[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Lijst van vragen en antwoorden over de stand van Defensie voorjaar 2026 (Kamerstuk 36800-X-82)

Lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D40455, datum: 2026-09-02, bijgewerkt: 2026-09-02 13:31, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z17720:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag

de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Bezuidenhoutseweg 67

2594 AC Den Haag

Datum 2 september 2026
Betreft Beantwoording feitelijke vragen Stand van Defensie voorjaar 2026

Ministerie van Defensie

Plein 4

MPC 58 B

Postbus 20701

2500 ES Den Haag

www.defensie.nl

Onze referentie

MINDEF20260057408

Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.

Geachte voorzitter,

Hierbij stuur ik u, mede namens de staatssecretaris van Defensie, antwoorden op de feitelijke vragen over de Stand van Defensie voorjaar 2026 (Kamerstuk 36800-X, nr. 82).

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN DEFENSIE

Dilan Yeşilgöz-Zegerius

DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Derk Boswijk


Antwoorden op feitelijke vragen over de Stand van Defensie voorjaar 2026 (Kamerstuk 36800-X nr.82)

  1. Welk aandeel van de defensie-investeringen in 2025 betrof gezamenlijke Europese aanbesteding, gezamenlijke productie of deelname aan Europese defensieprogramma’s?

Zoals vermeld in de Stand van Defensie van voorjaar 2026 schafte Defensie in 2025 28% van de totale materieelaanschaf samen met Europese partners aan. Het coalitieakkoord ā€˜aan de slag’ stelt een streefwaarde van 40%. Defensie werkt nu aan een exacte definitie van deze KPI en deelt deze in de Stand van Defensie van het najaar. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Piri c.s. (Kamerstuk 36800 X, nr. 32) die de regering verzoekt om halfjaarlijks te rapporteren over de voortgang.

  1. Welke concrete afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers wil Defensie de komende vijf jaar verminderen, en op welke capaciteiten ziet dat?

Defensie zet zich de komende vijf jaar in om de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers te verminderen, waar dit vanuit het oogpunt van leveringszekerheid, strategische autonomie en operationele gereedheid opportuun is. Tegelijkertijd wordt bijgedragen aan een robuustere Europese defensie-industriƫle en -technologische basis.

Deze inzet richt zich met name op capaciteiten die binnen de Europese Unie en in samenwerking met Europese partners kunnen worden ontwikkeld, geproduceerd en ondersteund. Daarbij gaat het onder meer om:

• munitie en kritieke onderdelen,

• onbemenste systemen en counter-dronecapaciteiten,

• ruimtevaart- en satellietcapaciteiten.

Daarnaast vergroot Defensie de weerbaarheid van toeleveringsketens door nauwer samen te werken met de Nederlandse en Europese industrie, deel te nemen aan gezamenlijke Europese ontwikkel- en verwervingsprogramma’s, en waar mogelijk gezamenlijke Europese productie en instandhouding te stimuleren. Ook wordt ingezet op het verminderen van afhankelijkheden op het gebied van kritieke grondstoffen, componenten en reserveonderdelen.

  1. Hoe wordt bij materieelverwerving gestuurd op interoperabiliteit met Europese partners, gezamenlijke instandhouding en gezamenlijke munitievoorraden?

Nederland neemt actief deel aan interoperability afspraken en initiatieven van NAVO en ziet toe op verbetering van de interoperabiliteit in brede zin, die verder gaat dan enkel de aanschaf van materieel, zoals procedures, standaardisatie logistiek, certificering van munitie.

Daarnaast maakt Defensie actief gebruik van initiatieven voor internationale vraagbundeling: het sluit daartoe aan bij de verwerving van wapensystemen door (Europese) NAVO-landen, en biedt deze ook proactief de mogelijkheid om aan te sluiten bij Nederlandse projecten. Om maximale interoperabiliteit via standaardisatie te bereiken, oriƫnteert Defensie zich al aan het begin van het aanschafproces op mogelijkheden voor vraagbundeling en gezamenlijke aanschaf en stelt daarbij zoveel mogelijk eisen die overeenkomen met wat binnen de NAVO en de Europese Unie gebruikelijk is. Dit gebeurt bijvoorbeeld door middel van vraagbundeling bij de aanschaf van de pantserwielvoertuigen Boxer Remote Controlled Turret (RCT30), of via verwerving van anti-tank wapens via de NATO Support and Procurement Agency (NSPA). Dit heeft in toenemende mate ook betrekking op standaarden voor software en datasystemen die koppeling en integratie moeten bevorderen.

Nog beter is het als partnerlanden (vanuit gebruikerspools) afspreken om hetzelfde materieel en dezelfde IT te kopen, of om dit gezamenlijk te ontwikkelen. De voordelen hiervan werken door in de gehele levenscyclus van het materieel: gezamenlijke inkoop kan worden uitgebreid met afspraken over gezamenlijke opleiding en training, onderhoud, beheer en doorontwikkeling. Hiermee kunnen strategische capaciteiten worden opgebouwd die voor individuele landen te kostbaar zijn. In EU-verband worden kritieke capaciteitstekorten gezamenlijk aangepakt door vraagbundeling op prioritaire gebieden (Priority Capablity Area’s). Deze aanpak moet leiden tot verbeterde interoperabiliteit en uitwisselbaarheid van materieel en munitie, en een duidelijk signaal afgeven aan de industrie over de benodigde capaciteiten. Vraagbundeling komt in NAVO-verband onder meer tot stand via het Reoccuring Process for Aggregating Demand (REPEAD). Tevens kan het NATO Support and Procurement Agency (NSPA) namens de NAVO-landen contracten sluiten, ook op het terrein van aanschaf en voorraadvorming van munitie.

  1. Op welke manier wordt met OekraĆÆne samengewerkt op de versterking van onze krijgsmacht en het minder afhankelijk worden van niet-Europese partners?

Zie antwoord op vraag 5.

  1. Welke Nederlandse en Europese productiecapaciteit wordt opgebouwd om zowel OekraĆÆne als de eigen krijgsmacht duurzaam van munitie en reserveonderdelen te voorzien?

Antwoord op vraag 4 & 5:

Het kabinet werkt hard aan de opschaling van de Nederlandse en Europese defensie-industrieën om zowel Oekraïne als onze eigen krijgsmacht tijdig van de juiste capaciteiten te voorzien. Dit is belangrijk voor ons voortzettingsvermogen en om de toeleveringsketen weerbaarder te maken. Daarom wordt in het derde kwartaal van 2026 gestart met het Nationaal Programma Defensie Industrie & Innovatie om de industriële capaciteit en het innovatievermogen verder te versterken. Hiervoor leren we veel van Oekraïne. Om met het realiseren van militaire steun aan Oekraïne tevens meerwaarde te creëren voor de Nederlandse economie, verwerft Defensie o.a. materiaal, systemen en capaciteiten, waar mogelijk en waar dit aansluit bij de behoefte van Oekraïne, bij de innovatieve en hoogtechnologische defensie-industrie in Nederland.

Een cruciaal onderdeel van het opschalen van de industriële capaciteit en het leren van Oekraïense innovaties is het versterken van de industriesamenwerking met Oekraïne door de samenwerking tussen Nederlandse en Oekraïense bedrijven te faciliteren. Zo worden er regelmatig handelsmissies georganiseerd en neemt Nederland actief deel aan het initiatief Build With Ukraine. Deze samenwerking maakt coproductie van Oekraïens materieel in Nederland mogelijk. Dit creëert een win-win-win: de productiecapaciteit van bewezen effectieve systemen voor Oekraïne wordt vergroot, de Nederlandse industrie wordt opgeschaald en Nederland krijgt toegang tot innovaties van het slagveld. Op 16 april jl. tekenden VDL en het Oekraïense GreentechHarvest een licentieovereenkomst voor de productie van twee typen drones. Dit is het eerste coproductieproject tussen Nederland en Oekraïne. Nederland zoekt actief naar aanvullende projecten waarin de kracht van de Oekraïense en de Nederlandse defensie-industrie elkaar kan versterken. Daarbij kijkt Nederland bij voorkeur naar projecten met Oekraïense bedrijven waarin een zo groot mogelijke verwevenheid met de Nederlandse industrie besloten ligt, bijvoorbeeld in de vorm van Nederlandse componenten. Tijdens het bezoek van de toenmalige Oekraïense minister van Defensie Fedorov op 17 juni jl. is een Letter of Intent ondertekend om de samenwerking op het gebied van innovatie te bestendigen en te bespoedigen.

Ook op Europees niveau dient de Ukraine Support Loan, waaronder €60 mld. die aan OekraĆÆne is verstrekt voor de verwerving van militaire goederen, als stimulans voor de versterking van de Europese defensie-industrie. Een uitzondering hierop vormen de acuut benodigde goederen die op dit moment niet binnen de EU te verkrijgen zijn, zoals Patriot-munitie.

Tot slot onderzoekt Defensie de mogelijkheden voor gemeenschappelijke aanschaf voor de krijgsmacht en OekraĆÆne en, wordt bekeken welke van de door OekraĆÆne gebruikte, of aan OekraĆÆne geleverde systemen en goederen ook voor de eigen krijgsmacht geschikt zijn.

  1. Waarom is de directe contractering bij Nederlandse bedrijven in 2025 in absolute zin gestegen naar € 6,53 miljard, maar als aandeel van de totale defensie-uitgaven uitkwam op circa 37%, tegenover meer dan 50% in 2022 en 2023?

De KPI ā€˜directe contractering Nederlandse industrie’ wordt gemeten in financiĆ«le omvang van de contractering bij Nederlandse bedrijven op het totaal van de inkoop van Defensie, en dus niet als aandeel van de totale defensie-uitgaven. In algemene zin geldt dat defensie contracteringen, bijvoorbeeld voor defensiematerieel en –munitie, een forse financiĆ«le omvang kennen. De spreiding van de contracteringen in de tijd en wijzigingen in bestelorders kunnen leiden tot schommelingen tussen de verschillende jaren.

  1. Op welke wijze borgt Defensie dat vrouwen tijdens hun loopbaan voldoende worden ondersteund, onder meer ten aanzien van sociale veiligheid, passende uitrusting, gezondheidszorg en genderspecifieke gezondheidsbehoeften? Welke knelpunten zijn hierbij bekend en welke maatregelen worden genomen om deze weg te nemen?

Defensie ondersteunt vrouwen gedurende hun loopbaan door middel van een geĆÆntegreerd beleid dat gericht is op sociale veiligheid, passende kleding en uitrusting, algemene gezondheidszorg en genderspecifieke zorg. Een voorbeeld hiervan is passende ergonomische uitrusting voor wat betreft maatvoering. In 2025 is er een scherfvest voor vrouwen aangeschaft. Dit vest en ook andere typen (vrouwen)vesten worden door TNO getest en verder doorontwikkeld, zodat uniformen en beschermingsmiddelen optimaal passen. Daarnaast is voor de gevechtslaarzen het keuzeconcept gevechtslaars ingericht, hierbij is in elke categorie laarzen keuze uit meerdere modellen/merken. Indien het reguliere uniform niet langer passend is vanwege bijvoorbeeld zwangerschap, kan in overleg met de leidinggevende in verband met inzetbaarheid, burgerkleding worden gedragen. Het KPU-bedrijf biedt ook de mogelijkheid tot het in bruikleen verstrekken van zwangerschapskleding van het GVT tenue. Overige uitrustingsmaterialen en knelpunten worden verder in beeld gebracht en aangepakt.

Indien het militaire gezondheidszorgsysteem niet kan voorzien in bepaalde behoeften, wordt de vrouwelijke medewerker doorverwezen naar het civiele zorgsysteem. Defensie zet beleidsmatig in op een betere informatievoorziening aan zwangere vrouwen en jonge militaire moeders, en op een betere toegang tot passende en deskundige zorg.

Veiligheid van vrouwen is een onderwerp dat blijvende aandacht vraagt. In 2025 is er bij Defensie veel aandacht geweest voor de tentoonstelling ā€˜Arm Women Now’, een initiatief van de gelijknamige OekraĆÆense vrijwilligersorganisatie. Deze tentoonstelling laat het belang zien van vrouwelijke krijgers: in OekraĆÆne vechten vele vrouwen mee aan het front, waar zij verschillende belangrijke militaire functies vervullen. De tentoonstelling laat zien waar vrouwelijke OekraĆÆense militairen dagelijks mee te maken hebben. Ook heeft het netwerk Vrouw & Defensie, in samenwerking met Defensie, een aantal films ontwikkeld om binnen teams het gesprek te voeren over lastige, vervelende of onveilige situaties die vrouwen soms ervaren.

  1. Welke kritieke digitale afhankelijkheden van niet-Europese cloud-, software- en hardware leveranciers heeft Defensie en hoe wordt daarop gestuurd?

Defensie doet om operationele- en veiligheidsredenen geen uitspraken over specifieke kritieke afhankelijkheden. Bij afname of aanschaf van Cloud diensten worden, net als bij andere systemen, strategische afhankelijkheden meegewogen in de beslissing tot afname.

  1. Welke ruimtelijke knelpunten verwacht Defensie bij uitbreiding van oefenterreinen, kazernes, logistieke infrastructuur en munitieopslag nog bij het toegroeien naar de 3,5%?

In de Defensienota 2026 is aangegeven dat de uitbreidingen in het kader van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) ook ruimte bieden om een deel van de extra benodigde fysieke ruimte, die voortkomt uit de groei naar 3,5%, op te vangen. In het definitieve NPRD, zoals dit in december 2025 aan het Parlement is aangeboden, is toegelicht dat het tempo van de realisatie van uitbreidingen (lopende en nieuwe) deels afhangt van factoren die slechts ten dele door Defensie kunnen worden beĆÆnvloed, zoals beschikbare stikstofruimte, natuurherstel, netcongestie en de oplossing van een aantal infrastructurele knelpunten. Ook lange doorlooptijden van ruimtelijke procedures en vergunningstrajecten spelen hierbij een rol. Met het wetvoorstel Wodg wordt daarom ingezet om voor de noodzakelijke gereedstelling op korte termijn een aantal vrijstellingen en ontheffingen te regelen op ondermeer regelgeving voor de fysieke leefomgeving.

  1. Kunt u een overzicht geven van alle wapensystemen, wapenonderdelen, en ander defensiematerieel die we uit Israël ooit hebben geïmporteerd en nu nog steeds in gebruik hebben?

IsraĆ«lische bedrijven leveren diverse essentiĆ«le militaire systemen of onderdelen daarvan waarvoor geen vergelijkbare of tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Het gaat om antitankwapens, counter-drone systemen, F-35 vliegerhelmen, optische middelen voor marineschepen, PULS raketartilleriesystemen, zelfbeschermingsapparatuur voor diverse vliegtuigen, zelfbeschermingssystemen en optische middelen voor CV90 pantservoertuigen, en (componenten voor) het Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS). Er kan geen volledig overzicht worden gegeven van alle wapensystemen en –onderdelen, alsmede ander defensiematerieel dat Defensie in gebruik heeft en dat afkomstig is van IsraĆ«lische bedrijven. Defensie heeft beperkt zicht op de samenwerking van hoofdleveranciers van door Defensie aangeschaft materieel met IsraĆ«lische toeleveranciers. In het Defensie Projectenoverzicht (DPO) 2026 heeft Defensie waar mogelijk openbaar en per project inzicht gegeven in de herkomst en de hoofdleverancier van het materieel.

Met de informatievoorziening in het DPO en het Defensie Materieelproces (DMP) wordt uitvoering gegeven aan de motie Piri c.s. over het melden aan de Kamer van elke voorgenomen verwerving van defensiematerieel bij leveranciers van buiten de EU (Kamerstuk 36800 X, nr. 34). Defensie communiceert enkel openbaar over een beoogde leverancier – en daarmee het land van herkomst – als het betreffende bedrijf daarmee instemt. Omwille van veiligheids- en commerciĆ«le belangen kan Defensie niet ingaan op concrete stappen die gezet worden in het kader van het afbouwen van de afhankelijkheid van de IsraĆ«lische defensie-industrie.

  1. Welke cybersoftware gebruikt Defensie nu uit Israƫl?

Om operationele en veiligheidsredenen doet Defensie geen uitspraken over het gebruik van specifieke software. Wel kan worden aangegeven dat bij aanschaf van software strategische afhankelijkheden worden meegewogen in de beslissing tot aanschaf.

  1. Wat is het defensie-aankoopbeleid voor landen die aan heimelijke buitenlandse beĆÆnvloeding doen richting Nederland?

Per aanschaf wordt bekeken of en zo ja, welke veiligheidsmaatregelen nodig zijn ten aanzien van het te leveren product, de leverancier, en de inkoopprocedure. Indien een inkoopopdracht de nationale veiligheid raakt, wordt voor die opdracht de Algemene Beveiligingseisen Rijks Opdrachten (ABRO) ingezet.

  1. Kunt u een overzicht geven van de recente deals, contracten, formele en informele overeenkomsten die gesloten zijn met Israƫl op het gebied van defensiematerieel en andersoortige militaire samenwerking?

Defensie heeft recent verschillende overeenkomsten gesloten met in IsraĆ«l gevestigde bedrijven. Defensie kan niet openbaar ingaan op de specifieke overeenkomsten omdat deze commercieel vertrouwelijk zijn. In het eerste halfjaar van 2026 is voor ruim €163 miljoen aan overeenkomsten gesloten met in IsraĆ«l gevestigde bedrijven. Het gaat hierbij om de aanschaf van materieel en het onderhoud.

  1. Kunt u een overzicht geven van bij welk defensiematerieel Nederland nu actief haar afhankelijkheid van Israƫl en Israƫlische bedrijven aan het afbouwen is? Kunt u aangeven welke concrete stappen daartoe zijn gezet?

Omwille van veiligheids- en commerciƫle belangen kan Defensie niet ingaan op concrete stappen die gezet worden in het kader van het afbouwen van de afhankelijkheid van de Israƫlische defensie-industrie. In zijn algemeenheid geldt dat als een bedrijf uit Israƫl in beeld is voor de levering van materieel, Defensie zorgvuldig de beschikbaarheid van eventuele alternatieven toetst, mede in het licht van de motie Teunissen (Kamerstuk 22054, nr. 478). Als geen vergelijkbare alternatieven beschikbaar zijn, dan wel niet tijdig kunnen worden geleverd, kiest Defensie voor het door Israƫlische bedrijven geproduceerde materieel. Als op een later moment een alternatief beschikbaar komt, wordt dit meegenomen bij de herbeoordeling van nieuwe contracten voor eventuele vervolgbestellingen.

  1. Welke nieuwe aankopen of overeenkomsten zijn er met Israƫlische bedrijven aangegaan sinds de motie van het lid Teunissen over de Nederlandse afhankelijkheid van de Israƫlische wapenindustrie afbouwen is aangenomen (Kamerstuk 22054 nr. 476)?

Zoals ook aangegeven in vraag 13. Defensie heeft recent verschillende overeenkomsten gesloten met in IsraĆ«l gevestigde bedrijven. Defensie kan niet openbaar ingaan op de specifieke overeenkomsten omdat deze commercieel vertrouwelijk zijn. In het eerste halfjaar van 2026 is voor ruim €163 miljoen aan overeenkomsten gesloten met in IsraĆ«l gevestigde bedrijven. Het gaat hierbij om de aanschaf van materieel en het onderhoud.

  1. Welk defensiematerieel waar Nederland gebruik van maakt is battle-tested door Israƫl op Palestijnen?

Het kabinet heeft geen zicht op de precieze wijze waarop de aanwezige kennis binnen de Israƫlische krijgsmacht en de Israƫlische defensie-industrie tot stand komt.

  1. Kunt u een overzicht geven van in welke beschermde natuurgebieden in Nederland de afgelopen 10 jaar geoefend is of geoefend gaat worden door Defensie?

Defensie heeft ongeveer 30.000 hectare aan oppervlakte in bezit. Deze grond bestaat voor een deel uit schiet- en oefenterrein. Het merendeel van de terreinen maakt onderdeel uit van Natura 2000 en/of het Natuurnetwerk Nederland. Op alle oefen- en schietterreinen die in deze gebieden liggen, is de afgelopen tien jaar geoefend en zal ook de komende jaren worden geoefend. Door de bijzondere omstandigheden op militaire oefenterreinen komt hier veel bijzondere natuur voor. Uw Kamer is in 2023 geĆÆnformeerd over de natuurwaarden op Defensieterreinen (Kamerstuk 36200-X, nr. 87). Het beheer van deze terreinen is erop gericht de natuur in stand te houden en waar mogelijk te verbeteren.

Naast oefeningen op militaire terreinen vinden soms ook militaire oefeningen plaats in beschermde natuurgebieden buiten militaire terreinen. Dit gebeurt altijd in overeenstemming met de eigenaar van dat terrein en in lijn met de geldende regelgeving.

ā€ƒ


  1. Hoe groot is het personeelstekort (absoluut en procentueel) bij Defensie uitgesplitst naar (onderdeel per) krijgsmachtdeel?

Het personeelstekort (vacatures) wordt alleen berekend in absolute aantallen. Per 1 juli 2026 bedraagt het aantal vacatures voor beroepsmilitairen bij Defensie 9.931 op een beroepsbestand van circa 83.000 VTE’n. Bij activering van de krijgsmacht kan een significant deel van de vacatures ingevuld worden door personeel dat nu nog in opleiding is.

Marine Landmacht Luchtmacht Marechaussee Totaal
Vacatures 2.896 3.680 1.902 1.452 9.931
  1. Welke projecten ondervinden vertragingen of andere onvolkomenheden als gevolg van personeelstekorten, en hoeveel vacatures staan voor deze projecten momenteel open?

Personeelstekorten kunnen gevolgen hebben voor de realisatie van de groeiopgave en de uitvoering van specifieke projecten. De grootste knelpunten doen zich voor waar schaarse personele capaciteit zoals - technisch personeel, instructeurs en specialisten- noodzakelijk is voor de uitvoering.

Per 1 juli 2026 bedraagt het totaal aantal vacatures voor beroepsmilitairen bij Defensie 9.931. Niet alle vacatures leiden direct tot vertragingen in projecten. Een deel maakt onderdeel uit van de groeiopgave en toekomstige inrichting van de organisatie. Per 1 juli 2026 waren 767 projectfuncties niet gevuld.

  1. Hoeveel oefeningen zijn in 2025 uitgesteld, geannuleerd of vertraagd vanwege tekorten aan personeel, materieel of munitie?

Gezien het hoge ambitieniveau van Defensie is het onvermijdelijk dat activiteiten en oefendoelstellingen periodiek worden bijgesteld. De planning van oefeningen vindt meerdere jaren vooruit plaats, waarbij gedurende de planperiode voortdurend integrale afwegingen worden gemaakt op basis van veranderende omstandigheden, operationele prioriteiten en internationale ontwikkelingen. Daarom kunnen aanpassingen in het oefenprogramma niet automatisch worden toegeschreven aan tekorten in personeel, materieel of munitie.

ā€ƒ

  1. Bij welke categorieƫn materieel zijn de onderhoudsachterstanden momenteel het grootst?

Omwille van de operationele veiligheid doet Defensie in het openbaar geen uitspraken over specifieke onderhoudsachterstanden. Voor meer informatie verwijs ik naar de vertrouwelijke bijlage bij de ā€˜Stand van Defensie’, waarin uw Kamer twee keer per jaar wordt geĆÆnformeerd over de gedetailleerde ontwikkelingen in de materiĆ«le gereedheid.

  1. Hoeveel defensielocaties verkeren momenteel (deels) in een slechte of zeer slechte bouwkundige staat?

De laatste kwaliteitsmeting heeft plaatsgevonden in februari 2022, een nieuwe meting staat gepland voor de tweede helft van 2026. De kwaliteitsmeting uit 2022 op basis van een steekproef geeft aan dat 4600 (39%) van het vastgoed voldoet, wat betekent dat destijds ongeveer 6400 (61%) gebouwen niet voldeden aan de interne normering. Dit percentage moet in het licht worden gezien van het feit dat het vastgoed van Defensie sterk is verouderd en een achterstand in het onderhoud is ontstaan. Ook is te weinig langdurig geĆÆnvesteerd in vernieuwing en verduurzaming van het vastgoed. In eerdere brieven aan uw Kamer over de staat van het vastgoed is duidelijk de ernst van de problematiek en de omvang van de opgave geschetst (Kamerstuk 34 919, nr. 77 van 16 april 2021, Kamerstuk 34 919, nr. 79 van 24 juni 2021). Sinds 2022 heeft Defensie met het Rijksvastgoedbedrijf ingezet op herstel en toekomstbestendigheid van het vastgoed. Defensie is daarbij van vooral achterstallig onderhoud wegwerken naar een meerjarige, integrale aanpak van onderhoud, renovatie, verduurzaming en vernieuwing gegaan. De omvang van de opgave blijft echter groot en de volledige verbetering van de vastgoedportefeuille vergt nog vele jaren. Defensie werkt aan de krijgsmacht van de toekomst door samen met het Rijksvastgoedbedrijf en marktpartijen sneller meer en beter vastgoed te realiseren. In de verzamelbrieven van 31 maart 2025 (Kamerstuk 36 592, nr. 13) en 3 juli 2025 (Kamerstuk 36 592, nr. 24) is uw Kamer geĆÆnformeerd over de ingezette versnellingsmogelijkheden voor het vastgoed van Defensie. Uitgangspunt voor de bepaling van het eindoordeel is dat het bij een gebouwinspectie ā€˜normaal’ is als er maximaal twee onacceptabele gebreken zijn. De uitkomsten van de eerstvolgende kwaliteitsmeting worden 1e helft 2027 verwacht.

  1. Hoeveel extra huisvestingscapaciteit is nodig om de voorgenomen groei van de krijgsmacht mogelijk te maken?

Voldoende en tijdig vastgoed is randvoorwaardelijk voor de taakuitvoering van de krijgsmacht. Defensie wil minimaal 1 miljoen vierkante meter toevoegen aan de vastgoedportefeuille. De behoefte aan vastgoed is onder andere afhankelijk van de groei in personeel en materieel en kan in de toekomst groter worden. De nadruk ligt op het versnellen van de realisatie, onder andere door standaardisatie en intensievere samenwerking met marktpartijen.

  1. In 2025 bedroeg het aandeel directe contractering bij de Nederlandse defensie-industrie 36,8%; welke doelstelling hanteert Defensie voor 2026?

Het kabinet hanteert de streefpercentages die in het coalitieakkoord ā€˜Aan de slag’ zijn opgenomen: ā€˜We streven ernaar 40 procent van onze defensieaankopen en productie gezamenlijk met Europese partners te doen. Ook streven we ernaar 50 procent in te kopen bij Nederlandse en Europese ondernemers (inclusief licentieproductie en onderhoud)’.

  1. Welke aanvullende kosten verwacht Defensie dat de doelstelling om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen in 2030 met 30% te verminderen met zich meebrengt?

Voor de meerkosten van alternatieve brandstoffen is op dit moment circa jaarlijks € 20 miljoen beschikbaar. De verwachte aanvullende kosten voor deze doelstelling worden voor het overgrote deel bepaald door de meerkosten voor de inkoop van alternatieve brandstoffen ten opzichte van fossiele brandstoffen. Aangezien de markt voor duurzame brandstoffen zoals Sustainable Aviation Fuel (SAF) nog sterk in beweging en daardoor lastig te voorspellen is, worden de meerkosten met een algemene factor per brandstoftype berekend. Met het huidige beeld is de verwachting dat dit budget in 2030 niet toereikend is. Defensie beziet jaarlijks of aanvullend budget beschikbaar wordt gesteld voor het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen.

  1. Hoe verhoudt de doelstelling om de CO2-uitstoot in 2030 met 55% te verminderen ten opzichte van 1990 zich tot de geplande groei van de krijgsmacht? Heeft deze doelstelling gevolgen voor de omvang, frequentie of uitvoering van oefeningen?

De geplande groei van Defensie vraagt extra inspanning voor de doelstelling die ziet op het verminderen van de CO2-uitstoot in 2030 met 55% ten opzichte van 1990. Door de groei is er meer reductie van de CO2-uitstoot vereist om het doel te bereiken, want meer mensen, meer materieel, en meer vastgoed kan leiden tot meer energieverbruik.

De groei gaat echter ook gepaard met efficiencymaatregelen zoals efficiƫnter en duurzamer vastgoed. Ook wordt veel materieel zoals bijvoorbeeld hulpvaartuigen vervangen door duurzamere varianten. Daarnaast vervangen steeds meer innovatieve systemen, zoals drones, een deel van de oude systemen waardoor de energiegebruiksprofielen ook veranderen.

De verwachting is echter dat het energieverbruik de komende jaren voornamelijk zal toenemen. Deze toename is, door de complexe samenhang van factoren, vooraf moeilijk kwantitatief te bepalen. Met de reeds ingezette maatregelen — zoals de stapsgewijze groei naar 30% alternatieve brandstoffen in 2030, het verduurzamen van het vastgoed en de diverse overige duurzaamheidsmaatregelen — wil Defensie de CO2-uitstoot beperken, zodat de reductiedoelstelling van 55% haalbaar blijft. Defensie heeft in 2025 al een reductie van 56% van de directe CO2-uitstoot bereikt en ligt daarmee goed op koers. Defensie monitort de resultaten van de maatregelen en blijft hierover jaarlijks rapporteren in de Stand van Defensie.

De ingezette maatregelen hebben geen gevolgen voor de omvang, frequentie of uitvoering van oefeningen. Defensie heeft hierover eerder in de Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid (Kamerstuk 36592, nr. 52) aangegeven dat zij blijft bijdragen aan de bestaande nationale klimaat- en duurzaamheidsopgaven, met een sterkere verbinding met de gevechtskracht, waarbij de hoofdtaken van Defensie leidend zijn.

  1. Welke digitale systemen worden door Defensie aangemerkt als kritiek voor de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht?

Vanwege operationele veiligheid doet Defensie geen uitspraken over welke digitale systemen als kritiek zijn aangemerkt.

  1. Hoeveel projecten voor de levering van digitale systemen of software hebben vertraging opgelopen als gevolg van internationale leveringsproblemen of capaciteitsproblemen op de defensiemarkt?

Het IT-portfolio van Defensie bestond in 2025 uit 266 projecten, waarvan er 81 waren geselecteerd om in 2025 af te ronden. Van deze 81 projecten ondervinden er 8 op dit moment vertraging door leveringsproblemen of capaciteitstekorten op de defensiemarkt.

  1. In hoeveel bedrijven of andere particuliere ondernemingen heeft Defensie momenteel een direct of indirect eigendomsbelang, aandelenbelang of ander financieel belang?

De Staat is voor 1% aandeelhouder in Thales Nederland. De aandelen zijn in beheer van Financiën namens de Staat, niet bij Defensie, conform de reguliere werkwijze voor beheer van staatsdeelnemingen. Conform de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 vindt er iedere 7 jaar een evaluatie van het aandeelhouderschap plaats. Uw Kamer is in 2025 over de laatste evaluatie geïnformeerd. Daarnaast houdt en beheert Invest-NL op verzoek van de Staat een prioriteitsaandeel bij Sentyron (voormalige Fox Crypto), waarover uw Kamer op 9 april 2025 is geïnformeerd.

  1. Welke concrete berekeningen heeft Defensie gemaakt over de toename van geluidsoverlast door de stationering van F-35's op Lelystad Airport? Kunt u deze berekeningen delen?

Defensie heeft in het planMER van het NPRD (kamerstuk 36592 nr. 55) en in het Addendum meerdere geluidsberekeningen (varianten) uitgevoerd om de effecten voor vlieggebonden geluid te duiden. Deze berekeningen zijn uitgevoerd op basis van gebruik door F-35 jachtvliegtuigen. De uitkomsten zijn opgenomen in bovengenoemd kamerstuk.

  1. Hoeveel extra COā‚‚-uitstoot wordt jaarlijks verwacht als gevolg van de stationering van F-35's op Lelystad Airport?

Het in antwoord 30 genoemde planMER biedt beperkt inzicht in de omvang van de broeikasgasemissies die samenhangen met de uitbreiding van militaire activiteiten op Lelystad Airport. Voor de uitbreiding van de jachtvliegcapaciteit met 2.300 extra F-35-sorties per jaar is niet berekend welke additionele COā‚‚-uitstoot hiermee gepaard gaat.

In de vervolgfase worden de effecten verder uitgewerkt en worden, waar nodig, mitigerende of compenserende maatregelen getroffen en vastgelegd in de benodigde besluiten en vergunningen.

  1. Welke berekeningen heeft Defensie gemaakt van de totale klimaatimpact van de uitbreiding van de militaire activiteiten op Lelystad Airport? Kunt u deze delen?

Nee, er zijn geen berekeningen gemaakt van de totale klimaatimpact. Zie antwoord op vraag 31.

  1. Welke beschermde dier- en plantensoorten bevinden zich binnen het uitbreidingsgebied van 150 hectare voor de stationering van F-35's op Lelystad Airport?

  2. Wat zijn de effecten op biodiversiteit als gevolg van de uitbreiding van 150 hectare voor de stationering van F-35's op Lelystad Airport? (DGB/DMLVD iam CDS/AFL)

Antwoord op vraag 33 en 34. In het Addendum op het planMER, waarin de fysieke uitbreidingsbehoefte voor Lelystad Airport nader is onderzocht, is geen aanvullende soortspecifieke analyse opgenomen. Ook is daarin niet aangegeven welke beschermde dier- en plantensoorten zich binnen het uitbreidingsgebied bevinden. Er zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen in de directe omgeving.

Het uitbreidingsgebied bestaat uit circa 60 hectare bedrijventerrein, 67 hectare agrarische gronden en 23 hectare overig terrein..

  1. Hoeveel inwoners zullen volgens Defensie worden blootgesteld aan hogere geluidsbelasting als gevolg van de defensie-uitbreiding op Lelystad Airport?

De effecten van de uitbreiding van de jachtvliegcapaciteit op de geluidbelasting rond Lelystad Airport zijn onderzocht in het planMER en het Addendum. Aan de hand van geluidcontouren is het aantal woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen verschillende geluidsklassen in kaart gebracht. Een belangrijke uitkomst is dat maximaal tien woningen/bedrijven liggen binnen de berekende geluidcontour van 70 Lden en hoger, waarbinnen op basis van civiele regelgeving geen woonfunctie is toegestaan.

  1. Kunt u wetenschappelijk aantonen dat defensieactiviteiten in Natura 2000-gebieden Friese Front, Klaverbank en Doggersbank, zelfstandig en in cumulatie met andere activiteiten geen significante gevolgen hebben voor de natuurgebieden?

Defensie houdt zich aan de geldende wet- en regelgeving en de daarbij behorende onderzoeks- en vergunningplichten. Defensie maakt daarbij gebruik van de huidig beschikbare wetenschappelijke inzichten en publicaties.

  1. Hoe zagen de protocollen van Defensie voor oefeningen in droge periodes eruit voordat en tijdens dat de recente branden in natuurgebieden plaatsvonden, waaronder die in 't Harde? Kunt u de exacte tekst van de protocollen delen?

Het defensieprotocol sluit wat betreft droogte aan bij het landelijk protocol van Brandweer Nederland. In beide documenten wordt onderscheid gemaakt in twee fasen: fase 1 waarin nog geen extra maatregelen worden getroffen maar wel voorzichtigheid wordt geadviseerd en fase 2 in tijden van langere droogte. In fase 2 wordt ook publiekelijk een oproep gedaan om extra alert te zijn en in sommige natuurgebieden is open vuur verboden. Bij natuurbrandrisicofase 2 hanteerde Defensie tijdens de gevraagde periode een protocol waarin beperkingen worden gesteld aan de toegestane activiteiten en aanvullende risicobeperkende maatregelen verplicht worden gesteld. Dit protocol is bijgevoegd. Er wordt gewerkt aan een aanscherping van dit protocol. Een van de aanscherpingen is dat de terreinopzichter bevoegd wordt om, op basis van een late-risicoanalyse, een oefening te stoppen of deze deels (bijvoorbeeld het gebruik van pyrotechnische middelen) niet te laten doorgaan.


  1. Kan de Kamer een overzicht ontvangen van alle thema’s, doelen en indicatoren waarvan ooit is afgesproken of toegezegd dat Kamer die tegemoet kan zien in de SVD?

Sinds de eerste editie van de SVD zijn verschillende thema’s, doelen en indicatoren toegevoegd op basis van afspraken en toezeggingen aan uw Kamer. Onderstaand treft u het overzicht aan van de onderwerpen waarvoor Defensie heeft toegezegd deze in de SVD op te nemen. Ter volledigheid is het bijbehorende kamerstuk vermeld.

Thema Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI) Kamerstuk
Licentieproductie TOEZEGGING 1e Kamer: Europese en niet-Europese productie ieder jaar in de Stand van Defensie opnemen, zodat Kamer dit goed kan volgen
Europese samenwerking KPI: Gezamenlijke aanschaf Defensiematerieel in Europees verband Kamerstuk: 36410-x nr. 67 MOTIE VAN DE LEDEN DASSEN EN NORDKAMP
Personeelsbestand KPI: Externe inhuur Kamerstuk: 36740-x nr. 6, MOTIE VAN HET LID NORDKAMP
Instroom en uitstroom van personeel KPI: Beroepsmilitairen Kamerstuk: 36200-x nr.72 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Diversiteit en inclusie KPI: Man/vrouwverhouding totaal Defensie Kamerstuk: 35925-x nr. 71, BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Industriebeleid en samenwerking KPI: Directe contractering Nederlandse industrie Kamerstuk: 36600-x nr.6, BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
KPI: Percentages inkoop bij Nederlandse en Europese ondernemers Kamerstuk: 36 800 X, nr. 32, MOTIE VAN HET LID PIRI
Stappenplan burgerslachtoffers Kamerstuk: 27925 nr. 971 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Toelichting per onvolkomenheid Kamerstuk: 36740-x nr.7, MOTIE VAN HET LID ELLIAN (toelichting beveiliging militaire objecten)
Duurzaamheid KPI: Percentage gebruik duurzame brandstoffen Kamerstuk: 36124 nr. 25 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Duurzaamheid KPI: CO2 uitstoot ten opzicht van 1990 Kamerstuk: 36124 nr. 25 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Duurzaamheid KPI: Duurzame energieopwekking op defensieterreinen Kamerstuk: 36124 nr. 25 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE


  1. Hoe, en onder welke groepen wordt het draagvlak voor Defensie gemeten? Zijn hiervoor betere (onafgeronde) cijfers beschikbaar die ook inzicht geven in de ontwikkeling van het draagvlak voor Defensie? En hoe verhoudt dit zich tot het onderzoek van Clingendael over draagvlak in de maatschappij voor Defensie-uitgaven?

Draagvlakmonitor Defensie

Respondenten nemen online deel aan het onderzoek. Doelgroep is het Nederlands algemeen publiek (16 jaar en ouder).

Gedetailleerder inzicht in ontwikkeling draagvlakcijfer

Periode Rapportcijfer draagvlak
Q1 en Q2 2024 7,1
Q3 en Q4 2024 7,0
Q1 en Q2 2025 7,2
Q3 en Q4 2025 7,0

Draagvlak voor defensie-uitgaven

In zowel de Defensiebarometer van Clingendael als de Draagvlakmonitor worden vragen gesteld over investeringen in Defensie.

Echter, door verschil in vraagstelling zijn de resultaten van deze stellingen niet 1-op-1 met elkaar te vergelijken. Bovendien verschilt de meetperiode; De Draagvlakmonitor beslaat Q3 en 4 2025, de Defensiebarometer is in april 2026 uitgevoerd.

Bijna de helft van de Nederlanders (46%) is van mening dat er voldoende geld gaat naar Defensie (Draagvlakmonitor).

44% Meent dat de NAVO-norm (3,5%) precies goed is (Defensiebarometer).

ā€ƒ

  1. Wat is de reden achter de significante overrealisatie van burgerpersoneel (138.4%) in 2025?

De hogere realisatie van het burgerpersoneel in 2025 kan worden verklaard doordat Defensie voor de vulling met burgerpersoneel niet afhankelijk is van selectie-, keurings- en opleidingsprocessen, die voor militair personeel wel bepalend zijn voor het instroomtempo.

Daarnaast worden burgers ingezet op militaire arbeidsplaatsen die tijdelijk niet met militair personeel kunnen worden gevuld, om de continuĆÆteit van de bedrijfsvoering en de ondersteuning van de groei van de krijgsmacht te borgen. Tegelijkertijd wordt hierbij terughoudend omgegaan met de structurele vulling van militaire functies door burgers. Zij worden uitsluitend geplaatst op plekken waar functie-eisen dat toelaten en niet op operationele functies die onderdeel zijn van de oorlogsorganisatie. Gezien de verwachte hogere uitstroom van militair personeel in de komende jaren (onder meer door natuurlijk verloop) draagt deze inzet bij aan het behouden van de personele continuĆÆteit.

  1. Wat gaat u extra ondernemen om het streven van 30% vrouwen bij Defensie in 2030 te realiseren, gezien het feit dat het aandeel vrouwen onder beroepsmilitairen en reservisten nog achterloopt?

Er zijn al periodieke wervings- en themadagen specifiek gericht op vrouwen, zoals de Vrouwendag Dienjaar en de Ladies Day voor vrouwen met een mbo-diploma. Om extra instroom van vrouwen te realiseren, start medio 2026 een vervolgcampagne gericht op vrouwen: ā€˜Voorwaarts’. Om het streefcijfer van 30% vrouwen bij Defensie te realiseren, is er extra aandacht voor werving en instroom, behoud van vrouwen, en het wegnemen van belemmeringen op het gebied van materieel en gezondheidszorg.

  1. Wat kan Nederland van andere NAVO-landen leren om het aantal reservisten in hogere verhouding te krijgen tot het aantal beroepsmilitairen, gezien het feit dat Nederland relatief weinig reservisten heeft ten opzichte van andere EU NAVO-landen?

Nederland kan van andere NAVO-landen leren dat de groei van het reservistenbestand vraagt om een brede aanpak: meer maatschappelijke bewustwording van de noodzaak van weerbaarheid, betere arbeidsvoorwaarden, en ondersteuning voor reservisten en aandacht voor behoud en doorstroom van personeel. Daarnaast zetten meerdere landen in op een bredere benutting van het beschikbare potentieel, bijvoorbeeld door oud-militairen langer als reservist beschikbaar te houden en reservisten sterker te betrekken bij opleiding en training. Ook blijkt uit de ervaringen van andere landen het belang van een structurele inzet van reservisten binnen de organisatie, waarbij reservisten niet alleen incidenteel worden ingezet, maar onderdeel zijn van de gereedstelling. Dit draagt bij aan de operationele gereedheid, en versterkt tevens de binding van reservisten met hun eenheid.

Tegelijkertijd kent ieder land een eigen systeem, cultuur en dreigingsperceptie. Nederland werkt daarom aan een eigen model, waarmee de rol van reservisten binnen een schaalbare krijgsmacht verder wordt versterkt.

Zo wordt er gewerkt aan het verbeteren van de rechtspositie van de reservist door deze zoveel mogelijk, en waar relevant, in lijn te brengen met die van de beroepsmilitairen. Daarnaast is Defensie, in samenwerking met het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid, bezig om de rechtspositie van de reservist en diens civiele werkgever te versterken en verduidelijken, bij brief van 3 juli 2026 is uw Kamer hierover geĆÆnformeerd (kamerstuk 33763-178). Het verbeteren van de rechtspositie van de reservist is ook doorgetrokken naar het nieuwe arbeidsvoorwaarden akkoord 2026-2028. Hierin zijn maatregelen opgenomen, zoals de mogelijkheid om langer door te werken en het behoud van militaire expertise na ontslag als beroepsmilitair.

  1. Waarom zijn er geen actuele cijfers over 2024 en 2025 over de Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde technologische industriƫle basis in de SVD opgenomen? Kunt u deze alsnog geven?

De cijfers aangaande de Nederlandse defensie- en veiligheidsgerelateerde technologische industriƫle basis (NLDTIB) zijn afkomstig uit het onderzoek dat Berenschot eens in de twee jaar naar de NLDTIB doet. Deze cijfers waren nog niet beschikbaar op het moment van de publicatie van de Stand van Defensie voorjaar 2026. De cijfers worden in de Stand van Defensie najaar 2026 alsnog meegenomen.

  1. Wat zijn de meest actuele cijfers ten aanzien van de doelstelling uit het regeerakkoord "minstens 50% aankoop bij Nederlandse en Europese ondernemers, resp. minstens 40% van de defensieaankopen en productie gezamenlijk met Europese partners"? Kunt u de Kamer informeren hoe dit precies berekend en gemonitord gaat worden?

Zoals vermeld in de Stand van Defensie voorjaar 2026 bedroeg het percentage directe contractering bij Nederlandse industrie in 2025 36,8%. In de Stand van Defensie najaar 2026 zullen wij uw Kamer informeren over de stand van zaken aangaande de streefpercentages uit het coalitieakkoord. Daarbij lichten wij de totstandkoming van deze cijfers toe. Door de streefpercentages op te nemen in de Stand van Defensie, wordt uitvoering gegeven aan de motie Piri c.s. (Kamerstuk 36800 X, nr. 32) die de regering verzoekt om halfjaarlijks te rapporteren over de voortgang.


  1. Kunt u de Kamer informeren hoeveel VTE werkzaam zijn met betrekking tot samenwerking binnen Europa (EDF, EDIP, EDA, PESCO, etc.)? Welke nieuwe initiatieven gaat Defensie uitrollen om de streefgetallen van 50% aankoop bij Nederlandse en Europese ondernemers, en minstens 40% van de defensieaankopen en productie gezamenlijk met Europese partners te behalen? Hoe gaat Defensie hier gezamenlijk met Nederlandse industrie in optrekken?

Bij Defensie zijn enkele tientallen mensen werkzaam met betrekking tot samenwerking binnen Europa. Daaronder bijvoorbeeld ook de National Armaments Director (NAD) die intensief contact onderhoud met zijn Europese collega’s in Europees, multilateraal en bilateraal verband. Defensie onderneemt verschillende initiatieven om de streefgetallen in het coalitieakkoord te behalen. Aan de hand van de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) werkt defensie aan de versterking van de Nederlandse industrie- en innovatiecapaciteit voor de Nederlandse krijgsmacht. Daarnaast participeert Defensie actief binnen verschillende Europese programma’s zoals het Europees Defensie Fonds (EDF). Zo neemt Nederland een co-leidende rol in de Priority Capability Area (PCA) Drones en Counterdrones. Binnen deze PCA wordt gewerkt aan gezamenlijke aanschaf en ontwikkeling van onbemenste systemen in Europa. Tot slot werkt Defensie conform Motie van Lanschot (kamerstuk 36800-x, nr. 48) aan de concretisering en uitvoering van de doelen in D-SII en het coalitieakkoord in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie (NPDII).

  1. In de toelichting bij paragraaf 1.3 Kennis en Innovatie wordt aangegeven dat bij succesvolle initiatieven op wordt geschaald als launching customer: bij hoeveel projecten in 2025 is dat daadwerkelijk gebeurd?

Launching customership betekent dat de Nederlandse overheid de eerste afnemer is van een nieuw product en bijdraagt aan het ontwikkeltraject om een nieuw product succesvol naar de markt te brengen. Kennis en innovatieprojecten kunnen hieraan bijdragen door Nederlandse start-ups en bedrijven te financieren om hun producten of concepten door te ontwikkelen. Uiteindelijk is grootschalige aanschaf vanuit de Defensieorganisatie nodig om te stellen dat launching customership heeft plaats gevonden. Er zijn verschillende voorbeelden waar vanuit technologieontwikkelingsprojecten producten landen in eindsystemen, waarin jarenlange kennisontwikkeling tot een stevig ecosysteem heeft geleid en waar kort-cyclische innovatieprojecten zijn opgeschaald.. Voorbeelden zijn:

  • Kennisopbouw en technologieontwikkelingen binnen het Nederland Radarland consortium die tot eindproducten voor Nederlandse en internationale krijgsmachten hebben geleid;

  • Technologieontwikkelingsprojecten die aangeschaft zijn of in eindsystemen zijn geland, zoals van Robin Radar, Optics 11, Flight sensingshirts en vitals IQ;

  • Kort-cyclische innovatieprojecten die succesvol zijn en nu financiering van andere bronnen aanboren / ontvangen om door te ontwikkelen, zoals SkyHive dat recent financiering van het SecFund heeft ontvangen;

    • Het recente 10x10 programma met TNO, waarbij drie kansrijke technologieĆ«n versneld doorontwikkeld worden om een Nederlands drone-ecosysteem op te bouwen. Hier wordt voorzien dat Defensie als launching customer op kan treden. Het gaat om projecten:

    • MAPS (Modular Automated Production System) voor microfabrieken voor grondstoffen voor explosieven en munitie

    • Yellow Jacket: een goedkoop te produceren radarsensor om vijandelijke drones op te sporen en uit te schakelen

    • SureFire: kleine en betrouwbare ontstekers geschikt voor drones en antidronesystemen.

Er zijn dus verschillende manieren waarop launching customership vorm kan krijgen vanuit het K&I instrumentarium.

  1. Wat is de gemiddelde doorlooptijd van Kort Cyclisch Innovatieprojecten, van ambitie, naar contract, naar opleveren resultaat?

Kortcyclische innovatieprojecten (KCI) kunnen een doorlooptijd van ƩƩn tot drie jaar hebben om van ambitie tot resultaat te komen. Afgeronde projecten hadden tot dusver een gemiddelde doorlooptijd van 1 jaar en 11 maanden.

  1. Hoe sluiten de uitgaven van Research & Technology aan op de Kort Cyclisch Innovatieprojecten of andere initiatieven binnen de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?

Het kennis- en innovatie instrumentarium bestrijkt de hele Technology Readiness Level (TRL) keten: van fundamenteel en toegepast onderzoek tot aan experimenteren en conceptontwikkeling om bij succes tot implementatie te komen. De Research & Technology activiteiten (R&T; TRL < 7) worden gedreven door de capability pull en (technology) push; zij worden gericht op het snijvlak van wat de krijgsmacht nodig heeft en wat er mogelijk is. De verschillende instrumenten dienen verschillende doelstellingen: bij sommige ligt de nadruk op onderzoek, elders op doorontwikkeling met kennispartners en de markt om nationaal op te schalen (de zogeheten verschillende ā€˜smart’ rollen).

Zo wordt er kennis opgebouwd over bepaalde technologieĆ«n en concepten om de juiste keuzes en specificaties te kunnen stellen (smart specifier). Aansluiting tussen verschillende instrumenten is in het bijzonder relevant voor de ā€˜smart developer’ rol, waarin Defensie ontwikkeling van nieuwe technologie en materieel voor de krijgsmacht aanjaagt.

  1. In de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie worden meerdere toolboxen genoemd om kennis en innovatie aan te jagen (Doelfinanciering TO2, EDF, Industriƫle Participatie, NTP, KCI, SDIR etc.): kunt u een openbaar overzicht geven aan de Kamer van de verschillende uitgaven, initiatieven, projecten binnen deze toolboxen?

Voor een overzicht van de verschillende instrumenten, de daarbij behorende budgetten en uitgaven verwijzen wij u naar de begroting, primair hoofdstuk 1.13 van de Defensiematerieelbegrotingsfondsbegroting. Een integraal overzicht van individuele programma’s, initiatieven en projecten binnen de kennis- en innovatieportefeuille wordt niet openbaar gemaakt, aangezien deze informatie departementaal vertrouwelijk is.

  1. Het merendeel van de initiatieven op blz. 16 zijn (logischerwijs) initiatieven waar Defensie of de defensie-industrie zelf ook direct baat bij heeft: welke nieuwe initiatieven gaat Defensie ondernemen om draagvlak van omwonenden bij Defensielocaties te onderhouden?

Defensie hecht groot belang aan een goede relatie met omwonenden van defensielocaties. Naast de initiatieven uit de Stand van Defensie 2026 blijft Defensie investeren in vroegtijdige participatie, transparante communicatie en structurele dialoog met omwonenden, medeoverheden, en maatschappelijke organisaties. Dit gebeurt onder meer via adequate en tijdige informatievoorziening en -bijeenkomsten, gebiedsgericht werken en omgevingsmanagement. Daarnaast werkt Defensie aan het verder versterken van de betrokkenheid van de omgeving bij voorgenomen activiteiten via het opzetten en uitvoeren van gebiedsprocessen. Dit zorgt ervoor dat belangen, zorgen en aandachtspunten tijdig worden meegenomen. Hiermee wordt het draagvlak voor aanwezigheid en activiteiten duurzaam onderhouden.

  1. Over welke kostenbasis (inclusief absoluut bedrag) gaat de op pagina 20 genoemde KPI ā€˜gezamenlijke aanschaf Defensiematerieel in Europees verband’?

Defensie werkt momenteel de streefpercentages uit die zijn opgenomen in het coalitieakkoord ā€˜Aan de slag’ in kritieke prestatie indicatoren (KPI). Deze KPI’s worden opgenomen in de Stand van Defensie najaar 2026. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Piri c.s. (Kamerstuk 36800 X, nr. 32), die de regering verzoekt om halfjaarlijks te rapporteren over de voortgang. In de Stand van Defensie najaar 2026 worden deze cijfers gepubliceerd. Zie ook vraag 1 en 44.

  1. Kunt u een tabel delen voor de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025 met daarin een breakdown van de categorieƫn burgerpersoneel (management, IT, HR, Finance, etc.)?

Op dit moment beschikt Defensie niet over een betrouwbare en eenduidige personele rapportage waarmee het burgerpersoneel over de jaren 2022 tot en met 2025 kan worden uitgesplitst naar categorieƫn zoals management, IT, HR en Finance. De huidige personeelssystemen zijn niet ingericht op een dergelijke categorisering van burgerfuncties. Defensie werkt aan verdere verbetering van de personeelsinformatievoorziening, zodat in de toekomst betere analyses van de personele samenstelling mogelijk worden.

  1. Wat zijn de praktische gevolgen van het feit dat de gemiddelde operationele gereedheid van alle A-(wapen)systemen jaarlijks op zo’n 54% zit? Betekent dit dat gemiddeld genomen zo’n 46% van de A-systemen niet volledig gereed is?

De Materiƫle Gereedheid (MG) betreft de beschikbaarheid en geschiktheid van het materieel voor de uitoefening van operationele taken door een eenheid. Een defensiebrede MG van 54,2 % betekent niet dat 45,8 % van de A-systemen niet volledig gereed is. Dit is het gemiddelde van de MG-percentages per A-(wapen)systeem. Een A-systeem met een lagere MG dan 50% heeft daarom een negatieve invloed op de gemiddelde MG.

Voor een nauwkeuriger beeld hanteert Defensie vanaf de Stand van Defensie najaar 2026 een andere weergave van de materiële gereedheid per A-(wapen)systeem. Met de nieuwe weergave zal voor de A-(wapen)systemen worden aangegeven: 1) hoeveel systemen op norm zijn, 2) hoeveel systemen niet op norm zijn, maar een stijgende/ gelijkblijvende trend laten zien en 3) hoeveel systemen niet op norm zijn en een dalende trend laten zien. In de vertrouwelijke bijlage bij de Stand van Defensie wordt uw Kamer twee keer per jaar geïnformeerd over de ontwikkelingen in de MG, waaronder het gemiddelde MG-percentage per A-systeem op dat moment.

  1. Wat is de verklaring van de stijging van de operationele gereedheid in 2025 die in de vorige SVD nog op 50% werd ingeschat?

In de Stand van Defensie rapporteert Defensie op ontwikkelingen rondom Personele Gereedheid, Materiele Gereedheid en Geoefendheid; de tabel waar naar gerefereerd wordt betreft Materiele Gereedheid. Vanwege de groei van de krijgsmacht fluctueert deze gereedheid. Een belangrijke graadmeter hierbij is dat het aantal A-(wapen)systemen dat op norm is, is toegenomen. Defensie investeert significant in materieel, waarbij verschillende projecten in het Defensie Projecten Overzicht bijdragen aan beschikbaarheid en geschiktheid van materieel. Deze stijging van de Materiele gereedheid heeft ook geleid tot een toename van de Operationele gereedheid.

  1. Waarom is het percentage van directe contractering bij Nederlandse industrie jaarlijks zo verschillend (afgerond: 60% in 2023, 21% in 2024 en 37% in 2025)? Wordt hier beleid op gevoerd en op gestuurd?

Zoals ook aangegeven bij vraag 6. Middels een KPI ā€˜directe contractering Nederlandse industrie’ wordt de gemeten financiĆ«le omvang van de contractering bij Nederlandse bedrijven op het totaal van de inkoop van Defensie, en dus niet als aandeel van de totale defensie-uitgaven. In algemene zin geldt dat defensie contracteringen, bijvoorbeeld voor defensiematerieel en –munitie, een forse financiĆ«le omvang kennen. De spreiding van de contracteringen in de tijd en wijzigingen in bestelorders kunnen leiden tot schommelingen tussen de verschillende jaren.

  1. Wat is de streefwaarde en wat is raming voor de komende jaren met betrekking tot directe contractering bij de Nederlandse industrie?

Zoals ook aangegeven bij vraag 44. Stand van Defensie voorjaar 2026 staat vermeld dat het percentage directe contractering bij Nederlandse industrie in 2025 36,8% was. In de Stand van Defensie najaar 2026 zullen wij uw Kamer informeren over de stand van zaken aangaande de streefpercentages uit het coalitieakkoord. Daarbij lichten wij de totstandkoming van deze cijfers toe. Door de streefpercentages op te nemen in de Stand van Defensie, wordt uitvoering gegeven aan de motie Piri c.s. (Kamerstuk 36800 X, nr. 32) die de regering verzoekt om halfjaarlijks te rapporteren over de voortgang.

  1. Wat is de verklaring voor de tendens dat in 2025 in het kader van de politiewet de strafrechtelijke handhaving rechtsorde fors is afgenomen, maar handhaving openbare orde is gestegen ten opzichte van voorgaande jaren?

Het aantal bijstandsverzoeken voor specialistische search teams van Defensie onder strafrechtelijke handhaving rechtsorde (SHRO) is gedaald omdat de Politie deze capaciteit sinds 2025 zelf heeft. In 2025 was er vanuit de KMar meer bijstand voor handhaven openbare orde door de NAVO-top (29 i.p.v. 17 in 2024). Daarnaast wordt er sinds enkele jaren in grotere mate een beroep op Defensie gedaan voor counter drone capaciteit, met name door middel van bijstandsverzoeken in het kader van handhaving van openbare orde en veiligheid (OOV).

  1. Hoe verhoudt de IT-medewerkerspopulatie (met een groei van 3000 FTE tussen 2023 en 2025) zich tot de externe inhuurkosten van 344 miljoen voor ā€˜Advisering opdrachtgevers automatisering’? Wat is de overlap tussen deze groepen? Kunt u in het geval van overlap een kwantitatieve inschatting van kosten/ FTE geven?

Externe inhuur wordt ingezet voor specifieke expertise, tijdelijke benodigde capaciteit, projecten en het opvangen van piekbelasting. Er is daarom geen ƩƩn-op-ƩƩn relatie tussen de groei van het aantal IT-medewerkers en de externe inhuurkosten. Een betrouwbare kwantitatieve uitsplitsing van overlap tussen beide categorieƫn is op basis van de huidige registratie niet beschikbaar.