[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Fiche: Finaliteitsverordening

Brief regering

Nummer: 2026D04655, datum: 2026-01-30, bijgewerkt: 2026-01-30 16:07, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z02010:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Fiche 4: Finaliteitsverordening

  1. Algemene gegevens

  1. Titel voorstel

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van effecten en het intrekken van Richtlijn 98/26/EG en ter wijziging van Richtlijn 2002/47/EG met betrekking tot financiëlezekerheidsovereenkomsten.

  1. Datum ontvangst Commissiedocument

4 december 2025

  1. Nr. Commissiedocument

COM(2025) 941

  1. EUR-lex

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025PC0941

  1. Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing

SWD(2025) 943 en SEC(2025) 943

  1. Behandelingstraject Raad

Raad Economische en Financiële Zaken

  1. Eerstverantwoordelijk ministerie

Ministerie van Financiën

  1. Rechtsbasis

Artikel 114 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU)

  1. Besluitvormingsprocedure Raad

Gekwalificeerde meerderheid

  1. Rol van het Parlement

Medebeslissing



2. Essentie voorstel

  1. Inhoud voorstel

    Voor een goed functionerende Europese kapitaalmarkt en het beperken van systeemrisico’s op financiële markten is het essentieel dat transacties in financiële instrumenten, maar ook betalingen, definitief en onherroepelijk zijn en daarmee ‘finaal’ wanneer er overboekingsopdrachten in aangewezen systemen zijn ingevoerd en hiermee de afwikkeling (settlement) voltooid is. Richtlijn 98/26/EG1 (de Settlement Finality Directive, SFD) bevat regels omtrent de finaliteit van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingsystemen. Een systeem is een overeenkomst tussen drie of meer deelnemers2 met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor de clearing of het uitvoeren van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers. Dergelijke systemen worden beheerd door centrale tegenpartijen en centrale effectenbewaarinstellingen. De aanwijzing van dergelijke systemen voorkomt systeemrisico in de financiële markten doordat ingevoerde opdrachten in die systemen niet onderworpen kunnen worden aan de terugwerkende kracht bij faillissement van een deelnemer3. De SFD schrijft voor wat er gebeurt als een partij failliet gaat, ook nadat een opdracht is ingevoerd. Hiermee wordt bescherming geboden tegen insolventie en wordt onderpand in een transactie veiliggesteld. Dit voorkomt dat een faillissement van een partij ook tot verliezen bij een tegenpartij leidt. Dat zou tot een keten van verlies kunnen leiden, omdat het ook de financiële positie van de tegenpartij verslechtert.

    Omdat op Europees niveau de finaliteit van afwikkeling in systemen is vastgelegd in een richtlijn die ruimte laat in de implementatie, zijn er juridische verschillen tussen Europese lidstaten in hoe transacties in financiële activa via systemen worden afgewikkeld. Meer specifiek betreft dit verschillen in welke systemen erkend zijn, in de definitie van transacties zelf en wie een deelnemer aan een systeem kan zijn, verschillen in welke financiële activa beschermd worden door de wetgeving, verschillen tussen landen in wanneer een transactie finaal is en verschillen in hoe de afwikkeling is geregeld in transacties met derde (niet-EU) landen. Deze verschillen tussen landen creëren onduidelijkheid en belemmeren het grensoverschrijdende kapitaalverkeer, wat essentieel is voor economische groei en de strategische agenda van de EU. Daarbij laat de SFD te weinig ruimte voor nieuwe technologische ontwikkelingen. Steeds vaker is er bij de afwikkeling sprake van rechtsonzekerheid over het gebruik van Distributed Ledger Technology (DLT)4, die juist door betaaldiensten, die deelnemen aan en gebruik maken van betalingssystemen, toenemend wordt gebruikt. Problematisch is dat de SFD juridische onduidelijkheid creëert over of DLT-gebaseerde systemen gebruikt mogen worden door partijen. Dat geldt ook voor token-gebaseerde transacties en onderpand (zoals crypto), omdat deze strikt genomen niet binnen de definities vallen van de systemen en de criteria aan onderpand die in de SFD zijn vastgelegd.

    Om deze redenen – het bestaan van verschillen tussen lidstaten en gebrek aan ruimte voor technologisch ontwikkelingen – stelde de Europese Commissie in 2024 dat de SFD aan herziening toe is. Middels dit wetsvoorstel (de verordening) wordt beoogd de finaliteit van effectenafwikkeling verder te harmoniseren door de richtlijn om te zetten in een verordening. Tevens wordt de wettekst van de richtlijn op verschillende punten herzien, zij het beperkt. Hieronder volgt op hoofdlijnen welke aanpassingen concreet worden voorgesteld. Het betreft hoofdzakelijk 1) het wegnemen van ambiguïteit in definities (van financiële activa, deelnemers), waardoor duidelijker wordt wanneer transacties onherroepelijk en finaal zijn, en 2) het bieden van ruimte en wettelijke zekerheid voor nieuwe technologische ontwikkelingen die essentieel zijn voor een goed functionerende, geïntegreerde, Europese kapitaalmarkt.

    Het voorstel van de Commissie bevat een zevental wijzigingen. Ten eerste biedt het voorstel wettelijke zekerheid voor digitale innovaties. Het voorstel is ‘technologie-neutraal’ en biedt daarmee zekerheid aan innovaties zoals DLT, inclusief de op tokens-gebaseerde activa (crypto’s). De huidige SFD laat in het midden of een op tokens gebaseerde transactie daadwerkelijk een transactie was en ook is niet vastgelegd of crypto’s wel classificeren als een effect en tevens of crypto’s gebruikt kunnen worden als onderpand. Ten tweede worden in het voorstel de definities van betalingssystemen, deelnemers en instellingen zo aangescherpt dat ze de rechtsonzekerheid omtrent DLT verminderen. Ten derde worden regels omtrent rechtsconflicten verduidelijkt, zodat partijen beter weten wat de geldende regels zijn als er conflicten zijn tussen verschillende nationale regelgeving. Ten vierde biedt het voorstel rechtszekerheid voor EU-partijen die gebruik maken van systemen uit derde landen. Het voorstel harmoniseert de vereisten voor het registeren van systemen uit derde landen en regelt dat aanbieders van die systemen zich bij een centraal punt bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Bankenautoriteit (EBA) melden. De toelating (en registratie) van dergelijke derde landen systemen zelf wordt echter aan lidstaten overlaten. Ten vijfde zijn er aanpassingen in definities aangaande de reikwijdte van wie een deelnemer kan zijn aan een systeem. De lijst van mogelijke partijen die in de SFD als deelnemer kan worden aangemerkt kan door de Commissie met een gedelegeerde handeling worden uitgebreid. Deze wijziging zou ruimte moeten bieden aan toekomstige innovaties (in de transactieafwikkeling). Ten zesde biedt het voorstel EU-brede operationele criteria voor het aanwijzen van systemen (‘designation’). Het wetsvoorstel harmoniseert de EU-brede operationele criteria voor systemen, maar de wettelijke bevoegdheid voor het registreren van een systeem blijft een bevoegdheid van lidstaten zelf. Ten zevende zijn er aanscherpingen in de transparantievereisten aan ESMA waardoor lidstaten moeten rapporteren aan ESMA welke systemen uit derde landen zij registreren.

  2. Impact assessment Commissie

In het kader van het marktinfrastructuurpakket heeft de Commissie een effectbeoordeling uitgevoerd. Specifiek voor de omzetting van de richtlijn in een verordening heeft de Commissie geconcludeerd dat het aanpassen van de bestaande SFD naar een verordening het meest opportuun is. De aanpassingen verminderen de belemmeringen in het grensoverschrijdende kapitaalverkeer, zijn kosteneffectief, helpen (juridische) fragmentatie van de Europese kapitaalmarkten te verminderen en bieden ruimte voor innovaties. De Commissie heeft twee opties voor omzetting van de richtlijn naar een verordening overwogen. Optie 2 betrof de optie tot gedeeltelijke harmonisatie en optie 3 de optie voor maximumharmonisatie. De Commissie heeft uiteindelijk voor optie 2 gekozen. In de optiek van de Commissie was deze optie meer effectief, efficiënt en coherent dan volledige harmonisatie. Bovendien zou volledige harmonisatie, bijvoorbeeld van de momenten van invoering, onherroepelijkheid en finaliteit, de efficiëntie van verschillende systemen niet ten goede komen. Het vastleggen in de verordening zodat er expliciet de plicht is voor aangewezen systemen om in haar regels en procedures op te nemen wat deze momenten zijn, is voldoende om het gewenste effect van duidelijkheid over deze momenten te bewerkstelligen. Die momenten kunnen dan van systeem tot systeem verschillen. Zolang die momenten in de regels van het systeem zelf zijn vastgelegd hoeft dat niet tot problemen te leiden. Bovendien is er de plicht voor interoperabele systemen om de verschillende momenten in de systemen af te stemmen.

3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

  1. Essentie Nederlands beleid op dit terrein

    Een goed functionerende Europese kapitaalmarkt, waarin grensoverschrijdende activiteit wordt gestimuleerd, is essentieel voor economische groei, een goed functionerende Europese interne markt en de strategische agenda van de EU. De grote investeringsbehoefte vraagt om een geïntegreerde Europese kapitaalmarkt waarin juridische risico’s die gepaard gaan met financiële transacties zijn beperkt. Middels de zogenoemde Savings and Investments Union (SIU), beoogt de Europese Commissie om zulke belemmeringen die het internationale kapitaalverkeer hinderen, te verminderen. Het verminderen van deze barrières draagt bij aan het beperken van systeemrisico’s en kan (mede daardoor) leiden tot een betere beschikbaarheid van (risicodragend) kapitaal. De voorliggende verordening is onderdeel van de verdere ontwikkeling van de SIU.

    Verschillen in de wijze waarop Europese lidstaten transacties via systemen afwikkelen, vormen een belemmering voor een goed werkende Europese kapitaalmarkt. Middels de verordening, die leidt tot verdere harmonisatie in de finaliteit van afwikkeling, beoogt de Europese Commissie belemmeringen te verminderen. Dit sluit goed aan op de kabinetsinzet ten aanzien van de kapitaalmarktunie, waarin het kabinet zich inzet voor meer omzetting van richtlijnen naar verordeningen.5

  2. Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Het kabinet staat positief tegenover het voorstel om de SFD om te zetten in een verordening. De SFD is een richtlijn die toe is aan modernisering, mede in het licht van de ontwikkelingen op het gebied van distributed ledger-technology (DLT) waarmee geëxperimenteerd wordt onder de DLT Pilot Regime verordening.

Door de voorgestelde verordening ontstaat er meer harmonisatie op dit terrein, aangezien de richtlijn ruimte bood voor divergentie door afwijkende implementaties in lidstaten. Gezien het belang van finaliteit in de huidige kapitaalmarkten is het van groot belang om dit goed te waarborgen volgens uniforme bepalingen. Bovendien leidt de omzetting naar een verordening voor grensoverschrijdende ondernemingen tot meer rechtszekerheid. Het kabinet is positief over de keuze om meer harmonisatie aan te brengen in de wijze waarop lidstaten omgaan met finaliteit in systemen. Daarnaast leiden verschillende aanpassingen ertoe dat de regelgeving omtrent finaliteit meer open staat voor nieuwe ontwikkelingen en technologie, wat goed is voor de innovatie en vernieuwing op de kapitaalmarkten.

  1. Eerste inschatting van krachtenveld

De verwachting is dat er breed gedragen steun is voor de omzetting, hoewel mogelijk sommige lidstaten zullen betogen dat een omzetting niet nodig is nu in hun optiek de richtlijn, en de implementatie daarvan, afdoende functioneert. In het Europees Parlement is de verwachting dat het voorstel belegd zal worden bij de Commissie Economische en Monetaire zaken (ECON). Er is nog geen rapporteur aangesteld.

4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

  1. Bevoegdheid

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Het oordeel van het kabinet over de bevoegdheid is positief. Het voorstel is gebaseerd op artikel 114 VWEU. Artikel 114 VWEU geeft de EU de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen over de instelling en de werking van de interne markt. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van de interne markt is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten op grond van artikel 4, lid 2, onder a VWEU.

  2. Subsidiariteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel).

    Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. Het voorstel heeft tot doel om beter functionerende uniforme regels te creëren voor de finaliteit van de afwikkeling van effecten en meer harmonisatie en voorspelbaarheid te creëren in de uitwerking daarvan in de verschillende lidstaten teneinde de Europese kapitaalmarkt te bevorderen. Gezien de mate waarin de Europese financiële markten grensoverschrijdend functioneren kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt, daarom is een EU-aanpak wel nodig. Om die reden is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.

  3. Proportionaliteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief. Het voorstel heeft tot doel om beter functionerende uniforme regels te creëren voor de finaliteit van de afwikkeling van effecten en meer harmonisatie en voorspelbaarheid te creëren in de uitwerking daarvan in de verschillende lidstaten teneinde de Europese kapitaalmarkt te bevorderen. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat een verordening bijdraagt aan een uniforme wijze van uitvoering in de lidstaten en er hierdoor minder verschillen kunnen ontstaan tussen lidstaten. Daarbij is de inhoud van de voorgestelde verordening ook geschikt om de doelstelling te bereiken, nu er onderwerpen zijn die voorheen niet opgenomen waren in de richtlijn maar nu geharmoniseerd zijn in de verordening, zoals de rechtsconflicten en omgang met derde land systemen. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk. Zo laat het voorstel het aan de systeemexploitant van de aangewezen systemen om zelf te bepalen welk moment een door een deelnemer ingevoerd overboekingsopdracht als ingevoerd in het systeem wordt beschouwd en wanneer deze onherroepelijk is geworden.

5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

  1. Consequenties EU-begroting

Deze voorstellen hebben naar verwachting geen gevolgen voor de EU-begroting. Het kabinet is van mening dat, indien de voorstellen toch tot extra kosten leiden bij de toezichthouders, de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van het MFK 2021–2027, en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting.

  1. Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden

Deze voorstellen hebben naar verwachting geen financiële gevolgen voor de Rijksbegroting. (Eventuele) budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline.

  1. Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger

De voorstellen zullen niet leiden tot extra financiële kosten voor burgers en bedrijven. In de kern verandert er weinig aan de materiële inhoud als de SFD wordt omgezet in een verordening. Daarbij wordt er door ESMA een centrale database opgericht waarin informatie over de verschillende systemen uitgewisseld kan worden. Dit zou het werk voor toezichthouders en de systeemexploitanten moeten vereenvoudigen.

  1. Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

De voorgestelde omzetting van de SFD naar een verordening zorgt ervoor dat voor ondernemingen die grensoverschrijdend effecten afwikkelen, en daarmee afhankelijk zijn van de finaliteit van dergelijke transacties, meer rechtszekerheid krijgen over de finaliteit in verschillende lidstaten. Dit komt de interne markt ten goede.

6. Implicaties juridisch

  1. Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

De verordening heeft rechtstreekse werking. Wel zal het nodig zijn om uitvoeringshandelingen op het niveau van algemene maatregel van bestuur op te nemen. Omdat de SFD geïmplementeerd is in Afdeling 11A van de Faillissementswet, en er in meerdere wetten en algemene maatregelen van bestuur verwijzingen te vinden zijn naar die afdeling of specifieke artikelen daaruit, zullen een wetsvoorstel en algemene maatregel van bestuur opgesteld moeten worden ter aanpassing.

  1. Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

Het voorstel bevat ten eerste een bevoegdheid voor de Commissie tot het vaststellen van een gedelegeerde handeling in artikel 2, tweede lid. Via de bevoegdheid kan de Commissie de definities van ‘overboekingsopdracht’ en ‘deelnemer’ aanpassen. De definitie van ‘overboekingsopdracht’ kan aangepast worden om nieuwe types van activa die voorkomen in aangewezen systemen de bescherming van de verordening te kunnen geven. De definitie van ‘deelnemer’ kan worden aangepast, zodat nieuwe type deelnemers de bescherming van de verordening kunnen verkrijgen voor hun overboekingsopdrachten in aangewezen systemen. Dit geldt met name voor deelnemers die op grond van de DLT Pilot Regime-verordening deel kunnen nemen aan een DLT-afwikkelingssysteem.

Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Deze bevoegdheid ziet op het aanvullen van de verordening, waardoor de keuze voor delegatie (i.p.v. uitvoering) voor de hand ligt. Het kabinet beoordeelt deze bevoegdheidstoedeling als wenselijk nu deze een zekere mate van flexibiliteit geeft om snel aanpassingen door te voeren zonder een voorstel tot wijziging van de verordening. Bovendien kan hiermee sneller worden voorzien in aanpassing naar aanleiding van technologische ontwikkelingen.

Deze bevoegdheid is naar het oordeel van het kabinet goed afgebakend in het voorstel. De doelstellingen en inhoudelijke grenzen zijn daarin afdoende duidelijk gedefinieerd. Voordat de Commissie de gedelegeerde handeling kan vaststellen dient zij ESMA te consulteren, evenals nationale experts in lijn met het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven.6 Het Europees Parlement en de Raad kunnen de inwerkingtreding van gedelegeerde handelingen blokkeren. De bevoegdheidstoedeling is niet in tijd beperkt. Het kabinet is positief over deze onbeperkte toedeling, nu de verwachting is dat door de tijd heen technologische ontwikkelingen aanpassing kunnen vergen van het type deelnemers aan systemen en het type activa in systemen.

Het voorstel kent de Commissie daarnaast de bevoegdheid toe om gedelegeerde handelingen (ex artikel 290 VWEU) vast te stellen op basis van door ESMA en EBA opgestelde technische reguleringsnormen. Dit betreft grondslagen in de artikelen 5(2) (voor ESMA) en 5(3) voor EBA met betrekking tot de voorwaarden uit artikel 5(1) waaraan een systeem moet voldoen alvorens het aangewezen kan worden op grond van artikel 3 van de verordening, in de artikelen 13(12) (voor ESMA) en 13(14) voor EBA over de informatie die systemen moeten aanleveren om aangemerkt te kunnen worden als aangewezen systeem, en in artikelen 21(3) (voor ESMA) en 21(4) (voor EBA) over de regels voor het bepalen van het moment van finale afwikkeling in systemen.

Het kabinet acht toekenning van deze bevoegdheden mogelijk, omdat het hier om niet-essentiële onderdelen van het voorstel gaat. De uit te werken gedelegeerde handelingen zien op criteria, indicatoren, methodologieën en verdere detailleringen van de hoofdnormen die in de verordening zelf komen te staan. Hierdoor wordt de verordening door de gedelegeerde handelingen aangevuld, waardoor de keuze voor delegatie passend is. Het kabinet acht de toekenning van deze bevoegdheden tevens wenselijk, omdat de nadere uitwerking van artikelen de gewone wetgevingsprocedure minder belast en deze flexibiliteit oplevert door de technische details in te laten vullen door EBA, ESMA en de nationale toezichthouders.

Deze bevoegdheid is naar het oordeel van het kabinet goed afgebakend in het voorstel. De doelstellingen en inhoudelijke grenzen zijn daarin afdoende duidelijk gedefinieerd. De vaststelling van deze gedelegeerde handelingen vindt zoals gebruikelijk in het Europese financiële recht plaats volgens de bijzondere procedure uit de EBA- en ESMA-verordening (artikel 10 van Verordeningen (EU) 1093/2010 en (EU) 1095/2010). Deze procedure houdt in essentie in dat EBA en ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen ter vaststelling aan de Commissie voorlegt. De Commissie informeert in elke stap van het proces onmiddellijk het Europees Parlement en de Raad over de inhoud daarvan. De lidstaten worden via de Raad geïnformeerd. Het Europees Parlement en de Raad kunnen de bevoegdheidstoedeling intrekken, en kunnen de inwerkingtreding van gedelegeerde handelingen blokkeren.

Het voorstel kent daarnaast de Commissie de bevoegdheid toe om uitvoeringshandelingen (ex artikel 291 VWEU) vast te stellen op basis van door ESMA en EBA opgestelde technische uitvoeringsnormen. Dit betreft de grondslag in de artikelen 13(13) (voor ESMA) en 13(15) (voor EBA) over de uniforme elektronische formats voor de informatie die systemen moeten aanleveren om aangemerkt te worden als aangewezen systeem.

Het kabinet acht toekenning van deze bevoegdheden mogelijk, omdat het hier om niet-essentiële onderdelen van het voorstel gaat. De uit te werken uitvoeringshandeling ziet op uniforme elektronische formats die ESMA/EBA dienen op te stellen zodat partijen op dezelfde geharmoniseerde wijze hun aanvragen voor aanwijzing als systeem invoeren in de centrale database. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat er uniforme uitvoering van de verordening plaatsvindt, waardoor de keuze voor uitvoering passend is. Het kabinet acht de toekenning van deze bevoegdheden tevens wenselijk, omdat de nadere uitwerking van de wijze waarop deze informatie aangeleverd moet worden, de gewone wetgevingsprocedure minder belast en deze flexibiliteit oplevert door de technische details in te laten vullen door EBA, ESMA en de nationale toezichthouders. De bevoegdheden zijn naar het oordeel van het kabinet goed afgebakend in de verordening. De vaststelling van deze technische uitvoeringsnormen vindt zoals gebruikelijk in het Europese financiële recht plaats volgens de bijzondere procedure uit de EBA- en ESMA-verordening (artikel 15 van Verordeningen (EU) 1093/2010 en (EU) 1095/2010). Deze procedure houdt in essentie in dat EBA en ESMA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ter vaststelling aan de Commissie voorleggen. De Commissie informeert in elke stap van het proces onmiddellijk het Europees Parlement en de Raad over de inhoud daarvan. De lidstaten worden via de Raad geïnformeerd.

  1. Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De verordening werkt rechtstreeks en treedt twintig dagen na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking. De verordening bepaalt in artikel 30 dat de SFD wordt ingetrokken op de dag dat de verordening in werking treedt. Daarnaast bevat de verordening aanpassing van de richtlijn financiëlezekerheidsovereenkomsten. Achttien maanden na inwerkingtreding van deze verordening moet er wetgeving zijn vastgesteld om te voldoen aan de nieuwe vereisten in die richtlijn. Dit is voor het Nederlandse wetgevingsproces een krappe termijn. Tijdens de onderhandelingen zal ingezet worden op vierentwintig maanden.

  1. Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

In artikel 29 van de voorgestelde verordening is een evaluatiebepaling opgenomen, zodat de Commissie vijf jaar na inwerkingtreding een rapport, met eventuele voorstellen voor aanpassing, opstelt over de toepassing van de verordening. Ook wordt in hetzelfde artikel voorgesteld dat ESMA, samen met EBA en het ESCB, een rapport schrijft over het functioneren van het regime van finaliteit van de afwikkeling van effecten.

Het kabinet vindt een dergelijke evaluatie wenselijk, en vindt vijf jaar een afdoende termijn voor een dergelijke evaluatie. Omdat de inhoud van de voorgestelde verordening niet wezenlijk anders is dan die van de SFD, is het niet noodzakelijk eerder een evaluatie uit te voeren (bijvoorbeeld na drie jaar) om te bezien of het regime wel werkt.

  1. Constitutionele toets

Niet van toepassing.

7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

a) Uitvoerbaarheid

De uitvoering en handhaving van de voorstellen ligt bij Europese en nationale toezichthouders. Het kabinet is er voorstander van dat toezicht op grensoverschrijdende ondernemingen Europees wordt belegd bij de Europese toezichthouders. Indien de voorstellen worden aangenomen, zal dat aanpassing van alle toezichthouders vergen om de nieuwe wijze van toezicht houden goed uit te voeren.

b) Handhaafbaarheid
Het toezicht vanuit SFD op systemen is belegd bij DNB. Dit zal onveranderd blijven. De voorgestelde wijzigingen worden als handhaafbaar ingeschat.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Het commissievoorstel zal naar Nederlandse verwachting geen gevolgen hebben voor (de belangen van) ontwikkelingslanden.


  1. Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen.↩︎

  2. Dit zijn financiële marktpartijen zoals banken, centrale effectenbewaarinstellingen, centrale tegenpartijen, beleggingsondernemingen en betaal- en elektronischgeldinstellingen.↩︎

  3. Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 260, nr. 3, p. 4 e.v.↩︎

  4. Dit betreft token-gebaseerde technologie die gebruik maakt van blockchains, waarmee bijvoorbeeld de handel in crypto-valuta kan worden geregeld via zg., peer-to-peer netwerken.↩︎

  5. Kamerstukken II 2024/25, 21501-07, nr. 2099, p. 5.↩︎

  6. PbEU 2016, L 123.↩︎