Stand van zaken op verschillende onderwerpen binnen het waterveiligheidsdomein
Hoogwaterbeschermingsprogramma
Brief regering
Nummer: 2026D03584, datum: 2026-01-27, bijgewerkt: 2026-01-29 14:32, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat
- Rapportage Evaluatie Voorliggende Keringen
- Bestuurlijke afspraken herijking HWBP
- Samengevoegde beslisnota's bij Kamerbrief over stand van zaken op verschillende onderwerpen binnen het waterveiligheidsdomein
Onderdeel van kamerstukdossier 32698 -94 Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Onderdeel van zaak 2026Z01486:
- Indiener: R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-01-28 14:00: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-02 10:00: Water (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-02-04 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
32 698 Hoogwaterbeschermingsprogramma
27 625 Waterbeleid
Nr. 94 Brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 januari 2026
Met deze brief wordt de Kamer over een aantal waterveiligheidsonderwerpen geïnformeerd:
over de bestuurlijke afspraken die zijn gemaakt in het kader van de herijking van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) zoals in het regeerprogramma aangekondigd.
Ook zal worden ingegaan op de stand van zaken rondom de normen1 van de primaire waterkeringen, als vervolg op de brief van 15 januari 20252. In die brief bent u bent geïnformeerd over de uitkomst van de evaluatie van de normering van de primaire waterkeringen, zoals geregeld in de toenmalige Waterwet.
Als derde volgt de stand van zaken rondom het programma Ruimte voor de Rivier 2.0.
Als vierde zal worden ingegaan op een aantal internationale ontwikkelingen.
Tenslotte wordt ingegaan op de overige opgaven rond waterveiligheid op de lange termijn en de knelpunten die daarbij naar voren komen.
1 Herijking HWBP
De alliantie van Rijk en waterschappen werkt al tien jaar samen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) met als doel dat alle primaire keringen in Nederland per 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke normen. In die periode is veel bereikt: 230 km van de 1400 km dijk die versterkt moet worden voldoet inmiddels aan de norm. Zowel Rijkswaterstaat als de meeste waterschappen hebben ervaring opgedaan met het uitvoeren van projecten in het kader van het HWBP. Meerdere innovaties zijn succesvol gebleken en zullen worden toegepast. Er is een basis gelegd waarop we, als alliantie, samen verder willen bouwen. Solidariteit staat hierin centraal. Tegelijkertijd stijgen de kosten harder dan de inflatie. Mijlpalen worden niet altijd gehaald en doelmatigheidsprikkels binnen het systeem van het HWBP zijn niet altijd effectief, zoals ook aangegeven in de hiervoor genoemde brief van 15 januari 2025.
Na een periode van intensief overleg hebben de alliantiepartners ingestemd met een set van bestuurlijke afspraken om het HWBP te herijken (bijlage 1). De afspraken richten zich op vier thema’s:
een gezamenlijke strategie voor programmering en middelen,
sterkere regie op programmaniveau,
duidelijke afspraken aan de voorkant van projecten en
een betere verdeling van risico’s en doelmatigheidsprikkels.
Daarmee ontstaat een toekomstbestendige aanpak die zorgt voor meer stabiliteit in de programmering, betere benutting van kennis en middelen en meer zekerheid voor uitvoerende partijen. Met deze afspraken leggen Rijk en waterschappen gezamenlijk de basis om ook de komende decennia effectief samen te werken en ervoor te zorgen dat Nederland in 2050 voldoet aan de wettelijke normen voor waterveiligheid.
De komende periode worden deze bestuurlijke afspraken verder ambtelijk uitgewerkt en geïmplementeerd. Ik heb vertrouwen dat Rijk en waterschappen de goede samenwerking kunnen voortzetten bij de uitwerking en toepassing van de bestuurlijke afspraken.
De motie van het lid Grinwis3 verzocht de regering samen met de waterschappen en de sector een verkenning uit te voeren naar mogelijkheden om de doorlooptijd van waterveiligheidsprojecten te verkorten, in het bijzonder die binnen het HWBP, met name om de vergunningverlening, aanbesteding en governance van dergelijke projecten te vereenvoudigen.
Met de hierboven genoemde bestuurlijke afspraken over de herijking van het HWBP is invulling gegeven aan deze motie. Hierin wordt bijvoorbeeld uitgewerkt hoe meer gekomen kan worden tot een programmabrede markt- en aanbestedingsstrategie, tot standaardisatie en tot vereenvoudiging van het subsidieproces. De markt wordt geconsulteerd bij de uitwerking van de gemaakte afspraken. Daarnaast wordt onderzocht of het wenselijk is de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen, als het gaat om kleine projecten, bij omgevingsvergunning mogelijk te maken in plaats van bij projectbesluit. Mogelijk kan dit bijdragen aan versnelling van dergelijke projecten. In het najaar van 2026 zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.
2 Normen voor primaire waterkeringen
In de brief van 15 januari 2025 is de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van de wettelijke evaluatie van de Waterwet wat betreft de normen van de primaire waterkeringen. Hierbij is aangegeven dat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat met de betrokken partijen in gesprek zou gaan en dat voorzien was om in 2025 een besluit te nemen over het eventueel aanpassen van de normen van een aantal dijktrajecten.
Ruim de helft van Nederland is gevoelig voor overstromingen vanuit onze grote wateren, ongeveer een kwart ligt onder zeeniveau. Dijken, dammen, duinen en kunstwerken zorgen ervoor dat iedereen hier veilig kan wonen, werken en leven. Om dit te borgen gelden er in Nederland wettelijke normen voor onze 237 primaire waterkeringen (waarvan 22 voorliggend4 zijn). Het waterveiligheidsbeleid is erop gericht om het risico van overstromingen te beheersen. Dit gebeurt in de eerste plaats door het voorkomen van overstromingen waar sprake is van een reële kans op dodelijke slachtoffers en grote schade. Hierbij geldt het zogenaamde basisbeschermingsniveau als uitgangspunt. Dit betekent dat de kans dat iemand overlijdt door een overstroming niet groter mag zijn dan 1 op 100.000 per jaar – rekening houdend met de mogelijkheden om tijdig op een veilige droge plek te zijn (evacuatie). Naast het basisbeschermingsniveau is er voor de bepaling van de normen voor de primaire keringen ook gekeken naar extra bescherming in het geval van grote economische schade, de kans op een groot aantal slachtoffers en ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang. In die gevallen kan een strengere norm dan de norm die volgt uit het basisbeschermingsniveau worden vastgesteld. Bij het bepalen van de normen zijn de verwachte bevolkings- en economische groei tot 2050 meegenomen. Dit is ook de reden dat alle primaire waterkeringen voor 1 januari 2050 moeten voldoen aan de gestelde normen. De normen zijn robuust en toekomstgericht ontworpen, wat betekent dat aanpassingen niet vaak nodig zullen zijn. Dit geldt ook voor de situatie waarin de zeespiegel verder stijgt. Wel kunnen er dan meer investeringen nodig zijn om de norm te realiseren.
De normen per dijktraject zijn afhankelijk van de verwachte gevolgen daar bij een overstroming. De systematiek is landelijk gelijk en de uiteindelijke normen zijn passend bij de lokale situatie. Er is vastgelegd dat de normen elke 12 jaar worden geëvalueerd om te kijken of ze nog steeds passend zijn.
Zoals gemeld in de brief van 15 januari 2025 is bij de recente evaluatie gebleken dat er voor het overgrote deel van de dijktrajecten geen aanleiding is de normen te wijzigen. Bij 36 dijktrajecten kon, zoals in de brief aangekondigd, wel worden overwogen de normen aan te passen. Met aanpassingen krijgen deze gebieden een waterveiligheidsniveau dat in lijn is met het landelijke waterveiligheidsbeleid. Tijdens de periodieke landelijke beoordeling is inzicht verkregen in hoeverre de dijktrajecten voldoen aan de normen. Een landelijk consistente systematiek en een norm die is toegesneden op de situatie zijn van belang om in beeld te kunnen brengen hoe groot de waterveiligheidsopgave tot 2050 is. Dit om projecten de juiste prioritering te kunnen geven en de middelen doelmatig in te zetten. Gezien de (financiële) uitdagingen en oplopende kosten wordt dit steeds belangrijker. Hiermee wordt dus ook bijgedragen aan een doelmatiger HWBP zodat in 2050 in heel Nederland alle dijken tot op de norm kunnen worden versterkt.
Dat de normen van een aantal dijktrajecten nu kunnen worden aangepast heeft deels te maken met destijds conservatieve aannames over de mogelijkheid tijdig een gebied te kunnen verlaten in geval van een overstroming, de ‘evacuatiefractie’. Dit speelt met name op de Waddeneilanden, maar ook in de Maasvallei. Daarnaast zijn er nu betere inzichten in het verloop van een overstroming, waardoor in sommige gebieden de kans op dodelijke slachtoffers lager blijkt dan op basis van de inzichten tijdens het instellen van de normen in 2017. Hierdoor kunnen de betreffende normen worden aangepast, maar blijft het basisbeschermingsniveau van de mensen die wonen en werken in het achterliggende gebied gehandhaafd, in lijn met de rest van Nederland.
Met de betrokken waterschappen is veelvuldig overlegd naar aanleiding van de technische analyses die door Deltares zijn uitgevoerd. Deze analyses zijn eerder met de Kamer gedeeld, bij de al aangehaalde brief van 15 januari 2025. Waar nodig zijn daarna extra aanvullende analyses gedaan.
De betrokken waterschappen hebben aangegeven dat ze bestuurlijk graag eerder betrokken hadden willen worden in het proces, maar ze onderschrijven de methodiek die aan de normering ten grondslag ligt. Ook wordt het belang van het consistent toepassen van de landelijke systematiek onderkend. Wel zijn er bij waterschappen zorgen over de uitlegbaarheid van de (technische) methodiek. Afgesproken is dat het ministerie van IenW meedenkt over de communicatieboodschap richting de verschillende regio’s en het waterschap daarbij ondersteunt, waar dat passend is.
Ook wordt er aandacht gevraagd voor de interactie tussen de verschillende lagen van meerlaagsveiligheid5. Het is van belang dat ook wordt geïnvesteerd in de andere lagen. Zo is het ook van belang om voorbereid te zijn op een mogelijke overstroming in de crisisbeheersing omdat een dijk te allen tijde kan falen, en dat staat los van de betreffende normhoogte.
De landelijke normsystematiek is een integrale benadering. Hier worden de gebiedsspecifieke situatie en potentiële kosten van de overige lagen van de meerlaagsveiligheid in betrokken, waarmee iedere kering onder dezelfde randvoorwaarden van waterveiligheid een passende norm heeft. Belangrijk is om in heel Nederland dezelfde werkwijze te hanteren. We kunnen het ons namelijk niet permitteren om, vanuit het waterveiligheidsbeleid, onnodig strengere normen te bepalen en daarmee onnodige dijkversterkingen te financieren en op deze manier geld uit te geven wat ten koste gaat van dijkversterkingen elders, waar het wel dringend nodig is.
Normaanpassingen Waddeneilanden
Met de bestuurders in Noord-Nederland heb ik gesproken over hun zorgen over de effecten van de toepassing van de uniforme landelijke normeringsystematiek binnen het waterveiligheidsbeleid. De Deltacommissaris was hierbij ook aanwezig. In reactie op de wens vanuit de regio voor een afwijkende normstelling voor de eilanden is aangegeven waarom ik dat onwenselijk vind en waarom ik van mening ben dat dit zich niet goed verhoudt tot het belang van uniformiteit en consistentie van de landelijke systematiek. Tegelijk en juist vanwege de specifieke eilandsituatie is het van groot belang dat de integrale veiligheidsstrategie voor de Waddeneilanden nader wordt uitgewerkt. Afgesproken is daarom dat het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris. Uit de in het kader van het Deltaprogramma Wadden opgestelde integrale veiligheids-strategieën per eiland blijkt dat er voldoende schuilmogelijkheden zijn.
Daarnaast is gesproken over het HWBP-project Schiermonnikoog waar door normaanpassing de dijkversterkingsopgave grotendeels wegvalt. Afgesproken is dat het Rijk met de regio in overleg gaat over hoe om te gaan met de andere doelen van het project en hoe die alsnog gerealiseerd zouden kunnen worden.
Normaanpassingen
Op basis van de evaluatie en het voorgaande is het voornemen om het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage II, onderdeel B, (artikel 2.0c eerste lid) te wijzigen en de volgende aanpassingen te doen:
De normen van dijktraject 43-5 en dijktraject 43-6 langs de Waal aan te passen van 1:10.000 naar 1:3.000 per jaar. De bijbehorende signaleringswaarden worden ook aangepast. Dit heeft geen directe consequenties omdat deze trajecten net zijn of worden versterkt. De levensduur van deze versterkingen wordt hiermee vergroot.
De norm van het traject 15-3, langs de Hollandsche IJssel, aan te passen van 1:3.000 naar 1:1.000 per jaar door de hogere betrouwbaarheid van sluiten6 van de Hollandsche IJsselkering en op basis van nieuwe overstromingssimulaties.
De normen voor dijktraject 1-1 en 1-2 op Schiermonnikoog aan te passen van 1:1.000 naar 1:100. Dit heeft consequenties voor de huidige versterkingsopgave en daarmee het versterkingsproject, dat zich nu in de verkenningsfase bevindt. Binnen het HWBP zal worden gekeken naar de exact overgebleven opgave en de consequenties voor het project.
De norm voor dijktraject 2-2 op Ameland aan te passen van 1:1.000 naar 1:300. Dit heeft geen directe consequenties omdat dit traject net is versterkt. De levensduur van deze versterking wordt hiermee vergroot.
De norm voor dijktraject 3-1 op Terschelling aan te passen van 1:3.000 naar 1:100 en van dijktraject 3-2 op Terschelling van 1:1.000 naar 1:300. Dit heeft geen directe consequenties. Mogelijk wordt de versterkingsopgave kleiner, dit zal blijken uit de komende beoordeling.
De norm voor dijktraject 4-1 op Vlieland aan te passen van 1:300 naar 1:100. Dit heeft geen directe consequenties omdat dit traject net is versterkt. De levensduur van deze versterking wordt hiermee vergroot.
De norm voor dijktraject 5-1 op Texel aan te passen van 1:1.000 naar 1:300 en van dijktraject 5-2 op Texel van 1:3.000 naar 1:1.000. Dit heeft geen directe consequenties. Mogelijk wordt de versterkingsopgave kleiner, dit zal blijken uit de komende beoordeling.
Daarnaast is er het voornemen om ook de norm van traject 14-1 te wijzigen. Hiervoor is naast de hogere betrouwbaarheid van sluiten van de Hollandsche IJsselkering ook nog een zogenaamde calamiteitensluiting7 van de Hollandsche IJsselkering nodig. Voordat over deze normverlaging besloten kan worden, moet eerst verkend worden in hoeverre dit haalbaar is en wat nodig is om dit ook daadwerkelijk te kunnen borgen. Het ministerie is in goed overleg met de Hoogheemraadschappen om hierover heldere afspraken vast te leggen.
Voor alle dijktrajecten in de Maasvallei zijn er nieuwe berekeningen gemaakt. Hiermee zijn de normen beter onderbouwd doordat er een betere inschatting is van de potentiële gevolgen van een overstroming. Uit deze analyse volgt dat er voor zeker 22 van de 46 dijktrajecten geen reden is de normen te wijzigen. Voor de andere dijktrajecten is er wel reden om een aanpassing te overwegen. Voor een groot deel van deze trajecten is het belangrijk te melden dat daar geen reële kans is op slachtoffers. Daardoor ontstaat de vraag of het hier gaat om waterveiligheid of wateroverlast en of de status ‘primair’ voor deze keringen nog passend is.
Ik hecht eraan om deze afweging in goed overleg met de betrokken medeoverheden te maken. Dit, gezien de specifieke geofysische situatie in de Maasvallei, de samenhang van het primaire en regionale watersysteem en een aantal nu lopende beleidstrajecten die daar samenkomen rondom de aanpak van waterveiligheid en wateroverlast, nu en in de toekomst, waaronder Ruimte voor de rivier 2.0. Met de betrokken partijen worden daarom afspraken gemaakt over een maatwerktraject.
Aanscherping uitgangspunten voor primaire keringen
In de brief van 15 januari 2025 is aangegeven dat de uitgangspunten en criteria voor een primaire waterkering nog beoordeeld zouden worden, zodat scherper kan worden gestuurd op de doelmatigheid van het waterveiligheidsbeleid en de consistente toepassing ervan. Het gaat daarbij over situaties waarbij er geen reële kans is op slachtoffers of grote schade en het de vraag is of de status ‘primair’ voor deze keringen nog passend is. Dit doet zich bijvoorbeeld in Limburg voor (vanwege aanpassing normen). Daarbij speelt het verschil met wateroverlast een rol. In Nederland krijgen we steeds meer te maken met wateroverlast8. Hierbij kan weliswaar aanzienlijke schade optreden, maar is de kans op slachtoffers zeer beperkt. Wateroverlast vergt een andere aanpak dan waterveiligheid, omdat andere lagen van de ‘meerlaagsveiligheid’ een grotere rol hebben, en andere partijen daarvoor verantwoordelijk zijn, mede omdat de regionale kenmerken meer leidend zijn voor de aanpak. Waterveiligheid staat niet gelijk aan droge voeten. Ook in gebied wat waterveilig is liggen er regionale watersystemen die buiten hun oevers kunnen treden of kan er overlast ontstaan door neerslag.
De waterveiligheid van een gebied wordt niet uitsluitend bepaald door de aanwezigheid van een primaire kering, bv bij hooggelegen gronden (in de nabijheid). In heel Nederland geldt tenminste het basisbeschermingsniveau, de kans op overlijden door een overstroming is er maximaal 1:100.000 per jaar. behalve in gebieden die bedoeld zijn om ruimte te bieden voor water zoals in het stroombed van rivieren of langs de kust buiten de primaire keringen. Hiermee is duidelijk dat de waterveiligheid is geborgd, ook al is er geen primaire waterkering. In overleg met onder meer de waterbeheerders zal worden bezien hoe het beleid hierop verder kan worden aangescherpt en voor welke situaties een status als primaire kering niet passend kan worden geacht. Dit wordt dit verder uitgewerkt en opgenomen in het Nationaal Water Programma 2028-2033.
Voorliggende keringen
Zoals ook aangegeven in de brief van 15 januari 2025, zijn de normen van de 22 zogeheten voorliggende keringen (keringen zoals de Afsluitdijk die niet direct beschermen tegen overstromingen), nader onderzocht (bijlage 2). Geconcludeerd kan worden dat de normering op dit moment niet hoeft te worden aangepast. Voor een aantal trajecten gaat verder onderzoek gedaan worden. Dit zijn de Hartelkering, Biesboschsluis, Philipsdam, Oesterdam, Zeedijk Paviljoenpolder, IJsseldam en het traject 225 met daarin de Balgstuw.
Daarnaast wordt een aantal aanbevelingen gedaan over het vastleggen van uitgangspunten en mogelijke extra te formuleren eisen voor het tijdig openen van beweegbare keringen (zoals de stormvloedkeringen) en voor niet genormeerde ‘waterregulerende’ objecten zoals stuwen en langsdammen. Voor de voorliggende keringen is de conclusie dat de normen passend zijn. De aanbevelingen worden zo nodig opgepakt. Ik informeer de Kamer als op basis hiervan aanpassingen in wet- en regelgeving worden doorgevoerd.
3 Ruimte voor de Rivier 2.0
Met Ruimte voor de Rivier 2.0 (RvdR 2.0) wil het kabinet het rivierengebied zo inrichten dat het klaar is voor de toekomst. De rivieren zijn economisch van groot belang voor Nederland. Zo wordt via de rivieren 41%9 van de goederen vervoerd naar het achterland. Ook zijn rivieren van cruciaal belang voor de zoetwatervoorziening van grote delen van Nederland voor burgers, bedrijven, de landbouw en de natuur. In de zomerperiode levert de Rijn 80% van de zoetwateraanvoer van Nederland. De Rijn voorziet in die periode (ook via IJssel en IJsselmeergebied) circa 60% van Nederland van zoet water. Rivieren hebben ook grote regionaal economische betekenis voor aan de rivier gelegen steden en dorpen en bieden recreatieve uitloopgebieden. Om dit in de toekomst zo te houden, als er vaker en extremer laag én hoog water in de rivieren staat, moeten we ingrijpende keuzes maken.
Er worden nu keuzes voorbereid, die noodzakelijk zijn voor een veilig en florerend rivierengebied met impact voor heel Nederland. De eerste keuze gaat over hoeveel ruimte de rivier in de toekomst nodig heeft om de waterveiligheid te kunnen blijven borgen. De tweede keuze over de manier waarop de rivierbodemdaling gestopt kan worden. Rivierbodemdaling zorgt voor grote problemen voor de scheepvaart doordat de rivierbodem ongelijk daalt. Dit zorgt in toenemend mate voor slechtere bevaarbaarheid. Doordat het waterpeil mee daalt ontstaat er tevens schade aan landbouw en natuur in de uiterwaarden en omliggende gebieden door verdroging en neemt het risico op funderingsschade verder toe. Door het ongelijk dalen van de rivierbodem gaat er ook steeds minder water in drogere perioden naar de IJssel en het IJsselmeergebied. In tijden van hoogwater dient er daarnaast voldoende ruimte te zijn voor een veilige afvoer van het water en in combinatie met opgaven voor natuur en ecologische waterkwaliteit.
Zoals eerder11 aan de Kamer gemeld, worden de keuzes over de strategie, inclusief maatregelen, om de rivierbodem van de Maas en de Rijntakken te stabiliseren en wat nodig is aan ruimte voor de rivier voorbereid. De onderzoeksuitkomsten worden de komende periode besproken met waterschappen, gemeenten en provincies. Op die manier proberen we waar mogelijk samen op te trekken met belangen in de regio. Daarnaast wordt gesproken met maatschappelijke organisaties via het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving en worden de onderzoeksresultaten getoetst bij onder andere het Expertise Netwerk Waterveiligheid (ENW). Hiermee zorgen we er voor dat besluitvorming gebaseerd is op een gedeelde feitenbasis en brengen we zo goed mogelijk de verschillende regionale belangen en perspectieven op de resultaten in beeld, zodat we deze kunnen betrekken bij de besluitvorming. De verwachting is dat dit jaar de keuzes gemaakt worden, inclusief een eerste maatregelenpakket voor de meest urgente problemen met bijbehorende dekking. Verder worden aanzetten gegeven voor de uitvoering hiervan. Zo zorgen we er met Ruimte voor de Rivier 2.0 voor dat Nederland in de toekomst weerbaar blijft tegen te veel en te weinig water.
4 Internationale ontwikkelingen
Tijdens het Wetgevingsoverleg Water van 29 januari 2024 is aan het lid Peter de Groot toegezegd inzichtelijk te maken welke maatregelen in Benelux-verband en met Duitsland worden getroffen en wat de betekenis daarvan is voor de Nederlandse wateropgave. In de Kamerbrieven van 18 juni 202410 en 24 juli 202511 is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze toezegging.12
In het kader van RvdR 2.0 worden de effecten van bovenstroomse maatregelen op Nederland nu door Deltares en buitenlandse kennisinstituten onderzocht. Voor het Rijnstroomgebied is met AI-technieken een omvangrijke database van gerealiseerde en geplande projecten opgebouwd, de Maas volgt komend jaar. Ook wordt in beeld gebracht wat de maximale opbrengst van retentiemaatregelen in de stroomgebieden zou kunnen zijn. De onderzoeksresultaten, verwacht in 2027, vormen de basis voor bestuurlijk overleg met de buurlanden.
De samenwerking om hoogwater in het grensgebied het hoofd te bieden is binnen de Duits-Nederlandse ‘Arbeitsgruppe Hochwasser’ (AGHW) geïntensiveerd. Op 3 december 2025 is tijdens de Hoogwaterconferentie in Rees de samenwerkingsovereenkomst met Noordrijn-Westfalen vernieuwd voor de periode 2025-2030. De focus ligt op informatie-uitwisseling en inzet op gezamenlijke onderzoeksprojecten. Een concreet voorbeeld hiervan is de AGHW cofinanciering van het project Rheinwerk van de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN), waarin Duitse en Nederlandse dijkversterkingsprojecten met elkaar worden vergeleken om verschillen in kosten en techniek te verklaren. De AGHW zal ook worden ondersteund door kennisinstituten van het kennisprogramma JCAR-ATRACE13, dat zich tot een toonaangevend onderzoekplatform binnen de Benelux+ en EU voor grensoverschrijdend waterbeheer heeft ontwikkeld.
Voor de Gemeenschappelijke Maas wordt binnen de ‘Vlaams Nederlandse Bilaterale Maascommissie’ (VNBM) samengewerkt aan het actualiseren van gezamenlijke doelen voor hoogwaterveiligheid, rivierbodemligging en natuur. In de zuidelijke en centrale sector treedt zonder ingrijpen een autonome bodemerosie op. Dit brengt risico’s met zich mee voor de rivierbodemstabiliteit, grondwaterstanden, natuur en infrastructuur. In het Programma Integraal Riviermanagement14 heeft het kabinet aangegeven de rivierbodem te willen stabiliseren. Om hier invulling aan te geven wordt in 2026 met betrokkenheid van Vlaanderen gestart met een studie naar integrale oplossingsrichtingen, waarbij tegelijkertijd wordt gewerkt aan de waterveiligheid in de noordelijke sector van de Gemeenschappelijke Maas. Deze inzichten vormen de bouwstenen voor de integrale gebiedsuitwerking voor RvdR2.0.
5 De wateropgave op lange termijn
Nederland wordt de komende decennia geconfronteerd met uitdagingen op het gebied van waterbeheer. De zeespiegel blijft stijgen, droogteperiodes worden langer en komen vaker voor, met steeds lagere rivierafvoeren als gevolg – mede door dalende rivierbodems. Tegelijkertijd neemt de frequentie en hevigheid van extreme neerslag sterk toe. De druk op onze waterveiligheid en de noodzaak tot klimaatadaptatie groeien. De ruimte voor uitstel van maatregelen en de tijd van vrijblijvendheid is voorbij. Een groot deel van onze cruciale waterinfrastructuur – zoals gemalen, spuien en waterkeringen – raakt bovendien verouderd. Vernieuwing, levensverlengend onderhoud en renovatie zijn nodig om ons land veilig en leefbaar te houden. Daarom investeren we de komende jaren onder andere fors in de instandhouding van het hoofdwatersysteem. Hoewel veel wateropgaven een lange termijn karakter kennen, dwingen enkele aanvullende vervangingsprojecten – die lange voorbereidingstijden kennen – ons al op korte termijn tot financiële en beleidsmatige keuzes.
Concreet gaat het om de vervanging en uitbreiding van het gemaal IJmuiden en om de vervangende nieuwbouw van de spuien in de Afsluitdijk. Naar aanleiding van de motie van de leden Grinwis en Schutz is de Kamer recent geïnformeerd over het spui- en gemaalcomplex IJmuiden15. De spuien in de Afsluitdijk zijn daarnaast ook ernstig verouderd en er wordt levensduur verlengend onderhoud uitgevoerd16. Door de zeespiegelstijging en hogere rivierafvoeren is spoedige besluitvorming over nieuwbouw van de spuien in de Afsluitdijk nodig, om het peilbeheer in het IJsselmeer vanaf 2035 te kunnen borgen. Het is aan het volgende kabinet om op korte termijn over deze projecten vervolgbesluiten te nemen.
Daarnaast is blijven investeren in grote programma’s zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Ruimte voor de Rivier 2.0 en programma’s op het gebied van zoetwater, waterkwaliteit en klimaatadaptatie, noodzakelijk om het watersysteem toekomstbestendig te houden.
Het Deltafonds, financieringsbron voor deze opgaven, staat onder druk en er moeten (financiële) keuzes gemaakt worden (ook door een volgend kabinet) om o.a. de realisatie van waterveiligheidsdoelen te continueren. Ik verwijs hiervoor ook graag naar het Deltaprogramma 2026 waarin hierover meer uitgelegd staat. Om ook op toekomstscenario’s te kunnen anticiperen is in de kabinetsreactie op het Deltaprogramma 2026 een bestuurlijke verkenning aangekondigd die advies moet uitbrengen over onder andere een efficiënte realisatie van de lange termijnopgaven en structurele bekostiging daarvan.
De minister van Infrastructuur en Waterstaat,
R. Tieman
In deze brief wordt gesproken over normen, hiermee wordt gedoeld op de omgevingswaarde ‘overstromingskans per jaar’ of in het geval van voorliggende keringen, ‘faalkans per jaar’ zoals beschreven in de Omgevingswet.↩︎
Kamerstuk 32 698, nr. 90↩︎
Kamerstuk 27 625, nr. 711.↩︎
Voorliggende keringen zoals de Afsluitdijk, Maeslantkering en de dammen in Zeeland, zijn keringen voor de primaire keringen in het achterland. Er is hier sprake van een getrapte bescherming.↩︎
De veiligheid wordt geborgd door meerdere lagen. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming. Dit is én blijft de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Een overstroming is echter nooit uit te sluiten. De tweede en derde laag zijn dan ook gericht op het beperken van de gevolgen van een overstroming. De tweede laag richt zich op ruimtelijke inrichting van ons land om schade en overlast te beperken. De derde laag gaat over crisisbeheersing en voorbereiding op een mogelijke overstroming (rampenbeheersing). Laag vier, waterrobuust herstel is erop gericht om een getroffen gebied beter dan voorheen in te richten voor nieuwe periodes van extreem weer. Tenslotte is er de basislaag (laag 0) waterbewust handelen, erop gericht op het bewustzijn te vergoten van de risico’s bij wateroverlast voor inwoners en bedrijven. Zie voor meer informatie het Eindadvies Beleidstafel wateroverlast en hoogwater: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-1066578.pdf.↩︎
Staatscourant 2023, nr. 12727↩︎
Een calamiteitensluiting is een afwijkende, niet-reguliere sluiting van de kering die wordt uitgevoerd wanneer het normale sluitproces niet mogelijk is door een stroring, defect of beschadiging. Men wijkt bij een calamiteitensluiting bewust af van de standaardprocedures om de waterveiligheid alsnog te borgen.↩︎
Kamerstuk 27 625, nr. 721↩︎
Eurostat, 2023↩︎
Kamerstuk 27 625, nr. 670↩︎
Kamerstuk 27 625, nr. 717↩︎
TZ202402-050↩︎
JCAR ATRACE: Joint Cooperation program on Applied scientific Research to Accelerate Transboundary Regional Adaption to Climate Extremes, https://www.jcar-atrace.eu/nl↩︎
Kamerstuk 31 710, nr. 86↩︎
Kamerstuk 27 625, nr. 732↩︎
Kamerstuk 36 800-A, nr. 11↩︎