[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Antwoord op vragen van het lid Ergin over de uitspraak dat het islamitische geloof ‘het minst tolerant’ zou zijn

Antwoord schriftelijke vragen

Nummer: 2026D39961, datum: 2026-08-31, bijgewerkt: 2026-09-01 10:59, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z15017:

Preview document (🔗 origineel)


AH 2876

2026Z15017

Antwoord van staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 31 augustus 2026)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025-2026, nr. 2543

Vraag 1

Waarom heeft u ervoor gekozen om, naar aanleiding van een onderzoek naar lhbtiq+-opvattingen onder jongeren, te stellen dat het islamitische geloof “het minst tolerant” zou zijn in vergelijking met het christendom en andere geloofsovertuigingen?

Antwoord 1

Ik sta pal voor vrijheid en gelijkwaardigheid als fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. Deze waarden zijn niet onderhandelbaar. In Nederland moet iedereen in vrijheid en veiligheid zichzelf kunnen zijn, ongeacht godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of welke grond dan ook.

Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam1 stond op de convocatie van het Commissiedebat Emancipatie van

25 juni jongstleden. Tijdens dit debat vond een discussie plaats tussen de leden van de commissie. Hierbij vroegen de leden om een toelichting over acceptatie in relatie tot religie. In mijn reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt. Het onderzoek meldt dat religieuze jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen hebben dan niet-religieuze jongeren. Onder religieuze jongeren hebben islamitische jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen dan christelijke en andersgelovige jongeren (p. 45-46 van het rapport).

Vraag 2

Klopt het dat het onderzoek geen oordeel geeft over de tolerantie van religies, maar uitsluitend ziet op opvattingen van jongeren over lhbtiq+-personen?

Zo ja, waarop baseerde u dan uw uitspraak dat het islamitische geloof “het minst tolerant” zou zijn?

Antwoord 2
Het onderzoek brengt in kaart welke factoren correleren met de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Uit het onderzoek blijkt dat met name de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg een rol spelen bij de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Zie het antwoord op vraag 1.


Vraag 3

Heeft u deze uitspraak gedaan namens het kabinet, onder het beginsel van eenheid van kabinetsbeleid, of betrof dit uw persoonlijke opvatting?

Antwoord 3

Zie de antwoorden op vragen 1 en 2. In de kabinetsreactie op het onderzoek

De lhbtiq+-opvattingen van 1 juni jl. deel ik mijn appreciatie van de resultaten uit het rapport.2

Vraag 4

Indien dit kabinetsbeleid betreft: kan het kabinet bevestigen dat het islamitische geloof volgens het kabinet “het minst tolerant” is? Indien dit niet het geval is, waarom heeft u deze uitspraak dan gedaan als bewindspersoon?

Antwoord 4

Zie de antwoorden op vragen 1, 2 en 3.

Vraag 5

Waarom heeft u ervoor gekozen een algemene kwalificatie te geven van “het islamitische geloof”, terwijl het onderzoek uitsluitend betrekking heeft op opvattingen van respondenten die zichzelf als moslim identificeren?

Antwoord 5

Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren was onderwerp van gesprek in het Commissiedebat Emancipatie. In mijn reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt als het gaat om religie en verschillen tussen religies.

Zie ook het antwoord op vraag 1.

Vraag 6

Erkent u dat uw uitspraak een algemene kwalificatie van het islamitische geloof inhoudt, terwijl de onderzoekers zelf geen conclusies trekken over religies, maar uitsluitend rapporteren over opvattingen van een onderzochte groep jongeren? Erkent u daarmee dat u met uw algemene duiding verder bent gegaan dan de onderzoekers zelf verantwoorden?

Antwoord 6

Mijn uitspraken komen voort uit eerdergenoemd onderzoek en zijn gedaan in het Commissiedebat Emancipatie dat ging over de mogelijke zorgen met betrekking tot afnemende lhbtiq+-acceptatie onder jongeren.

Vraag 7

Heeft u vooraf kennisgenomen van de methodologische kanttekeningen van de onderzoekers, waarin zij waarschuwen dat de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd? Zo ja, waarom heeft u die waarschuwingen niet betrokken bij uw publieke duiding?

Antwoord 7

Ja. In het verlengde daarvan zijn aanvullende onderzoeken en inzichten nodig om beter te begrijpen hoe het complex van factoren met betrekking tot lhbtiq+-acceptatie werkt en daar beleid op te maken voor het verbeteren van de vrijheid en gelijkwaardigheid van lhbtiq+ personen. In 2027 wordt aanvullend onderzoek gepubliceerd dat onder andere nader inzicht moet geven in de invloed van (verschillende vormen van) religieus conservatisme. Op basis van die resultaten weeg ik af welk aanvullend onderzoek en toezicht nodig is.

Vraag 8

Bent u bereid uw woorden in te trekken en excuses aan te bieden aan de moslimgemeenschap in Nederland?

Antwoord 8

Ik ga graag in gesprek met de moslimgemeenschap over lhbtiq+-acceptatie in het algemeen en de vrijheid en gelijkwaardigheid van islamitische lhbtiq+ jongeren in het bijzonder.

Vraag 9

Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?

Antwoord 9

Ja.


  1. Dekker, N. P., Bakker, B. N., Munniksma, A., Daas, R., & van der Maas, H. L. J. (2026). De lhbtiq+-opvattingen van jongeren: een empirische studie. Universiteit van Amsterdam. Kamerstukken II, 2025-2026, 30420, nr. 446↩︎

  2. Kabinetsreactie op het onderzoek ‘De lhbtiq+-opvattingen van jongeren’. Kamerstukken II, 2025-2026, 30420, nr. 447↩︎