[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden over de Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)(Kamerstuk 36915-XXIII)

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D18612, datum: 2026-04-17, bijgewerkt: 2026-04-17 16:40, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z08309:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Hierbij zend ik u de antwoorden op de 69 vragen van de Tweede Kamer over de eerste suppletoire begroting van Klimaat en Groene Groei (2026D16956, ingezonden 9 april 2026).

Stientje van Veldhoven-van der Meer

Minister van Klimaat en Groene Groei


2026D16956


1

Hoe voorkomt u dat de Indirecte Kostencompensatie (IKC) voor energie-intensieve industrie leidt tot behoud van fossiele productie (fossiele subsidie) in plaats van versnelling van verduurzaming?

Antwoord

Aan het ontvangen van IKC is de voorwaarde gesteld dat minstens 50% van de subsidie moet worden ingezet voor CO2-reducerende maatregelen die ten minste 3% CO2-reductie per subsidiejaar realiseren. Mocht een bedrijf hier door gegronde redenen niet aan kunnen voldoen, dan mag onder bepaalde voorwaarden ook minstens 30% groene stroom worden ingekocht. Met deze voorwaarden wordt voorkomen dat de IKC leidt tot behoud van fossiele productie.

2

Welke maatregelen worden door andere Europese landen genomen om energie- en netwerkkosten te reduceren?

Antwoord

E-bridge (2025) heeft in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat onderzocht hoe de elektriciteitskosten van de Nederlandse industrie zich verhouden tot België, Duitsland, Frankrijk, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en China. Ondanks gedeelde overkoepelende doelstellingen van emissiereductie en integratie van hernieuwbare energie, geeft elk land een andere prioriteit aan industriële concurrentiekracht, kostendekking en klimaatdoelstellingen, wat resulteert in aanzienlijk uiteenlopende kostenimplicaties en hoe kosten over de verschillende afnemersgroepen worden verdeeld.

E-bridge heeft verschillende bedrijfsprofielen vergeleken.

Voor de grote basislastverbruikers die aangesloten zijn op het hoogspanningsnet heeft Frankrijk de laagste effectieve elektriciteitskosten, terwijl Nederland relatief hoge kosten heeft. Binnen Europa hebben alleen Denemarken en het Verenigd Koninkrijk nog hogere effectieve elektriciteitskosten, voornamelijk veroorzaakt door het ontbreken van CO2-prijscompensatie in Denemarken en de over het algemeen hoge grondstofkosten in het Verenigd Koninkrijk. Duitsland en België hebben daarentegen concurrerende kosten dankzij vrijstellingen en CO2-prijscompensatie. Het kostenvoordeel van Frankrijk wordt bereikt door lage grondstofkosten en lage netwerkkosten.

Uit een vorige week gepubliceerde speelveldtoets door PwC1 blijkt ook dat Nederland voor de basisindustrie een relatief hoge energiebelasting kent voor bedrijven die hiervoor geen vrijstellingen kennen. Daarnaast is in tegenstelling tot andere landen in Nederland de Volume Correctieregeling door ACM afgeschaft.

Daarnaast wordt er, met het oog op situatie in het Midden-Oosten, een verkenning gedaan naar mogelijke maatregelen om de huidige ontstane situatie en eventuele toekomstige scenario’s in het Midden-Oosten het hoofd te bieden. In deze verkenning wordt ook gekeken naar maatregelen die andere landen treffen. Hierover zal het kabinet de Kamer voor het meireces informeren.

3

Kunt u een losse tabel geven met een overzicht van de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie?

Antwoord

In onderstaande tabel is de raming van het verloop van de reserve opgenomen.

4

Kunt u aangeven welke middelen op de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie zijn gereserveerd?

Antwoord

De begrotingsreserve duurzame energieproductie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging van projecten, uitgevallen projecten, reeds verplichte projecten die door andere projecten worden vervangen en prijsmeevallers, waaraan subsidie is toegekend op basis van de SDE, SDE+, SDE++, HER+, ISDE, flankerend beleid Wind op Zee, flankerend beleid SDE en de jaarlijkse subsidie aan TenneT in het kader van het net op zee. Jaarlijks worden de onbestede kasmiddelen aan het einde van het begrotingsjaar in de reserve gestort. Via de reserve blijven deze middelen ook in de toekomst beschikbaar voor het stimuleren van hernieuwbare energieproductie en het bevorderen van CO2-reductie.

5

Hoe verklaart u dat in het MJP 2027 IPCEI nucleair onder voorwaarden wordt genoemd, terwijl het fiche dit als ‘niet opgenomen maatregel’ labelt? Welke voorwaarden gelden?

Antwoord

De maatregel IPCEI nucleair is in het ontwerp-Meerjarenprogramma 2027 van het Klimaat- en energiefonds (hierna: KEF) opgenomen als afgewezen maatregel (hoofdstuk 8). Er gelden dus geen voorwaarden voor deze maatregel. In de ambtelijke conceptbeoordeling (welke naar het PBL is gestuurd voor de onafhankelijke reflectie) waren er wel middelen onder een voorwaarde toegekend voor deze maatregel. Omdat in het perceel Kernenergie onvoldoende middelen zitten voor de volledige realisatie van de kabinetsambities rondom nucleair en de subsidie voor IPCEI niet ten koste moet gaan van realisatie van die ambities, is de voorwaarde gesteld dat het volgens het PBL aannemelijk is dat de omvang van de bijdrage uit het Klimaatfonds voor nieuwe kerncentrales wordt verlaagd met ten minste eenzelfde ordegrootte als de investering in de IPCEI. Het PBL bevestigde de aannemelijkheid daarvan niet. De maatregel is daarom alsnog afgewezen.

6

Valt IPCEI nucleair binnen dezelfde budgetenvelop als de grote kerncentrales? Zo ja, hoe wordt de verdeling bepaald?

Antwoord

Er is een aanvraag gedaan bij het KEF voor middelen voor een nucleaire IPCEI. Deze middelen zouden dan uit het kernenergieperceel binnen het KEF komen, dat is hetzelfde perceel als de conventionele centrales. Op dit moment staat de IPCEI onder de niet-opgenomen maatregelen en in de praktijk betekent dit dat er in deze ronde van het Klimaatfonds geen geld is toegekend aan de IPCEI kernenergie. De komende tijd zullen daarom alternatieve manieren van financiering van de IPCEI verkend worden.

7

Wat zijn de verwachtingen over de gevolgen van de stijging van de energieprijzen - door de illegale oorlog tegen Iran - op de uitgaven van de SDE++ en van andere regelingen?

Antwoord

Energieprijzen zijn op dit moment erg volatiel, waardoor het effect op de SDE-uitgaven nog niet te bepalen is. Met de huidige hoge prijzen kan het ertoe leiden dat er dit jaar meer subsidie wordt uitgekeerd dan waar ontvangers recht op hebben. Dit wordt pas meegenomen bij het vaststellen van de definitieve correctiebedragen die achteraf worden vastgesteld. Eventuele te veel betaalde subsidies worden daarna, indien mogelijk, verrekend met toekomstige subsidie-uitkeringen. Hierdoor zou het kaseffect pas vanaf 2027 zichtbaar zijn op de SDE-regelingen. Mochten energieprijzen op langere termijn hoog blijven, dan zullen de SDE-uitgaven ook lager uitvallen. Jaarlijks wordt op basis van de cijfers uit de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) een nieuwe raming gemaakt over de verwachte kasuitgaven. Deze wordt bij Voorjaarsnota verwerkt. Een eventueel effect van de huidige energieprijzen kan daarin zichtbaar worden.

8

Hoeveel ambtenaren vallen bij het ministerie van KGG onder de nullijn?

Antwoord

Er werken 11.871 medewerkers bij EZK (peildatum: 31-12-2025), KGG valt sinds het aantreden van het nieuwe kabinet onder EZK. Dit is het totaal van het kerndepartement en de concernonderdelen. Hier vallen topmanagers niet onder, omdat topmanagers in dienst zijn bij de Algemene Bestuursdienst. Al deze medewerkers vallen onder de nullijn.

9

Hoeveel medewerkers bevinden zich in de lagere loonschalen (schaal 1 t/m 6)? Wat is het aandeel van deze groep binnen de uitvoering (uitvoeringsorganisaties vs. beleid)?

Antwoord

258 medewerkers bevinden zich in de schalen 1 t/m 6 (peildatum 31-12-2025). Hiervan werkt 9% binnen het kerndepartement en 91% werkt voor een uitvoeringsorganisatie.

10

Welke functies/beroepen vallen voornamelijk binnen de lagere loonschalen (schaal 1 t/m 6)? Wat is de huidige en verwachte personeelskrapte binnen deze functies?

Antwoord

De functies die voornamelijk binnen de loonschalen 1 t/m 6 vallen, zijn managementondersteuners, medewerkers verwerken en behandelen en medewerkers ICT en techniek. Het is niet bekend of er een verwachte personeelskrapte is; wegens het korte tijdsbestek was er onvoldoende tijd om dit uit te zoeken.

11

Zijn er interne analyses of risico-inschattingen gemaakt over de effecten van de nullijn, bijvoorbeeld op de instroom of uitstroom? Zo ja, kan deze worden gedeeld?

Antwoord

Deze analyses of risico-inschattingen zijn niet Rijksbreed gemaakt.

12

Hoe wordt de 19m extra gasbaten voor 2026 in de Voorjaarsnota uitgesplitst over de dividenduitkering van EBN en ontvangsten op basis van de Mijnbouwwet? Wat is de oorzaak van deze hogere inkomsten dan oorspronkelijk begroot?

Antwoord

De extra € 19 miljoen komt doordat we een andere manier van ramen van de baten hebben ingevoerd. Voorheen extrapoleerden we de kosten en opbrengsten van EBN naar de gehele sector. Dit leverde vanwege de onevenredige kosten bij EBN aan onder andere versterking en schadeherstel Groningen een minder goede raming op voor de gehele sector. Daarom zijn we overgegaan tot extrapolatie van de geschatte volumes van winning, waarop de door het Centraal Planbureau de voorspelde gasprijzen worden toegepast. Dit heeft geleid tot een stijging in de raming in 2026 van € 19 miljoen.

De € 19 miljoen komt volledig uit de inkomsten Mijnbouwwet. Het door EBN in de komende jaren uit te keren dividend is vanwege de hoge kosten op 0 geraamd.

13

Wat is de impact van de taakstellingen op KGG op de capaciteit van het ministerie om nieuwe wetgeving te ontwikkelen of bestaande wetgeving te herzien?

Antwoord

De taakstellingen op EZK worden zo goed mogelijk ingevuld via zorgvuldige besluitvorming. Het is daarbij wel een realiteit dat er minder middelen beschikbaar zijn voor het ambtelijk apparaat wat meer druk legt op de uitvoering van de taken van dit apparaat. Ook op het ontwikkelen en herzien van wetgeving wordt het dus moeilijker om tijd en expertise beschikbaar te stellen. Dit kan leiden tot:

  • vertraging van of minder ruimte voor herziening of modernisering van bestaande regelgeving;

  • vertraging van of minder ruimte voor nieuwe wetgevingsprocessen;

  • vertraging in bestaande wetgevingsprocessen;

  • prioritering van de meest urgente of noodzakelijke wetgeving.

14

Wat is de impact van de taakstellingen op KGG op de capaciteit van het ministerie voor handhaving van bestaande regelgeving?

Antwoord

Handhaving van bestaande regelgeving vindt hoofdzakelijk plaats door taakorganisaties zoals bijvoorbeeld de ACM of de SodM. De taakstellingen zijn anders ingevuld voor dergelijke taakorganisaties dan voor het kerndepartement. De procentuele taakstellingen zijn, gerekend vanaf de apparaatstaakstelling van het kabinet Schoof, minder dan bij het kerndepartement. De effecten op het toezicht van deze taakorganisaties hangen echter af van de situatie bij en keuzes van iedere toezichthouder. Net als bij het kerndepartment vullen taakorganisaties de taakstellingen zo goed mogelijk in op basis van zorgvuldige besluitvorming.

15

Wat precies is de bijstelling van de belastbare uitstoot die doorwerkt in de verwachte ontvangsten van de CO2-heffing afvalverbrandingsinstallaties? Over welk bedrag aan lagere inkomsten gaat het per jaar van 2026 tot en met 2031?

Antwoord

Tabel: Budgettair effect bijstelling belastbare uitstoot in prijspeil 2026.

2026 2027 2028 2029 2030 2031
Belastbare uitstoot (in Mton) -0,15 -0,18 -0,08 -0,05 0,02 -0,03
Budgettaire effect (In mln. €) -16 -28 -17 -13 7 -10

16

Kan, met betrekking tot de verhoogde en verbrede indirecte kostencompensatie ETS (IKC), worden toegelicht welke sectoren en installaties in 2026 t/m 2035 onder de regeling vallen, welk deel van de indirecte ETS-kosten wordt gecompenseerd, welke ETS- en elektriciteitsprijsaannames aan de raming ten grondslag liggen en welk bedrag per jaar wordt geraamd aan kasuitgaven, verplichtingen en nabetalingen?

Antwoord

De sectoren die onder IKC vallen zijn de metaalsectoren (zoals aluminium, zink en gieterijen), karton- en papierindustrie, chemie, steenwol, glas, mouterijen en keramiek. Het te ontvangen IKC-bedrag wordt uitgerekend met behulp van de CO2-emissiefactor die in Nederland geldt voor het elektriciteitsnet en de ETS-prijs over het desbetreffende jaar. De CO2-emissiefactor wordt vastgelegd per land door de EC en staat vermeld in de IKC-staatssteunrichtsnoeren. De ETS-prijs waarmee gerekend wordt is voor afgelopen jaar, huidig jaar en voor komend jaar al bekend; deze worden aangeleverd door de NEa. Voor de latere jaren wordt de schatting van de ETS-prijs in de KEV van het PBL gebruikt. Gebaseerd op het (aanvullend) gereserveerde budget van het coalitieakkoord wordt er voor €318 mln in 2027, €927 mln in 2028 en €505 mln in de jaren 2029 t/m 2035 aan verplichtingen en kasuitgaven geraamd. De middelen voor 2032 t/m 2035 staan nog op de Aanvullende Post bij Financiën.

17

Kunt u nader toelichten wat er wordt bedoeld met de heffingsleveringszekerheid als het gaat om de vultaak van EBN?

Antwoord

Het uitgangspunt bij het opslaan van gas in gasopslagen is dat dit primair aan marktpartijen is. Om te waarborgen dat in de gasopslagen ieder jaar voldoende gas wordt opgeslagen en de Europese en de Nederlandse vuldoelstellingen worden gehaald, heeft het kabinet sinds 2022 jaarlijks aan EBN Capital B.V. (hierna: EBN) instemming en subsidie gegeven om gas op te slaan in de Nederlandse gasopslagen indien de markt dat onvoldoende doet. Als marktpartijen voldoende gas opslaan, ontstaan geen extra kosten voor de staat. Indien marktpartijen niet of onvoldoende gas opslaan dan slaat EBN aanvullend gas op. Het is de bedoeling dat de netto-kosten die worden gemaakt (d.w.z. de kosten na aftrek van de opbrengsten van de uitvoering van deze activiteiten), worden verhaald door een heffing bovenop de tarieven van het landelijk transmissiesysteem voor gas. Verder zal EBN vanaf 2026 een tijdelijke noodvoorraad van 5 TWh aanleggen in de PGI Alkmaar. De kosten daarvan zullen ook worden verhaald met deze heffing.

Om de heffing in werking te kunnen laten treden is een wettelijke grondslag opgenomen in het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis (Wbe). Het voornemen is om het voorstel uiterlijk begin derde kwartaal van 2026 aan de Afdeling Advisering van de Raad van State aan te bieden en vervolgens in 2027 naar de Tweede Kamer voor behandeling te verzenden. De verwachting is nu dat de Wbe medio 2028 in werking kan treden, maar dat is uiteraard afhankelijk van de snelheid van de verdere voorbereidingen, de (verwerking van) gevraagde adviezen en de parlementaire behandeling.

18

Kan worden toegelicht op welke wijze Contracts for Difference voor wind op zee juridisch, begrotingstechnisch en EMU-technisch worden vormgegeven, welke prijsbanden en risicoverdelingen daarbij worden gehanteerd en op welk moment de Kamer de volledige budgettaire verwerking ontvangt?

Antwoord

De Europese Elektriciteitsmarktverordening verplicht landen die directe prijssteun willen geven aan projecten voor hernieuwbare elektriciteit, dit vanaf medio 2027 te doen in de vorm van Contracts for Difference (tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen; CfD’s). Deze verordening bevat ook regels over het ontwerp van een CfD, bijvoorbeeld op het gebied van marktverstoringen. Voor de goede werking van CfD’s in Nederland is het noodzakelijk om een nadere wettelijke basis te introduceren. Het ontwerpwetsvoorstel en de

ontwerpmemorie van toelichting zijn kortgeleden aangeboden aan de Afdeling

advisering van de Raad van State. Na verwerking van het advies van de Afdeling

zal dit pakket worden verstuurd naar de Tweede Kamer.

De benodigde financiële middelen om prijssteun via een CfD te kunnen geven worden verwerkt op de begroting van Klimaat en Groene Groei. Daarnaast zal bij publicatie van de conceptregeling en de conceptovereenkomst voor de CfD ook het verplichtingenbudget daarin worden opgenomen. Op het moment dat er daadwerkelijk steun wordt gegeven (kasuitgaven) of middelen worden gevorderd, zijn deze relevant voor het EMU-saldo.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is door het ministerie van EZK gevraagd om een advies te geven over het ontwerp van een CfD en het maximum indieningsbedrag dat ontwikkelaars kunnen bieden om een tender te winnen. PBL voert hiervoor een marktconsultatie uit. Op basis van het advies van PBL publiceert het ministerie van EZK naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027 een conceptregeling en conceptovereenkomst. De risicoverdeling tussen overheid en markt en de prijsband waarbinnen ontwikkelaars kunnen bieden en steun ontvangen, wordt dan ook kenbaar gemaakt aan de leden van de Tweede Kamer en de markt.

19

Wat zijn de gevolgen van het doorschuiven van de IKC-ETS naar 2027? Waarom is hiertoe besloten? Zijn er gesprekken geweest met de bedrijven over de financiële gevolgen hiervan?

Antwoord

De uitbetaling van de IKC-middelen aan bedrijven vindt 2 á 3 maanden later plaats - in Q1 2027 in plaats van december 2026. Hiertoe is besloten vanwege de verwachte verdubbeling van aanvragen door de nieuwe sectoren en aanvragers en de daarmee gepaard gaande uitvoering en beoordelingslast. Dit vereist nog wel goedkeuring van de Europese Commissie. Er zijn gesprekken geweest met de betreffende bedrijven over de financiële gevolgen hiervan. Bedrijven in moeilijkheden mogen geen subsidie, en dus geen IKC, ontvangen. De inschatting is dat bedrijven door een uitbetaling die 2 à 3 maanden later plaatsvindt niet in de problemen komen.

20

Kunt u onderbouwen hoe bijstelling van de aannames over de marktstabiliteitsreserve voor het ETS-1 tot € 929 mln. minder ontvangsten leidt?

Antwoord

De marktstabiliteitsreserve (MSR) is één van de redenen van de inkomstenderving, naast de correctie voor financiering van het Social Climate Fund. Het effect van de MSR is dus kleiner dan € 929 mln. Door de bijgestelde aannames over de werking van de MSR verandert de hoeveelheid te veilen rechten voor Nederland, net als voor alle lidstaten. In de jaren 2026 tot en met 2028 worden er naar verwachting meer rechten uit de markt gehaald door de MSR dan eerder voorzien. In de jaren daarna worden er minder rechten uit de markt gehaald. Het verwachte effect hiervan op de begroting van de opbrengsten kunt u zien in de tabel op het antwoord van vraag 24.

21

Kunt u een nadere toelichting geven op de derving van inkomsten van € 4,1 miljard in 2027 als gevolg van uitstel van het ETS-2? Hoe is dat bedrag opgebouwd?

Antwoord

Door het uitstel van ETS-2 worden er in 2027 geen emissierechten meer geveild. In dit jaar zou er ook sprake zijn van het veilen van 30% extra rechten, om meer liquiditeit te verschaffen in het startjaar. Dit houdt voor Nederland in dat de veiling van ongeveer 71,67 miljoen ETS-2 rechten niet doorgaat in 2027. Bij een geraamde prijs van €57,49 levert dat een derving van €4,0 miljard op. De veiling van de emissierechten is uitgesteld naar 2028, waardoor er in dat jaar een meevaller is.

22

Welk effect heeft de lastenderving van ongeveer € 4,1 miljard door het uitstel van ETS2 op de begroting?

Antwoord

Het uitstel van ETS2 leidt in 2027 tot een lastenderving van € 4,1 miljard. Aangezien de inleverplicht wordt uitgesteld naar 2028, zal de veiling ook in dat jaar van start gaan. Het frontloaden (extra veilen) van emissierechten vindt nu in 2028 plaats, waardoor er in dat jaar ook hogere ETS2 inkomsten zijn. Deze extra rechten in 2028 worden geleend uit de jaren 2030 – 2032. Voorheen was dit 2029 – 2031. De verschuiving van de leenperiode leidt tot een meevaller in 2029 en een tegenvaller in 2032.

23

Kunt u nader toelichten wat exact wordt bedoeld met “Daarnaast wordt op basis van voortschrijdend inzicht de correctie voor de financiering van het Social Climate Fund bijgesteld. Dit leidt tot een significante derving van inkomsten voor ETS2.” Welke concrete effecten heeft dit op de begroting?

Antwoord

Bij een nadere analyse van de ETS-richtlijn ten aanzien van de regels voor afdrachten aan het Social Climate Fund (SCF), is gebleken dat de correctie op de ETS-inkomstenraming voor SCF onvoldoende waren meegenomen. Met de bijstelling van de raming voor de 1e suppletoire begroting 2026 is dit rechtgezet. Het effect hiervan op de begroting tussen 2026 en 2031 is € 1,9 mld.

24

Kunt u per jaar en per component toelichten hoe de neerwaartse bijstelling van de ETS-ontvangsten van per saldo € 929 mln tussen 2026 en 2031 is opgebouwd?

Antwoord

Het uitstel van ETS-2 is verwerkt in de raming van het coalitieakkoord. Ten opzichte van die raming worden de ETS inkomsten per saldo tussen 2026 en 2031 bijgesteld met € 929 miljoen. In de tabel hieronder staan de verschillende mutaties uitgesplitst.

Bedragen in € mln 2026 2027 2028 2029 2030 2031 totaal
Stand Coalitieakkoord (ETS1 + ETS2) 1.120 1.217 5.168 3.878 3.170 2.671
ETS1
Mutatie -169 -511 -345 288 510 760
Waarvan beleidsmatig (SCF) -31
Waarvan autonoom (MSR) -138 -511 -345 288 510 760
ETS2
Mutatie 0 63 -492 -470 -459 -104
Waarvan ramingscorrectie juni 2025 0 0 0 0 0 341
Waarvan beleidsmatig (correctie 2027) 0 63 0 0 0 0
Waarvan autonoom (SCF) 0 0 -492 -470 -459 -445
Stand VJN 2026 951 769 4.331 3.696 3.221 3.327
Verschil raming CA -169 -448 -837 -182 51 656 -929

25

Wat is de reden dat er € 51 mln wegvalt bij verduurzaming industrie en € 3,5 mln bij investeringen verduurzaming industrie - Klimaatfonds?

Antwoord

Er is geen sprake van budget dat ‘wegvalt’ maar het budget voor deze instrumenten wordt wel verlaagd als gevolg van (het saldo van) verschillende begrotingsmutaties. Zo wordt de €3,5 mln verlaging van budget voor ‘investeringen verduurzaming industrie – Klimaatfonds’, verklaard door de dekking van uitvoeringskosten voor RVO van de NIKI- en de VEKI-regeling. De verlaging van het budget voor ‘Verduurzaming Industrie’ (subsidies) van ca. €51 mln is het saldo van verschillende mutaties waaronder de afboeking van de jaarlijkse bijdrage aan de DEI+ regeling, een overboeking naar EZ voor ophoging van de PPSI regeling, dekking van RVO uitvoeringskosten voor monitoring bedrijven en beleidsondersteuning, overheveling van middelen voor CCS naar een ander instrument op de KGG-begroting en meerdere kasschuiven waarbij budget voor maatwerkafspraken naar achteren in de tijd wordt geschoven i.v.m. afgesproken ritme van uitfinanciering van gemaakte afspraken.

26

Wanneer zal de lening aan NEO NL terugbetaald worden? Welk rentepercentage betaalt NEO NL over de lening?

Antwoord

De subsidie in de vorm van een lening die EZK voornemens is aan NEO NL te verstrekken betreft een converteerbare lening. De Staat heeft de mogelijkheid om deze lening op enig moment om te zetten in eigen vermogen, waarbij er geen sprake meer is van een lening die moet worden terugbetaald. De lening heeft een looptijd van vijf jaar met een mogelijkheid tot verlenging. De over de looptijd van de lening verschuldigde rente zal worden opgeteld bij de hoofdsom. Het rentepercentage wordt vastgesteld op het moment dat de lening wordt verstrekt en is gekoppeld aan de 5-jaarsrente op staatsobligaties op dat moment.

27

Kunt u toelichten welke projecten of projectcategorieën in 2026 en 2027 gebruik moeten maken van de eerste tranche voor de nationale deelneming warmte, en hoe het bedrag zich verhoudt tot de verwachte kapitaalbehoefte van gemeenten?

Antwoord

De Nationale Deelneming Warmte (NDW) werkt nu in zeven regio’s samen met de medeoverheden aan de oprichting van een publiek warmtebedrijf2. Het voorzien aandeel van EBN in deze warmtebedrijven bedraagt maximaal 40% van het eigen vermogen van het op te richten warmtebedrijf, de resterende 60% komt van de overige aandeelhouders. Gemeenten kunnen een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van lokale warmteprojecten, echter is het ook mogelijk dat andere publieke partijen zoals netbeheerders en provincies een bijdrage leveren. Hierdoor is niet te voorspellen wat de kapitaalbehoefte voor gemeenten zal zijn.

28

Wat zijn de redenen van de verlaging van de bijdragen aan het RIVM en de NEa?

Antwoord

De bijdrage aan het RIVM over de gehele bundel is niet lager en bevat zelfs een tariefstijging. De bijdrage lijkt lager omdat de middelen naar de begroting van LVVN zijn overgeheveld. LVVN verstrekt mede namens EZK de opdracht aan de RIVM. Zij krijgen dus niet minder middelen. Op de opdracht aan de NEa vanuit EZK was in 2025 een onderuitputting van circa € 6 miljoen. Omdat de NEa de onderuitputting op de opdracht van 2025 inzet in 2026, kan de bijdrage aan de NEa in 2026 worden verlaagd.

29

Wat is de reden van de € 242.000 minder uitgaven aan de regeling toezicht energiebesparingsplicht?

Antwoord

Er is niet minder uitgegeven aan de regeling toezicht energiebesparingsplicht. Het budget lijkt lager omdat er in het kader van de regeling overhevelingen zijn gedaan aan uitvoerende organisaties. Dit betreft een bijdrage aan Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) van € 140.000 voor het onderzoek naar toezicht op de energiebesparingsplicht bij mijnbouwlocaties en een bijdrage van € 102.000 voor de dekking van de uitvoeringskosten van RVO. Overhevelingen worden niet geboekt als uitgaven maar in mindering gebracht op het budget.

30

Kunt u de kasbetaling aan Gasunie voor het waterstof-backbone nader toelichten?

Antwoord

Gasunie werkt aan de uitrol van het waterstoftransportnet en ontvangt daarvoor subsidie gebaseerd op het verschil tussen opbrengsten en kosten. Door vertraging van de uitrol zijn de kosten van Gasunie lager dan bij de start verwacht. Hierdoor heeft Gasunie voorlopig voldoende kasvoorschotten ontvangen voor de uitvoering. Het kasritme van de bevoorschotting in de oorspronkelijke beschikking dient te worden aangepast aan de nieuwe begroting en het nieuwe uitrolplan. Hierdoor wordt € 117,5 mln van 2026 naar 2028 geschoven.

31

Wat is de reden dat de ontvangsten verduurzaming industrie in 2027, 2028 en 2029 afnemen?

Antwoord

De verwachte opbrengsten van de CO2-heffing worden in lopende prijzen gezet, in plaats van prijspeil 2025. Ook worden de opbrengsten van de heffing een jaar achteren geschoven omdat de heffing pas wordt afgedragen na afloop van het jaar waarover de heffing verschuldigd is. Ten slotte werkt een kleine bijstelling van de belastbare uitstoot door in de verwachte ontvangsten.

32

Op welk prijs- en risicoscenario is het verplichtingenbudget van € 22,3 mld. voor de lening aan EBN gebaseerd, en welke bandbreedte aan gasprijzen en zekerheidsstortingen ligt hieraan ten grondslag? Heeft het kabinet rekening gehouden met de recente prijsontwikkelingen op de gasmarkt?

Antwoord

Wegens het bedrijfsvertrouwelijke karakter van deze informatie en het risico van marktverstoring kunnen de bandbreedtes en gasprijzen die zijn gebruikt voor de berekening van het verplichtingenbudget niet worden vermeld. In het algemeen kan wel worden aangegeven dat er specifiek rekening is gehouden met de omstandigheid dat gasprijzen aanzienlijk hoger komen te liggen met bijbehorend liquiditeitsbeslag. De huidige, hogere, gasprijzen passen binnen deze bandbreedte. Meer informatie hierover is te vinden in het Toetsingskader risicoregelingen voor de leningsfaciliteit ten behoeve van het vullen van de gasopslagen in het opslagjaar 2027-2028 die ik bij uw Kamer vertrouwelijk ter inzage heb gelegd zoals ik heb gemeld in mijn brief van 27 maart jl.3

33

Kunt u toelichten waarom in 2027 naar verwachting € 8 mld. aan kasuitgaven nodig is, terwijl het verplichtingenbudget voor de EBN-lening aanzienlijk hoger ligt?

Antwoord

Het verschil tussen het verplichtingbudget en het kasbudget voor de lening aan EBN komt doordat het kasbudget uitgaat van een realistische, zij het conservatievere, inschatting van de gasprijs. De huidige gasprijzen vallen binnen het scenario voor het kasbudget. Het verplichtingenbudget is vastgesteld op basis van een extremer scenario. De financieringsbehoefte van EBN bestaat uit de inkoop van het gas en bijbehorende beursverplichtingen bij prijswijzigingen.

34

Welke rente zal EBN betalen over de lening van 22,3 mld?

Antwoord

De precieze voorwaarden waaronder de lening is verstrekt kunnen wegens bedrijfsvertrouwelijke karakter van deze informatie en het risico van marktverstoring hier niet worden vermeld. Het doel van de activiteiten die EBN verricht, is om gas op te slaan als de markt dat niet voldoende doet. Aan EBN is in het kader van deze activiteiten een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) opgelegd. Voor de kosten van de uitvoering van deze DAEB is aan EBN een subsidie verleend (die met een heffing op het gebruik van het transmissiesysteem voor gas wordt bekostigd, zie antwoord op vraag 17). Voor zowel de subsidie als de leenfaciliteit is in het kader van het opleggen van de DAEB ook beoordeeld of er sprake is van staatssteun. Voor wat betreft de leenfaciliteit is geconstateerd dat hier geen sprake van is. Dit omdat de aan de lening gestelde voorwaarden zowel qua aard van die voorwaarden als de vormgeving (hoogte) daarvan overeenkomen met de voorwaarden die ook in de markt gesteld zouden worden (marktconformiteit). Voor aanvullende informatie verwijs ik naar het Toetsingskader risicoregelingen (zie ook het antwoord op vraag 32).

35

Zal het geld van de lening en subsidie aan EBN voor de vultaak louter gebruikt worden om gas aan te kopen op de internationale gasmarkt, of wordt het ook nog op andere manieren besteedt?

Antwoord

Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 33 kan de lening worden gebruikt voor de kosten van aankoop van het gas dat wordt opgeslagen, en de aanvullende zekerheidsstortingen die daaruit kunnen volgen. Dit is ook vastgelegd in de beschikking die aan EBN is afgegeven.

36

Kunt u nader toelichten wat wordt bedoeld met meerdere grote CCS-projecten die hun beschikking hebben teruggegeven?

Antwoord

Het komt voor dat projecten waarvoor reeds een SDE++-subsidiebeschikking is toegekend, niet meer gerealiseerd kunnen worden. In dat geval kunnen deze projecten de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland verzoeken om de subsidiebeschikking in te trekken. Dit is wat bedoeld wordt met het teruggeven van een subsidiebeschikking.

37

Waarom hebben meerdere grote CCS-projecten hun beschikking teruggegeven?

Antwoord

Verschillende partijen hebben hun SDE++-beschikking voor CCS teruggegeven omdat projecten door gewijzigde marktomstandigheden niet langer realiseerbaar bleken. Daarbij spelen met name gestegen kosten in de CCS-keten, waardoor de subsidie niet langer toereikend was, en in specifieke gevallen knelpunten in de vergunningverlening een rol.

38

Wat zou er in het beleid moeten veranderen om de CCS-projecten toch doorgang te laten vinden?

Antwoord

De redenen voor het teruggeven van de SDE++-beschikking verschillen per project en zijn niet altijd beïnvloedbaar door beleid. In ieder geval is het van belang dat partijen die aantoonbaar met zodanige kostenstijgingen worden geconfronteerd dat met de beschikking geen sluitende business case meer te maken is, hun SDE++-beschikking kunnen laten intrekken en in een volgende ronde opnieuw SDE++ aan kunnenvragen, tegen actuele subsidiebedragen. Een voorwaarde om van deze mogelijkheid gebruik te maken is dat de partij op het tijdstip van indiening van de subsidieaanvraag nog niet is begonnen met de werkzaamheden aan het SDE++-project.

39

Kunt u de heffing gasleveringszekerheid uitsplitsen naar de onderdelen ‘vultaak’, ‘noodvoorraad’ en overige kosten, en per jaar aangeven welke opbrengsten worden verwacht?

Antwoord

In de Voorjaarsnota 2026 is de heffing leveringszekerheid ingeboekt voor in totaal circa € 1,4 miljard. Dit is verdeeld over de jaren 2029-2031 omdat de wettelijke grondslag om de heffing te kunnen opleggen en innen (d.m.v. de Wet bestrijden energieleveringscrisis; Wbe) dan wordt voorzien. Hiervan ziet €1,2 miljard op de opslagactiviteiten van EBN voor het geval de markt onvoldoende gas opslaat (seizoensopslag) en € 218,5 miljoen voor de activiteiten van het aanleggen en aanhouden van een noodvoorraad. De hoogte van heffing die nu in de Rijksbegroting staat zal nog worden verlaagd met de gerealiseerde opbrengsten die EBN genereert met de verkoop van het gas uit de opslagen.

Over de opslagactiviteiten van EBN is in de afgelopen opslagjaren (2022/23, 2023/24 en 2024/25) in totaal € 224,9 miljoen aan subsidie uitbetaald en € 197,5 miljoen aan dividend ontvangen. De netto-kosten van de opslagactiviteiten over de eerste drie opslagjaren bedragen cumulatief € 36,5 mln. Omdat het van de prijsontwikkelingen op de gasmarkt afhangt hoeveel de opbrengsten en de kosten van aankomende opslagjaren zullen zijn, is het nog niet mogelijk aan te geven hoe hoog de totale netto-kosten zijn vanaf de inwerkingtreding van de Wbe. Zoals hiervoor ook aangegeven worden de uiteindelijke netto-kosten volgens de Voorjaarsnota 2026 opgehaald in de jaren 2029-2031.

40

Wat zijn de verwachte gevolgen van de heffing gasleveringszekerheid voor huishoudens en bedrijven, uitgesplitst naar gemiddeld huishouden, mkb-bedrijf en grootverbruiker?

Antwoord

Het uitgangspunt is dat de netto-kosten die voortvloeien uit het vullen van de gasopslagen door EBN worden opgebracht door de gebruikers van het landelijke transmissiesysteem voor gas. Bij lagere regelgeving onder de Wbe kan eventueel nog de keuze worden gemaakt om nader te specificeren exitpunten van het landelijke transmissienetwerk voor gas (gedeeltelijk) uit te zonderen van de heffing.

Het is op dit moment niet mogelijk om de heffing gasleveringszekerheid uit te splitsen naar een (gemiddeld) huishouden, mkb-bedrijf of grootverbruiker. Dit komt enerzijds doordat de uiteindelijke netto-kosten nog niet bekend zijn, en anderzijds omdat het Wetsvoorstel Wbe en de bijbehorende lagere regelgeving nog in voorbereiding zijn. Over de precieze vormgeving, inclusief mogelijke uitzonderingen, moet nog ook nog besluitvorming plaatsvinden binnen het kabinet.

41

Wat is de beoogde omvang van de noodvoorraad gas waarvoor in 2026 € 154 mln wordt gereserveerd, uitgedrukt in volume, TWh en aantal verbruiksdagen (met toelichting van welk gebruik er wordt uitgegaan op basis van graaddagen)? Op basis waarvan is dit als beoogde omvang van de noodvoorraad genomen?

Antwoord

Er is beoogd om een beperkte noodvoorraad van 5TWh aan te leggen in de PGI Alkmaar. Deze noodvoorraad mag alleen ingezet worden in situaties met fysieke tekorten en wanneer de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) in lijn met de verordening gasleveringszekerheid (Verordening (EU) 2017/1938) een noodsituatie afkondigt. Het is dus geen reserve die gebruikt kan en mag worden om bijvoorbeeld de gasprijs te dempen. De omvang van deze voorraad geeft circa twee weken tijd voor het geordend laten verlopen van de afschakeling van afnemers in geval van fysieke tekorten.

Het besluit tot de aanleg van een noodvoorraad van deze omvang is voornamelijk ingegeven door de omstandigheid dat in het vulseizoen 2026/2027 in de Nederlandse gasopslagen deze mate van opslag- injectie- én onttrekkingscapaciteit beschikbaar is voor een speciale gasopslag met deze functie. Hiermee is ook geborgd dat de aanleg van deze beperkte noodvoorraad niet ten koste gaat van de reguliere seizoensopslag en het goed functioneren van het gassysteem. Voorts wordt in de Wbe een wettelijke grondslag voorzien waarmee de Minister van KGG de bevoegdheid krijgt om jaarlijks, met inachtneming van het overzicht leveringszekerheid (zoals bedoeld in artikel 3.66 van de Energiewet), de omstandigheden op de gasmarkt en indien dit noodzakelijk is in het belang van het borgen van de leveringszekerheid, de omvang van een noodvoorraad te bepalen.

42

Welke grote CCS-projecten hebben hun beschikking teruggegeven, wat was daarvoor de reden, wat was de geraamde omvang daarvan en wat zijn de gevolgen voor de verwachte CO2-reductie van de SDE++?

Antwoord

Verschillende partijen hebben hun SDE++-beschikking voor CCS teruggegeven omdat projecten door gewijzigde marktomstandigheden niet langer realiseerbaar bleken. Daarbij spelen met name gestegen kosten in de CCS-keten, waardoor de subsidie niet langer toereikend was, en in specifieke gevallen knelpunten in de vergunningverlening een rol. Over specifieke CCS-projecten worden geen uitspraken gedaan, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie betreft. In totaal is voor € 8,2 miljard aan SDE++-beschikkingen voor CCS ingetrokken. De gevolgen voor de verwachte CO2-reductie van de SDE++ zijn nog niet vast te stellen, omdat veel van de partijen die hun SDE++-beschikking hebben teruggegeven reeds opnieuw een SDE++-beschikking hebben gekregen, deze reeds hebben aangevraagd of voornemens zijn dit te doen in een volgende ronde.

43

Waarom is de subsidietaakstelling voor KGG voorlopig volledig op de SDE++ geboekt, welke alternatieven zijn overwogen en wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de definitieve herverdeling?

Antwoord

De subsidietaakstelling is voorlopig volledig op de SDE++ geboekt, omdat deze regeling als enige binnen de meerjarenperiode 2026–2031 en structureel daarna voldoende budgettaire ruimte biedt om de taakstelling tijdelijk op te vangen zonder dat tekorten ontstaan. Andere regelingen beschikken niet over vergelijkbare budgettaire ruimte en zijn daarom niet geschikt bevonden voor tijdelijk inboeken. De Kamer wordt bij de Miljoenennota 2027 geïnformeerd over de definitieve herverdeling.

44

Zal de SDE++ in de huidige plannen ook opengesteld worden voor kleinere bedrijven met een middenspanningaansluiting zodat die het o.a. kunnen gebruiken voor de financiering van warmteopslag?

Antwoord

Alleen voor de categorieën voor windenergie en zon-PV wordt er een eis aan de aansluiting gesteld, namelijk een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A. Voor andere categorieën bestaat zo’n eis aan de aansluiting niet. Wel geldt vaak een minimaal vermogen van de productie-installatie. Warmteopslag is geen aparte categorie in de SDE++, maar een vorm van warmtesopslag maakt soms wel onderdeel uit van de productie-installatie.

45

Kunt u toelichten wat de redenen zijn dat meerdere grote CCS-projecten de SDE++ beschikking hebben teruggegeven? Zijn er reeds plannen om minder budget te voorzien voor CCS-projecten en dat aan andere verduurzamingsprojecten te besteden?

Antwoord

De SDE++ is een techniekneutrale regeling waarbij projecten die hernieuwbare energie produceren of CO2-uitstoot verminderen, concurreren voor hetzelfde beschikbare budget. Binnen de SDE++ concurreren CCS-projecten met andere verduurzamingsopties op basis van kosteneffectiviteit. Er zijn daarom ook geen plannen om minder budget te voorzien voor specifiek CCS-projecten.

CCS is een belangrijke technologie voor CO₂-reductie op de korte termijn en kan op de middellange termijn bijdragen aan koolstofverwijdering. De SDE++ is een belangrijk instrument om de onrendabele top van dergelijke projecten te ondersteunen.

Verschillende partijen hebben hun SDE++-beschikking voor CCS teruggegeven omdat projecten door gewijzigde marktomstandigheden niet langer realiseerbaar bleken. Daarbij spelen met name gestegen kosten in de CCS-keten, waardoor de subsidie niet langer toereikend was, en in specifieke gevallen knelpunten in de vergunningverlening een rol. Zie ook vraag en antwoord 42.

46

Komt de € 293 mln aan onderuitputting SDE++ louter uit de teruggegeven beschikking door CCS-projecten? Indien het ook uit andere categorieën van projecten komt, over welke categorieën gaat het dan?

Antwoord

De verwachte onderuitputting op de SDE++-uitgaven wordt veroorzaakt doordat de energieprijsraming van de KEV2025 hoger uitvalt dan de vorige raming. Daardoor nemen de uitgaven voor verschillende categorieën in de SDE++ af.

De teruggegeven CCS-beschikkingen hebben geen effect op de verwachte onderuitputting van dit jaar, omdat deze projecten nog niet gerealiseerd zijn en er daarmee nog geen uitgaven voor deze projecten waren geraamd.

47

Welke factoren zullen een rol spelen bij de herverdeling van de subsidietaakstelling?

Antwoord

De exacte invulling van de herverdeling wordt nog uitgewerkt. Daarbij wordt in ieder geval bezien of binnen regelingen voldoende budgettaire ruimte aanwezig is om de taakstelling te verwerken. Daarnaast wordt afgewogen of bepaalde regelingen worden ontzien of dat de taakstelling over meerdere instrumenten wordt verdeeld. De Kamer wordt bij de Miljoenennota 2027 geïnformeerd over de definitieve herverdeling.

48

Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de definitieve herverdeling van de subsidietaakstelling?

Antwoord

De Kamer wordt bij de Miljoenennota 2027 geïnformeerd over de definitieve herverdeling van de subsidietaakstelling.

49

Wat is de impact van de subsidietaakstelling op de SDE++ in het afbouwpad van broeikasgassen? Hoeveel ton CO2-equivalent zal er tegen respectievelijk 2030 en 2040 minder worden vermeden ten gevolge van deze taakstelling van € 189 mln op de SDE++?

Antwoord

Het KGG-aandeel van de Rijksbrede subsidietaakstelling van € 189 miljoen is slechts tijdelijk geboekt op de SDE++. De Kamer wordt bij de Miljoenennota 2027 geïnformeerd over de definitieve herverdeling. Over de invulling van de subsidietaakstelling vindt nog besluitvorming plaats. Wanneer de definitieve invulling van de taakstelling bekend is, kan een inschatting gemaakt worden van het effect op CO2-reductie via de SDE++.

50

Welke maatregelen worden verkend/uitgewerkt, mede naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer over de realisatie van het waterstofnetwerk, om de ontwikkeling van het waterstofnetwerk vlot te trekken?

Antwoord

Door de gestegen kosten in combinatie met achterblijvende volumeontwikkeling dreigt een ongewenste tariefsprong bij ingang van de gereguleerde periode in 2031/2033. Daarom onderzoeken de ministeries van EZK en Financiën en Gasunie momenteel de toepassing van "intertemporele kostentoerekening", inclusief financiering daarvan vanuit een amortisatierekening. Het kabinet zal de Kamer voor de zomer van 2026 informeren over de resultaten van dit onderzoek.

51

Kan, met betrekking tot de reservering voor zes nieuwe SDE++-openstellingsrondes, een tabel worden gegeven met per ronde het openstellingsbudget, het geraamde verplichtingen- en kasbeslag 2027 t/m 2050, de verdeling naar categorieën en de aannames over realisatie, correctiebedragen en onderuitputting?

Antwoord

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verwachte kasuitgaven (in mln) voor de openstellingsrondes van de SDE++ in 2027-2032.

De raming van de verwachte kasuitgaven voor de SDE-regelingen wordt jaarlijks geüpdatet aan de hand van de energieprijsramingen uit de meest recente KEV (correctiebedragen) en uitvoeringsinformatie van RVO (productieniveau en realisatiegraad). Het openstellingsbudget is gelijk aan de geraamde verplichtingen. Er wordt vanuit gegaan dat het volledige budget wordt beschikt, dus dat er geen onderuitputting op het verplichtingenbudget plaatsvindt. De indicatieve budgetverdeling per ronde wordt bepaald aan de hand van de verwachte potentie in de markt voor aanvragen. In de praktijk kunnen en zullen daadwerkelijke kasuitgaven afwijken van de raming, ook omdat dit afhangt van hoe de tenders verlopen.

52

Hoe verhouden de bedragen die in 2026 voor de CDOKE-regeling en het stimuleren van energiehubs worden overgeheveld naar het Gemeentefonds, Provinciefonds en het BTW-compensatiefonds zich tot eerdere jaren?

Antwoord

Bij de voorjaarscirculaire 2026 is voor het jaar 2027 in totaal € 746,3 mln beschikbaar gesteld voor de uitvoeringskosten van gemeenten en provincies voor hun klimaat- en energietaken. Voorgaande jaren zijn de volgende middelen beschikbaar gesteld: in 2026 circa € 721 mln, in 2025 circa € 766 mln, in 2024 circa € 543 mln en in 2023 circa € 362 mln. De uitkering is in de afgelopen jaren een stuk hoger dan in 2023 en 2024. Dit komt omdat in die jaren er ook minder geld beschikbaar was gemaakt voor de uitvoeringskosten van de medeoverheden.

53

Welke mijlpalen waren oorspronkelijk voorzien voor deze waterstofinstrumenten in 2026 en 2027, en welke nieuwe planning hanteert het kabinet nu per instrument?

Antwoord

De mijlpalen wijzigen niet per se als gevolg van de kasschuiven. Voor het opschalingsinstrument waterstof, IPCEI en Djewels hangen de kasschuiven samen met vertraging van de realisatie van verschillende projecten, maar die vertraging is nog niet dusdanig dat deze projecten niet voor de in die regelingen vastgestelde realisatietermijn gerealiseerd kunnen worden. Voor de OWE 1 is dat 2028/2029, voor de OWE 2 is dat 2030/2031, voor de IPCEI golf 2 2028. Voor de waterstofbackbone werkt HNS (Gasunie) conform de planning zoals opgenomen in het voorgestelde uitrolplan. Besluitvorming over vaststelling van het herziene uitrolplan is voorzien in 2026. Voor opslag is voorzien dat de beschikking voor de ondersteuning van Hystock in 2026 wordt afgegeven, afhankelijk van de besluitvorming bij het KEF. Deze beschikking is nodig om in 2032 de eerste van vier opslagcavernes die op deze locatie gerealiseerd worden operationeel te kunnen hebben.

54

Kunt u toelichten in hoeverre de kasschuiven bij waterstof voortkomen uit onvoldoende marktvraag, vergunningenproblematiek, uitvoeringscapaciteit of gewijzigde businesscases?

Antwoord

De kasschuiven hangen samen met vertraging van de gesubsidieerde/te subsidiëren projecten. De precieze oorzaken verschillen per project. Onzekerheid over de marktvraag, vergunningen en wijzigingen in business cases spelen zeker mee, net als technische uitdagingen en vertragingen in de toeleveringsketen. Dergelijke vertragingen zijn logisch te verklaren door de vroege fase waar de waterstofmarkt en de benodigde technologieën zich in bevinden; deze nemen naar verwachting af naarmate de sector leert van eerdere ervaringen.

55

Welke maatregelen worden naar aanleiding van het Rekenkamerrapport over het waterstofnetwerk verkend om de ontwikkeling van het netwerk vlot te trekken, en wat zijn daarvan de budgettaire gevolgen?

Antwoord

De ministeries van EZK en Financiën en Gasunie onderzoeken momenteel de toepassing van "intertemporele kostentoerekening", inclusief financiering daarvan vanuit een amortisatierekening. Voor deze variant zullen middelen nodig zijn. Ook voor alternatieven voor intertemporele kostentoerekening, in combinatie met amortisatie, is geld nodig. Onderdeel van het lopende onderzoek is kwantificering van het benodigde bedrag. Resultaten van het onderzoek komen in het tweede kwartaal van 2026 beschikbaar.

56

Waarom wordt het budget voor de indirecte kostencompensatie ETS in 2026 niet uitgekeerd maar doorgeschoven, en wat betekent dit concreet voor bedrijven die in 2026 voor compensatie in aanmerking zouden komen?

Antwoord

De eerstvolgende beschikking en uitbetaling van de IKC vindt 2 á 3 maanden later plaats dan voorheen gebruikelijk en haalbaar, vanwege de verwachte verdubbeling van aanvragen door de nieuwe sectoren en aanvragers en de daarmee gepaard gaande uitvoering en beoordelingslast. Hierdoor vindt de beschikking en uitbetaling van de middelen nu plaats in Q1 2027 in plaats van december 2026. Dit vereist nog wel goedkeuring van de Europese Commissie. Met deze budgetverschuiving kan de regeling langer worden opengesteld dan in de voorgaande jaren. Dit helpt nieuwe in aanmerking komende bedrijven ook om hun aanvraag tijdig en correct in te dienen en draagt bij aan een zorgvuldige uitvoering van de regeling.

57

Welke uitvoeringsbelemmeringen maken dat RVO niet eerder dan begin 2027 tot betaling kan overgaan, en welke maatregelen worden genomen om verdere vertraging te voorkomen?

Antwoord

De verschuiving van het budget naar 2027 is het gevolg van de verwachte verdubbeling van het aantal aanvragen door nieuwe aanvragers en de daarmee samenhangende toename van de uitvoerings- en beoordelingslast bij RVO. De uitbreiding is pas in januari gepubliceerd door de Europese Commissie en is daarom meegenomen in de Voorjaarsnota 2026. Formele autorisatie van het budget voor de regeling door de Tweede Kamer is vereist voordat deze kan worden opengesteld. De middelen voor de IKC voor 2027 zijn doorgeschoven naar 2028, omdat er volgend jaar mogelijk door het kabinet verdere aanpassingen aan de regeling worden gedaan, waarover pas bij VJN 2027 wordt beslist. Ook dan is het voor een zorgvuldige uitvoering wenselijk voldoende tijd te nemen. Dit vereist nog wel goedkeuring van de Europese Commissie. Vanaf 2028 zal de uitvoering naar verwachting weer gereed en in staat zijn om tijdig – zoals voorheen in jaar t+1 – uit te betalen.

58

Waarom wordt voor de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) € 40,6 mln uit 2026 doorgeschoven naar 2028, en welke aannames over de inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte liggen hieraan ten grondslag?

Antwoord

Een aantal lopende WIS projecten hebben vertraging opgelopen. Dit komt onder andere doordat de aansluiting van huurwoningen en gemengde VvE’s in sommige lopende WIS projecten onzeker werd door ontoereikend budget bij de Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH). Daarnaast is er sprake van onduidelijke marktordening door vertraging van de Wet collectieve warmte (Wcw), bijvoorbeeld over timing tariefregulering etc., wat mede heeft geleid tot minder aanvragen. Hierdoor wordt in 2026 minder subsidie uitgekeerd dan eerder verwacht. Het blijft echter de verwachting dat deze middelen op een later moment alsnog noodzakelijk zijn om nieuwe warmtenetaansluitingen te stimuleren, onder andere door de extra SAH middelen in 2025/2026. Daarnaast verwachten we de komende jaren verdere opschaling doordat met de Wcw zekerheid over de marktordening wordt gegeven en bijvoorbeeld de Nationale Deelneming Warmte, Garantieregeling warmtenetten en warmteprogramma’s investeringen gaan stimuleren. Dit gaat de komende jaren tot meer WIS aanvragen leiden waardoor deze middelen uit 2026 naar verwachting vanaf 2028 nodig om de beoogde doelstelling in zicht te houden.

59

Welke concrete vertragingen bij collectieve warmtenetten verklaren de kasschuiven, en welke maatregelen neemt het kabinet om de uitrol alsnog te versnellen?

Antwoord

Verschuivingen in de markt als gevolg van de Wet collectieve warmte (Wcw) en gestegen kosten voor materiaal en personeel zijn debet geweest aan de vertragingen bij warmtenetprojecten. Ook zijn er tekorten ontstaan in de Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH), die voor verhuurders en gemengde VvE’s belangrijk is om aansluitkosten en inpandige kosten te kunnen betalen. Hierdoor zijn sommige lopende WIS beschikkingen tijdelijk stil komen te liggen in afwachting op voldoende zekerheid over de tijdige aansluiting van voldoende huurwoningen op het warmtenet.

De verwachting is dat met de inwerkingtreding van de Wcw en dus met heldere spelregels voor de markt de opschaling van collectieve warmteprojecten weer kan hervatten. Het kabinet heeft bij de Voorjaarsnota 2026 € 77 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de aansluiting van huurwoningen op warmtenetten, hiermee wordt er een nieuwe SAH-subsidieregeling vormgegeven die in 2026 nog opengesteld kan worden en meer zekerheid biedt aan nieuwe en lopende WIS projecten dat er voldoende aansluitingen gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast worden momenteel aanpassingen aan de WIS-regeling overwogen waarmee vanaf 2027 de opschaling van het aantal collectieve warmteprojecten effectiever gestimuleerd kan worden. Deze ontwikkelingen leiden er naar verwachting toe dat er vanaf 2028 meer subsidiebudget nodig is. Tot slot wordt uw Kamer voor de zomer geïnformeerd over de relatieve betaalbaarheid van warmte, zoals toegezegd door de minister van VRO, en volgt na de zomer het IBO verduurzaming woningvoorraad, waarin beleidsopties gepresenteerd worden waarmee op korte- en lange termijn opschaling van collectieve warmte gerealiseerd kan worden om de doelen in zicht te houden.

60

Kan, met betrekking tot de overboekingen van € 11 mln voor energiehubs en € 6 mln voor de voorbereiding van de bouw van kerncentrales naar het Provinciefonds en Gemeentefonds, worden toegelicht welke medeoverheden middelen ontvangen, welke prestaties daarmee moeten worden geleverd en hoe de monitoring daarvan plaatsvindt?

Antwoord

Het Rijk werkt met onder andere de provincies samen binnen het Stimuleringsprogramma Energiehubs. Er is een bestuurlijk akkoord op de ambitie van 500 energiehubs in 2030. Op basis van wederzijdse intenties zetten de provincies zich in het kader van dit programma in voor de ontwikkeling van energiehubs en de middelen die beschikbaar worden gesteld aan de provincies dienen deze ambitie. Alle provincies ontvangen middelen, die kunnen worden ingezet voor capaciteit bij de provincies, zowel voor beleidsmedewerkers als voor regisseurs (voor de directe ondersteuning van initiatieven). Indien de provincie dit nodig acht, kunnen regisseurs ook in opdracht van de provincie werken in plaats van dat zij in dienst zijn van de provincie. Voor 2026 wordt hiertoe € 10,5 mln toegevoegd aan het Provinciefonds.

In de monitor energiehubs worden de ontwikkelingen en stand van zaken rondom de totstandkoming van energiehubs bijgehouden. De RVO maakt de monitor in opdracht van EZK. De provincies geven input over de ontwikkelingen binnen hun provincie. Bovendien monitort het Bestuurlijk Overleg Klimaat en Energie vanaf juni 2026, middels een opschalings- en monitoringsplan, de voortgang ten opzichte van de ambitie van 500 energiehubs in 2030.

Het ministerie van EZK vindt het belangrijk om gemeenten en provincies financieel te ondersteunen om kennis op te bouwen over de mogelijke komst van kerncentrales en om lokale en regionale kennis in te brengen voor een goed participatieproces van het Rijk. Daarom ontvangen de Provincies Zeeland, Zuid-Holland en Groningen en de Gemeenten Borssele, Vlissingen, Terneuzen, Rotterdam en Het Hogeland, een eenmalige financiële bijdrage in de vorm van een Decentrale Uitkering, in totaal betreft dit € 6 miljoen. Dit zijn alle provincies/gemeenten die vanuit de projectprocedure worden onderzocht als mogelijke locaties voor de nieuwbouw van twee kerncentrales.. De betreffende medeoverheden zijn zelf vrij om te bepalen op welke manier zij de Decentrale Uitkering inzetten ten behoeve van kennisontwikkeling en participatie over de mogelijke nieuwbouw van kerncentrales in hun omgeving. Er wordt nauw samengewerkt tussen de gemeenten, provincies en EZK, waardoor alle partijen continue in gesprek zijn over de geboekte resultaten ten aanzien van de voorbereiding op kerncentrales per regio. Het verschilt per regio hoe deze samenwerkingsvormen zijn ingericht gelet op de intensiteit die wordt gevraagd per regio.

61

Hoe precies wordt de doelgroep van de IKC uitgebreid? Welke bedrijven kunnen er beroep op doen?

Antwoord

De stijgende elektriciteitsprijzen in combinatie met een hogere ETS-prijs verhogen het risico op koolstoflekkage naar buiten de EU, in lekkage gevoelige sectoren. Daarom heeft de Europese Commissie de lijst met sectoren die hiervoor gecompenseerd mogen worden uitgebreid met 19 additionele (sub)sectoren:

  • Vervaardiging van kleding van leer

  • Productie van aluminium

  • Vervaardiging van andere anorganische chemische basisproducten

  • Productie van lood, zink en tin

  • Vervaardiging van pulp

  • Vervaardiging van papier en karton

  • Vervaardiging van ijzer en staal en van ferrolegeringen

  • Vervaardiging van geraffineerde aardolieproducten

  • Productie van koper

  • Productie van overige non-ferrometalen

  • De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak kunststoffen (20.16):

  • Polyethyleenglycolen en andere polyetheralcoholen, in primaire vormen

  • Alle productcategorieën in de bedrijfstak gieten van ijzer (24.51)

  • De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak glasvezels (23.14):

  • Matten van glasvezels

  • Vliezen van glasvezels

  • De volgende deeltakken binnen de bedrijfstak industriële gassen (20.11):

  • Waterstof

  • Anorganische zuurstofverbindingen van niet-metalen

Alle ETS plichtige bedrijven die vallen onder deze specifieke sectoren kunnen nu ook een beroep doen op de Indirecte Kosten Compensatie.

62

Welke verduurzamings- en andere voorwaarden zullen gesteld worden aan de ontvangers van de IKC?

Antwoord

Voor het ontvangen van IKC geldt in Nederland dat bedrijven minstens 50% van de ontvangen middelen moeten investeren in CO₂-reducerende maatregelen die leiden tot een jaarlijkse CO₂-reductie van minimaal 3%. Indien een CO₂-reductie van 3% per subsidiejaar niet haalbaar is, geldt als alternatief de eis dat minimaal 30% van het elektriciteitsverbruik afkomstig is uit koolstofvrije bronnen (dus verplichting tot inkoop groene stroom). Voor de huidige regeling geldt dat de totale CO2-vermindering in 2030 moet zijn gerealiseerd. Daartoe stellen de aanvragers een CO2-reductie plan op. Daarnaast komen bedrijven alleen in aanmerking voor IKC als producten niet voortkomen uit een productieproces waarbij meer dan de helft van de verwerkte of geproduceerde energiedragers een fossiele oorsprong heeft.

63

Kan, met betrekking tot maatwerkafspraken voor verduurzaming van de industrie, een overzicht worden gegeven van alle publieke middelen, garanties, leningen, deelnemingen en voorwaardelijke reserveringen, inclusief de post voor Alco Energy Rotterdam en eventuele andere dossiers met een gereserveerd bedrag, met per dossier de voorwaarden, het beslismoment, de juridische basis, de uitvoerder en het beoogde CO2-effect?

Antwoord

In onderstaande tabel is voor de lopende maatwerktrajecten per bedrijf aangegeven welke subsidiebedragen zijn toegekend respectievelijk gereserveerd met daarbij de beoogde CO2-reductie, juridische basis met beslismoment en een verwijzing naar de betreffende kamerbrief waarin de details van de overeenkomst zijn opgenomen. De uitvoerder van de projecten is het betreffende bedrijf, de toekende subsidies worden uitgevoerd door het ministerie van EZK (inclusief de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)).

Bedrijf Subsidie Reservering CO2 reductie per jaar Juridische basis en beslismoment Kamerstuk
Nobian €189 mln - 0,5 Mton

Maatwerkafspraak

dd. 19 december 2024.

Kamerbrief Maatwerkafspraak Nobian4
Yara €30 mln - 0,8 Mton Maatwerkbeschikking Kamerbrief Extra Update Voortgang Verduurzaming Industrie5
Cosun € 73 mln €30 mln 260 Kton

Joint Letter of Intent

dd. 23 mei 2025

Maatwerkafspraak 1

dd. 18 december 2025

Kamerbrief JLoI Cosun 230520256

Kamerbrief Maatwerkafspraak Cosun 181220257

AnQore €46 mln 365 Kton CO2 eq.

Joint Letter of Intent

dd. 07 september 2025

Kamerbrief JLOI AnQore 070920258
Tata - €2,076 mrd 7,2 Mton

Joint Letter of Intent

dd. 29 mei 2025

Kamerbrief JLoI Tata 290520259
Alco €50 mln max, 263 Kton

Joint Letter of Intent

dd. 11 maart 2026

Kamerbrief JLoI Alco 1103202610

Zeeland Refinery en

OCI

- €281 mln Volgt op basis van voorstellen In voorbereiding
AVI’s - €146 mln Volgt op basis van voorstellen In voorbereiding

64

Kunt u de bijstelling van de raming van de CO2-heffing nader uitsplitsen naar ETS-prijs, emissievolume, dispensatierechten, inflatie en de overgang van transactiebasis naar kasbasis?

Antwoord

De onderstaande tabellen geven inzicht in de gehanteerde ETS-prijs, emissievolume en dispensatierechten van de ETS1- en lachgasinstallaties (tabel 1) en de AVI’s (tabel 2).

Tabel 1. ETS1- en lachgasinstallaties

Eenheid 2026 2027 2028 2029 2030
Emissies Mton 43,3 39,6 37,4 33,3 30,5
Dispensatierechten Mton 40,3 40,3 40,4 40,4 40,4
ETS-prijs €/tCO2 79,42 91,12 102,83 114,53 126,23
Heffingstarief €/tCO2 78,67 80,87 82,41 84,22 86,08
Effectief heffingstarief €/tCO2 0 0 0 0 0
Carry-back € mln 15 29
Opbrengst CO2-heffing € mln 0 0 0 0 0

NB: alle prijzen zijn in lopende prijzen

Tabel 2. AVI’s

Eenheid 2026 2027 2028 2029 2030
Emissies Mton 2,4 2,3 2,1 2,0 1,3
Dispensatierechten Mton 2,1 1,7 1,3 0,9 0,6
Heffingstarief €/tCO2 78,67 80,87 82,41 84,22 86,08
Effectief heffingstarief €/tCO2 78,67 80,87 82,41 84,22 86,08
Opbrengst CO2-heffing € mln 30 89 169 290 240

NB: alle prijzen zijn in lopende prijzen

Door de overgang van transactie naar kasbasis zijn alle reeksen een jaar later ingeboekt. De ontvangstenreeks in de begroting is dus één jaar opgeschoven. Deze veranderde gegevens hebben uiteindelijk geleid tot de onderstaande mutatie van de stand Miljoenennota 2026 naar stand Voorjaarsnota 2026.

Ontvangstenraming CO2 heffing Industrie

2026 2027 2028 2029 2030 2031
Stand MJN26 12.000 106.000 174.000 275.000 206.000 260.000
Mutatie VJN26 32.000 -76.000 -100.000 -135.000 84.000 -20.000
Stand VJN 26 44.000 30.000 74.000 140.000 290.000 240.000

65

Wat is het gevolg van het doorschuiven van middelen naar na 2026 voor projecten kernenergie? Welk oponthoud wordt hierdoor veroorzaakt?

Antwoord

Deze kasschuiven betekenen geen vertraging, maar het plaatsen van de middelen in het juiste uitgaveritme. De activiteiten voor het ontwikkelen van de nucleaire kennisinfrastructuur en het ondersteunen van SMR-ontwikkelingen zijn verder uitgewerkt en daarmee is een beter beeld ontstaan van het uitgaveritme.

66

Kan, met betrekking tot de hogere uitvoeringskosten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij KGG, een overzicht worden gegeven uitgesplitst per regeling en begrotingsartikel, met daarbij de dekking uit beleidsbudgetten, de inzet van € 20 mln uit het eigen vermogen van RVO, de meerjarige doorwerking en de gevolgen voor het beschikbare beleidsbudget per instrument?

Antwoord

Voor de opdracht aan RVO wordt in totaal € 89,3 miljoen extra budget beschikbaar gesteld voor het uitvoeren van de opdrachten van de KGG-bundel. Deze worden grotendeels bekostigd uit de budgetten die gelinkt zijn aan opdrachten die RVO uitvoert. Het restant van € 20 miljoen van de opdracht wordt bekostigd uit terugontvangsten over de KGG-opdracht van 2025. Dit laatste betreft onderuitputting op eerder verstrekte opdrachten, waarvan de bijbehorende activiteiten in 2025 niet (volledig) tot uitvoering zijn gekomen. De inzet van deze € 20 miljoen kan daarom worden gezien als een verrekening van een voorschot en is dus geen inzet van eigen vermogen van RVO.

Daarnaast is er geen sprake van een meerjarige doorwerking. De middelen worden uitsluitend ingezet ter dekking van de RVO-opdracht in 2026 en leiden niet tot structurele ophogingen of verplichtingen in latere jaren. Indien de vraag aan RVO gelijk blijft is het realistisch te achten dat er ook na 2026 additionele middelen dienen te worden gealloceerd.

In onderstaande tabel vindt u de budgettaire doorwerking per regeling. (Zie onderstaande tabel).

In € x. 1000 Regeling Aandeel additionele bekostiging RVO-opdracht
Subsidies Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) 986
Subsidie regeling Duurzame Scheepsbouw (SDS) 55
Projecten Klimaat en Energieakkoord 508
ISDE-regeling 6.661
Overige Subsidies 120
Opschalingsinstrument waterstof 2.713
Ombouw grootverbruikers 119
IPCEI waterstof 1.602
MIEK 821
Schadeafhandeling mijnbouw Limburg 13.983
Warmtenetten investeringssubsidie (WIS) 566
NGF-project NieuweWarmteNu! 566
Tijdelijk prijsplafond energie kleinverbruikers 2023 650
Geothermie (Klimaatfonds) 550
Subsidieregeling flexibiliteit 2.112
Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten 421
Verduurzaming industrie 11.874
NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie 1.042
Indirecte kostencompensatie ETS 423
Investeringen Verduurzaming Industrie - Klimaatfonds 3.546
NGF - project Circulaire Plastics 576
NGF - project Biobased Circular 1.364
Stimuleringsprogramma koolstofverwijdering (klimaatfonds) 688
Flankerend beleid WOZ 4.124
Opdrachten Onderzoek mijnbouwbodembeweging 2.171
Onderzoek & opdrachten 1.425
Projecten Kernenergie 157
Verduurzaming industrie 3.011
Bijdrage aan ZBO’s / RWT Doorsluis COVA-heffing 168
Bijdrage aan mede-overheden Regeling toezicht energiebesparingsplicht 102
Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden 6.122
Ontvangsten Onttrekking reserve geothermie 109
Terugontvangsten RVO-opdracht KGG 2025 20.000
Totaal 89.335

67

Kunt u uiteenzetten hoe de overheveling van € 746,3 mln uitvoeringskosten klimaat medeoverheden in 2027 wordt verdeeld over Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds?

Antwoord

De verdeling van de beschikbare uitvoeringsmiddelen over gemeenten en provincies gebeurt in nauw overleg met VNG en IPO. Allereerst zijn de beschikbare middelen voor 2027 verdeeld tussen gemeenten en provincies. Op grond van een advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) ontvangen gemeenten 93,49% en provincies 6,51% van het totaal beschikbare budget. De VNG en het IPO stellen vervolgens een verdeling voor over individuele gemeenten en provincies. Voor de verdeling van de circa € 55,7 mln voor provincies wordt hierbij de gebruikelijk gehanteerde verdeelsleutel gevolgd. De verdeling van het totaal van circa € 670,5 mln. over individuele gemeenten is complexer. Het merendeel van de beschikbare middelen, € 584,5 mln, wordt verdeeld over individuele gemeenten aan de hand van de daarvoor gebruikelijk gehanteerde verdeelsleutel. Daarnaast wordt circa € 86 mln verdeeld over individuele gemeenten voor plannen van gemeenten voor het instellen van een windpark, een zonneweide, het aardgasvrij maken van woningen of het instellen van een Zero Emissiezone. Gemeenten konden hiervoor tot en met 2025 plannen indienen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Als deze plannen werden goedgekeurd dan ontvingen gemeenten daar uitvoeringsmiddelen voor. Omdat werkzaamheden voor dit soort plannen meerdere jaren in beslag nemen, heeft de VNG in samenspraak met haar achterban voorgesteld om ook in de jaren 2026 en 2027 een gedeelte van de beschikbare uitvoeringsmiddelen toe te kennen aan gemeenten met zo'n goedgekeurd plan. Er is, ten slotte, in totaal € 20,1 mln afgedragen aan het BTW-compensatiefonds.

68

Welke taken moeten medeoverheden met deze middelen uitvoeren, en op basis van welke verdeelsleutel worden de middelen toegedeeld?

Antwoord

De middelen zijn bedoeld voor de uitvoering van alle wettelijke klimaat- en energietaken van gemeenten en provincies. Voor de beantwoording van de verdeelsleutel verwijs ik naar het antwoord op vraag 67.

69

Kunt u aangeven in hoeverre deze overheveling leidt tot minder directe sturingsmogelijkheden van KGG op de besteding van deze middelen?

Antwoord

Interbestuurlijk is afgesproken om de uitvoeringsmiddelen vanaf 2026 uit te keren via het Gemeente- en Provinciefonds. Daarmee wordt gehoor gegeven aan een oproep van medeoverheden om de regeldruk te verminderen. De uitvoeringsmiddelen voor 2026 en 2027 zijn op dit moment overgeheveld als decentralisatie uitkering (DU). Bij een DU heeft een uitkerend ministerie geen directe sturingsmogelijkheden. Omdat enige sturingsmogelijkheden gewenst zijn, werkt het Rijk momenteel aan een wijziging van de Financiële verhoudingswet. Een onderdeel van die wijziging is een nieuwe uitkeringsvorm via het Gemeente- en Provinciefonds, de 'Bijzondere Fondsuitkering' (BFU). Onder de BFU kunnen aan uitkeringen verantwoordings- en monitoringsverplichtingen gekoppeld worden. De planning is dat de BFU per 1 januari 2027 in werking treedt en dat deze middelen dus kunnen worden gemonitord. Sturing wordt door het gebruik van een BFU in de toekomst dus weer mogelijk rondom de uitvoeringsmiddelen voor klimaat- en energiebeleid.


  1. Kamerstukken II, 29826, nr. 307.↩︎

  2. Zie https://www.ebn.nl/warmtenetten/ voor een overzicht van de regio’s en de betrokken partners.↩︎

  3. Kamerstukken II 2026/2026, 29023 nr. 639.↩︎

  4. Zie: Ondertekening maatwerkafspraak Nobian, Nummer: 29826-219↩︎

  5. Zie: Extra update voortgang verduurzaming industrie, Nummer: 29826-199↩︎

  6. Zie: Joint Letter of Intent Maatwerk Coöperatie Koninklijke Cosun U. A., Nummer: 29826-259↩︎

  7. Zie: Ondertekening Maatwerkafspraken Coöperatie Koninklijke Cosun U.A., Nummer: 29826-278↩︎

  8. Zie: Kamerbrief Joint Letter of Intent AnQore, EZK_DGRGG_VI / 99675417↩︎

  9. Zie: Joint Letter of Intent Tata Steel, Nummer: 29826-266↩︎

  10. Zie: Joint Letter of Intent Alco Energy Rotterdam, Nummer: 29826-280↩︎