[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag van een schriftelijk overleg over de antwoorden VGO-onderzoekers naar aanleiding van Gezondheidsraadadvies over gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen (Kamerstuk 28973-297)

Toekomst veehouderij

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D26610, datum: 2026-06-02, bijgewerkt: 2026-06-11 16:41, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 28973 -300 Toekomst veehouderij.

Onderdeel van zaak 2026Z11671:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


28 973 Toekomstvisie veehouderij

Nr. 300 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 2 juni 2026

De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport inzake antwoorden VGO-onderzoekers naar aanleiding van Gezondheidsraadadvies over gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen (Kamerstuk 28973-297).

De vragen en opmerkingen zijn op 4 mei 2026 aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 2 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie,

Steen

Adjunct-griffier van de commissie,

De Keijzer

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

II Antwoord / Reactie van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de antwoorden van de Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)-onderzoekers op de vragen die voortvloeien uit het tweede deeladvies van de Gezondheidsraad over gezondheidsrisico's voor omwonenden van geitenhouderijen. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie constateren dat de VGO-onderzoekers hebben vastgesteld dat ook op een woonafstand van 500 tot 1.000 meter van een geitenhouderij nog steeds 14 procent meer gevallen van longontsteking worden gevonden dan op een afstand van meer dan 1.000 meter, maar dat het niet statistisch significant is. Deze leden vragen de minister toe te lichten hoe zij dit gegeven weegt bij de uitwerking van de afstandsnorm, of en welk nader onderzoek zal worden uitgezet en of het voorzorgsbeginsel aanleiding geeft om de norm van één kilometer als minimumgrens te beschouwen in plaats van als enige grens.

De leden van de D66-fractie vragen of de minister het met deze leden eens is dat het noodzakelijk is dat er op zeer korte termijn duidelijkheid komt richting omwonenden, gemeenten, geitenhouders en andere betrokkenen gezien de gevolgen voor de gezondheid en gezien de lopende ontwikkelingen van bijvoorbeeld nieuwe woningen en zorgcentra. Is er een beeld van hoeveel nieuwe ontwikkelingen op korte termijn duidelijkheid behoeven en wordt hiermee rekening gehouden?

De leden van de D66-fractie constateren dat de VGO-onderzoekers aangeven geen onderbouwde uitspraken te kunnen doen over de invloed van bedrijfsgrootte op het gezondheidsrisico, maar dat dit nadrukkelijk niet betekent dat dit effect er niet is. Het ontbreken van bewijs is immers geen bewijs van afwezigheid. Deze leden vragen de minister toe te lichten of zij, gelet op het voorzorgsbeginsel, bereid is bij de uitwerking van de afstandsnorm ook uitbreidingslocaties onder de norm te laten vallen. Kan zij tevens toezeggen verder onderzoek te laten doen naar dit mogelijke effect? Is de minister het met deze leden eens dat het belang van in eerste instantie volksgezondheid, maar ook woningbouw zeer zwaar weegt en is zij bereid om bij de vormgeving van het afwegingskader naast volksgezondheid het maatschappelijk belang van nieuwe woningbouwprojecten sterk mee te wegen?

De leden van de D66-fractie vragen de minister toe te lichten hoe zij de aanbeveling van de Gezondheidsraad om emissiereducerende maatregelen te treffen concreet gaat uitwerken en op welke termijn omwonenden resultaat kunnen verwachten van die maatregelen in de vorm van aantoonbare emissiereductie. Wordt hiervoor een meetbare doelstelling gehanteerd? Op welke termijn verwacht de minister dat de invoering van dierrechten in de geitenhouderij kan helpen om de hoeveelheid geitenhouderijen in de buurt van omwonenden te beperken?

De leden van de D66-fractie vragen de minister toe te lichten hoe de monitoring van gezondheidseffecten bij omwonenden van geitenhouderijen wordt vormgegeven, onder andere in het kader van bedrijfsgrootte en de emissiereducerende maatregelen, en op welke termijn(en) deze resultaten aan de Kamer worden gerapporteerd.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden van de VGO-onderzoekers naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen. Deze leden hebben hierover op dit moment geen nadere opmerkingen of vragen. Eventuele vragen zullen zij stellen tijdens het commissiedebat Zoönosen en dierziekten op 28 mei 2026.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de bijgevoegde antwoorden van de VGO-onderzoekers. Deze leden hebben hierover de volgende vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de bevinding dat op een woonafstand van 500-1000 meter van een geitenhouderij 14 procent meer gevallen van longontsteking worden gevonden dan op een afstand van meer dan 1000 meter. Deze leden constateren dat de Gezondheidsraad een verhoogd risico van 73 procent vaststelt binnen 500 meter en 19 procen binnen de gehele kilometer. Deze leden vragen wat dit betekent voor de mensen die nu op een afstand van 500-1000 meter van een geitenhouderij wonen, hoeveel mensen dit betreft en hoeveel gevallen van longontsteking per jaar aan deze blootstelling zijn toe te schrijven en vragen de minister deze cijfers te delen met de Kamer.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de conclusie van de VGO-onderzoekers dat op basis van het beschikbare onderzoek geen onderbouwde uitspraken gedaan kunnen worden over de invloed van bedrijfsgrootte op het gezondheidsrisico voor omwonenden. Deze leden constateren dat de onderzoekers daarbij expliciet aangeven dat dit niet betekent dat dit effect er niet is, maar dat het met de beschikbare data niet aangetoond kan worden. Deze leden vragen op welke wijze de minister de bestaande onzekerheid over de invloed van bedrijfsomvang meeweegt bij de uitwerking van het beleid ten aanzien van uitbreidingslocaties.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de afstandsnorm die momenteel wordt uitgewerkt ook zal gelden voor uitbreidingen van bestaande geitenbedrijven en wanneer de Kamer hierover uitsluitsel krijgt.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat de oorspronkelijke beleidsvraag over de relatie tussen bedrijfsomvang en risico in relatie tot emissiereducerende maatregelen door de onderzoekers niet beantwoord kon worden. Deze leden vragen wanneer de minister verwacht dat er wel voldoende data beschikbaar is om deze vraag te beantwoorden en of de minister bereid is hiertoe aanvullend onderzoek te laten uitvoeren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 maart 2026 en de bijbehorende stukken. Deze leden constateren dat de conclusies rondom de relatie tussen veehouderij en longontstekingen in de afgelopen jaren herhaaldelijk en ingrijpend zijn gewijzigd. Waar in eerdere fasen van het VGO-onderzoek nog werd gesproken over een verband met pluimveehouderijen, is dit verband in latere onderzoeken losgelaten. Tegelijkertijd is de aandacht verschoven naar geitenhouderijen, waarbij ook daar de aard en omvang van het veronderstelde effect in de tijd aanzienlijk zijn veranderd. Daarnaast is de afstand waarbinnen een verhoogd risico zou optreden steeds verder bijgesteld. Waar in eerdere studies werd gekeken naar afstanden tot twee kilometer, werd dit later teruggebracht naar één kilometer en blijkt uit de meest recente aanvullende analyse dat het statistisch significante effect zich in feite beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter. Voor de afstand tussen 500 en 1000 meter wordt inmiddels geen statistisch significant verband meer gevonden. Ook de inschattingen van het aantal extra gevallen van longontsteking zijn in de tijd sterk gewijzigd, evenals de daaruit afgeleide aantallen ziekenhuisopnames en sterfgevallen. Deze leden constateren dat deze opeenvolgende en substantiële bijstellingen, deels op basis van dezelfde onderliggende data, vragen oproepen over de robuustheid en betrouwbaarheid van de gehanteerde methoden en de daarop gebaseerde conclusies. Zij vragen de minister hierop uitgebreid te reflecteren en aan te geven hoe dergelijke verschuivingen zich verhouden tot de zekerheid waarmee eerder beleidsmatige en maatschappelijke conclusies zijn getrokken. Deze leden vragen de minister daarnaast of zij het met deze leden eens is dat dergelijke forse bijstellingen in conclusies vragen om terughoudendheid in beleid.

De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat de Gezondheidsraad een afstandsnorm van één kilometer adviseert, terwijl uit de meest recente analyse blijkt dat het verband tussen 500 en 1000 meter niet statistisch significant is. Deze leden vragen de minister op basis van welke wetenschappelijke onderbouwing wordt vastgehouden aan een afstandsnorm van één kilometer, nu het effect buiten 500 meter niet overtuigend kan worden aangetoond. Zij vragen de minister tevens hoe wordt voorkomen dat beleid wordt gebaseerd op aannames of veronderstellingen in plaats van op aantoonbare en consistente effecten.

De leden van de BBB-fractie merken op dat nog steeds geen specifiek oorzakelijk mechanisme is vastgesteld dat het veronderstelde verband tussen geitenhouderijen en longontstekingen kan verklaren. Er is geen specifieke ziekteverwekker geïdentificeerd en ook geen eenduidige blootstellingsroute aangetoond. Deze leden vragen de minister hoe het kabinet de proportionaliteit van ingrijpende maatregelen weegt, zolang sprake is van statistische associaties zonder aangetoonde causaliteit. Zij vragen daarbij expliciet hoe wordt voorkomen dat statistische verbanden in de praktijk worden behandeld als feitelijke oorzakelijke relaties. Daarnaast vragen deze leden de minister of zij de opvatting deelt dat het hanteren van ingrijpende maatregelen zonder aangetoonde causaliteit in essentie een politieke keuze is en geen puur wetenschappelijke noodzaak.

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat het VGO-onderzoek uitsluitend betrekking heeft op wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en dat andere vormen van verblijf, zoals werken, onderwijs, zorg en recreatie, niet zijn onderzocht. Deze leden constateren dat desondanks juist deze niet-onderzochte situaties nu worden betrokken bij beleidsvorming, onder andere via het aanwijzen van zogenoemde gevoelige locaties. Zij vragen de minister hoe dit zich verhoudt tot de wetenschappelijke basis van het onderzoek en hoe het aanwijzen van dergelijke locaties kan worden gerechtvaardigd zonder dat hiervoor empirisch bewijs beschikbaar is. Acht de minister het verdedigbaar om beleid uit te breiden naar situaties die expliciet buiten de reikwijdte van het onderzoek vallen? Zo ja, hoe? Deze leden vragen ook of de minister bereid is om gericht onderzoek te laten uitvoeren naar deze vormen van verblijf, zodat vastgesteld kan worden of het veronderstelde verband zich daar al dan niet voordoet.

De leden van de BBB-fractie constateren daarnaast dat de VGO-onderzoekers aangeven dat geen onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan over de relatie tussen de omvang van geitenbedrijven en het gezondheidsrisico voor omwonenden. Tegelijkertijd wordt in de beleidsreactie gesproken over mogelijke maatregelen die juist betrekking hebben op de omvang van bedrijven, zoals het beperken van uitbreiding. Deze leden vragen de minister hoe dergelijke beleidsvoornemens zich verhouden tot het ontbreken van een aantoonbaar verband. Zij vragen of de minister het met deze leden eens is dat het nemen van maatregelen gericht op bedrijfsomvang zonder dat een effect daarvan is aangetoond, de onderbouwing en daarmee de legitimiteit van het beleid onder druk zet. Kan de minister bevestigen dat hier feitelijk sprake is van beleid dat vooruitloopt op bewijs dat er (nog) niet is?

De leden van de BBB-fractie merken op dat de onderzoekers aangeven dat het ontbreken van een aangetoond effect van bedrijfsgrootte mede kan samenhangen met beperkt onderscheidend vermogen van de data. Deze leden vragen de minister hoe in het beleid wordt omgegaan met deze onzekerheid en in hoeverre hier het ontbreken van bewijs feitelijk wordt geïnterpreteerd als een aanwijzing voor mogelijk risico. Zij vragen hoe wordt voorkomen dat deze benadering leidt tot vergaande maatregelen zonder voldoende wetenschappelijke onderbouwing.

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat uit de voorliggende stukken geen onderbouwd verband blijkt tussen de omvang van een geitenhouderij en het veronderstelde gezondheidsrisico voor omwonenden. Deze leden vinden dat niet alleen een lacune, maar ook een aanwijzing dat de huidige risicoschattingen onvoldoende onderscheidend zijn. Immers, als de omvang van een bedrijf geen aantoonbaar verschil maakt, betekent dit dat het veronderstelde effect kennelijk niet toeneemt bij meer dieren. Dat roept de vraag op hoe deze bevinding zich verhoudt tot situaties met een zeer beperkt aantal geiten, zoals kleinschalige houderijen of kinderboerderijen. Deze leden benadrukken dat zij dergelijke locaties niet als probleem zien, maar constateren dat het onderzoek daarmee lastig te rijmen is. Kan de minister toelichten hoe deze uitkomsten moeten worden geïnterpreteerd? Acht zij dit een aanwijzing dat het onderzoek onvoldoende scherp onderscheid maakt tussen verschillende situaties en hoe voorkomt zij dat op basis van deze onduidelijkheid generiek beleid wordt ontwikkeld dat geen recht doet aan de feitelijke verschillen in de praktijk?

De leden van de BBB-fractie merken daarnaast op dat in de beschikbare onderzoeken geen aanwijzingen naar voren komen dat geitenhouders zelf, hun medewerkers of andere personen die frequent en langdurig op geitenhouderijen verblijven, een verhoogd risico hebben op longontstekingen. Deze leden achten dat een relevante observatie, aangezien juist deze groepen het meest intensief worden blootgesteld. Kan de minister bevestigen of deze groepen expliciet zijn onderzocht en zo ja, wat de uitkomsten daarvan zijn? Indien deze groepen niet vaker longontsteking hebben, hoe verhoudt zich dat tot de hypothese dat emissies uit geitenhouderijen de oorzaak zouden zijn? Hoe kan de minister verklaren dat er sprake zou zijn van een verhoogd risico voor omwonenden, terwijl de meest intensief blootgestelde groepen dat risico niet laten zien?

Deze leden merken daarbij op dat een mogelijk tegenargument zou kunnen zijn dat geitenhouders en hun medewerkers gemiddeld gezonder of jonger zijn. Deze leden vinden dat echter geen afdoende verklaring, aangezien in epidemiologisch

onderzoek standaard wordt gecorrigeerd voor factoren zoals leeftijd, geslacht en gezondheidstoestand. Kan de minister bevestigen in hoeverre in het VGO-onderzoek voor deze factoren is gecorrigeerd en of daarmee verschillen tussen bevolkingsgroepen voldoende zijn ondervangen? Indien dat niet het geval is, wat zegt dat dan over de betrouwbaarheid van de getrokken conclusies?

De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat in de analyses sprake is van verschillende beperkingen, waaronder het niet kunnen meenemen van bepaalde huisartspraktijken, het ontbreken van gegevens uit specifieke regio’s zoals Utrecht en het beperkte aantal patiënten binnen bepaalde afstandscategorieën. Deze leden vragen de minister in hoeverre deze beperkingen de betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid van de resultaten beïnvloeden en hoe hiermee in de beleidsvorming rekening wordt gehouden.

De leden van de BBB-fractie wijzen er tot slot op dat bij andere gezondheidsvraagstukken vaak gebruik wordt gemaakt van integrale maatstaven voor ziektelast om de proportionaliteit van maatregelen te beoordelen. Deze leden vragen de minister waarom een dergelijke integrale weging in dit dossier ontbreekt, terwijl wel ingrijpende maatregelen worden overwogen. Zij vragen hoe de minister waarborgt dat beleidskeuzes in dit dossier gebaseerd zijn op een zorgvuldige en evenwichtige afweging van risico’s, effecten en maatschappelijke gevolgen.

De leden van de BBB-fractie constateren daarnaast dat in grote delen van Nederland inmiddels sprake is van een moratorium op geitenhouderijen. Deze leden vinden dat des te opvallender, omdat juist wordt gesteld dat afstand tot bebouwing een belangrijke factor is in het mogelijke risico. Een moratorium blokkeert echter niet alleen uitbreiding, maar ook verplaatsing van bedrijven. Daarmee wordt het voor geitenhouders feitelijk onmogelijk gemaakt om juist wél meer afstand tot woningen te creëren. Deze leden vragen de minister hoe zij deze tegenstrijdigheid ziet. Deelt zij de opvatting dat een moratorium averechts kan werken wanneer het doel is om afstand tussen bedrijven en bebouwing te vergroten? Hoe verhoudt het blokkeren van verplaatsing zich tot het beleidsmatig benadrukken van afstand als risicobeperkende maatregel? Deze leden vragen de minister voorts of zij bereid is te onderzoeken in hoeverre het huidige moratorium juist leidt tot het ‘vastzetten’ van bedrijven op locaties dicht bij woonkernen en daarmee mogelijk het tegenovergestelde effect heeft van wat wordt beoogd. Kan de minister tevens aangeven hoe zij voornemens is dit knelpunt op te lossen en of zij bereid is om provincies hierin actief te sturen of te ondersteunen?

De leden van de BBB-fractie vragen de minister tot slot om expliciet te maken waar in dit dossier de grens ligt tussen wetenschappelijke onderbouwing en politieke risicokeuzes. Kan de minister per voorgestelde maatregel aangeven in hoeverre deze is gebaseerd op aantoonbare effecten en in hoeverre op voorzorg of aannames? Acht de minister het wenselijk om bij zulke ingrijpende gevolgen voor een sectorbeleid te baseren op onzekerheden die in de tijd aantoonbaar verschuiven?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief Antwoorden VGO-onderzoekers naar aanleiding van Gezondheidsraadavies. Deze leden wijzen erop dat we al bijna 15 jaar weten dat geitenhouderijen een risico vormen voor de gezondheid van omwonenden. Omwonenden hebben een verhoogd risico op longontstekingen, met elk jaar honderden ziekenhuisopnames en zelfs sterfgevallen als gevolg.

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de Kamer de regering heldere kaders heeft meegegeven voor de aanpak die de regering voor de zomer naar de Kamer zal sturen. Zo heeft de Kamer duidelijk verzocht om geen uitbreiding, verplaatsing en nieuwbouw van geitenstallen meer toe te staan (Kamerstuk 29683, nr. 305) en opgeroepen om woningbouw en volksgezondheid te prioriteren boven de intensieve geitenhouderij (Kamerstuk 29683, nr. 320). Deze leden verzoeken het kabinet om deze moties uit te voeren.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe het kabinet het voorzorgsprincipe meeneemt bij het bepalen van de afstandsnorm. Deelt de minister de mening dat de volksgezondheid niet mag lijden onder de geitenhouderij en het voorzorgsbeginsel hierin leidend zal zijn? Kan de minister bevestigen dat het kabinet volksgezondheid zal prioriteren boven de intensieve geitenhouderij, conform de eerdergenoemde aangenomen motie (Kamerstuk 29683, nr. 320)?

De leden van de PvdD-fractie wijzen er tevens op dat er in Nederland een groot tekort aan betaalbare woningen is. Zolang er geen heldere afstandsnormen zijn, zullen mensen die al jaren opzoek zijn naar een woning zich gedwongen kunnen voelen om een woning te accepteren in de buurt van een geitenhouderij, ondanks dat zij hierdoor een verhoogd risico hebben op longontstekingen. Tegelijkertijd zal het invoeren van een afstandsnorm zonder een duidelijke regierol van het kabinet ertoe leiden dat er minder woningen worden gebouwd en mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland. De Kamer heeft al aangegeven dat zij dit niet uit te leggen vindt. Kan de minister bevestigen dat het kabinet woningbouw zal prioriteren boven de intensieve geitenhouderij, conform eerdergenoemde aangenomen motie (Kamerstuk 29683, nr. 320)?

De leden van de PvdD-fractie vragen daarnaast aandacht voor de bredere druk op het landgebruik in Nederland. Doordat bijna de helft van de grond in Nederland wordt gebruikt voor de veehouderij is de beschikbare ruimte schaars en dit komt ook nog eens verder onder druk te staan doordat het huidige landbouwsysteem grote gevolgen heeft voor de volksgezondheid en de natuur. Deze leden benadrukken dat duidelijke en strenge afstandsnormen noodzakelijk zijn om de volksgezondheid te beschermen. Tegelijkertijd constateren zij dat de combinatie van grondgebruik voor de veehouderij, gezondheidsrisico’s rond geitenhouderijen en andere effecten van de manier waarop het huidige landbouwsysteem is ingericht, zoals stikstofdepositie en het gebruik van landbouwgif, ertoe leidt dat een groeiend deel van het land ongeschikt is voor veilige woningbouw. Hoe weegt het kabinet deze cumulatieve impact van ons landbouwsysteem op het landgebruik?

II Reactie van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de antwoorden van de Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)-onderzoekers op de vragen die voortvloeien uit het tweede deeladvies van de Gezondheidsraad over gezondheidsrisico's voor omwonenden van geitenhouderijen. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de D66-fractie constateren dat de VGO-onderzoekers hebben vastgesteld dat ook op een woonafstand van 500 tot 1.000 meter van een geitenhouderij nog steeds 14 procent meer gevallen van longontsteking worden gevonden dan op een afstand van meer dan 1.000 meter, maar dat het niet statistisch significant is. Deze leden vragen de minister toe te lichten hoe zij dit gegeven weegt bij de uitwerking van de afstandsnorm, of en welk nader onderzoek zal worden uitgezet en of het voorzorgsbeginsel aanleiding geeft om de norm van één kilometer als minimumgrens te beschouwen in plaats van als enige grens.

De Gezondheidsraad vermeldde een verhoogd risico van 73% binnen een straal van 500 meter en van 19% binnen 1.000 meter van een geitenhouderij, en adviseerde uit voorzorg ten minste een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden. De VGO-onderzoekers hebben in reactie op de vraag van het kabinet aangegeven dat de schatting van het verhoogde risico voor 500-1.000 meter op basis van de meta-analyse (14% meer gevallen van longontsteking) niet statistisch significant is door een beperkter onderscheidend vermogen (lagere statistische power): er wonen minder mensen in de ring van 500-1.000 meter dan binnen de gehele straal van 1.000 meter en de patiënten binnen 500 meter zijn niet meegenomen in deze analyse, zo schrijven de onderzoekers.

Een eventuele afstandsnorm vraagt een zorgvuldige afweging. Met de brede impactanalyse die momenteel wordt uitgevoerd, wordt de impact van een afstandsnorm van zowel 500 als 1.000 meter in kaart gebracht. Zowel de uitkomsten van de impactanalyse, als het advies van de Gezondheidsraad, de analyses van de VGO-onderzoekers en de gesprekken met medeoverheden en andere stakeholders, worden betrokken bij de besluitvorming over de afstandsnorm.

Het kabinet ziet geen noodzaak om aanvullend onderzoek uit te zetten. Het bestaande VGO-onderzoek is een grote en langdurige onderzoeksinspanning geweest en het is niet te verwachten dat aanvullend onderzoek snel meer duidelijkheid op zou kunnen leveren.

De leden van de D66-fractie vragen of de minister het met deze leden eens is dat het noodzakelijk is dat er op zeer korte termijn duidelijkheid komt richting omwonenden, gemeenten, geitenhouders en andere betrokkenen gezien de gevolgen voor de gezondheid en gezien de lopende ontwikkelingen van bijvoorbeeld nieuwe woningen en zorgcentra. Is er een beeld van hoeveel nieuwe ontwikkelingen op korte termijn duidelijkheid behoeven en wordt hiermee rekening gehouden?

Het geven van inzicht in de plannen voor nieuwe ontwikkelingen in de buurt van geitenhouderijen maakt onderdeel uit van de impactanalyse. Het Kabinet begrijpt de vraag om snelheid en duidelijkheid. Die urgentie delen we ook. Het is belangrijk dat zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de maatregelen, voor omwonenden, voor geitenhouders en ook voor medeoverheden. De planning is er dan ook op gericht vóór de zomer te komen met een verdere uitwerking van de diverse componenten van de aanpak.

De leden van de D66-fractie constateren dat de VGO-onderzoekers aangeven geen onderbouwde uitspraken te kunnen doen over de invloed van bedrijfsgrootte op het gezondheidsrisico, maar dat dit nadrukkelijk niet betekent dat dit effect er niet is. Het ontbreken van bewijs is immers geen bewijs van afwezigheid. Deze leden vragen de minister toe te lichten of zij, gelet op het voorzorgsbeginsel, bereid is bij de uitwerking van de afstandsnorm ook uitbreidingslocaties onder de norm te laten vallen. Kan zij tevens toezeggen verder onderzoek te laten doen naar dit mogelijke effect?

Met de brede impactanalyse wordt onder meer in kaart gebracht welke (economische) gevolgen worden verwacht wanneer een afstandsnorm voor nieuwvestiging ook gaat gelden voor uitbreidingslocaties. Mede op basis daarvan kan de proportionaliteit van een dergelijke voorzorgsmaatregel worden bepaald en zal hierover besluitvorming plaatsvinden. Naast deze impactanalyse ziet het kabinet geen meerwaarde van aanvullend onderzoek naar bedrijfsgrootte. De VGO-onderzoekers geven namelijk aan dat geen onderzoeken bekend zijn waarin informatie over de gezondheid van omwonenden in verband kon worden gebracht met de omvang van geitenhouderijen. Het uitzetten van een breder georiënteerd literatuuronderzoek zal waarschijnlijk niet leiden tot een kwantitatief dan wel eenduidig, kwalitatief antwoord. Op dit moment lijkt het dus niet zinvol hier aanvullend onderzoek naar te laten uitvoeren.

Is de minister het met deze leden eens dat het belang van in eerste instantie volksgezondheid, maar ook woningbouw zeer zwaar weegt en is zij bereid om bij de vormgeving van het afwegingskader naast volksgezondheid het maatschappelijk belang van nieuwe woningbouwprojecten sterk mee te wegen?

De bescherming van de volksgezondheid staat voorop in de aanpak van gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen. In de besluitvorming wordt daarnaast het maatschappelijk belang van nieuwe woningbouwprojecten sterk meegewogen. Ook de effecten op de geitenhouderij worden meegenomen in de impactanalyse, om mee te wegen in de besluitvorming.

De leden van de D66-fractie vragen de minister toe te lichten hoe zij de aanbeveling van de Gezondheidsraad om emissiereducerende maatregelen te treffen concreet gaat uitwerken en op welke termijn omwonenden resultaat kunnen verwachten van die maatregelen in de vorm van aantoonbare emissiereductie. Wordt hiervoor een meetbare doelstelling gehanteerd?

Uit de eerste fase van het WUR-onderzoek1 kwam geen ideale maatregel, maar werden wel aangrijpingspunten voor maatregelen geïdentificeerd. Deze moeten nog toepasbaar worden gemaakt voor de geitenhouderijen en/of het verminderen van ziektekiemen. Ook zal de effectiviteit in de mate van emissiereductie nog moet worden onderzocht. Momenteel wordt het vervolgonderzoek met

meetcampagne en ontwikkelprogramma, zoals omschreven in het WUR-spoedadvies2, vormgegeven. Het vervolgonderzoek is gestart, zo snel mogelijk zal gestart worden met de eerste metingen. Het vervolgonderzoek heeft een doorlooptijd van circa 3 jaar.

Daarnaast loopt een gesprek met de sector over de invulling van mogelijke vrijwillige no-regret-maatregelen. Dit zijn maatregelen die emissies mogelijk kunnen verminderen, niet ingrijpend of kostbaar zijn en snel zouden kunnen worden toegepast.

Vanwege het beperkte inzicht in de effectiviteit van emissie reducerende maatregelen, is er op dit moment nog geen mogelijkheid voor het instellen van meetbare doelstellingen.

Op welke termijn verwacht de minister dat de invoering van dierrechten in de geitenhouderij kan helpen om de hoeveelheid geitenhouderijen in de buurt van omwonenden te beperken?

De gezondheidsrisico’s van de geitenhouderij hangen niet zozeer samen met de totale omvang van de sector, maar vooral met de afstand tussen geitenbedrijven en woningen. Een rechtenstelsel is een instrument om te sturen op de totale omvang van een sector en niet op de afstand van bedrijven en woningen. Het invoeren van een rechtenstelsel in de geitenhouderij, zoals aangekondigd in het coalitieakkoord, wordt verder uitgewerkt in het kader van de Ministeriële Taskforce landbouw, natuur en stikstof, waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.

De leden van de D66-fractie vragen de minister toe te lichten hoe de monitoring van gezondheidseffecten bij omwonenden van geitenhouderijen wordt vormgegeven, onder andere in het kader van bedrijfsgrootte en de emissiereducerende maatregelen, en op welke termijn(en) deze resultaten aan de Kamer worden gerapporteerd.

Door Nivel zal een ‘nulmeting’ worden uitgevoerd naar het aantal gediagnosticeerde longontstekingen in de buurt van geitenhouderijen aan de hand van de gegevens van huisartsenpraktijken over de jaren 2023-2025, vergelijkbaar met de studies naar de gegevens van huisartsenpraktijken die in de eerdere VGO-onderzoeken zijn gedaan. De resultaten daarvan zijn in 2027 te verwachten en zullen aan de Kamer worden aangeboden. Na het implementeren van maatregelen zal na enkele jaren opnieuw een meting worden gedaan om te bepalen of genomen maatregelen hebben geleid tot veranderingen in de gezondheidseffecten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de antwoorden van de VGO-onderzoekers naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen. Deze leden hebben hierover op dit moment geen nadere opmerkingen of vragen. Eventuele vragen zullen zij stellen tijdens het commissiedebat Zoönosen en dierziekten op 28 mei 2026.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de bijgevoegde antwoorden van de VGO-onderzoekers. Deze leden hebben hierover de volgende vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de bevinding dat op een woonafstand van 500-1000 meter van een geitenhouderij 14 procent meer gevallen van longontsteking worden gevonden dan op een afstand van meer dan 1000 meter. Deze leden constateren dat de Gezondheidsraad een verhoogd risico van 73 procent vaststelt binnen 500 meter en 19 procent binnen de gehele kilometer. Deze leden vragen wat dit betekent voor de mensen die nu op een afstand van 500-1000 meter van een geitenhouderij wonen, hoeveel mensen dit betreft en hoeveel gevallen van longontsteking per jaar aan deze blootstelling zijn toe te schrijven en vragen de minister deze cijfers te delen met de Kamer.

Uit een eerste analyse blijkt dat circa 191.000 mensen op een afstand van 500-1.000 meter van een geitenhouderij met minimaal 50 melkgeiten wonen (peildatum 1 januari 2024). De Gezondheidsraad heeft aangegeven dat jaarlijks naar schatting gemiddeld 213 extra gevallen van longontsteking voorkomen onder omwonenden binnen een gebied van 500 tot 1.000 meter afstand tot een geitenhouderij.3

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de conclusie van de VGO-onderzoekers dat op basis van het beschikbare onderzoek geen onderbouwde uitspraken gedaan kunnen worden over de invloed van bedrijfsgrootte op het gezondheidsrisico voor omwonenden. Deze leden constateren dat de onderzoekers daarbij expliciet aangeven dat dit niet betekent dat dit effect er niet is, maar dat het met de beschikbare data niet aangetoond kan worden. Deze leden vragen op welke wijze de minister de bestaande onzekerheid over de invloed van bedrijfsomvang meeweegt bij de uitwerking van het beleid ten aanzien van uitbreidingslocaties.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of de afstandsnorm die momenteel wordt uitgewerkt ook zal gelden voor uitbreidingen van bestaande geitenbedrijven en wanneer de Kamer hierover uitsluitsel krijgt.

De Gezondheidsraad geeft in zijn advies aan dat het aannemelijk is dat het aantal geiten van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit bedding en mest, maar dat de relatie tussen het aantal bedrijven of aantal geiten per bedrijf en de gezondheidsrisico’s niet is vast te stellen op basis van het VGO-onderzoek. Met de brede impactanalyse wordt onder meer in kaart gebracht welke (economische) gevolgen worden verwacht als geitenhouderijen binnen de afstandsnorm niet mogen uitbreiden. Op basis daarvan kan de proportionaliteit van een dergelijke voorzorgsmaatregel worden bepaald en onderdeel uitmaken van de besluitvorming. De planning is erop gericht om vóór het zomerreces te komen met een verdere uitwerking van het maatregelenpakket.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat de oorspronkelijke beleidsvraag over de relatie tussen bedrijfsomvang en risico in relatie tot emissiereducerende maatregelen door de onderzoekers niet beantwoord kon worden. Deze leden vragen wanneer de minister verwacht dat er wel voldoende data beschikbaar is om deze vraag te beantwoorden en of de minister bereid is hiertoe aanvullend onderzoek te laten uitvoeren.

De VGO-onderzoekers geven aan dat, door een beperkt onderscheidend vermogen (onder andere door beperkte spreiding in bedrijfsomvang van geitenhouderijen in de omgeving van huisartsenpraktijken in het onderzoeksgebied), het moeilijk is een additioneel effect aan te tonen van bedrijfsgrootte. Zij geven ook aan dat er geen onderzoeken bekend zijn waarin informatie over de gezondheid van omwonenden in verband kon worden gebracht met de omvang van geitenhouderijen. Het uitzetten van een breder georiënteerd literatuuronderzoek zal waarschijnlijk niet leiden tot een kwantitatief dan wel eenduidig, kwalitatief antwoord.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 maart 2026 en de bijbehorende stukken. Deze leden constateren dat de conclusies rondom de relatie tussen veehouderij en longontstekingen in de afgelopen jaren herhaaldelijk en ingrijpend zijn gewijzigd. Waar in eerdere fasen van het VGO-onderzoek nog werd gesproken over een verband met pluimveehouderijen, is dit verband in latere onderzoeken losgelaten. Tegelijkertijd is de aandacht verschoven naar geitenhouderijen, waarbij ook daar de aard en omvang van het veronderstelde effect in de tijd aanzienlijk zijn veranderd. Daarnaast is de afstand waarbinnen een verhoogd risico zou optreden steeds verder bijgesteld. Waar in eerdere studies werd gekeken naar afstanden tot twee kilometer, werd dit later teruggebracht naar één kilometer en blijkt uit de meest recente aanvullende analyse dat het statistisch significante effect zich in feite beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter. Voor de afstand tussen 500 en 1000 meter wordt inmiddels geen statistisch significant verband meer gevonden. Ook de inschattingen van het aantal extra gevallen van longontsteking zijn in de tijd sterk gewijzigd, evenals de daaruit afgeleide aantallen ziekenhuisopnames en sterfgevallen. Deze leden constateren dat deze opeenvolgende en substantiële bijstellingen, deels op basis van dezelfde onderliggende data, vragen oproepen over de robuustheid en betrouwbaarheid van de gehanteerde methoden en de daarop gebaseerde conclusies. Zij vragen de minister hierop uitgebreid te reflecteren en aan te geven hoe dergelijke verschuivingen zich verhouden tot de zekerheid waarmee eerder beleidsmatige en maatschappelijke conclusies zijn getrokken. Deze leden vragen de minister daarnaast of zij het met deze leden eens is dat dergelijke forse bijstellingen in conclusies vragen om terughoudendheid in beleid.

In de VGO-onderzoeken is elf jaar op rij een verhoogde kans op longontsteking gevonden voor omwonenden tot 2.000 meter van een geitenbedrijf ten opzichte van mensen die verder van een geitenbedrijf af wonen. Binnen studies is altijd enige variatie vanwege verschillen in populatie, gemeten jaren en analysemethodes. De Gezondheidsraad, de hoogste onafhankelijke wetenschappelijk adviesraad op het terrein van volksgezondheid en gezondheidszorg, heeft zijn conclusies gebaseerd op de meta-analyse en komt daarbij tot een gezondheidsrisico van 73% binnen een straal van 500 meter en 19% binnen 1.000 meter.

De Gezondheidsraad komt op lagere schattingen dan de VGO-onderzoekers van het aantal extra longontstekingen, ziekenhuisopnamen en sterfgevallen dat op landelijke schaal is toe te schrijven aan de aanwezigheid van geitenhouderijen. Dit komt doordat de Gezondheidsraad de omvang van de groep omwonenden van geitenhouderijen op landelijke cijfers heeft gebaseerd en niet op extrapolatie van cijfers van het onderzoeksgebied, waar naar verhouding relatief veel mensen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen. Daarnaast gaat de Gezondheidsraad uit van een verhoogd risico op een longontsteking tot 1 kilometer van een geitenhouderij, in plaats van 2 kilometer. Tot slot zijn bij de eerder gecommuniceerde aantallen ziekenhuisopnames en sterfgevallen schattingen gemaakt op basis van cijfers van het CBS. De Gezondheidsraad geeft aan dat de CBS-cijfers hoger zijn dan de aantallen ziekenhuisopnamen en overlijdens gerelateerd aan longontstekingen die door huisartsen worden vastgesteld, doordat veel patiënten met een longontsteking die in het ziekenhuis worden opgenomen of overlijden niet door een huisarts zijn gezien. Dat zijn ook patiënten die een longontsteking oplopen in een zorginstelling. De Raad gebruikt in zijn berekeningen specifiek cijfers over longontstekingen die door de huisarts zijn vastgesteld.

Het advies van de Gezondheidsraad neemt het kabinet serieus en op basis daarvan, van de impactanalyse en van gesprekken met medeoverheden en stakeholders zal het kabinet tot een verdere uitwerking van het pakket aan maatregelen komen. Het beeld dat er forse bijstellingen in conclusies zijn geweest deelt het kabinet niet. Wel is op punten sprake van het gewoonlijke voortschrijdend inzicht gebaseerd op nieuwe gegevens en/of nieuwe beoordelingen van bekende gegevens.

De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat de Gezondheidsraad een afstandsnorm van één kilometer adviseert, terwijl uit de meest recente analyse blijkt dat het verband tussen 500 en 1000 meter niet statistisch significant is. Deze leden vragen de minister op basis van welke wetenschappelijke onderbouwing wordt vastgehouden aan een afstandsnorm van één kilometer, nu het effect buiten 500 meter niet overtuigend kan worden aangetoond. Zij vragen de minister tevens hoe wordt voorkomen dat beleid wordt gebaseerd op aannames of veronderstellingen in plaats van op aantoonbare en consistente effecten.

Met de brede impactanalyse die momenteel wordt uitgevoerd, wordt de impact van een afstandsnorm van zowel 500 als 1.000 meter in kaart gebracht. Zowel de uitkomsten van de impactanalyse, als het advies van de Gezondheidsraad, de analyses van de VGO-onderzoekers en de gesprekken met medeoverheden en andere stakeholders, worden betrokken bij de besluitvorming over de afstandsnorm.

De leden van de BBB-fractie merken op dat nog steeds geen specifiek oorzakelijk mechanisme is vastgesteld dat het veronderstelde verband tussen geitenhouderijen en longontstekingen kan verklaren. Er is geen specifieke ziekteverwekker geïdentificeerd en ook geen eenduidige blootstellingsroute aangetoond. Deze leden vragen de minister hoe het kabinet de proportionaliteit van ingrijpende maatregelen weegt, zolang sprake is van statistische associaties zonder aangetoonde causaliteit. Zij vragen daarbij expliciet hoe wordt voorkomen dat statistische verbanden in de praktijk worden behandeld als feitelijke oorzakelijke relaties. Daarnaast vragen deze leden de minister of zij de opvatting deelt dat het hanteren van ingrijpende maatregelen zonder aangetoonde causaliteit in essentie een politieke keuze is en geen puur wetenschappelijke noodzaak.

Gesteund door het advies van de Gezondheidsraad kan worden geconcludeerd dat op basis van objectief langjarig wetenschappelijk onderzoek gerede aanwijzingen zijn dat er een verband is tussen het verhoogd risico op longontsteking onder direct omwonenden van geitenhouderijen en de aanwezigheid van die geitenhouderijen. Hoewel de exacte oorzaak nog niet onomstotelijk is geïdentificeerd, geven deze gerede aanwijzingen voldoende aanleiding voor de overheid om onder het voorzorgsbeginsel maatregelen te treffen of tenminste te overwegen. De precieze invulling van de maatregelen is, zoals de Gezondheidsraad ook zelf aangeeft, uiteindelijk een politiek-bestuurlijke keuze.

Er wordt momenteel gewerkt aan een brede impactanalyse om het effect van deze maatregelen inzichtelijk te maken. Het kabinet vindt het van belang om de maatregelen in samenhang te kunnen bezien en te wegen en daarbij ook de impact van deze maatregelen te betrekken.

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat het VGO-onderzoek uitsluitend betrekking heeft op wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en dat andere vormen van verblijf, zoals werken, onderwijs, zorg en recreatie, niet zijn onderzocht. Deze leden constateren dat desondanks juist deze niet-onderzochte situaties nu worden betrokken bij beleidsvorming, onder andere via het aanwijzen van zogenoemde gevoelige locaties. Zij vragen de minister hoe dit zich verhoudt tot de wetenschappelijke basis van het onderzoek en hoe het aanwijzen van dergelijke locaties kan worden gerechtvaardigd zonder dat hiervoor empirisch bewijs beschikbaar is. Acht de minister het verdedigbaar om beleid uit te breiden naar situaties die expliciet buiten de reikwijdte van het onderzoek vallen? Zo ja, hoe? Deze leden vragen ook of de minister bereid is om gericht onderzoek te laten uitvoeren naar deze vormen van verblijf, zodat vastgesteld kan worden of het veronderstelde verband zich daar al dan niet voordoet.

De Gezondheidsraad geeft in zijn advies aan dat, naast woningen, ook andere gebouwen en locaties worden aangeduid als gevoelige bestemming, bijvoorbeeld omdat er grote aantallen mensen langdurig verblijven of gedurende een groot deel van de dag aanwezig zijn. Voor dergelijke gevoelige bestemmingen geldt eveneens dat een afstandsmaatregel bescherming biedt tegen gezondheidseffecten. Bestemmingen waar gevoelige groepen zoals jonge kinderen, ouderen en mensen met onderliggend lijden een aanzienlijk deel van hun dag doorbrengen, zoals kinderdagverblijven en verzorgingsinstellingen, verdienen daarbij bijzondere aandacht, omdat dit groepen zijn die op basis van gegevens over de prevalentie van longontsteking in Nederland bekend staan als risicogroepen. Op basis hiervan acht het kabinet het niet noodzakelijk om hier tijdrovend aanvullend onderzoek naar te laten uitvoeren.

De leden van de BBB-fractie constateren daarnaast dat de VGO-onderzoekers aangeven dat geen onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan over de relatie tussen de omvang van geitenbedrijven en het gezondheidsrisico voor omwonenden. Tegelijkertijd wordt in de beleidsreactie gesproken over mogelijke maatregelen die juist betrekking hebben op de omvang van bedrijven, zoals het beperken van uitbreiding. Deze leden vragen de minister hoe dergelijke beleidsvoornemens zich verhouden tot het ontbreken van een aantoonbaar verband. Zij vragen of de minister het met deze leden eens is dat het nemen van maatregelen gericht op bedrijfsomvang zonder dat een effect daarvan is aangetoond, de onderbouwing en daarmee de legitimiteit van het beleid onder druk zet. Kan de minister bevestigen dat hier feitelijk sprake is van beleid dat vooruitloopt op bewijs dat er (nog) niet is?

De Gezondheidsraad geeft in zijn advies aan dat het aannemelijk is dat het aantal geiten van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit bedding en mest, maar dat de relatie tussen het aantal bedrijven of aantal geiten per bedrijf en de gezondheidsrisico’s niet is vast te stellen. Met de brede impactanalyse wordt onder meer in kaart gebracht welke gevolgen worden verwacht wanneer een afstandsnorm ook gaat gelden voor uitbreidingslocaties. Mede op basis daarvan kan de proportionaliteit van een dergelijke maatregel worden bepaald en zal hierover besluitvorming plaatsvinden.

De leden van de BBB-fractie merken op dat de onderzoekers aangeven dat het ontbreken van een aangetoond effect van bedrijfsgrootte mede kan samenhangen met beperkt onderscheidend vermogen van de data. Deze leden vragen de minister hoe in het beleid wordt omgegaan met deze onzekerheid en in hoeverre hier het ontbreken van bewijs feitelijk wordt geïnterpreteerd als een aanwijzing voor mogelijk risico. Zij vragen hoe wordt voorkomen dat deze benadering leidt tot vergaande maatregelen zonder voldoende wetenschappelijke onderbouwing.

Het ontbreken van bewijs wordt niet geïnterpreteerd als een aanwijzing voor mogelijk risico. Op de besluitvorming kan nu niet vooruitgelopen worden. Daarvoor is de impactanalyse nodig. Bij het maken van de afweging is ook aandacht voor proportionaliteit in relatie tot onzekerheden in de wetenschappelijke inzichten.

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat uit de voorliggende stukken geen onderbouwd verband blijkt tussen de omvang van een geitenhouderij en het veronderstelde gezondheidsrisico voor omwonenden. Deze leden vinden dat niet alleen een lacune, maar ook een aanwijzing dat de huidige risicoschattingen onvoldoende onderscheidend zijn. Immers, als de omvang van een bedrijf geen aantoonbaar verschil maakt, betekent dit dat het veronderstelde effect kennelijk niet toeneemt bij meer dieren. Dat roept de vraag op hoe deze bevinding zich verhoudt tot situaties met een zeer beperkt aantal geiten, zoals kleinschalige houderijen of kinderboerderijen. Deze leden benadrukken dat zij dergelijke locaties niet als probleem zien, maar constateren dat het onderzoek daarmee lastig te rijmen is. Kan de minister toelichten hoe deze uitkomsten moeten worden geïnterpreteerd? Acht zij dit een aanwijzing dat het onderzoek onvoldoende scherp onderscheid maakt tussen verschillende situaties en hoe voorkomt zij dat op basis van deze onduidelijkheid generiek beleid wordt ontwikkeld dat geen recht doet aan de feitelijke verschillen in de praktijk?

De VGO-onderzoekers geven aan dat, door een beperkt onderscheidend vermogen (bijvoorbeeld door beperkte spreiding in bedrijfsomvang van geitenhouderijen in de omgeving van huisartsenpraktijken), het moeilijk is een additioneel effect aan te tonen van bedrijfsgrootte. Hoewel het niet duidelijk is of, naast de aanwezigheid van geitenhouderijen, ook het aantal geiten een belangrijkere risicofactor vormt voor het risico op longontsteking bij omwonenden, is het volgens de Gezondheidsraad wel aannemelijk dat het aantal geiten van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit bedding en mest. Kortgezegd is het dus aannemelijk dat bedrijfsgrootte invloed heeft, al weten we niet precies welke invloed of hoe groot. Vanzelfsprekend heeft het kabinet bij de uitwerking van het maatregelenpakket oog voor onderbouwing en proportionaliteit van maatregelen.

De leden van de BBB-fractie merken daarnaast op dat in de beschikbare onderzoeken geen aanwijzingen naar voren komen dat geitenhouders zelf, hun medewerkers of andere personen die frequent en langdurig op geitenhouderijen verblijven, een verhoogd risico hebben op longontstekingen. Deze leden achten dat een relevante observatie, aangezien juist deze groepen het meest intensief worden blootgesteld. Kan de minister bevestigen of deze groepen expliciet zijn onderzocht en zo ja, wat de uitkomsten daarvan zijn? Indien deze groepen niet vaker longontsteking hebben, hoe verhoudt zich dat tot de hypothese dat emissies uit geitenhouderijen de oorzaak zouden zijn? Hoe kan de minister verklaren dat er sprake zou zijn van een verhoogd risico voor omwonenden, terwijl de meest intensief blootgestelde groepen dat risico niet laten zien?

Deze leden merken daarbij op dat een mogelijk tegenargument zou kunnen zijn dat geitenhouders en hun medewerkers gemiddeld gezonder of jonger zijn. Deze leden vinden dat echter geen afdoende verklaring, aangezien in epidemiologisch onderzoek standaard wordt gecorrigeerd voor factoren zoals leeftijd, geslacht en gezondheidstoestand. Kan de minister bevestigen in hoeverre in het VGO-onderzoek voor deze factoren is gecorrigeerd en of daarmee verschillen tussen bevolkingsgroepen voldoende zijn ondervangen? Indien dat niet het geval is, wat zegt dat dan over de betrouwbaarheid van de getrokken conclusies?

Bij de epidemiologische studies naar het voorkomen van longontstekingen in de buurt van geitenhouderijen is gebruik gemaakt van door de huisarts vastgestelde longontstekingen. Uit de gegevens van de huisartsenpraktijken zijn gegevens bekend zoals geslacht en leeftijd, maar niet het beroep van een patiënt. In deze studies heeft dus geen vergelijking kunnen plaats vinden tussen de groep geitenhouders, hun gezinsleden en werknemers op het bedrijf enerzijds en de omwonenden anderzijds. In het VGO-III-onderzoek zijn geitenhouders en hun medewerkers specifiek onderzocht om in kaart te brengen aan welke ziekteverwekkers zij worden blootgesteld. Zo konden de ziekteverwekkers die voorkomen bij geitenhouders en hun medewerkers worden vergeleken met de resultaten van de studies onder patiënten en omwonenden.

Het consistente verband van een verhoogd risico op longontstekingen rond geitenhouderijen, gecorrigeerd voor de aanwezigheid van andere veehouderijtypen en verschillende populatiefactoren zoals leeftijd en geslacht, wijst op een oorzaak bij, door of gerelateerd aan de geitenhouderij. Geitenhouders en hun medewerkers zouden hier het meest mee in aanraking moeten komen. Dit betekent niet dat longontstekingen ook meer voorkomen bij geitenhouders of medewerkers. Mensen kunnen met ziekteverwekkers in aanraking komen zonder ziek te worden, bijvoorbeeld door het opbouwen van immuniteit. Longontsteking komt vooral voor bij jonge kinderen en ouderen; onder de beroepsbevolking komt dit in veel mindere mate voor.

De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat in de analyses sprake is van verschillende beperkingen, waaronder het niet kunnen meenemen van bepaalde huisartspraktijken, het ontbreken van gegevens uit specifieke regio’s zoals Utrecht en het beperkte aantal patiënten binnen bepaalde afstandscategorieën. Deze leden vragen de minister in hoeverre deze beperkingen de betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid van de resultaten beïnvloeden en hoe hiermee in de beleidsvorming rekening wordt gehouden.

De resultaten van het VGO-onderzoek zijn meermaals (internationaal) peer-reviewed en intercollegiaal getoetst. De resultaten zijn positief beoordeeld en gepubliceerd in (internationale) vaktijdschriften.4 De Gezondheidsraad heeft de bewijskracht in zijn eerste deeladvies beoordeeld. Er is daarbij nauwkeurig gekeken naar de opzet en resultaten van het onderzoek. Voor de invulling van beleidsmaatregelen kijkt het kabinet nauwkeurig naar het Gezondheidsraadadvies, de impactanalyse en gesprekken met medeoverheden en stakeholders.

De leden van de BBB-fractie wijzen er tot slot op dat bij andere gezondheidsvraagstukken vaak gebruik wordt gemaakt van integrale maatstaven voor ziektelast om de proportionaliteit van maatregelen te beoordelen. Deze leden vragen de minister waarom een dergelijke integrale weging in dit dossier ontbreekt, terwijl wel ingrijpende maatregelen worden overwogen. Zij vragen hoe de minister waarborgt dat beleidskeuzes in dit dossier gebaseerd zijn op een zorgvuldige en evenwichtige afweging van risico’s, effecten en maatschappelijke gevolgen.

Een kwantificering van de ziektelast maakte onderdeel uit van de adviesaanvraag aan de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad heeft aangegeven dat, omdat de commissie niet beschikte over de benodigde gegevens en over informatie over de leeftijdsopbouw en andere kenmerken van deze populaties, zij de gezondheidsimpact door verlies van gezonde levensjaren en vroegtijdig overlijden niet kon kwantificeren. Het kabinet vindt het van groot belang om de gevolgen, de mogelijkheden en consequenties van maatregelen in samenhang te kunnen bezien en te wegen. Momenteel wordt daarom een brede impactanalyse uitgevoerd, waarbij gevoelige functies en woningbouwplannen in nabijheid van geitenhouderijen en de (economische) gevolgen van potentiële maatregelen in kaart worden gebracht.

De leden van de BBB-fractie constateren daarnaast dat in grote delen van Nederland inmiddels sprake is van een moratorium op geitenhouderijen. Deze leden vinden dat des te opvallender, omdat juist wordt gesteld dat afstand tot bebouwing een belangrijke factor is in het mogelijke risico. Een moratorium blokkeert echter niet alleen uitbreiding, maar ook verplaatsing van bedrijven. Daarmee wordt het voor geitenhouders feitelijk onmogelijk gemaakt om juist wél meer afstand tot woningen te creëren. Deze leden vragen de minister hoe zij deze tegenstrijdigheid ziet. Deelt zij de opvatting dat een moratorium averechts kan werken wanneer het doel is om afstand tussen bedrijven en bebouwing te vergroten? Hoe verhoudt het blokkeren van verplaatsing zich tot het beleidsmatig benadrukken van afstand als risicobeperkende maatregel? Deze leden vragen de minister voorts of zij bereid is te onderzoeken in hoeverre het huidige moratorium juist leidt tot het ‘vastzetten’ van bedrijven op locaties dicht bij woonkernen en daarmee mogelijk het tegenovergestelde effect heeft van wat wordt beoogd. Kan de minister tevens aangeven hoe zij voornemens is dit knelpunt op te lossen en of zij bereid is om provincies hierin actief te sturen of te ondersteunen?

De moratoria zijn door de betreffende provincies als tijdelijke maatregel uit voorzorg ingesteld in afwachting van landelijk toepasbaar beleid vanuit het Rijk. Het kabinet deelt het beeld dat deze moratoria op termijn niet de meest passende maatregel zijn om het gezondheidsprobleem op te lossen en soms onwenselijke situaties kunnen opleveren. Daarom is de planning erop gericht om zo snel mogelijk te komen met de nadere uitwerking van het maatregelenpakket dat effectief, proportioneel en uitvoerbaar is.

Voor de tussentijd heeft het kabinet opgeroepen de moratoria nog in stand te houden, omdat het ongewenst is dat in relatief korte tijd de spelregels meerdere keren sterk veranderen en om geen snelle groei van het aantal geitenbedrijven te krijgen op plaatsen waar niet veel later een afstandsnorm zou worden ingevoerd.

De leden van de BBB-fractie vragen de minister tot slot om expliciet te maken waar in dit dossier de grens ligt tussen wetenschappelijke onderbouwing en politieke risicokeuzes. Kan de minister per voorgestelde maatregel aangeven in hoeverre deze is gebaseerd op aantoonbare effecten en in hoeverre op voorzorg of aannames? Acht de minister het wenselijk om bij zulke ingrijpende gevolgen voor een sectorbeleid te baseren op onzekerheden die in de tijd aantoonbaar verschuiven?

Zoals in de voorgaande antwoorden is toegelicht, is het maatregelenpakket dat wordt uitgewerkt in de basis gestoeld op aantoonbare wetenschappelijke inzichten, waarbij voorzorg een rol speelt en waarbij het uiteindelijk gaat om het maken van afgewogen politiek-bestuurlijke keuzes. Bij het nemen van maatregelen zal aangegeven worden in hoeverre voorzorg een rol speelt in de onderbouwing. Uiteraard heeft het kabinet bij de uitwerking van het maatregelenpakket oog voor de impact en proportionaliteit van deze maatregelen. Hiertoe wordt momenteel een brede impactanalyse uitgevoerd.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief Antwoorden VGO-onderzoekers naar aanleiding van Gezondheidsraadavies. Deze leden wijzen erop dat we al bijna 15 jaar weten dat geitenhouderijen een risico vormen voor de gezondheid van omwonenden. Omwonenden hebben een verhoogd risico op longontstekingen, met elk jaar honderden ziekenhuisopnames en zelfs sterfgevallen als gevolg.

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de Kamer de regering heldere kaders heeft meegegeven voor de aanpak die de regering voor de zomer naar de Kamer zal sturen. Zo heeft de Kamer duidelijk verzocht om geen uitbreiding, verplaatsing en nieuwbouw van geitenstallen meer toe te staan (Kamerstuk 29683, nr. 305) en opgeroepen om woningbouw en volksgezondheid te prioriteren boven de intensieve geitenhouderij (Kamerstuk 29683, nr. 320). Deze leden verzoeken het kabinet om deze moties uit te voeren.

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe het kabinet het voorzorgsprincipe meeneemt bij het bepalen van de afstandsnorm. Deelt de minister de mening dat de volksgezondheid niet mag lijden onder de geitenhouderij en het voorzorgsbeginsel hierin leidend zal zijn? Kan de minister bevestigen dat het kabinet volksgezondheid zal prioriteren boven de intensieve geitenhouderij, conform de eerdergenoemde aangenomen motie (Kamerstuk 29683, nr. 320)?

De bescherming van de volksgezondheid staat voorop in de aanpak van gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen. Daarbij heeft het kabinet ook oog voor de proportionaliteit van voorzorgsmaatregelen. Momenteel wordt een brede impactanalyse uitgevoerd, zodat de impact van maatregelen in samenhang kan worden bezien en gewogen. Hierin wordt de impact van een afstandsnorm van zowel 500 als 1.000 meter in kaart gebracht. De uitkomsten worden betrokken bij de besluitvorming over de afstandsnorm. Bij de uitwerking zal het kabinet de motie-Kostić betrekken en bij de publicatie van regelgeving aangeven op welke manier de afweging tot stand is gekomen.

De leden van de PvdD-fractie wijzen er tevens op dat er in Nederland een groot tekort aan betaalbare woningen is. Zolang er geen heldere afstandsnormen zijn, zullen mensen die al jaren opzoek zijn naar een woning zich gedwongen kunnen voelen om een woning te accepteren in de buurt van een geitenhouderij, ondanks dat zij hierdoor een verhoogd risico hebben op longontstekingen. Tegelijkertijd zal het invoeren van een afstandsnorm zonder een duidelijke regierol van het kabinet ertoe leiden dat er minder woningen worden gebouwd en mensen in Nederland

langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland. De Kamer heeft al aangegeven dat zij dit niet uit te leggen vindt. Kan de minister bevestigen dat het kabinet woningbouw zal prioriteren boven de intensieve geitenhouderij, conform eerdergenoemde aangenomen motie (Kamerstuk 29683, nr. 320)?

De ruimte in Nederland is schaars. Veel opgaven komen samen op dezelfde plek, daarom zoeken we bij de uitwerking van een afstandsnorm ook naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. Zoals gezegd zal het kabinet aan de hand van de uitkomsten van de impactanalyse besluiten over een eventuele afstandsnorm. Bij de uitwerking zal het kabinet de motie-Kostić betrekken en bij de publicatie van regelgeving aangeven op welke manier de afweging tot stand is gekomen.

De leden van de PvdD-fractie vragen daarnaast aandacht voor de bredere druk op het landgebruik in Nederland. Doordat bijna de helft van de grond in Nederland wordt gebruikt voor de veehouderij is de beschikbare ruimte schaars en dit komt ook nog eens verder onder druk te staan doordat het huidige landbouwsysteem grote gevolgen heeft voor de volksgezondheid en de natuur. Deze leden benadrukken dat duidelijke en strenge afstandsnormen noodzakelijk zijn om de volksgezondheid te beschermen. Tegelijkertijd constateren zij dat de combinatie van grondgebruik voor de veehouderij, gezondheidsrisico’s rond geitenhouderijen en andere effecten van de manier waarop het huidige landbouwsysteem is ingericht, zoals stikstofdepositie en het gebruik van landbouwgif, ertoe leidt dat een groeiend deel van het land ongeschikt is voor veilige woningbouw. Hoe weegt het kabinet deze cumulatieve impact van ons landbouwsysteem op het landgebruik?

De ruimte in Nederland is schaars. Veel opgaven komen samen op dezelfde plek. Wonen, werken, landbouw, natuur, water, defensie, energie en infrastructuur concurreren met elkaar binnen dezelfde regio’s om ruimte. Daarbij zoekt het kabinet dan ook naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. De Ontwerp-Nota Ruimte laat zien dat scherpe keuzes en een zorgvuldige, integrale belangenafweging daarbij noodzakelijk zijn.


  1. Een ideale maatregel zou emissies sterk verminderen, breed toepasbaar zijn, geen ongewenste neveneffecten hebben, betaalbaar zijn en op veel draagvlak kunnen rekenen. Uit WUR-rapport, bijlage bij Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 289.↩︎

  2. Bijlage bij Kamerstukken II 2024/2025, 28 973, nr. 268.↩︎

  3. Gezondheidsraad (2025). Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen 2025: deel II, p. 17.↩︎

  4. Zie de beantwoording van schriftelijke vragen van de leden Van der Plas en Pierik (beiden BBB) d.d. 10 maart 2025; Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2024/25, nr. 1957.↩︎