[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Kabinetsreactie op periodieke rapportages Ondernemerschap en Innovatiebeleid

Innovatiebeleid

Brief regering

Nummer: 2026D36335, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-20 14:17, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 33009 -180 Innovatiebeleid.

Onderdeel van zaak 2026Z16077:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


33 009 Innovatiebeleid

31 311 Zelfstandig ondernemerschap

Nr. 180 Brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 juli 2026

In maart 2026 heb ik u de periodieke rapportages op de terreinen Ondernemerschap en Innovatiebeleid aangeboden (Kamerstuk 2026Z04929&did=2026D11228">33 009, nr. 176). Deze periodieke rapportages gaan in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op de terreinen ondernemerschap en innovatiebeleid in de periode 2020-2025. Hierbij ontvangt u de kabinetsreactie zoals aangekondigd in mijn eerdere brief.

Ondernemerschap en innovatie zijn van groot belang. Een florerend en innovatief bedrijfsleven – van startup en mkb’er tot grootbedrijf – is essentieel voor een sterk verdienvermogen, het adresseren van maatschappelijke uitdagingen en het bevorderen van economische weerbaarheid. De overheid draagt hier op allerlei manieren aan bij met ondernemerschaps- en innovatiebeleid, bijvoorbeeld door toegang tot financiering te vergemakkelijken en zorg te dragen voor een hoogwaardig toepassingsgericht kennisstelsel. De periodieke rapportages lichten het beleid op de verschillende onderdelen door.

Als eerste geef ik mijn reactie op de hoofdconclusies voor de twee beleidsterreinen. Vervolgens ga ik in op specifieke bevindingen voor de beide beleidsterreinen. Daarna ga ik in op de uitgewerkte besparings- en intensiveringsopties, die een verplicht onderdeel zijn in de periodieke rapportages. Tot slot geef ik mijn reactie op de aanbevelingen om de periodieke rapportage als instrument door te ontwikkelen. Over de opvolging van de aanbevelingen zal jaarlijks worden gerapporteerd in een brief aan de Tweede Kamer parallel aan het jaarverslag van het ministerie.

De periodieke rapportage kijkt per definitie terug, dit is waardevol. Inmiddels is het coalitieakkoord van het kabinet Jetten gepubliceerd met beleidsvoornemens die relevant zijn voor een aantal bevindingen uit de periodieke rapportages. Hierop zal ik in de afzonderlijke paragrafen ingaan.

  1. Beleidsreactie op hoofdconclusies

De hoofdconclusie is dat het ondernemerschaps- en innovatiebeleid in het algemeen effectief en legitiem is. Het gevoerde beleid draagt bij aan een sterk verdienvermogen van Nederland, een aantrekkelijk ondernemingsklimaat en een innovatieve, veerkrachtige economie.

Daarnaast toont het beleid over het geheel lerend vermogen. Voor het merendeel van de instrumenten is een recente evaluatie beschikbaar. En regelingen die kritisch zijn geƫvalueerd worden doorgaans aangepast of afgebouwd. Aanbevolen wordt dan ook om door te gaan met evalueren, leren en verbeteren.

Het ondernemerschapsbeleid kent, aldus de onderzoekers, sterke punten ten aanzien van toegang tot financiering, kennisbescherming- en veiligheid, het beperken van regeldruk en leveren van goede en toegankelijke dienstverlening aan ondernemers. Verbeterpunten zijn er bij fiscale ondernemerschapsregelingen, die deels niet doeltreffend en doelmatig zijn. Dit geldt ook voor regelingen op het terrein van menselijk kapitaal, die te klein zijn voor macro-economische impact en concurreren met beleid van andere ministeries.

Innovatiebeleid is succesvol bij generieke regelingen gericht op het bevorderen van innovatie in het bedrijfsleven, het in stand houden van een hoogwaardig toegepast kennisstelsel en het vergroten van valorisatie van kennis en onderzoek. Missiegedreven innovatiebeleid adresseert systeem- en transitiefalen door innovatie te richten op maatschappelijke opgaven en past bij de noodzaak tot scherpere keuzes bij toenemende schaarsten. Aandachtspunten zijn, aldus de onderzoekers, schaal en samenhang voor het beleid gericht op valorisatie, startups en scale-ups, en de digitale transitie. Ook dient sectorspecifieke steun beter onderbouwd te worden. Deze kan vanuit strategische autonomie overigens verdedigbaar zijn, aldus de onderzoekers.

De periodieke rapportages geven voor beide beleidsterreinen aan dat een verbetering van de samenhang en schaal de effectiviteit en efficiĆ«ntie van het instrumentarium verder kan vergroten. Door de tijd heen neemt het aantal (kleine) specifieke beleidsinstrumenten toe, wat leidt tot toenemende complexiteit en versnippering. De aanbeveling van de onderzoekers is daarom om de doelenboom – een overzicht van het ministerie van EZK om de instrumenten te ordenen – te vereenvoudigen en de complexiteit van de beleidsmix te verminderen.

Reactie

Het verheugt mij dat het ondernemerschaps- en innovatiebeleid in grote lijnen positief beoordeeld is. Daarmee biedt het huidige beleid een goede basis voor de doorontwikkeling van beide beleidsterreinen in de huidige kabinetsperiode. Het coalitieakkoord 2026-2030 biedt hiervoor verschillende aanknopingspunten.

Ook waardeer ik dat de wijze van evalueren positief beoordeeld is. Ik ga hiermee door en zal daarbij de aanbeveling ter harte nemen om de bestaande evaluatiepraktijk verder te verbeteren. Bijvoorbeeld door meer aandacht te besteden aan (ongewenste) neveneffecten en de bewijsbasis voor nieuwe instrumenten te verbeteren.

De periodieke rapportages noemen de verbetering in de samenhang en schaal van het beleidsinstrumentarium als aandachtspunt. Ik neem het signaal ter harte dat het aantal (kleine) specifieke beleidsinstrumenten is toegenomen, wat leidt tot toenemende complexiteit en versnippering. Inmiddels zijn ook een aantal van deze beleidsinstrumenten beƫindigd, mede op basis van de evaluaties.

Het coalitieakkoord heeft samenwerking hoog in het vaandel staan. Hiertoe is een aantal Ministeriƫle Taskforces opgericht die tot doel hebben de samenhang in het beleid, ook tussen departementen, te versterken. Voor het ondernemerschaps- en innovatiebeleid is dit de Ministeriƫle Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat (Kamerstuk 36 848, nr. 106).

2. Beleidsreactie – ondernemerschap

In deze en de volgende paragraaf ga ik afzonderlijk voor het ondernemerschaps- en innovatiebeleid in op de inhoudelijke conclusies en aanbevelingen.

Ondernemings- en vestigingsklimaat

De periodieke rapportage concludeert dat de ambitie om het Nederlandse ondernemings- en vestigingsklimaat tot de wereldwijde top te laten behoren wordt behaald, maar de afgelopen jaren wel onder druk staat. De beleidsinzet van EZK draagt over het algemeen bij aan een beter ondernemings- en vestigingsklimaat, maar ondernemers hebben te maken met verschillende vormen van krapte, zoals energie, talent en ook ruimte. Samenwerking met andere departementen kan deze randvoorwaarden in orde maken.

Reactie

Ik onderschrijf dat het ondernemings- en vestigingsklimaat onder druk staat. Dit blijkt ook uit de Monitor Ondernemingsklimaat van mijn ministerie. Sinds 2022 is de waardering daarvan door ondernemers gedaald van een 6,8 naar een 6,1 in 2025 (Kamerstuk 32 637, nr. 738). Knelpunten die ondernemers zien zijn gebrek aan stabiliteit van (fiscaal) beleid, regeldruk, arbeidsmarktkrapte en netcongestie. Ik onderschrijf dan ook de conclusie uit de periodieke rapportage dat verbetering van deze randvoorwaarden de inspanning van EZK Ʃn andere departementen vraagt. Dit vraagt om versterking van de samenwerking via de Ministeriƫle Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Met deze taskforce wil het kabinet investeringen aanjagen en het ondernemings- en vestigingsklimaat versterken. Het kabinet wil zo de verbetering van de randvoorwaarden gezamenlijk aanpakken. Daarnaast heeft het kabinet een halfjaarlijks overleg met het bedrijfsleven, waaronder VNO-NCW en MKB-Nederland, gericht op open dialoog en concrete knelpunten.

Beleid gericht op menselijk kapitaal

De doeltreffendheid en doelmatigheid zijn, aldus de periodieke rapportage, beperkt voor het beleid gericht op de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd menselijk kapitaal. Het wordt als kleinschalig en versnipperd beoordeeld. Effectief beleid gericht op meer specifiek arbeidsaanbod vergt structurele interdepartementale coƶrdinatie en prioritering, mede om concurrentie tussen departementen te voorkomen. De aanbeveling is om tot een generieke arbeidsmarktagenda te komen voor het beleid rond menselijk kapitaal.

Reactie

Ik onderschrijf deze aanbeveling. Het coalitieakkoord zet in op de ontwikkeling van een nationale talentstrategie. Deze wil de versnippering van arbeidsmarktbeleid doorbreken door de inzet van diverse ministeries, kennisinstellingen en het bedrijfsleven beter op elkaar af te stemmen. Deze talentstrategie wordt uitgewerkt in het kader van de taskforce. Daarnaast zijn inmiddels in het kader van vermindering versnippering een aantal regelingen afgeschaft, zoals MBK!dee en O2-Lab.

Fiscale ondernemerschapsregelingen

De periodieke rapportages stellen dat de beleidslegitimatie van de meeste fiscale ondernemerschapsregelingen beperkt is en dat deze regelingen in evaluaties als weinig doeltreffend en doelmatig zijn beoordeeld.

Reactie

Ik onderschrijf dat er kansen zijn om de doeltreffendheid van de fiscale regelingen te vergroten. Uit het ambtelijk rapport ā€˜Kansen voor lagere tarieven en beter beleid’ van juni 2025 (Kamerstuk 32 140, nr. 266) blijkt dat het mogelijk is om de fiscale ondernemerschapsregelingen meer te richten op positieve maatschappelijke effecten, met minder verstoring van de arbeidsmarkt en lagere lasten op arbeid/personeelskosten. De huidige regelingen zijn veelal ongericht en leiden niet in voldoende mate tot de gewenste positieve maatschappelijke effecten. In de meeste fiscale ondernemerschapsregelingen staat het zijn van ondernemer centraal en niet bijvoorbeeld de mate van innoveren, werkgeverschap of (duurzaam) investeren. Mede naar aanleiding van de geconstateerde beperkingen worden de meewerkaftrek en de stakingsaftrek afgebouwd en vervolgens afgeschaft. Beoogd is om dit budget te gebruiken voor een gerichte fiscale regeling om medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups te stimuleren. Uiteraard is het belangrijk om bij een alternatieve aanwending van deze middelen oog te hebben voor de belastingdruk op ondernemen en de fiscale neutraliteit van het stelsel.

3. Beleidsreactie - innovatiebeleid

Valorisatie-instrumenten

Het valorisatie instrumentarium is overwegend positief geƫvalueerd, al is de schaal beperkt en lijkt de doorwerking op macroniveau klein. Het valorisatiebeleid heeft een sterke legitimatie, namelijk het benutten van kennis voor maatschappelijke en economische doelen. Een duidelijkere strategische lijn en schaalvergroting vergroten waarschijnlijk de beleidsimpact, aldus de onderzoekers.

Reactie

Mijn inzet op het gebied van valorisatie is breder dan de financiƫle instrumenten die in deze periodieke rapportages zijn onderzocht. Valorisatiebeleid is structureel ingebed in het missiegedreven innovatiebeleid en speelt een belangrijke rol bij projecten die gefinancierd worden uit het Nationaal Groeifonds. Verder wordt met het Techleap-programma valorisatie ondersteund. Voorts is er aandacht voor valorisatie binnen het onderzoek- en wetenschapsbeleid van OCW, onder andere gericht op instellingen in het hoger onderwijs.

Ten aanzien van de financiƫle instrumenten voeren EZK, OCW en NWO samen een verkenning uit naar de mogelijkheden om de samenhang te vergroten tussen financiƫle valorisatie-instrumenten die door EZK en OCW worden gefinancierd en door NWO worden uitgevoerd. Dit met het oog op mogelijke integratie van deze instrumenten.

In de Kamerbrief ā€˜Investeren in een weerbare en toekomstbestendige economie: het 3%-R&D-actieplan’ (Kamerstuk 33 009, nr. 165) is aangekondigd dat OCW en EZK samen stappen zetten om de economische en maatschappelijke impact van onderzoek van Nederlandse instellingen te vergroten. Daarbij wordt ook de AWTI betrokken, die advies uit zal brengen over acties die ondernomen kunnen worden. Uw Kamer heeft mij in een motie verzocht om te onderzoeken hoe valorisatie kan worden versterkt door structurele financiering voor academische spin-offcreatie te bieden en dit te koppelen aan ondernemersvriendelijke randvoorwaarden (Kamerstuk 32 637, nr. 746). Uw Kamer zal hierover naar verwachting in het derde kwartaal van 2026 worden geĆÆnformeerd. Binnen het bredere innovatiebeleid wil ik de inzet op valorisatie versterken. Daarbij zie ik ook een rol voor het in het coalitieakkoord opgenomen Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI). Dit wordt uitgewerkt door de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat.

Start- en scaleupbeleid en beleid gericht op de digitale transitie

De periodieke rapportages concluderen dat het start- en scaleupbeleid aansluit op marktfalens, maar een onduidelijke afbakening van de doelgroep kent. Daarnaast overlapt het met bredere ondernemerschapsinstrumenten op het terrein van financiering en regeldruk. De resultaten zijn vooral op langere termijn te verwachten.

Voor wat betreft de initiatieven gericht op het ondersteunen van de digitale transitie is de conclusie dat deze kleinschalig en versnipperd zijn en overlappen met onder andere de missieagenda’s en het generieke digitaliseringsbeleid.

Reactie

Startups zijn jonge innovatieve (tech)bedrijven met groeiambitie. Ze spelen een sleutelrol in het versterken van het verdienvermogen en het realiseren van de grote transities. Het kabinet zet daarom in op een gerichte ecosysteembenadering en specifieke ondersteuning van start- en scale-ups, met nadruk op innovatie, verduurzaming en productiviteitsgroei. Startups en scale-ups verdienen daarom expliciete aandacht omdat zij meer dan bijvoorbeeld gewone starters nadrukkelijk tegen knelpunten aanlopen. Het coalitieakkoord adresseert de eerder gesignaleerde knelpunten rond toegang tot kapitaal, doorgroei en regeldruk. Zo kondigt het coalitieakkoord aan te starten met het NADI en de NII. Alhoewel het kabinet om budgettaire redenen ervoor heeft gekozen om structureel minder uit te geven aan het Toekomstfonds, blijft de financieringsketen intact.1 Daarmee wordt de beleidsinzet voor deze doelgroep duidelijker gepositioneerd binnen het bredere ondernemerschaps- en innovatiebeleid. Daarmee wordt de beleidsinzet voor deze doelgroep duidelijker gepositioneerd binnen het bredere ondernemerschaps- en innovatiebeleid.

In de onderhavige periodieke rapportages is digitalisering maar beperkt aan de orde gekomen. Het digitaliseringsbeleid valt voor een groot gedeelte onder artikel 1 van de EZK-begroting en komt uitgebreid aan de orde bij de aankomende periodieke rapportage over ā€˜goed werkende (digitale) economie en markten’ in 2027. De pilot mijn Digitale Zaak is inmiddels gestopt, mede op basis van de evaluatie. De MKB-Digiwerkplaatsen worden inmiddels grotendeels voortgezet door de regio’s, zoals vanaf de start afgesproken was.

Missiegedreven innovatiebeleid

Volgens de periodieke rapportage heeft het missiegedreven innovatiebeleid een overtuigende theoretische basis: het adresseert systeem- en transitiefalen door innovatie te richten op maatschappelijke opgaven. Dit beleid is echter nog relatief nieuw en er is nog geen robuuste evaluatiebasis, zo constateren de onderzoekers. Het onderzoek concludeert dat de instrumenten deels verankerd blijven in de oude topsectorstructuur en soms weinig afwijken van sectorspecifieke ondersteuning. Tevens wordt gesteld dat de beleidskoers regelmatig wisselt, waardoor een stabiel langetermijnkader ontbreekt. De onderzoekers benoemen dat de Nationale Technologiestrategie dit kader kan bieden, mits deze gepaard gaat met duidelijke keuzes, minder versnippering en toetsing op neveneffecten en consistent, langjarig kan worden aangehouden.

Reactie

Het missiegedreven innovatiebeleid heeft een ontwikkeling doorgemaakt. In grote lijnen is sprake geweest van continuĆÆteit in de geformuleerde missies (Kamerstuk 2023Z09541&did=2023D22850">33 009, nr. 120). Het adresseren van maatschappelijke opgaven met missies blijft binnen het missiegedreven innovatiebeleid als langetermijnkader fungeren. Wel is de PPS-toeslagregeling omgevormd naar een PPS-Innovatieregeling en is digitalisering als missiedoorsnijdend thema toegevoegd aan het beleid, naast sleuteltechnologieĆ«n en maatschappelijk verdienvermogen als al eerder gehanteerde missiedoorsnijdende thema’s (Kamerstuk 2023D45425&did=2023D45425">33 009, nr. 135). Tevens is er meer aandacht gekomen voor valorisatie binnen de missies en het missiedoorsnijdende thema maatschappelijk verdienvermogen (Kamerstuk 2023D45425&did=2023D45425">33 009, nr. 135). Tot slot heeft het missiedoorsnijdende thema sleuteltechnologieĆ«n nu een verdere concretisering op basis van de 10 prioritaire sleuteltechnologieĆ«n uit de Nationale Technologiestrategie (Kamerstuk 2024Z00695&did=2024D01638">33 009, nr.140). De Nationale Technologiestrategie is als onderdeel van het missiegedreven innovatiebeleid inmiddels stevig verankerd met actieagenda’s voor de tien prioritaire sleuteltechnologieĆ«n.2 Met genoemde aanscherpingen wordt beoogd het functioneren van het missiegedreven innovatiebeleid te verbeteren.

Dit jaar wordt het missiegedreven innovatiebeleid geƫvalueerd wat betreft de werking en vormgeving van de gehanteerde coƶrdinatiemechanismen ter bevordering van innovatie ten behoeve van maatschappelijke opgaven. Het evalueren van de instrumenten en middelen die de departementen inzetten als bijdragen aan het realiseren van missies is een verantwoordelijkheid van de departementen zelf, evenals het monitoren van de voortgang bij het bereiken van de missies.

Sectorspecifieke steun

Sectorspecifieke steun is volgens de onderzoekers economisch lastig te rechtvaardigen, maar er wordt bij vermeld dat die vanuit strategische autonomie verdedigbaar kan zijn. Wetenschappelijke literatuur is vaak kritisch over de effectiviteit van sectorspecifieke steun, al blijft het internationaal veel toegepast, vooral in sectoren als defensie en ruimtevaart. De onderzoekers concluderen ook dat sectorspecifiek beleid sterker wordt naarmate het expliciet gekoppeld is aan missiegedreven innovatiebeleid, inclusief de Nationale Technologiestrategie, hoewel het ook kan botsen met het sectoroverstijgende karakter van missies.

Reactie

Een belangrijk aandachtspunt dat de onderzoekers benadrukken voor de sectorspecifieke ondersteuning is dat de middelen niet alleen doeltreffend zijn voor de sector zelf, maar ook macro-doelmatig worden ingezet. Dat betekent dat het niet alleen de specifieke sector moet ondersteunen, maar ook de Nederlandse economie in brede zin. Niet-doelmatigheid op macroniveau kan worden voorkomen door ruimte te houden voor economische dynamiek in de inrichting van het industriebeleid. Juist dynamiek, verandering en vernieuwing bieden de basis voor onze toekomstige welvaart, omdat arbeid en kapitaal vloeit naar de plekken waar ze het best tot hun recht komen (Kamerstuk 2025Z14631&did=2025D33542">36 600 XIII, nr. 66) Manieren om dit te waarborgen zijn onder meer tijdelijkheid van interventies, de inzet van monitoring en evaluaties, de inbouw van flexibiliteit in het beleid om tussentijds bij te kunnen sturen en het expliciet oog hebben voor de toegang van nieuwe bedrijven in het industriebeleid. Dit zijn aandachtspunten die we meenemen in het vernieuwde industriebeleid dat in de recente brief 'Industriebeleid met focus' is gepresenteerd (Kamerstuk 29 826, nr. 277). Veel regelingen die vallen onder sectorspecifieke ondersteuning zijn te recent gestart om al te zijn geƫvalueerd. Ik kijk daarom uit naar de resultaten uit de specifieke beleidsevaluaties voor deze regelingen.

De onderzoekers geven ook aan dat strategische autonomie in Europees verband een gegronde legitimering voor de inzet van sectorale middelen is. Dit zou een groot deel van deze middelen legitimeren. De huidige internationale economische en geopolitieke situatie, waarin economische macht steeds vaker wordt ingezet voor politieke doeleinden, vraagt om een actievere rol van de overheid. Met het nieuwe industriebeleid zet het kabinet in op de versterking van markten die sterk bijdragen aan het verdienvermogen, maatschappelijke opgaven, en de economische weerbaarheid van Nederland (strategische autonomie). Met de Ministeriƫle Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat zorgt het kabinet voor de nodige doorbraken op dit punt.

3%-doelstelling voor R&D

De onderzoekers stellen verder vast dat het beleid om Nederland een koploper op het terrein van innovatie te maken slaagt, maar dat de 3%-doelstelling voor R&D-investeringen vooralsnog niet wordt behaald. Het gat met de doelstelling voor R&D in 2030 is aanzienlijk en hangt deels samen de economische structuur in Nederland. Beleidsinspanningen gericht op structuurverandering hebben daardoor de meeste potentie om bij te dragen aan het behalen van de doelstelling, concluderen de onderzoekers.

Reactie

In het 3%-R&D-actieplan’ (Kamerstuk 33 009, nr. 165 ) zijn actielijnen geformuleerd gericht op verhoging van de R&D-uitgaven naar 3% van het bbp in 2030. Veel actielijnen in dit plan ondersteunen de inzet op structuurverandering door het bevorderen van de oprichting en doorgroei van (nieuwe) R&D-intensieve bedrijven, en het versterken van het vestigingsklimaat voor R&D-intensieve bedrijven.

  1. Besparings- en intensiveringsvarianten

De periodieke rapportages bevatten verplicht besparings- en intensiveringsvarianten Voor beide beleidsterreinen geldt dat het versoberen of stoppen van instrumenten die bewezen niet effectief zijn een eerste manier van besparen is. Echter, dit is wat het ministerie van EZK met de meeste instrumenten al doet, zo constateren de onderzoekers. De besparing daarop is daarom beperkt. Blijft over de besparing op instellingen, dan wel een generieke korting op instrumenten als belangrijkste besparingsoptie. Op het terrein van innovatiebeleid zijn tevens een korting op ondersteuning van specifieke sectoren en het afschaffen van valorisatie-instrumenten als opties geformuleerd. Bij de ondersteuning van specifieke sectoren zijn de middelen voor het ruimtevaartbeleid met name Nederlandse bijdragen aan de European Space Agency (ESA). Voor het lidmaatschap van Nederland van de ESA zijn financiƫle bijdragen aan de ESA verplicht. In de periodieke rapportages wordt opgemerkt dat besparingen zouden leiden tot verschraling.

Ook bij de intensiveringsvarianten worden diverse opties besproken. Zoals bijvoorbeeld de oprichting van een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en van een Nationale Investeringsinstelling (NII) en de optimalisering van financieringsinstrumenten. Hierbij wordt door de onderzoekers ook verwezen naar het IBO Bedrijfsfinanciering (Kamerstuk, 32 637 nr. 646), dat een grote stap heeft gezet met het bij elkaar brengen van financieringsinstrumenten in een overkoepelende beleidstheorie. Verder zijn er intensiveringsopties ontleend aan de Kamerbrief ā€˜Investeren in een weerbare en toekomstbestendige economie: het 3%-R&D-actieplan’ (Kamerstuk 33 009, nr. 165).

Reactie

De bezuinigingen, zoals ingezet door het vorige kabinet en aangekondigd in het coalitieakkoord zullen ook gevolgen hebben voor het ondernemerschaps- en innovatiebeleid. Keuzes moeten gemaakt worden. Deze worden momenteel uitgewerkt. In dit licht verheugt de ambitie van het coalitieakkoord mij, dat onder andere spreekt over het NADI, de NII en innovatie regionale campussen.

  1. Tot slot: de periodieke rapportage als instrument

De onderzoekers bevelen aan om de rol van de periodieke rapportage te versterken. Bijvoorbeeld door het strategisch doel ā€˜Een weerbaar Europa en sterke Nederlandse regio’s’ als thema bij de volgende periodieke rapportages over het ondernemerschaps- en innovatiebeleid te betrekken. En daarnaast om voorafgaand aan de volgende periodieke rapportages te bezien in hoeverre extracomptabele middelen meer eenduidig bij de periodieke rapportage betrokken worden. Dit betreft fiscale regelingen die onder de beleidsverantwoordelijkheid van het ministerie van EZK vallen, maar op de begroting van het ministerie van FinanciĆ«n staan. Ook zou de inzet van ambtelijke capaciteit voor deze beleidsterreinen meegenomen kunnen worden, aldus de onderzoekers.

Reactie

Periodieke rapportages worden eens in de vijf jaar opgesteld. Mijn uitgangspunt is om alle relevante thema’s binnen het ondernemerschaps- en innovatiebeleid op te nemen. Het is voorstelbaar dat dit in 2030 geldt voor strategische autonomie. Dit dient te zijner tijd bepaald te worden. De suggestie om de inzet van ambtelijke capaciteit op de onderdelen van de beide beleidsterreinen mee te nemen in de periodieke rapportages volg ik niet op. Dit betreft de bedrijfsvoering van mijn departement. Of en welke extracomptabele middelen in scope zijn voor de periodieke rapportages, vraagt te zijner tijd om nader overleg tussen het ministerie van EZK en FinanciĆ«n.

De minister van Economische Zaken en Klimaat,

H.G. Herbert


Bijlage 1. Bevindingen/aanbevelingen waar opvolging aan wordt gegeven

Onderstaande tabel laat zien welke acties worden opgepakt om opvolging te geven aan de aanbevelingen en conclusies van de periodieke rapportages. Acties die reeds zijn aangekondigd in het coalitieakkoord, zoals op het terrein van arbeidsmarkt of het instellen van de Ministeriƫle Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat, worden in deze tabel niet meegenomen.

Tabel 1 Beleidsmatige bevindingen waar opvolging aan wordt gegeven en bijbehorende acties

Bevinding Actie
Bij valorisatie-instrumenten minder onderlinge samenhang dan gewenst is. Traject gericht op de ontwikkeling van een samenhangend geheel van financiƫle valorisatie-instrumenten uitgevoerd door NWO.
Beperkte schaal van valorisatie-instrumenten, waarbij de doorwerking op macroniveau beperkt lijkt. Kamerbrief over stappen die OCW en EZK samen zetten om de economische en maatschappelijke impact van onderzoek van Nederlandse instellingen verder te vergroten.
Voorafgaand aan de volgende periodieke rapportages te bezien in hoeverre extracomptabele middelen meer eenduidig bij de periodieke rapportage betrokken worden. Voorafgaand aan de volgende periodieke rapportages overleggen met het ministerie van Financiƫn over welke fiscale regelingen worden meegenomen.

  1. Budgettaire bijlage bij het Coalitieakkoord: https://open.overheid.nl/documenten/ae784c79-5e0a-4866-85f5-1b80c5dc614e/fileā†©ļøŽ

  2. KIA ST, 2026, Tien actieagenda’s voor de Nationale Technologiestrategie (NTS); https://www.kia-st.nl/kia-sleuteltechnologieen/actieagendas-nts.ā†©ļøŽ