36831 Nader verslag inzake wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)
Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders)
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D14141, datum: 2026-03-26, bijgewerkt: 2026-03-26 14:23, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: J. Beekmans, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36831 -8 Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders).
Onderdeel van zaak 2025Z18749:
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-24 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-03-10 16:30 ⇒ Inbrengdatum voor het nader verslag vaststellen op 24 maart 2026 om 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-03-10 16:30 ⇒ De minister verzoeken om voorafgaand aan de inbrengdatum de Kamer te informeren over of de regering de behandeling van het wetsvoorstel in zijn huidige vorm doorzet. (Besluit)
- 2025-12-16 14:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2025-12-04 09:30 ⇒ De tijdelijke commissie besluit een adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders (36831) gelet op het dictum en advies van de Raad van State. (Besluit)
- 2025-11-25 16:30 ⇒ Niet controversieel verklaren. (Besluit)
- 2025-11-25 16:30 ⇒ Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 16 december 2025 om 14.00 uur. (Besluit)
- 2025-10-16 14:45 ⇒ Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2025-10-16 14:45 ⇒ In handen gesteld van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Besluit)
- 2025-10-16 14:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-11-25 16:30: Procedurevergadering Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2025-12-04 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2025-12-16 14:00: Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders) (TK 36831) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2026-03-10 16:30: Procedurevergadering Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2026-03-24 14:00: Nader verslag wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders) (36831) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Preview document (🔗 origineel)
| 36 831 | Wijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrang voor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders) |
|---|---|
| Nr. 8 | NADER VERSLAG |
Vastgesteld, 26 maart 2026
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt nader verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid. |
Inhoudsopgave Blz.
1. Algemeen 2
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel 3
1. Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwelkomen de intrekking van
het wetsvoorstel, zoals aangekondigd in de brief van 20 maart jl.
(Kamerstuk 32847, nr. 1407) door de minister. Dit wetsvoorstel was een
symboolmaatregel, onuitvoerbaar voor gemeenten, zou tot grote problemen
in de asielketen hebben geleid en was onverenigbaar met de Grondwet.
Deze leden benadrukken dat de huidige woningnood niet wordt veroorzaakt
door een teveel aan vergunninghouders maar door een tekort aan
betaalbare woningen.
Wel hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog vragen en zorgen
over allereerst het voornemen van de minister, zoals verwoord in haar
brief, om met een nieuw verbod op voorrang voor vergunninghouders te
komen, en het voornemen om in te zetten op flexibele tijdelijke
huisvesting voor vergunninghouders.
De minister heeft aangegeven te komen met een "nieuw, uitvoerbaar
wetsvoorstel waarbij tegemoetgekomen wordt aan de reacties van de Raad
van State, gemeenten en andere betrokken partijen". Deze leden begrijpen
dat het dus nog steeds de intentie van het kabinet is om het onmogelijk
te maken voor gemeenten om voorrang te verlenen aan
vergunninghouders.
Zij zien sterke aanwijzingen dat elke vorm van een verbod op voorrang
voor vergunninghouders kan botsen met het principe van gelijke
behandeling. De Raad van State stelde dat zo’n verbod, omdat
vergunninghouders in een achtergestelde positie verkeren, kan leiden tot
ongelijke behandeling in strijd met de Grondwet. De minister wil dit
ondervangen door die achtergestelde positie te verbeteren, maar de leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie betwijfelen of dat realistisch is,
aangezien eerdere plannen om die positie gelijk te trekken, volgens de
Raad van State onvoldoende waren. Deze leden vragen hoe de minister op
korte termijn vergunninghouders in een vergelijkbare positie wil brengen
als andere woningzoekenden, terwijl vergunninghouders zeer kwetsbaar
zijn, technisch dakloos, vaak een lager inkomen hebben en weinig tot
geen sociaal netwerk – iets wat ook wordt benadrukt door
woningcorporaties, de Nederlandse Orde van Advocaten en gemeenten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwelkomden de passages in het coalitieakkoord over de democratische rechtstaat en het belang van democratische instituties. Deze leden vragen de regering om helder te bevestigen dat zij een nieuw verbod op voorrang voor vergunninghouders niet onveranderd zal doorzetten bij negatieve advisering door de Raad van State. En dat zij het oordeel van andere instituties – zoals de Nederlandse Orde van Advocaten, het College voor de Rechten van de Mens – en uitvoeringsinstanties - zoals organisaties in de asielketen, corporaties, en het lokaal gezag – zeer zwaar zal meewegen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben geen vragen gezien de huidige politieke ontwikkelingen omtrent het voorstel.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en zij zijn verheugd dat de regering voornemens is om het wetsvoorstel van het vorige kabinet door te zetten. Deze leden steunen de doelstelling om de verdeling van schaarse sociale huurwoningen eerlijker te maken en de positie van vergunninghouders te normaliseren ten opzichte van andere woningzoekenden.
Deze leden constateren dat de huidige praktijk, waarin vergunninghouders met voorrang toegang krijgen tot sociale huurwoningen, leidt tot groeiend maatschappelijk onbegrip en een gevoel van onrechtvaardigheid bij Nederlanders die soms jarenlang wachten op een woning. De regering erkent zelf dat wachttijden gemiddeld zeven jaar bedragen en in sommige gevallen oplopen tot meer dan tien jaar. Het uitgangspunt dat schaarse sociale huurwoningen gelijk verdeeld moeten worden, zou vanzelfsprekend moeten zijn in een land waar honderdduizenden mensen jarenlang op een woning wachten.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering met dit wetsvoorstel feitelijk erkent dat het eerdere beleid niet houdbaar was. Tegelijkertijd wordt deze koerswijziging gepresenteerd alsof het om een technische aanpassing gaat, terwijl het in werkelijkheid een fundamentele correctie betreft op jarenlang oneerlijk beleid.
Daar komt bij dat de Raad van State stelt dat het voorstel mogelijk leidt tot ongelijke behandeling. Deze leden merken op dat dit een opmerkelijke redenering is: het beëindigen van een voorkeurspositie zou ongelijk zijn, terwijl het jarenlang bevoordelen van één groep dat blijkbaar niet was. In het advies van de Raad van State missen de leden van de JA21-fractie het perspectief van Nederlanders die op de wachtlijst staan en worden ingehaald door vergunninghouders. Zij hebben enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag over de Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders. Tegelijkertijd hebben deze leden met grote zorgen kennisgenomen van het bericht dat deze minister afziet van het verbod op voorrang voor vergunninghouders in de sociale huur. Waar eerder werd gewerkt aan wetgeving om deze voorrangspositie af te schaffen, kiest deze minister er nu voor om dit los te laten. De leden van de BBB-fractie vinden dit onacceptabel en oneerlijk tegenover de woningzoekenden, zoals starters en mensen die al jarenlang op een wachtlijst staan voor een sociale huurwoning. Dit besluit staat haaks op eerdere toezeggingen en vergroot de ongelijkheid op de woningmarkt. Deze leden hebben daarom nog een aantal kritische vragen naar aanleiding van deze koerswijziging. Wat zegt dit besluit volgens de minister tegen de honderdduizenden woningzoekenden die al jarenlang wachten op een sociale huurwoning? Kan de minister één duidelijke reden noemen waarom het loslaten van dit verbod in het belang is van de Nederlandse woningzoekende?
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de nota naar
aanleiding van het verslag. Datzelfde geldt voor de brief van de
tijdelijke commissie grondrechten en constitutionele toetsing (Kamerstuk
36831, nr. 6) waarin een advies gegeven wordt op het genoemde
wetsvoorstel. Deze leden danken de commissie voor dit advies.
Zij hebben ook kennisgenomen van de brief van de minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Kamerstuk 32847, nr. 1407)
waarin wordt aangegeven dat het voorliggende wetsvoorstel wordt
ingetrokken. Dientengevolge achten de leden van de SGP-fractie het niet
meer zinvol om aanvullende vragen te stellen. Deze leden merken daarbij
op dat zij deze intrekking betreuren. Zij zien in het wetsvoorstel
voldoende basis om te komen tot een evenwichtig voorstel waarin recht
gedaan wordt aan de positie van alle woningzoekenden. Een nieuw
wetsvoorstel, zoals aangekondigd in de genoemde brief, leidt volgens de
leden van de SGP-fractie ongetwijfeld tot vertraging en daarmee tot
voortduur van de problemen. Deze leden zien uit naar een voorstel
waarmee deze problemen worden aangepakt.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over het
voornemen van de regering om in te zetten op flexibele, tijdelijke
woningen voor vergunninghouders. Deze leden verwelkomen oplossingen die
bijdragen aan het huisvesten van vergunninghouders, die nu vaak nog in
opvang verblijven. Ongeveer de helft van de COA-bewoners is
vergunninghouder, begrijpen deze leden, en zij vragen de regering
hoeveel flexibele woningen of doorstroomlocaties nodig zijn om hen te
huisvesten. Hoe gaat de regering deze woningen realiseren en
financieren? Of moeten gemeenten de kosten zelf dragen? En erkent de
regering dat, hoewel tijdelijke woningen een oplossing kunnen bieden,
een vaste, eigen plek de beste kansen biedt op integratie en
participatie?
Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen over de
gevolgen voor gezinshereniging. Nu er een huisvestingseis komt, en
doorstroomlocaties vanwege het amendement-Piri (Kamerstuk 36703, nr. 9)
voor deze eis meetellen, vragen deze leden of de regering kan garanderen
dat vergunninghouders niet buiten de boot vallen voor gezinshereniging
doordat zij geen vaste woning hebben, mede als gevolg van het afschaffen
van voorrang.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering stelt dat dit wetsvoorstel bijdraagt aan gelijke behandeling. Is de regering van mening dat Nederlanders die afgelopen jaren zijn ingehaald door vergunninghouders door het beleid zijn benadeeld en onredelijk behandeld?
Kan de regering bevestigen dat dit wetsvoorstel een direct positief effect heeft op de positie van reguliere woningzoekenden?
De Raad van State stelt dat het schrappen van voorrang leidt tot ongelijke behandeling omdat vergunninghouders een achterstand hebben. Begrijpt de regering dat veel Nederlanders juist het tegenovergestelde ervaren, namelijk dat zij structureel worden achtergesteld?
Is de regering het met de leden van de JA21-fractie eens dat ‘gelijke behandeling’ niet betekent dat iedere achterstand automatisch moet worden gecompenseerd met voorrang op schaarse publieke voorzieningen?
Is de regering het met deze leden eens dat duurzame integratie juist gebaat is bij gelijk behandelen in plaats van uitzonderingsposities?
Kan de regering bevestigen dat het uitgangspunt van dit wetsvoorstel, ondanks het aantreden van een nieuwe minister, overeind blijft?
Is de regering het met de leden van de JA21-fractie eens dat in het advies van de Raad van State het perspectief van Nederlanders op de wachtlijst ontbreekt en onderdeel had moeten zijn van het advies?
De Raad van State stelt dat vergunninghouders een ongelijke uitgangspositie hebben omdat ze pas laat kunnen inschrijven voor een sociale huurwoning, minder sterk sociaal netwerk hebben en vanwege een taalachterstand. Deze leden vragen de regering of het realistisch is dat de positie gelijkwaardig wordt? Geldt dit ook niet voor andere groepen die al in Nederland zijn? Hoe ziet de regering dan bijvoorbeeld het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) waaruit blijkt dat asielzoekers vooral voor Nederland kiezen vanwege bestaande sociale banden in Nederland?
Veel gemeenten maken nu al geen gebruik van een urgentieverklaring voor vergunninghouders. Naar het oordeel van de leden van de JA21-fractie lukt het vergunninghouders in deze gemeenten uiteindelijk voldoende om een woning te vinden. Herkent de regering dit beeld?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de regering in de memorie van
toelichting erkent dat de benadering van dr. Jan van de Beek (waarbij
32% van de vrijkomende woningen voor jonge starters naar
vergunninghouders gaat) meer recht doet aan de ervaren verdringing dan
de CBS-cijfers.
Deelt de regering de mening dat het jarenlang handhaven van dit systeem
de sociale samenhang in wijken onherstelbaar heeft beschadigd? Hoe
rechtvaardigt de regering het loslaten van een wetsvoorstel dat juist
bedoeld was om deze scheve verhouding te corrigeren?
Deelt de regering de mening dat dit percentage bewijst dat de
Nederlandse jongere jarenlang de rekening heeft betaald voor het
asielbeleid?
Is de regering bereid om in toekomstige rapportages uitsluitend nog met
deze 'starters-cijfers' te werken in plaats van het verhullende
CBS-totaalpercentage van 7%?
Deelt de minister de mening dat zij met dit besluit willens en wetens
een systeem in stand houdt waarin Nederlandse starters structureel
worden benadeeld?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Raad van State stelt dat
vergunninghouders een 'meervoudige achterstand' hebben die compensatie
vereist.
Waarom volgt de regering de Raad van State in hun visie dat een
verblijfsstatus een unieke achterstand is die voorrang rechtvaardigt, in
plaats van te stellen dat een vergunninghouder simpelweg een starter is
die op eigen kracht zijn plek moet verdienen?
Waarom kiest de minister ervoor om de redenering van de Raad van State
te volgen, terwijl eerder erkend is dat deze voorrangspositie
onwenselijk is?
De Raad van State spreekt over een 'meervoudige achterstand' van
vergunninghouders. De leden van de BBB-fractie stellen dat een student
uit de regio die na zijn studie een woning zoekt precies dezelfde
'achterstand' heeft: geen wachttijd, geen vermogen en een beperkt
netwerk. Kan de minister bevestigen dat voor deze regering de status van
'starter' zwaarder weegt dan de status van 'vergunninghouder', en dat de
Grondwet dus juist dwingt tot het stoppen met positieve
discriminatie?
Deze leden lezen dat de regering aangeeft dat de taakstelling het
'fundament' is van de Wet inburgering 2021 en daarom nog niet kan worden
afgeschaft. Is het echter niet zo dat het in stand houden van deze
dwingende quota (de taakstelling) gemeenten feitelijk dwingt om
creatieve achterdeurtjes te zoeken om vergunninghouders toch voorrang te
geven? Waarom kiest de regering er niet voor om de taakstelling per
direct te schrappen en de inburgering los te koppelen van een
gegarandeerde woning?
Hoe kan de minister het handhaven van een 14-wekentermijn voor
vergunninghouders rechtvaardigen, terwijl reguliere woningzoekenden soms
meer dan tien jaar wachten?
De leden van de BBB-fractie lezen dat in de implementatiefase voorrang
voor onzelfstandige woonruimte (kamers) nog wordt toegestaan. Waarom is
de regering van mening dat dit instrument slechts een jaar mag duren,
terwijl voor de Nederlandse student of werkende jongere het delen van
een woning vaak de enige optie is voor vele jaren? Waarom kiest de
regering er niet voor om onzelfstandige huisvesting structureel als norm
te hanteren voor vergunninghouders, nu zij afziet van het beëindigen van
voorrang in de sociale huur?
Deze leden lezen dat het onderzoek van het WODC aantoont dat migranten
vaak voor Nederland kiezen vanwege een bestaand sociaal netwerk. Waarom
verplicht de regering vergunninghouders niet eerst hun eigen netwerk te
benutten, nu zij ervoor kiest de druk op de sociale huurmarkt niet te
verlagen?
Is de regering bereid om de bewijslast om te keren; vergunninghouders
moeten eerst aantonen dat hun eigen netwerk geen onderdak kan bieden
voordat zij aanspraak kunnen maken op publieke voorzieningen of
doorstroomlocaties?
Deelt de minister de opvatting dat het sneller zelfstandig zoeken naar
woonruimte bijdraagt aan de integratie en de zelfredzaamheid van
vergunninghouders?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het verbod op voorrang onderdeel
is van een pakket om de asielketen minder aantrekkelijk te maken. Kan de
regering uitsluiten dat het in stand houden van perspectief op snelle
huisvesting, door het loslaten van het verbod, een aanzuigende werking
heeft? Verwacht de regering dat het verdwijnen van deze
'huisvestingsgarantie' direct zal bijdragen aan een lagere
instroom?
Deze leden lezen dat gemeenten momenteel 30.000 euro kunnen ontvangen
voor het huisvesten van een vergunninghouder in tijdelijk onderdak. Is
de regering niet bang dat deze financiële bonussen een perverse prikkel
vormen voor gemeenten om alsnog vergunninghouders voorrang te geven
boven reguliere woningzoekenden voor wie geen 'zak geld' vanuit het Rijk
beschikbaar is? Is de regering bereid om financiële regelingen zo aan te
passen dat gemeenten geen enkel financieel voordeel meer hebben bij het
met voorrang huisvesten van vergunninghouders? Hoe wordt geborgd dat
publieke middelen primair ten goede komen aan het verkorten van
wachttijden voor alle woningzoekenden?
De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten op basis van
maatschappelijke of economische binding voor maximaal 50% van de
woningen voorrang mogen verlenen.
Waarom grijpt de regering dit moment niet aan om gemeenten meer ruimte
te geven om hun eigen inwoners voorrang te geven, nu zij afziet van
landelijke maatregelen tegen voorrang?
Kan de minister helder aangeven of zij nog steeds de ambitie heeft om de
voorrangspositie van vergunninghouders volledig af te schaffen, of dat
dit besluit feitelijk neerkomt op het definitief loslaten van deze
doelstelling? Welke garanties kan de minister geven dat de positie van
Nederlandse woningzoekenden daadwerkelijk verbetert, nu het
voorrangsverbod wordt losgelaten? Kan de minister helder aangeven welk
concreet probleem voor Nederlandse woningzoekenden hiermee wordt
opgelost?
De voorzitter van de commissie,
Bromet
De adjunct-griffier van de commissie,
Beekmans