bewaakt zijn door een wachtpost van ISIS en niet vrij voor burgers toegankelijk zijn. De inlichtingen over het doel dateerden van 1 februari 2016 en de tijdsperiode tussen deze datum en de datum van de luchtaanval viel binnen de destijds door de coalitie gehanteerde termijn voor gebruik van inlichtingen voor doelontwikkeling. Er was bij Nederland geen informatie bekend die de inhoud van deze inlichtingen in twijfel had moeten trekken.

Echter, er was op basis van de informatie waar Defensie binnen dit onderzoek thans over beschikt, geen sprake van een legitiem militair doelwit. Uit de beschikbare bronnen, waaronder gesprekken die door Defensie zijn gevoerd met Iraakse burgers en de aangeleverde bewijsstukken die Defensie heeft beoordeeld, blijkt dat het doel ten tijde van de luchtaanval naar alle waarschijnlijkheid een woonfunctie had en waarschijnlijk niet in gebruik was als hoofdkwartier van ISIS. Daarnaast zouden burgers toegang hebben gehad tot het gebouw en zou er geen sprake zijn van een wachtpost van ISIS. Op basis van deze informatie had het gebouw, achteraf bezien, niet aangevallen mogen worden.

Op basis van deze hoofdconclusie beveelt de onderzoekscommissie aan in de totstandkoming van missies en operaties waarbij wapeninzet is voorzien aandacht te besteden aan de (rest)risico’s die verbonden zijn aan afhankelijkheid van coalitiepartners in de inlichtingenketen. Eerder lichtte Defensie in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Sorgdrager al toe welke stappen reeds zijn gezet om de inlichtingenpositie van Nederland te versterken – zoals de oprichting van de Target Support Cell die met targetingexperts een bijdrage levert aan het targetingproces – en welke aanvullende stappen Defensie zal zetten.4 Defensie zal in de voorbereiding op missies en operaties in het militair advies en artikel 100-brieven blijvend aandacht besteden aan de risico’s en deze zoveel als mogelijk mitigeren, hoewel een zekere mate van afhankelijkheid ook in de toekomst onvermijdelijk zal zijn.

Daarnaast merkt de onderzoekscommissie op dat de tijdsduur tussen de laatste update van de inlichtingen en de betreffende wapeninzet relatief lang was. De onderzoekscommissie beveelt aan in de totstandkoming van missies en operaties een afweging te maken welke tijdsduur door Nederland acceptabel wordt geacht. Hoewel het onderzoek concludeert dat de tijdsduur voor de betreffende luchtaanval binnen de door de coalitie gehanteerde termijn viel en dat een kortere tijdsduur niet per definitie tot een andere afloop zou hebben geleid, zal Defensie in de toekomst op voorhand bepalen wat voor Nederland acceptabele tijdsduren zijn. Nederland kan zo nodig voorwaarden of caveats stellen voor Nederlandse wapeninzetten. Het vaststellen van een termijn zal onder andere afhankelijk zijn van het soort operatie, het type doel en de omgeving van het doel. Qua type doel kan onderscheid gemaakt worden tussen bijvoorbeeld objecten die naar hun aard en naar hun gebruik een legitiem militair doelwit vormen. Het gebruik van een object kan eerder aan verandering onderhevig zijn dan de aard van een object.

Hoofdconclusie 3: Beoordeling van de operationele uitvoering

Het doelwit is conform de toen geldende procedures aangegrepen. Er zijn geen procedurele onvolkomenheden geconstateerd. Nederland had in de voorbereiding op en de uitvoering van de wapeninzet geen aanwijzingen dat de wapeninzet mogelijk tot burgerslachtoffers zou leiden. Daarmee is bij de wapeninzet betrokken medewerkers van Defensie geen verwijt te maken. Defensie had ook na de wapeninzet zelf op basis van de reguliere informatieverzameling ten behoeve van de Battle Damage Assessment (BDA) geen aanwijzingen van vermoedens van burgerslachtoffers. In 2023 werd Defensie pas op de hoogte gesteld van een vermoeden van burgerslachtoffers als gevolg van het journalistieke onderzoek van NRC, NOS en Nieuwsuur.

Defensie hecht er waarde aan de gevolgen van wapeninzetten goed te kunnen monitoren en waar mogelijk eerder op de hoogte te zijn van vermoedens van burgerslachtoffers. De onderzoekscommissie beveelt aan te overwegen om in toekomstige missies en operaties proactief eventuele gevolgen van een wapeninzet beter te monitoren, bijvoorbeeld door het verzamelen van (online) mediaberichtgeving, als aanvulling op de reguliere informatieverzameling na een wapeninzet. Een gedegen informatieverzameling na een wapeninzet is van belang voor het effectief optreden van de krijgsmacht. Defensie onderzoekt wat de mogelijkheden zijn voor het uitbreiden van de reguliere methoden. In 2024 opende Defensie reeds een meldpunt waar partijen buiten Defensie, zoals burgers en ngo’s, zich kunnen melden als ze aanvullende informatie bezitten over vermoedens van burgerslachtoffers.

Beoordeling USCENTCOM

Naast de drie hoofdconclusies constateert de onderzoekscommissie ook dat het ministerie van Defensie in 2017 niet door United States Central Command (USCENTCOM), het operationele hoofdkwartier te Tampa in de Verenigde Staten) van waaruit OIR werd aangestuurd, op de hoogte is gesteld van een melding over deze luchtaanval en de beoordeling daarvan. In 2017 meldde ngo Airwars bij USCENTCOM een vermoeden van burgerslachtoffers ten gevolge van deze Nederlandse inzet. Destijds oordeelde USCENTCOM over mogelijke burgerslachtoffers dat dit niet geloofwaardig (‘non credible’) was. USCENTCOM beriep zich hierbij op de informatie dat alleen ISIS-leden het gebouw konden betreden en dat de BDA, opgesteld door de coalitie, geen bewijs van burgerslachtoffers had opgeleverd. Bij het oordeel non credible was het destijds niet gebruikelijk dat een betrokken coalitiepartner werd geïnformeerd over een dergelijke melding.

Defensie heeft USCENTCOM vanaf 2023 doorlopend geïnformeerd over nieuwe informatie die zij tot haar beschikking had over de gevolgen van deze luchtaanval, en heeft USCENTCOM verzocht het oordeel uit 2017 te herevalueren. USCENTCOM gaf hierop in september 2025 aan de beoordeling non credible te handhaven, zonder daarbij een inhoudelijke toelichting te geven.

De onderzoekscommissie beveelt aan betere afspraken te maken met toekomstige coalitiepartners over het delen van informatie over meldingen van vermoedens van burgerslachtoffers als gevolg van een Nederlandse wapeninzet. Het is van belang dat Nederland altijd direct op de hoogte wordt gesteld wanneer een coalitiepartner dergelijke meldingen ontvangt. Zo kan Defensie immers een onderzoek starten wanneer Nederlandse betrokkenheid aannemelijk is. Defensie onderschrijft deze aanbeveling en voert reeds verkennende gesprekken met een aantal partnerlanden over het delen van informatie over meldingen binnen de International Contact Group on Civilian Harm Mitigation and Response.5

Excuses en vrijwillige tegemoetkoming

Het is zeer te betreuren dat deze luchtaanval onbedoeld burgerslachtoffers tot gevolg heeft gehad. Ik ben mij ervan bewust dat dit een blijvende impact heeft op de getroffen families. Ik heb de nabestaanden daarom mijn excuses aangeboden voor de onvoorziene gevolgen van deze aanval.

Daarnaast heb ik, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van dit specifieke geval, besloten de nabestaanden een vrijwillige financiële tegemoetkoming aan te bieden. Er was, met de kennis van nu, geen sprake van een legitiem militair doelwit. Bovendien heeft Defensie de geleden schade met grote waarschijnlijkheid eigenstandig in kaart kunnen brengen. Een tegemoetkoming is daarom gepast en uitvoerbaar.

Over de vrijwillige tegemoetkoming heeft Defensie reeds contact met de advocaat van de nabestaanden. Via de advocaat heeft Defensie de nabestaanden op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het onderzoek. Defensie heeft de advocaat ook laten weten bereid te zijn de nabestaanden van een toelichting te voorzien.

Slot

Wanneer Defensie in het buitenland deelneemt aan missies en operaties bestaat het risico dat hierbij burgerslachtoffers vallen. Nederlandse militairen zetten zich ervoor in om op basis van onder andere het humanitair oorlogsrecht de burgerbevolking zoveel als mogelijk te ontzien en burgerslachtoffers te voorkomen. Als militair handelen, ondanks het nemen van alle praktisch uitvoerbare voorzorgsmaatregelen, toch leidt tot burgerslachtoffers, laat dat niet alleen diepe sporen na bij de getroffenen maar ook bij de militairen zelf. Daarom wil ik nadrukkelijk mijn waardering en respect uitspreken voor hun inzet en professionaliteit, toen en nu.

De afgelopen jaren heeft Defensie reeds stappen gezet op het verbeteren van procedures rondom burgerslachtoffers, zoals het openen van een meldpunt burgerslachtoffers en het verbeteren van de informatievoorziening richting de Kamer. De uitkomsten en aanbevelingen van onderhavig onderzoek laten zien dat er ruimte is voor aanvullende stappen. Defensie zal aan de slag gaan met de aanbevelingen en deze ook bezien in de bredere context van het mitigeren van het risico op burgerslachtoffers.

Het uitvoeren van interne onderzoeken zoals deze helpt Defensie te leren van missies en operaties en te verbeteren waar mogelijk. Onderhavig onderzoek is de eerste keer dat Defensie een intern onderzoek naar een vermoeden van burgerslachtoffers uitvoerde conform nieuwe

onderzoeksprocedures aangaande intern onderzoek bij geweldsaanwending, die zijn vastgelegd in 2023 in een aanwijzing van de Secretaris-Generaal.6 Met deze ervaring is het streven dat dergelijk onderzoek in de toekomst sneller kan worden afgerond.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN DEFENSIE

Dilan Yeşilgöz-Zegerius


  1. Kamerstuk 27 925, nr. 984.↩︎

  2. Kamerstuk 27 925, nrs. 723, 727 en 746.↩︎

  3. Kamerstuk 27 925, nr. 988.↩︎

  4. Kamerstuk 27 925, nr. 985.↩︎

  5. In dit verband bespreekt Nederland met belangrijke militaire partnerlanden stappen voor het minimaliseren van burgerslachtoffers en het adresseren ervan. Zie ook Kamerstuk 27 925, nr. 985↩︎

  6. Kamerstuk 27 925, nr. 985. Zie ook Defensie.nl voor een toelichting op de werkwijze van Defensie aangaande (voor)onderzoek naar vermoedens van burgerslachtoffers.↩︎