[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Coördinatie operationeel contraterrorismebeleid

Brief regering

Nummer: 2026D19615, datum: 2026-04-22, bijgewerkt: 2026-04-22 17:10, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z08782:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


De dreiging die uitgaat van terrorisme is breed en diffuus. De Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) schrijft in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) dat er een terroristische en geweldsbereide extremistische dreiging uitgaat van de jihadistische, rechts-terroristische en anti-institutioneel extremistische bewegingen in Nederland.1 Ook de individualisering van terrorisme maakt de dreiging van aanslagen onvoorspelbaar. Het dreigingsniveau blijft niveau 4: er is in Nederland een substantiële terroristische dreiging en een reële kans dat een aanslag in Nederland plaatsvindt. Deze dreiging wordt onder andere beïnvloed door geopolitieke ontwikkelingen, zoals de verschillende ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Daarnaast is uw Kamer eerder geïnformeerd over veiligheidsrisico’s die ontstaan als gevolg van het onrechtmatig verblijf van terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel die vrijkomen uit detentie.2 Zoals ook volgt uit het coalitieakkoord vraagt dit om inlichtingen- en veiligheidsdiensten en een Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) die snel en doortastend kunnen handelen en het kabinet investeert hierin. Het is noodzakelijk dat zij een goed beeld hebben van de personen die de Nederlandse belangen bedreigen en de risico’s voor de nationale veiligheid zoveel mogelijk wegnemen.

In de voorgaande jaren is uw Kamer, conform de motie van de leden Michon-Derkzen (VVD) en Bikker (CU), periodiek geïnformeerd over de ontwikkelingen omtrent uitreizigers door middel van de Halfjaarlijkse rapportage uitreizigers.3 Voornoemde ontwikkelingen, in combinatie met het veranderde speelveld, maken het wenselijk om breder te rapporteren dan enkel over uitreizigers. In deze brief wordt achtereenvolgens ingegaan op de ontwikkelingen rond uitreizigers met een Nederlandse link in Syrië en Irak, internationale samenwerkingen en de coördinatie ten aanzien van terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel die vrijkomen uit detentie zonder rechtmatig verblijf.

Uitreizigers in Syrië en Irak

Sinds begin januari 2026 hebben zich verschillende ontwikkelingen in Syrië en Irak voorgedaan. Over de ontwikkelingen omtrent uitreizigers met een Nederlandse link is uw Kamer, conform de motie Michon-Derkzen en van Dijk, op 19 februari jl. geïnformeerd.4 Destijds heeft het kabinet bevestigd dat mannelijke uitreizigers met een Nederlandse link zijn overgebracht naar Iraakse detentiecentra. Over de aantallen en achtergronden van deze personen kan geen informatie worden gegeven, mede omdat dit individuele casuïstiek betreft. Volgens recente berichten in de media zijn vrouwelijke uitreizigers die zich tot voor kort in al Hol bevonden grotendeels verplaatst, dan wel ontsnapt, naar andere regio’s in Syrië of Irak. Het is op dit moment onduidelijk waar de vrouwen en kinderen met een Nederlandse link zich bevinden.

Het kabinetsstandpunt blijft ongewijzigd: berechting van uitreizigers en de tenuitvoerlegging van eventuele gevangenisstraffen moet in de regio plaatsvinden. Nederland staat, samen met andere internationale partners, in contact met de Iraakse autoriteiten om daartoe binnen de (internationale) wettelijke vereisten afspraken te maken. Ten aanzien van verzoeken tot repatriëring van uitreizigers weegt het kabinet in iedere casus alle verschillende omstandigheden en factoren. Daarbij worden onder meer de risico’s voor de nationale veiligheid, internationale betrekkingen, de veiligheidssituatie in het gebied en de veiligheid van de personen bij de eventuele repatriëring, betrokken. In algemene zin geldt dat mannelijke uitreizigers – ten opzichte van vrouwelijke uitreizigers – een hogere potentiële geweldsdreiging vormen vanwege hun grotere rol in de strijd en gevechtstraining en -ervaring. Tot op heden heeft deze afweging ertoe geleid dat alleen vrouwelijke uitreizigers, in het kader van hun strafzaak, en kinderen zijn gerepatrieerd. Wanneer personen zich melden bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in de regio kan reguliere terugkeer naar Nederland plaatsvinden onder begeleiding van de Koninklijke Marechaussee. Na aankomst in Nederland wordt de verdachte aangehouden voor verhoor en besluit het Openbaar Ministerie over de vervolging.

Om onopgemerkte terugkeer te voorkomen, zijn verschillende maatregelen getroffen. Het Openbaar Ministerie is – waar mogelijk – tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek gestart. Daarnaast is ten aanzien van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daar waar mogelijk is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen ongewenst verklaard. Ook zijn de reisdocumenten van uitreizigers – waar mogelijk – ongeldig verklaard en staan deze personen gesignaleerd. Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en er wordt voortdurend onderzocht of aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.

Internationale samenwerkingen

Om de internationale en nationale veiligheid te waarborgen is intensieve internationale samenwerking en informatie-uitwisseling van belang. De motie van de leden Bikker en Erkens verzoekt de regering zich in Europees verband actief in te zetten voor het verbeteren van het delen van relevante informatie en het beter afstemmen van beleid, met als doel de dreiging die uitgaat van jihadisme te verminderen.5 In Europees verband heeft Nederland hierop een leidende rol. Binnen de Anti-ISIS Coalitie (AIC) is Nederland, samen met Interpol, de Verenigde Staten, Turkije en Koeweit covoorzitter van de Terrorist Travel Working Group en is Nederland leidend in het onderzoeken hoe het onderkennen van reisbewegingen van IS-strijders verbeterd kan worden binnen het internationale stelsel.

Coördinatie terrorismeveroordeelden uit detentie met een hoog dreigingsprofiel zonder rechtmatig verblijf

Wanneer personen in Nederland onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk hebben zij de fundamenten van onze rechtsstaat – en alles waar zij voor staat – bewust verworpen en de aanspraak op het Nederlanderschap verspeeld. Het kabinet kan op grond van artikel 14, tweede lid RWN het Nederlanderschap van deze personen intrekken. Bij iedere casus worden de omstandigheden en factoren nauwkeurig gewogen om te evalueren of de bevoegdheid tot intrekking toegepast kan worden. De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid RWN gaat in de meeste gevallen gepaard met het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hierna dient de persoon Nederland te verlaten. Bij het uitblijven van vertrek naar het land van de overgebleven nationaliteit, verblijven deze personen onrechtmatig in Nederland.

Uw Kamer is in de achtste halfjaarlijkse rapportage uitreizigers geïnformeerd over de veiligheidsrisico’s als gevolg van het onrechtmatig verblijf van terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel.6 In deze Kamerbrief is toegezegd uw Kamer nader te informeren over de voortgang van motie Boswijk die ziet op het gerichter uitvoeren van het intrekken van het Nederlanderschap en alles op alles te zetten om ervoor te zorgen dat deze personen Nederland daadwerkelijk verlaten.7 Onder coördinatie van de NCTV werken alle betrokken partners, ieder vanuit de eigen processen en verantwoordelijkheden, intensief samen om de risico’s die van deze casuïstiek uitgaan te mitigeren en zicht te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden totdat vertrek gerealiseerd is. De aanpak is geïntensiveerd om te voorkomen dat personen uit beeld raken en om vertrek te realiseren. Hieronder worden enkele aanvullende maatregelen nader toegelicht: de intensivering van maatwerk op vertrek; de verkenning van een uniforme risicotaxatie, en; verdere risico-mitigerende maatregelen.

Maatwerk op vertrek

Het kabinet intensiveert, conform motie Boswijk, de inzet op het maatwerk van vertrek van personen die een risico vormen voor de nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf (meer) hebben.8 Deze inzet richt zich op het borgen van een vroegtijdige en gerichte start van het terugkeerproces en het daarbij benutten van het maatwerk en het versterken van samenwerking en afstemming tussen de relevante betrokken partners. Er wordt ingezet op een gerichte en meer samenhangende aanpak voor deze complexe dossiers, gebaseerd op verschillende sessies met de betrokken organisaties waarin werkwijzen en ervaringen zijn geëvalueerd. Tegelijk wordt onderzocht waar het bestaande instrumentarium in de praktijk kan worden versterkt of doorontwikkeld om knelpunten gerichter te kunnen adresseren.

Het realiseren van vertrek in deze dossiers blijft mede afhankelijk van externe factoren, waaronder de medewerking van landen van herkomst en individuele juridische procedures. Juist omdat medewerking van herkomstlanden en juridische procedures vaak een lange doorlooptijd hebben, wordt ingezet op een proactieve en samenhangende benadering, zodat beschikbare interventies tijdig en effectief kunnen worden benut en diplomatieke inzet goed kan worden voorbereid. Er wordt gewerkt aan een gefaseerde implementatie van deze werkwijze in de lopende casuïstiek, waarbij het intensiveren van maatwerk op vertrek centraal staat. Deze versterkte aanpak loopt parallel aan de uitvoering van het coalitieakkoord ten aanzien van het vergroten van de mogelijkheden voor toezicht op personen die (nog) niet kunnen vertrekken. De pilot van het Landelijk Afstemmingsoverleg Vertrek (LAOV) is reeds ingericht op het versterken van de inzet op het vertrek van terrorismeveroordeelden zonder rechtmatig verblijf. Na bestuurlijke besluitvorming wordt het LAOV bestendigd met een versmalde doelstelling: landelijk zicht houden tot aan vertrek en casuïstiekafstemming.

Verkenning uniforme risicotaxatie

Het is van belang om een eenduidig risicobeeld te ontwikkelen van personen zonder rechtmatig verblijf, om in te kunnen schatten of zij een dreiging voor de nationale veiligheid vormen. Door de verschillende en soms beperkte informatieposities van betrokken organisaties is dit niet altijd mogelijk en kunnen maatregelen omtrent terrorismeveroordeelden zonder rechtmatig verblijf niet altijd optimaal op elkaar aansluiten.

Met deze reden is een verkenning uitgevoerd of, en op welke manier, verbetering van beeldvorming en uniformering van risicotaxaties van toegevoegde waarde kan zijn. Uit gesprekken met lokale partners en ketenpartners bleek een breed gedeelde erkenning van de problematiek. Dit komt doordat betrokken partners een beperkte informatiepositie hebben ten aanzien van casuïstiek, omdat zij zich grotendeels moeten baseren op de informatie die alleen bij de eigen organisatie bekend is. Hierdoor is het niet mogelijk om op eenduidige wijze de risico’s die deze personen vormen in te schatten.

Uniforme risicotaxaties die met de betrokken ketenpartners gedeeld kunnen worden, zijn van meerwaarde in de fase voorafgaand aan een besluit over intrekking van het Nederlanderschap, en in situaties waarin het Nederlanderschap al is ingetrokken maar er geen perspectief is op vertrek. Dit jaar start de vormgeving van een manier waarop betrokken partners door een integrale benadering, uniforme risicotaxaties kunnen opstellen om gerichte en effectieve maatregelen te treffen.

Risico-mitigerende maatregelen

Dit kabinet zet volop in op het realiseren van aanvullende maatregelen om de risico’s te mitigeren die uitgaan van ex-gedetineerde terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel en onrechtmatig verblijf. Daarom is met oog op de noodzakelijke uitbreiding van risico-mitigerende maatregelen een internationale uitvraag gedaan naar hoe andere landen met het onrechtmatig verblijf van ex-gedetineerde terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel omgaan. Uit deze uitvraag volgt dat andere landen deze problematiek herkennen waarbij elk land een wettelijke aanpak heeft gekozen die past binnen het eigen rechtssysteem. De uitvraag ziet op Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Denemarken. Een aantal van deze landen kent een multidisciplinaire aanpak met mogelijkheden voor specifieke organisaties om toezichtmaatregelen op te leggen, waaronder meldplicht en gebiedsverboden. Dit kan in bepaalde gevallen gehandhaafd worden met elektronisch toezicht.

Het Nederlandse rechtssysteem biedt soortgelijke mogelijkheden. Zo kan een rechter in een strafzaak inzake een terroristisch misdrijf toezichtmaatregelen opleggen op grond van de Wet langdurig toezicht, bijvoorbeeld een locatie- of gebiedsverbod. Deze toezichtmaatregelen kunnen worden opgelegd voor de duur van twee tot vijf jaar na detentie en – als aan de voorwaarden wordt voldaan – met eenzelfde termijn worden verlengd. Daarnaast kunnen op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) aan een persoon vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgelegd in het belang van de nationale veiligheid, als de betreffende persoon op grond van zijn of haar gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Hiertoe behoren maatregelen als een meldplicht, contactverbod en gebiedsverbod. Deze maatregelen worden opgelegd voor de duur van zes maanden en kunnen worden verlengd als er op dat moment concrete gedragingen zijn die wijzen op een gecontinueerde dreiging voor de nationale veiligheid. Ten behoeve van de handhaving van een gebiedsverbod in het kader van de Twbmt is elektronische monitoring mogelijk. Het kabinet voert voortvarend de afspraken uit het coalitieakkoord uit waaronder de permanentmaking van de Twbmt. Zo is het advies van de Raad van State verwerkt en is het wetsvoorstel op 24 maart jl. bij uw Kamer ingediend.9 Daarnaast zet het kabinet zich, conform het coalitieakkoord in om de wettelijke mogelijkheid te creëren om ter bescherming van de nationale veiligheid elektronische monitoring in combinatie met een gebiedsgebod op te leggen. Tot slot kunnen er vreemdelingenrechtelijke maatregelen worden opgelegd om betrokkene beschikbaar te houden voor vertrek. Hierbij valt te denken aan een meldplicht, een gebiedsgebod en wanneer daadwerkelijk zicht is op vertrek: vreemdelingendetentie. Aan deze maatregelen kan geen elektronische monitoring worden gekoppeld. Vreemdelingendetentie geldt voor een beperkte duur, waarbij doorlopend een proportionaliteitstoets plaatsvindt.

Het Verenigd Koninkrijk heeft de mogelijkheid om een beperkte en tijdelijke juridische voorziening op te leggen om op verschillende manieren en door verschillende organisaties duurzaam (toe)zicht te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden, waaronder ook vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Dit kan doordat er strenge vrijheidsbeperkende voorwaarden aan deze voorziening zijn gekoppeld. Conform het coalitieakkoord wordt gekeken naar de mogelijkheden om in Nederland een tijdelijke toezichtmaatregel ten behoeve van de nationale veiligheid in te voeren, naar analogie van het Verenigd Koninkrijk. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de toezichtmaatregel geen (permanente) aanspraak op voorzieningen oplevert. Deze tijdelijke voorziening dient enkel ter bescherming van de nationale veiligheid en wordt zo ingericht dat er geen rechten uit voort komen.

Tot slot zijn gesprekken gevoerd met ketenpartners en lokale partners om bij onrechtmatig verblijvende ex-gedetineerde terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel meer zichtmomenten te creëren. Zo worden de mogelijkheden om toezicht te houden ter voorkoming van recidive onderzocht door onder meer Reclassering Nederland en betrokken operationele partners. Ook worden best practices gedeeld met lokale partners die in de toekomst mogelijk te maken krijgen met soortgelijke casuïstiek, om zo de inzet vanuit gemeenten te versterken. Over de voortgang van bovenstaande risico-mitigerende maatregelen wordt uw Kamer voor eind 2026 geïnformeerd.

Tot slot

De onvoorspelbare wereld anno 2026 brengt grote uitdagingen met zich mee om Nederland veilig te houden en te beschermen tegen terroristische dreigingen en aanslagen. De aanhoudende dreiging die uitgaat van terrorisme en extremisme vraagt om een vastberaden, doordachte en proportionele aanpak. In een tijd waarin veiligheid en vrijheid onder druk staan, is het van essentieel belang dat deze aanpak niet alleen effectief is, maar ook recht doet aan onze rechtsstaat en onze kernwaarden beschermt.

De Minister van Justitie en Veiligheid,

D.M. van Weel

De Minister van Asiel en Migratie,

Bart van den Brink


  1. Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, december 2025.↩︎

  2. Kamerstukken II, 2024-2025, 29754, nr. 753.↩︎

  3. Kamerstukken II 2020-2021, 29754, nr. 597.↩︎

  4. Kamerstukken II, 2026-2027, 36800, nr. 81; Kamerstukken II, 2026-2027, 29754, nr. 776.↩︎

  5. Kamerstukken II, 2025-2026, 21501, nr. 20.↩︎

  6. Kamerstukken II, 2024-2025, 29 754, nr. 753.↩︎

  7. Kamerstukken II, 2024-25, 29754, nr. 743.↩︎

  8. Kamerstukken II, 2024-25, 29754, nr. 743.↩︎

  9. Kamerstukken II 2025-2026, 36918, nr. 2.↩︎