[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]
Datum 2026-04-23. Laatste update: 2026-04-29 13:36
Groen van Prinstererzaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

Justitieketen van het Caribisch deel van het Koninkrijk

Opening

Verslag van een commissiedebat

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 23 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid, over Justitieketen van het Caribisch deel van het Koninkrijk.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,

Eerdmans

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,

Burger

Voorzitter: Ellian

Griffier: Van der Haas

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Tijs van den Brink, Ceder, Ellian, Mathlouti, Schilder en Westerveld,

en mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid.

Aanvang 10.01 uur.

Justitieketen van het Caribisch deel van het Koninkrijk

Aan de orde is de behandeling van:

  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 9 december 2024 inzake inspectierapport JustitiĆ«le aanpak van relationeel geweld in Caribisch Nederland (28345, nr. 280);
  • de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 4 februari 2025 inzake vervolgonderzoek Jeugddetentie in Caribisch Nederland (24587, nr. 1019);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 28 maart 2025 inzake beleidsreactie op het inspectierapport JustitiĆ«le aanpak van relationeel geweld in Caribisch Nederland (28345, nr. 284);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 27 mei 2025 inzake voortgang JenV-beleidsagenda Caribisch Nederland (CN) 2021-2025 over 2024 (29279, nr. 971);
  • de brief van de staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 11 juli 2025 inzake capaciteitsproblematiek gevangenis Caribisch Nederland (24587, nr. 1059);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 10 november 2025 inzake periodieke rapportage hoofdlijnen Justitieel Vierpartijen Overleg (36800-IV, nr. 22);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 25 november 2025 inzake beleidsreactie op inspectiebrieven rampenbestrijding en brandweerzorg Caribisch Nederland en GHOR en inspectierapport Bovenregionaal grootschalig en specialistisch brandweeroptreden (26956, nr. 222);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 9 februari 2026 inzake periodieke rapportage hoofdlijnen Justitieel Vierpartijen Overleg (16 januari 2026) (36800-IV, nr. 43);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 31 maart 2026 inzake beleidsagenda Caribisch Nederland 2026-2030 (29279, nr. 1015);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 7 april 2026 inzake voortgang JenV-beleidsagenda 2021-2025 over 2025 (29279, nr. 1018).

De voorzitter:

Dames en heren, goedemorgen. Welkom bij deze vergadering van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid. Op de agenda staat het commissiedebat Justitieketen van het Caribisch deel van het Koninkrijk. Ik heet van harte welkom de afvaardiging vanuit het kabinet: de minister van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Fijn dat u er bent en natuurlijk fijn dat uw ondersteuning er is. Ik heet van harte welkom de collega's die hier aanwezig zijn en alle mensen die dit volgen, hier in de zaal en op een andere manier. Ik weet niet wat het tijdverschil is met de eilanden. Meneer Ceder, weet u dat? Een uur of vijf, zegt u. Mochten er mensen op de eilanden kijken, dan heet ik die ook van harte welkom.

We gaan meteen beginnen met de eerste termijn van de Kamer. Laten we de interrupties gewoon beperkt houden. Dan hebben we ook meer tijd voor debat met de regering. Laten we drie of vier interrupties doen; ik kijk even hoe het loopt.

Laten we gewoon beginnen met de eerste termijn van meneer Ceder namens de ChristenUnie. Aan u het woord.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. In 2023 vond er een tragische steekpartij plaats hier verderop in de Albert Heijn bij de Turfmarkt. Jamel L. is veroordeeld tot tien jaar cel voor de moord op een 36-jarige Albert Heijnmedewerker. Deze man uit CuraƧao had een tbs-veroordeling gekregen op CuraƧao, maar liep vrij rond in Nederland, wat tot grote maatschappelijke verontwaardiging leidde.

Uit deze tragedie moeten we lessen trekken, want het kan door een combinatie van situaties nog een keer gebeuren. Nu is het zo dat rechtbanken in het Caribisch deel van het Koninkrijk een tbs-voorziening kunnen uitspreken, maar dat er in het Caribisch deel van het Koninkrijk geen tbs-voorziening is waar het vonnis, de uitvoering en de dwangverpleging daadwerkelijk kunnen plaatsvinden. Er kan een verzoek gedaan worden aan Nederland om iemand op te vangen, maar dat kan geweigerd worden, zoals in het geval van Jamel en in andere gevallen gebeurd is, waardoor iemand die wel zorg nodig heeft overeenkomstig een vonnis, die zorg niet krijgt en vrij kan rondlopen, met mogelijk gruwelijke uitkomsten als gevolg. Dit kan en moet anders. Daarom heb ik eerder een motie ingediend, die ook aangenomen is, over een tbs-voorziening in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Mijn vraag is wat nu de ambitie van het kabinet hierop is. Wat zijn de concrete plannen? Wanneer kunnen we hierin resultaat verwachten?

Voorzitter. Dan kom ik bij de verschillen in wetgeving tussen Caribisch Nederland en Europees Nederland. Dat zijn er een hoop. Ik noem twee voorbeelden. In Europees Nederland is het wettelijke uitgangspunt dat jeugdstrafzaken tegen minderjarigen onder de 18 jaar achter gesloten deuren worden behandeld; in Caribisch Nederland is de behandeling juist openbaar tenzij de verdachte bij aanvang van de vervolging nog geen 16 jaar was. In Europees Nederland is geregeld dat ernstige zedenmisdrijven tegen slachtoffers onder de 18 jaar niet verjaren; in Caribisch Nederland verjaren deze ernstige zedenmisdrijven nog wel. Zo zijn er nog een aantal verschillen. Ik vind dat eigenlijk onacceptabel. Deze twee voorbeelden zijn makkelijk te verhelpen met een simpele wetswijziging. De vraag is of ik een wetswijziging kan verwachten in de Kamer. Als dat niet op korte termijn is, dan zal ik misschien zelf dat initiatief vanuit de Kamer willen oppakken. Dat kondig ik hierbij aan.

Voorzitter. Voor preventie van recidive is goede forensische zorg enorm belangrijk, zeker bij jeugdigen. De mogelijkheden zijn nu te beperkt. Ik lees dat er een projectteam wordt opgericht om de kwaliteit te verbeteren. Ik vind dit nogal traag gaan en de concrete doelstellingen nog vaag. Kan de staatssecretaris nader toelichten wat ik aan het einde van deze kabinetsperiode als resultaat kan verwachten?

Voorzitter, dan mensenhandel. Dat is ook een groot probleem in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Er wordt wel samengewerkt tussen de BES-eilanden en de landen — dat is goed — maar ik vroeg me af wat de eerste resultaten zijn van de nieuwe aanpak, die in 2025 is gestart. Al in 2017 zei de Nationaal Rapporteur Mensenhandel dat het vreemd is dat er nog geen bevoegdheden zijn om ook over de BES-eilanden te rapporteren. Mijn vraag is: gaat het kabinet dit nu eindelijk wijzigen? Waar staan we ten aanzien van de implementatie van het Verdrag van Istanbul op de BES-eilanden?

Voorzitter. Ik kom bij gokken. U weet wat mijn partij vindt van gokken. Het leidt tot verslavingen. Ook op CuraƧao is de gokindustrie een belangrijke speler. Wat ons betreft ontstaat er een ondermijnende situatie, die indirect en direct ook het belang van Nederland raakt. Hoe ziet het kabinet dit? Wat kunnen we doen om deze onwenselijke tendensen te bestrijden?

Voorzitter, tot slot. Gisteren heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitgesproken dat op CuraƧao de mensenrechten van zeven Venezolaanse gevangen zijn geschonden. De gevangen zijn door autoriteiten met rubberkogels beschoten toen er rellen uitbraken, wat in ieder geval volgens het Hof niet gerechtvaardigd was. Deze zaak staat volgens mij niet op zichzelf. Ook Nederland wordt erop aangesproken en aangekeken. Heeft het kabinet zicht op de inhumane behandelingen van vluchtelingen op CuraƧao? Wat zijn de afspraken en de gesprekken die onderling gemaakt en gevoerd worden? Welke stappen gaat de regering zetten om deze mensonterende omstandigheden in het Koninkrijk te stoppen?

Dank u wel.

De voorzitter:

U bedankt, meneer Ceder. Ik zie geen interrupties. We gaan door naar mevrouw Schilder voor haar eerste termijn namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank u wel. Ik wil altijd heel veel positieve dingen zeggen over de eilanden, want ik hou van de eilanden, maar helaas is de justitieketen daar niet op orde. We hebben gevangenissen met een tekort aan plekken, een Openbaar Ministerie dat moet kiezen wie wel en wie niet vastzit en een politie die haar werk nauwelijks aankan. Dat is geen klein probleem; het raakt de basis van de rechtsstaat. Ik pak even wat cijfers uit de brief van juli vorig jaar. In de gevangenis op Bonaire, de JICN, zijn 122 plekken. 32 van die plekken werden ingenomen door vreemdelingen, onder wie 25 Venezolanen. Dat is meer dan een kwart van de capaciteit. Deze mensen werden niet naar de gevangenis in hun eigen land overgeplaatst, omdat daarvoor toestemming van de gedetineerde nodig is en de Venezolaanse gedetineerden daar regelmatig niet aan mee willen werken. Veroordeelden mogen dan blijkbaar zelf bepalen in welk land ze hun gevangenisstraf uitzitten, maar daardoor zitten wij met een probleem. Door de oververtegenwoordiging van vreemdelingen konden andere veroordeelden hun gevangenisstraf niet uitzitten en wachten 65 veroordeelden al sinds 2019 op het uitzitten van hun straf.

In de voortgangsbrief van afgelopen april lezen we dat het capaciteitsprobleem in de JICN is opgelost door deze vreemdelingen simpelweg vrij te laten. "Heenzenden" noemen we dat of "opschorten van de executie". Het RIEC kan nog zo belangrijk werk leveren in de strijd tegen ondermijning, als veroordeelde drugscriminelen worden vrijgelaten om capaciteit te creƫren, blijven we dweilen met de kraan open. Ik heb nou niet echt het idee dat die drugskoeriers uit Venezuela erg onder de indruk zijn van wat hun te wachten staat als ze in de wateren van Bonaire worden opgepakt. Is het vrijlaten van maar liefst 23 mensen die strafbare feiten hebben gepleegd en in sommige gevallen nog meer dan twee jaar moesten zitten, serieus de oplossing die deze staatssecretaris heeft voor het capaciteitsprobleem? Dan hou ik mijn hart namelijk vast voor wat Nederland te wachten staat.

Als u dacht dat het niet erger kon: er staat in diezelfde brief dat er inmiddels genoeg ruimte in de JICN is om gedetineerden uit Sint-Maarten op te vangen. Dan laten we dus eerst veroordeelde criminelen vrij omdat we geen plek hebben en omdat de hele keten vastloopt, zo erg dat 65 mensen langer dan zes jaar wachten om hun straf uit te zitten, en vervolgens halen we gevangenen van elders binnen omdat er ruimte is. Staatssecretaris, kan u dit aan mij uitleggen?

Voorzitter. Ik heb nog een ander punt. Als je de stukken op de agenda leest, zie je ƩƩn duidelijk patroon: aan beleidsplannen voor het Caribisch deel van het Koninkrijk is geen enkel gebrek, maar aan uitvoering en resultaat des te meer. Alles wat ik lees, is een "traject", een "verkenning", een "onderzoek", een "pilot", een "proces", een "evaluatie" of een "rapport". Alles wat ik daarna lees, is "niet opgevolgd", "nog niet opgevolgd", "deels opgevolgd" of "voor opvolging is meer sturing vanuit Nederland nodig". Een voorbeeld hiervan is de aanpak van mensenhandel. Er wordt ingezet op bewustwording, trainingen en campagnes, maar wanneer leidt dit tot meer opsporing en minder criminaliteit? Wat zijn de meetbare resultaten? Is de minister het met me eens dat het tijd is om minder te verkennen en meer te leveren? Ik wil vragen hoeveel geld er nou eigenlijk naar die onderzoeken gaat, hoeveel geld er naar de rapporten gaat en wat we daar concreet voor terugkrijgen. Is de capaciteit bij de politie al eens opgelost? Ik zag laatst een selfie van onze staatssecretaris waarin werd gesproken over "girl power". Daar hou ik van, maar ik hoop dat die power wordt ingezet voor acties die ons echt iets opleveren.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank. Er is een interruptie van de heer Mathlouti van D66.

De heer Mathlouti (D66):

Een vraag aan mijn collega van de PVV. Ik las dat zij zelf op CuraƧao heeft gewoond. Ik hoor ook best wel actie in haar verhaal. Kan zij twee of drie dingen noemen die zij nu zou willen veranderen en hoe zou zij die dingen op korte termijn willen doen?

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ten eerste zit ik nu al een tijdje niet meer bij de PVV, maar bij de Groep Markuszower. Als ik nu drie dingen mocht oppakken, zou ik, net zoals hier in Nederland, inzetten op … Ik heb een motie ingediend, die ook is aangenomen, om waar mogelijk in te zetten op meerpersoonscellen. Die zou ik dan ook graag inzetten op Bonaire en eigenlijk in het hele Caribische gebied, want ook in Sint-Maarten hebben we heel veel problemen met de gevangenissen. Ik vind het RIEC heel goed werk leveren. Daar gaat ook geld naartoe, maar we moeten ook wel zorgen dat die mensen hun werk goed kunnen doen en we moeten niet aan de andere kant mensen wegsturen. Ik zou dus graag zien dat we geen mensen meer wegsturen. En als laatste: ik kan honderd dingen noemen, maar ik zou de politiecapaciteit toch wel graag op orde willen hebben.

De heer Mathlouti (D66):

Dat gaat vooral over het wat. Dat betreft het eerste deel van mijn vraag, maar het tweede deel ging over het hoe.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voor meerpersoonscellen is niet heel veel nodig. Als we met z'n allen besluiten daarop in te zetten, is het een kwestie van er meer bedden in zetten en kijken welke personen bij elkaar kunnen. Dan is het opgelost. Het vrijlaten van gevangenen is dan een gevolg dat niet meer nodig is, want er is dan genoeg ruimte in de gevangenis.

De voorzitter:

Goed. Dan gaan we naar de eerst termijn van de heer Mathlouti namens D66. Gaat uw gang.

De heer Mathlouti (D66):

Voorzitter, goedemorgen. Of eigenlijk moet ik zeggen: bon dia. We spreken vandaag over het Caribisch deel van ons Koninkrijk, een deel van Nederland aan de andere kant van de wereld, met eigen inwoners, eigen tradities en een eigen, mooie cultuur. Maar in veel opzichten spelen daar dezelfde opgaven als hier in Nederland: ook de eilanden krijgen op grote schaal te maken met relationeel geweld, personeelstekorten en uitdagingen op het gebied van jeugdcriminaliteit. De opgaven lijken op elkaar, maar de aanpak vraagt soms net om iets anders.

Neem relationeel geweld. Dat is een groot probleem in Nederland, maar ook op de eilanden. Waar in Nederland een groot aantal hulporganisaties beschikbaar is en hulpverleners vaak onafhankelijk kunnen opereren, is het op Caribisch Nederland veel meer "ons kent ons" in een relatief kleine gemeenschap. Dat maakt de aanpak van relationeel geweld, naast het bestaande ongemak of taboe om erover te spreken, anders en complex. Ik las dat er in 2025 een campagne is gestart om de meldingsbereidheid op de eilanden te vergroten. Kan de minister concreet aangeven wat deze campagne heeft opgeleverd in termen van meldingen? En nog veel belangrijker: hoeveel van die meldingen zijn daadwerkelijk opgevolgd met passende hulp en bescherming?

Uit het rapport van de Raad voor de rechtshandhaving blijkt dat huiselijk geweld op Caribisch Nederland meer aandacht krijgt dan voorheen. Dat is in eerste instantie een mooie ontwikkeling. Maar de raad is ook scherp op de rol van de minister. De aanbevelingen die in 2020 zijn meegegeven, lijken uit beeld te zijn geraakt. Kan de minister precies aangeven welke concrete aanbevelingen inmiddels volledig zijn uitgevoerd en welke niet, en waarom?

Voorzitter. De minister geeft aan sterk in te zetten op bewustwording en signalering, maar kan hij garanderen dat er voldoende opvang, hulpverlening en capaciteit is om de extra meldingen ook daadwerkelijk op te vangen? Of creƫren we hiermee verwachtingen die we in de praktijk misschien nog helemaal niet waar kunnen maken?

Voorzitter. Daarnaast las ik dat de schaarse politie- en detentiecapaciteit op Saba en Sint-Eustatius ertoe leidt dat daders, ook bij relationeel geweld, anders worden gestraft dan bijvoorbeeld op Bonaire. Ik denk dat we dat niet zouden moeten willen. Het zorgt niet alleen voor rechtsongelijkheid tussen inwoners van de verschillende eilanden, maar het heeft ook als gevolg dat slachtoffers van relationeel geweld denken: laat die aangifte maar zitten; het heeft toch geen zin. Kan de staatssecretaris concreet aangeven binnen welke termijn deze verschillen in capaciteit en strafpraktijk tussen eilanden worden opgelost? Wat is het plan als dit op korte termijn niet lukt? Wordt daar bijvoorbeeld actief over gesproken in het Justitieel Vierpartijen Overleg en, zo ja, wat heeft dat overleg tot nu toe concreet opgeleverd, niet in plannen maar in extra capaciteit op de eilanden zelf?

Voorzitter. Als we breder kijken, zien we tekorten bij de politie, in de detentie, bij de jeugdbescherming en zelfs bij de forensische zorg. Waarom ligt er nog steeds geen integraal en tijdgebonden plan om deze structurele tekorten aan te pakken, terwijl deze problematiek al jaren bekend is?

Voorzitter. Relationeel geweld raakt ook de jeugd op de eilanden. We weten dat het voorkomen van criminaliteit begint bij een fijn huis, goed onderwijs en voldoende kansen op werk. Op de eilanden zijn veel eenoudergezinnen. Er zijn veel gevallen van huiselijk geweld en ook armoede speelt een grote rol. Ik geloof dat we, door jongeren aan de voorkant op de juiste manier te ondersteunen, echt een verschil kunnen maken. Maatschappelijke initiatieven als de stichting Jong Bonaire zijn daar een goed voorbeeld van, maar niet elke jongere die het nodig heeft komt daar terecht. Kan de minister aangeven hoe goed de risicogroep jongeren op dit moment daadwerkelijk wordt bereikt met preventieve maatregelen, via onderwijs, sport, werk of anderszins? Met andere woorden: werkt het ook? Kan hij daarbij aangeven hoe deze interventies structureel worden geborgd, in plaats van afhankelijk te blijven van losse projecten en tijdelijke financiering?

Voorzitter. Tot zover in de eerste termijn.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Op Sint-Maarten speelt momenteel een discussie rondom het legaliseren van cannabisteelt. Als dat doorgaat, gaat dat veel verder dan Nederland eigenlijk wil. Nederland wil volgens mij in een experiment bezien wat daar de voordelen van zijn. Volgens mij ontstaat daardoor niet alleen ongelijkheid, maar ook een best ingewikkelde situatie rondom handhaving en drugshandel binnen het Koninkrijk, ook gezien de vooroordelen die tussen de eilanden onderling bestaan over het verkeer over en weer. Ik ken het standpunt van D66 ten aanzien van het wietexperiment, maar ik vroeg mij af of D66 van mening is dat hierbij mogelijk een situatie ontstaat die binnen het Koninkrijk voor justitieproblemen kan gaan zorgen.

De heer Mathlouti (D66):

Met de zojuist genoemde uitdagingen kan ik me voorstellen dat dat risico er is. Ik ken de casus van het legaliseren van wiet niet. Ik weet ook niet welke afwegingen er daarbij door het kabinet zijn gemaakt om dit eventueel wel of niet te overwegen. Daar kan ik eigenlijk niet inhoudelijk op ingaan.

De voorzitter:

OkƩ. U was aan het einde van uw betoog, meneer Mathlouti? Dan gaan we naar meneer Van den Brink namens de fractie van het CDA.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Goedemorgen. Bon dia. Goed dat we vandaag met deze commissie spreken over het Caribisch deel van het Koninkrijk en dan meer specifiek over de justitiƫle keten. Dat betekent onder andere het gevangeniswezen, de politie, criminaliteitsbestrijding en de rechtspraak. De eilanden van het Caribisch deel zijn onderdeel van ons Koninkrijk, dus dat betekent dat we met hen en met de uitdagingen die daar spelen in verbinding moeten blijven staan. Een van de grootste uitdagingen is, net als in het Europese deel van Nederland, de aanpak van de capaciteitstekorten in het gevangeniswezen en het tegengaan van criminaliteit en ondermijning. Op die onderwerpen zal ik mij vandaag dan ook richten.

Onderdeel van de criminaliteitsbestrijding is ook de aanpak van illegaal online gokken. In Europees Nederland komen we hier vaak over te spreken, maar uit onderzoek blijkt dat er ook illegale gokaanbieders op CuraƧao actief zijn, die hun diensten aanbieden in Europa. Eind 2024 is daar de Landsverordening aangenomen, waardoor online gokken werd gelegaliseerd. Mijn vraag daarover is: in hoeverre worden gokkers daar beschermd en wordt kennis gedeeld vanuit Europees Nederland en de Europese regelgeving rondom online kansspelen? Zijn er resultaten bekend over het aantal online gokkers sinds de legalisering? Hoe verloopt de bescherming van het aantal gokkers tegen verslavingen?

Voorzitter. Dan de capaciteitstekorten in detentie. Op Bonaire staat een justitiƫle inrichting die al geruime tijd kampt met een tekort aan plekken. Aruba en CuraƧao hebben ieder een eigen gevangenis, waar ook cellentekorten zijn. Op Sint-Maarten is begin dit jaar gestart met de bouw van een nieuwe gevangenis. Vorig jaar luidde de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming de noodklok vanwege de onveiligheid en de slechte waarborging van mensenrechten in deze gevangenissen. Wat is daar nu de situatie? Wanneer wordt de nieuwe gevangenis geopend? Hoe staat het met de detentiecapaciteit op CuraƧao nadat er in 2024 een beroep is gedaan op artikel 36 van het Statuut? Zijn de detentiefaciliteiten daar inmiddels verbeterd? Kan de minister ingaan op de algehele tekorten in detentie in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke maatregelen zijn genomen of worden genomen om de druk te laten afnemen?

Voorzitter. Het tegengaan van de tekorten in het gevangeniswezen houdt ook verband met de aanpak van criminaliteit in den brede. Misdaad mag niet lonen, maar de uitdagingen zijn groot. Het Caribisch gebied is gevoelig voor drugshandel over zee. In 2025 hebben de marineschepen bijna 19.000 kilo drugs onderschept. De Caribische regio blijft een doorvoerhaven voor drugs. In februari is er begonnen met de zogeheten "War Rooms" om georganiseerde criminaliteit te bestrijden. Politie, Kustwacht, marechaussee en het Recherche Samenwerkingsteam werken samen vanuit ƩƩn plek. Dat bleek heel succesvol te zijn. Toch vinden criminelen altijd manieren om hun routes en methodes te verleggen. Hoe zorgen wij ervoor dat wij ze voor kunnen blijven? Hoe verloopt het toezicht in de havens nu criminelen die ook vaker willen omzeilen? De War Rooms worden ervaren als een doorbraak, zowel door de praktische resultaten als door het toenemen van vertrouwen. Worden de War Rooms inderdaad een vast terugkerend onderdeel van de strijd tegen de criminaliteit? Wanneer starten de volgende edities, is mijn vraag.

Het CDA juicht toe dat binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk bredere afspraken worden gemaakt over samenwerking rondom het versterken van de rechtsstaat en de bestrijding van ondermijning. Welke initiatieven lopen er op dit moment om die samenwerking intensief te houden en waar nodig te intensiveren?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Ja. Er is een interruptie van meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik beschouw de heer Van den Brink als mijn grote medestrijder als het gaat om het antidrugsfront dat de ChristenUnie natuurlijk opwerpt. Ik hoop dan ook dat het CDA ook van mening is dat het gezien de context zeer onwenselijk is dat Sint-Maarten eventueel binnen afzienbare tijd cannabisteelt zou legaliseren. Daarbij gaat het ook verder dan Nederland gaat. Daardoor ontstaan er binnen de context van het Koninkrijk volgens mij best wel wat justitiƫle vraagstukken, nog afgezien van de problemen die er nu al zijn en die ook nog niet opgepakt worden. Mijn vraag is of de heer Van den Brink het met mij eens is dat deze ontwikkeling een onwenselijke is en of hij misschien het kabinet ook zou willen aansporen om te kijken hoe wij hier iets in kunnen betekenen, uiteraard met aandacht voor de bevoegdheden die elk autonoom land heeft.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik deel die zorg en ik ben heel benieuwd naar de reactie van de regering. We moeten kijken hoe de verhoudingen precies liggen en wat we zouden kunnen doen. Maar ik ben voor alles wat we kunnen doen om er iets tegen te doen.

De voorzitter:

OkƩ. U was aan het einde van uw betoog. Welkom, mevrouw Westerveld namens GroenLinks-PvdA. Aan u het woord voor uw eerste termijn.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik vervang vandaag mijn collega Mutluer. Zij kan hier niet aanwezig zijn vanwege een andere verplichting, maar we vonden het wel belangrijk om iemand te sturen.

Voorzitter. Net als in Europees Nederland zien we dat er grote knelpunten zijn in de rechtsbescherming en rechtshandhaving. Voor Caribisch Nederland komt daar nog eens bij dat de schaal van de eilanden klein is. Problemen worden snel over het gehele eiland gevoeld. Voor mijn fractie geldt het uitgangspunt dat de eilanden in Caribisch Nederland gelijkwaardig zijn aan gemeenten in Europees Nederland. Als Rijksoverheid hebben we dus een grote verantwoordelijkheid voor het waarborgen van een goed functionerende democratische rechtsstaat op de BES-eilanden. Daarnaast hebben we als Koninkrijk gezamenlijk de verantwoordelijkheid om de democratische rechtsstaat in alle landen van het Koninkrijk goed te borgen.

Ondanks het "comply or explain"-beleid zien we nog steeds grote verschillen in wetgeving tussen Europees en Caribisch Nederland. Ik heb daar al meerdere woordvoerders vragen over horen stellen. Zo zijn bijvoorbeeld de Wet Bibob, die belangrijk is voor het versterken van de integriteit en ter voorkoming van ondermijning, en de Algemene wet bestuursrecht nog steeds niet geldig op de BES. We lezen dat het kabinet hier nog steeds aan werkt. Dat duurt allemaal wel heel erg lang. Graag zou ik van het kabinet een actueel overzicht ontvangen van wetgeving die we de komende periode op het terrein van rechtshandhaving kunnen verwachten. Daarbij hoor ik ook graag welke versnellingsmogelijkheden er zijn.

Voorzitter. Ik kom bij een aantal concrete punten. Allereerst de brief van de gezaghebbers van de BES-eilanden. Zij wijzen zeer terecht op de ernstige constatering uit het rapport Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024 van de Raad voor de rechtshandhaving. De gezaghebbers roepen het nieuwe kabinet op om de personele en materiƫle tekorten van het politiecorps, de KMar, de Douane en de Dienst Justitiƫle Inrichtingen structureel aan te pakken. Als dat niet gebeurt, zo schrijven zij, dan zijn de basiszorg en de noodhulp van de politie in het geding. Ze wijzen bijvoorbeeld op een toename van wapenproblematiek en groeiende ondermijning. Die problemen zijn zeer ernstig, zoals we kunnen lezen en zoals ik ook meerdere collega's heb horen zeggen. Ik hoor graag een reactie van beide bewindspersonen op de grote zorgen van de gezaghebbers. Ik wil ook graag de toezegging dat het kabinet op korte termijn samen met de eilanden concrete voorstellen uitwerkt voor hoe de capaciteit bij de diverse diensten kan worden uitgebreid.

Een ander punt van zorg betreft de georganiseerde criminaliteit. Dit houdt vaak verband met drugs. Ook daar heb ik al meerdere collega's over gehoord. Mijn collega Mutluer heeft een tijdje geleden, eind 2024, een motie ingediend over een gezamenlijk en concreet plan van de vier landen binnen het Koninkrijk om de drugstoevoer tegen te gaan. In de brief van eind 2025 lezen we dan dat er een inventarisatie van lopende samenwerkingen op dit vlak is. Ook hier zoek ik weer naar wat er concreet gaat gebeuren. Waarom moet dit nou zolang duren? De motie vroeg namelijk eigenlijk om het voor de zomer van 2025 uitgewerkt te hebben. Wanneer kunnen we een concreet plan verwachten? We weten namelijk al heel lang dat de drugscriminaliteit ernstig is. Graag wat meer urgentie, is onze oproep aan het kabinet.

Voorzitter. Vaak zien we dat de georganiseerde criminaliteit wordt versterkt doordat de sociaal-economische situatie in buurten slecht is. Dit geldt ook voor de eilanden. We zien hardnekkige multiproblematiek bij jonge veelplegers. Hoe gaat het kabinet voorkomen dat jongeren door armoedeproblemen de criminaliteit in worden gezogen? We weten namelijk dat dat verband houdt met elkaar.

Vaker hebben we als Kamer gesproken over de problemen in de forensische zorg in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Ik lees dat er wordt gewerkt aan een meerjarig programma met alle eilanden. Maar wat is op dit moment het concrete tekort op dit vlak? Wanneer verwacht het kabinet nou de eerste concrete, dus hele tastbare verbeteringen van het meerjarenprogramma?

Hoe staat het met het verbeteren van de slechte omstandigheden in de gevangenissen op CuraƧao en Sint-Maarten? Zijn die omstandigheden de afgelopen tijd concreet verbeterd?

Voorzitter, tot slot. Het is goed om te lezen dat er stappen worden gezet in het verbeteren van de toegankelijkheid van de rechtsbijstand op de BES-eilanden. We lezen dat er concrete acties in gang worden gezet, zoals het Juridisch Loket op de eilanden. Daar kunnen inwoners dan ook terecht met discriminatie- en gelijkebehandelingszaken. We lezen dat vergoedingen voor advocaten die kosteloze rechtsbijstand kunnen verlenen, worden uitgebreid. Er start een pilot voor mediation. Maar om als Kamer een vinger aan de pols te houden om te zien of het allemaal voldoende is, wil ik de bewindspersonen vragen om ons hier periodiek over te informeren, hierbij expliciet de ervaringen van inwoners te betrekken en zo concreet mogelijk te worden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik kijk even, maar ik zie geen interrupties. Dan vraag ik de heer Ceder even of hij het voorzitterschap wil overnemen.

De voorzitter:

Dat doe ik bij dezen. Ik geef het woord aan de heer Ellian namens de VVD.

De heer Ellian (VVD):

Dank, voorzitter. Het is belangrijk dat we met elkaar spreken over de justitieketen. Voor de VVD-fractie is daarbij de centrale vraag natuurlijk de volgende. Je hebt binnen het Koninkrijk de landen en de bijzondere gemeenten. Tot hoever reikt onze verantwoordelijkheid? Een nieuwe gevangenis bouwen in de landen is meteen van een andere orde dan bijvoorbeeld kogelvrije vesten aan de politie geven. Ik noem dit voorbeeld omdat het, toen ik daar tweeĆ«nhalf jaar geleden met de commissie was, erg bij mij binnenkwam dat de politie op CuraƧao geen kogelvrije vesten had. Dat raakte mij in die zin dat iets wat in Nederland al heel lang volstrekt normaal is, daar dus niet normaal is. Ik zou de minister dus als eerste het volgende willen vragen. Voor dat soort simpele materiĆ«le dingen — ik noem het even "simpel", maar ik bedoel dat niet lullig — zouden we toch wel wat meer hulp kunnen geven aan CuraƧao en bijvoorbeeld ook aan Sint-Maarten? Ik denk dan aan gepantserde auto's en aan vesten. We hebben hier zo veel. We hebben ook oude spullen. Dat kunnen we toch best wat meer doen?

Kijk, de bouw van een gevangenis is weer van een andere orde. Er viel mij iets op in de stukken. Wij gaan financieel bijdragen aan de bouw van een nieuwe gevangenis op Sint-Maarten. Op zich begrijp ik dat. Ik denk wel dat we met elkaar moeten vaststellen dat dit in principe een landsaangelegenheid is. Ik snap best dat je vanwege de belangen toch besluit om te gaan bijdragen. En laten we eerlijk zijn, het Korps Mariniers heeft daar zo vaak bijstand moeten leveren. Als je dat financieel uitrekent, kom je, denk ik, ook op een vrij hoog bedrag. Mijn vraag is vooral hoe we ervoor zorgen dat in die nieuwe gevangenis ook het voortgezet crimineel handelen stopt. Ik heb weleens mariniers gesproken die daar waren geweest, en die zeiden: ja, de detentieomstandigheden waren niet goed, maar het was ook letterlijk een vrijhaven voor het doorgaan met criminaliteit. Dat moet dan natuurlijk ook wel centraal staan.

Die vraag heb ik ook over CuraƧao en de gevangenis daar, in de wijk Koraal Specht. Daar ben ik geweest. Er was recent ook een aanhouding, waarvoor ik echt complimenten wil maken aan het Recherche Samenwerkingsteam, dat daar geweldige dingen doet. Volgens mij zijn er nu ook een RIEC en een RTIC op de eilanden. Dat is echt top. Je ziet dat dat uiteindelijk leidt tot weer een aanhouding in de link naar de mogelijke opdrachtgevers van de moord op Peter R. de Vries. Hoe zorgen we er nou niet alleen voor dat de detentieomstandigheden in de gevangenis op CuraƧao beter worden, maar ook dat het daar geen vrijhaven is voor grote criminelen? Ik ben er geweest, en je kunt met goed fatsoen niet zeggen dat daar voortgezet crimineel handelen tegengegaan kan worden.

Ook ben ik natuurlijk erg benieuwd naar de forensische zorg. De verschrikkelijke casus van Jamel L. werd al genoemd. Wij hebben op CuraƧao ook gesproken met een medewerker, een behandelaar, die hem kende. Hoe gaan we dit nu doen? Ik denk namelijk niet dat wij een tbs-kliniek gaan neerzetten, maar als de eilanden, en zeker ook de landen, geen tbs ten uitvoer kunnen leggen, moet dat natuurlijk niet leiden tot gevaarlijke situaties hier. Hoe gaan we dit doen? Ik zie dat er vooral veel gesproken wordt, in werkgroepen, maar ik ben benieuwd naar het vervolg. Met name ben ik benieuwd naar het volgende. Ik schrok er een beetje van dat in de stukken stond dat er in Bonaire een toename van geweld te zien is. Bonaire wordt toch altijd gezien als een paradijselijk eiland, maar kennelijk verandert dat wat. De eilanden zijn natuurlijk sociaal-economisch kwetsbaar, en vatbaar voor ondermijning maar ook voor statelijke actoren. Ik miste in de stukken wel wat urgentie en aandacht voor dit vraagstuk. Ik zie dat er zorgen zijn over Bonaire, maar hoe keren we dat tij dan?

Ik ben ook bezorgd over de detentiecapaciteit op Bonaire. Het gaat om illegale Venezolanen. Daar moeten we toch iets op gaan bedenken, want het kan niet zo zijn dat het OM moet plannen wanneer iemand wordt aangehouden, omdat er geen cel beschikbaar is. Dat kan echt niet. Dan moeten we dus creatief zijn.

Tot slot, want ik zie dat ik niet veel tijd meer heb. Zijn de bijzondere gemeenten ook klaar voor de nieuwe bestuursrechtelijke wetten die zij krijgen? Want een wet is mooi, maar het betekent dat je dan rechtens gehouden bent om ook actie te ondernemen.

Tot slot een vraag aan de minister. Ik las wat weinig over de nationale veiligheid, maar een sterke justitieketen is natuurlijk essentieel voor onze nationale veiligheid. Laten we eerlijk zijn, de buitengrens van Nederland is niet alleen hier, maar natuurlijk ook daar.

Daar hou ik het bij.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik bij dezen het voorzitterschap weer terug aan de heer Ellian.

De voorzitter:

Dank voor het overnemen, meneer Ceder. Gewaardeerde bewindspersonen, hoeveel tijd heeft u nodig? 25 minuten? Dan schors ik tot 10.55 uur.

De voorzitter:

Ik heropen deze vergadering van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid. We zijn aanbeland bij de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik ga even inventariseren hoe de afvaardiging de beantwoording gaat verdelen. Ik denk dat de minister begint en dat de staatssecretaris vervolgt. Volgens mij zijn de vragen redelijk overzichtelijk. Zou u ons willen meenemen in de verdeling van de beantwoording in blokjes? Of heeft u geen blokjes?

Minister Van Weel:

Ik ga dat zonder blokjes doen.

De voorzitter:

Ik vind dat fantastisch, een keer zonder blokjes! Dan geef ik graag het woord aan de minister. Steekt u van wal.

Minister Van Weel:

Dank. Laat ik beginnen met een korte inleidende tekst; dat dan weer wel. Daarna krijgt u van mij de antwoorden ineens.

Vandaag spreken we elkaar over de justitieketen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Daarbinnen werken we ook op het terrein van justitie constructief samen om het Koninkrijk veilig en rechtvaardig te houden. Voordat ik uw vragen ga beantwoorden eerst enkele inleidende woorden over die samenwerking, waar een aantal leden al aan refereerden. Die samenwerking is namelijk per eilandengroep anders. We hebben de autonome landen Aruba, CuraƧao en Sint-Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Ik ben minister van Justitie en Veiligheid van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, kortweg Caribisch Nederland. In die hoedanigheid heb ik eerder, begin vorig jaar, een bezoek gebracht aan Bonaire. De ligging en de kleinschaligheid zijn factoren waar we in de justitieketen van Caribisch Nederland rekening mee moeten houden. Daarover zijn door u ook een aantal vragen gesteld.

De afgelopen jaren hebben we concrete stappen gezet om de justitieketen in Caribisch Nederland verder te ontwikkelen. Denk daarbij aan het al eerder genoemde Regionaal Informatie en Expertise Centrum Caribisch Nederland, RIEC CN, maar ook aan het werk van de veiligheidsdiensten als het Korps Politie Caribisch Nederland en het Brandweerkorps Caribisch Nederland. Dat zijn twee kleine organisaties, maar wel met een hele grote werklust. Ik heb ze beide bezocht. Onlangs heb ik u de Beleidsagenda Caribisch Nederland 2026-2030 gestuurd met plannen om verdere stappen te zetten voor de veiligheid en rechtvaardigheid in Caribisch Nederland.

Dan Aruba, CuraƧao en Sint-Maarten. Die hebben hun eigen ministers van Justitie. Ik draag geen verantwoordelijkheid voor de rechtshandhaving op deze eilanden, maar we hebben wel een hele goede onderlinge samenwerking. Zo spreek ik alle drie de ministers van Justitie twee keer per jaar bij het Justitieel Vierpartijenoverleg, kortweg JVO. Bij dit overleg gaat het bijvoorbeeld over politiesamenwerking in het algemeen, over de aanpak van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en over knelpunten in de rechtshandhaving. Ook stellen we de jaarverslagen en de begrotingen vast van de gemeenschappelijke instanties, zoals het Recherchesamenwerkingsteam en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Dat ter inleiding. Ik ga nu over tot de beantwoording van de specifieke vragen. Ik begin daarbij bij de vragen die gesteld zijn over de capaciteit. We hebben uiteraard de brief ontvangen van de gezaghebbers van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. We hebben vanuit het kabinet niet direct op die brief gereageerd, maar er zijn wel Kamervragen gesteld door het Kamerlid Dijk van D66 over deze brief en deze vragen hebben we gezamenlijk met Asiel en Migratie, Binnenlandse Zaken en Financiën beantwoord. Daarin hebben we aangegeven wat we doen om die tekorten te lenigen. Nou moet ik wel zeggen dat daar waar het bijvoorbeeld gaat om tekorten bij het politiekorps, het natuurlijk tijd kost om die tekorten aan te vullen. We hebben te maken met een kleine pool waaruit we kunnen werven, de opleidingscapaciteit is beperkt en het duurt gewoon een tijd voordat je volwaardige politieagenten hebt. Daarom zijn we met name op Bonaire ingesprongen met capaciteit van de marechaussee om dat tekort tijdig te lenigen. In 2023 is de tweejarige opleiding van nieuwe agenten bovendien geïntensiveerd. Eind 2025 is er een lichting van achttien agenten in het korps ingestroomd. Begin 2025 is een volgende klas gestart en in het derde kwartaal van dit jaar start er nog een klas. Langzaam lopen we de tekorten dus in, maar dat kost zoals gezegd uiteraard tijd. In de tussentijd zorgen we ervoor dat we wat kunnen opvangen met eigen capaciteit.

De heer Mathlouti refereerde aan de Raad voor de rechtshandhaving.

De voorzitter:

Die ook meteen een vraag heeft aan u.

De heer Mathlouti (D66):

Ik heb een korte vraag in het kader van tekorten. Ik weet niet of dit het volledige antwoord was. Volgens mij hoorde ik dat er verschillende dingen worden gedaan om de tekorten aan te pakken, maar ik vroeg ook nadrukkelijk of er een integraal plan is dat verder kijkt dan de interventies tot nu toe, vooral om een wat ruimer beeld te hebben van de tekorten en hoe we die gaan oplossen.

Minister Van Weel:

Dat plan hebben we daar waar het gaat om politiecapaciteit, maar er ligt natuurlijk ook een rapport van de Raad voor de rechtshandhaving over de volledige keten. Daar refereerde u ook al aan. De bevindingen van de beleidsreactie die daarop is gegeven, die dus gaat over al die onderdelen van de keten, neemt de raad mee in het rapport Staat van de rechtshandhaving. Dat verschijnt volgende maand. Dat zal het aanknopingspunt zijn om die keten in zijn integraliteit te bezien. Dan hebben we ook een overzicht van wat er precies nodig is, en daar zullen wij dan vervolgens weer op reageren. Dat doen we natuurlijk gezamenlijk, vanuit de beide verantwoordelijkheden voor de keten.

De heer Mathlouti (D66):

Mag ik daarmee invullen dat u op basis van dat aanknopingspunt ook daadwerkelijk met een plan komt?

Minister Van Weel:

Ja. Wij zullen reageren op dat rapport. Als dat vraagt om een plan, dan zal dat in de vorm van een plan zijn. In ieder geval krijgt u een inhoudelijke reactie op dat rapport.

De voorzitter:

De minister gaat verder.

Minister Van Weel:

Op de detentiecapaciteit zal de staatssecretaris verder ingaan.

Er was een vraag van mevrouw Westerveld, over het overzicht van de JenV-wetgeving die we kunnen verwachten. We hebben u onlangs een actueel overzicht gegeven in de JenV Beleidsagenda Caribisch Nederland 2020-2030. Daar vindt u in paragraaf 3.1 het wetgevingsoverzicht. Daar rapporteren we ook regelmatig over aan uw Kamer. Dat is de meest recente informatie die ik u daarover kan geven.

De heer Ellian vroeg nog of wij incidenteel kunnen helpen, bijvoorbeeld als het gaat om kogelwerende vesten, gepantserde auto's of overtollig materiaal. Ja, dat doen we ook. De nationale politie heeft contact met de korpsen, ook op de eilanden. Als daar aanvragen zijn, dan worden die elke keer op hun merites beoordeeld. Er wordt gekeken hoe we daarin kunnen voorzien. Dus ja, dit soort kleinere dingen gebeuren.

De voorzitter:

Vinden jullie het goed als ik ook een vraag aan de minister stel? Fijn, minister. Mag ik ook vragen om af en toe actief … Soms vragen mensen uit bescheidenheid misschien niet wat ze nodig hebben. Misschien kunnen wij af en toe … Er zijn een hoop samenwerkingen over en weer. Ik zeg het, omdat ik, toen ik daar was — ik wil daar heel veel dank voor uitspreken — zware beveiliging nodig had, ook vanuit CuraƧao. Als je die jongens vergelijkt met hoe onze jongens erbij lopen … Dat kwam best bij mij binnen. Ik dacht: je bent best wel moedig om dat te doen als je niet de uitrusting hebt die de jongens en meisjes in Nederland hebben. Dank voor het antwoord. Ik wil u graag aansporen om soms ook actief te kijken vanuit de politie wat we kunnen doen om te helpen. Ik denk dat dat daar heel erg gewaardeerd wordt.

Minister Van Weel:

Die lijnen zijn kort. Overigens bereiken de meeste verzoeken van de eilanden ons prima. Maar we zullen vragen om hier ook in de reguliere contacten aandacht aan te besteden. Dat doen we.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld heeft een vraag. Sorry, ik zag u niet.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

De minister verwees net terecht naar paragraaf 3.1 van de beleidsagenda. Die heb ik voor me. Maar mijn verzoek was juist om ook wat meer te weten te komen over wat we in de komende periode kunnen verwachten. Wat is nou exact de planning? Wanneer komt wat eraan? Dit is een opsomming van wetten die veranderd gaan worden, maar die vind ik nog weinig concreet. Mijn vraag was eigenlijk om een nadere concretisering en planning van de wetten die hier opgesomd staan.

Minister Van Weel:

Dan zeg ik u toe om dat in het reguliere wetgevingsplanningsoverzicht, dat wij elk kwartaal sturen, mee te nemen. Dan heeft u meteen de integrale planning voor wat er de komende periode aan zit te komen.

De voorzitter:

Willen jullie dat we dat noteren als toezegging? OkƩ. Komt goed. Gaat u verder, minister.

Minister Van Weel:

Dan preventie en jeugdcriminaliteit. Dat is natuurlijk een thema dat ook op de eilanden een grote rol speelt. Hoe zorgen we ervoor dat initiatieven als Jong Bonaire de juiste doelgroep bereiken? Ik ben daar zelf geweest. We hebben daar overigens ook het programma "Alleen jij bepaalt wie je bent" draaien, waar aan de jeugd met sport en spel hele waardevolle zaken worden meegegeven. Denk bijvoorbeeld aan teamspirit, aan tegen je verlies kunnen of aan op tijd op komen dagen. Het lijken hele simpele dingen, maar het zijn wel zaken die het verschil kunnen maken in hoe iemand zijn leven indeelt en inricht. Dat zijn overigens structurele programma's. De zorg die daar mogelijk over was, kan ik wegnemen. Deze programma's zullen gewoon hun weg blijven vinden, maar er zijn ook een hoop lokale initiatieven, die we ook proberen te ondersteunen. Uiteindelijk zijn de dingen die uit de samenleving zelf komen en die het beste aansluiten bij de jeugd daar ook de dingen die we willen stimuleren. Daarbij werken we ook samen met de Stichting Jeugdwerk Jong Bonaire, scholen en andere lokale partners om de doelgroep te bereiken. Dat allemaal om te voorkomen …

De voorzitter:

Een korte vraag van meneer Mathlouti. Kort.

De heer Mathlouti (D66):

Ik weet niet of dit het gehele antwoord was. Het gaat natuurlijk om hele goede initiatieven. Maar dit zijn aanvullende initiatieven op de wat grotere, fundamentelere zaken zoals zorg, onderwijs en het vergroten van de kansen richting werk. Daarin zitten natuurlijk ook uitdagingen. Dat is wel de start van het vergroten van de kansen van bijvoorbeeld de jeugd, zeker voor de jeugd die dreigt af te glijden.

Minister Van Weel:

Zeker, alleen vallen die wel buiten de scope van mijn verantwoordelijkheid. De preventiekant van jeugdcriminaliteit gericht op gedrag ligt wel binnen de justitiƫle keten, maar alle andere invloeden die u terecht noemt, zoals armoede, scholing en goede zorg, liggen op de beleidsterreinen van de daarvoor verantwoordelijke ministers.

De voorzitter:

Nog een vraag. Heel kort.

De heer Mathlouti (D66):

Heel kort. Ik snap dat het inhoudelijk op de beleidsterreinen van andere ministers en ministeries ligt. Maar we hebben het hier natuurlijk ook over jeugdcriminaliteit, waar dit gewoon sterk mee samenhangt. Ik hoop wel dat we hier ook het gesprek daarover kunnen voeren als dat nodig is. Dat probeer ik hier wel te doen.

Minister Van Weel:

Ja, maar ik kan nu niet met u een discussie over de zorgsector op Bonaire aangaan. Daar heb ik de kennis niet voor, en daar draag ik ook de verantwoordelijkheid niet voor. Ik ben het helemaal met u eens dat dit soort factoren allemaal kunnen voorkomen dat de jeugd afglijdt. Maar als het daadwerkelijk gaat om de vraag wat we vanuit de justitiƫle keten kunnen doen, dan ziet dat toch echt op die preventieprogramma's.

De voorzitter:

Ja?

De heer Mathlouti (D66):

Een laatste keer. Dat snap ik. Ik had gehoopt op een iets uitgebreider antwoord dan alleen "dit hoort niet bij mij", meer iets in de richting van "daar zijn we mee bezig, daar lopen dingen op en natuurlijk hebben we daar aandacht voor". Dat is wat mij opvalt.

Minister Van Weel:

Ik weet dat daar aandacht voor is, uiteraard. Dat geldt überhaupt voor de standaarden die we op de eilanden willen zien, zeker daar waar het Caribisch Nederland aangaat. Daar is vanmiddag ook een overleg over met de minister van Binnenlandse Zaken of met de staatssecretaris van Koninkrijksrelaties, die wel die integrale bril heeft. Dit is dus zeker niet bedoeld om u af te poeieren, zeg ik via de voorzitter, met een "dit ligt niet bij mij". We hebben binnen het kabinet natuurlijk nauw contact over die bredere samenhang. Dat allemaal om te voorkomen dat jongeren afglijden en ofwel in de reguliere criminaliteit ofwel in de georganiseerde criminaliteit komen.

Dat is eigenlijk mijn bruggetje naar drugs. Het Caribisch gebied blijft een belangrijke doorvoerhaven voor drugs. Onze eilanden zijn daarin natuurlijk een aantrekkelijk doelwit, hetzij als transit hub en verdere doorvoerhaven, hetzij als een gebied waar je langs vaart. Daar hebben we ook successen in geboekt. Ik heb dat vorig jaar zelf mogen zien op Aruba, waar met de instelling van nieuwe walradars en een zeer actief politiekorps daadwerkelijk iets gelukt is wat nog nergens ter wereld is gelukt, namelijk een stijging van de prijs van cocaĆÆne. Dat wil zeggen dat er meer wordt gevangen en er daar dus minder aan land komt. Ik denk dat dat een succes is dat ook breder in de regio navolging verdient. Je kunt dus echt een verschil maken in de strijd tegen drugs.

De genoemde War Rooms zijn wat mij betreft ook een initiatief met enorm veel toegevoegde waarde, waarbij alle diensten samen in een ruimte zitten en kijken hoe zij operationeel een verschil kunnen maken. Via de gezamenlijke dreigingsbeelden houden we zicht op de ontwikkelingen in de regio, om de aanpak daarop te kunnen richten en waar nodig bij te stellen. Momenteel inventariseer ik met de collega-ministers van Aruba, CuraƧao en Sint-Maarten alle lopende samenwerkingstrajecten die een bijdrage leveren op het gebied van het tegengaan van drugssmokkel. De uitkomst van die inventarisatie zal zijn: doen we genoeg, kunnen we nog leren van elkaar en waar moeten we dat verder intensiveren? Daarbij is ook de inzet van de havens, zowel de luchthavens als de zeehavens, een belangrijk onderwerp. Die resultaten willen wij op ons JVO in september bespreken. Dat is de eerstvolgende.

De War Room, heb ik overigens begrepen ...

De voorzitter:

Momentje, u heeft een vraag van de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik vroeg mij ten aanzien van drugs af of de minister nog op cannabisteelt komt. Zo niet, dan zou ik aan het einde van zijn betoog over drugs daar nog een interruptie op willen plaatsen.

De voorzitter:

Dan kijken we even.

Minister Van Weel:

Nee, ik heb daar geen informatie over ontvangen en moet u dus toezeggen om daar schriftelijk op terug te komen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Als ik dat als een toezegging kan beschouwen, wil ik de minister ook vragen om, als dat opportuun is, ook in overleg te treden met de regering van Sint-Maarten, om binnen ieders verantwoordelijkheid en autonomie te kijken wat dat betekent voor de algehele drugsbestrijding binnen het Koninkrijk, en om daarop terug te komen.

Minister Van Weel:

Ja, maar daarvoor heb ik dus eerst die informatie nodig. Die kon ik op zo korte termijn sinds de door u gestelde vraag niet boven water krijgen. Vandaar dat ik daar schriftelijk op terugkom. Daar zal zo nodig dan ook een handelingsperspectief bij zitten.

De voorzitter:

Helder. Wanneer kunnen we die reactie ongeveer verwachten?

Minister Van Weel:

Die brief komt voor de zomer.

De voorzitter:

Voor de zomer. Dan gaan wij dat noteren, dank u wel. Gaat u verder.

Minister Van Weel:

Ten slotte heb ik begrepen dat de War Room een vast terugkerend onderdeel gaat worden van de samenwerking en dat de volgende alweer gepland staat voor juni. Dan zitten de diensten weer bij elkaar. Daarnaast is er sinds 2021 een protocol versterking grenstoezicht, om ook de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit tegen te gaan en de samenwerking tussen de uitvoeringsdiensten — Douane, politie, KMar, ministerie van Justitie, FinanciĆ«n en de Kustwacht — te versterken.

Ik ben zelf op bezoek geweest op het RIEC en bij het Recherche Samenwerkingsteam. Dat zijn twee initiatieven waarbij op het niveau waarop wij dat hier in Nederland ook doen, echt wordt gespeurd naar georganiseerde criminaliteit, en dat is daar natuurlijk ook nodig. Daarnaast zijn we bezig met de Wet Bibob voor Caribisch Nederland. Ik denk dat ook die gaat voorzien in een vraag waarvan ik in ieder geval persoonlijk weet dat die op Bonaire zeer leeft, namelijk om te voorkomen dat ook crimineel geld zijn weg vindt naar de lokale economie en vastgoedmarkt.

Dan waren er vragen over mensenhandel. De aanpak van mensenhandel in Caribisch Nederland richt zich op preventie, signalering en de versterking van de ketensamenwerking tussen de betrokken partijen. Naast het vergroten van bewustwording wordt ook ingezet op de inzet van multidisciplinaire controles van de verschillende uitvoeringsdiensten in Caribisch Nederland. In dat verband hebben de afgelopen periode verschillende controles plaatsgevonden om mensenhandel aan te pakken.

Het vergroten van de bewustwording gebeurt onder meer door het organiseren van netwerkevenementen, het aanbieden van verdiepingstrainingen voor professionals en het uitvoeren van gerichte campagnes op Bonaire, Saba en Sint-Eustatius. Het doel daarvan is dat mensen signalen van mensenhandel eerder leren onderkennen. De komende jaren zal die lijn worden voortgezet met als doel om die kennis verder te verdiepen en de gezamenlijke aanpak van mensenhandel duurzaam te versterken.

Er was nog ƩƩn vraag over het mandaat van de Coƶrdinator Mensenhandel. Die neem ik mee in de brief die ik aan de heer Ceder heb toegezegd over een ander onderwerp, want ook op de vraag waarom dat mandaat niet strekt buiten het Nederlandse deel van het Koninkrijk heb ik het antwoord nu niet paraat.

Dan huiselijk geweld. Er was onder andere een vraag van de heer Mathlouti. Heeft de campagne die in 2025 is gestart de meldingsbereidheid vergroot? Inmiddels hebben de openbare lichamen op ieder eiland een advies- en meldpunt ingericht, op Bonaire al in 2020. De advies- en meldpunten in Saba en Sint-Eustatius zijn in 2021 opgezet en sinds 2024 ook beschikbaar voor burgers. We zien ook een zichtbare toename aan adviesaanvragen en meldingen op de eilanden. Het aantal adviesaanvragen op Bonaire was in 2023 nog 19 en in 2025 was het al gestegen naar 124. Dat is een behoorlijke stijging en geeft in ieder geval aan dat de advies- en meldpunten voorzien in een behoefte, hoewel we natuurlijk het aantal adviesaanvragen liever op nul zouden zien, maar dat is het langetermijndoel, vrees ik.

Op basis van die adviesaanvragen en meldingen worden mensen doorverwezen naar de hulpverlening, maar ik kan u niet zeggen hoeveel van die adviesaanvragen uiteindelijk hebben geleid tot een doorverwijzing en daadwerkelijke hulp. De door het ministerie van VWS in 2025 gestarte campagne Safe Together, Strong Together moet inderdaad verder bijdragen aan de bekendheid van de advies- en meldpunten en de beschermingscode. Verder zal in het kader van het recent afgesloten bestuursakkoord worden gewerkt aan betere datamonitoring over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in Caribisch Nederland, onder meer op basis van de data van de advies- en meldpunten zoals ik ze net noemde.

Verder bespreekt mijn ministerie eens per kwartaal met het Korps Politie Caribisch Nederland en het Openbaar Ministerie van de BES, de Stichting Reclassering Caribisch Nederland en de Voogdijraad Caribisch Nederland de voortgang van de justitiƫle aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarbij worden ook de jaarlijkse rapportages van het Openbaar Ministerie BES over de stand van zaken van de strafrechtelijke aanpak van relationeel geweld betrokken. We toetsen dan ook of de bestaande samenwerkingsafspraken in de keten aanpassing behoeven. In een nog breder verband zal ook periodiek overleg plaatsvinden tussen de betrokken departementen, de openbare lichamen en de uitvoeringsorganisaties over de voortgang van de acties in het bestuursakkoord geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling van 2026 tot 2029.

Ten slotte waren er nog enkele algemene vragen en opmerkingen over het verschil tussen BES en de landen binnen het Koninkrijk, maar ik denk dat ik dat verschil in mijn algemene inleiding heb geprobeerd duidelijk te maken. Dan heb ik, denk ik, mijn deel van de antwoorden gegeven.

De voorzitter:

Dan ga ik inderdaad even kijken. Mevrouw Westerveld steekt haar hand op. Mevrouw Westerveld en de heer Ceder hebben nog een vraag aan de minister. Mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog een vraag over de beleidsagenda en wat daarin staat. Die vraag is door meerdere woordvoerders gesteld, namelijk of er ergens ook afrekenbare doelstellingen zijn. Ik zie namelijk heel veel hele mooie voornemens, maar ik zie ook verschil tussen wat we hier horen over waar allemaal op wordt ingezet, en ik geloof dat ook, en wat daar daadwerkelijk aan de hand is en wat we ook terugzien in de brief die de gezagsdrager naar ons stuurde, want die heeft een wat andere toon. Mijn vraag is dus: worden al die mooie acties die hierin staan nog vertaald in heel concrete afrekenbare doelen, zodat wij over een jaar kunnen zien "dit is beter gegaan", "dat is slechter gegaan" en wat daarop wordt ingezet?

Minister Van Weel:

In sommige gevallen kun je dat doen. Je kunt bijvoorbeeld een streven hebben om de vulling van het Korps Politie Caribisch Nederland naar 100% te brengen. Daar kun je een tijdpad bij hebben, je kunt opleidingscapaciteit daaraan hangen et cetera. Maar er zijn ook zaken die meer bestaan uit processen, het zorgen voor een betere samenwerking en kennisoverdracht. Ik kan dus niet integraal zeggen dat alles wat in die beleidsagenda staat, kan worden vertaald in zogenoemde smart doelstellingen. Maar mochten er vragen zijn naar aanleiding van bepaalde voornemens, die u graag wat smarter geformuleerd zou willen zien, dan kunt u die gerust stellen en dan gaan wij daarnaar kijken.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dan noem ik jeugdcriminaliteit als voorbeeld. Daarvan lezen we in alle stukken dat die toeneemt en daarover zijn door verschillende woordvoerders zorgen geuit. Als ik dan kijk naar de beleidsprioriteiten bij jeugdbescherming en jeugdcriminaliteit, dan lees ik bijvoorbeeld — ik citeer even ƩƩn zin — "het bieden van perspectief vindt plaats via de inzet van mentoren en kansrijke effectieve gedragspreventies". Allemaal hartstikke goed, maar ik heb nog steeds geen flauw benul wat hier nou precies staat en wat nou precies de opbrengsten zouden moeten zijn van die gedragsinterventies. Ik heb op heel veel meer plekken neergezet "hoe dan?" en "wat precies?". Ik geloof namelijk echt wel dat er heel goede interventies worden ingezet, maar ik kan er niet goed uit halen wat precies het doel is en wat er nu precies gebeurt. Daarvan zou ik dan graag bijvoorbeeld een streefcijfer zien, dat we willen dat de jeugdcriminaliteit afneemt, zodat wij ook als Kamer goed kunnen controleren of daadwerkelijk op een goede manier wordt bijgestuurd.

Minister Van Weel:

De vraag snap ik. Het reikt nu te ver voor mij om per thema die "smartificering" aan te brengen, maar wellicht mag ik mevrouw Westerveld — via u, voorzitter — verzoeken om ons daarover schriftelijke vragen te doen toekomen. Dan gaan wij kijken of we op die specifieke deelterreinen de doelstellingen wat meer afrekenbaar kunnen neerzetten.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld, tot slot.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dit raakt natuurlijk aan heel veel andere beleidsterreinen, maar er ligt wel degelijk ook een rol voor deze bewindspersonen. Het raakt ook aan een vraag die ik net al heb gesteld, namelijk mijn vraag over armoede. Ik begrijp dat dat niet primair in de portefeuille van deze bewindspersonen zit, maar we weten allemaal wel dat armoede kan bijdragen aan jeugdcriminaliteit. Mijn vraag is dan wat deze minister en misschien ook wel deze staatssecretaris in overleg met collega's gaan doen om te zorgen voor preventie van jeugdcriminaliteit door middel van een gerichte aanpak van die armoede. Zien zij daarbij een rol voor zichzelf?

Minister Van Weel:

Dit is denk ik een onderwerp dat bij uitstek vanmiddag in het bredere overleg met de staatssecretaris aan de orde zou moeten komen, want die heeft wel die integrale verantwoordelijkheid.

Justitie heeft bijvoorbeeld programma's als "Alleen jij bepaalt wie je bent" en Jong Bonaire. Waarom draagt dat bij? Nou, denk alleen maar aan ouders die werken. Normaal gesproken willen die hun kinderen uit school halen, want anders hangen die alleen maar in hun eentje rond rond het huis. Die kinderen worden nu door die programma's van school gehaald. Ze brengen daar de middag door, waardoor ouders gewoon een volwaardige baan kunnen hebben. En dat draagt weer bij aan de armoedebestrijding. Bovendien wapenen we zo ook weer een nieuwe generatie tegen armoede, want ze krijgen daar bijvoorbeeld een maaltijd.

Dat is dus wat wij doen. En wij doen dat, omdat we daar een directe relatie zien met het mogelijk afglijden naar jeugdcriminaliteit en armoede.

De heer Ceder (ChristenUnie):

De andere kant van het beleidsvoornemen is dat er gewoon wetten gewijzigd worden. Ik heb juist het verschil proberen te benadrukken. Ik heb er twee genoemd, maar er zijn er nog veel meer. Je kunt het, denk ik, met vrij simpele wetswijzigingen, die eenieder die ze leest ook logisch vindt, implementeren. Maar daar is capaciteit voor nodig. En dat niet alleen: ook een agenda en een tijdsplanning. Ik kon dat niet zo terugvinden en daarom vraag ik me wel af … Ik kan wel vinden wat de minister wil gaan doen, maar niet wat prioriteit krijgt, ook gezien de uitdagingen die de minister op andere dossiers heeft. Mijn vraag is of de minister in ieder geval kan toezeggen dat hij duidelijkheid zal geven over wat we deze kabinetsperiode kunnen verwachten qua die wetswijzigingen. Ik heb ook al aangegeven dat het op sommige punten misschien wel sneller gaat als de Kamer hier en daar ook zelf met wat initiatieven komt. Maar ik zou toch de ambitie van de minister daarop wat scherper willen hebben. De vraag is dus of de minister daarop kan terugkomen.

Minister Van Weel:

Ik noemde net al de Wet Bibob. Er zijn een aantal zaken die we nu prioritair ter hand nemen daar waar het gaat om wetgeving voor de BES. Zoals ik ook al heb toegezegd aan mevrouw Westerveld, zal ik daar expliciet in de volgende wetgevingskalender die we de Kamer doen toekomen, een planning aan proberen te hangen voor Caribisch Nederland.

De voorzitter:

OkƩ. Dan is de minister klaar en gaan we naar de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Hartelijk dank, voorzitter, en dank aan de leden voor alle vragen die gesteld zijn. Ik heb een algemene inleiding en blokjes. Dat is misschien wat teleurstellend aan het begin, maar het geeft mij wel wat structuur. Ik hoop dat dat ook voor u geldt en dat u de antwoorden op de vragen voldoende terug hoort klinken.

Voorzitter. Net als minister Van Weel geloof ik in constructieve samenwerking binnen het Koninkrijk. In aanloop naar dit debat heb ik dan ook een boek gelezen, Ongemak, van Geert Oostindie en Wouter Veenendaal. Dat boek geeft een heel duidelijk beeld van de ontwikkelingen binnen het Koninkrijk, niet alleen van ons gedeelde verleden, maar juist ook van de wereld voor en na 10/10/2010, zeg ik dan maar even.

Laat ik beginnen met de opmerking dat ik graag, samen met het hele Koninkrijk, toewerk naar het zo goed mogelijk vormgeven van die wereld. Mijn aandacht gaat daarbij allereerst uit naar de BES-eilanden, vanwege mijn directe verantwoordelijkheid voor Caribisch Nederland. De knelpunten in de justitieketen die wij in Nederland ervaren, spelen ook op de BES-eilanden, waarbij de schaal en de geografische ligging wel een extra complicerende factor kunnen vormen. De samenwerking tussen de BES-eilanden onderling lijkt op papier makkelijk te regelen, maar in werkelijkheid zit er natuurlijk ruim 800 kilometer tussen de bovenwindse en benedenwindse eilanden.

Ik wil graag benoemen dat er de afgelopen jaren veel is bereikt, bijvoorbeeld op het gebied van rechtsbijstand. Ik noem het LokĆØt HurĆ­diko, de legal desk, waarmee de toegang tot het recht voor bewoners met sprongen vooruitgaat. Net als het Juridisch Loket in Nederland zorgt het ook op de BES-eilanden voor gratis laagdrempelige eerstelijnsrechtshulp. Mevrouw Westerveld heeft daar een vraag over gesteld, namelijk hoe we dat blijven monitoren. Op die vraag kom ik straks nog iets specifieker terug.

Ook met de autonome landen Aruba, CuraƧao en Sint-Maarten wordt goed samengewerkt, onder meer in het Justitieel Vierpartijenoverleg. Een mooi voorbeeld is de samenwerking op het gebied van detentie en forensische zorg. Zo is binnen het meerjarige programma forensische zorg en behandeling, tbs en PIJ zeer recent een programmamanager aangesteld. Met elkaar bouwen we voortdurend aan een veilige en menselijke tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.

Ik heb de vragen in drie blokjes verdeeld. Het eerste blokje is detentie, het tweede forensische zorg en het derde overig, en binnen overig komen vooral de vragen over kansspelen terug.

Veel vragen over detentie! Ik heb de antwoorden wat vervlochten in een algemene tekst over: waar staan we nu ten aanzien van de detentiecapaciteit en hoe gaan we daar op dit moment en in de toekomst mee om? CuraƧao, Sint-Maarten en ook Aruba, de CAS-eilanden, hebben natuurlijk als autonome landen hun eigen landsverantwoordelijkheden, ook op het gebied van de rechtshandhaving, waaronder het gevangeniswezen. Ik kan dan ook niet inhoudelijk op de detentiesituatie van deze landen reageren. Maar uiteraard hecht het kabinet grote waarde aan correcte en humane tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.

Ik draag wel directe verantwoordelijkheid voor Caribisch Nederland en dus ook voor de Justitiƫle Inrichting Caribisch Nederland. De JICN is op Bonaire in 2018 in gebruik genomen en is gebouwd conform de geldende regeling. Ook de JICN heeft overigens een forensischezorgafdeling. In verband met de capaciteitsproblematiek zijn noodmaatregelen genomen, zoals gemeld aan uw Kamer in de zomer van 2025. Inmiddels is door heenzendingen van een specifieke groep VRIS'ers, Vreemdelingen in de Strafrechtketen, door het OM van de BES-eilanden voldoende ruimte gecreƫerd in de inrichting om de justitiƫle keten weer naar behoren te laten functioneren.

Het ging daarbij om 23 VRIS'ers, en die zijn uitgezet naar hun land van herkomst. Dat is ook het antwoord op de vraag die mevrouw Schilder mij hierover stelde. Ze zijn enkel heengezonden indien zij veroordeeld waren op grond van de Opiumwet en opvarenden waren van boten die onderschept waren door de Kustwacht. Heenzenden is een eigenstandige verantwoordelijkheid van het OM BES in afstemming met en onder verantwoordelijkheid van de procureur-generaal van het OM aldaar. Heenzenden door het OM is geen structurele oplossing en moet gezien worden als een eenmalige ingreep en als incidenteel worden beschouwd.

Om structureel echter wel goed voorbereid te zijn op de toekomst verken ik momenteel verschillende maatregelen, waaronder capaciteitsuitbreiding en mogelijkheden voor detentiefasering, want bijvoorbeeld een beperkt beveiligde afdeling, zoals we die in Nederland kennen, kennen we daar niet. Er is ook nog geen wettelijke basis voor. Om te refereren aan waar we nodig onze wetten op orde zouden moeten brengen: je ziet dat hier nog wel veel ruimte zit.

In verband met de ruimte die is ontstaan in de JICN is besloten om de gedetineerden uit Sint-Maarten op te vangen, vanwege de zeer ernstige problematiek in de gevangenis aldaar. Ondanks het feit dat ik niet inhoudelijk verantwoordelijk ben voor de detentieomstandigheden op CuraƧao, Sint-Maarten en Aruba, wil ik wel opmerken dat we ƩƩn koninkrijk zijn. Op het moment dat het noodzakelijk is om hulp aan te bieden kijken we wat er binnen de mogelijkheden van het Koninkrijk mogelijk is. Het betekent dat we elkaar hulp en bijstand verlenen, maar ook dat we als Koninkrijk aangesproken kunnen worden door mensenrechtenschendingen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarom zal ik inzetten op samenwerking met het oog op efficiƫntie.

Aan de investeringen in de nieuwe gevangenis op Sint-Maarten draagt Nederland, in dit geval BZK, eenmalig 30 miljoen bij ten behoeve van de bekostiging van verschillende meerjarige trajecten, waaronder de nieuwbouw en de uitvoering van structurele verbeteringen in het detentiewezen. Sint-Maarten wordt hierbij ondersteund door twee VN-organisaties en naar verwachting wordt medio 2027 de eerste fase van de nieuwbouw opgeleverd, een uitbreiding naar 126 cellen. Eind 2028 is er dan de volledige nieuwbouw. Een erg belangrijk aspect hierbij is de personele bezetting, want het gaat natuurlijk niet alleen om de vraag hoeveel extra plekken erbij komen, maar ook om de vraag of we voldoende mensen hebben die daar willen werken. Ik weet dat Sint-Maarten daar nu zorgen over heeft en daarom is het ook een belangrijk onderwerp in onze gesprekken met hen. Wij zijn hierbij niet de verantwoordelijke partij, maar wij voelen wel dat het echt belangrijk is dat Sint-Maarten een goede start kan maken met de nieuwe gevangenis. We zetten dus alles op alles om voldoende personeel te vinden voor die nieuwe gevangenis.

Wat betreft CuraƧao kan ik u meegeven dat Nederland heeft aangeboden om ondersteuning te bieden bij het opstellen van een plan van aanpak voor het detentiewezen op CuraƧao. Ik acht het wel van belang dat CuraƧao eerst zelf een slag maakt bij al die bekende uitdagingen uit de hier ook genoemde rapporten.

De heer Ellian heeft een vraag gesteld over het voortgezet crimineel handelen. Dat is wat mij betreft een hele terechte vraag. Ondanks dat detentie een landsaangelegenheid is, zullen we dit onderwerp wel actief agenderen in de taskforce detentie. Dat is een onderdeel van ons vierlandenoverleg, het JVO. We zien dat dat een zorg is die zienderogen een probleem kan vormen, zoals ook door de heer Ellian is aangegeven. Wij hebben in Nederland veel kennis en expertise opgedaan ten aanzien van VCHD, maar we worstelen elke dag nog met het concept. Het is belangrijk om alle kennis te delen die we op dat vlak hebben. We zullen dit punt op de agenda zetten in onze samenwerking met CuraƧao.

De voorzitter:

Er is eerst nog een interruptie van mevrouw Schilder.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat we die mensen eenmalig hebben heengezonden. Ik geloof best dat dat de intentie is, maar ik vraag me wel af of er eerst gekeken is naar het plaatsen van meer personen op een cel voordat we gingen heenzenden. Zijn er niet te veel mensen heengezonden als we nu wel mensen uit een ander land kunnen opvangen?

Staatssecretaris Van Bruggen:

U vraagt naar de capaciteit en naar hoeveel mensen op een cel zitten. De meerpersoonscellen worden maximaal benut. Daar kunt u van op aan. Ze bestaan namelijk grotendeels al uit meerpersoonscellen, dus qua capaciteit is er niet veel meer ruimte. Het is belangrijk om aan te geven dat deze 23 mensen voor hetzelfde delict zijn opgevangen, namelijk het feit dat ze in bootjes voor de kust zaten. Ze zijn vervolgens in detentiecapaciteit geplaatst. Misschien kun je daar in alle eerlijkheid geen onderscheid meer in maken. Over deze groep is gezegd dat het verstandig is om ze heen te zenden. Het is een grote groep. Bijna een kwart van de capaciteit werd bemenst, zoals mevrouw Schilder zelf ook aangaf. Op het moment dat je mensen niet oproept maar ze ook niet kunt heenzenden, zit je klem. Er is hiervoor gekozen. Dit is een eigenstandig besluit geweest onder de verantwoordelijkheid van de procureur-generaal. Ik denk dat dit heeft bijgedragen aan het op orde brengen van de capaciteit. Althans, zo is gebleken.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik begrijp wat de staatssecretaris zegt, maar ik vraag me wel het volgende af. Die bootjes liggen niet stil. Die blijven heen en weer varen. Wat als er weer 23 mensen worden aangehouden? Wat gaan we dan met die mensen doen?

Staatssecretaris Van Bruggen:

In feite is het zo dat als er een misdrijf, een overtreding of een strafrechtelijk feit wordt gepleegd, daar een straf op volgt. Het OM van de BES-eilanden is zeer wel in staat om dat zelf te doen. Zij hebben een ander besluit genomen ten aanzien van deze groep, omdat ze de weging hebben gemaakt: welke groep is het allerbelangrijkst om nu in detentie te plaatsen? Dat is aan hen. Dat besluit zullen zij waarschijnlijk in de toekomst op zijn merites beoordelen.

De voorzitter:

Ik zou zelf graag een vraag willen stellen. Ik hoor de staatssecretaris goed, maar volgens mij bewandelen we wel een dunne lijn. Volgens mij zei de minister het net treffend. Justitie is op zich een aangelegenheid van de landen binnen het Koninkrijk. BZK draagt daar 30 miljoen aan bij. Daar kun je principieel best iets van vinden. Ik ben niet in de Pointe Blanche-gevangenis geweest, maar ik heb mij hier redelijk in verdiept. Ik ken mensen van DV&O en mariniers die daarnaartoe zijn geweest. Dat was dermate gevaarzettend dat je kunt zeggen: we moeten iets doen omdat er in alle gevallen gevolgen zijn voor ons, of het nu het overnemen van gedetineerden is of de inzet van mariniers. Maar dat is wel een dunne lijn, want als je dat daar doet ... Ik hoor de staatssecretaris over mensenrechten beginnen. Ze zegt dat VCHD een landsaangelegenheid is. Maar dat is een dunne lijn, want voordat je het weet, gaan wij daar gevangenissen neerzetten. De eilanden moeten het zelf ook belangrijk vinden. Dat mis ik een beetje in het antwoord van de staatssecretaris. We helpen, maar ze moeten het zelf ook chefsache maken dat de bajes op orde moet zijn en dat criminelen vanuit daar niet door kunnen gaan met wat ze doen. Want even in alle eerlijkheid: dat is daar supermakkelijk. Het toezicht daar is echt nul. Kan de staatssecretaris daar nog op ingaan?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Uiteraard. Dit is ook een onderwerp van gesprek geweest met de gouverneur van Sint-Maarten, die ik nog niet zo lang geleden heb mogen ontvangen. Onze belangen zijn hetzelfde, namelijk ervoor zorgen dat de detentiecapaciteit op de eilanden op orde is. Mijn verantwoordelijkheid is alleen anders. Tegelijkertijd denk ik natuurlijk wel dat als de zorg daar leeft en wij de middelen beschikbaar hebben gesteld omdat het voor het Koninkrijk een ontzettend belangrijke ontwikkeling is, we met elkaar aan de opdracht moeten werken van voldoende mensen, voldoende capaciteit, voldoende personeel. Een aantal gedetineerden die eigenlijk op Sint-Maarten gedetineerd zouden moeten zitten, vangen we nu op Bonaire op. Dat zijn vijf mannen en ƩƩn vrouw, als ik het goed heb. Als de detentiecapaciteit juist voor die autonome landen op orde is, dan heb ik er veel vertrouwen in dat zij dit echt wel chefsache maken. Het gesprek gaat hier natuurlijk doorlopend over: hoe zorgen we nou dat we elkaar daarin vinden en ondersteunen?

De voorzitter:

Dank. Tot slot, vanuit mezelf. Ik zou dan wel vanuit de VVD-fractie een duidelijke lijn willen meegeven. Wij helpen. Dat is goed. Maar daar staat dan wel tegenover dat zij echt prioriteit moeten maken van voortgezet crimineel handelen. Ik ben in de gevangenis op CuraƧao geweest. Het is een illusie om daar voortgezet crimineel handelen tegen te gaan. Ik hoop dat de nieuwbouw op Sint-Maarten volgens de nieuwste inzichten is. Dat vind ik wel een harde voorwaarde, als we er zo naar kijken.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Dank, voorzitter. Ik kan niet anders dan het met u eens zijn dat dit een ontzettend belangrijk onderwerp is. Daarom heb ik ook aangegeven dat ik dit ook in het JVO terug wil laten komen op de agenda, zodat we de kennis kunnen delen die we hier, juist in Nederland, met elkaar hebben en nog steeds aan het uitbreiden zijn.

Met uw goedvinden ga ik naar het tweede blokje. Dat gaat over de forensische zorg, tbs en PIJ binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk. Ik begin met de zaak waar in ieder geval door een aantal van u naar gerefereerd is: de steekpartij bij de Albert Heijn op de Turfmarkt. Deze meneer had tbs opgelegd gekregen. Die is niet uitgevoerd op CuraƧao, en ondertussen is er in Nederland een strafrechtelijk delict gepleegd en hebben we met elkaar een zorg.

Even het feitelijke antwoord. Mijn inzet is er natuurlijk op gericht om de faciliteiten in het Caribisch deel op orde te brengen. Die verbeterslag krijgt vorm met de agenda over de forensische zorg, behandeling tbs en PIJ. In alle eerlijkheid en realiteit: een tbs-kliniek zoals we die in Nederland kennen, is wegens de kleinschaligheid van het Caribisch deel van het Koninkrijk waarschijnlijk niet mogelijk, dus we moeten kijken naar oplossingen die passender zijn. Dat is een passende voorziening, bijvoorbeeld in de forensische zorg, met een hoog beveiligingsniveau. Misschien zou je dat zelfs kunnen afschalen naar bijvoorbeeld een beperkt beveiligde afdeling. Dat zijn gedachten die door mijn hoofd gaan, en waar in ieder geval — dat vertelde ik u net — zeer onlangs ook een programmamanager voor geworven is.

Mijn voornemen is om in het verslag van het JVO ook altijd dit aspect mee te nemen; hoe staat het nou met die agenda, waar we veel waarde aan hechten met elkaar? De forensische zorg moet juist ook passend zijn binnen de context van de Cariben. Ik denk dat dat een belangrijk aandachtspunt is. Hoe wij tbs hier inrichten, heeft natuurlijk ontzettend veel meerwaarde om zorg en veiligheid bij elkaar te brengen. Als zorg en veiligheid bij elkaar brengen binnen de context van het Caribisch deel van het Koninkrijk het uitgangspunt is, wat voort soort voorziening zou daar dan passend zijn? Dat is het belangrijkste aandachtspunt binnen het programma dat nu is uitgerold.

Dan nog even ten aanzien van die specifiek genoemde trieste steekpartij. Daar wil ik toch nog wel op ingaan. De eerste reden voor de terughoudendheid is dat autonome landen echt een eigen verantwoordelijkheid hebben voor het opleggen en ten uitvoer leggen van de straffen en maatregelen. Dat weten we. Maar een andere belangrijke reden voor mijn terughoudendheid is dat een tenuitvoerlegging van een tbs-maatregel in Europees Nederland gericht is op resocialisatie in Europees Nederland. De behandeling leent zich daarom ook gewoon minder goed voor patiĆ«nten die woonachtig zijn in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Daarbij kampt Europees Nederland momenteel — dat weet u ook allen — met een groot tekort aan hoogbeveiligde tbs-capaciteit. Dat maakt dat er schaarse ruimte is. Ik kan het besluit nemen om de tbs-maatregel in Nederland over te nemen en hier uit te voeren, maar die lat ligt ontzettend hoog. Dat verzoek heb ik tot op heden dan ook nog niet gehad.

Dat was mijn blokje forensische zorg. Dan zou ik graag naar de kansspelen overgaan.

De voorzitter:

Er is een vraag van meneer Ceder.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ja, zeker.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Even dubbelchecken. Omvat dat mijn vraag ten aanzien van de casus die ik schetste? Ja, hĆØ? Dan ga ik daar even op in. Ik begrijp de situatie en de zelfstandige afwegingen van de landen onderling. Maar dat gecombineerd maakt het mogelijk dat mensen die op de Cariben veroordeeld zijn voor een tbs-voorziening, niet de juiste zorg krijgen en geweigerd worden door Nederland, vervolgens wel makkelijk Nederland in kunnen komen, wat tot letterlijk levensgevaarlijke situaties leidt. Dat is niet alleen een landsaangelegenheid; het is een kwestie van nationale veiligheid. Er is al een situatie geweest waarin we zagen dat de huidige situatie, zoals de staatssecretaris deze schetst, helaas tot een levensgevaarlijke situatie heeft geleid. Is de staatssecretaris het met mij eens dat de toelichting die zij net gaf, niet voorkomt dat dit in de toekomst weer kan gebeuren en dat dit een zeer onwenselijke situatie is? Wil zij toezeggen te kijken hoe wij de gaten in dat systeem kunnen dichten?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Dat klopt. We kunnen het niet voorkomen, dus dit is absoluut het eerlijke verhaal. Je doet wel zo veel mogelijk om te voorkomen dat de situatie zich weer voordoet. Ik zie heel veel heil in het programma dat we nu hebben gestart, waarin we juist kijken hoe de forensische zorg specifiek binnen de Cariben, dus CAS en BES, wordt vormgegeven. Wat hebben we nodig? Waar kan een tbs-maatregel worden opgelegd? Waar kan die wel of niet worden uitgevoerd? Hoe zorgen we dat de forensische zorg beveiligingsniveaus kent? Hebben we voldoende mensen om dat werk te doen? Moeten we die mensen nog opleiden? Dat zijn allemaal vragen die je nu binnen dat programma beantwoord wil zien. Ik ben ook blij dat het er is, dat het start. Dat was natuurlijk al een voornemen, maar er was een goede programmamanager nodig, en die is geworven. Ik zou dus vooral zeggen: aan de slag.

We zien echt dat de forensische zorg, waar tbs natuurlijk onderdeel van uitmaakt, op de Cariben vorm zou moeten krijgen. Hoe we dat gaan doen, daar hebben we met elkaar het gesprek over te voeren. We hebben een programma uit te rollen. Volgens mij raakt dat — ik refereer aan de vraag die mevrouw Westerveld eerder stelde — aan meer dan alleen zorgen dat de uitvoering op orde is. Hoe zorgen we ook dat we voorkomen dat mensen in de forensische zorg terechtkomen? En hebben we dan ook voldoende lijntjes met de reguliere ggz om te zorgen dat de mensen die geestelijke bijstand, geestelijke gezondheidszorg nodig hebben, die ook op tijd krijgen, voordat ze in de forensische keten terechtkomen?

De heer Ceder (ChristenUnie):

De staatssecretaris ziet misschien aan mijn gezichtsuitdrukking dat ik nog niet geheel gerustgesteld ben. Dat komt doordat Nederland hier ook een aandeel in heeft. Door tbs-verzoeken te weigeren, creƫert Nederland mede die onverantwoorde situatie. Het gaat om mensen waarvan we weten dat die forensische zorg nodig hebben maar deze zorg niet krijgen door een weigering van Nederland en die vrij makkelijk Nederland binnen kunnen komen. Dat leidt tot hele gevaarlijke situaties. Mijn vraag is de volgende. Als Nederland niet bereid is in de tussentijd tbs-verzoeken welwillender te gaan bekijken, wat ik overigens ook wel snap, dan vind ik dat je dƔƔr een voorziening moet hebben, ook vanwege familieomstandigheden en sociale contacten. Ik snap dat we het onwenselijk vinden om iedereen over te vliegen om ze hier tbs-dwangverpleging te laten krijgen. Maar ik vraag mij toch af of de minister toch kan toezeggen te verkennen hoe in de tussentijd, tijdens dat project, de onwenselijke situatie kan ontstaan dat een aantal mensen met een tbs-veroordeling die in de kast belandt, toegang tot Nederland hebben. Dat is een ingewikkelde vraag, maar ik wil toch vragen of de staatssecretaris kan toezeggen dat in ieder geval uit te zoeken. Volgens mij wil niemand hier weer een soortgelijke situatie zien gebeuren.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Het is natuurlijk een heel complex verhaal, en dat geeft de heer Ceder zelf ook al aan. Het inwilligen van zo'n verzoek moet je natuurlijk wegen ten opzichte van de beschikbare capaciteit en ten opzichte van het doel van de tbs-maatregel. Je wil mensen zorg geven, je wil dat dat op een hoog beveiligingsniveau gebeurt, want dat is nodig bij mensen die tbs opgelegd krijgen, en je wil kijken waar iemand gaat resocialiseren. Het mooiste en het belangrijkste is, denk ik, om te kijken hoe we zorgen dat dit een goede plek krijgt binnen dat programma. Een echte tbs-kliniek zoals we die in Nederland kennen, daar is de schaal eigenlijk te klein voor en daar zijn de aantallen misschien ook te klein voor. Maar je moet wel kijken naar het allerhoogste beveiligingsniveau van forensische zorg die nodig kan zijn, ook op de BES- en CAS-eilanden. Ik denk dat dat een van de belangrijkste aspecten is. We moeten dus niet alleen zeggen: we gaan daar laagdrempelige ambulante forensische zorg organiseren. We moeten ook kijken naar welke voorzieningen we met elkaar moeten hebben om ook tegemoet te komen aan de gevallen die normaal gesproken misschien ook wel in het Europese deel van Koninkrijk voorkomen.

Tegelijkertijd zien we dat we de verzoeken hier ook moeilijk kunnen inwilligen, omdat we allereerst zelf ook met tekorten zitten. Maar het gaat ook over de grondslag: wat moet de tbs uiteindelijk bereiken? Die moet ook bereiken dat iemand weer kan terugkeren naar de samenleving, het liefst natuurlijk daar. Daarom zou ik dit heel graag meenemen in het programma. Die toezegging wil ik dus zeker wel doen. Het gaat niet zozeer over wat we in de tussentijd doen. In de tussentijd beoordeel ik het op zijn merites en zijn dit de onderdelen die ik daarin meeneem. Maar weet dat ik het programma zo breed inricht als ik nu toelicht. Ik kijk namelijk naar wat er op welk beveiligingsniveau nodig is. Daarbij kijk ik ook naar wat er nodig is binnen de tbs-capaciteit.

De voorzitter:

Meneer Ceder, tot slot.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Tot slot. Ik ben in ieder geval blij met deze toezegging. Ik ben nog wel zoekende naar hoe we momenteel moeten omgaan met de situatie waarin dergelijke personen vrije toegang tot Nederland hebben. Dat is een van de aspecten waar het voor mij om gaat. Mijn vraag is of de staatssecretaris ook zou kunnen toezeggen te verkennen — misschien kan dit juridisch helemaal niet — en de Kamer erover te informeren, of dergelijke mensen door middel van signalement, of op welke wijze dan ook, bij de Nederlandse grens geweigerd kunnen worden. Dit raakt namelijk ook aan de nationale veiligheid van Nederlanders. Dit vraag ik in afwachting van het project, waarbij ik de afwegingen van de staatssecretaris ook goed begrijp.

De voorzitter:

De staatssecretaris tot slot op dit punt.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik kan dat nu inderdaad niet zo voor u oplepelen, maar ik kan het wel toezeggen. Dat doe ik ook graag, want ik denk dat het belangrijk is om te weten op welke gronden we dat wel of niet zouden kunnen en willen doen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik had hier ook een vraag over. Mijn vraag was: waar staan we op dit moment? Ik vind het antwoord dat de staatssecretaris gaf niet geruststellend. Daar kan deze staatssecretaris niets aan doen, maar ik volg het onderwerp al langer, ook vanuit mijn ggz-portefeuille hier. We weten al jarenlang dat er capaciteitsproblemen zijn en dat de hulp aan mensen met een verslaving of met psychische problematiek niet op orde is. Er wordt ook al jaren door de Kamer gevraagd om verbetering. We weten allemaal dat als je hulp niet op orde brengt, dat kan leiden tot ernstige delicten, soms met ernstige slachtoffers. Als ik de brief van de gezagsdragers van 9 februari dit jaar lees, zie ik dat zij aangeven dat de basispolitiezorg nog helemaal niet op orde is. Zij geven aan dat er concrete aanwijzingen zijn dat de noodhulp soms te laat is gekomen. Dat vind ik best zorgwekkende ontwikkelingen. Nogmaals, deze staatssecretaris heeft haar portefeuille natuurlijk geƫrfd van haar voorgangers, maar mijn vraag is wanneer we nu echt wat gaan zien. Wanneer wordt er echt tegemoetgekomen aan al die zorgen van de Kamer, de mensen op de eilanden zelf en de gezagsdragers, en wanneer kunnen we concrete resultaten verwachten? Wat verwacht deze staatssecretaris ons op korte termijn te kunnen aanleveren?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik begrijp de oproep van mevrouw Westerveld heel goed. Het is een kopie van wat we in Nederland zien ten aanzien van hoe de ggz en de forensische zorg hand in hand gaan en misschien wel een waterbedeffect kennen. We moeten ervoor zorgen dat we de ggz op orde hebben en brengen, voor het geval dat het echt niet nodig is dat mensen in de forensische zorg terechtkomen. Ik ben daarover veel in overleg met mijn collega-bewindspersoon die verantwoordelijk is voor de ggz. Ik denk dat het ook belangrijk is om mee terug te nemen dat dit een ontzettend belangrijk aspect is voor de Cariben en dat zij dit ook goed op haar netvlies heeft. Ik ben er overigens van overtuigd dat ze dat ook heeft, maar ik wil best toezeggen dat ik dat actief bij haar onder de aandacht zal brengen.

Het klopt dat ik een portefeuille erf, net als alle bewindspersonen van alle voorgaande jaren. Hoeveel jaren gaan we terug? Maar we weten in ieder geval waar we nu staan. Dit is de situatie waar we nu staan. Er liggen verschillende rapporten. Er zijn eerder verschillende ambities uitgesproken en nu ook weer door deze minister en deze staatssecretaris. Wij zeggen: zo snel mogelijk, zo smart mogelijk en zo uitvoerbaar mogelijk. Die laatste vind ik ook een hele belangrijke als het gaat over de BES- en CAS-eilanden. We kunnen namelijk wel hele hoge ambities hebben, maar als we de mensen niet kunnen vinden of uiteindelijk niet kunnen leveren, is het ook een teleurstelling. Daar moeten we echt voor zien te waken. Mijn plan is dat ik de voortgang die we maken op de agenda forensische zorg terug laat komen in de brief die u altijd ontvangt vanuit het JVO, het vierpartijenoverleg. Daarin kan ik aangeven waar we staan met deze agenda, welke prioritering er wordt aangebracht, en welke termijnen we wel en niet van elkaar kunnen verwachten. Ik denk dat dat een plek zou kunnen zijn. Het zou mijn voorstel zijn om het daarin terug te laten komen.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld, dan meneer Mathlouti. We moeten we wel een beetje tempo gaan maken.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat begrijp ik, voorzitter. Mijn vraag is de volgende. Ik ben in ieder geval blij met de urgentie die ik hoor in het antwoord van de staatssecretaris. Ik ben nog wel op zoek naar wat er concreet gaat gebeuren. In het coalitieakkoord staat dat Nederland zich blijft inspannen en dan staan er een aantal onderwerpen waarin ik niet "zorg" of "forensische zorg" lees. Mijn oproep aan de staatssecretaris zou dus zijn om dit echt op te pakken met haar collega's van VWS. Vanuit de Kamer gaat binnenkort een delegatie van de commissie VWS naar de eilanden toe. Ik denk dat dit onderwerp ook in die debatten terugkomt. Ik hoop dat de staatssecretaris dit ook kan oppakken met haar collega's in het kabinet, omdat het coalitieakkoord op dit punt nog best wel vrijblijvend lijkt.

Staatssecretaris Van Bruggen:

In mijn ervaring zitten we wat dat betreft absoluut op dezelfde pagina met mijn collega-bewindspersoon op VWS. Het is goed om te horen dat ook een delegatie van de Kamer een bezoek gaat brengen. Ik denk dat het ontzettend belangrijk is om te zien en te constateren hoe de ggz georganiseerd is. We zetten alle zeilen bij om ervoor te zorgen dat ggz en forensische zorg hand in hand gaan en dat we de mensen op de juiste plekken de zorg bieden die nodig is.

Dan het programma, dus het plan dat we maken. Die programmamanager is net aangesteld. We zullen dus weer wat tijd, ruimte en geduld moeten hebben. Tegelijkertijd weten we natuurlijk zelf ook wel wat er op de agenda staat en moet staan. In het eerstvolgende verslag — volgens mij komt dat na de zomer — neem ik graag een eerste beeld mee van het plan.

De heer Mathlouti (D66):

Volgens mij worden er terecht interruptiedebatjes gehouden over de tekorten in de forensische zorg. Het antwoord van de staatssecretaris stelt in die zin gerust dat het beeld over die tekorten echt wel duidelijk is. Dat proefde ik, eerlijk gezegd, net ook in de beantwoording van de minister op vragen over politiecapaciteit en de tekorten daar. Ik begreep het eerste, terughoudende antwoord in die zin dat we eerst het rapport van de Raad willen afwachten, dan met een kabinetsreactie komen en pas daarna, eventueel, met een plan, als er aanknopingspunten zijn. Tegelijkertijd merk ik in de beantwoording ook dat we dat beeld van de tekorten wel degelijk kennen, ook omdat er bijvoorbeeld 30 miljoen aan detentiecapaciteit wordt ingezet en gezien het antwoord zojuist ten aanzien van forensische zorg. Ik zou echt een toezegging willen om dat beeld zo snel mogelijk met ons te delen. Hoe zien die tekorten eruit? Wat zijn precies de bevoegdheden en verplichtingen? Wat is daarvoor qua menskracht nodig?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik sluit heel graag aan bij de beantwoording die de minister hier zojuist over heeft gegeven. Daar geven we zo snel mogelijk een beeld over.

De heer Mathlouti (D66):

Maar als "zo snel mogelijk" de volgorde is die de minister net aangaf, dus eerst een rapport, dan de kabinetsreactie en dan mogelijk een antwoord, dan volg ik dat niet. Dat beeld kan echt al eerder gegeven worden.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Zonder al te veel in detail te willen treden, want ik begrijp heel goed waar D66 naar op zoek is, vind ik het ook wel belangrijk om er zorgvuldig mee om te gaan. We hebben een belangrijke opgave om de capaciteit op orde te krijgen, te hebben en te houden op de BES- en CAS-eilanden. We willen goed kijken wat er nodig is. Je kunt eigenlijk niet de aantallen los zien van de opgave, laat ik het zo zeggen. Ik zou het wel zorgvuldig willen doen. Ik denk ook dat de minister daar een heel passend antwoord op gaf. We geven zo spoedig mogelijk inzicht in waar die tekorten zijn. We zullen dat ook in relatie brengen met de plannen die we hebben, juist op die verschillende onderdelen. Ik denk dat we dan zorgvuldiger zijn. Als het een toezegging kan zijn aan de heer Mathlouti om het op deze manier te doen, dan doe ik dat met liefde. Ik kijk ook even naar de minister. Dat is de manier waarop we dat zouden willen doen.

De heer Mathlouti (D66):

Dat kan een toezegging zijn als dat bijvoorbeeld voor de zomer kan — ik denk echt dat dat kan — maar de volgorde die de minister net toelichtte, is echt onvoldoende. Ik wil niet flauw worden door hier schriftelijke vragen over te stellen of te proberen om dit af te dwingen via een motie. Ik denk echt dat we al heel ver zijn. Ik hoop echt dat u die toezegging kan doen.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Die toezegging kan ik doen. Het kan voor de zomer.

De voorzitter:

Dan gaat de staatssecretaris verder. Waar was u gebleven?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik was bij het blokje overig.

De voorzitter:

Prima, dat gaat goed.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Daarin zitten de vragen over de kansspelen. Dat is best wel technisch: waar houdt onze verantwoordelijkheid op in CuraƧao? De heer Van den Brink en de heer Ceder hebben daar vragen over gesteld. In hoeverre worden Nederlandse onlinegokkers beschermd door CuraƧao en wordt kennis gedeeld vanuit Europees Nederland, ook met betrekking tot de Europese regelgeving rondom onlinekansspelen? Zijn er al resultaten bekend van het aantal Nederlandse onlinegokkers sinds de legalisering? Hoe verloopt de bescherming van gokkers tegen verslaving?

In het kader van het landspakket — in 2024 is de landsverordening aangenomen; daar heeft u beiden aan gerefereerd — adviseert Nederland het land CuraƧao over het versterken van de rechtsstaat door het moderniseren van de kansspelregelgeving. Voorbeelden zijn het inrichten van een onafhankelijke toezichthouders, zoals wij die hier kennen vanuit de Ksa, en verplichten dat onlinekansspelaanbieders zich houden aan de eigen regelgeving en die van andere landen, zoals de Nederlandse regelgeving. Dit heeft geleid tot bijna geen illegaal aanbod in Nederland vanuit CuraƧao sinds 2025. Daar zijn dus grote stappen in gezet.

Echter, Nederlandse spelers komen daardoor nu niet meer in aanraking met het CuraƧaose spelaanbod; dat is nu naar Costa Rica opgeschoven. De illegale diensten worden vanuit Costa Rica aan Nederland aangeboden. Je ziet dus dat dit echt een globale kwestie is, om het maar even zo te zeggen, waarbij Costa Rica nog minder binnen ons bereik ligt dan CuraƧao. Het heeft in ieder geval geholpen dat we al onze kennis met CuraƧao hebben kunnen delen en er vanaf 2025 dus bijna geen illegaal aanbod meer aangeboden wordt in Nederland vanuit CuraƧao.

Bescherming van burgers tegen gokschade is een speerpunt van het kansspelbeleid. Ik ben voornemens om de regels voor aanbieders met een Nederlandse vergunning aan te scherpen in het kader van de zorgplicht en een meerjarenagenda gokschadepreventie vast te stellen. We hebben hier met uw Kamer op 24 juni een commissiedebat over. Ik zou het heel mooi vinden om ook dit onderdeel daarin mee te nemen.

Voorzitter. De vraag van mevrouw Westerveld gaat over de start van het juridisch loket: kan de Kamer periodiek gerapporteerd worden over de voortgang van het juridisch loket? De verwachting is dat de dienstverlening vanuit de stichting voor rechtshulp en gelijke behandeling voor de zomer van 2026 op gang komt. In mei is de opening voorzien. Het zou natuurlijk fantastisch zijn als dat samenvalt met uw bezoek, maar dat zouden we moeten onderzoeken. Ik zal uw Kamer periodiek rapporteren. Ik wil dit graag meenemen in de rapportage over de Beleidsagenda Caribisch Nederland 2026-2030.

Dan de vraag van de heer Ceder. Er is sprake van verschillen in wetgeving met betrekking tot het wel of niet standaard achter gesloten deuren behandelen van jeugdstrafzaken. Kan er op korte termijn een wetswijziging worden verwacht om de wetgeving gelijk te trekken? Ik kan dat bezien in het licht van de uitkomsten van het onderzoek dat momenteel loopt in opdracht van het WODC naar de werking van het jeugdstrafrecht op de BES-eilanden. Over de resultaten van het onderzoek kan ik de Kamer naar verwachting in de tweede helft van dit jaar informeren. Daar loopt een onderzoek naar. Ik zou graag in het licht van de uitkomsten van dat onderzoek dit onderdeel meenemen.

De voorzitter:

Mij wordt ingefluisterd: is dit een toezegging?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Wat mij betreft wel. We willen die verschillen in wetgeving natuurlijk meenemen. Dat komt waarschijnlijk ook uit de uitkomsten van het WODC-onderzoek. Als u wilt dat ik, op het moment dat die uitkomsten er zijn, specifiek aandacht vestig op dat het goed en voldoende is meegenomen, en op de vraag of we dat ook gaan doen, dan zeg ik dat van harte toe.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Het gaat me om het tweede. Ik vraag om een toezegging omdat het dan vastgelegd wordt en de terugkoppeling dus daadwerkelijk plaatsvindt. Om die reden zou ik het wel willen noteren. Het gaat me voornamelijk om het tweede. Het eerste acht ik vanzelfsprekend. Volgens mij wordt het meegenomen in de brief die in de tweede helft van het jaar verschijnt.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Dat komt terug in het kader van de beleidsreactie op het onderzoek. Ja, okƩ, dan begrijpen we elkaar goed. Dank u wel.

Dan de vraag over de Awb voor de BES. Die is gevraagd door mevrouw Westerveld en de heer Ellian. Het kabinet streeft ernaar het wetsvoorstel in de tweede helft van deze kabinetsperiode aan de Tweede Kamer aan te bieden. Dat is mijn antwoord. Dat gaat dus best vlot. Voor een wetsvoorstel van deze omvang is dat ook best heel snel, als je je realiseert dat wij over onze eigen Awb twintig jaar hebben gedaan. De voorbereiding geschiedt in samenwerking met de BES-eilanden. Dat moet zorgvuldig gebeuren. Dat vergt tijd. Het moet uitvoerbaar zijn, zoals ik net ook al zei. Wat we hier maken, moet daar ook uitvoerbaar zijn. De implementatie van de wet blijft de verantwoordelijkheid van de openbare lichamen. Er is breed gedragen behoefte aan deze wet. Ze zijn dan ook nauw betrokken bij de voorbereidingen op het wetgevingstraject. In het licht van wetgeving bezien, zeker omvangrijke wetgeving als deze, gaat het dus vlot.

Dat was de laatste vraag van de beantwoording.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Het ging net iets te snel. Ik denk dat ik het antwoord heb gemist, maar ik stel de vraag toch nog even: zijn er resultaten bekend van het aantal onlinegokkers sinds de legalisering?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Een verhelderende vraag: in CuraƧao of in Nederland?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Beide.

De voorzitter:

Beide staan op de agenda.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Ik zou willen zeggen: we kijken er even naar voor de tweede termijn. Ik ga kijken of ik daar een zorgvuldig antwoord op kan formuleren.

De voorzitter:

De bewindspersonen zijn aan het einde gekomen van hun termijn. Hebben de Kamerleden nog onbeantwoorde vragen? Ik denk het niet. Dan gaan we naar de tweede termijn, als u daar klaar voor bent, collega's. Ik begin bij meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik hou het kort. Ik had natuurlijk een aantal vragen, die ook in toezeggingen in de tijd zijn geplaatst. Ik zal de reactie van het kabinet op die punten afwachten.

Ik denk dat er nog wel een aantal zaken zijn waar wat uitspraken van de Kamer over nodig zijn. Ik zou dus een tweeminutendebat willen aanvragen.

De discussie rondom drugs in het Koninkrijk an sich vind ik belangrijk. Rondom gokken zijn een aantal antwoorden gegeven, maar ook daarover verlang ik wat Kameruitspraken. Ik heb geen openstaande vragen meer, gezien al is toegezegd dat er nog een antwoord op komt. Ik zou om die reden dus wel een tweeminutendebat willen aanvragen.

Ik wens de bewindspersonen veel succes.

De voorzitter:

Die aanvraag noteren we. Mevrouw Schilder.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank. Ik wil de bewindspersonen danken voor de beantwoording. Ik wil wel aangeven dat ik ook in dit debat wel weer een beetje de vrijblijvendheid voel met betrekking tot de samenwerking met de eilanden. Daarmee wil ik niet zeggen dat je maar dwang op moet leggen, natuurlijk. Maar als je per jaar twee vergadermomenten hebt, zonder echt concrete doelstellingen, dan los je grote problemen niet op. Ik bedoel bijvoorbeeld de toe- en aanvoer van drugs of de verouderde of ontbrekende wetgeving. Het duurt maar. Ik hoop dat de dingen die goed gaan, zoals het opleiden van politieagenten, niet stil komen te liggen na de trainingen die dit jaar nog worden aangeboden. Ik zou het liefst willen dat die vrijblijvendheid er een beetje vanaf gaat en dat we structuur brengen in de samenwerken, met smart-doelen en plannen voor hoe we dingen gaan oplossen. Ik zal daar dan ook schriftelijke vragen over stellen. Ik denk dat ik daar wel uitkom met mevrouw Westerveld.

Dank u wel.

De voorzitter:

OkƩ. Meneer Mathlouti.

De heer Mathlouti (D66):

Voorzitter, dank. Dank aan de bewindspersonen, ook van de kant van D66, voor de beantwoording. Ten aanzien van relationeel geweld: het is mooi dat het meld- en adviespunt echt zijn vruchten afwerpt. Ik ben het met de minister eens: we hopen natuurlijk dat die meldingen op nul komen, maar zolang het er is, is het goed dat mensen zich melden en dat ze daartoe de mogelijkheid hebben.

Dank voor de toezegging om terug te komen op de tekorten. Ik ben het met mevrouw Van Bruggen eens dat zorgvuldigheid daarbij heel erg telt.

Voor de rest heb ik geen inhoudelijke punten. Ik zag wel dat het laatste debat alweer twee jaar geleden is. Dat is echt heel lang geleden. Daar zijn we natuurlijk zelf bij als commissie, maar wat mij betreft gaan we dit echt vaker doen, minimaal ƩƩn keer per jaar.

Dank.

De voorzitter:

Ik denk dat dat een hele terechte constatering is. Tijdens dit debat kwam ook in mij op: ik ben met de vorige commissie op Bonaire en CuraƧao geweest. Dat is heel verhelderend. Natuurlijk kunnen we er geen gewoonte van maken om daarnaartoe te gaan, want we moeten zorgvuldig omgaan met de budgetten die we hebben. Maar daar de gevangenis zien, of Jong Bonaire of het Korps Politie Caribisch Nederland, is toch wel vrij relevant. Maar goed, dat geef ik even mee als — wie ben ik? — invallend voorzitter.

Meneer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik zal het kort houden. Ik was vergeten te vertellen dat ik mevrouw Straatman vervang vandaag. Ik heb dus veel geleerd.

De voorzitter:

Dat mag u niet vergeten te vermelden, nee.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dat is het geval. Ik heb één aanvullende vraag aan de minister. Die gaat met name over drugs. U zei: het is een doorvoerhaven. Aan de andere kant had u vooral successen te melden over hoeveel cocaïne er is gepakt. Mijn vraag is: hebben we voldoende zicht en grip op wat er via de eilanden in onze richting komt qua drugs?

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik was ter voorbereiding op dit debat — ik heb weer heel veel nieuwe dingen geleerd — de beleidsagenda aan het doornemen. Toen zag ik de lange lijst met wetten die aangepast moeten worden. Ik moest toen even terugdenken aan een amendement dat ik zelf in 2023 heb ingediend op de Gezondheidswet. Dat was een taalkundig amendement, omdat in het Caribische deel van Nederland nog steeds ggz-instellingen werden aangeduid als "krankzinnigengestichten". Dat lijkt misschien alleen iets taalkundigs, maar het zegt er dus ook iets over dat wetten daarin nog echt achterblijven. Wat mij betreft zou er echt urgentie moeten zijn bij het aanpassen van wetten. Ik weet natuurlijk niet precies de inhoud daarvan, maar het zegt al veel dat we in 2023 in ieder geval op het gebied van ggz nog steeds zulke andere termen gebruiken in de wet. Ik wil hierbij dus vooral de oproep doen tot urgentie en snelheid en tot concreet worden. Volgens mij willen deze bewindspersonen dat wel, maar tegelijkertijd hoor ik hier ook een aantal onderwerpen voorbijkomen die we al best wel lang bespreken in de Tweede Kamer en lees ik nog te weinig over wat er echt concreet gaat gebeuren, met afrekenbare doelen. Het lijstje met vragen en suggesties kunt u zeker van ons verwachten.

De voorzitter:

Dank.

Namens de VVD dank ik uiteraard de bewindspersonen voor hun beantwoording. Het is goed dat we dit debat hebben. Er valt veel te zeggen over detentie. Ik denk dat ook ik in het tweeminutendebat een richting zal willen geven aan hoe we detentie daar nou vormgeven. Het is niet alleen maar de lusten; je moet de verantwoordelijkheid dan ook willen nemen.

Het vorige debat hierover was twee jaar geleden. Volgens mij heeft daar in de tussentijd een verschrikkelijke moord plaatsgevonden op een medewerker van de KMar, de Koninklijke Marechaussee. Ik weet dat dat een enorme impact heeft op het eiland en op de medewerkers van de KMar daar, dus ik denk dat het misschien ook goed is als de minister vanuit hier namens iedereen ons medeleven wil overbrengen.

Ik kom op de KMar omdat ik me bedacht dat ik daar niet naar gevraagd had, maar dat die wel superbelangrijk is, want zij bewaken natuurlijk ook onze buitengrenzen. In de stukken zag ik dat de capaciteit van de KMar daar ook wel echt onder druk staat. Ik ben benieuwd of de minister daar iets over kan zeggen en of er nog iets ingezoomd kan worden op integriteit. Ik bedacht me net dat dat niet echt benoemd is, maar dat is op de eilanden natuurlijk een supergroot vraagstuk, want iedereen kent elkaar. Iemands zwager is weer de neef van de buurvrouw en zo. Dat is natuurlijk van belang als je elkaar scherp wil houden, ook als het gaat om statelijke actoren. Volgens mij heeft China veel interesse in dingen opkopen en proberen te beĆÆnvloeden. Ik ben benieuwd of de minister daar nog iets over kan zeggen.

Okido. Kunnen jullie meteen antwoorden? Dat is het geval. Dan gaan we meteen naar de minister luisteren.

Minister Van Weel:

Allereerst dank voor al uw vragen en voor het debat. Ik was bij dat laatste debat, dus dat was in ieder geval in het najaar van 2024, nog geen twee jaar geleden. Desondanks denk ik dat het inderdaad goed is om hierover regelmatig van gedachten te wisselen en dat ook te doen op basis van concrete plannen en voornemens. In die zin zie ik wel uit naar dat traject samen met uw Kamer.

Waar het gaat om drugs: je weet nooit wat je niet weet. Dat is een kenmerk van de georganiseerde criminaliteit. Die probeert altijd te zoeken naar de weg van de minste weerstand om hun handel, die onvermijdelijk is, voort te zetten. Met betrekking tot Aruba noemde ik een stijging van de cocaïneprijs. Dat is een hele goede indicatie van schaarste, want uiteindelijk is het gewoon marktwerking. Dat hebben we in Europa in ieder geval nog niet voor elkaar weten te krijgen. Hier daalt de prijs nog steeds. In die zin is het dus wel duidelijk dat je vanwege de karakteristiek van de eilanden meer kan doen dan bijvoorbeeld hier op het vasteland van Europa en dat je dat ook sneller kan doen. Dat stimuleert om in die warrooms te kijken hoe dat ook op de andere eilanden kan worden bereikt. Ik kan niet uitsluiten dat drugs nog steeds deze eilanden weten te bereiken en dat ze ook doorgevoerd worden, maar als we die weerbaarheid verhogen, ook bijvoorbeeld in de haven van Curaçao, dan helpt dat wel.

Met betrekking tot de integriteit zijn er processen in place, net zoals we die hier hebben, om onderzoek te doen naar integriteit. Waar het gaat om gevoelige functies, is er ook sprake van screening. Denk bijvoorbeeld aan de Kustwacht op de eilanden of aan politiefunctionarissen. Er zijn natuurlijk mechanismes om corruptie waar die gevonden wordt ook te vervolgen en te bestraffen. Daar zijn legio voorbeelden van, ook op de eilanden. Er zijn meerdere politici die daar op dit moment een gevangenisstraf uitzitten. Helaas, zeg ik daarbij. Ik denk dat een teken is dat de eilanden corruptie en integriteit zelf serieus nemen.

Voorzitter. Tot zover, denk ik. Nogmaals: ik kijk uit naar een volgend debat.

De voorzitter:

Dank u wel. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Voorzitter, dank u wel. We hebben even gezocht naar de cijfers die bekend zijn over het onlinegokken op CuraƧao. Daar hebben we geen beeld van; het is aan het autonome land CuraƧao om zelf de kansspeldeelname te monitoren. In Nederland is de monitoringsrapportage van de Ksa vorige week naar de Kamer gestuurd. Het blijkt dat het aantal gokkers stabiliseert. Het gaat om een kleine 800.000 mensen, waarvan het overgrote deel speelt bij legale bedrijven en aanbieders. Graag ga ik er wel nader op in of ga ik er verder met elkaar over in gesprek bij het debat over de kansspelen. Ik denk dat dat een goed moment zou kunnen zijn.

Dank, voorzitter. Dat was het voor mij.

De voorzitter:

Okido. We hebben best een lijst van toezeggingen, dus die gaan we even doornemen. Ik wil nog vragen of de minister namens ons aan de KMar veel sterkte wil wensen, want ik weet dat de impact daar best wel groot was.

  • De minister zegt toe voor de zomer van 2026 schriftelijk terug te komen op de gestelde vragen over drugs en drugsbeleid en op het mandaat van de coƶrdinator tegen mensenhandel.

Ik kijk even of dat voor iedereen zo akkoord is. Ik zie geen bewegingen, dus dan is het goed.

  • De minister zegt toe de planning van wetten zoals genoemd in de beleidsagenda Caribisch Nederland te concretiseren in de eerstvolgende kwartaaloverzichten van wetgeving op het terrein van Justitie en Veiligheid.
  • De staatssecretaris zegt toe te verkennen of mensen met een veroordeling de toegang tot Nederland kan worden ontzegd en de Kamer hierover te informeren.

Wanneer kan dat?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Na de zomer. Dat is natuurlijk een rekbaar begrip. "Na de zomer van 2026" versmalt het al een beetje. Dat zou met het verslag van het JVO mee kunnen.

De voorzitter:

Met het volgende verslag van het JVO. Die brief krijgen we. Prima.

  • De staatssecretaris zegt toe voor de zomer bij de Kamer terug te komen op maatregelen ter bestrijding van de tekorten. Dat is een toezegging aan de heer Mathlouti.

Ik weet alleen even niet om welke tekorten dit gaat.

De heer Mathlouti (D66):

Dat klopt. Ik zie de staatssecretaris knikken.

Staatssecretaris Van Bruggen:

Het was een gezamenlijke toezegging van mij en de minister om hierop terug te komen.

De voorzitter:

Ja, maar even voor ons: de tekorten van wat?

De heer Mathlouti (D66):

De forensische politie.

De voorzitter:

OkƩ, tekorten in de keten; helder. Mevrouw Westerveld vraagt: zouden die tekorten uitgesplitst kunnen worden? Ik denk wel dat dat kan. Klopt dat? Ik zie de bewindspersonen knikken.

  • De staatssecretaris komt in de beleidsreactie op het WODC-onderzoek naar het jeugdstrafrecht ook terug op concrete acties ten aanzien van wetswijzigingen.

Wanneer komt die beleidsreactie? Q3? We doen Q3.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog een toespitsing. De heer Ceder noemde namelijk een paar hele concrete voorbeelden waarvan ik weet dat die in deze commissie al wel eerder zijn genoemd. Die gingen over verschillen. Worden die daarin meegenomen?

Staatssecretaris Van Bruggen:

Dat was ook in relatie tot het WODC-onderzoek dat nu loopt. Ik ben natuurlijk afhankelijk van de oplevering daarvan. Zo snel mogelijk daarna zal ik ook met een reactie hierop komen.

De voorzitter:

Prima. Zoals te doen gebruikelijk is, krijgen we eerst het rapport en dan een beleidsreactie. Volgens mij komt dat goed, beste mensen.

De heer Ceder heeft een tweeminutendebat aangevraagd, dus dat gaan we doorgeleiden naar de Griffie plenair.

Ik kijk even rond. Volgens mij hebben we alles afgehandeld. Dan rest mij de bewindspersonen en hun ondersteuning te bedanken voor hun aanwezigheid. Ik dank de collega's voor hun aanwezigheid, net als alle geĆÆnteresseerden in de zaal en al diegenen die op andere wijze dit debat hebben gevolgd. Onze eigen ondersteuning dank ik natuurlijk ook.

Ik sluit de vergadering.

Sluiting