Antwoord op vragen van het lid Kostić over het maatregelenpakket Geitenhouderijen en gezondheid omwonenden
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D41094, datum: 2026-09-04, bijgewerkt: 2026-09-04 15:21, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Ooit VVD kamerlid)
- Mede namens: E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Mede namens: S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z16844:
- Gericht aan: S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Gericht aan: S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Gericht aan: E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
> Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag
De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Datum 4 september 2026
Betreft Kamervragen
Geachte voorzitter,
Hierbij zend ik u, mede namens de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de antwoorden op de vragen van het lid Kostić (PvdD) over het maatregelenpakket Geitenhouderijen en gezondheid omwonenden (2026Z16844, ingezonden 12 augustus 2026).
Hoogachtend,
de minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
Sophie Hermans
Antwoorden op Kamervragen van het lid Kostić (PvdD) over het maatregelenpakket Geitenhouderijen en gezondheid omwonenden (2026Z16844, ingezonden 12 augustus 2026).
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat de Kamer u heeft verzocht om, waar spanningen zijn tussen de intensieve geitenhouderij, volksgezondheid en de bouw van betaalbare woningen, prioriteit te geven aan woningbouw én volksgezondheid boven de intensieve geitenhouderij? 1)
Antwoord vraag 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat, zoals u in de Kamerbrief aangeeft, het maatregelenpakket met een landelijke afstandsnorm meer ontwikkelruimte biedt aan de intensieve geitenhouderij dan de huidige situatie met provinciale moratoria? Zo ja, waarom en hoeveel groei van de geitenhouderij verwacht u? 2)
Antwoord vraag 2
Een afstandsnorm is een meer gerichte maatregel dan een moratorium. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Dat betekent dat er in gebieden waar het kan, meer ontwikkelruimte komt in vergelijking met de huidige situatie met moratoria. In gebieden dichtbij woonkernen wordt de ontwikkelruimte voor de geitenhouderij juist beperkt, ook in provincies waar nu geen moratorium geldt.
In de economische impactanalyse die als bijlage bij de Kamerbrief op 10 juli jl. is verstuurd1, is benadrukt dat de effecten voor de gehele geitensector zijn weergegeven, maar dat de impact voor individuele geitenbedrijven sterk verschilt afhankelijk van of zij onder de afstandsnorm vallen. In de impactanalyse is onder meer de verwachte groei van de sector gemodelleerd, op basis van historische gegevens. De onderzoekers gaan er daarbij van uit dat er pas vanaf 2035 ontwikkelruimte komt gezien de huidige beperkingen rondom vergunningverlening die volgen uit het stikstofbeleid. De onderzoekers komen uit op een groei (in absolute aantallen) van 3,3 bedrijven per jaar in heel Nederland en een gemiddelde groei van 51 geiten per bedrijf per jaar. Dit is een grofmazige berekening, gestoeld op diverse ruwe aannames ten behoeve van de snelheid van de analyse.
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat door het gezondheidsgevaar van geitenhouderijen de afstandsnorm ertoe leidt dat de geplande bouw van ruim 1.600 woningen niet door kan gaan en dat deze locaties naar verwachting ook op langere termijn ongeschikt zullen blijven voor de bouw van woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige functies?
Antwoord vraag 3
Uit de ruimtelijke impactanalyse2 is gebleken dat naar schatting in totaal 1.527 woningen gepland zijn binnen de afstandsnorm van 500 meter. Het gaat hierbij naar schatting om 409 woningen met een harde planstatus en 1.118 woningen met een zachte planstatus. Voor woningen met een harde planstatus geldt dat zij niet geraakt worden door de afstandsnorm, omdat hun status onherroepelijk is. Voor de naar schatting 1.118 woningen met een zachte planstatus geldt dat moet worden onderzocht of het mogelijk is dat deze plannen met aanpassingen wel doorgang kunnen vinden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de lokale partijen die betrokken zijn bij deze plannen, zoals de gemeente, corporaties en marktpartijen. Daarbij kunnen partijen gebruik maken van maatregelen die zijn en worden genomen om de woningbouw te versnellen. Zo kan de lokale of regionale versnellingstafel worden benut om tot oplossingen te komen. Er kan daarom op dit moment niet met zekerheid worden gesteld hoeveel woningen definitief niet gebouwd kunnen worden. Of de locaties voor langere termijn ongeschikt zullen blijven, is de vraag. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken.
Vraag 4
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen doordat geitenhouderijen een gevaar vormen voor de volksgezondheid en daarom de afstandsnorm moet worden ingevoerd?
Antwoord vraag 4
We kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen, omdat binnen de afstandsnorm ook veel terreinen liggen die omwille van andere redenen niet beschikbaar zijn voor woningbouw. Het kabinet heeft hier geen nader onderzoek naar laten doen en beschikt daarom niet over die precieze gegevens.
Zoals het kabinet heeft aangegeven is het uitgangspunt dat uiteindelijk, door het inzetten op geborgde emissiereductie door maatregelen op bedrijfsniveau, de risico’s voor de volksgezondheid in de toekomst zoveel mogelijk worden geminimaliseerd. De afstandsnorm kan dan worden beëindigd. Grond wordt dus niet voorgoed ongeschikt voor woningbouw.
Vraag 5
Gelet op het voorgaande, deelt u de conclusie dat in dit maatregelenpakket niet de woningbouw prioriteit heeft gekregen, maar het in stand houden van de intensieve geitenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Vraag 6
Kunt u uitleggen hoe u met de nieuwe plannen de wens van de Kamer precies respecteert, en dus hoe precies de gezondheid van mensen en woningbouw meetbaar profiteert boven de geitenhouderij? 3)
Antwoord vragen 5 en 6
Het kabinet neemt maatregelen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het beschermen van de volksgezondheid staat in de aanpak dus voorop. Waar er spanningen zijn tussen verschillende belangen heeft het kabinet, conform de wens van de Kamer, de volksgezondheid en woningbouw boven de intensieve geitenhouderij geprioriteerd. Op basis van een integrale afweging, waarbij veel belang is gehecht aan het effect op woningbouwplannen, en waarbij goed gekeken is naar het specifieke gezondheidsrisico op verschillende afstanden, heeft het kabinet gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter. Daarbij heeft het kabinet ook bepaald dat, hoewel op basis van de beschikbare informatie geen kwantitatieve relatie is vast te stellen tussen het aantal geiten en de emissie van het totaal aan bacteriën, endotoxinen en fijnstof, uitbreiding van geitenhouderijen binnen deze afstandsnorm uit voorzorg ook niet wordt toegestaan, in ieder geval zolang er geen effectieve maatregelen zijn die de emissies uit de stallen kunnen reduceren. Op deze manier wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren.
Daarnaast gaat het kabinet aan de slag om voor prioritaire locaties te kijken wat er mogelijk is om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. Welke maatregelen daarvoor mogelijk zijn, wordt in kaart gebracht; ook hierbij wil het kabinet volksgezondheid en woningbouw prioriteit geven indien zich spanningen voordoen waarbij dergelijke prioriteiten gesteld moeten en kunnen worden. Ook de inzet op emissiereductie door bedrijfsmaatregelen, het derde spoor van de kabinetsaanpak, is essentieel met name voor de volksgezondheid: dit spoor is erop gericht om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen (en indien mogelijk ook de afstandsnorm te kunnen beëindigen waardoor de mogelijkheden voor woningbouw niet meer belemmerd worden).
Het kabinet acht het niet mogelijk om te meten in hoeverre het ene belang ten opzichte van het andere belang profiteert.
Vraag 7
Erkent u dat er beleidsopties waren om maatregelen te nemen die beter zouden uitpakken voor zowel gezondheid als woningbouw, maar niet zo goed voor de geitenhouderij? Zo ja, waarom heeft u niet voor die opties gekozen, gezien de eerdergenoemde aangenomen motie? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Antwoord vraag 7
Het kabinet heeft een integrale afweging gemaakt aan de hand van het Gezondheidsraadadvies, aanvullende informatie van de VGO-onderzoekers en de uitgevoerde impactanalyse. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter zou een nog veel grotere impact hebben, óók op woningbouw, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Gegeven het feit dat het gezondheidsrisico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is, acht het kabinet dat niet proportioneel.
Aangevuld met de prioritaire maatwerkaanpak en de inzet op emissiereducerende maatregelen om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen, acht het kabinet dit een evenwichtig pakket, waarvoor geen duidelijk alternatief beschikbaar is dat beter zou uitpakken voor gezondheid en woningbouw en ook proportioneel en maatschappelijk haalbaar is.
Vraag 8
Heeft u gezien dat de Kamer van mening is dat het niet uit te leggen is dat mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en –kaas voor voornamelijk het buitenland (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
Vraag 9
Vindt u dit wel uit te leggen?
Vraag 10
Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om de woningbouw in te perken in plaats van de intensieve geitenhouderij in te krimpen?
Antwoord vragen 8 t/m 10
Het kabinet is bekend met de motie van het lid Kostić, waarin wordt verzocht om, waar spanningen zijn tussen deze verschillende belangen, woningbouw en volksgezondheid te prioriteren boven de intensieve geitenhouderij. De afstandsnorm heeft als doel de gezondheidsrisico’s niet te laten toenemen en werkt logischerwijs beide kanten op. Het beperkt zowel de groei van geitenhouderijen als de nieuwbouw van woningen in gebieden waar dit nodig is vanwege de gezondheidsrisico’s van omwonenden. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie van 9 januari jl.3 dient overeenkomstig de Omgevingswet gezocht te worden naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu) en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. Er is een afweging gemaakt met het oog op de gezondheid en de impact van een afstandsnorm, met name op de woningbouw maar ook op de sector. In de Kamerbrief van 10 juli jl.4 is aangegeven dat het kabinet met deze aanpak tegemoet komt aan de motie van het lid Kostić.
Vraag 11
Bent u van mening dat, met het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, risico's voor de volksgezondheid volledig worden weggenomen of tot een minimum worden beperkt? Zo ja, op welke wetenschappelijke informatie baseert u dat?
Antwoord vraag 11
Nee, het invoeren van een afstandsnorm voorkomt alleen dat gezondheidsrisico’s toenemen door nieuwvestiging van geitenhouderijen in de directe omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen, of vice versa. Het kabinet wil zich ook inzetten om het risico voor omwonenden in bestaande situaties te verminderen. Enerzijds zetten we in op mogelijke emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau. Hiervoor is eerst meer kennis en onderzoek nodig. Anderzijds zetten we in op een maatwerkaanpak in prioritaire situaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is. Zoals aangegeven,5 wordt nog gewerkt aan de uitwerking daarvan.
Vraag 12
Kunt u uiteenzetten op basis van welke gezondheidskundige overwegingen het kabinet heeft gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, terwijl volgens de Gezondheidsraad de kans op longontsteking nog steeds gemiddeld negentien procent hoger ligt binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van daarbuiten?
Antwoord vraag 12
Het geschatte risico op longontsteking is het sterkst verhoogd op 0-500 meter van een geitenhouderij. Het risico is binnen die afstand 73% hoger (3,2% kans op longontsteking per jaar i.p.v. 1,9%). Het geschatte risico binnen de volledige straal van 1.000 meter is, volgens het VGO-III-onderzoek, weliswaar 19% verhoogd, maar uit de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen6 blijkt dat het risico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is. Het verhoogde risico binnen 0-1.000 meter is dus vooral te wijten aan het relatief sterke effect op korte woonafstand, binnen de straal van 500 meter.
Vraag 13
Heeft het kabinet voorafgaand aan het vaststellen van het maatregelenpakket overleg gevoerd met de Gezondheidsraad over de keuze voor een afstandsnorm van 500 meter? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen voor het eerstvolgende debat over zoönosen en dierziekten?
Vraag 14
Adviseert de Gezondheidsraad op dit moment een afstandsnorm van 500 meter, of houdt de Gezondheidsraad vast aan het advies om uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Vraag 15
Heeft de Gezondheidsraad naar aanleiding van de nadere VGO-analyses zijn eerdere oordeel gewijzigd? Zo nee, waarom wijkt u af van de het advies van deze belangrijke onafhankelijke adviesraad?
Antwoord vragen 13 t/m 15
Nee, hierover heeft geen overleg met de Gezondheidsraad plaatsgevonden. De aanvullende analyses van de VGO-onderzoekers over 500-1.000 meter zijn op precies dezelfde manier gedaan als die voor 0-500 en 0-1.000 meter in het Gezondheidsraadadvies. Op basis van deze aanvullende gegevens van de VGO-onderzoekers en een integrale afweging acht het kabinet een afstandsnorm van 500 meter het meest proportioneel. Het kabinet vindt het belangrijk om nu vaart te maken en ziet geen aanleiding om de Gezondheidsraad om een herziening van zijn advies te vragen.
Vraag 16
Welke gezondheidsrisico’s voor omwonenden blijven volgens het kabinet bestaan in de zone tussen 500 meter en 1.000 meter van een geitenhouderij?
Antwoord vraag 16
Zie het antwoord op vraag 12.
Vraag 17
Hoe verhoudt de keuze voor 500 meter zich tot het voorzorgsbeginsel, in het licht van het advies van de Gezondheidsraad dat adviseert uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Antwoord vraag 17
De Gezondheidsraad kijkt voor zijn adviezen primair naar het belang voor de volksgezondheid. Het kabinet stelt de volksgezondheid voorop, en weegt ook andere belangen mee, zoals impact op de woningbouwopgave. Het advies van de Gezondheidsraad in acht genomen hebbend, en het aanvullende gegeven dat het risico tussen 500-1.000 meter niet statistisch significant verhoogd is (zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 12), is het uiteindelijk aan het kabinet om te komen tot een zorgvuldig afgewogen maatregelenpakket dat in verhouding staat tot de verschillende belangen die meespelen. Dat sluit ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad zelf: de raad benadrukt dat de vraag welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is, welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt beschouwd en hoe belangen van betrokkenen worden gewogen een politiek-bestuurlijke afweging is.
Vraag 18
Kunt u aangeven waarom u een afstandsnorm van 1.000 meter ‘niet proportioneel’ acht, in relatie tot de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) die verzoekt om woningbouw én volksgezondheid te prioriteren boven de belangen van de intensieve geitenhouderij, gezien de motie nadrukkelijk de voorkeur gaf aan kiezen voor de beste keuze voor gezondheid én woningbouw en niet voor geitenhouderijen?
Antwoord vraag 18
Zie de antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Vraag 19
Kunt u bevestigen dat geitenhouders niet alleen maatregelen zullen moeten treffen om volksgezondheidsrisico's te verminderen, maar dat er ook andere opgaven voor deze sector zijn, zoals stikstof, mest, natuur, klimaat en dierenwelzijn?
Vraag 20
Deelt u de mening dat ook in dit geval voorkomen moet worden dat wordt gestuurd op één deelprobleem, en dat in plaats daarvan de opgaven integraal moeten worden aangepakt?
Vraag 21
Kunt u aangeven waarom het kabinet kiest voor een maatregel die één deelprobleem adresseert, terwijl de intensieve geitenhouderij tegelijkertijd voor bredere maatschappelijke opgaven staat?
Antwoord vragen 19 t/m 21
Er zijn voor de geitensector, zoals voor elke veehouderijsector, meerdere maatschappelijke opgaven om aan te werken. Het is wenselijk dat deze integraal worden benaderd. Maar de noodzaak om aan een opgave te werken kan onderling verschillen, wat ook kan resulteren in eerdere sturing op specifieke opgaven.
In artikel 2.3a van de Wet dieren is bepaald dat de veehouderij in 2040 dierwaardig zal zijn. Dat betekent dat in de periode tot 2040 voor iedere veehouderijsector regels in een AMvB zullen worden opgenomen over de gedragsbehoeften van het dier en de wijze waarop daar invulling aan kan worden gegeven. Te zijner tijd zullen er dus ook specifieke regels voor de geitensector gaan gelden. In het najaar zal de Tweede Kamer over de planning worden geïnformeerd.
De geitensector heeft in december 2025 een sectorplan gepubliceerd met aandacht voor een gezonde leefomgeving en verantwoorde ontwikkeling.7 In de ketenvisie die in juni 2024 is gepubliceerd is aandacht voor andere maatschappelijke opgaven, zoals dierenwelzijn, milieu, natuur en klimaat.8
Vraag 22
Deelt u de mening dat het onwenselijk en oneerlijk is als geitenhouders de komende jaren fors moeten investeren in bepaalde emissiereducerende maatregelen in hun stal, terwijl dergelijke maatregelen mogelijk niet passen binnen een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Vraag 23
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geitenhouders investeren in technische maatregelen die onverenigbaar zijn met een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Antwoord vragen 22 en 23
Het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheidsraadadvies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven, waaronder de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR-onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.
Vraag 24
Waarom kiest het kabinet ervoor om nu al voor te sorteren op het in de toekomst schrappen van de afstandsnorm, zonder dat is vastgesteld dat emissiebeperkende maatregelen effectief zijn? Hoe groot schat u de kans in dat dit werkelijkheid wordt en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Antwoord vraag 24
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. De inzet van het kabinet is om te komen tot zulke emissiereducerende bedrijfsmaatregelen, en daartoe wordt door Wageningen University & Research (WUR) meerjarig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Het is op voorhand niet te zeggen of er daadwerkelijk effectieve emissiereducerende maatregelen uit dit onderzoek voort zullen komen.
Vraag 25
Bent u bereid om ‘bij de verdere uitwerking’ niet alleen gemeenten en provincies te betrekken, maar ook gezondheidsexperts van de Gezondheidsraad en GGD’en? Hoe gaat u dat doen?
Antwoord vraag 25
Het past niet bij de rol van de Gezondheidsraad als onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad om betrokken te zijn bij de verdere uitwerking van het beleid. GGD’en zijn op verschillende momenten in het proces reeds meegenomen. Het kabinet is voornemens om hen bij de verdere uitwerking van, onder andere, de prioritaire maatwerkaanpak te betrekken.
Vraag 26
Kunt u een tijdspad geven van de wettelijke procedures (zoals een plan-milieueffectrapportage) die doorlopen worden voor invoering van de maatregel?
Antwoord vraag 26
De invoering van de maatregel vergt een aanpassing van het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemiddeld duurt het traject inclusief plan-milieueffectrapportage 2,5 tot 3 jaar. In de stand van zakenbrief van het kabinet eind dit jaar kan een meer specifieke planning voor de procedure worden opgenomen.
Vraag 27
Het kabinet vraagt gemeenten in de Kamerbrief om ‘de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving’, maar wat betekent dit concreet? Wordt daarin meegegeven dat de Kamer het belangrijk vindt dat de belangen van gezondheid en wonen samen boven de belangen van geitenhouderijen worden gesteld?
Antwoord vraag 27
Het kabinet verzoekt gemeenten om bij nieuwe plannen rekening te houden met de voorgenomen afstandsnorm. Dat houdt in dat gemeenten in overweging nemen dat er bij nieuw te realiseren woningen of andere gevoelige bestemmingen voldoende afstand is tot bestaande geitenhouderijen. Daarnaast vragen we provincies en gemeenten ook om rekening te houden met de afstandsnorm bij vergunningverlening voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen.
Vraag 28
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het commissiedebat ‘Zoönosen en dierziekten’ van 9 september 2026?
Antwoord vraag 28
De vragen worden voor het commissiedebat Zoönosen en dierziekten van 9
september beantwoord. In de beantwoording is een aantal vragen
gebundeld, gezien de overlap en samenhang in de antwoorden.
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 304.↩︎
Bijlage bij Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 304.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 287.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 304.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 304.↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 28 973, nr. 297.↩︎
https://www.platformmelkgeitenhouderij.nl/wp-content/uploads/2026/01/Samen-bouwen-aan-vitaal-nabuurschap-Sectorplan-geitenhouderij-DEC-25.pdf↩︎
https://www.platformmelkgeitenhouderij.nl/wp-content/uploads/2025/08/Ketenvisie-Platform-Melkgeitenhouderij-2024-volledige-versie-1.pdf↩︎