[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]
Datum 2026-05-21. Laatste update: 2026-05-28 15:36
Thorbeckezaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

Discriminatie, racisme en mensenrechten

Discriminatie, racisme en mensenrechten

Verslag van een commissiedebat

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben op 21 mei 2026 overleg gevoerd met de heer Aartsen, minister van Werk en Participatie, en de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over Discriminatie, racisme en mensenrechten.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,

Kisteman

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Van der Lee

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken,

Honsbeek

Voorzitter: Van Baarle

Griffier: De Keijzer

Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Van Baarle, Bamenga, Beckerman, Tijs van den Brink, Ceder, Clemminck, Flach, Keijzer, Schenk, Tseggai en Verkuijlen,

en de heer Aartsen, minister van Werk en Participatie, en de heer Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Aanvang 13.30 uur.

Discriminatie, racisme en mensenrechten

Aan de orde is de behandeling van:

  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 9 april 2026 inzake reactie op het verzoek van het lid Keijzer, gedaan bij de regeling van werkzaamheden van 17 maart 2026, over het voornemen van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) om een Programmaleider Nationale Aanpak Moslimdiscriminatie aan te stellen (30950, nr. 514);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 27 maart 2026 inzake divers en inclusief bestuur (29614, nr. 188);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 27 maart 2026 inzake onderzoek uitbreiding Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) met eenzijdig overheidshandelen (28481, nr. 25);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 maart 2026 inzake vier rapporten van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme (30950, nr. 512);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 maart 2026 inzake rapport Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) over Nederland (zesde monitoringcyclus) (30950, nr. 511);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 februari 2026 inzake ontwikkelingen rond rapportages onder mensenrechtenverdragen (33826, nr. 57);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 10 februari 2026 inzake stand van zaken discriminatie en racisme 2026 (30950, nr. 510);
  • de brief van de staatssecretaris Participatie en Integratie d.d. 6 februari 2026 inzake resultaten onderzoek haalbaarheid en effectiviteit uitdragen sociale norm (30950, nr. 509);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 12 december 2025 inzake rapport Denkrichtingen ten behoeve van een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 2025-2029 (30950, nr. 504);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 13 november 2025 inzake derde voortgangsbrief discriminatie en racisme 2025 (30950, nr. 503);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 25 oktober 2024 inzake focusgroepenonderzoek Racisme binnen de Rijksoverheid (30950, nr. 424);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 17 oktober 2025 inzake kabinetsreactie op het evaluatierapport van de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (34349, nr. 32);
  • de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 30 september 2025 inzake kabinetsreactie op het advies van het College voor de Rechten van de Mens over opname van de grond "opleidingsniveau" in de Algemene wet gelijke behandeling (28481, nr. 24);
  • de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 26 september 2025 inzake reactie op evaluaties College voor de Rechten van de Mens (25268, nr. 245).

De voorzitter:

Het is klokslag 13.00 uur in de middag, dus dat betekent ... Nee, het is 13.30 uur, sorry. Het betekent dat wij gaan beginnen. Ik maan de collega's tot rust en stilte, zodat wij met het debat kunnen aanvangen. Ik wil de minister van harte verwelkomen bij dit commissiedebat, evenals vanzelfsprekend de mensen op de publieke tribune, de mensen die dit debat online volgen en de geachte afgevaardigden van de fracties die aan dit debat deelnemen. Een mooie afvaardiging.

Aangezien wij een spreektijd hebben van vier minuten ... Nee, zeven minuten, sorry. Ik ben een beetje in de war, maar dat maakt niet uit. We hebben een spreektijd van zeven minuten en daarom stel ik voor dat wij het aantal interrupties met elkaar enigszins gaan beperken, anders komen wij niet voor 23.00 uur deze zaal uit. Na beraad met de griffie zou mijn voorstel zijn dat wij het aantal interrupties beperkten tot vier per termijn. Ik zie dat de afgevaardigden daarmee kunnen instemmen.

Mevrouw Keijzer, ik hoor u buiten de microfoon vragen hoeveel vragen er mogen worden gesteld. Vier losse vragen, mevrouw Keijzer. Dat zou ik in eerste instantie willen voorstellen. Mochten we met elkaar zien dat we zeer efficiënt zijn en dat er nog ruimte is om ietwat coulanter te zijn, dan zullen we dat zeker doen. Maar laten we onszelf matigen, want anders gaat het met die zeven minuten spreektijd echt uit de klauwen lopen. Mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik merk dat het steeds meer "in de mode" wordt om de interrupties of aan het eind van blokjes te doen als het de bewindspersoon betreft, of dat het maar vier vragen mogen zijn. We zijn allemaal kundige debaters. Het is geen enkel probleem om in eerste instantie geen antwoord te geven op een vraag. Als je dan een tweede vraag stelt, ben je al de helft van je interrupties kwijt. Ik heb daar toch wel wat moeite mee.

De voorzitter:

Heeft u een ordevoorstel?

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Mijn voorstel zou zijn: laten we echt korte vragen stellen, maar dat we dan wel de mogelijkheid krijgen om die vier interrupties in tweeën te doen. Dan mag je dus aan vier collega's een vraag stellen en ook één doorvraag per keer. Anders wordt het echt zenden hier, voorzitter, en dat zou jammer zijn.

De voorzitter:

Ik begrijp uw voorstel, mevrouw Keijzer. De voorzitter is, zoals te doen gebruikelijk, als was in uw handen. Als de commissie besluit om af te wijken van wat de voorzitter aan het begin presenteert, dan is dat uw goed recht. Ik geef u wel mee dat het voorstel dat u doet — bij elke interruptie de tijd bijhouden — voor ons ook een administratieve opgave met zich meebrengt. Mijn voorstel zou zijn, na dialoog met de griffie, het advies van de griffie over te nemen en onszelf in eerste instantie gewoon te beperken tot vier vragen per termijn. Maar als u insisteert, mevrouw Keijzer, dan bied ik u de gelegenheid om uw ordevoorstel ter stemming aan de commissie voor te leggen, zoals dat altijd zo mooi mag. Als u dat wenst, mag u het ter stemming voorstellen. Als u dat niet wenst, stel ik voor om aan te vangen met het debat.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dat "was in uw handen" was dan van korte duur, voorzitter. Ik snap het doel om de tijd te beperken, maar vier vragen ... Voorzitter, dat werkt ook niet. Laten we tot een compromis komen. Drie interrupties in tweeën.

De voorzitter:

Drie interrupties in tweeën. Ik kijk naar de commissie of zij daarmee kan leven. Ja, ik zie knikkende afgevaardigden. Dat betekent dat wij dit ordedebat met elkaar kunnen afronden. Wij gaan voor drie interrupties in tweeën. Dat betekent wel het volgende: als er een interruptie gepleegd wordt, zelfs al bestaat die maar uit één vraag, dan vervalt een van de drie interrupties. Laten we dan met elkaar ook wel even scherp zijn.

Dan zou ik graag willen aanvangen met de inbreng van de zijde van de Kamer in eerste termijn. De eerste spreker is de heer Bamenga van de fractie van D66.

De heer Bamenga (D66):

Dank u wel, voorzitter. Wat mij betreft is vandaag de best mogelijke dag om dit debat te voeren: 21 mei is wereldwijd de dag van culturele diversiteit, dialoog en ontwikkeling. Eerlijk gezegd wist ik niet dat deze dag bestond. Meneer Clemminck ook niet en anderen ook niet, zie ik. Maar goed, nu we het wel weten, is het fijn dat wij op deze dag bij elkaar komen om dit debat te voeren.

Voorzitter. Laat ik meteen naar de inhoud gaan. Stel je voor je bent net verhuisd voor je studie. Plotseling staan er twee vreemde mensen voor je deur. Ze zeggen voor de overheid te werken en dat ze je woning willen betreden om een kijkje te nemen. Een voor een zetten ze jouw persoonlijke spullen op de foto, zelfs je ondergoed. Ze stellen geen vragen. Zodra ze klaar zijn, gaan ze weer weg. Je weet niet waarvoor ze zijn gekomen. Dat is wat Sheila meemaakte. Pas jaren later hoorde ze wat er daadwerkelijk speelde: een discriminerend algoritme van de overheid had haar aangemerkt voor een controle. Zo gold dat voor duizenden studenten, veelal in het mbo en met een migratieachtergrond.

Voorzitter. Helaas is discriminatie nog altijd een groot probleem in onze samenleving. De cijfers die de minister heeft gedeeld laten een zorgwekkend beeld zien. 40.000 meldingen van discriminatie in een jaar tijd, en dan hebben we het nog niet eens over de 90% die na discriminatie geen melding doet. Wat mij betreft spreken we hier af dat we alles op alles zetten om bij een volgend commissiedebat het probleem kleiner te maken. Dat is in ieder geval mijn inzet voor Nederland. Ik zie op dit gebied ook ambitie in het regeerakkoord. Ik zou de minister dan ook willen vragen: wanneer hebben we wat hem betreft voldoende vooruitgang geboekt aan het einde van zijn termijn?

Voorzitter. Wat mij betreft is discriminerend handelen van de overheid het grootste probleem dat we nu moeten aanpakken. De overheid heeft een voorbeeldfunctie en zou nooit een bron van discriminatie en racisme moeten zijn. Sheila en andere gedupeerden hebben inmiddels excuses en een schadevergoeding ontvangen. Bovendien is DUO gestopt met dit discriminerende algoritme. Maar de kwetsbaarheid van risicoprofilering zien we ook op andere terreinen in het handelen van de overheid: de toeslagenaffaire, het recente voorbeeld van de reclassering. De opkomst van AI maakt de discussie extra urgent, zo waarschuwen ook wetenschappers in Trouw. Het gevaar is dat we dit soort systemen met algoritmen optuigen en vervolgens vanuit die systemen gaan redeneren. We zien ze als efficiënt en neutraal. Ze worden ingevoerd, misschien wel met de beste bedoelingen, maar we zien keer op keer dat het fout gaat en dat we er maar geen grip op krijgen. Gelukkig is de Nederlandse Grondwet glashelder: discriminatie is verboden.

Bij gevallen van risicoprofilering is dat meermaals achteraf geconcludeerd, maar we kunnen het beter vooraf goed regelen dan achteraf corrigeren als de schade al is geleden. Daarom heb ik de regering eerder via een motie verzocht om een apk voor algoritmen in te stellen om ervoor te zorgen dat algoritmen ten behoeve van fraudeopsporing vooraf, herhaaldelijk en onafhankelijk moeten worden getoetst als voorwaarde voor gebruik. Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?

Verder riep ik in een eerdere motie op om het toetsingskader risicoprofilering bij alle overheidsinstanties toe te passen. Hoe staat het met de uitvoering daarvan? Hoe vaak wordt het toetsingskader nu gebruikt? Ik ben er namelijk niet gerust op en dat gevoel wordt versterkt door een recent onderzoek van de staatscommissie, dat laat zien dat nog steeds onvoldoende duidelijk is wat nou wettelijk toegestaan is met risicoprofilering. Daarom is het een kwestie van tijd voordat het weer misgaat. Ik wil de minister oproepen om actie te ondernemen. Verschillende organisaties hebben suggesties gedaan voor vervolgstappen. De staatscommissie stelt dat de overheid moet stoppen met datagedreven profilering voor fraude- en criminaliteitsopsporing vanwege onaanvaardbare risico's op discriminatie. Hoe staat de minister hierin? Is de minister bereid te stoppen met de toepassing van risicoprofilering zolang hij onrechtmatig gebruik ervan niet gegarandeerd kan uitsluiten? Indien volledig stoppen met datagedreven profilering geen optie is, ziet de minister dan aanleiding om een heldere kaderwet voor risicoprofilering op te stellen als noodzakelijke waarborg vooraf, zoals geopperd door het College voor de Rechten van de Mens? Hoe kijkt de minister naar alternatieven als aselect controleren? Hebben we hier genoeg ervaring mee?

Er zijn ook andere instrumenten die al klaarliggen. Ik lees dat de minister enthousiast is over de discriminatietoets en een projectteam instelt. Toch zet hij liever in op vrijwillig gebruik in plaats van op verplicht gebruik. Wat is er wat hem betreft voor nodig om die stap wel te willen maken? Kan de minister toezeggen dat hij de Kamer jaarlijks informeert over hoeveel instanties de toets niet gebruiken?

Voorzitter. Te lang hebben we weggekeken van institutionele discriminatie. Dat de minister heeft aangekondigd eenzijdig overheidshandelen toe te voegen aan de Algemene wet gelijke behandeling, is een gigantische stap. Daar wachten mensen al sinds 1994 op. Ik wil de minister aanmoedigen: laat zien hoe serieus dit kabinet institutionele discriminatie neemt en maak haast met dit wetsvoorstel.

Voorzitter. De staatscommissie houdt binnenkort op te bestaan. Ik wil haar langs deze weg alvast bedanken voor haar werk. Ze heeft ons een hoop gegeven om mee te werken. Hoe gaat de minister na het wegvallen van de commissie waarborgen dat hij blijvend scherp wordt gehouden op mogelijke institutionele discriminatie?

Voorzitter, tot slot. Ik maak mij zorgen over de toenemende discriminatie in de samenleving zelf. Ik hoor zorgwekkende geluiden vanuit verschillende gemeenschappen. Moslimhaat, homohaat, maar ook antizwart racisme, antisemitisme, anti-Aziatisch racisme, validisme, vreemdelingenhaat, transfobie en antiziganisme zijn wereldwijd en wijdverspreid. Het lijkt keer op keer alleen maar toe te nemen. Instellingen ontvingen een recordaantal meldingen. Daarom is het goed dat de minister aan de slag gaat met de antidiscriminatievoorzieningen. Dat zal het gevoel van onveiligheid echter vaak nog niet wegnemen. Het extreemrechtse geweld van de afgelopen weken laat zien hoe urgent en belangrijk het is om discriminatie en racisme keihard aan te pakken. Ik wil daarom de minister, als hoeder van onze democratie en grondrechten, vragen om hier luid, duidelijk en blijvend te normeren en om dit voortvarend aan te pakken. Er is namelijk geen plek voor racisme en geweld in ons Nederland.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bamenga. Ik zag dat er van de zijde van de Kamer een aantal interrupties zijn. Ik zag dat mevrouw Beckerman als eerste was en ik zag ook mevrouw Tseggai haar hand opsteken. Ik stel voor dat we beginnen met mevrouw Beckerman. Uw vraag.

Mevrouw Beckerman (SP):

Het was een mooi betoog van de heer Bamenga. Hij sprak zijn zorgen uit over wat er de afgelopen weken is gebeurd. Maar dat soort woorden kwamen ook van binnen de Tweede Kamer. We hebben het over Gidi Markuszower, die in deze Tweede Kamer heeft gesproken over "geweld gebruiken tegen vluchtelingen" en die bij een demonstratie het woord "omvolking" gebruikt zou hebben. Wat betekent dat voor D66?

De heer Bamenga (D66):

Volgens mij ben ik glashelder geweest in mijn betoog. Er is geen plek voor geweld. Er is nooit plek voor geweld. Ik vind dat geweld op geen enkele manier zou moeten lonen. Er is geen plek voor haatzaaierij en ook niet voor racisme, ongeacht vanuit welke hoek het komt.

Mevrouw Beckerman (SP):

De achtergrond van deze vraag is natuurlijk dat deze coalitie geen meerderheid heeft. We hebben gezien dat op een kritiek moment, in een debat over de AOW-plannen, vanuit de coalitie juist naar deze partij werd gekeken voor een meerderheid. Wat betekent het als u zegt: er is geen plek voor haat, geweld en racisme? Wat betekenen die woorden voor de vraag met wie u samenwerkt en wie u toegang geeft tot het centrum van de macht?

De voorzitter:

"Wie de heer Bamenga toegang geeft."

Mevrouw Beckerman (SP):

Excuses. Van u weten we het.

De voorzitter:

Inderdaad. Laten we via de voorzitter spreken.

De heer Bamenga (D66):

Het moge duidelijk zijn dat ik hier als Kamerlid natuurlijk ben om ervoor te zorgen dat wij mooie dingen voor elkaar krijgen voor het land. In dit geval, als we het hebben over discriminatie en racisme, wil ik ervoor zorgen dat wij een discriminatievrije samenleving krijgen. Voor iedere partij die daar niet voor staat, geldt dat het wel heel moeilijk wordt om daar structureel mee samen te werken. Dat gaan we met die partijen dus ook niet doen.

De voorzitter:

Mevrouw Beckerman, we hebben drie setjes van twee interrupties afgesproken. Als u doorgaat, betekent dat dus dat u uw tweede setje opgebruikt, ook als u slechts één interruptie plaatst. Ik attendeer u daar alvast op.

Mevrouw Beckerman (SP):

U nodigt mij uit om er vier te doen, geloof ik!

De voorzitter:

Dat doe ik dan weer niet. Tot dusver blijven zowel de vragen als de antwoorden onder de minuut. Als we dus zo doorgaan, denk ik dat we een goede modus hebben. Mevrouw Beckerman heeft het woord.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik vind het antwoord van de heer Bamenga nog niet helder genoeg. Daarom vraag ik erop door. Als je begint met dat dit geen plek moet hebben in de samenleving en als je begint met dat de overheid zelf het goede voorbeeld moet geven, waarom geef je dan als D66 aan dat je alleen geen structurele samenwerking wil? Dit soort woorden doen heel veel in de samenleving. Die geven zuurstof en geven ruimte aan anderen om die woorden over te nemen. Die roepen ook gevoelens van angst op in samenleving. Als je enerzijds zegt dat je geen discriminatie wilt in de samenleving en anderzijds zegt dat de overheid het goede voorbeeld moet geven, waarom zou je dan nog ruimte laten voor een samenwerking, ook al is die dan niet structureel? Welke ruimte laat u?

De heer Bamenga (D66):

Ik wil echt glashelder zijn. Ik bedoel hiermee het volgende. Op het moment ik bij wijze van spreken een motie indien, weet ik niet wie die gaat steunen. Ja, zo is het nu eenmaal. Ik zoek natuurlijk zo breed mogelijke steun. Daar ga je natuurlijk voor. Dat is eigenlijk wat ik daarmee bedoel. "Structureel" betekent bijvoorbeeld dat wat wij in coalitievorm doen. Dat is structureel.

De voorzitter:

Mevrouw Beckerman, wilt u uw laatste interruptie gebruiken van de tweede set?

Mevrouw Beckerman (SP):

Ja, voorzitter, als ik toch al die vierde geteld krijg. Een motie indienen en dan zien welke handen er omhooggaan, is inderdaad geen variant van samenwerking. De heer Bamenga weet ook dat daar niet op gedoeld wordt. Laten we het dan heel concreet maken. Stel we zitten weer in zo'n debat zoals over de AOW een paar weken geleden. Toen is er juist naar deze partij gekeken. Via de voorzitter vraag ik of u dat opnieuw zou doen of dat u zegt: nee, dit is nou echt aanleiding voor mijn partij om dat niet te doen.

De heer Bamenga (D66):

Volgens mij ben ik echt glashelder geweest. Op het moment dat wij hier spreken over een structurele samenwerking, is het maar net hoe mevrouw Beckerman dat zelf wil duiden. Maar op het moment dat ík het over een structurele samenwerking heb, heb ik het over een coalitieverband of misschien een coalitie plus-verband, waaraan duidelijke afspraken ten grondslag liggen. Dat is voor mij structureel. Ik heb echt niet in de hand wie wel of niet meestemt bij een bepaalde motie. Dat mag natuurlijk altijd breed of unaniem zijn. Het zal altijd mijn doel zijn om een zo groot mogelijk deel van de Kamer mee te krijgen bij deze fantastische ideeën, zeker als het gaat om het creëren van een discriminatievrije samenleving.

De voorzitter:

Ik geef trouwens de geachte afgevaardigden nog even in overweging mee dat er hedenavond ook een debat gepland staat en dat dit debat in zijn oorspronkelijke vorm natuurlijk gaat over het antidiscriminatiebeleid, maar u gaat over uw eigen inbreng.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Laten we het dan eens over dat antidiscriminatiebeleid gaan hebben. Ik heb het betoog van de heer Bamenga gehoord. Daar zit geen onversneden woord tussen. Ik ben het er eigenlijk in grote lijnen wel mee eens, maar ik vraag me een beetje af of de heer Bamenga ook ziet dat er in het regeerakkoord toch wel weinig geld gereserveerd is voor de aanpak van racisme en discriminatie, en ook voor het waarmaken van al die ambities die D66 uitspreekt.

De heer Bamenga (D66):

Wat mij betreft mag er zeker meer geld komen voor antidiscriminatiebeleid. Dat is ook de reden waarom ik allerlei amendementen gesteund heb, waaronder de amendementen van de heer Van Baarle, die dat beoogde.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik hoop dat ik dan kan concluderen dat als we dat dit jaar weer voorstellen voor de begroting Binnenlandse Zaken, we dan weer op de steun van D66 mogen rekenen.

De heer Bamenga (D66):

In dit geval had de heer Van Baarle dat heel mooi voorgesteld. Dat heb ik zeker gesteund. Dus als mevrouw Tseggai met een mooi voorstel komt, dan kijken we altijd naar de inhoud. Of misschien kom ik zelf wel met een mooi voorstel; we zullen zien. Het gaat ons zeker om het feit dat wij veel meer gaan doen om discriminatie in dit land aan te pakken. We doen al heel veel. Dat heb ik in mijn bijdrage aangeven. Op institutioneel niveau komen er echt grote veranderingen. Dat heb ik net ook al aangeven. Ik denk dat we daar ontzettend blij mee moeten zijn.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik hoor in de opsomming van de heer Bamenga van alle vormen van discriminatie niet het antipalingdorpgedrag. Ik zou gigantisch beledigd zijn als mij dat zou hebben geraakt. Dat is precies mijn vraag. Komen we niet in een samenleving terecht waarin de vrijheid van meningsuiting compleet verdwijnt als mensen niks meer mogen zeggen of niks meer durven zeggen omdat iemand "discriminatie" begint te roepen?

De heer Bamenga (D66):

Wij hebben gewoon wet- en regelgeving. De vrijheid van meningsuiting is een grondrecht. Het verbod op discriminatie is ook een grondrecht. Allebei gelden dus.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dit weet ik, maar dat was mijn vraag niet. De Grondwet is bedoeld om mensen te beschermen tegen de overheid. Het Wetboek van Strafrecht beschermt mensen ten opzichte van elkaar waar er sprake is van discriminatie. Daar ziet nou precies mijn vraag op. Je mag dingen zeggen die sommige mensen niet fijn vinden om te horen, maar dat wil niet automatisch zeggen dat het strafbare discriminatie of strafbaar racisme is. De vraag aan de heer Bamenga is dus: ziet hij die ruimte of ziet hij die niet? We komen anders echt in een samenleving terecht waarin er een soort bevriezing ontstaat ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting. Onderschrijft hij dat?

De heer Bamenga (D66):

De Grondwet regelt niet alleen maar de relatie tussen overheid en burger, of alleen de bescherming vanuit de overheid. Het gaat ook om welke verplichtingen de overheid heeft richting de burger. U noemde net het strafrecht. Het strafrecht gaat ook niet alleen maar over burgers onderling. Het geeft ook waarborgen voor wat de overheid wel of niet mag doen. Dit ter volledigheid. Als het gaat om de vraag wat mensen wel of niet mogen zeggen, zeg ik dat iedereen gewoon vrijheid van meningsuiting heeft, maar dat die niet onbegrensd is. Dat betekent dat als je geweld predikt, haatzaait of discrimineert, daar de grens ligt.

De voorzitter:

Ik zie dat dit debat is afgerond. Ik kijk even of er nog andere vragen zijn. Ja, van de heer Schenk.

De heer Schenk (FVD):

Het ging even over de vrijheid van meningsuiting. Dat is soms natuurlijk een lastige discussie, want waar houdt die vrijheid van meningsuiting dan op? Nu hoorde ik hier net rechts van mij, maar links op het politieke spectrum, iets over die azc-protesten die we de afgelopen weken gezien hebben. Die werden al heel snel in de hoek van extreemrechts geweld gedrukt. Waar ligt dan de grens? Wanneer is iets dan extreemrechts geweld en wanneer is iets gewoon hele legitieme kritiek op het migratiebeleid van dit kabinet? Mijn fractie merkt in ieder geval dat nu zo ongeveer alles wat gezegd wordt over een azc in de hoek van racisme gedrukt wordt. Dat is een situatie waarin we niet terecht zouden moeten willen komen met z'n allen.

De voorzitter:

Aan het slot van uw termijn noemde u racisme; dat is inderdaad onderwerp van dit debat. Daarvoor was het vooral iets dat betrekking heeft op het debat van hedenavond. Nogmaals doe ik de oproep aan de commissie. Niettemin gaat u over uw eigen inbreng.

De heer Bamenga (D66):

Het gaat natuurlijk om een protest op het moment dat iedereen gebruikmaakt van z'n grondrecht en het demonstratierecht. Dan gaat het over een protest. Maar als er sprake is van geweld, van geweld dat gedreven wordt vanuit extreemrechts, spreek je dus van extreemrechts geweld.

De voorzitter:

De heer Schenk in laatste instantie.

De heer Schenk (FVD):

Maar laten we het er dan wel over eens zijn dat demonstreren, ook tegen de komst van een azc, heel legitiem is, dat het heel goed is dat mensen gebruikmaken van dat recht, en dat het onterecht is om al die mensen die zorgen hebben over de massale immigratie op één hoop te gooien en als extreemrechts aan te merken. Ik hoop dat we het daarover eens zijn.

De heer Bamenga (D66):

Ik denk dat mensen aangeduid worden als extreemrechts op het moment dat er sprake is van extreemrechts geweld. Ik ben het er volledig mee eens dat je dat inderdaad op die manier moet aanduiden als daar sprake van is. Daar waar sprake is van een legitieme demonstratie, ongeacht wat de inhoud daarvan is en of we het daar nou wel of niet mee eens zijn, is er gewoon sprake van een legitieme demonstratie. Ik vind dat die in ieder geval zo goed mogelijk gefaciliteerd moet worden.

De voorzitter:

Dank. Volgende week is er trouwens ook een debat over het demonstratierecht. Dat geef ik de commissie nog ter overweging mee. Ik kijk of er nog verdere interrupties zijn. Ik zie dat dat niet het geval is. Dan gaan de heer Bamenga en ik wisselen van rol. Ik dank de heer Bamenga dat hij deze buitengewoon zware verantwoordelijkheid op zich wil nemen.

De voorzitter:

Oké. Dank u wel. We gaan door naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank. GroenLinks-PvdA maakt zich grote zorgen over de aard en omvang van discriminatie en racisme in Nederland. Afkomst, religie en seksuele gerichtheid, om maar een paar gronden te noemen, blijken te vaak aanleiding voor haat en geweld. In het bedrijfsleven, zoals in de financiële dienstverlening, worden mensen met een niet-westerse achtergrond substantieel vaker getroffen door discriminatoire uitsluiting dan mensen met een westerse achtergrond. Ook overheden maken zich, soms onbedoeld, schuldig aan onaanvaardbaar onderscheid. Bovendien rapporteerde de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme drie weken geleden over de ongelijkwaardige behandeling van inwoners van Caribisch Nederland en noemde dat ook discriminatie. Mensen van de reis, woonwagenbewoners, worden bij het toewijzen van staanplaatsen nog te vaak onderworpen aan een Bibob-onderzoek, zonder dat dit goed onderbouwd is. Dan hebben we ook nog de toename van uiteenlopende vormen van anti-Aziatische stereotypering in de media en in het onderwijs. Een op de drie Aziatische Nederlanders ervaart discriminatie. Dat betrof 15% van de cijfers in de Monitor Discriminatie 2025. Er tekent zich volgens mij een te breed patroon af van normalisering, waardoor de blinde vlek hiervoor in de samenleving alleen maar groter wordt.

In dat licht zou je verwachten dat het nieuwe kabinet, zonder radicaal-rechtse partijen, dit dossier na ruim twee jaar stilstand voortvarend zou oppakken, maar ook dit kabinet kiest weer voor een versnipperde aanpak en versnipperde verantwoordelijkheden. Als wij om die reden als Kamer meerdere bewindspersonen uitnodigen voor dit debat, zoals we ook hebben gedaan, weigert de minister van SZW, verantwoordelijk voor moslimdiscriminatie en arbeidsmarktdiscriminatie, hiernaartoe te komen. Ik vind dat heel problematisch. Bovendien begrijp ik niet waarom het kabinet er in zijn constituerend beraad opnieuw voor heeft gekozen dat vijf departementen en bewindspersonen verantwoordelijk zijn voor de aanpak van discriminatie. Zou de minister deze keuze willen toelichten?

Dit wordt natuurlijk de eerste keer dat we met deze minister spreken over discriminatie en racisme. Ik ben blij dat hij er wel is. Misschien is het goed om hem vooraf om een plaatsbepaling te vragen over de inzet. Zijn voorgangers waren bepaald niet vooruit te branden op discriminatiebestrijding. Hoe ziet minister Heerma deze stilstand? Wat gaat hij anders doen? Ik verwacht een actievere inzet van deze minister en niet meer van hetzelfde, zoals zijn voorgangers in het vorige kabinet.

De ambities in het regeerakkoord zijn goed te noemen, maar zijn wat ons betreft niet hoog genoeg. Er staan een aantal mooie maatregelen in het regeerakkoord, die wij ook zeker zullen steunen. Hiervoor is echter geen geld gereserveerd; ik refereerde er net al aan. Wat hebben we dan aan die mooie woorden in het regeerakkoord? Kan de minister toelichten hoe hij die maatregelen in het regeerakkoord zonder financiële middelen gaat uitvoeren?

Voorzitter. Dan zou ik graag mijn verbazing willen uitspreken over de discriminatietoets. Mijn collega van D66, nu de voorzitter, refereerde daar net ook al aan. Ik was enigszins verbaasd over het bericht van afgelopen week dat de door de staatscommissie geadviseerde discriminatietoets niet bij alle overheidsorganisaties zal worden uitgerold. Er ligt gewoon een Kameruitspraak om dit wel te doen. Wij willen niet dat overheidsbeleid welbewust discrimineert. Dat gebeurt gelukkig ook niet altijd welbewust, maar soms juist per ongeluk. Juist daarvoor is die discriminatietoets zo goed. Denk aan het toeslagenschandaal. Daarna hebben we gezegd: dit nooit meer. Met die discriminatietoets kunnen we dat mogelijk maken. Al ruim 40 overheden hebben zo'n toets uitgevoerd of zitten in dat proces. Dat zegt wel iets over het enthousiasme en het draagvlak om onbedoeld discriminerende werkwijzen aan te pakken. Ik vind het heel jammer dat de minister dit momentum voorbij laat gaan om een echt structurele aanpak van discriminatie vanuit de overheid te faciliteren.

Kan de minister onderbouwen hoe hij tot deze beslissing is gekomen, in de wetenschap dat er een Kameropdracht ligt en dat deze discriminatietoets door een groep experts van de staatscommissie is gemaakt en goed is uitgedacht? Wij vinden aanbevelingen van staatscommissies, nationaal coördinatoren en het College voor de Rechten van de Mens namelijk niet vrijblijvend. Dat zijn functionarissen en adviesorganen met gezag. Hun aanbevelingen zouden niet zomaar terzijde geschoven moeten worden. Wat mij betreft gebeurt dat nu te vaak. Ik vind het echt onbestaanbaar hoelang we in dit land doormodderen zonder een serieuze aanpak van discriminatie en racisme. Er zijn zo veel misstanden en dan wordt zoiets simpels als de discriminatietoets terzijde geschoven. Ik vind dat onbegrijpelijk.

In het regeerakkoord staat nu gelukkig dat de NCDR een wettelijke verankering krijgt. Daar ben ik blij mee. Maar dan moet er ook serieus naar het budget gekeken worden. Hetzelfde geldt voor het College voor de Rechten van de Mens. Het college krijgt extra taken bij de beoordeling vanwege eenzijdig overheidshandelen, maar dan moet er ook welwillendheid zijn om, indien nodig, extra budget toe te voegen als het aantal zaken bij het College voor de Rechten van de Mens de budgetten overstijgt.

Voorzitter. Dan had ik nog vragen over de motie die oproept om Roma, Sinti en woonwagenbewoners te erkennen als nationale minderheid. Die motie is vorig jaar vlak voor het zomerreces aangenomen. Ik vraag me af hoe het met de uitvoering daarvan gaat. Ik vraag me ook af hoe dit zich verhoudt tot de bevindingen van de NCDR van afgelopen week. Zou de minister hierop kunnen reflecteren?

Voorzitter. Discriminatie en racisme zijn niet alleen een schending van waardigheid, maar kosten, plat gezegd, ook gewoon heel veel geld. Denk aan studenten die geweigerd worden op een stageplaats, financiële dienstverleners die mensen als klant weigeren en mensen die thuis komen te zitten door arbeidsmarktdiscriminatie. Het plaatst ambitieuze, kundige mensen op een achterstand en dat kost geld. De Arbeidsinspectie gaat ervan uit dat alleen al arbeidsmarktdiscriminatie 20 miljard euro per jaar kost. Ik zou daarom willen voorstellen om een breed onderzoek te doen naar de maatschappelijke kosten van discriminatie en racisme in zijn geheel, dus alle verschillende discriminatiegronden. Uitgerekend het radicaal-rechtse kabinet in Italië neemt daartoe het initiatief. Ik roep de minister op om dit ook te doen. Ik vraag me af hoe hij daarnaar kijkt. Dan kunnen we namelijk nog beter meten wat de impact van discriminatie is, maar ook van het beleid daartegen.

Tot slot. Ik zou graag snel een voortzetting zien van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme. Dat is uit het regeerakkoord gehaald, maar de aangenomen motie-Van Baarle roept daartoe op. Ik zou vooral graag willen weten wat de ambities zijn en binnen welk tijdpad wij die kunnen verwachten van de minister. Ik hoor graag hoe hij de versnipperde verantwoordelijkheden bij elkaar gaat brengen. Ik zou ook graag willen weten hoe hierin aandacht wordt besteed aan discriminatie van specifieke groepen, zoals anti-Aziatisch racisme, moslimdiscriminatie en antizwart racisme.

Voorzitter, ik rond af. Discriminatie is een veelkoppig monster en dat is ook echt niet altijd in beleid en regels te vatten, maar we moeten in Den Haag echt beter ons best doen om systemen en regelgeving zodanig vorm te geven dat het zo min mogelijk voorkomt.

De voorzitter:

Komt u tot een afronding?

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dit is mijn laatste zin. De denkrichtingen liggen er, maar met denkrichtingen alleen zorgen we er niet voor dat discriminatie verdwijnt. Dus niet denken, maar doen, zou ik tegen deze minister willen zeggen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie een interruptie van mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Die gaat over dat eenzijdig overheidshandelen. Als ik het goed begrijp, gaat daar weer een heel gebeuren voor worden opgetuigd, met bijbehorende instituties en ambtenaren, terwijl je tegen eenzijdig overheidshandelen al bezwaar kunt indienen. Schiet dit niet een beetje door?

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Er wordt niet iets heel nieuws opgetuigd. Mensen kunnen gewoon met hun klacht over eenzijdig overheidshandelen terecht bij het College voor de Rechten van de Mens. Dat bestaat al heel lang.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Maar wat gaat er dan weer allemaal extra komen, waardoor meneer Bamenga en u erover spraken, terwijl er dus al mogelijkheden voor zijn? We hebben het constant over de gigantisch grote overheid, het aantal ambtenaren die daarvoor nodig zijn en dat we daar wat aan willen doen. Elke keer weet de meerderheid van de politiek daar weer iets aan toe te voegen. Is dit nou echt nodig bovenop alles wat er al is?

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ten eerste heb ik het eigenlijk nog nooit gehad over een hele grote overheid of dat er te veel ambtenaren zouden zijn. Ten tweede heb ik nu ook niet voorgesteld om extra ambtenaren toe te voegen. Ik heb gevraagd of het College voor de Rechten van de Mens genoeg budget kan krijgen om zaken die mensen daar aanmelden, wat hun goed recht is, te kunnen behandelen. Dat is wat ik heb gevraagd.

De voorzitter:

Oké. Ik kijk even rond of er nog meer interrupties zijn. Die zijn er niet. Dan ga ik naar de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter, ik heb een kort ordevoorstel. Over zes minuten moet er gestemd worden, en ik moet stemmen. Volgens mij geldt dat voor een aantal anderen hier ook. Ik stel voor dat ik iemand even voor laat gaan, dan even stem, en daarna weer terugkom en de draad weer oppak. Volgens mij moet mevrouw Keijzer ook over drie minuten weg.

De voorzitter:

Ik kijk even rond. Zijn daar bezwaren tegen? Nee. Dan gaan we door met collega Flach.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, dank u wel. De situatie is ongekend: er gaat een vloedgolf door onze samenleving die niet te stoppen is. Nederland zit midden in een discriminatiedrama van ongekende omvang. Laat eens op u inwerken wie er in ons land allemaal gediscrimineerd worden. Kinderen worden gediscrimineerd volgens de Kinderombudsman. Volgens de Aziatische gemeenschap is er een blinde vlek voor anti-Aziatisch racisme. Turken en Marokkanen voelen zich gediscrimineerd door het gebruik van criminaliteitscijfers. Mbo'ers worden gediscrimineerd in studentencafés volgens het College voor de Rechten van de Mens. Minderheden worden volgens de FNV gediscrimineerd op de werkvloer. Vrouwen worden gediscrimineerd als hun aanwezigheid in de top van beursgenoteerde ondernemingen minder dan de helft is. Moslims leiden volgens DENK onder discriminerende islamofobie. Trans vrouwen beroepen zich op discriminatie als ze niet aan vrouwensporten mogen deelnemen. Niet onbelangrijk: vijftigplussers — daar hoor ik sinds kort ook bij — ervaren discriminatie als ze solliciteren voor een baan. Dit is nog maar het begin van het lijstje.

Voorzitter. Wie voelt zich inmiddels niet gediscrimineerd in ons land? De SGP zegt niet dat discriminatie niet bestaat. Toch stel ik bewust de vraag wat het zegt over de manier waarop wij een samenleving zijn als we overal bronnen van discriminatie in willen zien. Ik vermoed dat de Nederlandse samenleving als patiënt in de spreekkamer van een therapeut te horen zou krijgen dat er sprake is van een obsessief-compulsieve discriminatiestoornis. Die vraagt om behandeling, nietwaar, minister? Wat blijft er immers nog van discriminatie over als iedereen zich gediscrimineerd voelt? Leidt deze inflatie er niet onvermijdelijk toe dat de zwaarste problemen, zoals geweld tegen de Joodse gemeenschap, meer relatief gemaakt worden? Ik hoor graag een reflectie van de minister hierop.

Voorzitter. De SGP vraagt aandacht voor het risico van sluipende juridisering die onze samenleving aantast. Ik noem twee actuele voorbeelden. Wat we altijd het pesten van kinderen noemden, was een moreel kwaad, dat door burgers onderling bestreden moest worden. Natuurlijk had pesten altijd al te maken met bepaalde kenmerken — juist daarom is het zo venijnig — maar door inbreng van de Kinderombudsman wordt het nu een discriminatievraagstuk. Is dat wenselijk?

Als tweede actuele voorbeeld ... Ik zal even stoppen hier, vanwege de bel.

De voorzitter:

We houden even rekening met de bel.

De heer Flach (SGP):

Ja.

De voorzitter:

Oké. U kunt uw bijdrage nu vervolgen. Even aandacht voor de heer Flach, graag.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Ik vervolg mijn betoog. Als tweede actuele voorbeeld noem ik de apotheker die als beleid heeft om alle middelen te verstrekken die genezen en verzachten, maar geen middelen te verstrekken die het leven afbreken. Jarenlang was dat geen probleem, maar door een opiniestukje van een dolle mina in de krant is er nu de verdenking van discriminatie. Minister, is dit de richting die we op moeten?

Voorzitter. De SGP vindt dat de overheid geen discriminatiecultus mag voeden, maar dat het eerder tijd is om te gaan afremmen. Er is al een indrukwekkende lijst aan agenda's, sessies, loketten, voorzieningen, actieplannen en wetgeving. Daar moet eerder iets van afgaan dan iets bij komen. Laat het kabinet dus geen tijd steken in nóg een rijksbrede en overkoepelende aanpak van discriminatie. Ik vraag de minister: doen we er echt verstandig aan om een klachtenoptie over eenzijdig overheidshandelen in de Algemene wet gelijke behandeling te zetten? Dit vraagt om nog meer inzet van mensen en middelen, zo blijkt uit de stukken. De toch al kreunende overheid kan hierdoor nog verder in de verdachtenbank terechtkomen.

Voorzitter. De SGP verwondert zich ook over de aandacht die islamofobie in korte tijd heeft verworven. In een slechte bui zou je bijna denken dat de Moslimbroederschap al behoorlijk aan het oogsten is binnen onze instituties. De SGP vraagt het kabinet om hier echt kritischer mee om te gaan. Hoe is het mogelijk dat de Internationale dag tegen islamofobie nu al als een soort natuurverschijnsel in een beslisnota van ambtenaren staat, terwijl deze dag pas in 2022 op dubieuze wijze door de VN is verzonnen? Het is ronduit discriminerend dat de VN in de betreffende resolutie wel andere vormen van discriminatie onderkent, zoals antisemitisme en christianofobie, maar vervolgens alleen een internationale dag tegen islamofobie uitroept. Tekent Nederland daar bezwaar tegen aan, minister? Houden we ons hier verre van?

In diezelfde lijn vindt de SGP …

De voorzitter:

U heeft een interruptie van de heer Van Baarle.

De heer Van Baarle (DENK):

Waar ik bij politieke partijen zoals de SGP een beetje klaar mee ben, is die constante dubbele maat. Het is terecht dat er een plan is tegen antisemitisme. Het is ook terecht dat de SGP en andere politieke partijen — wij doen dat ook — bezwaar maken tegen antisemitisme en de overheid oproepen om daar wat aan te doen. Maar als er tegelijkertijd een plan wordt gevraagd tegen moslimhaat, dan zegt de SGP: dat moeten we niet doen. De SGP vraagt om geld voor de beveiliging van synagogen, maar als er dan tegelijkertijd gevraagd wordt om geld voor de beveiliging van moskeeën die te maken hebben met incidenten — er was afgelopen week nog een haatincident bij een moskee — dan zegt de SGP nee. Ik snap niet waarom de SGP elke keer weer shopt in discriminatievormen. De SGP wil terecht antisemitisme bestrijden en terecht de vervolging en uitsluiting van christenen bestrijden, maar als het gaat om het beschermen van moslims in de samenleving, wordt dat weggewuifd, wordt er niet thuis gegeven en wil de SGP niets doen. Waarom?

De heer Flach (SGP):

Het antwoord op die vraag is eigenlijk heel eenvoudig. Vanmorgen is er in Nederland één school gesloten vanwege een dreiging, en dat is een joodse school. Dat is niet voor niks: dat is de groep die het zwaarst onder druk staat in ons land. Die groep wordt enorm bedreigd. Daarom hebben wij antisemitisme ook als apart misdrijf in onze wet staan. Mensen die proberen om islamofobie op één lijn te zetten of gelijk te stellen aan antisemitisme, minachten daarmee de geschiedenis en verdraaien de werkelijkheid in het heden.

Ik ontken helemaal niet dat er ook weleens een aanval op een moskee zal zijn. Die zijn er ook op kerken; als je zoekt op "vernielingen of bekladdingen van kerken" kom je hele lange rijen tegen. Toch vraag ik hier niet om een speciale aanpak tegen christenhaat. Antisemitisme is een dermate ingrijpend, historisch geworteld kwaad, dat het een aparte plek in onze wet heeft gekregen. Daarom is dit geen dubbele maat. Sterker nog, ik vind het een dubbele maat zoals er nu met dit onderwerp wordt omgegaan, met die internationale dag.

De heer Van Baarle (DENK):

Als we beginnen over kennis van de geschiedenis en hoe wegkijken van de retoriek over en discriminatie van groepen een verschrikkelijke uitwerking kan hebben, dan zou ik tegen de heer Flach willen zeggen: misschien kent u de geschiedenis wel niet goed genoeg. We zien namelijk dat er elk jaar tientallen incidenten rond moskeeën gemeld worden. Denk aan het plaatsen van varkenskoppen, of islamitische scholen die vernielingen melden en aangegeven aangevallen te zijn. Denk aan moslima's die aangeven op straat beschimpt te worden, maar ook fysiek te maken krijgen met aanvallen vanwege het feit dat zij een hoofddoek dragen. Dan kan ik er echt met mijn hoofd niet bij dat de SGP niet alleen spreekwoordelijk, maar ook in de praktijk terecht heel barmhartig is als het gaat om het bestrijden van antisemitisme … Ik vind ook dat dat moet gebeuren; het feit dat die school dicht moet, vind ik schandalig. Maar ik blijf erbij dat het ook een schandaal is dat dezelfde voortvarendheid niet te zien is bij de SGP als het gaat om het bestrijden van moslimhaat. Sterker nog, dan wordt het onder de tafel geveegd …

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Van Baarle (DENK):

… en afgedaan als een soort klaagzang. Waarom is er die dubbele maat?

De heer Flach (SGP):

Ik begrijp niet zo goed waarom collega Van Baarle zo op zoek is naar dat slachtofferschap. Laat het volgende helder zijn: de voorbeelden die hij noemt — die lees ik ook in de krant of elders — zijn verwerpelijk. Je hoort niemand te bedreigen en aan te vallen, maar daar hebben we in Nederland gewoon al algemene wetgeving voor. Ik betoog dat ik geen enkele aanleiding zie om in dit geval moslims als aparte groep een plek in de wet te geven omdat ze apart of meer geweld moeten ondergaan. Ik zet daartegenover dat kerken ook belaagd worden en dat christenen ook niet vragen om die plek hier in Nederland. Er is wel een aparte groep die beschermd moet worden, vanuit lange, historische en verdorven wortels; ik heb het over antisemitisme. Joden hebben in ons land nauwelijks nog een plek. Het is een hele kleine groep. Ik zeg het nog maar een keer: er is maar één basisschool in Nederland met hekken eromheen van gekarteld metaal, met vijf mensen voor de poort, die vandaag niet open kon gaan vanwege extreme dreiging. Daarom is het goed dat dat geworteld is in onze wet. Maar onze wet is robuust genoeg om al die voorbeelden die u noemt, aan te pakken, net als alle andere voorbeelden van verwerpelijk geweld en belaging.

De voorzitter:

Dank u wel. Laten we de vragen beknopt houden. Ik zie verder geen interrupties. Dan vervolgt u uw betoog.

De heer Flach (SGP):

Prima, voorzitter.

In dezelfde lijn vindt de SGP het problematisch dat de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme alleen een programmaleider moslimdiscriminatie heeft benoemd. Is het niet vreemd dat juist deze instantie zich zo eenzijdig opwerpt voor een bepaalde groep? Het kabinet kan zich niet volledig verschuilen achter de inrichtingsvrijheid van de Nationaal Coördinator. Als het kabinet een nationale coördinator aanstelt, dan is de evenwichtige uitstraling van die coördinator toch nog altijd een zaak van het kabinet?

De SGP vindt het gebruik van de term "islamofobie" ronduit misleidend. Uiteraard is vrees voor moslims bij mensen onderling niet wenselijk, maar daarmee mag terechte vrees voor de islam als godsdienst niet op voorhand verdacht worden gemaakt. Weerstand tegen de islam is niet vreemd, als we letten op de vreselijke dingen die wereldwijd gebeuren. Denk aan de jihadistische dreiging waarover onze diensten rapporteren en de subtiele invloed van organisaties zoals de Moslimbroederschap. Erkent de minister voluit het recht om kritiek te hebben op de islam? Houdt het kabinet dan in ieder geval afstand van de term "islamofobie"?

Voorzitter. De SGP wil zich verre houden van een krampachtige hang naar slachtofferschap. Daarom vindt de SGP tot op heden dat we in een nationale aanpak van discriminatie alleen bijzondere aandacht moeten hebben voor antisemitisme, en dus niet voor christenen, moslims en andere groepen. De geschiedenis roept ons op tot een bijzondere zorg voor de Joodse gemeenschap. Als er al moslimhaat is, dan is die niet veel anders dan haat tegen christenen. Als moslims concrete problemen hebben, bestaan er in ons land veel voorzieningen waar vervolgde christenen in islamitische landen alleen maar van kunnen dromen.

Inmiddels zijn we echter op een historisch dieptepunt beland. Aan de lijst van discriminatievormen zouden we een nieuwe vorm kunnen toevoegen, namelijk: natiediscriminatie. Dat is natie met een t. Er lijkt nog maar één groep over die bij bescherming tegen discriminatie buiten de boot valt. Dan heb ik het over de christelijke cultuur en traditie van ons land en continent. De Raad van Europa waarschuwde in 2015 al dat de tolerantie voor christenen in de EU afnam. Rapporten in de EU laten de afgelopen jaren een zorgwekkende trend van incidenten tegen christenen zien. In januari van dit jaar betreurde het Europees Parlement in een resolutie dat er wel een Europees coördinator tegen islamofobie is, maar geen coördinator tegen christenfobie, terwijl het christendom de meest vervolgde godsdienst ter wereld is. Hoe kijkt de minister hiernaar? Hoe wil hij onze eigen cultuur en tradities en onze oudste nationale vrijheden van geweten en godsdienst beter beschermen en uitdragen?

Voorzitter, tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie dat mevrouw Tseggai een interruptie heeft.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik was eigenlijk niet van plan om te interrumperen op het betoog van de heer Flach, maar hij sprak zichzelf wel echt gigantisch tegen met die laatste vraag. De heer Flach zei: "Ik vind niet dat moslims een aparte aanpak verdienen. Christenen vragen daar ook niet om. Dat hoeft allemaal niet; dat is nooit erger dan het voor christenen is, dus het is niet nodig." Maar wat wil hij dan nu van de minister, gelet op die laatste vraag?

De heer Flach (SGP):

Ik spreek mezelf niet tegen. Ik heb het volgende gezegd: als er aanvallen plaatsvinden op christelijke gebouwen zoals kerken, dan zijn er voldoende aanknopingspunten in onze wet om dat stevig aan te pakken. Dat is wat ik betoogd heb. Ik pleit er dus niet voor om een aparte aanpak te hanteren. Sterker nog, dat idee heb ik juist ontkracht. Ik lees alleen wel voor dat het Europees Parlement daar een resolutie over heeft aangenomen en aangeeft dat we, binnen een cultuur die al eeuwenlang christelijk geworteld is, eigenlijk nog maar één groep hebben die niet in die lange lijst met "zich gediscrimineerd voelende groepen" staat: de christenen. Dat is wat ik hier op heb gesomd. Dat past uitstekend in mijn betoog.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

De heer Flach heeft het steeds over "je gediscrimineerd voelen". Maar "je gediscrimineerd voelen" is iets anders dan daadwerkelijk gediscrimineerd worden. Ik snap dat de SGP zich zo inzet voor de Joodse gemeenschap en de aanpak van antisemitisme. Dat vind ik echt heel terecht. Maar naast antisemitisme is na 7 oktober ook moslimhaat in Nederland schrikbarend toegenomen. Er is een aparte coördinator voor antisemitisme — terecht! — en de Nationaal Coördinator zegt nu: laten we een apart programma maken voor moslimdiscriminatie. Ik begrijp met alle wil van de wereld niet waarom je als christelijke partij het geloofsbroeders en -zusters van een ander geloof niet gunt om hun religieuze vrijheid in Nederland ook beschermd te zien, ongeacht of dat nu Joden, moslims of hindoes zijn. Ik vind dat hypocriet. Als iemand met eveneens een christelijke achtergrond — dat zeg ik er even bij — heb ik daar heel grote moeite mee.

De heer Flach (SGP):

Hier gebeurt iets wat ik niet gezegd heb. Hier worden mijn woorden verdraaid. Ik zeg niet dat mensen die islamitisch zijn, niet beschermd hoeven te worden of niet hun geloof kunnen uitdragen. Sterker nog, daar voorziet de Nederlandse wetgeving al in. Onze Grondwet regelt dat. Die rechten zijn er al volop. In onze ogen is het volstrekt niet aan de orde dat er een aparte aanpak van moslimhaat zou moeten komen, omdat onze wet daar al voldoende bescherming voor biedt. Er is gewoon niet aangetoond dat dit een groep is die extra bescherming nodig heeft. Ik bestrijd dat ook. Ik zet daar tegenover dat ook christenen daar niet om vragen. Mijn woorden worden op deze manier wel echt verdraaid. Onze wet is voldoende robuust om iedereen in Nederland de vrijheid te geven om dat geloof te belijden. Er is maar één groep die wat ons betreft een aparte status moet hebben. Vanuit de lange historische lijnen van antisemitisme is dat de Joodse gemeenschap. Dat is volgens mij heel terecht.

De voorzitter:

Dank. Dan ga ik nu naar de heer Van Baarle voor zijn bijdrage.

De heer Van Baarle (DENK):

Dank u wel, voorzitter. Ik zou graag willen beginnen met het onderwerp moslimhaat. Na de donkere periode van het afgelopen kabinet-Wilders, na al die rapporten, cijfers en waarschuwingen, zou je verwachten dat deze Kamer, maar ook de Nederlandse regering, eindelijk zou opstaan tegen moslimhaat, maar wat zien we in de praktijk? We zien een Tweede Kamer die elke keer weer debatten blokkeert die worden aangevraagd over bedreiging, over bekladding van een moskee of over intimidatie. We zien een Tweede Kamer die wegkijkt wanneer vrouwen met een hoofddoek geen eerlijke kans krijgen op de arbeidsmarkt. We zien een Tweede Kamer die stil blijft wanneer blijkt dat er jaar na jaar steeds meer moslims te maken krijgen met discriminatie en wanneer onderzoek na onderzoek blootlegt wat moslims al jaren ervaren in ons land, namelijk dat niet de daders worden aangepakt, maar dat de onderzoeken worden aangevallen en dat de positie van moslims in de samenleving steeds meer onder druk komt te staan.

Voorzitter. Als het gaat om antisemitisme, dan weet deze Kamer gelukkig terecht wel hoe urgentie eruitziet. Dan staat deze Kamer gelukkig terecht wel op. Dan is er een eigen aanpak, een eigen strategie. Dan is er regie, dan is er geld en politieke daadkracht. Terecht, want antisemitisme is een gif en moet keihard worden bestreden. Maar DENK kan er dan echt niet bij waarom diezelfde urgentie niet gezien wordt wanneer moslims in onze samenleving te maken krijgen met bedreigingen. Waarom wordt er bij antisemitisme, terecht, wel gezegd "hier mogen we nooit voor wegkijken!", maar wordt er bij moslimhaat structureel door deze Kamer weggekeken omdat elk debat door deze Kamer wordt weggestemd? Waarom krijgt de ene vorm van haat, terecht, een eigen coördinator, een eigen gerichte aanpak, terwijl moslimhaat elke keer weer blijft hangen in de vrijblijvendheden van gesprekken, adviezen en elke keer weer uitstelberichten? Waarom krijgen synagogen, terecht, wel budget voor hun beveiliging, maar krijgen moskeeën dat niet, terwijl die ook te maken hebben met bedreigingen en intimidaties? Waarom is er wel, terecht, een plan tegen antisemitisme bij de overheid, maar is dat plan er voor de bestrijding van moslimhaat niet? Daar is een begrip voor: dubbele maat. Ik vraag aan de minister: vanwaar deze dubbele maat?

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Het bleek al een beetje uit de interruptie van zojuist. Wat de heer Van Baarle hier doet, is heel erg kwalijk. Het fenomeen van antisemitisme is een wereldwijd verbreid probleem dat al lang bestaat, al millennialang, en iets wat op ons continent nog een extra verdieping heeft gekregen door de Holocaust, waarin 6 miljoen Joden zijn uitgemoord voor het enkele feit dat zij Joods waren. Er is geen enkele andere groep waarvoor daarvan sprake is. Daarom is er niet voor niks in onze wet een aparte aantekening gemaakt voor antisemitisme als apart misdrijf. Voor alle andere groepen verwerpen wij net zo goed geweld, uitsluiting en haat; laat dat helder zijn en laat daar geen misverstand over bestaan. Maar door nu te proberen om de moslimpopulatie in Nederland op gelijke voet te zetten met de Joodse gemeenschap, minacht de heer Van Baarle hier echt de geschiedenis en verdraait hij de feiten in het heden. Ik zou hem echt willen vragen: doet u dat nu bewust of ziet u het verschil echt niet?

De heer Van Baarle (DENK):

Ik denk dat als iemand de geschiedenis minacht, dat de heer Flach is. De laatste genocide in Europa was in Srebrenica: de afslachting van moslims. Weet de heer Flach dat? En moslimhaat, alsof dat ook niet een fenomeen zou zijn dat al ontzettend lang, decennialang bestaat. Sterker nog, hier in dit huis verdienen politici er al decennialang hun brood mee om de moslimhaat in de samenleving aan te wakkeren. Wat ik kwalijk vind, is dat de heer Flach het erover heeft dat vormen van haat bestreden moeten worden, maar dat hij dat niet doet. U bestrijdt moslimhaat niet, terwijl het voor uw ogen gebeurt; terwijl voor onze ogen moskeeën te maken krijgen met die intimidaties en bedreigingen. Bij aanvallen op islamitische scholen zegt de SGP elke keer weer: daar gaan we niks aan doen; er komt geen budget voor, er komt geen plan voor. Dat is kwalijk. Dat is niks begrepen hebben van de geschiedenis. Dat is wegkijken. Ik vind dat de heer Flach zich daarvoor dient te schamen.

De heer Flach (SGP):

Srebrenica op één lijn met de Holocaust zetten ... Ik laat dat maar even buiten beschouwing; daar mag eenieder zelf over oordelen. Maar wat dan werd gezegd, is gewoon apert onwaar. We hebben een wet waarin iedereen beschermd is tegen deze uitwassen. Het zou pas kwalijk zijn als ik zou zeggen dat een bepaalde groep daarvan zou moeten worden uitgezonderd. Nee, daar valt iederéén onder. Maar wat de heer Van Baarle hier doet, gaat verder: hij wil een groep verbijzonderen en boven die wet uittillen, die kennelijk niet voldoende is voor de bescherming van moslims, en een aparte aanpak, een aparte strafbaarheid, een aparte coördinator en alles wat daarmee samenhangt plakken op een groep die in mijn ogen gewoon onderdeel is van de Nederlandse samenleving en dus ook op diezelfde manier beschermd wordt. Door dit op één lijn te willen zetten met antisemitisme, draagt de heer Van Baarle bij aan het vervlakken van het begrip "antisemitisme", dat in Nederland onder grote druk staat. De heer Van Baarle weet net zo goed als ik dat 25% van de Nederlanders inmiddels geen moeite meer heeft met antisemitisme, en dat dat alleen maar toeneemt. En daar draagt hij met dit soort uitspraken aan bij. Ik neem dat de heer Van Baarle zeer kwalijk.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik vervlak helemaal niet de discussie over antisemitisme. Integendeel, mijn partij doet altijd voorstellen om de inspanningen om discriminatie te bestrijden, waaronder antisemitisme, te vergroten. Ik vind dat een gif, ik vind dat verwerpelijk en ik laat me dit ook niet in de schoenen schuiven. Ik heb ook niet de Holocaust een-op-een gelijkgesteld aan de genocide in Srebrenica. Ik heb de heer Flach er wel op gewezen dat hij zijn geschiedenis niet kent. De laatste genocide op het Europese continent was een genocide op moslims, in Srebrenica.

En inderdaad, de wet dient iedereen te beschermen. Dat staat op papier. In de praktijk zien we dat die wettelijke bescherming in het bijzonder voor Nederlandse moslims niet van de grond komt, omdat moskeeën aan de lopende band te maken krijgen met dreigbrieven, met intimidaties en haatacties, omdat er verschrikkelijke leuzen geroepen worden, omdat we op basis van enquêteresultaten zien dat een ontzettend groot deel van de Nederlandse bevolking nog steeds aangeeft dat het moeite heeft met bijvoorbeeld een moslim krijgen als buurman. We zien dat dames met een hoofddoek structureel afgewezen worden op de arbeidsmarkt als ze solliciteren. Daar moet wat aan gebeuren. Als de SGP dan elke keer weer zegt "Dat doen we niet. Daar willen we niks aan doen.", en dat in het geval van antisemitisme, terecht, wel, dan is daar maar één woord voor. Het zijn twee woorden: "dubbele maat".

De voorzitter:

Ik wil nog even opmerken dat de vragen echt langer dan een minuut duren. Dat is echt te lang, dus graag korter met de vragen en, als het kan, ook de antwoorden wat korter. De heer Flach, nogmaals.

De heer Flach (SGP):

Ja, voorzitter. Ik weet niet of de heer Van Baarle het niet wil begrijpen of het echt niet begrijpt. Ik zeg niet dat daar niks aan moet gebeuren. Antidiscriminatie ligt al vast in onze wet. Onze Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling bieden voldoende aanknopingspunten daarvoor. Ik bestrijd alleen het betoog van de heer Van Baarle dat hij één groep in de Nederlandse samenleving boven alle andere groepen uit wil tillen en die nog eens een aparte behandeling wil geven, omdat dat probleem kennelijk onbeheersbaar is en groter dan voor andere groepen. Dat slachtofferschap stel ik aan de kaak. Ik werp dus verre van me dat ik daar niks aan zou willen doen, maar het verbijzonderen van één specifieke groep naast die ene groep die ik net heb genoemd, vind ik niet passend.

De heer Van Baarle (DENK):

Ja, kijk, dáár maak ik dus bezwaar tegen. Precies dit. De heer Flach zegt: alleen voor één groep in de samenleving mag een plan tegen discriminatie gemaakt worden; alleen voor één groep in de samenleving mag aandacht zijn voor de beveiliging van religieuze gebedshuizen, en voor andere groepen niet. Ik vind het terecht dat er aandacht is voor de bestrijding van discriminatie, maar als de heer Flach zegt dat hij niet zegt dat er niks moet gebeuren, waarom stemt hij dan consequent tegen extra geld voor het bestrijden van discriminatie? Als hij zegt dat het niet zo is dat er niks moet gebeuren, waarom stemt hij dan consequent tegen debatten om het te hebben over de beveiliging van gebedshuizen? Als de heer Flach zegt dat hij niet vindt dat er niets moet gebeuren, waarom stemt hij dan consequent tegen bijvoorbeeld borgen dat er een nationaal plan is en ook dat er een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie is? Het zijn allemaal lege woorden. De heer Flach bewijst lippendienst, maar wuift het hele probleem aan de andere kant weg, en hij doet dat ook nog eens op een manier waarbij slechts één groep in de Nederlandse samenleving op de hulp van de Nederlandse overheid kan rekenen. Heel erg kwalijk.

De heer Flach (SGP):

Ik zou bijna willen zeggen: hoever kan framing gaan? Ik heb het nu drie keer uitgelegd: iedereen in Nederland valt onder de bescherming van de Nederlandse wet en Grondwet. We hebben alleen met z'n allen vanuit historisch perspectief één groep bijzondere aandacht gegeven, omdat dat kwaad zó wijdverbreid om zich heen heeft gegrepen op het Europese vasteland dat we dat ook hebben moeten doen. Nou goed, waarom ik tegen die moties stemde — laat dat helder zijn — is dit. Ik heb aan het begin van mijn betoog gezegd dat discriminatie om zich heen grijpt als een gulzig monster, en dat steeds grotere groepen mensen zeggen zich gediscrimineerd te voelen. En ook: waar is het incasseringsvermogen? Wanneer zie je iets ook eens als normaal pesten? Ik bedoel, wat ik in mijn jeugd heb meegemaakt, zou je misschien onder de huidige maatstaven "discriminatie" noemen, maar ik noem het gewoon "pesten". Met andere woorden, ik heb ook een betoog gehouden om discriminatie en de aanpak ervan te normaliseren en dus om niet alles "discriminatie" te noemen, want op het moment dat je dat doet, is niets meer discriminatie.

De heer Van Baarle (DENK):

De heer Flach zegt: iedereen is gelijk voor de wet. Maar dat is niet wat de SGP zegt. De SGP zegt: iedereen is gelijk voor de wet, behalve moslims. Dat is wat de SGP zegt. In een afgelopen debat heeft de SGP zelfs gepleit om islamitische vluchtelingen die naar Nederland komen, af te wijzen, omdat de SGP liever christenen opvangt dan moslims. Dat is gewoon discriminatie. De SGP heeft zelfs een anti-islammanifest gepubliceerd, waarin alle religieuze vormen van vrijheid die in ons land zijn geregeld, uitgezonderd worden voor moslims, omdat de SGP een strijd wil voeren tegen de aanwezigheid van de islam in Nederland. De SGP is helemaal niet voor gelijke rechten. De SGP is voor gelijke rechten, behalve voor moslims. Ik zou ook zeggen: behalve voor vrouwen, gezien de treurige historie binnen uw partij, waarin vrouwen voor een hele lange tijd niet eens een openbare rol konden vervullen of volksvertegenwoordiger konden zijn. Ik vind dat een bloody shame. De heer Flach zou de woorden "gelijke behandeling" niet eens in de mond mogen nemen.

De heer Flach (SGP):

De heer Van Baarle begint nu zijn toevlucht te nemen tot een soort jij-bakken. Dat mag natuurlijk. Ik wil proberen het debat op de inhoud te houden. Ik vind dat er in Nederland ook kritiek mag zijn op godsdiensten. Weet de heer Van Baarle hoe er in satirische programma's de draak wordt gestoken met het christendom en wat voor grappen er gemaakt worden die gewoon godslasterlijk en discriminerend zijn? Daarover hoor of zie je nooit een gewelddadige uiting of bedreiging vanuit de christelijke hoek. Weet de heer Van Baarle bijvoorbeeld ook dat de onder ons bekende Arjen Lubach geen grappen durft te maken over de islam? Ik heb daarom in mijn betoog gepleit: laat er ruimte blijven voor kritiek op een godsdienst, omdat het valt onder de vrijheid van meningsuiting. Dat is echt iets anders dan dat je de mensen die die godsdienst aanhangen, discrimineert. Ik maak nadrukkelijk onderscheid tussen aan de ene kant de godsdienst en de ideologie die daarmee samenhangt, en aan de andere kant de mensen die die belijden.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Flach (SGP):

Ik mag toch hopen dat dat duidelijk is en dat de heer Van Baarle zijn zware aantijgingen in mijn richting zou willen afzwakken.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik ga helemaal niks afzwakken. In een vrije samenleving moet er altijd ruimte zijn voor kritiek en gesprekken over religie, welke religie dat ook is. Daar gaat het helemaal niet om. Het gaat erom dat de SGP voorstellen doet die openlijk discrimineren. Ik zeg het nog een keer. Het was uw partij die bij het debat over asiel en migratie zei: we moeten vluchtelingen gaan selecteren op basis van cultuur en religie. Dat betekent heel concreet dat iemand die moslim is en hier komt, afgewezen wordt en iemand die christen is, volgens de SGP wel mag komen, want die lijkt meer op ons. Ik heb gewezen op het anti-islamplan dat de SGP heeft uitgebracht. Daarin staan maatregelen waarmee de partij dingen zoals de gebedsoproep en andere zaken die te maken hebben met de islam, wil verbieden, terwijl die religieuze vrijheden voor andere groepen gewoon in stand blijven. Dat noem je discriminatie. Ik heb ook gewezen op de kwalijke praktijk binnen de SGP dat vrouwen geen rol als volksvertegenwoordiger mogen hebben hier in de Tweede Kamer. Dat is discriminatie, in de richting van moslims en in de richting van vrouwen. Daar maakt de SGP zich schuldig aan.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, als ik goed meegeteld heb, is dit mijn laatste interruptie. Daarna moeten we er maar over stoppen, want we komen echt niet nader tot elkaar. Wat mijn collega Van Dijk heeft betoogd in het debat met de heer Van Baarle, is dat het goed voorstelbaar is dat je in de spreiding van vluchtelingen over de wereld probeert aan te sluiten bij de culturele identiteit van landen waar mensen naartoe gaan. Dat heeft hij nadrukkelijk betoogd. Christenen die in het Midden-Oosten vervolgd worden en eigenlijk nergens een plek hebben, zou je hier dan bij voorrang moeten opvangen. Mensen die islamitisch zijn, hebben wellicht andere keuzes in het Midden-Oosten. Dat betekent niet dat je die mensen andere rechten geeft; je zoekt er alleen een andere plek voor. We kunnen ervan maken wat we willen, maar we moeten het debat wel zuiver voeren. Ik constateer dat we, ondanks zes interrupties en het vraag-en-antwoord heen en weer, geen millimeter dichter bij elkaar zijn gekomen.

De heer Van Baarle (DENK):

Het was toch echt de SGP die in dat debat vunzige platitudes hier de ether in braakte: moslims kunnen we beter opvangen in islamitische landen en we geven de voorkeur aan christenen. Dat is discriminatie. Ik kan er geen ander woord voor verzinnen.

Voorzitter. Het feit dat de SGP als politieke partij gewoon het beleid heeft dat vrouwen hier in de Tweede Kamer geen volksvertegenwoordiger kunnen zijn, is discriminatie. Ik vind het gewoon heel erg ver gaan, ik vind het héél erg ver gaan, als een politieke partij die zich schuldig maakt aan discriminatie en die hier alle vormen van discriminatie een beetje wegwuift alsof het een soort klaagzang is die niet onderbouwd is, dat bij één groep wel wil aanpakken. Ik blijf erbij dat de SGP hypocriet is, selectief is en ook nog eens wegkijkt van de terechte noodzaak om discriminatie te bestrijden. Ik vind dat buitengewoon treurig.

De voorzitter:

Dan ga ik nu naar mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Laten we teruggaan naar datgene wat de heer Van Baarle hier zegt, namelijk dat er sprake is van haat. Even gewoon de cijfers: de CBS-publicatie Ervaren discriminatie in Nederland bevat recente data en daarin word gerapporteerd — daar komt het — dat 16,1% van de respondenten die zichzelf als moslim zien, zichzelf gediscrimineerd voelt. Is dat de haat die de heer Van Baarle hier betoogt, of is de haat het bekladden van een moskee? Dat mag niet, hè, maar dat is toch ook geen haat? Dat is gewoon gedrag dat onacceptabel is en waar dan ook tegen wordt opgetreden. Waarom zet de heer Van Baarle het nou zo extreem aan, behalve omdat dat het verdienmodel is van zijn partij?

De heer Van Baarle (DENK):

Hoor ik nou goed dat mevrouw Keijzer zegt dat het bekladden van een moskee geen haatactie is? Dan wordt het debat wel heel erg treurig, hoor, als het bekladden van een moskee met haatsymbolen en haatteksten door mevrouw Keijzer niet als haatactie wordt gezien. Blijkbaar is dat vrijheid van meningsuiting. Dat is leuk, volgens mevrouw Keijzer. Gewoon even vrolijk een moskee bekladden, dat is blijkbaar geen haatactie. Echt, mevrouw Keijzer veegt hier gewoon artikel 1 van de Grondwet maar even van tafel voor Nederlandse moslims. Voorzitter, ik kan u verzekeren dat als dezelfde soort acties bij synagogen plaatsvindt, mevrouw Keijzer daar terecht een punt van maakt. En dat is maar goed ook, want synagogen mag je niet aanvallen. Maar als het dan gaat om moskeeën die te maken krijgen met een varkenskop voor de deur, om een terroristische aanslag die is gepleegd op een moskee in Enschede, om andere moskeeën die aan de lopende band met bloed besmeurde dreigbrieven krijgen, dan is dat blijkbaar geen haat. Kom op zeg, zeg ik tegen mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Hier zijn we dus bij het punt waar het over zou moeten gaan. Is dit gedrag acceptabel? Nee. Maar helaas gebeurt dat in de samenleving wel breder. Hier bij de Kamer komt dat terecht bij Kamerleden. Het gebeurt bij synagogen. Het gebeurt bij kerken. Dat is iets anders dan zeggen dat er sprake is van wijdverbreide haat, waar door de belastingbetaler allerlei geld aan moet worden besteed. Dat is nou precies mijn punt in deze hele discussie hier. We hebben helaas een gebroken schepping. Mensen misdragen zich helaas. Daar treed je tegen op. Dat is iets anders dan doen alsof er sprake is van moslimhaat in onze samenleving. Zou de heer Van Baarle willen ingaan op de 16,1% van de moslims die zich zelf gediscrimineerd voelt? Vóelt. Dat is namelijk iets anders dan dat er sprake ís van discriminatie en dat is ook iets anders dan dat je vindt dat er een heel beleid moet worden geformuleerd boven op het algemene beleid dat wij in Nederland hebben. Zou de heer Van Baarle daarop willen ingaan?

De heer Van Baarle (DENK):

16,1% van een groep van, denk ik, inmiddels zo'n 1,2 of 1,3 miljoen mensen is een enorm groot aantal mensen. In absolute zin is het een enorm groot aantal mensen die aangeven zichzelf gediscrimineerd te voelen. De cijfers die mevrouw Keijzer noemt, nopen ons tot het nemen van maatregelen, want zoveel moslims in ons land geven dan dus aan dat ze te maken hebben met discriminatie. We weten ook dat er in het kader van melden en aangeven dat je gediscrimineerd wordt, sprake is van onderrapportage. Dat probleem zou dus nog weleens veel groter kunnen zijn. Mevrouw Keijzer kan ik ook wijzen op alle andere onderzoeken die gedaan worden naar moslimhaat en moslimdiscriminatie in onze samenleving. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat dames met een hoofddoek die solliciteren, bij gelijke omstandigheden alleen maar afgewezen worden, disproportioneel vaak, omdat het dames met een hoofddoek zijn. Dat gebeurt aan de lopende band. Mevrouw Keijzer probeert dat allemaal maar te ontkennen en te zeggen dat dat geen haat is. Hoe kan er nou geen sprake zijn van moslimhaat in de samenleving als je al die onderzoeken ziet, als je ziet dat moskeeën brieven krijgen waarin staat dat de islam hetzelfde is als nazisme en dat moslims weg moeten en als je ziet dat er koranverscheuringen plaatsvinden in dit land? Leeft mevrouw Keijzer onder een steen, zou ik haar willen vragen.

De heer Clemminck (JA21):

Een van de problemen met de rapportages — dat vind ik een ingewikkelde — over moslimdiscriminatie, is dat het heel erg gaat over ervaren discriminatie en dat het gaat om zelfrapportages. Die zijn subjectief. Een van de recente onderzoeken is natuurlijk het nationale onderzoek naar moslimdiscriminatie. Als je dan wat verder in de bijlages gaat kijken naar wat voor ervaringen als moslimdiscriminatie worden tentoongesteld … Ik noem bijvoorbeeld een verhaal van een neefje van een respondent — het gaat dus niet om hemzelf, maar ook nog eens een keer om een neefje — dat zegt: een lerares kwam tijdens de ramadan met een glas water aanzetten en vond dat hij wat moest drinken. Dat werd ervaren als discriminatie. Ik vind het toch wel problematisch als je op basis van dit soort zelfrapportages de conclusie trekt dat het gaat om een geval van discriminatie. Ik ben benieuwd hoe de heer Van Baarle daarnaar kijkt: betekent het dat je op basis van dit soort ervaringsrapportages over discriminatie kunt spreken?

De heer Van Baarle (DENK):

Ik vind het buitengewoon treurig dat JA21 onderscheid maakt op het gebied van zelfrapportages. In het debat dat ging over antisemitisme, was het onder andere JA21 die herhaaldelijk terecht aangaf: een groot gedeelte van de Nederlandse joden geeft aan zichzelf gediscrimineerd te voelen. Dat is een zelfrapportage. Maar in het geval van moslims mag er blijkbaar geen gebruikgemaakt worden van het feit dat een groot gedeelte van de mensen aangeeft zichzelf gediscrimineerd te voelen. De heer Clemminck discrimineert dus op het gebied van zelfrapportages en maakt daar onderscheid in. Dat vind ik buitengewoon kwalijk. Ik zou zeggen: als je zelfrapportages over de discriminatie van joodse Nederlanders terecht serieus neemt, dien je dat ook te doen op het gebied van zelfrapportages van islamitische Nederlanders. Dan zijn er ook nog talloze onderzoeken buiten de zelfrapportages, bijvoorbeeld het onderzoek dat ik net noemde. Dat noem je een vignetstudie. Gelijke gevallen worden ingediend bij mensen die vacatures hebben opengesteld. Alleen het kenmerk "draagt de sollicitant een hoofddoek" wordt aangepast. In dat soort onderzoeken zien we dat dames met een hoofddoek substantieel minder vaak uitgenodigd worden voor een sollicitatiegesprek dan anderen, bij gelijke omstandigheden. Het gaat om academisch onderzoek, aangetoond. Ik zou tegen de heer Clemminck willen zeggen: wuif dat nou niet weg en shop er niet selectief in, maar doe gewoon iets aan het probleem van moslimdiscriminatie.

De heer Clemminck (JA21):

Ik begrijp nu dat ik blijkbaar zelfrapportages aan het discrimineren ben. Ik hoop dus dat de bond voor zelfrapportages geen klacht tegen mij gaat indienen, want dat begrijp ik een beetje uit de woorden van de heer Van Baarle. Zelfrapportages kunnen zeker een vorm zijn van wetenschappelijk onderzoek, ook op het gebied van discriminatie, inderdaad. Dat is geen enkel punt. Ik heb alleen geen antwoord gekregen op mijn vraag. Mijn vraag was namelijk heel erg simpel, namelijk of er op basis van dit voorval uit de ervaringsrapportage volgens de heer Van Baarle sprake is van discriminatie. Ik doel op het voorbeeld van dat neefje dat van de lerares een glas water kreeg aangeboden tijdens de ramadan. Dat wordt hierin neergezet als discriminatie. Mijn vraag was: is dat discriminatie volgens de heer Van Baarle? Ik heb nog geen antwoord gehad.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik denk dat hier door de heer Clemminck echt een karikatuur van gemaakt wordt. Dat doet hij opzettelijk. Het is een politieke strategie, namelijk iets uitlichten uit een onderzoek waar hij vragen bij stelt en vervolgens doen alsof hele onderzoeken en hele stellingnames niet meer deugen. Ik ga in die politieke tactiek van de heer Clemminck gewoon niet mee. Ik zou het volgende tegen hem willen zeggen. Als je niet ziet wat er in de samenleving gebeurt … Moskeeën krijgen te maken met haatacties en intimidatie. In dit huis worden moslims aan de lopende band gedemoniseerd en wordt er gezegd dat de islam geen plek zou mogen hebben in Nederland. Dan is er in dit land gewoon structureel al heel erg lang sprake van een moslimhaatprobleem. Die moslimhaat wordt aangewakkerd door politieke agitatoren hier in dit huis. Ik wens dat wij daar eindelijk een keer wat aan doen in plaats van dat we iets ter discussie stellen waar heel veel Nederlandse moslims dagdagelijks mee te maken hebben.

De voorzitter:

Ik kijk even rond. Ik zie een interruptie van de heer Schenk.

De heer Schenk (FVD):

Er vond best wel een interessant debatje plaats zojuist tussen DENK en de SGP over de opvang van vluchtelingen, met name over christelijke en islamitische vluchtelingen. Er werd gezegd dat het wenselijker zou zijn om christelijke vluchtelingen in Europa op te vangen en islamitische vluchtelingen in het Midden-Oosten. De heer Van Baarle noemde dat discriminatie, maar het is toch gewoon een feit dat er zoiets bestaat als cultuur en normen en waarden, en dat er op dat gebied botsingen kunnen plaatsvinden? Mijn vraag aan de heer Van Baarle is: erkent hij dat er nu eenmaal religieuze, culturele en zelfs etnische spanningen kunnen ontstaan tussen mensen met heel veel verschillende culturen en achtergronden in één samenleving? Erkent hij dat het wenselijker zou zijn om daar onderscheid in te maken in sommige gevallen, waarbij het dan niet om discriminatie hoeft te gaan?

De heer Van Baarle (DENK):

Er zijn zeker spanningen. Die worden onder andere aangewakkerd door politieke partijen zoals die van de heer Schenk door elke keer weer culturen en religies tegenover elkaar te zetten. Ik zou zeggen: de heer Schenk en alle anderen in deze commissie zouden er misschien eens aan moeten gaan wennen dat de islam gewoon een volwaardig onderdeel is van de Nederlandse cultuur en dat we in Nederland ook een levende islamitische traditie hebben, met Nederlandse moslims die dit land mede vormgeven, die niet te gast zijn, maar tevens ook gastheer zijn in dit land en op een gelijkwaardige manier de toekomst van dit land bepalen. Zij hebben evenveel rechten als iedereen hier in deze commissie. Ik zou de heer Schenk en ook alle anderen in dit huis, ook voor de eigen gemoedsrust, gewoon toewensen dat ze daaraan wennen.

De voorzitter:

Ik kijk even rond. De heer Schenk nog een keer.

De heer Schenk (FVD):

Nu krijgen we bijna een soort discussie die terugslaat op een uitspraak van een partijgenoot van de heer Van Baarle, namelijk "wij zijn en blijven hier" en dat Nederlanders maar moeten integreren in de islamitische cultuur. Dat is toch de wereld op z'n kop? Het is toch zo dat Nederlanders en de oorspronkelijke bevolking van Nederland gewoon cultureel rechten hebben en ook het recht hebben om die cultuur en die normen en waarden te behouden? Het is toch zo dat kritiek hebben op immigratie, ook vanuit de islamitische wereld, heel legitiem is en dat het benoemen van die spanningen, of ze nou etnisch, religieus of cultureel zijn, heel legitiem is, dat dat mag en dat we het daar zeker in deze zaal over zouden moeten kunnen hebben? Dit is niet de plek om mij te gaan verwijten dat wij dat aanwakkeren, of zo. Het is een hartstikke interessant onderwerp om over te spreken. Het raakt veel mensen; iedereen is ermee bezig. Maar het is toch gewoon een feit dat, wanneer er allerlei verschillende culturen en mensen met verschillende achtergronden in één samenleving komen, er in veel gevallen spanningen ontstaan, dat dat onwenselijk is en dat het heel legitiem is om daar kritiek op te hebben? Mijn partij doet dat. Dat is toch gewoon legitiem? Dat is mijn vraag aan de heer Van Baarle.

De heer Van Baarle (DENK):

De oorspronkelijke bevolking ... Kijk, mijn opa is in Turkije geboren. Toen mijn opa, die als zogenaamde gastarbeider — zo werd dat toen genoemd — naar Nederland kwam en keihard werkte in de fabrieken, was de heer Schenk nog niet geboren of was hij nog nat onder zijn neus. Hij heeft niet meer rechten en kan niet meer pretenderen dat een oorspronkelijke bevolking meer heeft gedaan voor dit land dan de generatie van bijvoorbeeld mijn opa en alle andere mensen met een migratieachtergrond die mede hebben bijgedragen aan de opbouw van dit land. Dat is een houding met dedain. Er is sprake van een koloniale houding als er wordt gezegd dat de een cultureel meer rechten heeft in dit land dan de ander. Ik zeg nogmaals: Nederland is een land waarin iedereen gelijkwaardig is, voor de wet, cultureel en op het gebied van jezelf kunnen zijn. DENK is een politieke partij die tot het gaatje zal blijven gaan en ervoor blijft strijden dat iedereen die gelijke rechten ook zal krijgen. Ik zal dat doen en mijn partij zal dat doen, totdat mensen zoals de heer Schenk er eindelijk eens aan wennen.

De heer Schenk (FVD):

Ik hoor zojuist dat dit land schijnbaar pas na de Tweede Wereldoorlog is opgebouwd. Volgens mij gaan daar eeuwen aan historie aan vooraf. Je zou inderdaad kunnen bepleiten dat migranten dit land hebben opgebouwd, maar dan wel de migranten die vanuit Antwerpen kwamen na het beleg van Antwerpen in 1585. Dat waren in de meeste gevallen toch vluchtelingen met een christelijke achtergrond. Volgens mij is dat de oorsprong van Nederland en gaat de heer Van Baarle hier voorbij aan eeuwen aan prachtige Nederlandse historie, waar ik ongelofelijk trots op ben en waar mijn partij ongelofelijk trots op is. Als we het hebben over het verdraaien van de geschiedenis, wat de heer Flach net werd verweten, dan zou de heer Van Baarle de hand in eigen boezem moeten steken.

De heer Van Baarle (DENK):

Dat is weer zo'n houding met dedain. Het is gewoon niet waar dat alle voorrechten en alle goede dingen alleen voortkomen uit een christelijke traditie of vanuit de oorspronkelijke bevolking. Mensen met andere geloven of een andere afkomst dragen ook bij aan de samenleving en zorgen er ook voor dat dit land zich ontwikkelt. Ik zegt helemaal niet dat dit land alleen is opgebouwd na de Tweede Wereldoorlog. Ik zeg alleen dat er een hele grote groep mensen is die misschien iets minder op de heer Schenk lijken die ook keihard werken om dit land draaiende te houden. Daar moet hij ook oog voor hebben en dat moet hij niet wegwuiven. De Nederlandse cultuur moeten we allemaal met elkaar omarmen. Daar mogen we trots op zijn. Dat is een cultuur waarin iedereen gelijkwaardig is. Die Nederlandse cultuur draag ik uit, van Nederland als een land waarin iedereen in gelijkwaardigheid zichzelf dient te zijn. De heer Schenk doet alsof we geen mindere periodes hadden in de geschiedenis met elkaar. Dit is ook een land waarin we respect en eerbied moeten hebben voor de gevolgen van de mindere periodes, zoals het slavernijverleden. Dat zijn ook zaken die voor zijn gekomen. Ook daarbij zie ik dat misgaan, in de samenleving en in de politiek.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie verder geen interrupties, dus u kunt uw betoog vervolgen, meneer Van Baarle.

De heer Van Baarle (DENK):

Dank u vriendelijk, voorzitter. Ik vraag de minister: is het geen tijd om eindelijk te komen met een nationaal coördinator moslimhaatbestrijding, met een bijbehorend …

Zou mevrouw Keijzer niet door mijn betoog heen willen lachen?

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Excuus. Het was na alle interrupties gewoon grappig dat het betoog net hiermee verderging. Excuus, want het was absoluut niet mijn bedoeling om de heer Van Baarle uit te lachen. Want dan heeft hij gewoon een punt: dat zou ongepast zijn.

De voorzitter:

Oké. De heer Van Baarle vervolgt zijn betoog.

De heer Van Baarle (DENK):

Excuses geaccepteerd.

Is het geen tijd om eindelijk te komen met een nationaal coördinator moslimhaatbestrijding, niet als vrijblijvende bijlage van het algemene discriminatiebeleid, maar als een eigen, gerichte aanpak?

Voorzitter. Die noodzaak zien we ook bij de islamofobe pestwet, de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding, want in de evaluatie staan eigenlijk glasheldere dingen: in vijf jaar tijd geen boetes, nul processen-verbaal en nauwelijks zaken die noemenswaardig zijn. Maar het heeft wel een sterk negatief effect op een kleine groep vrouwen die een nikab of boerka draagt. Zij voelen zich onveiliger, worden vaker negatief bejegend en vermijden plekken waar het verbod geldt. Wat doet het kabinet? Niet de wet intrekken, niet erkennen dat deze wet schade aanricht: ze willen die zelfs gaan verzwaren. Dat is geen gelijkwaardigheid. Dat is eigenlijk een vorm van symboolpolitiek richting een kleine groep in de samenleving. Daarom vraag ik de minister: kan hij stoppen met het uitbreiden van de handhaving van deze wet? Is hij bereid om een wet die niet werkt en die gemeenten met problemen opzadelt, in te trekken?

Voorzitter. Discriminatiebestrijding begint bij de overheid zelf. Het is goed dat de Algemene wet gelijke behandeling wordt uitgebreid naar eenzijdig overheidshandelen. Mensen moeten namelijk niet alleen beschermd zijn tegen discriminatie door bedrijven of werkgevers, maar ook tegen discriminatie door de overheid. Dat moet geen papieren recht worden. Daarom vraag ik de minister: is hij bereid om aanvullende financiering voor het College voor de Rechten van de Mens en de ADV's structureel beschikbaar te stellen, zodat zij straks het verwachte aantal taken, meldingen en vragen ook echt kunnen behandelen, met alle stelselwijzigingen die er komen?

Voorzitter. Dan het gemeentelijke antidiscriminatiebeleid. De minister wil gemeenten niet verplichten om een lokaal antidiscriminatiebeleid te voeren, maar dat is juist de vrijblijvendheid die we al heel erg lang zien. Waarom ziet de minister na al die jaren waarin we hier in dit huis het debat voeren over het feit dat gemeenten geen lokaal antidiscriminatiebeleid hebben, gewoon niet het nut ervan in om dat verplicht te stellen? Het zou toch een basale taak van gemeenten moeten zijn om te zorgen voor gelijkwaardigheid?

Dan hebben we het ook nog over de NCDR. Het is goed dat het kabinet voornemens is om de NCDR wettelijk te verankeren. DENK is hier altijd een voorstander van geweest en is al langere tijd bezig geweest met een initiatiefwetsvoorstel om het instituut NCDR eindelijk in de wet te borgen. Ik hoor graag van de minister de bevestiging dat het gebruikelijk is dat een initiatief vanuit de Kamer altijd voorgaat.

Maar, voorzitter, wettelijke verankering moet natuurlijk wel gepaard gaan met middelen. Juist nu het aantal meldingen stijgt en de noodzaak groter wordt, is er meer capaciteit nodig, niet minder. Kan de minister garanderen dat het Nationaal Programma en de aanpak van discriminatie en racisme uitgezonderd worden bij de rijksbrede bezuinigingen?

Helaas is het aantal discriminatiemeldingen opnieuw fors gestegen. We weten dat er sprake is van onderrapportage. Er is dus werk aan de winkel. We moeten in dat kader wat ons betreft durven te sturen op resultaat. In het verleden zijn verschillende moties van DENK aangenomen om te komen tot concrete doelen en streefcijfers in de aanpak van discriminatie. Ik vraag de minister: wanneer worden die moties nu eindelijk uitgevoerd? Wanneer komt het kabinet eindelijk met meetbare doelstellingen tegen discriminatie in het beleid? Wanneer en hoe wordt mijn aangenomen motie uitgevoerd om te komen tot het nieuwe nationale plan tegen discriminatie?

Voorzitter. Dan discriminatie binnen de Rijksoverheid. Twee jaar geleden kwamen er pijnlijke signalen naar buiten over discriminatie en racisme op de werkvloer. Er zou tweejaarlijks een vervolgonderzoek komen. Mijn vraag aan de minister is: wanneer kan de Kamer dit vervolgonderzoek verwachten?

Voorzitter. Het duurt niet lang meer en dan is het Ketikoti. Dan staan we met z'n allen stil bij het verschrikkelijke slavernijverleden. Maar herdenken zonder handelen is leeg. Al jaren bestaat de wens bij vele Nederlanders, waaronder nazaten van tot slaaf gemaakten, om van Ketikoti eindelijk een nationale feestdag te maken. Hoe kijkt dit kabinet daarnaar? Ook vraag ik de minister naar de voortgang van het Nationaal Slavernijmuseum. Er is geld vrijgemaakt voor de bouw en ontwikkeling, maar de vraag blijft: komt er structurele financiering?

Voorzitter. Ook wil ik aandacht vragen voor anti-Aziatisch racisme. Ook dat blijft nog veel te vaak een blinde vlek in het discriminatiebeleid, terwijl er veel meldingen zijn. Wat gaat het kabinet hier concreet tegen doen?

Voorzitter. Tegen mijn collega Flach zou ik heel graag willen zeggen: als Europese onderzoeken laten zien dat er ook veel meldingen zijn onder christenen in Europa en in Nederland die te kampen hebben met discriminatie, moet daar dan niet ook specifieke aandacht voor zijn in het discriminatiebeleid?

Voorzitter, tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw bijdrage. Dan ga ik naar de heer Ceder voor zijn bijdrage.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank, voorzitter. Op 24 april 1951 kwam de Castelbianco aan in Nederland. Dat was het vierde schip met Molukkers dat de haven van Rotterdam binnenkwam. Aan boord was ook Estefanus Beroeatwarin, een korporaal bij van de infanterie van het vastberaden en gedreven KNIL-leger. Hij was samen met zijn vrouw Roos en zoon Habel. Ook Estefanus was, zoals velen, op dienstbevel naar Nederland gekomen voor zes maanden. Nog op het schip kreeg hij zijn ontslagbrief, maar doordat hij niet goed Nederlands sprak en las, begreep hij die niet. Pas in Nederland aangekomen begreep hij dat hij feitelijk oneervol was ontslagen uit het leger, waarvoor hij trouw had gevochten. Estefanus werd bij aankomst gescheiden van Roos en moest zijn zoon daarom alleen opvoeden. Ze moesten wonen bij Weert, in Tungelroy, een voormalig jongerenwerkkamp uit de Tweede Wereldoorlog. Na daar een aantal jaar te hebben gewoond, zijn Estefanus en Habel verhuisd naar kamp Teuge, ook wel bekend als de Fliegerhorst. Pas in de jaren '70, twee decennia na aankomst in Nederland, konden ze uit de kampen tussen prikkeldraad verhuizen naar een Molukse wijk in Vaassen.

Het verhaal van Estefanus staat niet op zichzelf. Dit is het verhaal van meer dan 12.500 mensen, over gebroken beloftes, verborgen verdriet, gebrek aan verantwoordelijkheid en gesloten koffers, maar ook over hoop, respect en een positieve gemeenschap. Het is een geschiedenis met, nog steeds, enorm veel impact.

Voorzitter. Ik ben van mening dat we recht moeten doen aan de Molukse gemeenschap. Dit jaar is het 75 jaar geleden dat de eerste generatie Molukkers aankwam in Nederland. Steeds minder Molukkers van die generatie zijn in leven. Daarnaast wordt het onderwerp al jaren onder de aandacht gebracht. De afgelopen jaren zijn er ook herhaaldelijke oproepen geweest, bijvoorbeeld de bekende burgemeestersbrief van 2021, de brief van oud-premier Van Agt aan de Koning en door de Molukse gemeenschap zelf in de media. Ook dit jaar is er veel aandacht en daarmee ook veel momentum. Daar zou ik graag met mijn collega van PRO, mevrouw Tseggai, maar ook met anderen die hier via andere commissies mee bezig zijn, graag gebruik van willen maken voor de volgende stappen. Ik zou graag zien dat het kabinet een track opstart om, bijvoorbeeld binnen een jaar, te inventariseren wat er nodig is om tot herstel te komen, wat dat dan is en hoe dat eruitziet. Onderzoeken wat er feitelijk is gebeurd, in gesprek gaan met betrokkenen en niet praten over de gemeenschap, maar vooral ook met. Ik proef daarbij, gezien de herdenkingen, van links tot rechts ook wel steun binnen de Kamer, en reken daar ook op. Laat ik alvast meedelen dat het kabinet wat mij betreft ook moet stilstaan bij de KNIL-militairen en hun familie die aankwamen en dat een passend antwoord en excuses ook tot de uitkomsten behoren.

Mijn vraag aan de minister: ziet de minister ook dat we moeten opschieten als we als Staat iets willen doen, gezien de leeftijd van de eerste generatie Molukkers? Erkent de minister dat de Staat historisch gezien wel degelijk ook een bepaalde verantwoordelijkheid heeft richting deze gemeenschap, ook gezien de eigen rol in dit dossier? Erkent de minister dat er nu nog steeds sprake is van een onafgesloten hoofdstuk? Is de minister al in gesprek met de Molukse gemeenschap? Zo ja, op welke wijze en welke stappen zet de minister dan concreet om ook recht te doen aan die gemeenschap? Is de minister bereid om een traject op te starten, dat bijvoorbeeld een jaar kan duren, en dan ook echt met alle betrokkenen te spreken om recht te doen aan de Molukse situatie en om dit niet langer uit te stellen? Dat gaat om stakeholders en het betrekken van wetenschappelijke inzichten. Ik hoop hierbij op samenspraak als Kamer en hoop in ieder geval een breed gedeelde wens in de vorm van een motie uit te kunnen dragen. Ik hoop daarbij dat wij als partijen elkaar kunnen vinden.

Voorzitter. Dan zeg ik nog iets ten aanzien van datagedreven profilering. Er is al wat over gezegd, maar ik wil dat aanvullen. Een aantal weken geleden heeft de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme de overheid opgeroepen om te stoppen met datagedreven profilering voor fraude- en criminaliteitsopsporing. In plaats daarvan worden aselecte of 100%-controles voorgesteld. Als de regering doorgaat met datagedreven profilering, moet volgens de commissie goed worden aangetoond dat deze noodzakelijk en proportioneel is en geen discriminerende effecten heeft. Mijn vraag is daarom of de minister wil doorgaan met datagedreven profilering. Of worden aselecte of 100%-controles overwogen? Als de minister toch besluit om door te gaan met de datagedreven profilering, wordt die dan nog aangescherpt, zoals wordt geadviseerd? Volgens het rapport is de wetgeving op dit moment te sterk gericht op het achteraf bestrijden van discriminatie en onvoldoende op het proactief voorkomen daarvan. Daarover heb ik de afgelopen jaren ook meerdere moties ingediend. De minister heeft besloten dat de discriminatietoets niet verplicht wordt gesteld voor overheidsorganisaties. Ik vroeg me af of de minister bereid is om zijn keuze toe te lichten, en misschien ook wel te heroverwegen, in het licht van het uitvoerige betoog van de commissie dat die wel nodig zou zijn.

Voorzitter. Ik noem de VN-stemming over de wereldwijde slavenhandel. Ik constateer een dynamiek die ik al vaker heb benoemd, namelijk dat waarover gestemd wordt, weinig in verhouding staat tot wat de Kamer zou willen, ook betreffende de samenspraak met de andere landen van het Koninkrijk op het moment dat Nederland ook hen vertegenwoordigt. Ik heb begrepen dat de stemming heeft plaatsgevonden zonder overleg met het Caribisch deel van het Koninkrijk, terwijl het kabinet juist heeft gezegd zich te willen inzetten voor een gelijkwaardige samenwerking. Juist bij zo'n gevoelig onderwerp ga je dat toch doen? Het tegenovergestelde is gebeurd. Mijn vraag is of de minister kan toelichten waarom het Caribisch deel van het Koninkrijk niet is betrokken en hoe we dit in het vervolg beter gaan benoemen.

Voorzitter. Tot slot heb ik twee punten. Eerst betreft dat de actualiteiten rondom het Cheider, want vandaag blijft er een Joodse school dicht vanwege een dreigement. Ik vind het onacceptabel dat welke school dan ook vanuit veiligheidsredenen noodgedwongen wordt gesloten. Bij deze school is ook in maart al een explosief afgegaan. Dat dit gebeurt in een vrij land als Nederland, kan gewoon niet. Mijn vraag is of de minister dit als een vorm van discriminatie en intimidatie ziet. Kan hij toezeggen in ieder geval in gesprek te gaan met het Cheider over wat zij nodig hebben om niet een aantal keer per jaar de school dicht te houden, en de uitkomst aan de commissie terug te koppelen?

Voorzitter, tot slot. Vorig jaar is er in het kader van de discussie rondom het slavernijverleden een stap gezet om gratis achternamen te kunnen wijzigen voor een specifieke groep. Daarbij is echter een andere groep, die ook gedwongen de achternaam heeft moeten wijzigen, niet genoemd. Denk aan een groep Armeniërs. Die moeten daar nu geld voor betalen. De vraag is of de minister zou willen inventariseren en terugkoppelen of er ruimte is om ook andere groepen in de samenleving die gedwongen hun achternaam hebben moeten wijzigen door historische conflicten — die zijn bekend — van die regel gebruik te laten maken.

Tot zover, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Precies zeven minuten. Dank daarvoor. Dan ga ik naar de heer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met vrolijk nieuws, namelijk met een felicitatie aan Nederland, want begin dit jaar werd duidelijk dat Nederland op de wereldranglijst het derde minst racistische en discriminerende land ter wereld is geworden. Dat is geen toeval, want het jaar daarvoor, bij een ander onderzoek, werd Nederland vierde. Dat zou toch mooi nieuws moeten zijn. Ik ga ervan uit dat mijn collega-woordvoerders dat ook gevierd hebben met taart of met een dadel en een kaarsje, want dat is natuurlijk fantastisch nieuws. JA21 is tegen elke vorm van discriminatie, ook positieve. Ik begin met dit trotse nieuws omdat in de media, bijvoorbeeld als je NPO kijkt, door professionele activisten of bij linkse partijen in deze Kamer weleens het beeld wordt neergezet dat Nederland een in- en inslecht land is, alsof het een soort racistisch land is, alsof discriminatie in het DNA van Nederlanders zit en alsof het in onze instituties zit — dat is lariekoek. Tegen alle Nederlanders die dit zien, zeg ik dan ook: laat u dit niet aanpraten. Waarom proberen partijen ons dit eigenlijk wijs te maken? Enerzijds omdat er geld te verdienen is in de antiracistische industrie. Sommigen demoniseren Nederland cultureel heel bewust, omdat zij denken dat dit land zo aangemoedigd kan worden om zich aan te passen aan andere normen. Als je maar aan geschiedvervalsing doet, krijgt de oemma ook haar eigen 4 meiherdenking, zagen wij, inclusief linkse burgemeesters als Halsema, Dijksma en Marcouch. Het is een grove schande.

Voorzitter. Racisme en discriminatie komen voor. Natuurlijk moeten we daar altijd tegen optreden. Laat daar geen misverstand over bestaan. Echter, de rapporten van de laatste tijd die ons willen wijsmaken dat moslimdiscriminatie een groot en structureel probleem is, zijn veel te dun. Anekdotes worden voor waar aangenomen en soms wel heel erg onbeduidende voorvallen moeten actief ondersteunen dat je in ons land een heel zwaar leven hebt als je moslim bent. Zo citeert het rapport Opgroeien als moslimjongere in een gepolariseerde samenleving, van Kenniscentrum Inclusief Samenleven, een jonge vrouw die zegt dat zij momenten van uitsluiting ervaart als zij wandelt in het bos met haar moeder: "Je merkt hoe mensen je aankijken, van top tot teen, geen goedemorgen. Alsof natuurgebieden alleen voor witte Nederlanders zijn. Dan voel ik mij niet welkom. Vaak ontwijk ik zulke plekken." Bij de aanbevelingen bij dit KIS-rapport — ook dat is een patroon — komt de aap uit de mouw. De mythe van moslimdiscriminatie dient als breekijzer om iets gedaan te krijgen van niet-moslims. Scholen zouden bijvoorbeeld, om werkelijk inclusief te zijn, stilteruimtes moeten inrichten en werkgevers zijn alleen goede werkgevers als zij niet moeilijk doen over hoofddoeken en werknemers die een matje willen uitrollen. Het is natuurlijk terecht dat de Kamer niet wil debatteren over dit manipulatieve broddelwerk, dat inmiddels ook offline is gehaald.

Als u dacht dat de lobby tegen islamofobie op zou geven, heeft u het mis. Op 15 maart, op de internationale dag tegen islamofobie, maakte de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme bekend dat hij een programmaleider Nationale Aanpak tegen Moslimdiscriminatie aanstelt. Wat JA21 betreft wordt dit initiatief snel de kop ingedrukt. Ik kijk de minister ook aan: gaat u de stekker uit de NCDR trekken en deze opheffen? De aankondiging van de nationale aanpak tegen moslimdiscriminatie volgde trouwens een dag na de aanslag op een Joodse school in Amsterdam en slechts twee dagen na een aanslag op een synagoge in Rotterdam. Toeval? Misschien. Je zou haast denken dat de NCDR de aandacht wil afleiden van degenen die er in Nederland voor zorgen dat Joden zich vaak niet meer veilig voelen.

Willen we naar plek één, goud, van deze wereldranglijst tegen racisme en discriminatie volgend jaar, dan moeten we de waarheid ook onder ogen durven te zien, ook als dat een ongemakkelijke waarheid is, zeg ik in alle eerlijkheid. Waarom laten we geen onderzoek doen naar de rol van de islam in intolerantie ten opzichte van Joden en lhbti'ers? Voor wie zijn de Nederlandse Joden en lhbti'ers eigenlijk bang op straat? Is de minister bereid om een culturele factor bij discriminatie eindelijk eens te gaan onderzoeken? Ik verzeker u: homo's of Joden lopen echt niet een blokje om in Loosdrecht, maar wel in Kanaleneiland in Utrecht. Ik kan hier citeren uit een onderzoek van bijvoorbeeld de Franse denktank Fondapol uit 2024. Daaruit blijkt dat 23% van de Franse moslims geweld tegen Joden in Frankrijk zelf gerechtvaardigd vindt.

De heer Van Baarle (DENK):

De mensen die in de Tweede Wereldoorlog op verschrikkelijke wijze de Joden hebben afgevoerd en vermoord, waren geen moslims. Veel aanslagen die gepleegd werden op joodse gebedshuizen, zijn gepleegd door rechts-extremisten, niet door moslims. De nazi's die door Den Haag liepen, de Hitlergroet deden en "Sieg Heil" riepen, zijn overtuigd antisemieten. Dat zijn nazi's. Dat JA21 en andere politieke partijen het probleem van antisemitisme eenzijdig proberen te koppelen aan de islam en doen alsof Nederlandse moslims vanwege hun geloof eerder genegen zouden zijn om antisemiet te zijn, is wat mij betreft een vorm van discriminatie en stigmatisering. Waarom doet de heer Clemminck dat?

De heer Clemminck (JA21):

Daarom zei ik al: het is helaas een ongemakkelijke waarheid. Ik refereerde aan het onderzoek van Fondapol uit 2024, waarin staat dat 23% van de Franse moslims geweld tegen Joden in Frankrijk zelf gerechtvaardigd vindt. Maar er zijn ook andere onderzoeken die ik de heer Van Baarle mee kan geven. Uit een ander onderzoek uit Frankrijk blijkt bijvoorbeeld dat 49% van de jonge Franse moslims van 15 tot 17 jaar relaties tussen personen van hetzelfde geslacht niet acceptabel vindt. Dat is ongekend veel. 49%. Bijna de helft van de jongeren, ook als die van een zoveelste generatie zijn, vindt relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht onacceptabel, terwijl dat percentage op andere plekken in Frankrijk, onder andere bevolkingsgroepen, slechts 7% is. 49% staat tegenover 7%. Als u liever Wenen heeft, zeg ik tegen de heer Van Baarle, dan noem ik een onderzoek uit mei 2026 waarin staat dat 43% van de moslims het Westen de problemen van de islamitische wereld verwijt. 41% stelt dat de sharia boven de wetten van Oostenrijk zou moeten gaan. Een kwart van de moslimjongeren uit België vindt dat geweld tegen homo's gerechtvaardigd is. De helft van de Turken in Duitsland vindt dat homoseksualiteit een ziekte is en de helft van de moslims in heel Europa vindt dat homo's geen vrienden kunnen zijn. Volgens mij is dat voldoende bewijs voor een ongemakkelijke waarheid.

De voorzitter:

Dan ga ik weer naar de heer Van Baarle.

De heer Van Baarle (DENK):

In het verleden hadden we ook onderzoeken, potsierlijk gepresenteerd door minister Asscher, waaruit zou blijken dat — wat was het? — 90% van de Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse jongeren aanhanger zou zijn van Daesh, IS. Later bleek dat op dat onderzoek ontzettend veel aan te merken was, nota bene door de onderzoeksinstelling, Motivaction, zelf. Maar het werd wel door extreemrechtse politieke partijen gebruikt om de hele islamitische gemeenschap van terroristische sympathieën te beschuldigen. Dat is precies wat in dit huis misgaat. Als we kijken naar cijfers, blijkt ook dat mannen in de criminaliteitscijfers oververtegenwoordigd zijn. Ik vind niet dat de heer Clemminck louter en alleen omdat hij een man is, aangesproken moet worden op het feit dat er een criminaliteitsprobleem is. Zo kan de heer Clemminck allerlei cijfers opnoemen uit verschillende onderzoeken, maar wat hij volgens mij alleen maar probeert te doen, is een verkeerd beeld over de islam en Nederlandse moslims neerzetten. Ik zou graag willen dat we dit soort wijsgedrag met elkaar overstijgen en potverdikke gewoon een keer wat doen aan het probleem van discriminatie door te investeren in meer capaciteit voor deze minister en door meer te doen en te investeren in het budget van deze minister, zodat we het probleem aanpakken in plaats van te wijzen naar groepen. Is de heer Clemminck daartoe bereid? Of wil hij alleen maar een nummertje over de islam maken?

De heer Clemminck (JA21):

Ik heb het net gezegd: we willen voor goud gaan. Discriminatie is helaas een veelkoppig monster; de ene kop is alleen wat groter dan de andere kop, helaas. Ik wijs nu op een aantal onderzoeken en op de voor de heer Van Baarle en misschien voor andere partijen wellicht ongemakkelijke waarheid, namelijk dat een groot deel van de discriminatie helaas bij een bepaalde bevolkingsgroep hoort. Als ik zie dat 23% van de Franse moslims geweld tegen Joden wil aanmoedigen en gerechtvaardigd vindt, dan zegt de optimist in mij: "Dat is geen 100%. Dat is goed nieuws. Dat is inderdaad niet iedereen." Maar de realist in mij zegt: die 23% staat in schril contrast met het gemiddelde onder de rest van Frankrijk, want dat is slechts 7%.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie verder geen andere interrupties, dus vervolgt u uw betoog.

De heer Clemminck (JA21):

Volgens het meest omvangrijke onderzoek naar antisemitische opvattingen, het Global anti-Semitism Survey, zijn het Midden-Oosten en Noord-Afrika de enige regio's in de hele wereld waarin mensen met antisemitische opvattingen de meerderheid van de bevolking vormen. Zij duiden een beeld van zelfs 76% — 76%! — in dat soort landen. In alle andere delen van de wereld is het antisemitisme veel minder wijdverbreid. Daar is het nog steeds te veel, 11% zou ik zeggen, maar in Oost-Europa is dat bijvoorbeeld 34% en in Oceanië 14%. Weet de minister of dergelijke onderzoeken ook in Nederland uitgevoerd zijn? En als dat niet is gebeurd, kan de minister dan vertellen waarom niet?

Gaat het om tolerantie van lhbti-personen, dan zet de wereld van de islam helaas ook niet zijn beste beentje voor. In het buitenland wordt het "waardoor" wel goed onderzocht. Maar liefst 49% van de jonge Franse moslims tussen de 15 en 17 jaar vindt dat relaties tussen personen van gelijk geslacht niet acceptabel zijn. Ik zei het net al. Onder de rest van de bevolking is dat slechts 7%. Dramatische cijfers. Lhbti'ers weten voor wie zij moeten oppassen. Toen wij in Utrecht kwamen wonen, kregen mijn man en ik zelfs het advies om in bepaalde wijken beter geen huis te kopen. Ik kan u vertellen dat dit niet de buurten waren die bevolkt werden door autochtone Nederlanders. Dat is de ongemakkelijke waarheid waar veel Joden en lhbti'ers mee moeten leven.

Voorzitter, tot slot. Moslimdiscriminatie is geen structureel, institutioneel probleem in Nederland. Laat u dat niet wijs maken. Gebeurt dat in individuele gevallen wel, dan is het simpel: onacceptabel en altijd bestraffen. Wat wel structureel is en disproportioneel, is de discriminatie door islamitische gemeenschappen in Nederland van andere groepen: Joodse Nederlanders, homo's, afvalligen en christenen. In augustus 2025 organiseerde het kabinet het Catshuisoverleg over moslimdiscriminatie: totaal mesjogge. Maar het is zoals het is. JA21 ziet bij elk nadeel ook wel weer een voordeel. Daarom stel ik voor om het thema van het volgende overleg op het Catshuis te veranderen van moslimdiscriminatie naar discriminatie door moslims. De agenda's zijn al getrokken en de juiste doelgroep is uitgenodigd. Is de minister bereid om dat te doen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Oké. Ik zie verder geen andere interrupties. Dan ga ik door naar mevrouw Keijzer.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Shanna Schilder van de Groep Markuszower heeft mij gevraagd om deze inbreng mede namens haar te leveren.

Voorzitter. Laat ik eerlijk beginnen. Dit debat over discriminatie voelt als een herhaling van zetten, alsof Nederland een groot probleemland is geworden waarin iedereen voortdurend tekort wordt gedaan. Dat beeld herken ik niet. Nederland is een vrij land met gelijke rechten voor iedereen en daar mogen we best eens wat trotser op zijn. We zijn nog steeds ruimdenkend en er is een grote bereidheid tot acceptatie van iedereen die zijn of haar leven net op een andere manier wil invullen dan dat van jou of die er net even wat anders uitziet dan jijzelf.

Dit onderwerp wordt helaas vaak gebruikt voor symboolpolitiek. Het is heel belangrijk dat we daar vandaag bij stilstaan. Als wij dit debat namelijk overlaten aan degenen die álles langs de meetlat van identiteit leggen, dan raken we de kern kwijt. Wat je dan uiteindelijk krijgt, is dat de kleinste minderheid de rest gaat "terroriseren" — wat mij betreft een zwaar woord. Desalniettemin: discriminatie bestaat. Zeker. Dat ontken ik absoluut niet.

Wie wordt buitengesloten vanwege afkomst, geloof of geaardheid, moet daartegen beschermd worden, maar we zien ook iets anders gebeuren. Het begrip "discriminatie" wordt steeds verder opgerekt. Het gaat niet meer alleen over echte uitsluiting of over het toebrengen van schade; het gaat steeds vaker over wat als onprettig wordt ervaren of politiek hier niet uitkomt. Heb je bijvoorbeeld kritiek op gezichtsbedekkende kleding van moslima's, dan ben je een racist. Wil je vasthouden aan de traditie van sinterklaas, dan ben je ook een racist of, nog erger, een fascist. Ook daarmee wordt gestrooid. Maak je als cabaretier een harde grap, dan word je na afloop opgewacht door mensen, overigens vaak van linkspolitieke huize, die dat allemaal niet trekken. "Monddood maken" noem ik dat. Iedereen wordt tot slachtoffer gemaakt en het vrije woord moet wijken. Het zogenaamde slachtoffer van discriminatie wordt als zielig neergezet, waarna we uit een soort zelfhaat overgaan tot positieve discriminatie.

Zo had de gemeente Amsterdam bij een vacature de voorkeur uitgesproken voor een kandidaat van buiten-Europese herkomst. Nou heb ik bij Amsterdam wel vaker een gevoel van "hebben zij ze daar nog wel helemaal op een rijtje?", maar dit is toch gewoon discriminatie? Draai de rollen eens om. Dan is de wereld te klein. Dit is wat mij betreft in strijd met non-discriminatiebepalingen. Ik hoor graag van de minister of hij dat ook vindt. Om de minister voor te zijn: ik weet dat bij artikel 1 van de Grondwet de toelichting wordt gegeven dat je gelijke gevallen gelijk moet behandelen. De minister gaat mij vast uitleggen dat er geen sprake is van positieve discriminatie, want: geen gelijk geval. Maar dat kun je helemaal niet op voorhand zeggen als je alleen naar iemands dubbele nationaliteit of iemands huidskleur kijkt, want dat zijn maar twee onderdelen van de identiteit van iemand. Dat zegt helemaal niets over de positie van die persoon in de samenleving. Graag hoor ik een reactie van de minister. Wat gaat hij doen aan dit soort discriminatoire praktijken?

Dan het schandaal rond het Kennisplatform Inclusief Samenleven, het KIS. Ik heb het net al gehoord. Een zogenaamd onafhankelijk kennisplatform laat met overheidssubsidie onderzoek uitvoeren, maar betrekt daarbij vervolgens een moskeekoepel die aantoonbare banden heeft met de Turkse overheid. Eerst een principieel punt. Als je een onafhankelijk onderzoek wil doen naar inclusief samenleven, waarom betrek je daar dan een belangenorganisatie bij? Dan is de uitkomst toch voorspelbaar? Dan is het immers de slager die zijn eigen vlees keurt. Daarmee zijn we er echter nog niet, want waar het hier werkelijk om draait, is dat de Nederlandse Staat een halve ton subsidie verstrekt voor onderzoek naar iets waarvan het nog maar zeer de vraag is of het daadwerkelijk zo wijdverspreid voorkomt. Bovendien is daar een organisatie bij betrokken die banden heeft met een buitenlandse overheid. Daar wilden we toch juist vanaf?

Voorzitter. Dat staat nog los van de vraag: waar stopt dit? Er is altijd wel een minderheid te vinden die zichzelf gediscrimineerd voelt. Alle voorbeelden zijn hier voorbijgekomen. Volgens mij is dit de weg die we níet met elkaar op moeten gaan. De hoeveelheid geld die daarmee is gemoeid, is wat mij betreft bizar en het leidt er uiteindelijk toe dat de vrijheid van meningsuiting bevriest. Graag zou ik dan ook een overzicht willen van alle financiering die de Rijksoverheid beschikbaar stelt in het kader van discriminatie en inclusie: alle clubjes die zich daartegenaan bemoeien, alle subsidie die daarnaartoe gaat en de onderzoeken die daarover gaan. Ik snap dat ik dat overzicht niet straks in de eerste termijn van de minister krijg, maar ik wil het uiteindelijk wel heel graag hebben.

Voorzitter. Dit is niet de weg die we op moeten gaan. Ik heb net al in een interruptiedebat tegen de heer Bamenga gezegd: je hebt artikel 1 van de Grondwet — dat is nou net een van de klassieke grondrechten die ons moeten beschermen tegen de overheid — en je hebt het daadwerkelijk strafbaar zijn van discriminatie-uitingen. Die moeten ons tegen elkaar beschermen. Helaas is het een gebroken schepping, zoals ik net al zei. Dat je dat wat in de mens is ingebakken, namelijk dat hij zich vaak herkent in mensen die op hem of haar lijken, helemaal uitsluit, kun je echt vergeten. Je moet het uitsluiten als het daadwerkelijk schade toebrengt.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie een interruptie van de heer Schenk.

De heer Schenk (FVD):

Mevrouw Keijzer had het net even over sinterklaas.

De voorzitter:

O, foutje, foutje, foutje! Ik keek even ergens anders naar, maar ik zie dat u al door uw interrupties heen bent.

De heer Schenk (FVD):

Ik ben er helemaal doorheen? Ik ben als nieuwkomer te enthousiast.

De voorzitter:

Helaas. Ik moet helaas streng zijn, ook gezien de tijd.

De heer Schenk (FVD):

Oké. Nou, niks aan te doen.

De voorzitter:

U keek vrolijk, dus ik dacht: ik geef u meteen het woord.

De heer Schenk (FVD):

Het was een hele goede vraag, voorzitter.

De voorzitter:

Het is helaas zo. Ik zie verder geen interrupties. Dan ga ik graag naar de heer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank u wel, voorzitter. "Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen." Ik citeer artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hier zitten twee aspecten in: de fundamentele gelijkwaardigheid van de mens — als christendemocraten geloven wij dat alle mensen uniek, relationeel en gelijkwaardig zijn — en het morele appel op mensen om zich tegenover elkaar als zusters en broeders te gedragen. Gelijkwaardigheid vereist dat de mensen in de samenleving elkaar ook gelijk behandelen. Vandaag gaat het in dit debat over de vraag hoe wij in de samenleving met elkaar omgaan, wat wij acceptabel vinden en wat niet.

Bij het voorbereiden van dit debat moest ik terugdenken aan wat onze voorvorige premier vaak zei: Nederland is een ontzettend gaaf land. Als je de denkrichtingen ten behoeve van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 2025-2029 leest, krijg je namelijk niet echt het gevoel dat je in een gaaf land leeft. In 2025 heeft 12% van de bevolking zich gediscrimineerd gevoeld. Dat blijkt uit de Veiligheidsmonitor van het CBS. Bij mensen die zelf of wier ouders in het buitenland zijn geboren, ligt dat percentage boven de 20%. Bijna 40% van de Joden — daar heb ik het vandaag verder niet over omdat we onlangs een apart antisemitismedebat hebben gehad — bijna 30% van de moslims en bijna 10% van de christenen ervoeren discriminatie. Bij homoseksuele mannen en vrouwen ligt dat percentage rond de 25%. Ik heb dus een ander cijfer dan het cijfer dat mevrouw Keijzer net noemde. Volgens mij is het 30% van de moslims in plaats van 16,1%.

Voorzitter. Er is niks gaafs aan deze cijfers. Discriminatie ondermijnt niet alleen de waardigheid van mensen, maar ook de samenhang in onze samenleving. Als er sprake is van discriminatie — van vrouwen, van ouderen, van mensen met een handicap, van Joden, van de queergemeenschap, van moslims — dan moet daar wat het CDA betreft streng tegen worden opgetreden. Uiteraard heeft de overheid daar een belangrijke rol in. Het CDA zoekt de echte oplossing echter niet in de eerste plaats bij de overheid. Uiteindelijk komt het erop neer hoe wij in de samenleving met elkaar omgaan. Daar ligt de sleutel. De samenleving moet kritisch zijn en zich uitspreken. Scholen, werkgevers, verenigingen, mensen, familie en vrienden moeten elkaar aanspreken op gedrag dat te ver gaat en elkaar bij de les houden. Zie je discriminatie of racisme om je heen, spreek je dan uit. Dat is ook wat ik verwacht van deze minister. Schep de kaders waarbinnen de samenleving moet acteren en spreek u alstublieft uit als u mensen over de schreef ziet gaan. Graag hoor ik van de minister hoe hij zijn rol daarin ziet.

Wij zijn optimistisch over wat de samenleving kan en doet op dit gebied. Er zijn veel mensen die zich belangeloos inzetten tegen polarisatie en voor de ander. Dat is mooi om te zien. We zijn wel bezorgd over de neiging van de overheid om verder te gaan dan alleen het bestrijden van discriminatie. Dat laatste is van groot belang; laat daar geen misverstand over bestaan. Maar het is niet aan de overheid om te bepalen wat inclusie en gelijkwaardigheid precies inhouden. Als ik de beleidsrichtingen lees, krijg ik toch wel de indruk dat de overheid denkt dat ze alles moet fiksen. Wat een plannen, wat een aansporingen en wat een onderzoeken, nu weer naar de kosten van discriminatie. 50 pagina's lang.

Het CDA zoekt de oplossing veel minder in het uitrollen van diversiteits-, gelijkwaardigheids- en inclusiebeleid, in het opstellen van lokale inclusie-agenda's en het afdwingen van inclusief leiderschap. Natuurlijk, dat kan soms best helpen. Voor alles is er een tijd en een plaats, maar het wakkert ook onvrede en verzet aan. Kijk naar wat er in Amerika gebeurt: een deel van de bevolking, en niet alleen maar de racisten, werd door dit soort programma's buitengewoon geïrriteerd, en dat helpt de emancipatie bepaald niet. Principiëler: dat is niet aan de overheid, maar aan de samenleving.

Een mooi voorbeeld hiervan is de taalgids van het ministerie van Onderwijs. Daarin werd soms tot in detail gesuggereerd hoe we onze woorden moeten kiezen. Het kwam onlangs naar buiten. Ik vrees dat het ministerie van OCW niet de enige plek is waar dit soort gidsen wordt gemaakt. Is de minister het met mij eens dat dit soort gidsen niet met overheidsgeld gemaakt zouden moeten worden? Als de samenleving daar ideeën over heeft, dan is dat prima, maar de overheid moet toch niet voorschrijven hoe wij met elkaar moeten praten?

Waar ligt voor de minister de grens tussen discriminatie en kritiek op ideeën? Kan hij garanderen dat antidiscriminatiebeleid niet wordt gebruikt om kritiek op religie, gendergelijkheid of andere ideologieën als discriminatie, desinformatie of onveiligheid te betitelen? De overheid beschermt burgers tegen discriminatie, maar niet ideeën tegen kritiek. Deelt de minister die opvatting? Een mooi voorbeeld dat net ook al werd genoemd: de termen "moslimdiscriminatie" en "islamofobie" worden soms door elkaar gebruikt. Moslimdiscriminatie is verboden, en terecht. Die moet worden bestreden. Islamofobie is een veel breder begrip. Daar valt van alles onder: afkeer van de islam, islamhaat misschien, kritiek op de islam. Dat is allemaal niet verboden en dat moet wat mijn fractie betreft ook niet verboden zijn. Kritiek op een geloof is toegestaan en dat moet wat het CDA betreft zo blijven. Dat raakt aan een fundamenteel punt: de rechtsstaat beschermt mensen tegen discriminatie, maar beschermt ideeën en religies niet tegen kritiek. Dat is misschien niet leuk, maar dat kan je ook weerbaar maken.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben het met u eens: kritiek op een denkwijze of geloof moet kunnen. Net als dat mensen de hele dag kritiek hebben op het christendom, zou je dat ook op een ander geloof moeten kunnen hebben. Dat ben ik dus met u eens. U maakte net een verschil tussen islamkritiek en islamofobie, waarbij u volgens mij veronderstelde dat dat tweede niet bestond omdat het kritiek op elkaar was. Ik wilde even dubbelchecken of u bedoelde dat islamofobie dus niet bestaat omdat daaronder een gelegitimeerde kritiek op mekaar zit. Heb ik u zo goed begrepen?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik denk dat islamofobie bestaat, maar dat is een veel breder begrip dan moslimdiscriminatie. Moslimdiscriminatie is gewoon verboden. Dat hebben we ooit zo met elkaar afgesproken en dat moet zo blijven. Islamofobie is een soort containerbegrip geworden waaronder allerlei dingen vallen, bijvoorbeeld ook kritiek op de islam. Daarvan zeg ik: het is misschien niet leuk, maar dat is wel toegestaan in ons land.

De heer Ceder (ChristenUnie):

De uitleg van de heer Van den Brink roept bij mij wel de vraag op hoe je dat vervolgens politiek dan wel omvat, want er zijn voorstellen om dit inderdaad aan te pakken, maar als het zo vaag is dat je niet weet wat je moet aanpakken, wordt het een ingewikkeld verhaal. Ik vraag dat natuurlijk ook aan het CDA, omdat het CDA een belangrijke coalitiepartner is. Hoe gaat u om met islamofobie? Dan heb ik het niet over moslimdiscriminatie. Ik ben het helemaal eens met wat u daar net over zijn. Maar hoe weegt u dat dan, ook in het licht van bepaalde voorstellen die gedaan worden om islamofobie aan te pakken en die aanpak een structureel karakter te geven?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

In het coalitieakkoord ben ik de term niet tegengekomen, en daar ben ik blij mee. Ik vind dat we die termen uit elkaar moeten halen. Islamofobie is zo'n breed containerbegrip dat je daar als overheid niet zo veel mee kan, denk ik. Met moslimdiscriminatie wel: daar moet hard tegen worden opgetreden. Kritiek op de islam of hekel aan de islam is niet leuk, maar mag.

De voorzitter:

Meneer Van den Brink, u kunt doorgaan met uw betoog.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Nog één keer: moslimdiscriminatie is volgens mij een serieus probleem in ons land. Dat moet wat mijn fractie betreft streng worden bestreden. Ik noemde net de cijfers: 30% van de moslims voelt zich gediscrimineerd.

Voorzitter. Ik ben nu al lang aan het woord, maar dankzij meneer Clemminck hebben we vandaag wat meer spreektijd. Afsluitend nog een paar vragen over de onderliggende stukken en de plannen van dit kabinet. In het coalitieakkoord en de recente beleidsbrief van de minister hebben we kunnen lezen over de plannen van de regering. Hoe verhouden de plannen van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme zich tot de plannen van de regering? Het lijkt erop dat die bijna gelijk vallen. Ik ben benieuwd waar de verschillende daartussen zitten, wat het kabinet betreft.

Vorige week kregen we antwoorden van de minister op vragen van collega-Kamerleden over het organiseren van iftarbijeenkomsten door overheden. Hoewel ik begrijp dat de minister verwijst naar het subsidiariteitsbeginsel — gemeenten mogen hier zelf over besluiten — vraag ik me toch af wanneer de scheiding van kerk en Staat wat het kabinet betreft in het geding komt. Het lijkt mij logisch dat vertegenwoordigers van de overheid ingaan op uitnodigingen om iftars bij te wonen. Dat lijkt mij heel goed voor de integratie — er is niks mis met goede verhoudingen — maar het subsidiëren of zelfs organiseren is iets anders. Hoe ziet de minister dat? Zijn er voorbeelden van feestelijkheden van andere godsdiensten die ook worden gesubsidieerd door de overheid?

Voorzitter. Een heel ander thema: de ondersteuning van burgemeesters met een visuele beperking. Daar hebben wij wat vragen over gekregen. We horen verhalen dat er feitelijk geen geld is voor ondersteuning van deze burgemeesters, terwijl dat wel echt nodig is. Als we werkelijk representatief en inclusief willen zijn, dan hoort daar af en toe een investering bij. Graag een reactie van de minister daarop.

Voorzitter, afsluitend. We hebben het vandaag nog niet gehad over de echte vraag die onder dit alles ligt: waarom discrimineren we überhaupt? Waarom doen wij mensen dat? Als de minister tijd over heeft, hoor ik graag zijn visie daarop.

De voorzitter:

Ik zie een aantal interrupties. Volgens mij was de heer Van Baarle eerst. Daarna mevrouw Beckerman en daarna mevrouw Tseggai.

De heer Van Baarle (DENK):

Allereerst: fijn om te horen dat de heer Van den Brink het bevorderlijk voor de integratie vindt als iemand bijvoorbeeld een iftar bijwoont. Ik denk dat het niet zozeer te maken heeft met integratie. Integratie is een gedateerd begrip. Ik vind het eigenlijk kwalijk dat het organiseren van een iftar per definitie met integratie te maken heeft. Al die Nederlanders die hier geboren zijn en een iftar organiseren, hoeven helemaal niet meer te integreren. Dat zijn gewoon Nederlanders. Dat gezegd hebbende hoorde ik de heer Van den Brink zeggen: eigenlijk moet de bestrijding van discriminatie vooral uit de samenleving komen; we moeten uitkijken dat er niet te veel verzet komt tegen de bestaande programma's tegen discriminatie. We hoorden hem vooral allemaal kritische vragen stellen over dat we moeten uitkijken dat we het begrip "discriminatiebestrijding" niet te veel oprekken. Ik ben eigenlijk benieuwd: is er volgens het CDA nog wel een rol voor de overheid in het bestrijden van discriminatie? Moet er nog wat extra's gebeuren? Is het een uitdaging die we met elkaar tegemoet moeten treden of moeten we het vooral over de schutting kieperen naar de samenleving en moet deze minister vooral de vingers in de oren stoppen?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Als u mijn papiertje zou zien, dan zou u zien dat ik één pagina heb besteed aan hoe belangrijk het bestrijden van discriminatie is en dat discriminatie buitengewoon kwalijk is. Daarnaast heb ik een pagina besteed aan de vraag: wat is de rol van de overheid en wat is de rol van de samenleving? Ik heb geprobeerd dat zo duidelijk mogelijk uit te leggen, maar kennelijk is dat bij u niet helemaal goed geland.

De heer Van Baarle (DENK):

Dat de heer Van den Brink in zijn bijdrage wellicht heeft gezegd dat het belangrijk is om er iets aan te doen, is één, maar ik hoorde in zijn bijdrage eigenlijk niks over wat er dan zou moeten gebeuren. Ik hoorde wel allemaal kritische vragen over een gids en het oprekken van de term "islamofobie", maar ik heb geen enkel concreet voorstel van het CDA gehoord over wat we nou concreet van deze minister gaan zien, buiten dat de minister zich af en toe moet uitspreken. Ik mag hopen dat de minister van Binnenlandse Zaken dat doet. Als deze minister zich niet uitspreekt tegen discriminatie, moet hij gewoon weg. Dat is een kerntaak van de minister van Binnenlandse Zaken! Wat moet het kabinet volgens het CDA nou concreet extra doen in het beleid om discriminatie te bestrijden?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik weet niet of er heel veel extra moet gebeuren, want volgens mij gebeurt er al heel veel. Ik zei al dat er allerlei maatregelen tegen discriminatie in de plannen van het kabinet en de coalitie staan. Daar ben ik niet tegen. Daar moeten we vooral mee doorgaan. Mijn oproep is: denk ook na over wat de rol van de samenleving is en wat de rol van de overheid is. Daartussen zou ik onderscheid willen maken.

Mevrouw Beckerman (SP):

De heer Van den Brink zei dat je je moet uitspreken als je discriminatie ziet of tegenkomt. Dat vond ik wel mooi. Ik wil eigenlijk dezelfde vraag stellen die ik net ook aan de heer Bamenga heb gesteld. We hebben de uitspraak gehoord dat er sprake zou zijn van omvolking. We hebben de uitspraak gehoord dat Palestijnse vluchtelingen met geweld tegen zouden moeten worden gehouden. Hoe zou het CDA zich daarover willen uitspreken?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Als u het goedvindt, geef ik hetzelfde antwoord als de heer Bamenga. Ik vond dat hij dat heel goed deed. Ik denk dat er niks mis is met samenwerken in de vorm van een motie die wordt ondersteund of dat soort dingen. Een structurele samenwerking met partijen die dit soort standpunt huldigen, is buitengewoon ingewikkeld voor het CDA. Dat weet u.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik was nog niet bij die vraag, maar ik kreeg al wel het antwoord. Ik vind dat nog niet heel duidelijk. We hebben er vanavond ook een debat over. Ik weet dat dit mijn laatste interruptie is, maar toch wil ik door op dit punt. De heer Van den Brink eindigde zijn betoog eigenlijk met de vraag hoe deze ideeën in de samenleving komen. Ik denk dat er helaas heel veel mechanismen voor zijn. Soms is dat angst en soms wordt die angst aangejaagd. Kan u zich voorstellen dat dit soort woorden van politici ook iets doen in de samenleving? Wat zouden wij daar dan tegenover moeten zetten?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik ben ervan overtuigd dat woorden van politici de samenleving beïnvloeden. Ik had het net over het cijfer van door moslims ervaren discriminatie. Dat was 30%. Het cijfer waar mevrouw Keijzer het over had, was van een jaar of twee jaar eerder, denk ik. Dat was 16%. In de tussenliggende jaren is daar vast iets gebeurd, ook in de Nederlandse politiek. Ik denk dat dat verband er zeker is.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat het punt juist is dat er in de tussenliggende jaren niets is gebeurd in de Nederlandse politiek. De heer Van den Brink was nog niet in Den Haag tijdens het vorige kabinet, maar zo veel is er niet gebeurd op dit dossier. Ik moet heel eerlijk zeggen dat zijn inbreng mij ook een beetje teleurstelde. Ik deel de analyse van de heer Van Baarle wel: ik heb hele mooie woorden gehoord over wat het CDA vindt van discriminatie. Daar ben ik het ook mee eens, met name met de oproep van de heer Van den Brink aan de minister om kaders te scheppen en zich uit te spreken. Maar nogmaals, zoals ik al eerder heb gezegd in dit debat, zie ik daar niet echt budgetten voor in het regeerakkoord. Ik heb in de inbreng van de heer Van den Brink ook geen concrete maatregelen tegen discriminatie gehoord. Natuurlijk kunnen wij als overheid niet tegengaan dat mensen elkaar onderling uitschelden om wat voor kenmerken dan ook, maar het is wel aan ons om de systemen en de wetgeving te maken die discriminatie tegengaan. Wat stelt de heer Van den Brink dus voor?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Op het eerste punt: u zegt dat er niets is gebeurd. Waar ik op doelde toen ik mevrouw Beckerman antwoord gaf, was dat het aantal moslims dat zich gediscrimineerd voelt, is gestegen van 16% naar 30% en dat ik denk dat dat komt door de manier waarop hier in de Tweede Kamer over moslims wordt gesproken. Dat is er gebeurd, zeg ik ter verheldering daarop.

Dan het tweede punt, de concrete maatregelen. Zoals ik zojuist al zei tegen ik meen de heer Ceder, staan er allerlei maatregelen in het regeerakkoord. Wij steunen die. Ik heb uw vraag aan de regering over de financiering ervan gehoord. Ik ben benieuwd naar het antwoord daarop.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik mag toch hopen dat de heer Van den Brink niet zijn antwoord op mijn vraag laat afhangen van het antwoord van de minister op mijn vraag. De heer Van den Brink maakt een terechte analyse van discriminatie in de Nederlandse samenleving. Hij zegt tegen de minister: schep kaders en spreek je uit. Hij stelt daarna heel veel kritische vragen. Dat mag, dat is niet erg, maar ik vraag hem hoe de minister volgens het CDA al die mooie maatregelen uit het regeerakkoord gaat uitvoeren als er geen budget voor is. Kan ik op de steun van het CDA rekenen als ik daar budget voor vrij wil maken bij de begroting Binnenlandse Zaken?

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dat ga ik u niet op voorhand toezeggen, want er zijn heel veel doelen die wij sympathiek vinden en waar we geld voor zouden willen reserveren. Ik heb nu geen voorstellen klaarliggen om er extra geld voor uit te trekken.

De voorzitter:

Dan kunt u uw betoog vervolgen.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik was klaar, voorzitter.

De voorzitter:

U was al klaar. Oké, dank u wel daarvoor. Dan gaan we naar mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter. Afgelopen week hebben we een aantal zeer hevige protesten gezien met soms zelfs een discriminerende of racistische toon. Dit weekend werden die gevolgd door negen zogenaamde nationaalprotestacties. In mijn eigen Groningen zijn na afloop van dit protest twee jongens, waarvan één een regenboogvlag droeg, aangevallen door deelnemers aan het nationaal protest. Een van de slachtoffers werd meerdere keren getrapt en tegen het hoofd geslagen. De regenboogvlag werd gestolen. Defend Groningen was hier trots op, zo trots dat ze op maandag nog een foto plaatsten van twee jongens met de gestolen regenboogvlag. Zo veel zelfvertrouwen hebben ze blijkbaar.

Zo veel zelfvertrouwen krijgen ze ook door politici die hun dit geven. Gidi Markuszower, die, in dezelfde week dat we de Tweede Wereldoorlog herdachten, bij een protest in Loosdrecht zegt — ik citeer — dat we worden omvolkt. Gidi Markuszower, die zegt dat met maximaal geweld Palestijnen moeten worden tegengehouden bij de grens. Olie op het vuur en die uitspraak vervolgens weer terugnemen: dat vind ik een soort politiek playbook. Er zijn politici die hoog en droog zitten en vervolgens in de samenleving mensen aanwijzen als schuldigen aan problemen die de politiek zelf heeft veroorzaakt of heeft laten escaleren.

Maar hoeveel ruimte geven we hieraan? Het was immers de partij van Markuszower die de coalitie aan een meerderheid hielp om door te kunnen gaan met plannen om de AOW-leeftijd weer te verhogen, iets wat volgens mijn partij de onvrede in het land terecht alleen maar zal voeden. Gaat dit weer gebeuren? Krijgt de partij van Markuszower na deze uitspraak weer de ruimte van de coalitie? Ik vroeg het net aan een coalitiepartij, maar ik vraag het ook aan de minister. Wat betekenen de woorden van Rob Jetten dat dit geen gemakkelijke start is voor samenwerking op een hele hoop andere onderwerpen nu concreet? Mogen politici zuurstof geven aan discriminatie om vervolgens toegang te krijgen tot het centrum van de macht?

Voorzitter. Een belangrijk punt voor mijn partij is dat discriminatie op basis van klasse verboden moet worden. De ongelijkheid in Nederland is groot en je afkomst bepaalt vaak je toekomst. Zelf het CPB waarschuwt inmiddels dat het risico op economische-machtsconcentraties toeneemt. Maar Nederland kent geen verbod op discriminatie op basis van klasse. Andere landen hebben dat wel. Het College voor de Rechten van de Mens wijst erop dat we in de afgelopen jaren al meermalen kritisch zijn bevraagd waarom Nederland achterblijft met het verbieden van klassediscriminatie. Mijn onvolprezen voorganger Michiel van Nispen kreeg na lang aandringen van een voorganger van deze minister de toezegging dat die onderzoek zou gaan doen naar sociaal-economische status als discriminatiegrond. Gaat dit onderzoek nu eindelijk, na een flinke vertraging, plaatsvinden, vragen wij aan deze minister. Wanneer kunnen we de uitkomst ervan verwachten? Hoe staat deze minister überhaupt in dit onderwerp?

Voorzitter. Dan discriminatie door de overheid zelf. Stop met lopende toepassingen van datagedreven profilering. Overheden gebruiken steeds vaker algoritmes en data om burgers in te delen in risicogroepen, bijvoorbeeld bij toeslagen, DUO-controles of politieonderzoeken. Dit kan verregaande consequenties hebben voor mensen die onterecht als risico of zelfs als fraudeur uit het systeem rollen. Meer dan 50 algoritmes van de Belastingdienst bleken discriminerend en dus in strijd met de wet, zo bleek uit een brief van de Autoriteit Persoonsgegevens. Bij sleepnetonderzoeken naar fraude in wijken deed de overheid te weinig om discriminatie te voorkomen, concludeerde een extern onderzoeksbureau. DUO discrimineerde studenten bij de controles op de uitwonendenbeurs; het is al vaker genoemd in dit debat. En de lijst gaat door.

Volgens de staatscommissie tegen discriminatie en racisme leidt dit regelmatig tot discriminatie, vooral van mensen met een migratieachtergrond. Historische data bevatten vaak al bestaande vooroordelen waardoor algoritmes die ongelijkheid verder versterken. De overheid presenteert profilering heel vaak als een soort technische keuze, maar die staatscommissie zegt dat het eigenlijk een politieke en normatieve keuze is, die raakt aan grondrechten en democratie. Transparantie ontbreekt vaak. Toezichthouders zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en het College voor de Rechten van de Mens hebben meerdere keren gewaarschuwd voor discriminerende algoritmes.

Nu doet ook de staatscommissie tegen discriminatie en racisme een echt opvallend stevig voorstel: stop met de lopende toepassing van datagedreven profilering en beperk de verdere inzet ervan. Een vergaand maar wel logisch voorstel. Wij vragen om een reactie erop van de minister. Zolang de overheid niet kan garanderen dat deze systemen eerlijk zijn en geen mensenrechten schenden, moeten we er heel terughoudend mee omgaan. Bent u bereid om hieraan te voldoen, vragen we aan de minister. Als u niet bereid bent om dit te doen, hoe gaat u dan aantonen dat er geen directe of indirecte discriminerende effecten zijn?

Voorzitter, tot slot. Er zijn heel veel punten die ik vandaag aandacht had willen geven. Met de drie punten die ik vandaag heb gekozen, kies ik voor punten waarop de overheid of politici zelf discrimineren, discriminatie voeden of discriminatie laten bestaan. Als je het vertrouwen van mensen wil terugwinnen, is dit absoluut de kern. Een samenleving waarin inwoners bang moeten zijn dat de overheid hen onterecht uitkiest als fraudeur, als verkeerd, als probleem is fundamenteel beangstigend. Politici die zuurstof geven aan protest door te spreken van omvolking of van geweld tegen vluchtelingen zijn beangstigend. Tegelijkertijd zijn de mensen die de straat op gaan om een tegengeluid te laten horen met meer. Of het nou de heksennachten voor rechten van vrouwen zijn, de tegenacties tegen het nationaal protest of de vakbonden in verzet tegen de afbraak van sociale verworvenheden: zij zijn met meer en dat is de echte brandstof voor vooruitgang.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw bijdrage. Ik zie geen interrupties. Dan ga ik naar de heer Schenk.

De heer Schenk (FVD):

Dank u wel, meneer de voorzitter. Wie om zich heen kijkt, ziet dat het niet goed gaat met Nederland. De gezelligheid verdwijnt, gezinnen en huishoudens hebben moeite om hun energierekening te betalen en de belastingen stijgen, net als de prijzen aan de pomp. Jongeren kunnen niet meer uit huis, blijven jarenlang bij hun ouders op zolder, kunnen zodoende niet verder met de volgende stap in hun leven en stellen gezinsvorming uit of zelfs af. En ondertussen verdwijnt ons thuisgevoel. Het Nederland waarin we opgroeiden, verwatert, verdwijnt, wordt onherkenbaar. Ondertussen staan de grenzen wagenwijd open en elke week zien we 1.000 mensen binnenkomen die onze taal niet spreken en in het overgrote deel van de gevallen onze cultuur, normen en waarden niet onderschrijven, met alle gevolgen van dien. De onveiligheid neemt toe, het leven wordt onbetaalbaar en de zorgen om de toekomst van de volgende generaties worden groter.

Kortweg: Nederlanders, de mensen voor wie en door wie wij hier zitten, voelen zich steeds ongelukkiger en snakken naar broodnodige verandering, een overheid die hun zorgen eindelijk serieus neemt en in actie komt en de fundamentele problemen van Nederland eindelijk oplost, van de totaal uit de hand gelopen massale immigratie tot het steeds lelijker worden van onze openbare ruimte en tot de niet te betalen belastingen. Dat is dus datgene wat in verkiezingstijd voortdurend door de gevestigde machtspartijen wordt beloofd, maar direct weer wordt vergeten zodra de stemmen binnen zijn.

Voorzitter. Dit zou toch moeten kunnen, zou je zeggen, want er werken inmiddels 168.000 mensen voor de Rijksoverheid. 168.000 mensen: met zoveel arbeidskracht tot zijn beschikking zou dit kabinet toch verandering moeten kunnen bewerkstelligen, zou je zeggen. Een koerswijziging is mogelijk: zet al die mensen aan het werk om de echte problemen in Nederland op te lossen en om in het belang van ons eigen land te handelen. We zijn er zo; waarom gebeurt het dan niet? Nou, het gebeurt niet omdat dit kabinet er niet voor de Nederlanders is en zijn ambtenaren niet aan het werk zet voor een betere toekomst voor Nederlanders.

Dit werd voor mij nogmaals benadrukt toen ik mij aan het voorbereiden was op dit debat. Want nee, de afgelopen jaren hebben ambtenaren zich niet beziggehouden met het oplossen van de asielproblematiek of het verlagen van de lasten op arbeid. Nee, zij hebben zich onder het bewind van de minister onder andere beziggehouden met het onderzoek Racisme binnen de Rijksoverheid. In december 2022 zou namelijk zijn gebleken dat er sprake is van institutioneel racisme op ministeries. "Institutioneel racisme": een onzinterm die uitsluiten tot doel heeft om de bevolking van dit land nog verder te vernederen en te knechten. In datzelfde zogenaamde onderzoek wordt vervolgens opgeroepen tot racisme richting blanke Nederlanders. Er wordt gepleit voor biculturele vertrouwenspersonen en een kleurenquotum op de werkvloer. Voorbeelden van het vermeende institutionele racisme waarvoor deze maatregelen nodig zouden zijn, zijn trouwens weerstand bij het organiseren van een iftarmaaltijd op het ministerie, iemand die te horen kreeg niet meer in het team te passen en het ontbreken van een gebedsruimte op de werklocatie; het staat er letterlijk.

Schijnbaar is dat institutioneel racisme en daarmee aanleiding voor actie, want de minister nam deze gekte van ambtenaren nog over ook. In de maatregelen die het Rijk neemt om diversiteit en inclusie te bevorderen, lezen we hoe er gewerkt wordt aan het nastreven van een diverse samenstelling van teams, hoe er met een exitmonitor zicht wordt gehouden op de uitstroom van ondervertegenwoordigde groepen en hoe er via dialoog, inspiratiesessies en Diversity Day gewerkt wordt aan het belang van diversiteit en inclusie op de werkvloer binnen de Rijksoverheid. Dus ja, we zijn op het punt gekomen — je zou het niet voor mogelijk houden — waarbij een Nederlander met perfecte kwalificaties niet aangenomen wordt door de Rijksoverheid omdat er al genoeg Nederlanders op de werkvloer rondlopen. "Sorry meneer, uw cv en motivatie zijn fantastisch, maar wij hebben hier al genoeg witte, bevoorrechte mannen werken en daarom kiezen wij voor Abdullah uit Eritrea": het klinkt deze minister en zijn rijksambtenaren schijnbaar als muziek in de oren als we die stukken lezen; ongelofelijk.

Daarmee zijn we nog niet klaar, want er vindt wat dit kabinet betreft niet alleen binnen de overheid racisme plaats, ook de samenleving zelf zou ervan zijn volgelopen. Om die reden wordt er gewerkt aan een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme. We lezen letterlijk dat dankzij de inzet van bewegingen als Kick Out Zwarte Piet en Black Lives Matter de bewustwording rond dit thema zou zijn toegenomen in Nederland. Ja, dit zijn letterlijke teksten uit een overheidsdocument: Kick Out Zwarte Piet en Black Lives Matter, u weet wel, die organisaties van "ik trap Zwarte Piet hoogstpersoonlijk op zijn gezicht" en demonstraties die uitmonden in het massaal leegplunderen van winkels van hardwerkende ondernemers. Goed om te weten dat deze minister die inzet waardeert en er dankbaar voor is. Dan weten we ook waar de prioriteiten en het moreel kompas van dit kabinet liggen: in ieder geval niet bij de Nederlander.

Voorzitter. Die Nederlander ziet zijn land steeds onherkenbaarder worden, zijn rekeningen hoger worden, de onveiligheid toenemen, zijn thuisgevoel verdwijnen. Die ziet dit land — zijn land, dit prachtige land, ons land, het land dat we zelf op het water hebben veroverd — overgeleverd worden aan pure symboolpolitiek, waardoor de problemen die Nederlanders ervaren alleen maar groter worden, en aan beleid dat volledig is losgezongen van wat er daadwerkelijk speelt bij de mensen thuis. Terwijl die Nederlanders zich zorgen maken over de toekomst, is ons kabinet bezig met zo veel mogelijk diversiteit op de werkvloer, met zo min mogelijk Nederlanders op de werkvloer. Dit kabinet reduceert dit prachtige land tot een plek waar niet hard werken, succes en excellentie beloond worden, maar welke kleur je hebt en waar je vandaan komt. En je komt er bekaaid van af wanneer je toevallig een blanke Hollander blijkt te zijn.

Voorzitter. Dit beleid moet stoppen. Forum voor Democratie wil de Nederlander weer centraal stellen en de echte problemen in dit land aanpakken. Dat betekent de immigratie een halt toeroepen, de doorgeslagen klimaatplannen van tafel, onze soevereiniteit herstellen, het leven weer betaalbaar maken. Wij willen Nederland weer gezellig maken. Maar zolang dit kabinet daar niks aan doet en zich vooral druk maakt over de vraag of er wel of niet halal kan worden gegeten op het ministerie, blijft dat ideaalbeeld, het ideaalbeeld van het prachtige land dat Nederland kán zijn, een illusie.

Voorzitter. Wij zullen ons in ieder geval keihard voor dit prachtige land blijven inzetten. En wat is dat hard nodig! Verandering is mogelijk, maar dan zal een heel snelle koerswijziging noodzakelijk zijn. Ik zeg dus tegen de minister: ga eens aan het werk, stop met dit belachelijke anti-Nederlandse beleid en los eens echt de problemen op.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik kijk even rond en zie een interruptie van de heer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Ik heb een interruptie, maar ik heb ook een punt van orde. Ik snap dat het een gevoelig debat kan zijn en dat mensen geen robots zijn, maar het zou toch fijn zijn dat als hier een Kamerlid aan het woord is, er niet gelachen wordt op de publieke tribune.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik denk dat dat inderdaad duidelijk is. Het is niet aan de publieke tribune om goedkeuring of afkeuring te geven ten aanzien van hetgeen hier gezegd wordt.

De heer Clemminck (JA21):

Dan mijn interruptie richting de heer Schenk. We zien de laatste tijd natuurlijk dat door een levensgevaarlijke mix, een coalitie van islamisten en links, met name onze joodse Nederlanders een zwaar leven hebben in Nederland. We zien het antisemitisme enorm stijgen. Is de heer Schenk van mening dat het antisemitisme in Nederland enorm is toegenomen en dat onze joodse Nederlanders ontzettend kwetsbaar zijn? Welk voorstel zou de heer Schenk hebben om de Nederlandse joden beter te beschermen?

De heer Schenk (FVD):

Dank voor de vraag. Ik denk dat het in algemene zin zo is dat de samenleving behoorlijk aan het verharden is. Dat heeft ook tot gevolg dat er dan inderdaad een toename is van antisemitisme. Ik denk dat dit ook zeker, of misschien wel bij uitstek, te maken heeft met de situatie in het Midden-Oosten. Ik ben het eens met de heer Clemminck wat betreft het punt waarop hij de heer Van Baarle, geloof ik, interrumpeerde, namelijk dat het ook wel in grote mate vanuit islamitische hoek komt. Dus wat willen wij daaraan doen? Ja, het probleem bij de kern aanpakken. Dat betekent grenzen dicht en remigratie.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Clemminck. Hij heeft geen vervolgvraag. Volgens mij was u klaar met uw betoog, meneer Schenk. Dan ga ik graag naar de heer Verkuijlen voor zijn betoog.

De heer Verkuijlen (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Met uw welnemen permitteer ik mij een autobiografische opening. In de vorige eeuw, in 1991, werkte ik als politieman in het wijkteam Koninginneweg in Amsterdam. Daar werden in het Harmoniehof discriminerende, antisemitische pamfletten door de brievenbus gegooid. Discriminatie was geen delict waarmee we als politie dagelijks te maken kregen. Bovendien waren in 1991 het Wetboek van Strafrecht en diverse andere wetten grondig aangepast om discriminatie strafrechtelijk effectiever aan te kunnen pakken. Er bestond onder collega's enige handelingsverlegenheid om deze zaak op te pakken. Ik volgde in die tijd wat modules rechten. Mij viel dus de eer ten deel om een aangifte van verspreiding van materiaal met een discriminerende inhoud op papier te zetten. Voor fijnproevers: dat gaat om artikel 137e van het Wetboek van Strafrecht. Op dat moment kon ik niet vermoeden dat ik 35 jaar later, vandaag hier in de Kamer, een debat over discriminatie zou voeren. Want wat ziet Nederland er in 2026 met betrekking tot dit onderwerp anders uit, mede door de in 1994 ingevoerde Wet gelijke behandeling, de aanstelling van een nationaal coördinator en de verscheidenheid aan meldpunten. Daartegen blijft de aanleiding, het grote aantal meldingen, zorgwekkend.

Voorzitter. Iedereen moet in Nederland vrij en veilig zichzelf kunnen zijn. Discriminatie, racisme, antisemitisme, moslimhaat, lhbti-haat en andere vormen van uitsluiting horen niet thuis in onze samenleving. Toch zien we nog iedere dag dat mensen worden buitengesloten van de arbeidsmarkt, online, op school en zelfs binnen de overheid. Dat vraagt niet alleen om mooie woorden, maar vooral om concrete maatregelen en zichtbare resultaten.

Voorzitter. Ik wil beginnen met discriminatie binnen de overheid. Juist de overheid moet het goede voorbeeld geven; noblesse oblige, tenslotte. Het recente personeelsonderzoek laat echter een zorgelijk beeld zien van racisme en discriminatie op de werkvloer binnen de Rijksoverheid. Medewerkers geven aan dat zij onvoldoende vertrouwen hebben in de bestaande meldstructuren en dat zij eraan twijfelen of meldingen bij vertrouwenspersonen daadwerkelijk vertrouwelijk blijven. Dat is ernstig, want wanneer medewerkers zich niet veilig voelen om discriminatie te melden, ontstaat er een stilzwijgen in plaats van verbetering. Daarom wil ik van de minister weten of het gebrek aan vertrouwen volgens hem alleen samenhangt met vertrouwelijkheid of dat ook de onafhankelijkheid van de vertrouwenspersonen een rol speelt. Is de minister bereid om te onderzoeken of externe onafhankelijke vertrouwenspersonen binnen de Rijksoverheid noodzakelijk zijn? Hoe gaat de minister concreet meten of het vertrouwen in vertrouwenspersonen binnen de Rijksoverheid verbetert? Daarnaast heeft de staatscommissie in 2025 een discriminatietoets ontwikkeld — die is al door meerdere collega's aangehaald — voor de dienstverlening in de publieke sector. Dat lijkt mijn fractie een belangrijk instrument om discriminatie vroegtijdig mee te signaleren, maar een instrument heeft alleen waarde als het ook daadwerkelijk wordt toegepast. Daarom vraag ik de minister of deze discriminatietoets inmiddels verplicht is binnen de Rijksoverheid. Kan die verplichting er komen? Zo nee, waarom niet?

Met betrekking tot divers en inclusief bestuur is het fenomeen geconstateerd dat ondervertegenwoordigde groepen, zoals vrouwen, vaker slachtoffer zijn van bedreiging en intimidaties. Het is goed dat er bij afzonderlijke regelingen rekening wordt gehouden met het karakter van hun politieke ambt. Dat is een onderwerp waar mevrouw Rajkowski, mijn fractiegenote, zich hard voor heeft gemaakt. Zo wordt voor vrouwelijke volksvertegenwoordigers onder meer de wettelijke belemmering weggenomen om zich bij aanvang van hun ambtsperiode wegens zwangerschap direct te laten vervangen. Ook kan de vervanging met een maand verlengd worden in plaats van met vier maanden. In plaats van te spreken van "tijdelijk ontslag" wordt "tijdelijke ontheffing" aangehouden. Mijn fractie wil graag van de minister weten wat de status is van die regeling. Wanneer wordt deze volledig ingevoerd? Hoe wordt ervoor gezorgd dat gemeenten en andere bestuurslagen deze regeling ook goed uitvoeren?

Met betrekking tot bedreigingen en intimidaties lees ik goede ontwikkelingen, zo ook dat de minister persoonlijk bedreigde lokale politici belt. De veiligheidsprotocollen in gemeenten missen nog in de actieve stimulans. Verschillende gemeenten beschikken nog niet over duidelijke veiligheidsprotocollen of adequate ondersteuning voor raadsleden, wethouders en burgemeesters die met agressie en geweld te maken krijgen. Daarom vraag ik de minister of hij bereid is om de regie te nemen en ervoor te zorgen dat er in alle gemeenten dergelijke veiligheidsprotocollen worden ingevoerd. Ook vraag ik hem om gemeenten daarbij zo nodig te ondersteunen. Daarnaast vraag ik de minister of hij van mening is dat alle politieke ambtsdragers, met specifieke aandacht voor de kwetsbare positie van vrouwen, beter beschermd moeten worden tegen agressie, intimidatie en geweld. Zo wil ik graag van de minister weten of er specifieke aandacht is voor de online-intimidatie van vrouwelijke politici en van politici in het algemeen.

Voorzitter. Tot slot kom ik bij de discriminatiecijfers. Meten is weten. We hebben het al over verschillende aspecten hiervan gehad. Goede cijfers zijn essentieel om effectief beleid te maken. De discriminatiecijfers geven een belangrijk beeld van meldingen en ervaringen, maar zonder de gegevens van het Openbaar Ministerie blijft een deel van de werkelijkheid buiten beeld. Het OM constateert bijvoorbeeld een stijging van strafbare discriminatie tegen ambtenaren en buitengewoon opsporingsambtenaren tijdens hun werkzaamheden. Daarbij gaat het onder andere om discriminatie op grond van ras, huidskleur en seksuele geaardheid. Dat zijn belangrijke signalen die niet genegeerd mogen worden. Ik vraag de minister daarom of hij bereid is om de gegevens en analyses van het Openbaar Ministerie structureel mee te nemen in het landelijk beeld van de discriminatiecijfers over 2026. Kan de minister toezeggen dat deze cijfers voortaan integraal worden gepresenteerd, zodat beleid gebaseerd wordt op een volledig overzicht van meldingen, aangifte en strafrechtelijke vervolging?

Voorzitter. Discriminatie ondermijnt vertrouwen, gelijkwaardigheid en sociale cohesie. Daarom moeten we niet alleen reageren op incidenten, maar vooral structureel werken aan een overheid en samenleving waarin iedereen daadwerkelijk gelijk wordt behandeld.

Dat brengt mij bij het einde van mijn bijdrage, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Verkuijlen. Ik kijk rond en zie geen interrupties. Daarmee komen we aan het einde van de eerste termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven dat hij 40 minuten de tijd nodig heeft. Er zijn heel veel vragen gesteld, dus dat begrijp ik heel goed. Laten we hier dus om 16.40 uur weer terugkomen. Ik schors tot dan.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Wij komen nu toe aan de eerste termijn van de minister. Gezien de tijd wil ik graag vier interrupties vanuit de Kamer toelaten. Ik ga echt kijken hoelang de interrupties zijn en na 30 seconden ga ik echt wel ingrijpen. Probeer het dus kort en bondig te houden. Ik vraag de minister om de blokjes in ieder geval door te geven. Het verzoek is om vragen aan het einde van het blokje te stellen. Het woord is aan de minister.

Minister Heerma:

Voorzitter. Ik ga vanwege het grote aantal vragen een vrij korte inleiding houden. Aan het einde van die inleiding zal ik de blokjes benoemen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het met de hoeveelheid vragen en onderwerpen die er waren heel veel blokjes zouden worden. Ik heb er dus voor gekozen om dat juist niet te doen. Het zijn dus een beperkt aantal blokjes, maar daarmee zijn het wel heel grote blokken. Dat is de realiteit. Het is aan u, voorzitter, of u tussendoor vragen toestaat of aan het einde van een blok. Ik vind het wel eerlijk om te zeggen dat het echt grote blokken zijn.

Voorzitter. Discriminatie en racisme zijn in onze samenleving een hardnekkige, pijnlijke realiteit en moeten krachtig worden bestreden. Artikel 1 van de Grondwet is heel duidelijk: iedereen dient in gelijke gevallen gelijk behandeld te worden. De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme verwoordde het heel mooi bij de opening van de Week tegen Racisme en Discriminatie bij het ministerie van BZK. Het mooie van artikel 1 van de Grondwet is dat het gelijkheid én verschil beschermt. Iedereen is gelijk en verschillen mogen er zijn. Daar kunnen we trots op zijn en dat moeten we waarborgen.

Niemand zou geconfronteerd moeten worden met haat, intimidatie, uitsluiting en geweld om welke reden dan ook. Mensen moeten vrij en veilig zijn om zich te kunnen uiten. Ik ben mij ervan bewust dat het veranderende politieke klimaat van de afgelopen periode niet altijd heeft bijgedragen aan een daadkrachtige en consistente aanpak van discriminatie. Ik ben voornemens om met dit kabinet betekenisvolle stappen te zetten op terreinen waar uw Kamer zich al langere tijd hard voor maakt. Ik voel dit als mijn verantwoordelijkheid als minister van Binnenlandse Zaken en als hoeder van de Grondwet.

Voorzitter. Afgelopen april heb ik de discriminatiecijfers over 2025 in ontvangst genomen. Daaruit blijkt dat er wederom een stijging is van het aantal meldingen. Tegelijkertijd zijn de cijfers niet voldoende representatief om het daadwerkelijke aantal mensen dat discriminatie ervaart te kunnen vaststellen. Volgens mij heeft de voorzitter daar in zijn termijn ook aan gerefereerd. Zelfs ogenschijnlijk kleine voorvallen kunnen een grote impact hebben op mensen en raken daarmee uiteindelijk ook hun vertrouwen in de samenhang in onze samenleving. In mijn voormalige rol als Kamerlid, aan die kant van de debatten, ging dit onderwerp mij ook al aan het hart. In 2020 heb ik daarom samen met oud-collega Asscher een motie ingediend met het verzoek om een divers samengestelde staatscommissie tegen discriminatie en racisme in te stellen. De staatscommissie is er gekomen en heeft sindsdien al diverse waardevolle adviezen uitgebracht, waar ik nog verder op in zal gaan. Ik kijk uit naar het eindrapport, dat binnenkort verschijnt.

Ik zie het als een grote verantwoordelijkheid om nu in de rol van coördinerend minister richting te mogen geven aan de aanpak van discriminatie. Ik heb als minister het voorrecht gehad om in mijn eerste maanden al een aantal dossiers met een lange voorgeschiedenis een stapje verder te brengen. Hierbij ging het bijvoorbeeld om de herziening van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen, ADV's, en om het opnemen van eenzijdig overheidshandelen in de Algemene wet gelijke behandeling. Over beide onderwerpen zijn vragen gesteld, waar ik zo op zal komen. Er is nog meer werk aan de winkel op het vlak van discriminatiebestrijding. Daar wil ik mij samen met het kabinet voor inzetten. Dat is een verantwoordelijkheid die we, en ik, ook voelen.

Tegelijkertijd is het ook een beroep op ons allemaal als politici, dus ook de Kamer, om samen de norm uit te dragen dat discriminatie niet oké is. Ik heb al herhaaldelijk gezegd — er is in dit debat al aan het bedreigen van lokale politici gerefereerd — dat wij allemaal de verantwoordelijkheid hebben om met de toon en de woorden die wij kiezen olie op de golven in plaats van olie op het vuur te gooien. Ik ben mij daar zeer bewust van. Ik heb mij daar bij herhaling, wanneer ik dat zie gebeuren, ook over uitgesproken.

Afsluitend van mijn inleiding. Dit kabinet neemt discriminatie in alle vormen uiterst serieus en blijft zich inzetten voor een samenleving waarin iedereen zich veilig en gelijkwaardig voelt. Het kabinet werkt daarom breed aan de aanpak van alle vormen van discriminatie en blijft in gesprek met de NCDR, de staatscommissie, maatschappelijke organisaties en betrokken gemeenschappen om tot een effectieve en samenhangende aanpak te komen. Het gezamenlijke doel blijft helder: een Nederland waarin discriminatie geen ruimte krijgt.

Voorzitter. Ik zal de vele vragen die in eerste termijn gesteld zijn zo goed mogelijk proberen te behandelen. Dat ga ik in drie blokken doen: eerst algemeen, dan specifieke gronden en groepen, en afsluitend discriminatie bij de overheid.

Ik wil starten bij de bijna filosofische vraag die Kamerlid Van den Brink van het CDA stelde: waarom discrimineren we überhaupt? Waar komt het vandaan? Discriminatie is het achterstellen of uitsluiten van mensen op basis van wettelijk beschermde persoonskenmerken, zoals geslacht, seksuele gerichtheid, afkomst of handicap. Discriminatie ontstaat door stereotype denkbeelden over mensen die ons zijn aangeleerd. Er is heel veel onderzoek gedaan naar hoe stereotypen werken. Stereotypen helpen mensen om orde aan te brengen in de stroom van indrukken die zij te verwerken krijgen. Het is daarmee een soort efficiencymaatregel in de hersenen. Die stereotypen zijn vervolgens behulpzaam in het indelen van mensen in groepen. Dat sluit aan bij de behoefte van mensen om bij een groep te horen en de eigen groep als positief te zien. De positieve identiteit kan worden verkregen door opwaardering van de eigen groep of de afwaardering van andere groepen.

Dit proces van groepscategorisering heeft onbedoeld grote effecten, omdat het negatieve beelden van anderen vergroot. Het kan ertoe leiden dat de leden van die groep als allemaal hetzelfde worden gezien, zonder dat er werkelijk naar iemands capaciteiten, naar het individu en de eigenschappen wordt gekeken. Zo kunnen mensen denken dat een mannelijke sollicitant geen aansluiting zal vinden in een team dat enkel uit vrouwen bestaat, dat een oudere werknemer niet flexibel genoeg zou zijn om voor promotie in aanmerking te komen of dat een leerling met een beperking een opleiding niet met succes zou kunnen afronden. Dit is niet alleen een gemiste kans voor individuele gevallen, maar ook voor de samenleving als geheel. Dit is een poging om een antwoord te geven op de vraag van de heer Van den Brink, maar daarin zit dus ook verweven waarom we alert moeten zijn op de risico's en de gevolgen hiervan en waarom we met elkaar racisme en discriminatie moeten bestrijden.

Diverse leden, waaronder de heer Bamenga en de heer Van den Brink, vroegen: is de minister bereid om stevige normen te stellen en te normeren bij discriminatie en racisme? Ik heb hier in mijn inleiding ook al iets over gezegd. Als coördinerend minister zal ik richting geven aan de aanpak van discriminatie en ben ik verantwoordelijk voor de kaders die zijn vastgesteld in artikel 1 van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling. Samen met het kabinet wil ik betekenisvolle stappen zetten om die kaders en de infrastructuur voor gelijke behandeling te versterken. Waar nodig zal ik mij uitspreken en de norm uitdragen dat discriminatie niet oké is. Het vellen van een oordeel of er in specifieke gevallen sprake is van discriminatie is voorbehouden aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens. Het uitdragen van de norm moeten we met z'n allen doen; dat gaf ik in mijn inleiding ook aan. Dat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. We hebben als politici ook een voorbeeldfunctie. Dat is in de eerste termijn van de Kamer ook langsgekomen. Onze uitspraken kunnen een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen daar tegenover elkaar staan, zo heeft de staatscommissie in haar rapportages ook laten zien.

Dan nog een vraag van de heer Bamenga. Dit is een vraag die een bewindspersoon aan de start van zijn termijn eigenlijk in elk debat krijgt. Hij vroeg: wanneer vindt u uw termijn succesvol? Welke stappen wilt u gezet hebben? Wanneer is er voldoende vooruitgang geboekt? Ik zie als minister voor de komende jaren drie prioritaire thema's als het gaat om de aanpak van discriminatie. Eén: het aanpakken van discriminatie door de overheid zelf. Twee: het melden van discriminatie en het versterken van de antidiscriminatievoorzieningen. Drie, last but not least: het tot stand brengen van een nieuwe rijksbrede aanpak van discriminatie. Naar de motie daarover is veel verwezen in dit debat. Ik doe dit door te werken aan de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling met eenzijdig overheidshandelen en door aan de slag te gaan met de adviezen van de staatscommissie tegen discriminatie en racisme. Ook zal het nieuwe rijksbrede Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme onder de coördinatie van mijn ministerie worden opgesteld. Daarin wordt ook de voortgang van de aanpak van discriminatie bewaakt. Ik zie het ten slotte als mijn rol om heldere kaders te stellen om discriminatie aan te pakken en ervoor te zorgen dat de staatscommissie en de NCDR goed kunnen functioneren en dat hun adviezen worden opgevolgd.

De heer Van den Brink vroeg naar de grens tussen discriminatie en het hebben van kritiek op ideeën. Dat ging dus deels ook over de vrijheid van meningsuiting. Al mijn apparaten beginnen … De minister herpakt zich even. De vrijheid van meningsuiting brengt met zich mee dat je in Nederland van mening mag verschillen, ook over gevoelige onderwerpen als genderbeleid of ideologieën, en dat je je mening mag uiten. Het is wat mij betreft terecht dat de grens voor stafbare meningsuiting in Nederland heel hoog ligt. Het is echt niet zo dat je in Nederland niks meer kunt zeggen. Er kan in Nederland binnen de grenzen van het strafrecht heel veel gezegd worden. Iets anders is dat op basis van bepaalde opvattingen bijvoorbeeld mensen ten onrechte worden geweigerd in horecagelegenheden, geweigerd worden bij een baan of financiële dienstverlening wordt geweigerd. Dan komen we binnen het discriminatiedomein en eenieder heeft zich aan de gelijkebehandelingswetten te houden.

De heer Bamenga vroeg wat we gaan doen na het beëindigen van het werk van de staatscommissie om scherp te blijven op mogelijke institutionele discriminatie. Mijn antwoord daarop is dat niet alleen de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme mij als minister en ons ministerie van BZK scherp houdt op mogelijk institutioneel racisme. De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme is juist ingesteld om ons scherp te houden en heeft ook een waakhondfunctie. Ook het College voor de Rechten van de Mens doet dat. Daarnaast zorgt het vervolgtraject van bijvoorbeeld de Discriminatietoets, waar we straks verder op terugkomen, voor blijvende aandacht voor de aanpak van institutionele discriminatie, net als het uitbreiden van de Algemene wet gelijke behandeling met eenzijdig overheidshandelen en dus al het overheidshandelen. De staatscommissie komt op 8 juni met haar eindrapport en daar kijk ik naar uit.

Mevrouw Tseggai had het in het haar termijn over dossiers die te lang zijn blijven liggen. Ze refereerde aan stilstand, maar ze gaf ook een oordeel over mijn voorgangers. Ik hoop dat u begrijpt dat ik geen oordeel uit ga spreken over mijn voorgangers, maar ook dat ik niet in dit deel van premisse van de vraag wil stappen. Dat dossiers lang zijn blijven liggen, hoeft niet per definitie verband te houden met de opstelling van bewindspersonen. Tegelijkertijd, zeg ik in antwoord op de vraag, kunt u mijn inzet op discriminatiebestrijding afleiden uit de stukken die ik in mijn eerste maanden als minister naar de Kamer heb gestuurd. Bij mijn aantreden heb ik een aantal dossiers aangetroffen die vertraging hadden opgelopen, soms al enige tijd. Daarom begrijp ik de vraag van mevrouw Tseggai heel goed. Dat gold bijvoorbeeld voor eenzijdig overheidshandelen en de versterking van antidiscriminatievoorzieningen. Ik heb in mijn eerste maanden dus stappen gezet op deze dossiers, die soms volgden op bij meerderheid en soms bij herhaling met meerderheid aangenomen moties in de Kamer. Ik heb uw Kamer daar via brieven daarover geïnformeerd. Zoals ik in mijn inleiding heb geschetst, zal ik een aantal prioriteiten stellen en die zo goed mogelijk verder proberen te brengen.

Mevrouw Tseggai had het ook over de versnippering van discriminatiebeleid. Het is inderdaad zo dat veel ministeries zich bezighouden met onderdelen van discriminatie. Discriminatie is als fenomeen zeer divers en dat vraagt ook om bestudering, actie, klachtbehandeling en bijstand van slachtoffers. Er zijn diverse organisaties en ministeries die zich daarmee bezighouden en dat is, als ik heel eerlijk ben, ook goed. Het ministerie van OCW zet bijvoorbeeld specialisten in op het terrein van onderwijs met een netwerk in het veld, het minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het terrein van de arbeidsmarkt en zo verder. Die specialistische kennis en contacten zijn nodig om beleid te kunnen maken dat daadwerkelijk impact heeft.

Mevrouw Tseggai vroeg naar de voortzetting van het nationaal programma. In december 2025 zijn de denkrichtingen voor een nationaal programma met een meerjarenagenda door mijn voorganger naar uw Kamer gestuurd. De komende periode inventariseer ik deze denkrichtingen en ga ik na of die aansluiten bij de ambities van het huidige kabinet. Daarnaast ben ik samen met andere departementen begonnen aan de overkoepelende aanpak van discriminatie waar uw Kamer om heeft gevraagd, door te inventariseren hoe die eruit zal komen te zien en welk proces we gaan volgen om daar te komen. Mijn ministerie coördineert dit proces in overleg met alle betrokken ministeries en de NCDR. Zo voorkomen we een versnippering van de rijksbrede aanpak van discriminatie. Het eindrapport van de staatscommissie waar ik het al een aantal keren over heb gehad en dat op 8 juni komt, wil ik graag in dit programma mee kunnen nemen. Na de zomer zal ik u informeren over het tijdpad van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme.

De heer Van Baarle vroeg naar de aangenomen motie over streefcijfers. Een aanpak met betrekking tot streefcijfers is opgenomen in de denkrichtingen die in december 2025 naar de Kamer zijn gestuurd ten behoeve van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 2025-2029. De denkrichtingen zijn formeel gezien geen beleidsstuk van het kabinet. Het zijn, zoals de naam al zegt, denkrichtingen ten behoeve van een programma. De komende periode bekijk ik of de denkrichtingen aansluiten bij de ambities van dit kabinet. Vervolgens zal ik nagaan hoe wij deze denkrichtingen kunnen verwerken in het door uw Kamer gevraagde nationaal programma. Dat geldt dus ook voor de aanpak op streefcijfers naar aanleiding van de ingediende motie.

Mevrouw Tseggai vroeg om een onderzoek naar de maatschappelijke kosten van discriminatie en racisme. Het eerlijke antwoord is dat het heel ingewikkeld is om in kaart te brengen wat de kosten zijn in voorbeelden van racisme en discriminatie. Naar aanleiding van gevallen van discriminatie en racisme is de aanpak van discriminatie binnen de hele Rijksoverheid versterkt en zijn verschillende hersteloperaties in gang gezet als het daarbij ging om discriminatie door de overheid. Deze versterkingen en hersteloperaties zijn verweven met allerlei beleidsterreinen op een groot aantal verschillende departementen. Het is niet mogelijk om de precieze financiële kosten van discriminatie en racisme bij de overheid in kaart te brengen. Ik kan u dat dus niet toezeggen.

Een aantal woordvoerders begon over de mooie ambities in het coalitieakkoord. Ook werd verwezen naar de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling met eenzijdig overheidshandelen en gevraagd of de financiële middelen er wel zijn om deze mooie maatregel ook uit te voeren. Voor de maatregelen voor de aanpak van discriminatie uit het regeerakkoord en de beleidsbrief van het ministerie zijn op de begroting middelen gereserveerd. Dit geldt ook voor de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling met eenzijdig overheidshandelen. Zowel de ADV's als het CRM zullen meer meldingen en oordelen moeten gaan verwerken. Daarvoor zal een passende financiering beschikbaar worden gesteld. Voor dit traject is op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een bedrag van 3,5 miljoen euro per jaar gereserveerd, zoals ook toegelicht in de Kamerbrief waarin het wetstraject is aangekondigd. Ook voor de versterking van antidiscriminatievoorzieningen zijn financiële middelen gereserveerd, zoals toegelicht in het conceptwetsvoorstel.

In het verlengde hiervan stelde de heer Van Baarle een vraag die een bewindspersoon bijna in elk debat in een bepaalde vorm tegenkomt, namelijk: kan er meer geld komen? In dit geval was de vraag zelfs: kan de minister garanderen dat de aanpak van discriminatie in het nationaal programma uitgezonderd kan worden van een bezuiniging op de rijksbrede begroting? U zult begrijpen dat ik dit niet kan toezeggen. Die vraag zou je dan namelijk in elk debat krijgen en dan zou je dat in elk debat moeten toezeggen. Dit kan ik dus niet doen.

Het lid Keijzer vroeg om een volledig overzicht van alle financiering binnen de Rijksoverheid in het kader van discriminatie en inclusie. Zij gaf ook aan dat dat niet in de eerste termijn gegeven hoefde te worden, maar dat zij overzicht wel graag wilde ontvangen. Voor de budgetten voor diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusie verwijs ik naar het overzicht dat al eerder naar de Kamer is gestuurd, namelijk op 14 januari 2025. Ik zie de heer Clemminck knikken. Het is niet gek dat hij degene is die knikt, want dat overzicht van de uitgaven voor de komende jaren is naar aanleiding van vragen die JA21 heeft gesteld, naar de Kamer gestuurd.

De heer Verkuijlen van de VVD vroeg of de gegevens en analyses van het OM structureel meegenomen kunnen worden in landelijke cijfers. Hij vroeg of de minister kan toezeggen dat deze cijfers voortaan integraal worden gepresenteerd, zodat beleid gebaseerd kan worden op meldingen en strafrechtelijke vervolgingen. Het eerlijke antwoord is dat ik geen meerwaarde zie in één rapportage. Het rapport Discriminatiecijfers in 2025, de MAR-rapportage, en het rapport Strafbare discriminatie in beeld 2025 van het OM hebben elk een ander doel, een andere opdracht en een andere opdrachtgever. In zekere zin vermengen we hier appels met peren. Het MAR gaat immers over de registratie van ervaren discriminatie, terwijl het OM inzicht biedt in de hoeveelheid discriminatiefeiten dat in één jaar door het OM in behandeling wordt genomen en aangeeft om wat voor feiten het daarbij gaat. De registraties in het MAR zijn dan ook niet een-op-een te koppelen aan de feiten die het OM in behandeling heeft genomen.

De heer Van den Brink vroeg in zijn termijn naar de taalgids. Hij zei dat de overheid toch geen taal moet voorschrijven. De gids waar hij in zijn vraag op doelt, heeft nooit tot doel gehad om taal te verbieden of op te leggen. Het was een intern hulpmiddel van het ministerie van OCW om medewerkers te ondersteunen. Medewerkers behouden alle ruimte bij hun professionele oordeelsvorming en het schrijven van stukken. Er is geen sprake van een overheid die bepaalt hoe mensen met elkaar praten. Uw Kamer heeft met de motie van het lid Van Houwelingen verzocht deze taalgids in te trekken en het gebruik daarvan binnen het ministerie van OCW per direct te beëindigen. Deze motie wordt op het ministerie van Onderwijs op dit moment uitgevoerd. De staatssecretaris zal u daar binnenkort over informeren.

Dit is het einde van het blok algemeen.

De voorzitter:

Nou, top. Dank u wel. Ik zie een aantal handen omhooggaan. Volgens mij was mevrouw Tseggai de eerste en dan de heer Verkuijlen en de heer Flach. Mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Mag ik misschien eerst een punt van orde maken over een Babylonische spraakverwarring? De minister gaf antwoord op mijn vraag over het onderzoek naar de kosten. Toen zei hij: we kunnen de kosten van de overheid voor de aanpak niet … Maar mijn vraag ging over de maatschappelijke kosten van discriminatie en racisme. Misschien kan hij daar in de tweede termijn op terugkomen.

De voorzitter:

Misschien kunt u gewoon even uw vraag stellen, en dan gaat de minister daar zo op reageren.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Oké. Ik heb een punt gemaakt over de versnipperde verantwoordelijkheden en aanpak. De minister zegt dat het heel goed is dat mensen rijksbreed aan antidiscriminatiebeleid werken. Daar ben ik het helemaal mee eens. Mijn punt is dat ik het niet logisch en niet bevorderlijk vind dat verschillende discriminatiegronden onder verschillende departementen vallen. Het is mij bijvoorbeeld onduidelijk waarom moslimdiscriminatie bij SZW hoort, waarom genderdiscriminiatie bij OCW hoort et cetera et cetera. Ik vroeg mij af waarom het kabinet daarvoor gekozen heeft.

Minister Heerma:

Ik vind het prima om in tweede termijn nog terug te komen op dat wat mevrouw Tseggai zojuist een Babylonische spraakverwarring noemde. Dat antwoord gaat niet heel anders zijn dan het antwoord dat ik net gaf. Misschien toch een aanvulling op wat ik zojuist heb gezegd. Je kunt er een hele analyse van maken: waarom zijn bepaalde onderdelen bij bepaalde departementen ondergebracht? Daar is vaak ook een beleidsmatige reden voor. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de beste plek voor arbeidsmarktdiscriminatie omdat het daar de beste kennis over heeft. Ik gaf het voorbeeld van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zojuist ook al. Daarnaast heeft deze verdeling ook een historische reden. Dat is de plek waar de expertise is opgebouwd, waar mensen zich daarmee al jaren bezighouden en waar overigens vaak al veel debatten zijn gevoerd. Dat weet ik door mijn ervaring uit de debatten waarin ik aan de andere kant zat. Het aanpassen van deze verdeling zou een enorme reorganisatie vergen. Ik zou dat ook niet bevorderlijk vinden voor de voortgang van de aanpak. Ik begrijp wel dat mevrouw Tseggai zegt dat we moeten voorkomen dat het versnipperd raakt. Daarom heb ik zojuist ook naar aanleiding van de motie-Van Baarle aangegeven wat wij op dit moment doen qua coördinatie om te komen tot die aanpak waarvan ik heb aangeven dat ik na de zomer met de uitwerking en een tijdpad zal komen. Dat gebeurt dus onder de coördinatie van BZK, maar in samenwerking met alle betrokken departementen.

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik hoor de minister als hij zegt dat hij geen toegevoegde waarde ziet in het combineren van de OM-cijfers en wat er uit de discriminatiemonitor komt. Nou ben ik een weegschaal, dus heb ik altijd moeite met dat soort zaken. We hebben het meerdere keren in de commissie, net ook in het debat, erover gehad dat er een grondslag ligt, wettelijk en juridisch, waarop je niet mag discrimineren, geen haat mag zaaien en al die dingen. Als bij de beschrijving van het fenomeen onvoldoende duidelijk blijft wat nou het effect is geweest, waar je de wet hebt geraakt en met name wat het vervolg is geweest ...

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik wil de minister vragen om daar nog eens een keer op te reflecteren. Ik mis de afhandeling van die zaken. Anders krijg je alleen een fenomeenbeschrijving, waarbij we nota bene ook nog zeggen dat 95% nog ergens zweeft. Als we in Nederland wetten en regels hebben ... Anders had ik verwacht dat de cijfers van het OM er zeker bij hadden gezeten.

Minister Heerma:

Wellicht kom ik hier in tweede termijn nog even op terug, maar volgens mij is er al aan gewerkt om dit soort cijfers ongeveer gelijktijdig naar buiten te laten komen, zodat je ze in samenhang kunt bezien. De vraag was echter of het niet samengevoegd moest worden in één stuk, maar daar ben ik geen voorstander van.

De voorzitter:

Ik zie nog een vervolgvraag van de heer Verkuijlen.

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik wacht rustig de reactie van de minister in de tweede termijn af.

De heer Flach (SGP):

Ik heb in mijn bijdrage meer dan een pagina gewijd aan de inflatie van het begrip "discriminatie". Als ik goed heb opgelet, heb ik een reactie van de minister daarop gemist. Misschien was het wat te retorisch, maar ik heb er wel de vraag aan gekoppeld of de minister vindt dat dit niet om een behandeling vraagt, die compulsieve discriminatiestoornis uit mijn metafoor. Wellicht kan de minister daarop reageren.

Minister Heerma:

Zoals ik in het begin heb aangegeven, was de keuze tussen heel veel kleine blokjes en een paar grote blokken. Ik heb net een algemeen blok gehad, ik heb een vrij groot blok, het grootste blok, over specifieke gronden, context en groepen discriminatie. Het was een stukje zelfevaluatie, wellicht wat retorisch, maar volgens mij zit in dit blok de beantwoording van de vraag van de heer Flach.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dank voor het antwoord over de taalgids, maar toch een vervolgvraag daarover. U zegt: het is een intern hulpmiddel en er wordt gekeken hoe de motie wordt uitgevoerd. Mij gaat het niet zozeer om de gids als zodanig, maar meer om de gedachte daarachter, namelijk dat de overheid veel verder gaat dan het voorkomen van discriminatie en ook nadenkt over hoe wij daarover met elkaar moeten praten. Vindt u dat een taak van de overheid?

Minister Heerma:

Over de taalgids is uitgebreid gesproken. Daarover is ook een motie aangenomen. Onderdeel van mijn antwoord is dat de overheid niet voorschrijft welke woorden je wel of niet mag gebruiken.

De voorzitter:

Ik zie verder geen vragen in dit blok. Dan vervolgt de minister zijn betoog.

Minister Heerma:

Laat ik beginnen met de heer Flach. Zijn vraag, al dan niet wat retorisch gesteld, is: voelt inmiddels niet iedereen zich gediscrimineerd in ons land? Artikel 1 van de Grondwet is een belangrijk fundament van onze democratische rechtsstaat, voor iedereen in onze samenleving. De overheid maakt een strikt onderscheid tussen enerzijds zich gekwetst voelen, wat een persoonlijke opvatting is en erbij kan horen in een samenleving waar ruimte is voor verschillen en verschillende perspectieven, en anderzijds feitelijke discriminatie of haat zaaien, wat strafbaar is volgens de wet. Het is niet aan de overheid om te bepalen of iemand zich terecht of te snel gediscrimineerd voelt. Ik wil ervoor waken om reële discriminatie die mensen kansen ontneemt te bagatelliseren als overgevoeligheid. Daarom investeren we ook in gelijke behandeling, in het meldpunt en het college. Zij hebben de expertise om het onderscheid te maken.

Mevrouw Tseggai zou graag willen weten hoe er aandacht wordt besteed aan discriminatie van specifieke groepen. Zij benoemde daarbij onder andere anti-Aziatisch racisme. Vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is er specifieke inzet op het voorkomen van discriminatie op basis van afkomst, religie en herkomst. Hier vallen anti-Aziatisch racisme, antizwart racisme en moslimdiscriminatie ook onder. De inzet is om beter te begrijpen welke mechanismen hierachter zitten door hier nader onderzoek naar te doen alsook door in samenspraak met de betreffende gemeenschappen na te gaan waar verbetermogelijkheden zitten. Zo wordt er bijvoorbeeld nader onderzoek gedaan naar de doorwerking van het slavernij- en koloniaal verleden in hedendaags racisme en werken we aan het versterken van de lokale aanpak van antizwart racisme via de inzet van intermediairs. Op het gebied van moslimdiscriminatie heeft het vorige kabinet de Kamer eind 2025 per brief geïnformeerd.

De heer Ceder sloot zijn termijn af met, zoals hij zei, actualiteit. Hij ging onder andere in op het feit dat een Joodse school vandaag dicht blijft. Hij gaf aan dat dat onacceptabel is. Ik ben het met de heer Ceder eens dat het onverteerbaar is dat een school dicht moet blijven vanwege externe dreiging. Ik kan hier in dit debat weinig zeggen over de aard en de motivatie van de dreiging. De heer Ceder sloot af met de vraag of ik met hen in gesprek wil gaan. In antwoord daarop moet ik toch aangeven dat de minister van Justitie en Veiligheid hier verantwoordelijk voor is. Ik weet dat hij heel nadrukkelijk over deze onderwerpen in gesprek is met de instellingen die met dit soort dreigingen te maken hebben. Ik vind niet dat ik dat als minister van Binnenlandse Zaken dan ook moet gaan doen. De minister van JenV heeft hier heel nadrukkelijk tijd en aandacht voor.

De heer Clemminck vroeg naar een onderzoek naar de intolerantie richting Joden en de Joodse gemeenschap. De samenleving is niet gebaat bij een onderzoek dat erop gericht is om groepen de maat te nemen en tegen elkaar op te zetten. Er zijn voldoende onderzoeken voorhanden die de beleving van sociale cohesie en spanningen tussen bevolkingsgroepen in beeld brengen. Ik verwijs daarvoor onder meer naar de uitgebreide studie Samenleven in de toekomst uit 2024, de vijfjaarlijkse survey Samenleven in Nederland en de studie De toekomst in meervoud van het Sociaal en Cultureel Planbureau en de studie Buitengesloten voelen in de samenleving van dit jaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

De heer Flach vroeg of er niet sprake is van inflatie van het discriminatiebegrip. Ik wil daarop zeggen dat ik elke vorm van geweld en antisemitisme veroordeel, maar ik moet de heer Flach ook expliciet tegenspreken op het punt dat antisemitisme gerelativeerd zou worden. Met enige regelmaat vinden hierover debatten plaats in uw Kamer, het meest recente, afgelopen maand nog, over het rapport Gevangen in Vrijheden van de Taskforce Antisemitismebestrijding. Er zijn, terecht overigens, aanzienlijke budgetten vrijgemaakt voor de bestrijding van antisemitisme en we beschikken, naar mijn mening ook weer terecht, over een Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding.

De heer Van Baarle van DENK vroeg naar de inzet met betrekking tot moslimhaat. Iedere vorm van discriminatie en racisme in Nederland is onacceptabel. Het coalitieakkoord is daar heel duidelijk over. Verschillende groepen in onze samenleving ervaren verschillende vormen van discriminatie. Het is goed om altijd in ogenschouw te nemen waar op dit gebied extra stappen nodig zijn. In de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie is uiteengezet hoe de aanpak van moslimdiscriminatie als onderdeel van de kabinetsbrede integrale aanpak vormgegeven wordt. Met betrekking tot een aparte coördinator vindt het kabinet dit niet opportuun. Er is een coördinator tegen discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie. Dat is de NCDR. Onder zijn leiding wordt een aparte programmaleider aangesteld om een nationaal plan voor de aanpak van moslimdiscriminatie op te stellen.

De heer Van Baarle stelde de vraag waarom synagogen — hij gaf ook aan terecht — wel budget krijgen voor beveiliging en moskeeën niet. Ik vind het van groot belang dat moskeeën, net als andere religieuze instellingen, gespaard blijven van zorgen over hun veiligheid en concrete bedreigingen. De beveiliging van religieuze instellingen valt onder de verantwoordelijkheid van het lokaal bevoegd gezag. De beslissing om een instelling te beveiligen vanuit de overheid wordt altijd gemaakt op basis van actuele dreigingsinformatie. Indien dreigingsinformatie daartoe aanleiding geeft, zullen er bij islamitische instellingen beveiligingsmaatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.

De heer Flach had het in zijn betoog over moslimdiscriminatie, moslimhaat en islamofobie. Hij vroeg of het een recht is om kritiek te hebben op een religie. Volgens mij vroeg hij ook om afstand te bewaren van de term "islamofobie". Ook dit was weer een betoog waarin een aantal vragen verwerkt zaten. Kritiek op religie valt onder de vrijheid van meningsuiting. Die kritiek mag er zijn, ook op de islam, maar geweld, haatzaaien en discriminatie mogen niet. Het kabinet hanteert in de binnenlandse context de term "moslimdiscriminatie". In de EU en de internationale context wordt aangesloten bij termen als "antimoslimhaat" en "antimoslimdiscriminatie". De term "islamofobie" wordt daarbij doorgaans niet gehanteerd. Het uitgangspunt blijft: ruimte voor religiekritiek en bescherming van mensen tegen discriminatie.

De heer Flach zei ook dat de NCDR een scheef beeld zou creëren door alleen aandacht te hebben voor moslimdiscriminatie. De NCDR zet zich in voor de bestrijding van discriminatie voor álle groepen. Een van de taken van de NCDR is signaleren wanneer een overheid te weinig doet om bepaalde vormen van discriminatie aan te pakken. In dit geval is de NCDR van mening dat het beleid van het kabinet op het onderwerp moslimdiscriminatie ontoereikend is. Deze signalering past bij zijn rol. Hij heeft aangekondigd hierover een plan van aanpak uit te brengen. Het is aan de NCDR om keuzes te maken over zijn vorm van advisering. Overigens heeft de NCDR ook het voornemen om een programmaleider aan te stellen voor de aanpak van antizwart racisme.

De heer Flach had het ook over een stemming in het Europees Parlement die ging over haat en geweld tegen christenen. Ik vind haat en geweld tegen christenen onacceptabel, maar ik ga als minister van Binnenlandse Zaken niet over het stemgedrag van Europarlementariërs.

De heer Flach had het ook nog over de internationale dag tegen islamofobie en het proces van totstandkoming daarvan bij de VN. Hij eindigde met de vraag of wij daar als Nederland bezwaar tegen maken. De VN vraagt op verschillende manieren aandacht voor discriminatie van verschillende groepen. Nederland en de EU zijn in algemene zin terughoudend over het instellen van nieuwe internationale dagen binnen VN-verband, mede vanwege de toenemende werklast en de versnippering van de VN-agenda. Dat algemene standpunt brengt Nederland consequent naar voren. We dienen echter geen afzonderlijke bezwaren in tegen specifieke individuele VN-dagen. Nederland blijft zich internationaal actief en zichtbaar inzetten om de vervolging van minderheidsgroepen, zowel van moslims als christenen, tegen te gaan. Wat betreft de genoemde beslisnota is de internationale dag enkel ter referentie benoemd. De NCDR heeft zelf — dat mag hij ook, want dat past bij zijn rol — de keuze gemaakt om deze dag te gebruiken voor zijn aankondiging.

De heer Van Baarle had een vraag met betrekking tot de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding. Het kabinet hecht waarde aan het normstellende effect dat uitgaat van de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding. Het huidige verbod blijft daarom bestaan. Er komt geen uitbreiding van het verbod, maar het kabinet wil wel inzetten op betere handhaving. Daarover worden gesprekken gevoerd met handhavingsinstanties. Dit laat onverlet dat er in onze samenleving geen ruimte hoort te zijn voor discriminatie van mensen op grond van hun religieuze uitingen, waarvoor meldkanalen en aangiftemogelijkheden bestaan.

De heer Clemminck hield een pleidooi voor een Catshuisoverleg over discriminatie door moslims in plaats van over moslimdiscriminatie. Is de minister bereid om dit te gaan doen? De Catshuissessie met moslimjongeren is door het vorige kabinet belegd naar aanleiding van een door uw Kamer aangenomen motie van de heer Van Baarle van DENK. Het was dus een Kamermeerderheid die hierom vroeg. Ik zie geen aanleiding om een Catshuissessie te gaan houden over discriminatie door moslims.

Mevrouw Tseggai vroeg naar de uitvoering van een motie met betrekking tot Roma en Sinti in het kaderverdrag: hoe staat het met de uitvoering van deze motie? De discriminatie ten aanzien van minderheidsgroepen, zoals Roma en Sinti, is onacceptabel. Ik ben bekend met de motie die strekt tot het aanmerken van Roma en Sinti als erkende minderheidsgroepen in Nederland. Dit vergt een zorgvuldige afweging en kent veel verschillende aspecten. Het duurt daarom wat langer om de Kamer hierover te informeren. Ik ben hierover in gesprek en ik informeer uw Kamer in het najaar over de follow-up.

In het verlengde hiervan verwees mevrouw Tseggai in haar inbreng naar het bericht van de NCDR over discriminatie van woonwagenbewoners, een term die overigens breder is dan alleen Roma en Sinti. Ik zie mevrouw Tseggai ook knikken. Ik heb het rapport van de NCDR ook gelezen. Vooropgesteld: discriminatie is verboden. Ook gemeenten moeten zich aan het verbod op discriminatie houden. Dat betekent dat een gemeente woonwagenbewoners niet anders mag behandelen dan andere inwoners. Ik vind het van belang dat gemeenten en woningcorporaties zich inzetten voor woonwagenbewoners en standplaatsen. In het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening staat daarom een verplichting opgenomen voor medeoverheden om de behoeften van alle aandachtsgroepen in beeld te brengen en aan te geven hoe hierin te voorzien. Dat geldt ook voor de realisatie van voldoende woonwagenstandplaatsen.

De heer Van Baarle vroeg om meer aandacht voor anti-Aziatisch racisme en vroeg wat het kabinet hier concreet tegen gaat doen. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hier aandacht voor en er zijn verschillende stappen gezet om evidencebased te werken aan een aanpak van deze specifieke vorm van racisme. Zo is er in 2024 onderzoek gedaan naar ervaren discriminatie en racisme bij mensen met een Zuidoost-Aziatische herkomst. Het onderzoek toont aan dat de discriminatie die Aziatische Nederlanders ervaren, structureel is en op diverse levensterreinen plaatsvindt. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zet daarom in op een lokale aanpak via dialoogbijeenkomsten in twee gemeenten met lokale Aziatisch-Nederlandse gemeenschappen. Daarnaast doet het onderzoek naar hoe het koloniale verleden doorwerkt in diverse domeinen van het dagelijks leven van Nederlanders van Aziatische afkomst en naar de vergroting van de bewustwording hieromtrent.

De heer Van Baarle verwees ernaar dat het binnenkort 1 juli is. Hij vroeg of het kabinet kan kijken of Ketikoti tot een nationale feestdag gemaakt kan worden. Tijdens het commissiedebat Slavernijverleden op 11 juni vorig jaar heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd het Herdenkingscomité Slavernijverleden opdracht te geven hier onderzoek naar te doen. Zij leveren hun resultaten en aanbevelingen aan het ministerie van BZK op in het derde kwartaal van dit jaar.

De heer Van Baarle vroeg ook naar de voortgang van het museum over het slavernijverleden. Hij vroeg naar de bouw en de ontwikkeling en vroeg ook of er structurele financiering komt. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft uw Kamer op 15 april geïnformeerd over de voortgang van het Nationaal Slavernijmuseum, waarbij uw vragen aan bod kwamen. In de brief is opgenomen dat het kabinet voornemens is om de Kamer uiterlijk in 2027 te informeren over hoe het ministerie van OCW zich zal verhouden tot museum. Het museum heeft tot 2029 voldoende financiële slagkracht om de juiste ontwikkelstappen te zetten. De minister van OCW verzekerde uw Kamer in de brief dat zij zich in nauwe afstemming met de gemeente Amsterdam zal inzetten voor structurele borging van het museum.

De heer Ceder refereerde aan de VN-resolutie en de afwezigheid van afstemming met Caribisch Nederland daarover. Ieder jaar vindt afstemming met de landen binnen het Koninkrijk plaats over de algemene inzet in de Verenigde Naties voor het aankomend jaar. Het beleid op het slavernijverleden is in overeenstemming met de Caribische delen van het Koninkrijk tot stand gekomen en we hebben daarover nauw en regelmatig contact. Omdat deze steminstructie binnen de kaders van het staand beleid valt, is die destijds niet apart besproken. Het kabinet en de minister van Buitenlandse Zaken hebben erkend dat de communicatie daarover met de betrokken uit heel het Koninkrijk beter had gekund en het kabinet zal daar in de toekomst beter oog voor houden. Het kabinet hecht grote waarde aan het blijven agenderen en bespreken van de hedendaagse impact van het slavernijverleden, inclusief discriminatie en racisme. Vanwege principiële en juridische redenen kon Nederland echter niet voor deze resolutie stemmen.

De heer Flach had het erover dat het pesten van kinderen nu een discriminatiegrond zou zijn dankzij de Kinderombudsman. Het pesten van en door kinderen gebeurt om tal van redenen, zoals of je een bril draagt of de kleur van je haar. We weten ook dat kinderen gepest worden vanwege persoonskenmerken die simpelweg worden beschermd door onze gelijkebehandelingswetgeving. Eerder onderzoek van de Kinderombudsman laat zien dat een derde van de kinderen wordt gepest om redenen die eigenlijk discriminatie zijn. In de brief die de Kinderombudsman gisteren naar uw Kamer stuurde, geeft zij zelf terecht aan dat het belangrijk is dat er een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen pesten en discriminatie. Discriminatie vraagt immers op een aantal punten om een andere aanpak dan pesten. Het is dus niet zo dat pesten een specifieke discriminatiegrond an sich is.

De heer Flach verwees met een tweede actueel voorbeeld naar een apotheker die geen middelen mag verkopen die een einde maken aan het leven. De minister van VWS heeft hier eerder deze week op gereageerd. De patiënten hebben recht op goede zorg en zorgverleners moeten die leveren. Een apotheker mag op basis van zijn levensovertuiging medicijnen voor abortus en euthanasie weigeren te verstrekken. Dat ontslaat een apotheker echter niet van de plicht om goede zorg te leveren. Hij moet daarom artsen met wie hij samenwerkt hiervan op de hoogte stellen, hij moet afspraken maken met collega-apothekers en een patiënt actief naar hen doorverwijzen. De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie pakt deze casus verder op.

De heer Ceder besteedde een groot deel van de start van zijn termijn aan excuses aan en erkenning voor Molukkers. Hij stelde een aantal vragen over 75 jaar Molukkers in Nederland, die ik graag in samenhang wil beantwoorden. Ik realiseer me dat het gebrek aan begrip voor de ondergane oorlogsverschrikkingen in Azië, de kille ontvangst, de behandeling in Nederland en het daaropvolgende formalisme in het rechtsherstel bij de Molukse gemeenschap veel verdriet teweeg heeft gebracht. Deze slechte behandeling is door eerdere regeringen erkend. Hiervoor is oprechte spijt uitgesproken, maar dat kan het verdriet natuurlijk nooit helemaal wegnemen. Het jubileumjaar 75 jaar Molukkers in Nederland markeert een belangrijk moment in dit belangrijke deel van onze geschiedenis, temeer vanwege de hoge leeftijd van de eerste generatie Molukkers. Het kabinet bekijkt momenteel hoe hier op een waardige manier bij stilgestaan kan worden en is hierover met de gemeenschap in gesprek. Tot slot wordt het beleid van collectieve erkenning van de Indische, Molukse, Papoease en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland uitgevoerd door het ministerie van VWS. Dit is structureel beleid waarmee geprobeerd wordt erkenning te geven aan hetgeen de gemeenschappen hebben meegemaakt.

Mevrouw Keijzer sprak over het "KIS-schandaal". Dat waren haar woorden. De minister van Werk en Participatie heeft uw Kamer hierover in maart jongstleden uitgebreid geïnformeerd tijdens de beantwoording van Kamervragen, in het WGO Integratie en maatschappelijke samenhang en per Kamerbrief. Ik verwijs graag naar de op al deze wijzen reeds gegeven beantwoording.

De heer Van den Brink vroeg naar de ondersteuning van burgermeesters met een visuele beperking. Het is wel degelijk mogelijk dat de gemeente, in samenspraak met de burgemeester met een beperking, een voorziening verstrekt die specifiek is afgestemd op de beperking. Dat is juist om de door u genoemde redenen. Het doel is om ze met die voorzieningen in eenzelfde uitgangspositie te brengen als burgemeesters zonder beperking. De juridische basis voor die voorzieningen is opgenomen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Die bestaat voor alle functionarissen en dus niet alleen voor burgemeesters. Conform de systematiek van de rechtspositie komen deze voorzieningen net als andere rechtspositionele voorzieningen ten laste van de gemeente, de provincie of het waterschap.

Mevrouw Beckerman vroeg naar sociaal-economische status als nieuwe grond in de Algemene wet gelijke behandeling. Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd bereid te zijn om daar onderzoek naar te doen en om daar spoedig mee te starten. Tot nu toe is voorrang gegeven aan het belangrijke traject ter versterking van antidiscriminatiewetgeving zoals betreffende de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling en het handelen van de overheid, het zogenaamde eenzijdig overheidshandelen, en hoe dat vorm zou kunnen krijgen. Dat wetgevingstraject is omvangrijker en ingewikkelder gebleken dan gedacht en daarvoor is tijd en capaciteit nodig. Ik hecht eraan om eerst dat substantieel verder te brengen alvorens nieuwe verkenningen te doen naar de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling.

De heer Ceder had een vraag naar aanleiding van de discussie over het slavernijverleden. Dat geeft maar weer aan hoeveel onderwerpen hier langskomen. Hij wil weten of het gratis wijzigen van de achternaam ook mogelijk zou moeten zijn voor andere groepen, bijvoorbeeld voor Armeniërs. Ik moet deze vraag over naamswijziging doorgeleiden naar de minister van Justitie en Veiligheid.

Dit was het, zoals ik al aankondigde niet kleine, tweede blok.

De voorzitter:

Dank u wel voor de beantwoording van alle vragen. Ik heb een aantal mensen gezien die een interruptie hebben. De heer Clemminck was daar de eerste van, maar die zie ik nu even niet. Daarnaast zijn er vragen van de heer Flach, mevrouw Tseggai, de heren van Baarle en Ceder, en de heer Van den Brink. Verder zie ik geen opgestoken handen. Aangezien de heer Clemminck er niet is, begin ik met de heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, ik zou uw toestemming willen vragen om de eerste vraag die ik net stelde, eigenlijk nu pas te stellen, want hij kwam pas in dit blokje aan de orde, en om 'm dus ook niet als zodanig mee te tellen.

De minister heeft een punt dat er vanuit de overheid zeker geen relativering van het begrip "antisemitisme" is. Integendeel. Daar ben ik heel blij mee. Mijn punt zat er meer in dat als je het begrip "discriminatie" te veel gebruikt en toepast op te veel groepen, het onderhevig is aan inflatie en uitholling. Ik gebruik maar even de metafoor van een motie in de Tweede Kamer. Er zijn tijden geweest dat ministers sidderden als er een motie werd aangenomen door de Tweede Kamer, maar inmiddels worden er iedere dinsdag tientallen aangenomen.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Flach (SGP):

Is de minister niet bang dat door te vaak ergens een sticker "discriminatie" op te plakken, de kracht ervan verloren gaat?

Minister Heerma:

Ik weet niet of ik de vergelijking helemaal op vind gaan. Tja, het is lastig. Als je het vraagstuk rondom discriminatie- en racismebestrijding bekijkt, kun je ook zeggen dat er in de afgelopen jaren juist bewustwording is ontstaan over het belang ervan. Dat zou niet verward moeten worden met inflatie. Ik denk dat er heel lang te weinig besef van en aandacht voor is geweest, ook vanuit de overheid zelf. Ik vind het juist goed dat dat besef en die aandacht zijn toegenomen. Dat uit zich ook in het coalitieakkoord en in de ambities die dit kabinet heeft, waar ik in mijn inleiding al iets over heb gezegd.

De voorzitter:

Dank. Een vervolgvraag van de heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Nou, een tweede, c.q. andere vraag. Deze vraag gaat over de Nationaal Coördinator. Ik had daar een vraag over gesteld waarop de minister het antwoord gaf dat ik al voorspelde, namelijk: er is inrichtingsvrijheid. Maar de kernvraag die ik had, luidt als volgt. Als het kabinet een nationaal coördinator aanstelt, is de evenwichtige uitstraling daarvan in de aanpak toch wél een verantwoordelijkheid van het kabinet? Daarmee bedoel ik dat als je er één groep specifiek uitlicht, er onevenwichtigheid kan ontstaan.

Minister Heerma:

Ik kom in mijn laatste blok ook nog terug op een aantal vragen die op dit punt gesteld zijn. Een nationaal coördinator valt enerzijds onder de ministeriële verantwoordelijkheid, maar heeft anderzijds juist ook een onafhankelijke positie op iets meer afstand, omdat er vrijheid is om onderwerpen te agenderen en om een spiegel voor te houden. Dat heeft de Nationaal Coördinator gedaan rondom moslimdiscriminatie. Ik gaf aan dat de Nationaal Coördinator ook een programmanager gaat instellen op het punt van antizwartracisme. Ik vind dit wel degelijk behoren tot de taak en de opdracht die de Nationaal Coördinator heeft.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu alsnog naar de heer Clemminck.

De heer Clemminck (JA21):

Mijn vraag aan de minister was als volgt. Er is veel onderzoek gedaan naar attitudes van islamitische gemeenschappen in Europa als het gaat om joden en antisemitisme, helaas niet in Nederland maar wel in andere landen in Europa. Dat zijn schokkende cijfers. Maar zie ook de attitudes van moslimgemeenschappen in islamitische landen zelf. We zien gewoon feitelijk dat in deze islamitische gemeenschappen het antisemitisme veel structureler, groter en zwaarder is dan in andere gemeenschappen. Kan de minister dat erkennen, was mijn vraag. Is dat dan ook niet aanleiding voor een specifieke aanpak van antisemitisme vanuit deze gemeenschappen?

Minister Heerma:

Ik zie geen aanleiding voor een specifieke aanpak daarvan. Volgens mij hebben wij überhaupt geen plan van aanpak voor plegers van discriminatie.

De heer Clemminck (JA21):

Dat was het antwoord op het tweede deel van mijn vraag. Het eerste deel van mijn vraag was of de minister de onderzoeken die er zijn wel gewoon erkent.

Minister Heerma:

Er wordt naar heel veel dingen onderzoek gedaan. In de eerste termijn van de Kamer is er onderling gediscussieerd over allerlei onderzoeken en zijn allerlei onderzoeken ook onderling ter discussie gesteld. Onderzoeken die er zijn, die zijn er. Tegelijkertijd vraagt de heer Clemminck naar het aanbrengen van rangordes in de mate waarin discriminatie bij welke groepen vandaan komt. Dat ga ik niet doen.

De heer Clemminck (JA21):

Het blijft toch ingewikkeld. Als je de oorzaken niet onder ogen wil zien, hoe kom je dan tot een oplossing? Ik noem dat een ongemakkelijke waarheid. Het kan toch niet zo zijn dat wij een minister hebben die zegt discriminatie in Nederland te willen bestrijden — dat heeft onze steun — en die zegt dat we antisemitisme Nederland uit moeten krijgen — dat heeft ook onze steun — maar die niet de feiten wil erkennen van waar die zaken vandaan komen? Als je dat niet wil erkennen en daar geen goede analyse van wil maken, hoe kom je dan ooit bij een oplossing?

Minister Heerma:

Discriminatie moet bestreden worden en dat doen we ook. Ik ben het gewoon niet eens met de heer Clemminck dat we de analyse die hij maakt nodig hebben om dat effectief te kunnen doen.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dank aan de minister voor zijn beantwoording van mijn vraag over Roma, Sinti en woonwagenbewoners. Ik vraag me nog wel iets af. De minister zei dat het erkennen van een groep als nationale minderheid veel afweging en een zorgvuldig proces vergt. Ik hoop dan dat het wél gewoon gaat gebeuren, aangezien er een aangenomen motie van de Kamer over ligt.

Minister Heerma:

Ik gaf aan dat dit een zorgvuldige afweging vereist en dat het daarom langer duurt om uw Kamer te informeren. Ik ben hierover in gesprek en kan over de uitkomsten daarvan nog niet iets zeggen. In mijn eerste beantwoording heb ik toegezegd dat ik de Kamer hier in het najaar over zal informeren.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het heel fijn dat de minister de Kamer in het najaar informeert, maar als de motie zegt "erken de Roma en Sinti als nationale minderheid" dan lijkt het me toch vreemd dat de minister zegt over de uitkomst niets te kunnen zeggen. Er ligt immers een aangenomen motie en daarmee een opdracht van de Kamer aan de minister.

Minister Heerma:

Er ligt een aangenomen motie. Wij zijn daar op dit moment mee bezig. Ik geef aan dat een en ander een zorgvuldige afweging vereist. Ik ga de Kamer daarover informeren in het najaar. Het is dan weer aan de Kamer om te beoordelen of zij vindt dat waar het kabinet mee komt, voldoet aan de motie. Maar laten we dat gesprek voeren zodra ik in het najaar uw Kamer heb geïnformeerd.

De heer Van Baarle (DENK):

Vindt de minister moslimdiscriminatie een wijdverspreid fenomeen, dat vaak een patroon vormt in de samenleving?

Minister Heerma:

Ik refereerde er al aan dat ik vorige maand de discriminatiecijfers in ontvangst heb genomen. Daarin zie je een toename van het aantal meldingen van discriminatie. Moslimdiscriminatie betreft daarin niet het kleinste aantal meldingen. Er is dus sprake van moslimdiscriminatie. Er moet ook aandacht zijn voor de bestrijding ervan. Blijkens de cijfers komen meldingen van moslimdiscriminatie veelvuldig voor.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik haalde die zin uit de kabinetsbrief van 21 maart 2025; dat we te maken hebben met een wijdverbreid verschijnsel dat vaak een patroon vormt, zijn dus de woorden die de voorganger van deze minister zelf in een brief heeft gezet. Het wordt aangehaald in die brief. Er wordt ook gezegd dat het urgent en complex is. Iets wat een patroon is, iets wat wijdverbreid is, iets waarvan de regering zegt dat het urgent en complex is, noopt tot een specifieke aanpak.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Van Baarle (DENK):

Waarom komt die specifieke aanpak met ook coördinatie er dan niet?

Minister Heerma:

Ik heb in eerdere antwoorden al aangegeven dat de NCDR werkt aan een plan van aanpak en een coördinator aanstelt. Ik zei ook al dat ik dat betrek bij de uitwerking van de motie die de heer Van Baarle heeft ingediend. Wij komen er dus zeker over te spreken.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik vind het te prijzen dat de NCDR dit doet, maar zoals de minister net treffend zei, houdt de NCDR de overheid ook een spiegel voor. De NCDR gaat deze aanpak niet voor de lol maken, de NCDR doet dat omdat de NCDR zegt: deze aanpak had de overheid eigenlijk moeten maken. Ik wil graag aan de minister voorleggen dat hieruit dus eigenlijk blijkt dat de overheid steken laat vallen en dat de overheid dus op basis van dat werk van de NCDR met een separate aanpak zal moeten komen.

Minister Heerma:

Ik heb al aangegeven dat wij naar aanleiding van de bij het debat over de regeringsverklaring aangenomen motie van de heer Van Baarle met die rijksbrede aanpak komen en dat ik daarbij onder andere het werk en ook de aanbevelingen van de NCDR meeneem. Wellicht kan de heer Van Baarle dan daarna beoordelen wat hij vindt van deze rijksbrede aanpak. Maar ik heb al aangegeven dat dit erbij wordt betrokken.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik heb een vraag ten aanzien van het punt over de Molukse gemeenschap. Ik ben blij dat het kabinet ermee bezig is. Ik denk ook dat het goed zou zijn als er wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt naar wat er precies gebeurd is en wat de gevolgen daarvan zijn, zodat we specifiek kunnen bekijken wat er nodig is. Dat kan niet binnen een paar weken. Ik overweeg een motie, die hopelijk Kamerbreed wordt gesteund, om het kabinet daartoe opdracht te geven. Het betreft inderdaad VWS, maar er zijn natuurlijk meerdere ministeries betrokken bij de vraag wat het zou betekenen voor de Molukse gemeenschap.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat was mijn opmerking. Mijn vraag is de volgende. De minister gaf aan dat hij het punt van de naamswijzigingen zou doorgeleiden naar JenV. Ik stelde de vraag daarover hier omdat die voortvloeit uit een discussie die deels te maken heeft met het slavernijverleden en met hoe je recht doet bij historische conflicten. Mijn vraag is of ik de toezegging kan krijgen dat ik voor het zomerreces daarover een terugkoppeling krijg. Dit is namelijk een punt dat zwaar leeft bij de Aramese en Armeense gemeenschap en bij nog een paar gemeenschappen. Ik wil er graag richting de begrotingen duidelijkheid over hebben.

Minister Heerma:

Ik sta voor een dilemma. In algemene zin begrijp ik dat de Kamer het bij gecoördineerde onderwerpen ingewikkeld vindt als een bewindspersoon steeds verwijst naar andere bewindspersonen, die er eigenlijk over gaan. Ik probeer dat zo veel mogelijk te voorkomen. Ik ga dus zo meteen proberen om een iets specifieker antwoord te geven. Ik zal echter uiteindelijk toch moeten verwijzen naar de bewindspersoon die erover gaat. Dat betekent dat een eventueel vervolg daar ook het beste plaats kan vinden, maar ik begrijp de vraag.

De vraag van de heer Ceder raakt aan de Wet afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel. De consultatie daarvan is recent afgerond. In de reacties op het wetsvoorstel is kosteloze naamswijziging ook aan bod gekomen. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid neemt deze reacties serieus en zal hier ook op terugkomen in de richting van de Kamer.

De voorzitter:

De heer Ceder heeft nog een vervolgvraag, zie ik.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Als je maar lang genoeg doorvraagt, komt er steeds meer uit. Ik ben heel blij dat hier wat duidelijkheid over is. De minister gaf aan dat er iets terugkeert … Even een stap terug. De minister gaf aan dat het soms lastig is als coördinerend bewindspersoon. Dat is ook zo, want als Kamer merken we dat bepaalde grote onderwerpen vaak blijven liggen. Een voorbeeld: ik ben in principe geen lid van de VWS-commissie, of misschien wel, maar ik doe daar niet actief aan mee. Zo zie je dat meerdere Kamerleden vaak doorverwezen worden naar commissies waar ze geen deel van zijn, vooral niet als je met een grote fractie te maken hebt, en dat grote onderwerpen vaak blijven liggen.

De voorzitter:

Uw vraag.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat is even een algemene opmerking. Mijn specifieke opmerking is of het kabinet — bij dezen spreek ik de minister als coördinerend bewindspersoon aan — voorafgaand aan de begroting een terugkoppeling zou kunnen geven aan de Kamer over wat het betekent. Ik snap namelijk dat dit waarschijnlijk geld kost. Als het kabinet er niet toe bereid is om het zelf te doen, zou de Kamer misschien het initiatief willen nemen.

Minister Heerma:

Met permissie, voorzitter, ga ik toch nog iets zeggen over de coördinatie en de geconstateerde versnippering. Ik kan oprecht aangeven dat er over het onderwerp racisme en discriminatie enorm veel contact is, ook in die 40 minuten schorsing, tussen het team dat deze minister ondersteunt en alle andere departementen om de vragen af te stemmen die niet direct onder de verantwoordelijkheid van deze minister vallen en om te proberen alle vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Daar zit serieus werk in, ook vanuit mijn intentie om te voorkomen dat ik een heel groot aantal vragen direct verwijs naar andere bewindspersonen. Ik geef ook toe dat ik dat in eerste instantie bij deze vraag wel deed, en daarom heb ik daar in tweede instantie een nader antwoord op gegeven. Maar dat antwoord verwijst dus ook naar de consultatie van een wetsvoorstel die gaande is en waarin deze vragen heel expliciet aan de orde zijn geweest. Dat wetsvoorstel valt onder de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zij zal hier dus actief op terugkomen.

De voorzitter:

Toch nog een vervolgvraag van de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Hier ben ik het mee eens. Mijn vraag is of dat, door middel van een concrete toezegging, in het tijdspad voor de begroting kan, omdat ik daar een bepaalde gedachte bij heb. Mijn vraag is dus of toegezegd kan worden dat ik voor de begroting het antwoord daarop kan krijgen.

Minister Heerma:

Ik kom hier in tweede termijn op terug, omdat ik nu niet een termijn wil noemen die dan net niet klopt.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ik wil nog even doorvragen over de burgemeesters met een fysieke beperking. Ik ben benaderd door de bond van burgemeesters. Die zegt dat er in Nederland drie burgemeesters zijn met een fysieke beperking, in relatief kleine gemeenten. Als ze dan zelf allemaal voorzieningen moeten gaan treffen om die beperkte burgemeesters te ondersteunen, is het gewoon een financieel probleem. Is daar niet een landelijke voorziening voor te treffen? Dat zou tot nu toe geweigerd zijn op grond van de precedentwerking. Dat lijkt mij toch niet een heel sterk argument.

Minister Heerma:

En toch is de precedentwerking wel het geldende argument. Je zou namelijk voor vele andere onderwerpen een soortgelijke redenatie kunnen hanteren. Dit is gewoon de manier waarop het recht op voorzieningen geregeld is. De precedentwerking is er dus wel degelijk. In de vraag die de heer Van den Brink in eerste instantie had, zei hij: hier wordt niks voor geregeld. Nee, dat kan wel, maar dat is onder de verantwoordelijkheid van de bestuurslaag waar dit speelt. Dat geldt in algemene zin ook voor allerlei soortgelijke vragen en vraagstukken.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Kunt u één voorbeeld geven van wat er nog meer onder de precedentwerking zou vallen?

Minister Heerma:

Dit is de manier waarop het in algemene zin georganiseerd is. Je zou een heel lange discussie kunnen voeren over wat er allemaal wel en niet onder valt, maar ik schetste zojuist het omgekeerde: als je begint dat op een andere manier te organiseren, kunnen er steeds ook andere redenen zijn om dat te gaan doen. Ik zou dus voorstellen om vast te houden aan de manier waarop we dit in algemene zin georganiseerd hebben. Dit hoort bij de bestuurslaag waar het speelt.

De heer Clemminck (JA21):

Ik wil terug naar de fata morgana die gemaakt wordt van moslimdiscriminatie. Is de minister bekend met de bijzonder sluwe methodes van de Moslimbroeders, die via zelfrapportages, via slachtofferschap, ruimte proberen te creëren in de landen, ook hier in Nederland, zodat wij ons gaan aanpassen aan de veranderingen die zij wensen, de islamisering van Nederland? Kan de minister JA21 dan op z'n minst geruststellen dat hij niet in deze val van de Moslimbroeders gaat trappen?

Minister Heerma:

Ik ben niet bekend met rapportages over de Moslimbroeders. Ik ben niet bekend met de precieze aard van de vraag van de heer Clemminck. Maar het debat dat hij in eerste termijn had, ging over ervaren discriminatie. Er werd gezegd dat onderzoek daarmee geen waarde zou hebben. Dat leidde ook tot een interruptiedebat over ervaren discriminatie bij antisemitisme. In alle eerlijkheid, toen nuanceerde de heer Clemminck zijn eigen stellingname in dat interruptiedebat ook. We moeten een onderscheid maken tussen ervaren discriminatie en daadwerkelijk bestrafbare discriminatie, die ook tot een veroordeling leidt, maar ook ervaren discriminatie heeft beleidsmatig wel degelijk waarde. Die onderzoeken moet je niet dus bagatelliseren. Een parallel hiermee is veiligheid. Ervaren veiligheid is bijvoorbeeld ook iets wat voor beleidsdoelen gebruikt wordt. Daarom moeten we ervaren discriminatie, door welke groep dan ook, niet helemaal wegbagatelliseren. Dat zou ik onverstandig vinden.

De voorzitter:

Dank u wel. Volgens mij waren dit de vragen vanuit de Kamer. Dat betekent dat de minister zijn betoog mag vervolgen.

Minister Heerma:

Nadat hij even een slokje water heeft genomen. We komen bij het laatste blok: discriminatie en de overheid. Hierin zitten ook veel van de vragen die betrekking hebben op de in mijn inleiding aangehaalde besluiten die ik in mijn eerste weken als minister al heb genomen.

Diverse Kamerleden vroegen naar het verplichten van de discriminatietoets en wat daarvoor nodig is. Ik heb een drietal redenen gegeven om de discriminatietoets niet te verplichten. Voor nu blijf ik daarbij. Allereerst: de toets is er net en ik vind het belangrijk om eerst ervaring op te doen met het instrument. Ik vind het daarom echt te vroeg om nu over te gaan tot de verplichting ervan. Daarnaast is de discriminatietoets het meest effectief en ook het meest betekenisvol wanneer organisaties bewust tijd vrijmaken om de kritische zelfreflectie te doen die wordt gevraagd en het niet een verplichte afvinklijst is. Dan zou het lerende effect mogelijk verloren gaan. Daarbij zien we dat er op dit moment heel veel animo is om de toets te doorlopen. Ook de staatscommissie noemt draagvlak als belangrijke randvoorwaarde voor het doorlopen van de discriminatietoets binnen de organisatie. Ik meen dat daarvan sneller sprake is als een organisatie zelf besluit om de toets te doorlopen. Tot slot zijn er ook organisaties die eigen instrumenten ontwikkeld of geadopteerd hebben om bepaalde werkprocessen of praktijken door te lichten. Organisaties moeten de flexibiliteit blijven houden om daarin een keuze te maken voor het meest passende instrument. De motie van het lid Van Nispen, waarnaar onder andere door de SP verwezen werd en waar ook mevrouw Tseggai naar verwees, vraagt om de regie te pakken bij de implementatie van het advies van de staatscommissie. In de Kamerbrief die ik afgelopen week heb gestuurd, heb ik toegelicht op welke wijze ik dit doe.

De heer Bamenga vroeg in het verlengde of ik de Kamer jaarlijks kan informeren hoeveel instanties de toets niet gebruiken. Ik wil in ieder geval nu nog geen toezegging doen over namen en rugnummers, dit om drie redenen. Allereerst is het niet wenselijk en bovendien is het ondoenlijk. Het doorlopen van de discriminatietoets is juist het meest effectief als kleine teams binnen een organisatie de toets doorlopen. De discriminatietoets richt zich op alle overheidsorganisaties en binnen organisaties op een groot aantal teams die potentieel de toets zouden kunnen doorlopen. Ten tweede gaat het voorbij aan het vrijwillige karakter van de toets om de Kamer te informeren over organisaties die de toets niet gebruiken. Tot slot zijn er andere instrumenten en interventies van organisaties zelf die ook een geschikt middel kunnen zijn om de risico's van discriminatie binnen de processen en praktijken te onderzoeken. Wel zal ik uw Kamer vanaf de start eenmaal per jaar informeren over de voortgang van de discriminatietoets.

Er zijn door diverse woordvoerders vragen gesteld over het rapport van de staatscommissie over risicoprofilering. Een van die vragen was of de minister bereid is om te stoppen met datagedreven profilering voor fraude- en criminaliteitsopsporing, zoals de staatscommissie tegen discriminatie en racisme aanbeveelt. Het kabinet hecht groot belang aan het rapport van de staatscommissie en zal in de komende kabinetsreactie uitgebreid ingaan op de bevindingen van de staatscommissie. Ik ben er geen voorstander van om nu direct te stoppen met alle datagedreven profilering voor fraude- en criminaliteitsbestrijding. Profilering helpt overheden namelijk om hun beperkte capaciteit gericht in te zetten en medewerkers te ondersteunen bij het prioriteren van dossiers. We ondernemen wél actie om de waarborgen te versterken, zoals door de ontwikkeling van nieuwe instrumenten voor discriminatietoetsing en het vergroten van transparantie en rechtsbescherming van burgers.

Zowel de heer Ceder als de heer Bamenga vroegen in hun eerste termijn al door op dit vraagstuk. Zij stelden de vraag: indien het volledig stoppen met datagedreven profilering geen optie is, wil de minister dan een kaderwet voor risicoprofilering opstellen, zoals is geopperd door het College voor de Rechten van de Mens, of de regels aanscherpen? De wettelijke vereisten zoals die in de Algemene verordening gegevensbescherming, de Algemene wet bestuursrecht, de Grondwet, antidiscriminatiewetgeving en de AI-verordening wanneer er AI gebruikt wordt, zijn samengebracht in het Algoritmekader. Het Algoritmekader wordt momenteel doorontwikkeld tot een auditeerbaar kader, waaraan getoetst kan worden of organisaties voldoen aan de regelgeving. Omdat we nu inzetten op de doorontwikkeling van het Algoritmekader ben ik niet voor het opstellen van een aparte kaderwet. Daarnaast is met de oprichting van de directie Coördinatie Algoritmes bij de Autoriteit Persoonsgegevens ook het toezicht op algoritmes versterkt.

Mevrouw Beckerman vroeg: als de datagedreven profilering niet wordt stopgezet, hoe gaat u er dan voor zorgen dat er geen directe of indirecte discriminerende gevolgen zijn? Het kabinet zet in op de versterking van de waarborgen rondom het gebruik van algoritmische profilering. Uw Kamer ontvangt daarover binnenkort een brief. In aanvulling op de al bestaande instrumenten, zoals een mensenrechtentoets en de handreiking non-discriminatie, werkt mijn ministerie aan nieuwe instrumenten om profileringsalgoritmen te toetsen op directe en vooral indirecte discriminatie. We betrekken daarbij de ontwikkeling van een Nederlandse technische afspraak voor methoden van bias- en discriminatietoetsing van profileringsalgoritmen. De definitieve versie wordt deze zomer verwacht. Het Centraal Planbureau heeft een tool voor discriminatietoetsing ontwikkeld: de Selectiviteitsscan. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoekt hoe deze tool breder beschikbaar kan worden gemaakt.

De heer Bamenga verwees naar een eerdere motie van zijn hand met betrekking tot het toetsingskader: het Toetsingskader risicoprofilering. Hij vroeg hoe het met de uitvoering staat en hoe vaak het toetsingskader nu wordt gebruikt. Wij proberen samen met het college te bewerkstelligen dat het toetsingskader door zo veel mogelijk uitvoeringsorganisaties wordt gebruikt. Het college en het ministerie van BZK brengen het toetsingskader voortdurend actief onder de aandacht en gaan in gesprek met uitvoeringsorganisaties, gemeenten en departementen. In deze gesprekken moedigen we organisaties aan om het toetsingskader te implementeren en actief te gebruiken. Zo organiseert BZK samen met het College voor de Rechten van de Mens een reeks kennissessies voor overheden over het Toetsingskader risicoprofilering.

De heer Bamenga vroeg ook nog naar het bekijken van alternatieven, zoals aselect controleren. Om tunnelvisie te voorkomen, is het goed om niet alleen op basis van profilering te controleren, maar ook willekeurige dossiers of personen te selecteren. Dit is ook een aanbeveling van de Autoriteit Persoonsgegevens, die is overgenomen in het Algoritmekader. Er is ook ervaring met aselect controleren, bijvoorbeeld bij politie en uitvoeringsorganisaties, die naast risicogericht controleren ook aselect controleren. We nemen deze ervaringen mee in de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie over datagedreven risicoprofilering.

De heer Bamenga vroeg ook naar de uitvoering van de motie over een algoritme-apk. Deze motie ging over het selectiealgoritme van DUO bij de uitwonende beurs. De controles op de uitwonende beurs vinden op dit moment plaats aan de hand van een aselecte steekproef zonder selectiealgoritme. Er wordt door DUO en OCW gewerkt aan een nieuw controleproces voor de uitwonende beurs. Dit nieuwe controleproces zal voor implementatie extern worden getoetst, zoals door uw Kamer is verzocht. Daarin zal een selectiealgoritme alleen plek hebben als het voldoet aan alle bijbehorende eisen en waarborgen.

De heer Flach — ik maak nu een bruggetje richting het eenzijdig overheidshandelen — was hier zeer kritisch op. Hij vroeg of we eenzijdig overheidshandelen echt moeten opnemen in de Algemene wet gelijke behandeling. Er is uitgebreid onderzocht of een uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling naar eenzijdig overheidshandelen nodig en zinvol is. Uit dat onderzoek blijkt dat uitbreiding een duidelijke meerwaarde heeft, omdat burgers dan straks terecht kunnen bij het College voor de Rechten van de Mens en bij de antidiscriminatievoorzieningen. Dat is belangrijk, want deze voorzieningen zijn gratis, laagdrempelig en gespecialiseerd in het gelijkebehandelingsrecht. De uitbreiding wordt bovendien aanbevolen door de staatscommissie tegen discriminatie en racisme en door de NCDR. Ook in de academische wereld is hier steun voor. Dat laat zien dat nieuwe wetgeving niet lichtvaardig wordt voorgesteld. Aan deze uitbreiding ligt een zorgvuldige en kritische afweging ten grondslag. Ook moet gezegd worden dat er brede steun voor is in de Tweede Kamer, die in december van 2024 de oproep tot uitbreiding heeft aangenomen.

De heer Van Baarle stelde een vraag die betrekking heeft op het initiatiefwetsvoorstel van zijn partij. De vraag ging over de wettelijke verankering van de NCDR. Hij gaf aan dat het gebruikelijk is dat een initiatief vanuit de Tweede Kamer altijd voorrang krijgt. Het kabinet verwelkomt het feit dat er door de heer Van Baarle vanuit de Kamer aan een initiatiefwetsvoorstel wordt gewerkt. Tegelijkertijd is het niet zo dat een dergelijk voorstel altijd voorgaat op voorstellen van het kabinet. De wettelijke verankering van de NCDR is ook opgenomen in het regeerakkoord. Het kabinet zal hier daarom op inzetten. Ik kan de heer Van Baarle melden dat het kabinet in dat proces ook zeer uitkijkt naar zijn initiatiefwetsvoorstel. Als ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werken wij ook samen met het ministerie van JenV, die weer de wettelijke verankering van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding ter hand neemt. Ik vind het van groot belang dat we bij beide wettelijke verankeringen goed kijken naar de manier waarop we dat gezamenlijk doen.

De heer Clemminck vroeg of ik de stekker uit de NCDR zou willen trekken en deze op zou willen heffen. Uit de evaluatie van de NCDR, die uw Kamer op 25 oktober 2025 heeft ontvangen, volgt dat de NCDR een waardevolle aanvulling is op het stelsel voor de aanpak van discriminatie. Ik zie daarom geen reden om het instituut op te heffen. De NCDR heeft als regeringscommissaris een semionafhankelijke positie. Hij valt onder mijn verantwoordelijkheid, maar is met opzet op afstand van de politiek geplaatst. Dat is gedaan om zijn taak mogelijk te maken. Die taak is het op de agenda zetten en houden van het onderwerp discriminatie, het aanjagen van het kabinet tot grotere ambities en het bewaken van de voortgang. Hij kan dat alleen als hij een grote mate van vrijheid heeft om te zeggen wat hij denkt, op basis van de signalen die hij ophaalt. Keuzes die hij maakt over zijn interne organisatie en over welke onderwerpen hij zich uitspreekt, passen binnen deze rol en zijn geen reden voor het opheffen van het instituut.

De heer Van den Brink vroeg naar de verhouding tussen de plannen van de nationaal coördinator en de plannen van de regering. Ik heb daar in eerdere beantwoording ook al iets over gezegd. De denkrichtingen voor het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme zijn door middel van samenwerking tussen de NCDR en het vorige kabinet opgesteld. Een deel van de aanpak liep daarom al via de betrokken ministeries en was niet afhankelijk van het programma zelf. Het is aan de NCDR om het kabinet aanvullend te adviseren en aan te sporen op de aanpak van discriminatie. Het kabinet kijkt naar aanleiding van die adviezen of aanscherping nodig is. De komende periode bekijk ik of denkrichtingen aansluiten bij de ambities van dit kabinet. De betrokken ministeries werken ondertussen door aan de aanpak van discriminatie en de uitvoering van eerdere programma's.

Mevrouw Keijzer vroeg naar een individuele casus van voorkeursbeleid van de gemeente Amsterdam. Het uitgangspunt van de gelijkebehandelingswetgeving is dat sollicitanten gelijk worden behandeld. Ik kan niet op de specifieke casus ingaan, maar voorkeursbeleid is wettelijk alleen in bijzondere gevallen toegestaan. Uit oordelen van het College voor de Rechten van de Mens blijkt dat de voorwaarden waaraan voorkeursbeleid dient te voldoen, strikt worden toegepast. Als een werkgever aanleiding ziet om voorkeursbeleid te voeren, dan raad ik in algemene zin altijd aan om dit voornemen bij het college te laten toetsen.

De heer Van Baarle — dit heeft betrekking op de antidiscriminatievoorzieningen — vroeg of ik nut zie in een wettelijke taak voor lokaal antidiscriminatiebeleid. Ik begrijp dat dit een belangrijk punt is voor DENK en de heer Van Baarle. Ik zie dit ook terug in de reactie op de internetconsultatie en de bestuurlijke reactie van de VNG. Ik snap de wens met betrekking tot een wettelijke taak en ik zie het nut daarvan ook in. Er zijn op dit moment echter onvoldoende financiële middelen beschikbaar om die nieuwe taak effectief te kunnen uitvoeren. Wanneer alle adviezen binnen zijn, zal ik de balans opmaken en dit punt meenemen in mijn overweging. Ik wil benadrukken dat gemeenten in het licht van artikel 1 van de Grondwet een eigen verantwoordelijkheid hebben in het voorkomen en aanpakken van discriminatie en racisme in hun gemeente. Dat is in de huidige situatie ook zo en dat staat los van een expliciete wettelijke taak. Veel gemeenten nemen die verantwoordelijkheid en hebben lokaal antidiscriminatiebeleid of werken daaraan. Dit blijkt ook uit de Monitor lokaal antidiscriminatiebeleid die Movisie in 2025 heeft uitgebracht.

De heer Verkuijlen vroeg naar veiligheidsprotocollen voor politieke ambtsdragers. Er zijn gemeenten die een agressieprotocol hebben, maar lang niet allemaal. Het is de eigen verantwoordelijkheid van een gemeente om een agressieprotocol te hebben. Vanuit het Netwerk Weerbaar Bestuur worden gemeenten gewezen op het belang van een agressieprotocol en het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur — die vallen beide onder het ministerie van Binnenlandse Zaken — vraagt hier ook nadrukkelijk aandacht voor bij de bijeenkomsten die daarvoor binnen gemeenten worden georganiseerd. Inmiddels zijn er zo'n 180 geweest. Hiervoor is een modelagressieprotocol beschikbaar gesteld vanuit het Netwerk Weerbaar Bestuur.

De heer Verkuijlen vroeg ook naar de verlof- en vervangingsregeling voor zwangere politieke ambtsdragers. Wat is de status van die regeling? In hoofdzaak regelt het wetsvoorstel een aantal zaken. De termijn waarop volksvertegenwoordigers en dagelijks bestuurders zich kunnen laten vervangen, wordt geflexibiliseerd. De wettelijke belemmering voor volksvertegenwoordigers om zich bij aanvang van hun ambtsperiode te laten vervangen in verband met zwangerschap en bevalling wordt weggenomen. De verlofnormen voor dagelijks bestuurders op decentraal niveau worden uitgebreid. Concreet betekent dit: geboorteverlof, adoptieverlof, pleegouderverlof en zorgverlof. De term "tijdelijk ontslag" wordt vervangen door de term "tijdelijke ontheffing van het ambt". Het wetsvoorstel is inmiddels in consultatie geweest. Op dit moment worden alle reacties verwerkt die hierop zijn binnengekomen. Zodra dit is afgerond, zal het wetsvoorstel via de ministerraad aan de Raad van State worden voorgelegd ter advisering. Nadat de opmerkingen van de Afdeling zijn verwerkt, wordt het wetsvoorstel bij uw Kamer ingediend.

De heer Van Baarle vroeg naar een tweejaarlijks vervolgonderzoek naar discriminatie binnen de overheid. Hij vroeg: wanneer kunnen we dit onderzoek verwachten? Mijn voorganger heeft u toegezegd dat dit onderzoek elke twee jaar wordt herhaald. Het onderzoek is eind 2025 uitgevoerd. Ik zal de rapportage uiterlijk voor de zomer met een kabinetsreactie naar de Kamer sturen.

De heer Verkuijlen vroeg of er gekeken moet worden naar de onafhankelijkheid van vertrouwenspersonen bij de Rijksoverheid. Laat ik vooropstellen dat de meeste medewerkers bij de Rijksoverheid die vanwege ervaren discriminatie en racisme naar een vertrouwenspersoon stappen tevreden zijn over de vertrouwenspersonen. Inmiddels is het rijksbrede Kader Uniforme Basiseisen Vertrouwenspersonen Rijksoverheid van kracht geworden. Hierin staan de kwaliteitscriteria en competenties voor vertrouwenspersonen beschreven. Alle departementen werken met dit kader. Daarin zijn ten eerste voldoende diversiteit van de groep vertrouwenspersonen, ten tweede de geheimhoudingsplicht en ten derde de onafhankelijkheid belangrijke vereisten. Er is ook een hernieuwde basisopleiding voor vertrouwenspersonen, die verplicht is en die dit rijksbrede kader als basis heeft. Mocht het zo zijn dat medewerkers toch onvoldoende vertrouwen hebben in de vertrouwenspersoon in hun eigen organisatie, dan kunnen zij ook altijd nog terecht bij externe vertrouwenspersonen. Die mogelijkheid bestaat reeds. In het vervolgonderzoek naar discriminatie en racisme is de tevredenheid over vertrouwenspersonen ook gemeten. U ontvangt dit onderzoek voor de zomer.

De heer Van den Brink vroeg naar de scheiding van kerk en staat en het organiseren van iftars. Dit onderwerp is vorig jaar ook aan bod gekomen in schriftelijke vragen, onder andere van JA21 en de SGP. Het beginsel van scheiding van kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen. In het kader van gelijke behandeling, artikel 1 van de Grondwet, dient de overheid bij het bieden van ruimte voor uitingen van religie en levensovertuiging wel neutraal te zijn. Dat betekent dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Aandacht voor pluriformiteit past daarnaast binnen een democratische rechtsstaat als Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen. Deelname aan gemeenschappelijke activiteiten door bijvoorbeeld bestuurders en politici is belangrijk voor sociale cohesie en begrip in de samenleving. Op deze manier laten zij zien in verbinding te staan met verschillende bevolkingsgroepen in de maatschappij. Dergelijke bijeenkomsten worden binnen het Rijk georganiseerd vanuit de werkgeversrol van het Rijk. Dit gaat niet alleen om iftars, maar om een mix van dagen met een culturele, maatschappelijke, historische of religieuze betekenis.

Ik kan dankzij het schakelen met het ministerie van JenV de vraag van de heer Ceder over de termijn waar het gaat om de naamswijziging nu aan het einde van de eerste termijn beantwoorden. De brief over de naamswijziging komt inderdaad dit najaar en voor de begrotingsbehandeling JenV, zoals gevraagd door de heer Ceder.

De voorzitter:

Dat was dan het laatste blok, neem ik aan.

Minister Heerma:

Dit waren de ongeveer 100 vragen.

De voorzitter:

Dat waren de 100 vragen. Dan kijk ik even rond of er nog vragen zijn. Ik zie de heer Ceder en daarna de heren Verkuijlen en Flach. En daarna zie ik nog de heer Schenk.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank. Ik ben blij met de toezegging. Ik kwam wat later binnen, dus het kan zijn dat de minister mijn vraag om in het gesprek te gaan met het Cheider al heeft beantwoord. Er is al een paar keer, volgens mij twee keer, wat gebeurd waardoor vervolgens de school niet open kon. Mijn verzoek was om in gesprek te gaan om te kijken wat ze daarin nodig hebben, zodat we dit niet een aantal keer per jaar hebben. Het heeft immers effect op de kinderen en de omgeving, maar ook op de onderwijskwaliteit. Mijn vraag is of de minister daartoe bereid is en toe wil zeggen dat hij dat gesprek aangaat.

Minister Heerma:

Ik heb hier inderdaad op geantwoord. Ik begrijp ook dat Kamerleden heel veel te doen hebben en dat de heer Ceder op dat moment even niet aanwezig was. Ik heb aangegeven dat het ministerie van Justitie en Veiligheid en ook de minister zeer nadrukkelijk in contact staan met de Joodse gemeenschap en ook veelvuldig overleg hebben in deze situaties. Ik heb ook mijn afschuw uitgesproken over het feit dat de school opnieuw dichtmoet. Ik heb ook aangegeven dat het gesprek echt valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en Veiligheid en dat die dat ook aangaat.

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Ik wil met name nog even terugkomen op dat veiligheidsprotocol, juist omdat het zo'n hygiënevoorwaarde is om te zorgen dat mensen zich ook beschermd voelen, terwijl dat ambt tegelijkertijd zwaar onder druk staat door onveiligheid. Ligt het dan niet meer op het pad van minister … Het is heel goed dat dat programma daar zit, weerbaar bestuur. Dat hoort ook onder de minister van Binnenlandse Zaken. Eigenlijk is hij op hoogste niveau de werkgever van alle mensen die in het publieke domein werken en daar hoort wat mij betreft ook veiligheid als een onlosmakelijk deel onderdeel van uit te maken. Ik zou hem willen vragen of hij de regie toch meer wil pakken en of hij met de Kamer zou willen delen hoeveel gemeenten op dit moment over zo'n veiligheidsprotocol beschikken, zodat we kunnen kijken wat er nog nodig is.

Minister Heerma:

Vanuit de verantwoordelijkheid die ik heb als minister van Binnenlandse Zaken en ook de verantwoordelijkheid die het ministerie voelt voor de veiligheid van lokale bestuurders, is zowel het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur als het Netwerk Weerbaar Bestuur opgericht. Daar is veel tijd en aandacht voor. Dat is niet minder geworden met de toename van agressie, intimidatie en geweld tegen lokale bestuurders. Tegelijkertijd geldt toch dat de minister van Binnenlandse Zaken niet de werkgever is. Wij besteden hier nadrukkelijk tijd en aandacht aan. Ik heb ook bij verschillende gelegenheden gewezen op de vele bijeenkomsten die worden georganiseerd waarbij het belang hiervan wordt benadrukt. Het modelagressieprotocol dat is opgesteld, wordt daar ook onder de aandacht gebracht. Ik kan op dit moment niet toezeggen dat ik een overzicht kan geven van hoeveel en welke gemeentes dat doen. Daar zou ik in tweede termijn even op terug moeten komen.

De heer Flach (SGP):

Even in reactie op het antwoord over de iftars, want dat vond ik toch nog niet naar tevredenheid. Het is natuurlijk niet zomaar een gezellige culturele maaltijd die je doet vanuit goed werkgeverschap. Het heeft een heel sterk religieuze component. Niet zelden vindt er bij zo'n bijeenkomst ook een gebed plaats door een imam. Dan komt de scheiding van kerk en staat wel degelijk in het geding. We hebben wel vaker de discussie erover gehad dat je daar als overheid neutraal in moet zijn. Je zult maar gevlucht zijn uit het Midden-Oosten voor islamitisch geweld en dan hier geconfronteerd worden met de politie die een iftar organiseert onder aanvoering van een imam. Dat zet toch vraagtekens bij de onafhankelijkheid van overheidsdienaren? Dat zouden we toch niet moeten willen? Dat is de minister toch wel met de SGP eens?

Minister Heerma:

Ik zal toch het antwoord dat ik zojuist gegeven heb, herhalen. Aandacht voor pluriformiteit past binnen de democratische rechtsstaat van Nederland en de grote diversiteit aan levensbeschouwing, opvattingen en leefstijlen. Deelname aan gemeenschappelijke activiteiten door bijvoorbeeld bestuurders en politici is daarbij belangrijk voor de sociale cohesie. Als het Rijk bijeenkomsten organiseert, gebeurt dat in de rol van het Rijk als werkgever en daarbij gaat het echt niet alleen om iftars en is er aandacht voor een mix van dagen met culturele, maatschappelijke, historische en religieuze betekenis.

De voorzitter:

De heer Flach, laatste.

De heer Flach (SGP):

Met respect, maar ik vroeg niet of de minister het antwoord nog eens wilde voorlezen. Ik vroeg echt iets anders, namelijk of de minister het niet ook wenselijk vindt dat de overheid ook in beeld nadrukkelijk onafhankelijk is. Het zelf organiseren van en betalen voor een iftar, niet zelden onder voorgangerschap van een imam, is niet wenselijk, net zomin als dat van een predikant wenselijk zou zijn, denk ik, bij bijeenkomsten van politieagenten in uniform. Met andere woorden: is de minister het ermee eens dat dit echt schuurt met de onafhankelijkheid van de overheid? Dat is mijn vraag. Het eerdere antwoord had ik al goed gehoord.

Minister Heerma:

Binnen de Rijksoverheid bepalen departementen en rijksonderdelen zelf aan welke betekenisvolle dagen zij aandacht besteden. Dat gebeurt veelal in samenwerking met medewerkersnetwerken. Als ik binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken kijk, is er vandaag een Pinksterenlezing en is er ook bij Chanoeka en Divali een bijeenkomst georganiseerd. Er zijn dus diverse religieuze bijeenkomsten van allerlei geloven. Ook bij mijn eigen ministerie wordt daar op deze manier aandacht aan besteed. Zo was er vandaag nog een Pinksterenlezing op het ministerie van Binnenlandse Zaken.

De heer Schenk (FVD):

Eigenlijk in aanvulling hierop. Ik hoor de minister zeggen dat departementen zelf bepalen waar zij aandacht aan besteden, aan welke feestdagen of aan welke religies. Maar in het onderzoek Racisme binnen de Rijksoverheid wordt expliciet weerstand bij het organiseren van een iftar-maaltijd genoemd als een voorbeeld van institutioneel racisme. Dat rijmt toch niet met hetgeen de minister hier zojuist aangaf? Dat is mijn vraag.

Minister Heerma:

Waarom rijmt dat niet? De ervaren weerstand als voorbeeld uit dat onderzoek heeft toch heel weinig te maken met het antwoord dat ik zojuist gaf op de vraag van de heer Flach?

De heer Schenk (FVD):

Volgens mij niet. Het is volgens mij ontzettend legitiem om géén iftar te organiseren op het ministerie. Hier wordt dat genoemd als een probleem, als een geval van tegenwerking, als een voorbeeld van institutioneel racisme, en daarmee aanleiding om onder andere kleurenquota in te voeren op de werkvloer. Dat is toch onbestaanbaar? Ik zou daar graag wat meer reflectie op willen horen.

Minister Heerma:

Het is heel lastig om op basis van wat mensen aangeven over wat ze als problematisch ervaren, te reageren op wat de bron of de aanleiding is van wat zij als discriminerend hebben ervaren. Dat kan ook te maken hebben met de manier waarop met een verzoek is omgegaan. Nog steeds geldt dat de heer Flach en de heer Van den Brink mij vroegen naar de scheiding tussen kerk en staat. Daar heb ik antwoord op gegeven. Daar heb ik ook het antwoord op gegeven dat de Rijksoverheid dat binnen de departementen verschillend doet. Dat gaat over verschillende religieuze uitingen, van verschillende geloven. De link die de heer Schenk nu legt met de n=1-ervaring zie ik gewoon niet.

De heer Schenk (FVD):

Dan gaan we het daarover in ieder geval niet eens worden; dat mag.

Ik heb een andere vraag. Die komt uit het document Denkrichtingen ten behoeve van een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme. Daarin gaat het over de oorzaken van discriminatie en racisme. Daarin gaat het er onder andere over dat "deze oorzaken worden versterkt door het publiekelijk en vrijwel kritiekloos kunnen bespreken van xenofoob, seksistisch, racistisch of anti-lhbtiqa+ gedachtegoed in het dagelijks leven, maar ook in het politieke discours". Ook hier vind ik het toch wel erg schuren, want waar slaat dit dan op? Is kritiek op immigratie een oorzaak van racisme? Wij zien gendergekte. Dat vindt mijn partij problematisch. Dat vind ik zelf ook uitermate problematisch. Is kritiek op die gendergekte dan een oorzaak van discriminatie en racisme? Schuurt het niet dat uitingen en opvattingen van democratisch gekozen partijen hier misschien in dat document van denkrichtingen genoemd worden als mogelijke oorzaken van discriminatie en racisme in Nederland? Dat kan toch niet waar zijn, is mijn vraag.

Minister Heerma:

Wat de heer Schenk aanhaalt uit deze denkrichtingen, die eind vorig jaar door het vorige kabinet naar de Kamer zijn toegestuurd, betreft volgens mij een analyse van de NCDR. Dat is waaraan de heer Schenk refereert. Nu ga ik terug naar mijn inleiding, naar de verantwoordelijkheid die wij in algemene zin allemaal hebben wat betreft onze woordkeuze en de manier waarop wij ons uiten in het publieke debat. Er werd iets gezegd over de verantwoordelijkheid die ik voel. Ik heb ook iets gezegd over de verantwoordelijkheid die wij allemaal hebben om olie op de golven in plaats van olie op het vuur te gooien bij onderwerpen die tot polarisatie kunnen leiden. Dat is een verantwoordelijkheid die wij allemaal hebben.

Het is wel degelijk zo dat woorden niet zonder impact zijn. Ook de woorden die wij hier uitspreken, kunnen effect hebben. Daar is veelvuldig onderzoek naar gedaan. Er is onderzoek gedaan aan de Universiteit van Utrecht waaruit bijvoorbeeld bleek dat de manier waarop het debat in de Tweede Kamer gevoerd wordt, een relatie heeft met het oplaaien van onlinehaat, -discriminatie en -bedreiging. De heer Schenk haalt dit aan met een nogal negatieve context. Ik vind het heel goed dat wij ons er allemaal van bewust zijn dat de woorden die wij hier gebruiken en de wijze waarop wij ons uiten, effect hebben op het debat in de samenleving. Volgens het onderzoek dat ik aanhaalde, kan dat ook leiden tot intimidatie, bedreiging en racistische uitingen online. Ik heb al aangegeven dat wij met een uitwerking van de nationale aanpak komen, waar de heer Van Baarle naar vroeg. Ik vind het niet raar dat ook wij ons ervan bewust moeten zijn dat onze woorden impact hebben.

De voorzitter:

De laatste interruptie van de heer Schenk.

De heer Schenk (FVD):

Ja, tot slot. We zitten hier wel in het hoogste beslissende, bevoegde orgaan van dit land. Er moet hier op het scherpst van de snede gedebatteerd kunnen worden. Daar horen soms ook controversiële opvattingen bij, of opvattingen die als controversieel ervaren kunnen worden. Wat is dan de conclusie die de minister hieruit trekt? Moeten wij dan bepaalde standpunten niet meer innemen of bepaalde standpunten anders verwoorden? Volgens mij gaat elk verkozen Kamerlid daar zelf over. Uiteraard heeft elk verkozen Kamerlid ook een verantwoordelijkheid om iets op een bepaalde manier te verwoorden. Maar wat moeten we hier nu mee? Het schuurt toch wel heel erg dat er een link wordt gelegd van "als er iets in de samenleving gebeurt en er wordt haat gezaaid, dan is dat het gevolg van iets wat iemand in de Tweede Kamer gezegd heeft". In de Tweede Kamer moet toch alles gezegd kunnen worden?

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Schenk (FVD):

Dit is toch juist een heel fundamenteel punt in een democratische rechtsstaat? Ik hoop dat de minister wel voor die vrijheid voor meningsuiting en voor het vrije debat staat.

Minister Heerma:

Er is geen plek in Nederland waar de vrijheid van meningsuiting zo ver strekt als in de Tweede Kamer. Volgens mij is de partij van de heer Schenk zich daar terdege bewust van. Maar bij dat hoogste orgaan, waar de heer Schenk zelf aan refereert, past ook de hoogste verantwoordelijkheid. Wij moeten ons allemaal, individueel, bewust zijn van onze verantwoordelijkheid op het gebied van de manier waarop we ons uiten, niet omdat die ruimte ingeperkt is, maar juist omdat die zo groot is. We moeten ons bewust zijn van wat de impact van woorden kan zijn en of wij bijdragen, individueel, aan polarisatie in de samenleving en aan het gooien van olie op de golven bij gevoelige maatschappelijke vraagstukken, of dat wij bijdragen aan rust en stabiliteit en geen olie op de golven gooien. Ik ben me dagdagelijks, in al deze debatten, van mijn verantwoordelijkheid bewust om dat laatste te doen. Ik roep ook alle Kamerleden individueel op om dat laatste te doen. Dat hoop ik. Want er is voldoende spanning in de samenleving. We hebben met elkaar de verantwoordelijkheid om dat niet aan te jagen, maar juist te proberen om dat binnen de democratie op vreedzame wijze te beslechten, want dat is de kern van de democratie.

De voorzitter:

Dank u wel. We zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de minister. Ik constateer dat het nu 18.25 uur is. We hebben dus eigenlijk nog maar vijf minuten. Ik kijk even rond om te zien wat de behoefte van de Kamer is. We kunnen een volledige tweede termijn doen, maar dan is het debat echt meer dan dertig minuten later afgelopen. We kunnen ook alleen een tweeminutendebat aanvragen en dan het debat vervolgen. Dan kijken we ook eventjes of er andere nog onbeantwoorde vragen zijn, zodat de minister die in ieder geval in de tweede termijn nog kan beantwoorden. Dat zijn dus de twee opties. Ik kijk even naar de commissieleden. Mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Misschien kunnen we een rondje doen met vragen die nog zijn blijven liggen waar de minister schriftelijk op terugkomt en dan nog een tweeminutendebat doen? Is dat een idee?

De voorzitter:

Ik kijk even naar de rest van de commissie. Ik proef in ieder geval dat er geen volledige tweede termijn komt vanuit de Kamer en dat er zo direct in ieder geval snel een inventarisatie gemaakt wordt van de vragen die nog openstaan. Daarna gaan we over tot de tweede termijn vanuit de Kamer, waarin de eerste spreker — dat was ikzelf — een tweeminutendebat kan aanvragen. Vervolgens gaan we door naar de minister voor de beantwoording daarvan. Ik kijk even rond. Zijn er vragen die in ieder geval nog beantwoord moeten worden door de minister? Ik zie dat mevrouw Tseggai een vraag heeft.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ja, alleen mijn vraag of we de maatschappelijke kosten van discriminatie kunnen onderzoeken.

De heer Clemminck (JA21):

Ik ben een beetje in verwarring, dus ik hoop dat ik het goed zeg, voorzitter. Ik had een vraag gesteld over de sluwe methodes van de Moslimbroederschap. In zijn antwoord ging de minister daar helemaal niet op in. Ik zou dus nog even terug willen — ik doe dit even kort, hoor — naar die vraag, namelijk: is de minister bekend met de sluwe methodes van de Moslimbroederschap om de islamitische gemeenschap in de slachtofferrol te plaatsen? Ziet de minister ook het gevaar dat dat kan vermengen met het moslimdiscriminatiepleidooi? Kan de minister JA21 in ieder geval geruststellen dat hij niet in die val van de Moslimbroeders gaat trappen?

De heer Flach (SGP):

Er is één vraag nog onbeantwoord gebleven. Dat is de vraag hoe de minister onze eigen cultuur en traditie en onze oudste nationale vrijheden van geweten en godsdienst beter wil gaan beschermen en uitdragen. Dat wil ik koppelen aan een mooi citaat, voorzitter, en dan stop ik. "De Nederlandse samenleving is tegenwoordig in toenemende mate op individuele rechten gebouwd. Het gaat niet om jouw individuele rechten, maar om je plicht om te doen wat goed is voor de samenleving als geheel. Dat zou weer de boventoon moeten voeren." Als de minister vindt dat dat een goed antwoord is, dan is die vraag beantwoord. Dit komt namelijk uit een opiniestuk van, destijds, het Kamerlid Heerma. Als hij dat nog steeds vindt, dan ben ik heel tevreden.

Minister Heerma:

De woorden kwamen me bekend voor.

De voorzitter:

Oké dan. Mensen kunnen ook wat ouder, grijzer en wijzer worden. De heer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Heb ik goed begrepen dat we nu wel een tweede termijn van de kant van de Kamer doen maar niet aan de kant van de regering?

De voorzitter:

Nee, alleen de vragen die eventueel nog openstaan uit de eerste termijn.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dan dank ik de minister voor alle antwoorden, bijna 100. Respect voor hoe u dat deed.

Ik ben blij met het antwoord dat u gaf op de vraag over de scheiding tussen het beschermen van mensen aan de ene kant en de vrijheid van meningsuiting over ideeën aan de andere kant. Ik was ook gerustgesteld door de antwoorden op de vragen over de iftar en de scheiding tussen kerk en Staat. U heeft die verhouding helder aangegeven.

Er was nog één vraag die voortvloeide uit mijn poging tot beschouwingen over de verhouding tussen overheid en samenleving. De overheid beschermt tegen discriminatie. Het debat over wat goed is, en zo, hoort ook echt in de samenleving plaats te vinden. In dat kader vroeg ik naar de schil van inclusie- en diversiteitstrainingen die door de overheid worden aangeboden. Lopen we niet het risico dat de overheid die normen gaat invullen, zoals in die taalgids? Daar hoef ik het verder niet over te hebben, maar op de vraag over de schil die die normen en waarden probeert in te vullen, terwijl dat debat vooral in de samenleving plaats zou moeten vinden, zou ik graag nog een antwoord willen. Dat zal dan op papier komen, waarschijnlijk.

De voorzitter:

Oké. Verder zijn er geen openstaande vragen meer. Ik wil mevrouw Tseggai vragen om het voorzitterschap even van mij over te nemen.

De voorzitter:

Bij dezen. Ik geef het woord aan de heer Bamenga.

De heer Bamenga (D66):

Ik zou graag een tweeminutendebat willen aanvragen. Graag wil ik ook de minister bedanken voor de beantwoording van alle vragen.

De voorzitter:

Ik draag het voorzitterschap weer over aan de heer Bamenga.

De voorzitter:

Dank u wel, voorzitter. Ik kijk even naar de minister om te zien of hij meteen door kan of dat er een hele korte schorsing nodig is.

Minister Heerma:

Misschien even over de vorm: ik ben niet voornemens om tussen nu en een tweeminutendebat nog met een brief te komen met antwoorden op vragen die mogelijk zijn blijven liggen. Ik ga dus mijn best doen om de vragen waarvan ik gezegd heb dat ik erop terug zou komen, nu te beantwoorden. Het kan zo zijn dat Kamerleden daar dan nog niet tevreden mee zijn, maar ik zou zeggen dat het tweeminutendebat de plek is om daar een vervolg aan te geven.

Mevrouw Tseggai zei in haar tweede termijn dat ik had aangegeven dat ik nog op haar vraag naar een breed onderzoek naar maatschappelijke kosten in zou gaan. Het is ingewikkeld om in kaart te brengen welke maatschappelijke kosten gemoeid zijn met discriminatie. Daarnaast kan ik het onderzoek ook niet toezeggen, omdat wij hier geen capaciteit en geen middelen voor hebben. Capaciteit en middelen zijn helaas niet altijd toereikend. Een daadkrachtige aanpak vraagt in deze context ook om een duidelijke prioritering. Die prioritering heb ik aan het begin van mijn eerste termijn toegelicht. Een onderzoek naar alle maatschappelijke kosten van discriminatie past hier niet in.

De heer Verkuijlen wilde graag nog een aanvulling op mijn beantwoording van de vraag waarom we het MAR-rapport en het OM-rapport niet in één rapport onderbrengen. Laat ik beginnen met een formeel argument. De MAR-rapportage kent een wettelijke verplichting. Die kent de rapportage van het OM niet. De positie van het Openbaar Ministerie als opsteller van de rapportage is daarmee wezenlijk anders. Maar belangrijker is dat ik gewoon niet inzie wat de toegevoegde waarde is van het integreren van deze twee rapportages, zeker afgezet tegen de inspanningen die geleverd moeten worden om dat te realiseren. Ik wil daar geen middelen en capaciteit voor inzetten. Ik heb liever dat de instanties die voor rapportages verantwoordelijk zijn, hun schaarse tijd gebruiken voor hun primaire proces, zoals het vervolgen van verdachten. Ook op de inhoud zie ik de toegevoegde waarde niet. Cijfers van het OM zien op strafbare feiten die in behandeling zijn genomen. De MAR gaat over meldingen bij bijvoorbeeld ADV's, maar die zijn niet met elkaar vergelijkbaar. Zo kan één melding meerdere strafbare feiten omvatten of kunnen er meerdere meldingen worden gedaan van één strafbaar feit. Ook is het zo dat de twee genoemde rapportages niet de enige rapportages zijn die inzicht geven in discriminatieproblematiek. Ik wijs onder andere op de onderzoeken van het SCP en het CBS, maar ook op die van tal van maatschappelijke organisaties en onderzoeksinstituten. Voor de beleidsvorming of voor het duiden van problematiek, neem ik daar kennis van. Tot slot merk ik op dat er altijd gestreefd wordt naar gelijktijdige publicatie. Dat was dit jaar op 15 april.

De voorzitter:

Even wachten …

De heer Verkuijlen (VVD):

Heel kort, voorzitter.

De voorzitter:

… tot de minister klaar is.

Minister Heerma:

Mijn microfoon stond niet aan; dank u, meneer Flach. Er moet er altijd een de scherpste zijn. Dat is overigens een bekend gevoel dat iedereen wel eens heeft bij digitale vergaderingen, dat je microfoon nog op stil staat.

Mevrouw Tseggai gaf in de eerste termijn in het interruptiedebat aan dat het raar is dat ik nog niks kan zeggen over de erkenning van Roma en Sinti onder het kaderverdrag, terwijl er een aangenomen motie ligt. Ik begrijp het ongeduld van mevrouw Tseggai; ik vraag toch nog om enig geduld van de kant van de Kamer. Ik onderken dat de tekst van de motie helder is. Ik vind het echter wel de taak van het kabinet om de consequenties in termen van uitvoering klip-en-klaar helder te hebben. Er moet zicht zijn op de inhoudelijke gevolgen voor beleid; pas dan kan een inhoudelijke reactie op de motie volgen. Daar zit ik middenin. Ik kan de Kamer niet eerder dan dit najaar hierover informeren en een standpunt toezeggen.

De heer Clemminck vroeg door over de Moslimbroederschap. Ik heb — dat gaf ik in de eerste termijn al aan — zo snel niet kunnen achterhalen aan welke onderzoeken hij refereert. Het is in algemene zin goed mogelijk dat bepaalde organisaties misbruik willen maken van het gevoel van discriminatie, maar dat neemt niet weg dat discriminatie een vraagstuk is in de Nederlandse samenleving. De heer Clemminck vroeg of ik hem gerust kon stellen dat ik niet van plan was in een val te trappen. Ik ben niet van plan om in een val te trappen.

O ja, de heer Flach las een citaat voor waarbij ik na de eerste woorden al dacht: dat komt me enigszins bekend voor. Ik waardeer deze creatieve insteek vanuit de Kamer altijd zeer en ik weet dat de SGP bij uitstek een partij is die dat ondanks een beperkte omvang toch altijd lukt. Ik heb hier een tweeledig antwoord op. De woorden die de heer Flach citeert, spreken mij nog steeds zeer aan. Ik kan daar persoonlijk "ja" op zeggen, maar in algemene zin moet ik ook benadrukken dat ik als Kamerlid namens een partij een andere verantwoordelijkheid had dan ik nu als minister heb. Ik wil daarbij ook aangeven dat ik niet in elk toekomstig debat waarin de heer Flach met deze creativiteit uit de hoek komt, zijn vraag zal kunnen bevestigen. Ik heb in deze huidige functie namelijk een andere en bredere verantwoordelijkheid.

De voorzitter:

Oké. Dat waren de antwoorden. Ik zag een verduidelijkende vraag van de heer Verkuijlen; graag heel erg kort. Daarna de heer Van den Brink.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Mijn vraag is nog niet beantwoord.

De voorzitter:

O, de vraag van de heer Van den Brink is niet beantwoord.

Minister Heerma:

Misschien kan de heer Verkuijlen dan ook ...

De heer Verkuijlen (VVD):

Ik vond dat de minister goede argumenten had om de twee niet te integreren. Toch zou ik hem willen vragen of het voortaan mogelijk is om als we weer zo'n debat hebben, die cijfers wél gelijktijdig toe te voegen, zowel die van het OM als die over discriminatie.

De voorzitter:

Helder verzoek. De minister.

Minister Heerma:

De heer Van den Brink heeft gewoon gelijk: ik heb zijn vraag niet meegenomen. Dat kan ik nu alsnog doen.

De vraag van de heer Verkuijlen raakt ook aan een kwestie van agendering. Deze cijfers zijn er gewoon en kunnen ook geagendeerd worden voor een volgend debat. Dat is echter geen verantwoordelijkheid die bij het kabinet ligt; die verantwoordelijkheid ligt bij de vaste Kamercommissie en dat zou een volgende keer in een procedurevergadering kunnen gebeuren.

De heer Van den Brink had het over de overheid en over de samenleving. De aanpak binnen het Rijk die hierop is gericht, gaat over het functioneren van de overheid als werkgever. De zaken die hij aanhaalt, gaan over de overheid, die diversiteit en inclusiviteit in haar rol als werkgever invult. Ik neem aan dat de heer Van den Brink daar geen bezwaar tegen heeft, want ook in heel veel bedrijven en organisaties is er toegenomen aandacht voor het belang van diversiteit binnen teams en ook aan de top van organisaties. Ik vind het niet raar dat het Rijk daar, ook in zijn rol als werkgever, specifiek aandacht voor heeft.

De voorzitter:

Dank u wel. Dit was het dan. Dan ga ik in ieder geval de administratie nog doen. Dat betekent dat we even nalopen wat de toezeggingen zijn. Er is een tweeminutendebat aangevraagd door het lid Bamenga van D66. De volgende toezeggingen zijn gedaan.

  • De minister van BZK zal de Kamer na het zomerreces van 2026 informeren over het tijdpad van het Nationaal Programma Tegen Discriminatie en Racisme.
  • De Kamer wordt in het najaar van 2026 geïnformeerd over het vervolg van de uitvoering van de motie-Tseggai inzake het erkennen van Roma, Sinti en woonwagenbewoners als nationale minderheid. Dat is een toezegging aan mevrouw Tseggai van GroenLinks-PvdA.
  • De Kamer wordt voor de begrotingsbehandeling JenV geïnformeerd over de mogelijkheden inzake gratis naamwijzigingen voor specifieke bevolkingsgroepen. Dat is een toezegging aan de heer Ceder van de ChristenUnie.
  • De Kamer zal vanaf de start van de discriminatietoets jaarlijks hierover worden geïnformeerd.

Dat waren denk ik de toezeggingen. De minister.

Minister Heerma:

Specifiek bij de naamswijziging heb ik verwezen naar een brief die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wordt gestuurd. Daarmee is het niet een toezegging van deze minister aan deze commissie. Dat zeg ik even in aanvulling op de volgens mij verder correcte weergave van de toezeggingen.

De voorzitter:

Dat wordt dan aangevuld.

Dan wil ik alle Kamerleden bedanken voor hun actieve bijdrage vandaag. Ik wil ook de minister bedanken. Volgens mij was het de eerste keer en was het zeer goed gedaan met de beantwoording van alle vragen. Ik wil ook iedereen op de publieke tribune en thuis bedanken voor het kijken. Dan sluit ik hierbij het debat.

Sluiting